HOOFDSTUK I.

[Inhoud]HOOFDSTUK I.Paulus heette hij, en hij woonde met zijn grootvader in een oer-oud bosch, ver van de beschaafde wereld.Het kleine huis, van riet en hout, stond wèlbeschut onder ernstige, hooge boomen. Die gaven schaduw voor de zon en vingen den wind op met hun breede, sterke ruggen, dat hij het huisje niet zou deren. Hoe kende Paulus ze allemaal, die rond zijn woning stonden! Hoe waren ze hem vertrouwd, en wist hij van elk de eigenaardigheden! ’s Ochtends zeide hij ze goeden dag, en dan zongen ze met hun bladeren een morgenlied in de lucht. Dat was dan de muziek, die hij daar, ver van de wereld, hoorde. En ’s avonds, als ze, op hun ruige, massieve stammen geleund, moê van al het dagleven stonden te slapen, zwaar en zwijgend, dan wenkte Paulus ze goênacht, vóór hij het venster sloot van zijn kamertje. En dan ritselde er wel eens wat in de blaren, of een boom hem nog even bedankte in zijn slaap. Zijn goede, sterke, groote broeders waren het, die boomen.[2]Zijn grootvader was Willebrordus, een oud, oud man.—Zooals een heel oude boom leek hij wel, nog altijd groot en sterk, maar al wat gebogen, met diepe, donkere rimpels, en, zooals bossen oude luchtwortels, hing een ruige, grijze baard golvend neder van zijn kin. Hij liep erg langzaam, met de rechterhand gesteund op een gaanstok. Maar zijn oogen waren nog helder als sterren in den nacht, en zijn stem was duidelijk en klaar. Hoe zijn grootvader daar zoo in het bosch was komen te wonen, wist Paulus niet. En hij herinnerde zich ook niet, ooit iets anders te hebben gezien dan zijn grootvader, en het huisje, waarin hij woonde, en de hooge boomen, en de sterren, die flikkerden door de bladeren, en de bloemen en de vogels in het bosch. Dan nog het trouwe gezicht van Mareta, een oud vrouwtje, dat kookte en schoonmaakte, thuis, en aan den grijzen Willebrordus gehecht was als een goed, trouw dier. Andere gezichten waren er niet in het leven van Paulus.Maar tóch was het heel vol en heerlijk, dat leven, en ge moet niet denken, dat het zoo erg was voor dat jongetje, om daar zoo ver weg in een bosch te wonen.Want zooals andere kinderen met kinderen en menschen omgaan, zoo ging hij om met de boomen en de bloemen. En nu zeggen ze wel dat die niet leven, en geen ziel hebben als de menschen, maar dan weten ze er[3]niets van. Dat hadden ze eens aan Paulus moeten vertellen! Hoe zou hij gelachen hebben! Alsof die boomen en die bloemen niet ieder hun eigen leven en hun eigen karakteristieke dingen hadden, net als de menschen! Praten konden ze niet. Dat is zoo. Maar zoo’n boom kan zoo vertrouwelijk doen met zijn bladeren, en ook zoo diep zuchten, met vreemd gekreun, en dan kan hij ook weer ineens zoo heel stil zijn, of hij iets heel volzaligs ergens zag in de lucht, en dan zóó roerloos van aandacht zijn blaadjes uitgespreid houden, dat je al heel dom moet zijn om niet te begrijpen, dat er iets van innig leven in hem omgaat. En dan een bloem! Zooals die ’s morgens vriendelijk staat te lachen, met dauwdroppeltjes in haar oogen, en zooals die zijn geur naar je toe wuift! En zooals die ’s avonds zachtjes wat gaat neigen, en knikkebolt, als een meisje, dat slaap heeft, en dan voorzichtigjes de blaadjes heenvouwt om haar hoofdje, om het niet te koud te hebben ’s nachts! En zoo gelukkig en deemoedig-tevreden als ze dan staan te slapen, die bloemen, tot het goede licht weer komt, dat ze wekt! Dan doen ze allemaal hun blaadjes weer open, en lachen tegen de zon.Maar behalve de bloemen en de boomen had Paulus nog andere vrienden. De vogels. En die konden wèl praten. Daar behoefde je niet zoo erg knap voor te wezen om te verstaan wat die zeiden. Ze waren ook niets bang voor hem, en vlogen niet[4]weg als hij aankwam. Hij zou ook nooit geprobeerd hebben er een te vangen. Zijn grootvader had hem geleerd, dat hij géén levend wezen, hoe klein ook, ooit mocht pijn doen. Want alle levende schepselen waren als hij, had Willebrordus gezegd, en hadden met hem éénen Vader. Evenmin als onder de menschen iemand zijn broeder of zuster mocht dooden, mocht je ooit een levend wezen pijn doen. Paulus had dat trouwens altijd heel natuurlijk gevonden. Het zou bijvoorbeeld niet in hem op zijn gekomen om zoo’n vogeltje te vangen. Het was veel te heerlijk voor zoo’n beestje om zijn vlerkjes uit te spreiden, en dan vèr weg te vliegen, waar hij maar wilde. Hij benijdde ze wel eens. Vooral de leeuwerik. Hoe die op zijn trillende vleugeltjes in den hemel vloog, naar de zon, en dan heel, heel hoog, een zwart tipje in het goud, hing te kwetteren van pleizier!Ook kwam hij wel eens herten en reeën tegen als hij ver wandelde in het bosch. Die lieten zich gerust door hem streelen, en keken hem vertrouwelijk aan met hun groote, bruine oogen. Nog mooier oogen hadden ze dan honden of paarden, vond hij. Ze konden zoo lief en goedig kijken, zoo heelemaal oprecht, en zonder iets achter te houden. Zoo of ze wilden zeggen: daar heb je me nu, heelemaal zooals ik ben. Paulus was altijd erg blij als hij er een tegenkwam, en dat vertelde hij dan later aan zijn grootvader, zooals een ander zou vertellen van een[5]vriend, dien hij ontmoet had. Van héél ver kwamen ze, zeide Willebrordus, van dagen aan dagen vèr loopen, en als er veel in de buurt kwamen, was dat een teeken, dat de menschen van ’t Leliënland een groote jacht hadden gehouden.Dat was iets verschrikkelijks voor Paulus. Grootvader vertelde het hem, hoe die menschen de arme herten opjoegen, en doodschoten met pijlen, en er woeste bloedhonden op af stuurden, als ze gewond waren en vluchtten. En als de jager dan kwam stak hij het hert nog eens met een scherp jachtmes in de keel.De menschen.… Dat was iets vaag beangstigends voor hem. Niet de enkele menschen, die hij wel eens ver in ’t bosch ontmoette, en die thuis de oude Mareta dingen brachten voor de huishouding. Dat waren boeren van de grenzen, zeide grootvader, en zij waren goedaardig en vriendelijk van aard. Maar de menschen … dat waren de menschen van de steden, vèr, vèr weg gelukkig, waar hij nooit naar toe mocht gaan, en waar hij ook instinctmatig bang voor was als voor iets verschrikkelijks.Dagen en dagen ver loopen, eerst het groote bosch uit, en dàn een rivier over, dàn over bergen en dàn een verre vlakte, daar moest ergens de stad zijn, waar de menschen woonden. Dáár woonden ze, niet bij de boomen, in de open, vrije lucht, maar in groote, groote gebouwen van steen, die ze huizen[6]noemden, duizenden aan duizenden naast elkaar en boven elkaar, dat je nooit iets anders zag dan steenen; en daar waren donkere holen, die ze fabrieken noemden en waar duizenden slaven werkten, die nooit buiten de zon konden zien en nooit bloemen hadden; daar werden koeien en kalveren en paarden geslacht, vogels en lammeren vermoord, en hun vleesch en hun bloed verzwolgen. Daar moesten bij honderdduizenden naast elkaar de „menschen” wonen, die allemaal in die steenen hokken moesten bestaan, en, zooals grootvader zeide, altijd maar doorvochten, als wilde roofbeesten eigenlijk, wie leven zou ten koste van den ander. Als ze buiten op het land wilden wonen zou er voor ieder ruim genoeg zijn, maar dat wilden ze niet. Ze zouden en ze moesten hokken blijven in hun steenen kooien, die ze steden noemden, allemaal dicht op elkaar gekropen en elkaar verdringend, als vee, dat in een te nauwe ruimte is gedreven.Paulus had zijn grootvader moeten beloven om nooit, nooit te vragen met hem de stad te gaan zien, en het ook nooit te verzwijgen, als hij lust mocht krijgen uit de eenzaamheid weg te gaan naar de menschen. Als Paulus absoluut wilde, en zich anders ongelukkig voelde, zou Willebrordus hem niet tegen houden, en hem laten gaan. Doch met hem medegaan zou hij nooit.Maar dit boek is een sprookje, en Paulus voelde[7]geen behoefte om weg te gaan uit zijn goed, schoon bosch, al dacht hij veel om de menschen daar ginds ver, en hoe zij er wel zouden uit zien, en wat zij doen zouden. Hij had genoeg te doen in al het mooie om zich heen om zich niet te vervelen, en niet naar méér te verlangen dan hij had. ’s Ochtends kreeg hij geregeld les van zijn grootvader, die heel wijs en knap was, en hem veel kon vertellen. Hij leerde Paulus véél van de sterren, en hoe zij rondwentelen in de eeuwigheid, op rythmus van vaste wetten, en hoe die rythmus even schoon en volheerlijk was als die van de verzen der oude, ware dichters, die hij hem voorlas. Hij leerde hem van de poëzie der eindelooze getallen, en hoe de wiskunde even warm van poëzie was als ál het andere bestaande, en hij leerde hem, hoe het alles één en hetzelfde groote was, dat de sterren voortstuwde in hun baan, en het zaadje van een bloem deed kiemen tot een zoo wondere schoonheid als van een lelie of een roos. En bij alles, bij de sterrenkunde als bij de botanie, bij de wiskunde als bij de poëzie vertelde Willebrordus hem van den éénen Geest, die het Al doordringt, en die zich manifesteert zoowel in het simpele viooltje als in den statigen eik, in het licht der blinkende Avondster zoowel als in de zachte, bruine oogen van de ree. Niet in den Hemel, ergens boven de wolken en de luchten, woonde die Geest, maar in alles en allen was Hij geopenbaard, en Hij leefde in alle dingenonsterfelijk[8]en onvernietigbaar. Als de boomen doodgingen, of de vogels, of de bloemen, of de menschen, dan was dat maar éven een weggaan van een uiterlijken schijn. Want de Geest, die er in geleefd had, was gaaf en puur gebleven, en uitte zich drá weer in nieuwe openbaringen, even schoon.Dat had Paulus trouwens ook altijd intuïtief gevoeld, óók vóór zijn grootvader het hem leerde. Want in de groote eenzaamheid van de natuur zie je God het dichtste nabij. Als het morgen was, en het goede Licht kwam aan in het Oosten, en ging zegenend over het bosch; als dan de bladeren van de wakker geworden boomen zachtjes ruischend dat licht begroetten, en al de vogeltjes hun stemmetjes probeerden voor de muziek van den dag, dan kwam dat over hem als een groote blijheid, als iets dat hem door iemand gegeven werd die heel goed en lief voor hem was, en alles met hem deelde. En hij wist vanzelf ook wel dat het alles hetzelfde was, het bladeren-ruischen, en het schijnen van het licht, het vogelen-gezang en de geuren van de bloemen, het wind-gewaai en het vertrouwelijk gepraat van de beekjes. Het was telkens op andere wijze geuit, de eene nog mooier dan de andere, maar het moest van Eenen zijn gegeven, en Één leefde in al de dingen om hem.Of ’s avonds, als het licht weg was gegaan, en de sterren begonnen op te blinken aan den hemel.[9]Hoe dan ineens al die boomen ernstig werden, en toch zachter dan overdag, met al hun stammen en takken véél duidelijker uitgekomen, hoe ze stil werden van aandacht, en hoe ze dan soms inééns met hun breede kruinen éven opruischten, zoo héél anders dan overdag, plechtig alsof ze fluisterden een gebed. Hoe wijs waren ze dan geworden, zoo verdiept in gedachten, en hoe rustig, alsof het zóó nu eigenlijk pas goed was, en dít nu de allergrootste innigheid was, waartoe ze in staat waren te komen. Den gehéélen dag hadden ze er over gedaan om dít nu te kunnen worden, en het zóó te zeggen. Ik zeg te zeggen, omdat al die ranke takjes met hun teere gebaren, en al die fijne loovertjes zoo doodstil uitgespreid, heusch net zoo spraken tegen den kleinen Paulus alsof iemand hem toefluisterde iets heel goeds en innigs. Als het dan zoo stil was, en roerloos stonden de boomen te droomen, en het loover bewoog niet meer, dan voelde hij even duidelijk of iemand vlak naast hem stond, dat Eéne, dat de eeuwige, goddelijke Geest was, dicht, heel dicht bij hem, zoo dicht als een moeder bij het kind, dat rustigjes slaapt aan haar borst.Hij was ook nooit bang, Paulus. Hij wist niet wat het was, en er wás ook niets om bang voor te zijn. Alles om hem heen was veilig en vertrouwd. Hij wist ook ’s nachts precies waar alles stond, al was het donker, en de zwarte boomstammen waren even gewoon[10]als de donkere lichamen van vrienden zouden zijn, die om hem heen stonden. De dingen van den nacht waren hem allen even eigen als die van den dag. Vooral de sterren. O! De sterren! De sterren! Die had hij eigenlijk nóg liever dan de bloemen, al noemde hij ze wel eens de bloemen, die bloeiden in den hemel. Grootvader had hem heel wat er van geleerd, en hij kende veel sterren, zooals hij veel bloemen kende.—Hij vond het altijd zoo heerlijk op hen te wachten als het donker werd, en ze kwamen opdagen, trouw als vrienden op hun tijd. Hij wist het, eerst moet déze komen—kijk, daar was zij al—, dan díe—daar was zij—en nu díe, en dan díe,totdater inééns te veel waren om goed te onderscheiden. O! kijk! kijk! daar waren ze, hier, en daar, en daar, en overal, daar hingen ze hem inééns aan te zien met hun gouden en zilveren gezichtjes, en groetten hem met hun reine licht. Als het dan zoo héél groot en schitterend was, op een bizonder helderen nacht, dan kreeg hij dikwijls een vreemd, vaag verlangen, dat bijna droefheid en toch óók zalig geluk was, om bij hen te zijn. Het was hem dan, of hem iets riep, wat wist hij niet, maar iets dat liever en beter was dan het allerliefste en beste, hem meer vertrouwd nog dan grootvader, en zijn kamertje thuis, en zijn liefste vogels en bloemen. Dan gevoelde hij een behoefte, om dichter en dichter bij die sterren te zijn, en hij klom in den hoogsten boom,[11]zoo ver hij kon, in de kruin. Daar bleef hij dan roerloos zitten. Beneden hem stonden vèr en vèr de stille, donkere boomen rustig te droomen in den nacht, tevreden en zacht als kinderen, die slapen zijn gegaan. Alles was verzonken in roerloozen sluimer, waar alle geluiden zwegen. Dan keek hij in groot verlangen naar boven, naar de sterren, die zoo hoog boven al de dingen van de wereld stonden te schitteren, in de eindelooze stilte van de sferen. Maar ach! hij was niet dichterbij gekomen, al waren zijn armen en beenen van ’t klimmen moe. Altijd waren de sterren nog even ver. Dan voelde hij wel eens een vreemde pijn, en welden hem de tranen in de oogen, omdat het zoo ver, zoo eindeloos ver was, dat mooie licht, dat hij liefhad, en grooter en grooter werd het verlangen in zijn onbewuste ziel om nu zacht, zacht omhoog te mogen zweven, en ál die toch zoo lieve en vertrouwde dingen van beneden ver onder zich te laten, om daarboven in dat volheerlijke, zalige licht van de sterren te vergaan …Dat was zoo vreemd voor hem. Hij had alles om hem heen zoo lief. Zijn grootvader. De oude Mareta. Zijn kamertje thuis. Zijn bloemen en vogels en dieren. En tóch was er iets, dat hem van al die lieve dingen wegriep, en waar hij altijd bij verlangde te wezen, héél, héél ver. Het was zoo vreemd, en toch zóó innig, dat hij het nooit aan grootvader had gezegd, wien hij toch alles toevertrouwde. Het was ook maar[12]heel zelden, en nooit dikwijls achter elkaar, dat gevoel, en altijd alleen als de avond was gevallen.’s Ochtends voelde hij het nooit. Dan was alles goed zooals het was, en alle dingen waren blij en tevreden. Hij had overdag ook te veel te doen, om zoo weg te verlangen naar het vreemde en verre. De lessen van grootvader, het werken in den tuin om het huisje, het baden, en de wandelingen door het bosch, het roeien op de rivier, en het lezen. Daar was hij ’s avonds meestal moe van, zoodat hij vroeg naar bed ging, waar hij dadelijk insliep, rustig en gezond, zooals een vogel slaapt en een bloem. Het licht maakte hem ’s morgens wakker, sterk en tevreden, en hij aanvaardde blij den nieuwen dag, zooals alle dingen om hem in de natuur.Hij had een paar lievelingsplekjes in het bosch waar hij zich gelukkiger voelde dan ergens anders. Een er van was een groep van groote purperbeuken, met een open plek in het midden, waar rood-en-gouden blaren waren opgehoopt tot een bed. Daar lag hij dan, met het hoofd op een arm geleund, uren lang te lezen in de boeken met verhalen en verzen, die grootvader hem gaf. Dat was zoo heerlijk, zich te laten wiegen op de rythmen van een vers, dat zoo wonderwèl aanpaste aan het zacht geruisch van de boomenkruinen op de ademen van den wind. Somtijds, als hij ophield met lezen, was het of het gedicht nog altijd voortruischte, hoog[13]boven zijn hoofd, en dan in de luchten verging.Dán was er nog een andere plek, waar hij het liefste zat als hij zich alleen voelde, en behoefte had aan iets vriendelijks van vertrouwen. Het was een groepje rotsblokken, waar steenachtige heuvelen omhoog stegen, en beken met kleine watervallen kletterden neêr. Dat deed zoo goed, het mededeelzame gepraat van het vallende water, dat maar niet kon ophouden te vertellen van allerlei blijde en vroolijke dingen. Nooit hielden die beekjes hun mondjes stil, altijd ratelden ze maar door, voortdurend bereid om iets te zeggen, zoodra hij maar kwam. Ook ’s nachts hield het niet op, en te midden van al het donker dat zweeg, babbelde het water maar altijd door, onbezorgd en expansief als een kind, dat ’s nachts in bed niet slapen kan, te blij om zich te uiten in vreugdevol vertellen.Maar de mooiste plek in het geheele bosch was een stille vijver, heel ver weg, in de schaduw van hooge, rechte boomen, wier breede kruinen bijna nooit bewogen, en roerloos uitgespreid bleven boven het vlakke water. En in dien vijver, rustig drijvende op den kalmen spiegel, bloeiden de witte waterlelies, met hun gouden bloemen-harten wijd open naar het licht, als om hun ziel ganschelijk heen te geven aan de zon. Hoe die bladen zich kuischelijk ontsloten, hoe die gouden harten vreezeloos open lagen, en hoe aandachtig die witte lelies opzagen naar omhoog,[14]van waar het licht moest komen dat hen drenkte! Zoo stil, zoo roereloos rein als die blanke bloemen op het pure water lagen, in zoo groote oprechtheid, van zoo kalme, gewijde rust overtogen! Hoe heerlijk vooral, als de avond begon te dalen, en alle geluiden zwegen, hoe dat vlekkelooze wit dan opscheen in het donker, met een zachte innigheid, vroom als een gebed! Dan ging Paulus stil aan den oever van den vijver zitten, alle dingen om hem heen begonnen langzaam te vervagen, en hij zag niets meer dan die heilige bloemen van wit, hoe die bewegingloos op het rimpellooze water dreven, tot de tranen van een onbewuste, vreemde zaligheid, droef en toch eindeloos blij, hem in de oogen kwamen, en hij droomde wonderen droom.…[15]

[Inhoud]HOOFDSTUK I.Paulus heette hij, en hij woonde met zijn grootvader in een oer-oud bosch, ver van de beschaafde wereld.Het kleine huis, van riet en hout, stond wèlbeschut onder ernstige, hooge boomen. Die gaven schaduw voor de zon en vingen den wind op met hun breede, sterke ruggen, dat hij het huisje niet zou deren. Hoe kende Paulus ze allemaal, die rond zijn woning stonden! Hoe waren ze hem vertrouwd, en wist hij van elk de eigenaardigheden! ’s Ochtends zeide hij ze goeden dag, en dan zongen ze met hun bladeren een morgenlied in de lucht. Dat was dan de muziek, die hij daar, ver van de wereld, hoorde. En ’s avonds, als ze, op hun ruige, massieve stammen geleund, moê van al het dagleven stonden te slapen, zwaar en zwijgend, dan wenkte Paulus ze goênacht, vóór hij het venster sloot van zijn kamertje. En dan ritselde er wel eens wat in de blaren, of een boom hem nog even bedankte in zijn slaap. Zijn goede, sterke, groote broeders waren het, die boomen.[2]Zijn grootvader was Willebrordus, een oud, oud man.—Zooals een heel oude boom leek hij wel, nog altijd groot en sterk, maar al wat gebogen, met diepe, donkere rimpels, en, zooals bossen oude luchtwortels, hing een ruige, grijze baard golvend neder van zijn kin. Hij liep erg langzaam, met de rechterhand gesteund op een gaanstok. Maar zijn oogen waren nog helder als sterren in den nacht, en zijn stem was duidelijk en klaar. Hoe zijn grootvader daar zoo in het bosch was komen te wonen, wist Paulus niet. En hij herinnerde zich ook niet, ooit iets anders te hebben gezien dan zijn grootvader, en het huisje, waarin hij woonde, en de hooge boomen, en de sterren, die flikkerden door de bladeren, en de bloemen en de vogels in het bosch. Dan nog het trouwe gezicht van Mareta, een oud vrouwtje, dat kookte en schoonmaakte, thuis, en aan den grijzen Willebrordus gehecht was als een goed, trouw dier. Andere gezichten waren er niet in het leven van Paulus.Maar tóch was het heel vol en heerlijk, dat leven, en ge moet niet denken, dat het zoo erg was voor dat jongetje, om daar zoo ver weg in een bosch te wonen.Want zooals andere kinderen met kinderen en menschen omgaan, zoo ging hij om met de boomen en de bloemen. En nu zeggen ze wel dat die niet leven, en geen ziel hebben als de menschen, maar dan weten ze er[3]niets van. Dat hadden ze eens aan Paulus moeten vertellen! Hoe zou hij gelachen hebben! Alsof die boomen en die bloemen niet ieder hun eigen leven en hun eigen karakteristieke dingen hadden, net als de menschen! Praten konden ze niet. Dat is zoo. Maar zoo’n boom kan zoo vertrouwelijk doen met zijn bladeren, en ook zoo diep zuchten, met vreemd gekreun, en dan kan hij ook weer ineens zoo heel stil zijn, of hij iets heel volzaligs ergens zag in de lucht, en dan zóó roerloos van aandacht zijn blaadjes uitgespreid houden, dat je al heel dom moet zijn om niet te begrijpen, dat er iets van innig leven in hem omgaat. En dan een bloem! Zooals die ’s morgens vriendelijk staat te lachen, met dauwdroppeltjes in haar oogen, en zooals die zijn geur naar je toe wuift! En zooals die ’s avonds zachtjes wat gaat neigen, en knikkebolt, als een meisje, dat slaap heeft, en dan voorzichtigjes de blaadjes heenvouwt om haar hoofdje, om het niet te koud te hebben ’s nachts! En zoo gelukkig en deemoedig-tevreden als ze dan staan te slapen, die bloemen, tot het goede licht weer komt, dat ze wekt! Dan doen ze allemaal hun blaadjes weer open, en lachen tegen de zon.Maar behalve de bloemen en de boomen had Paulus nog andere vrienden. De vogels. En die konden wèl praten. Daar behoefde je niet zoo erg knap voor te wezen om te verstaan wat die zeiden. Ze waren ook niets bang voor hem, en vlogen niet[4]weg als hij aankwam. Hij zou ook nooit geprobeerd hebben er een te vangen. Zijn grootvader had hem geleerd, dat hij géén levend wezen, hoe klein ook, ooit mocht pijn doen. Want alle levende schepselen waren als hij, had Willebrordus gezegd, en hadden met hem éénen Vader. Evenmin als onder de menschen iemand zijn broeder of zuster mocht dooden, mocht je ooit een levend wezen pijn doen. Paulus had dat trouwens altijd heel natuurlijk gevonden. Het zou bijvoorbeeld niet in hem op zijn gekomen om zoo’n vogeltje te vangen. Het was veel te heerlijk voor zoo’n beestje om zijn vlerkjes uit te spreiden, en dan vèr weg te vliegen, waar hij maar wilde. Hij benijdde ze wel eens. Vooral de leeuwerik. Hoe die op zijn trillende vleugeltjes in den hemel vloog, naar de zon, en dan heel, heel hoog, een zwart tipje in het goud, hing te kwetteren van pleizier!Ook kwam hij wel eens herten en reeën tegen als hij ver wandelde in het bosch. Die lieten zich gerust door hem streelen, en keken hem vertrouwelijk aan met hun groote, bruine oogen. Nog mooier oogen hadden ze dan honden of paarden, vond hij. Ze konden zoo lief en goedig kijken, zoo heelemaal oprecht, en zonder iets achter te houden. Zoo of ze wilden zeggen: daar heb je me nu, heelemaal zooals ik ben. Paulus was altijd erg blij als hij er een tegenkwam, en dat vertelde hij dan later aan zijn grootvader, zooals een ander zou vertellen van een[5]vriend, dien hij ontmoet had. Van héél ver kwamen ze, zeide Willebrordus, van dagen aan dagen vèr loopen, en als er veel in de buurt kwamen, was dat een teeken, dat de menschen van ’t Leliënland een groote jacht hadden gehouden.Dat was iets verschrikkelijks voor Paulus. Grootvader vertelde het hem, hoe die menschen de arme herten opjoegen, en doodschoten met pijlen, en er woeste bloedhonden op af stuurden, als ze gewond waren en vluchtten. En als de jager dan kwam stak hij het hert nog eens met een scherp jachtmes in de keel.De menschen.… Dat was iets vaag beangstigends voor hem. Niet de enkele menschen, die hij wel eens ver in ’t bosch ontmoette, en die thuis de oude Mareta dingen brachten voor de huishouding. Dat waren boeren van de grenzen, zeide grootvader, en zij waren goedaardig en vriendelijk van aard. Maar de menschen … dat waren de menschen van de steden, vèr, vèr weg gelukkig, waar hij nooit naar toe mocht gaan, en waar hij ook instinctmatig bang voor was als voor iets verschrikkelijks.Dagen en dagen ver loopen, eerst het groote bosch uit, en dàn een rivier over, dàn over bergen en dàn een verre vlakte, daar moest ergens de stad zijn, waar de menschen woonden. Dáár woonden ze, niet bij de boomen, in de open, vrije lucht, maar in groote, groote gebouwen van steen, die ze huizen[6]noemden, duizenden aan duizenden naast elkaar en boven elkaar, dat je nooit iets anders zag dan steenen; en daar waren donkere holen, die ze fabrieken noemden en waar duizenden slaven werkten, die nooit buiten de zon konden zien en nooit bloemen hadden; daar werden koeien en kalveren en paarden geslacht, vogels en lammeren vermoord, en hun vleesch en hun bloed verzwolgen. Daar moesten bij honderdduizenden naast elkaar de „menschen” wonen, die allemaal in die steenen hokken moesten bestaan, en, zooals grootvader zeide, altijd maar doorvochten, als wilde roofbeesten eigenlijk, wie leven zou ten koste van den ander. Als ze buiten op het land wilden wonen zou er voor ieder ruim genoeg zijn, maar dat wilden ze niet. Ze zouden en ze moesten hokken blijven in hun steenen kooien, die ze steden noemden, allemaal dicht op elkaar gekropen en elkaar verdringend, als vee, dat in een te nauwe ruimte is gedreven.Paulus had zijn grootvader moeten beloven om nooit, nooit te vragen met hem de stad te gaan zien, en het ook nooit te verzwijgen, als hij lust mocht krijgen uit de eenzaamheid weg te gaan naar de menschen. Als Paulus absoluut wilde, en zich anders ongelukkig voelde, zou Willebrordus hem niet tegen houden, en hem laten gaan. Doch met hem medegaan zou hij nooit.Maar dit boek is een sprookje, en Paulus voelde[7]geen behoefte om weg te gaan uit zijn goed, schoon bosch, al dacht hij veel om de menschen daar ginds ver, en hoe zij er wel zouden uit zien, en wat zij doen zouden. Hij had genoeg te doen in al het mooie om zich heen om zich niet te vervelen, en niet naar méér te verlangen dan hij had. ’s Ochtends kreeg hij geregeld les van zijn grootvader, die heel wijs en knap was, en hem veel kon vertellen. Hij leerde Paulus véél van de sterren, en hoe zij rondwentelen in de eeuwigheid, op rythmus van vaste wetten, en hoe die rythmus even schoon en volheerlijk was als die van de verzen der oude, ware dichters, die hij hem voorlas. Hij leerde hem van de poëzie der eindelooze getallen, en hoe de wiskunde even warm van poëzie was als ál het andere bestaande, en hij leerde hem, hoe het alles één en hetzelfde groote was, dat de sterren voortstuwde in hun baan, en het zaadje van een bloem deed kiemen tot een zoo wondere schoonheid als van een lelie of een roos. En bij alles, bij de sterrenkunde als bij de botanie, bij de wiskunde als bij de poëzie vertelde Willebrordus hem van den éénen Geest, die het Al doordringt, en die zich manifesteert zoowel in het simpele viooltje als in den statigen eik, in het licht der blinkende Avondster zoowel als in de zachte, bruine oogen van de ree. Niet in den Hemel, ergens boven de wolken en de luchten, woonde die Geest, maar in alles en allen was Hij geopenbaard, en Hij leefde in alle dingenonsterfelijk[8]en onvernietigbaar. Als de boomen doodgingen, of de vogels, of de bloemen, of de menschen, dan was dat maar éven een weggaan van een uiterlijken schijn. Want de Geest, die er in geleefd had, was gaaf en puur gebleven, en uitte zich drá weer in nieuwe openbaringen, even schoon.Dat had Paulus trouwens ook altijd intuïtief gevoeld, óók vóór zijn grootvader het hem leerde. Want in de groote eenzaamheid van de natuur zie je God het dichtste nabij. Als het morgen was, en het goede Licht kwam aan in het Oosten, en ging zegenend over het bosch; als dan de bladeren van de wakker geworden boomen zachtjes ruischend dat licht begroetten, en al de vogeltjes hun stemmetjes probeerden voor de muziek van den dag, dan kwam dat over hem als een groote blijheid, als iets dat hem door iemand gegeven werd die heel goed en lief voor hem was, en alles met hem deelde. En hij wist vanzelf ook wel dat het alles hetzelfde was, het bladeren-ruischen, en het schijnen van het licht, het vogelen-gezang en de geuren van de bloemen, het wind-gewaai en het vertrouwelijk gepraat van de beekjes. Het was telkens op andere wijze geuit, de eene nog mooier dan de andere, maar het moest van Eenen zijn gegeven, en Één leefde in al de dingen om hem.Of ’s avonds, als het licht weg was gegaan, en de sterren begonnen op te blinken aan den hemel.[9]Hoe dan ineens al die boomen ernstig werden, en toch zachter dan overdag, met al hun stammen en takken véél duidelijker uitgekomen, hoe ze stil werden van aandacht, en hoe ze dan soms inééns met hun breede kruinen éven opruischten, zoo héél anders dan overdag, plechtig alsof ze fluisterden een gebed. Hoe wijs waren ze dan geworden, zoo verdiept in gedachten, en hoe rustig, alsof het zóó nu eigenlijk pas goed was, en dít nu de allergrootste innigheid was, waartoe ze in staat waren te komen. Den gehéélen dag hadden ze er over gedaan om dít nu te kunnen worden, en het zóó te zeggen. Ik zeg te zeggen, omdat al die ranke takjes met hun teere gebaren, en al die fijne loovertjes zoo doodstil uitgespreid, heusch net zoo spraken tegen den kleinen Paulus alsof iemand hem toefluisterde iets heel goeds en innigs. Als het dan zoo stil was, en roerloos stonden de boomen te droomen, en het loover bewoog niet meer, dan voelde hij even duidelijk of iemand vlak naast hem stond, dat Eéne, dat de eeuwige, goddelijke Geest was, dicht, heel dicht bij hem, zoo dicht als een moeder bij het kind, dat rustigjes slaapt aan haar borst.Hij was ook nooit bang, Paulus. Hij wist niet wat het was, en er wás ook niets om bang voor te zijn. Alles om hem heen was veilig en vertrouwd. Hij wist ook ’s nachts precies waar alles stond, al was het donker, en de zwarte boomstammen waren even gewoon[10]als de donkere lichamen van vrienden zouden zijn, die om hem heen stonden. De dingen van den nacht waren hem allen even eigen als die van den dag. Vooral de sterren. O! De sterren! De sterren! Die had hij eigenlijk nóg liever dan de bloemen, al noemde hij ze wel eens de bloemen, die bloeiden in den hemel. Grootvader had hem heel wat er van geleerd, en hij kende veel sterren, zooals hij veel bloemen kende.—Hij vond het altijd zoo heerlijk op hen te wachten als het donker werd, en ze kwamen opdagen, trouw als vrienden op hun tijd. Hij wist het, eerst moet déze komen—kijk, daar was zij al—, dan díe—daar was zij—en nu díe, en dan díe,totdater inééns te veel waren om goed te onderscheiden. O! kijk! kijk! daar waren ze, hier, en daar, en daar, en overal, daar hingen ze hem inééns aan te zien met hun gouden en zilveren gezichtjes, en groetten hem met hun reine licht. Als het dan zoo héél groot en schitterend was, op een bizonder helderen nacht, dan kreeg hij dikwijls een vreemd, vaag verlangen, dat bijna droefheid en toch óók zalig geluk was, om bij hen te zijn. Het was hem dan, of hem iets riep, wat wist hij niet, maar iets dat liever en beter was dan het allerliefste en beste, hem meer vertrouwd nog dan grootvader, en zijn kamertje thuis, en zijn liefste vogels en bloemen. Dan gevoelde hij een behoefte, om dichter en dichter bij die sterren te zijn, en hij klom in den hoogsten boom,[11]zoo ver hij kon, in de kruin. Daar bleef hij dan roerloos zitten. Beneden hem stonden vèr en vèr de stille, donkere boomen rustig te droomen in den nacht, tevreden en zacht als kinderen, die slapen zijn gegaan. Alles was verzonken in roerloozen sluimer, waar alle geluiden zwegen. Dan keek hij in groot verlangen naar boven, naar de sterren, die zoo hoog boven al de dingen van de wereld stonden te schitteren, in de eindelooze stilte van de sferen. Maar ach! hij was niet dichterbij gekomen, al waren zijn armen en beenen van ’t klimmen moe. Altijd waren de sterren nog even ver. Dan voelde hij wel eens een vreemde pijn, en welden hem de tranen in de oogen, omdat het zoo ver, zoo eindeloos ver was, dat mooie licht, dat hij liefhad, en grooter en grooter werd het verlangen in zijn onbewuste ziel om nu zacht, zacht omhoog te mogen zweven, en ál die toch zoo lieve en vertrouwde dingen van beneden ver onder zich te laten, om daarboven in dat volheerlijke, zalige licht van de sterren te vergaan …Dat was zoo vreemd voor hem. Hij had alles om hem heen zoo lief. Zijn grootvader. De oude Mareta. Zijn kamertje thuis. Zijn bloemen en vogels en dieren. En tóch was er iets, dat hem van al die lieve dingen wegriep, en waar hij altijd bij verlangde te wezen, héél, héél ver. Het was zoo vreemd, en toch zóó innig, dat hij het nooit aan grootvader had gezegd, wien hij toch alles toevertrouwde. Het was ook maar[12]heel zelden, en nooit dikwijls achter elkaar, dat gevoel, en altijd alleen als de avond was gevallen.’s Ochtends voelde hij het nooit. Dan was alles goed zooals het was, en alle dingen waren blij en tevreden. Hij had overdag ook te veel te doen, om zoo weg te verlangen naar het vreemde en verre. De lessen van grootvader, het werken in den tuin om het huisje, het baden, en de wandelingen door het bosch, het roeien op de rivier, en het lezen. Daar was hij ’s avonds meestal moe van, zoodat hij vroeg naar bed ging, waar hij dadelijk insliep, rustig en gezond, zooals een vogel slaapt en een bloem. Het licht maakte hem ’s morgens wakker, sterk en tevreden, en hij aanvaardde blij den nieuwen dag, zooals alle dingen om hem in de natuur.Hij had een paar lievelingsplekjes in het bosch waar hij zich gelukkiger voelde dan ergens anders. Een er van was een groep van groote purperbeuken, met een open plek in het midden, waar rood-en-gouden blaren waren opgehoopt tot een bed. Daar lag hij dan, met het hoofd op een arm geleund, uren lang te lezen in de boeken met verhalen en verzen, die grootvader hem gaf. Dat was zoo heerlijk, zich te laten wiegen op de rythmen van een vers, dat zoo wonderwèl aanpaste aan het zacht geruisch van de boomenkruinen op de ademen van den wind. Somtijds, als hij ophield met lezen, was het of het gedicht nog altijd voortruischte, hoog[13]boven zijn hoofd, en dan in de luchten verging.Dán was er nog een andere plek, waar hij het liefste zat als hij zich alleen voelde, en behoefte had aan iets vriendelijks van vertrouwen. Het was een groepje rotsblokken, waar steenachtige heuvelen omhoog stegen, en beken met kleine watervallen kletterden neêr. Dat deed zoo goed, het mededeelzame gepraat van het vallende water, dat maar niet kon ophouden te vertellen van allerlei blijde en vroolijke dingen. Nooit hielden die beekjes hun mondjes stil, altijd ratelden ze maar door, voortdurend bereid om iets te zeggen, zoodra hij maar kwam. Ook ’s nachts hield het niet op, en te midden van al het donker dat zweeg, babbelde het water maar altijd door, onbezorgd en expansief als een kind, dat ’s nachts in bed niet slapen kan, te blij om zich te uiten in vreugdevol vertellen.Maar de mooiste plek in het geheele bosch was een stille vijver, heel ver weg, in de schaduw van hooge, rechte boomen, wier breede kruinen bijna nooit bewogen, en roerloos uitgespreid bleven boven het vlakke water. En in dien vijver, rustig drijvende op den kalmen spiegel, bloeiden de witte waterlelies, met hun gouden bloemen-harten wijd open naar het licht, als om hun ziel ganschelijk heen te geven aan de zon. Hoe die bladen zich kuischelijk ontsloten, hoe die gouden harten vreezeloos open lagen, en hoe aandachtig die witte lelies opzagen naar omhoog,[14]van waar het licht moest komen dat hen drenkte! Zoo stil, zoo roereloos rein als die blanke bloemen op het pure water lagen, in zoo groote oprechtheid, van zoo kalme, gewijde rust overtogen! Hoe heerlijk vooral, als de avond begon te dalen, en alle geluiden zwegen, hoe dat vlekkelooze wit dan opscheen in het donker, met een zachte innigheid, vroom als een gebed! Dan ging Paulus stil aan den oever van den vijver zitten, alle dingen om hem heen begonnen langzaam te vervagen, en hij zag niets meer dan die heilige bloemen van wit, hoe die bewegingloos op het rimpellooze water dreven, tot de tranen van een onbewuste, vreemde zaligheid, droef en toch eindeloos blij, hem in de oogen kwamen, en hij droomde wonderen droom.…[15]

HOOFDSTUK I.

Paulus heette hij, en hij woonde met zijn grootvader in een oer-oud bosch, ver van de beschaafde wereld.Het kleine huis, van riet en hout, stond wèlbeschut onder ernstige, hooge boomen. Die gaven schaduw voor de zon en vingen den wind op met hun breede, sterke ruggen, dat hij het huisje niet zou deren. Hoe kende Paulus ze allemaal, die rond zijn woning stonden! Hoe waren ze hem vertrouwd, en wist hij van elk de eigenaardigheden! ’s Ochtends zeide hij ze goeden dag, en dan zongen ze met hun bladeren een morgenlied in de lucht. Dat was dan de muziek, die hij daar, ver van de wereld, hoorde. En ’s avonds, als ze, op hun ruige, massieve stammen geleund, moê van al het dagleven stonden te slapen, zwaar en zwijgend, dan wenkte Paulus ze goênacht, vóór hij het venster sloot van zijn kamertje. En dan ritselde er wel eens wat in de blaren, of een boom hem nog even bedankte in zijn slaap. Zijn goede, sterke, groote broeders waren het, die boomen.[2]Zijn grootvader was Willebrordus, een oud, oud man.—Zooals een heel oude boom leek hij wel, nog altijd groot en sterk, maar al wat gebogen, met diepe, donkere rimpels, en, zooals bossen oude luchtwortels, hing een ruige, grijze baard golvend neder van zijn kin. Hij liep erg langzaam, met de rechterhand gesteund op een gaanstok. Maar zijn oogen waren nog helder als sterren in den nacht, en zijn stem was duidelijk en klaar. Hoe zijn grootvader daar zoo in het bosch was komen te wonen, wist Paulus niet. En hij herinnerde zich ook niet, ooit iets anders te hebben gezien dan zijn grootvader, en het huisje, waarin hij woonde, en de hooge boomen, en de sterren, die flikkerden door de bladeren, en de bloemen en de vogels in het bosch. Dan nog het trouwe gezicht van Mareta, een oud vrouwtje, dat kookte en schoonmaakte, thuis, en aan den grijzen Willebrordus gehecht was als een goed, trouw dier. Andere gezichten waren er niet in het leven van Paulus.Maar tóch was het heel vol en heerlijk, dat leven, en ge moet niet denken, dat het zoo erg was voor dat jongetje, om daar zoo ver weg in een bosch te wonen.Want zooals andere kinderen met kinderen en menschen omgaan, zoo ging hij om met de boomen en de bloemen. En nu zeggen ze wel dat die niet leven, en geen ziel hebben als de menschen, maar dan weten ze er[3]niets van. Dat hadden ze eens aan Paulus moeten vertellen! Hoe zou hij gelachen hebben! Alsof die boomen en die bloemen niet ieder hun eigen leven en hun eigen karakteristieke dingen hadden, net als de menschen! Praten konden ze niet. Dat is zoo. Maar zoo’n boom kan zoo vertrouwelijk doen met zijn bladeren, en ook zoo diep zuchten, met vreemd gekreun, en dan kan hij ook weer ineens zoo heel stil zijn, of hij iets heel volzaligs ergens zag in de lucht, en dan zóó roerloos van aandacht zijn blaadjes uitgespreid houden, dat je al heel dom moet zijn om niet te begrijpen, dat er iets van innig leven in hem omgaat. En dan een bloem! Zooals die ’s morgens vriendelijk staat te lachen, met dauwdroppeltjes in haar oogen, en zooals die zijn geur naar je toe wuift! En zooals die ’s avonds zachtjes wat gaat neigen, en knikkebolt, als een meisje, dat slaap heeft, en dan voorzichtigjes de blaadjes heenvouwt om haar hoofdje, om het niet te koud te hebben ’s nachts! En zoo gelukkig en deemoedig-tevreden als ze dan staan te slapen, die bloemen, tot het goede licht weer komt, dat ze wekt! Dan doen ze allemaal hun blaadjes weer open, en lachen tegen de zon.Maar behalve de bloemen en de boomen had Paulus nog andere vrienden. De vogels. En die konden wèl praten. Daar behoefde je niet zoo erg knap voor te wezen om te verstaan wat die zeiden. Ze waren ook niets bang voor hem, en vlogen niet[4]weg als hij aankwam. Hij zou ook nooit geprobeerd hebben er een te vangen. Zijn grootvader had hem geleerd, dat hij géén levend wezen, hoe klein ook, ooit mocht pijn doen. Want alle levende schepselen waren als hij, had Willebrordus gezegd, en hadden met hem éénen Vader. Evenmin als onder de menschen iemand zijn broeder of zuster mocht dooden, mocht je ooit een levend wezen pijn doen. Paulus had dat trouwens altijd heel natuurlijk gevonden. Het zou bijvoorbeeld niet in hem op zijn gekomen om zoo’n vogeltje te vangen. Het was veel te heerlijk voor zoo’n beestje om zijn vlerkjes uit te spreiden, en dan vèr weg te vliegen, waar hij maar wilde. Hij benijdde ze wel eens. Vooral de leeuwerik. Hoe die op zijn trillende vleugeltjes in den hemel vloog, naar de zon, en dan heel, heel hoog, een zwart tipje in het goud, hing te kwetteren van pleizier!Ook kwam hij wel eens herten en reeën tegen als hij ver wandelde in het bosch. Die lieten zich gerust door hem streelen, en keken hem vertrouwelijk aan met hun groote, bruine oogen. Nog mooier oogen hadden ze dan honden of paarden, vond hij. Ze konden zoo lief en goedig kijken, zoo heelemaal oprecht, en zonder iets achter te houden. Zoo of ze wilden zeggen: daar heb je me nu, heelemaal zooals ik ben. Paulus was altijd erg blij als hij er een tegenkwam, en dat vertelde hij dan later aan zijn grootvader, zooals een ander zou vertellen van een[5]vriend, dien hij ontmoet had. Van héél ver kwamen ze, zeide Willebrordus, van dagen aan dagen vèr loopen, en als er veel in de buurt kwamen, was dat een teeken, dat de menschen van ’t Leliënland een groote jacht hadden gehouden.Dat was iets verschrikkelijks voor Paulus. Grootvader vertelde het hem, hoe die menschen de arme herten opjoegen, en doodschoten met pijlen, en er woeste bloedhonden op af stuurden, als ze gewond waren en vluchtten. En als de jager dan kwam stak hij het hert nog eens met een scherp jachtmes in de keel.De menschen.… Dat was iets vaag beangstigends voor hem. Niet de enkele menschen, die hij wel eens ver in ’t bosch ontmoette, en die thuis de oude Mareta dingen brachten voor de huishouding. Dat waren boeren van de grenzen, zeide grootvader, en zij waren goedaardig en vriendelijk van aard. Maar de menschen … dat waren de menschen van de steden, vèr, vèr weg gelukkig, waar hij nooit naar toe mocht gaan, en waar hij ook instinctmatig bang voor was als voor iets verschrikkelijks.Dagen en dagen ver loopen, eerst het groote bosch uit, en dàn een rivier over, dàn over bergen en dàn een verre vlakte, daar moest ergens de stad zijn, waar de menschen woonden. Dáár woonden ze, niet bij de boomen, in de open, vrije lucht, maar in groote, groote gebouwen van steen, die ze huizen[6]noemden, duizenden aan duizenden naast elkaar en boven elkaar, dat je nooit iets anders zag dan steenen; en daar waren donkere holen, die ze fabrieken noemden en waar duizenden slaven werkten, die nooit buiten de zon konden zien en nooit bloemen hadden; daar werden koeien en kalveren en paarden geslacht, vogels en lammeren vermoord, en hun vleesch en hun bloed verzwolgen. Daar moesten bij honderdduizenden naast elkaar de „menschen” wonen, die allemaal in die steenen hokken moesten bestaan, en, zooals grootvader zeide, altijd maar doorvochten, als wilde roofbeesten eigenlijk, wie leven zou ten koste van den ander. Als ze buiten op het land wilden wonen zou er voor ieder ruim genoeg zijn, maar dat wilden ze niet. Ze zouden en ze moesten hokken blijven in hun steenen kooien, die ze steden noemden, allemaal dicht op elkaar gekropen en elkaar verdringend, als vee, dat in een te nauwe ruimte is gedreven.Paulus had zijn grootvader moeten beloven om nooit, nooit te vragen met hem de stad te gaan zien, en het ook nooit te verzwijgen, als hij lust mocht krijgen uit de eenzaamheid weg te gaan naar de menschen. Als Paulus absoluut wilde, en zich anders ongelukkig voelde, zou Willebrordus hem niet tegen houden, en hem laten gaan. Doch met hem medegaan zou hij nooit.Maar dit boek is een sprookje, en Paulus voelde[7]geen behoefte om weg te gaan uit zijn goed, schoon bosch, al dacht hij veel om de menschen daar ginds ver, en hoe zij er wel zouden uit zien, en wat zij doen zouden. Hij had genoeg te doen in al het mooie om zich heen om zich niet te vervelen, en niet naar méér te verlangen dan hij had. ’s Ochtends kreeg hij geregeld les van zijn grootvader, die heel wijs en knap was, en hem veel kon vertellen. Hij leerde Paulus véél van de sterren, en hoe zij rondwentelen in de eeuwigheid, op rythmus van vaste wetten, en hoe die rythmus even schoon en volheerlijk was als die van de verzen der oude, ware dichters, die hij hem voorlas. Hij leerde hem van de poëzie der eindelooze getallen, en hoe de wiskunde even warm van poëzie was als ál het andere bestaande, en hij leerde hem, hoe het alles één en hetzelfde groote was, dat de sterren voortstuwde in hun baan, en het zaadje van een bloem deed kiemen tot een zoo wondere schoonheid als van een lelie of een roos. En bij alles, bij de sterrenkunde als bij de botanie, bij de wiskunde als bij de poëzie vertelde Willebrordus hem van den éénen Geest, die het Al doordringt, en die zich manifesteert zoowel in het simpele viooltje als in den statigen eik, in het licht der blinkende Avondster zoowel als in de zachte, bruine oogen van de ree. Niet in den Hemel, ergens boven de wolken en de luchten, woonde die Geest, maar in alles en allen was Hij geopenbaard, en Hij leefde in alle dingenonsterfelijk[8]en onvernietigbaar. Als de boomen doodgingen, of de vogels, of de bloemen, of de menschen, dan was dat maar éven een weggaan van een uiterlijken schijn. Want de Geest, die er in geleefd had, was gaaf en puur gebleven, en uitte zich drá weer in nieuwe openbaringen, even schoon.Dat had Paulus trouwens ook altijd intuïtief gevoeld, óók vóór zijn grootvader het hem leerde. Want in de groote eenzaamheid van de natuur zie je God het dichtste nabij. Als het morgen was, en het goede Licht kwam aan in het Oosten, en ging zegenend over het bosch; als dan de bladeren van de wakker geworden boomen zachtjes ruischend dat licht begroetten, en al de vogeltjes hun stemmetjes probeerden voor de muziek van den dag, dan kwam dat over hem als een groote blijheid, als iets dat hem door iemand gegeven werd die heel goed en lief voor hem was, en alles met hem deelde. En hij wist vanzelf ook wel dat het alles hetzelfde was, het bladeren-ruischen, en het schijnen van het licht, het vogelen-gezang en de geuren van de bloemen, het wind-gewaai en het vertrouwelijk gepraat van de beekjes. Het was telkens op andere wijze geuit, de eene nog mooier dan de andere, maar het moest van Eenen zijn gegeven, en Één leefde in al de dingen om hem.Of ’s avonds, als het licht weg was gegaan, en de sterren begonnen op te blinken aan den hemel.[9]Hoe dan ineens al die boomen ernstig werden, en toch zachter dan overdag, met al hun stammen en takken véél duidelijker uitgekomen, hoe ze stil werden van aandacht, en hoe ze dan soms inééns met hun breede kruinen éven opruischten, zoo héél anders dan overdag, plechtig alsof ze fluisterden een gebed. Hoe wijs waren ze dan geworden, zoo verdiept in gedachten, en hoe rustig, alsof het zóó nu eigenlijk pas goed was, en dít nu de allergrootste innigheid was, waartoe ze in staat waren te komen. Den gehéélen dag hadden ze er over gedaan om dít nu te kunnen worden, en het zóó te zeggen. Ik zeg te zeggen, omdat al die ranke takjes met hun teere gebaren, en al die fijne loovertjes zoo doodstil uitgespreid, heusch net zoo spraken tegen den kleinen Paulus alsof iemand hem toefluisterde iets heel goeds en innigs. Als het dan zoo stil was, en roerloos stonden de boomen te droomen, en het loover bewoog niet meer, dan voelde hij even duidelijk of iemand vlak naast hem stond, dat Eéne, dat de eeuwige, goddelijke Geest was, dicht, heel dicht bij hem, zoo dicht als een moeder bij het kind, dat rustigjes slaapt aan haar borst.Hij was ook nooit bang, Paulus. Hij wist niet wat het was, en er wás ook niets om bang voor te zijn. Alles om hem heen was veilig en vertrouwd. Hij wist ook ’s nachts precies waar alles stond, al was het donker, en de zwarte boomstammen waren even gewoon[10]als de donkere lichamen van vrienden zouden zijn, die om hem heen stonden. De dingen van den nacht waren hem allen even eigen als die van den dag. Vooral de sterren. O! De sterren! De sterren! Die had hij eigenlijk nóg liever dan de bloemen, al noemde hij ze wel eens de bloemen, die bloeiden in den hemel. Grootvader had hem heel wat er van geleerd, en hij kende veel sterren, zooals hij veel bloemen kende.—Hij vond het altijd zoo heerlijk op hen te wachten als het donker werd, en ze kwamen opdagen, trouw als vrienden op hun tijd. Hij wist het, eerst moet déze komen—kijk, daar was zij al—, dan díe—daar was zij—en nu díe, en dan díe,totdater inééns te veel waren om goed te onderscheiden. O! kijk! kijk! daar waren ze, hier, en daar, en daar, en overal, daar hingen ze hem inééns aan te zien met hun gouden en zilveren gezichtjes, en groetten hem met hun reine licht. Als het dan zoo héél groot en schitterend was, op een bizonder helderen nacht, dan kreeg hij dikwijls een vreemd, vaag verlangen, dat bijna droefheid en toch óók zalig geluk was, om bij hen te zijn. Het was hem dan, of hem iets riep, wat wist hij niet, maar iets dat liever en beter was dan het allerliefste en beste, hem meer vertrouwd nog dan grootvader, en zijn kamertje thuis, en zijn liefste vogels en bloemen. Dan gevoelde hij een behoefte, om dichter en dichter bij die sterren te zijn, en hij klom in den hoogsten boom,[11]zoo ver hij kon, in de kruin. Daar bleef hij dan roerloos zitten. Beneden hem stonden vèr en vèr de stille, donkere boomen rustig te droomen in den nacht, tevreden en zacht als kinderen, die slapen zijn gegaan. Alles was verzonken in roerloozen sluimer, waar alle geluiden zwegen. Dan keek hij in groot verlangen naar boven, naar de sterren, die zoo hoog boven al de dingen van de wereld stonden te schitteren, in de eindelooze stilte van de sferen. Maar ach! hij was niet dichterbij gekomen, al waren zijn armen en beenen van ’t klimmen moe. Altijd waren de sterren nog even ver. Dan voelde hij wel eens een vreemde pijn, en welden hem de tranen in de oogen, omdat het zoo ver, zoo eindeloos ver was, dat mooie licht, dat hij liefhad, en grooter en grooter werd het verlangen in zijn onbewuste ziel om nu zacht, zacht omhoog te mogen zweven, en ál die toch zoo lieve en vertrouwde dingen van beneden ver onder zich te laten, om daarboven in dat volheerlijke, zalige licht van de sterren te vergaan …Dat was zoo vreemd voor hem. Hij had alles om hem heen zoo lief. Zijn grootvader. De oude Mareta. Zijn kamertje thuis. Zijn bloemen en vogels en dieren. En tóch was er iets, dat hem van al die lieve dingen wegriep, en waar hij altijd bij verlangde te wezen, héél, héél ver. Het was zoo vreemd, en toch zóó innig, dat hij het nooit aan grootvader had gezegd, wien hij toch alles toevertrouwde. Het was ook maar[12]heel zelden, en nooit dikwijls achter elkaar, dat gevoel, en altijd alleen als de avond was gevallen.’s Ochtends voelde hij het nooit. Dan was alles goed zooals het was, en alle dingen waren blij en tevreden. Hij had overdag ook te veel te doen, om zoo weg te verlangen naar het vreemde en verre. De lessen van grootvader, het werken in den tuin om het huisje, het baden, en de wandelingen door het bosch, het roeien op de rivier, en het lezen. Daar was hij ’s avonds meestal moe van, zoodat hij vroeg naar bed ging, waar hij dadelijk insliep, rustig en gezond, zooals een vogel slaapt en een bloem. Het licht maakte hem ’s morgens wakker, sterk en tevreden, en hij aanvaardde blij den nieuwen dag, zooals alle dingen om hem in de natuur.Hij had een paar lievelingsplekjes in het bosch waar hij zich gelukkiger voelde dan ergens anders. Een er van was een groep van groote purperbeuken, met een open plek in het midden, waar rood-en-gouden blaren waren opgehoopt tot een bed. Daar lag hij dan, met het hoofd op een arm geleund, uren lang te lezen in de boeken met verhalen en verzen, die grootvader hem gaf. Dat was zoo heerlijk, zich te laten wiegen op de rythmen van een vers, dat zoo wonderwèl aanpaste aan het zacht geruisch van de boomenkruinen op de ademen van den wind. Somtijds, als hij ophield met lezen, was het of het gedicht nog altijd voortruischte, hoog[13]boven zijn hoofd, en dan in de luchten verging.Dán was er nog een andere plek, waar hij het liefste zat als hij zich alleen voelde, en behoefte had aan iets vriendelijks van vertrouwen. Het was een groepje rotsblokken, waar steenachtige heuvelen omhoog stegen, en beken met kleine watervallen kletterden neêr. Dat deed zoo goed, het mededeelzame gepraat van het vallende water, dat maar niet kon ophouden te vertellen van allerlei blijde en vroolijke dingen. Nooit hielden die beekjes hun mondjes stil, altijd ratelden ze maar door, voortdurend bereid om iets te zeggen, zoodra hij maar kwam. Ook ’s nachts hield het niet op, en te midden van al het donker dat zweeg, babbelde het water maar altijd door, onbezorgd en expansief als een kind, dat ’s nachts in bed niet slapen kan, te blij om zich te uiten in vreugdevol vertellen.Maar de mooiste plek in het geheele bosch was een stille vijver, heel ver weg, in de schaduw van hooge, rechte boomen, wier breede kruinen bijna nooit bewogen, en roerloos uitgespreid bleven boven het vlakke water. En in dien vijver, rustig drijvende op den kalmen spiegel, bloeiden de witte waterlelies, met hun gouden bloemen-harten wijd open naar het licht, als om hun ziel ganschelijk heen te geven aan de zon. Hoe die bladen zich kuischelijk ontsloten, hoe die gouden harten vreezeloos open lagen, en hoe aandachtig die witte lelies opzagen naar omhoog,[14]van waar het licht moest komen dat hen drenkte! Zoo stil, zoo roereloos rein als die blanke bloemen op het pure water lagen, in zoo groote oprechtheid, van zoo kalme, gewijde rust overtogen! Hoe heerlijk vooral, als de avond begon te dalen, en alle geluiden zwegen, hoe dat vlekkelooze wit dan opscheen in het donker, met een zachte innigheid, vroom als een gebed! Dan ging Paulus stil aan den oever van den vijver zitten, alle dingen om hem heen begonnen langzaam te vervagen, en hij zag niets meer dan die heilige bloemen van wit, hoe die bewegingloos op het rimpellooze water dreven, tot de tranen van een onbewuste, vreemde zaligheid, droef en toch eindeloos blij, hem in de oogen kwamen, en hij droomde wonderen droom.…[15]

Paulus heette hij, en hij woonde met zijn grootvader in een oer-oud bosch, ver van de beschaafde wereld.

Het kleine huis, van riet en hout, stond wèlbeschut onder ernstige, hooge boomen. Die gaven schaduw voor de zon en vingen den wind op met hun breede, sterke ruggen, dat hij het huisje niet zou deren. Hoe kende Paulus ze allemaal, die rond zijn woning stonden! Hoe waren ze hem vertrouwd, en wist hij van elk de eigenaardigheden! ’s Ochtends zeide hij ze goeden dag, en dan zongen ze met hun bladeren een morgenlied in de lucht. Dat was dan de muziek, die hij daar, ver van de wereld, hoorde. En ’s avonds, als ze, op hun ruige, massieve stammen geleund, moê van al het dagleven stonden te slapen, zwaar en zwijgend, dan wenkte Paulus ze goênacht, vóór hij het venster sloot van zijn kamertje. En dan ritselde er wel eens wat in de blaren, of een boom hem nog even bedankte in zijn slaap. Zijn goede, sterke, groote broeders waren het, die boomen.[2]

Zijn grootvader was Willebrordus, een oud, oud man.—Zooals een heel oude boom leek hij wel, nog altijd groot en sterk, maar al wat gebogen, met diepe, donkere rimpels, en, zooals bossen oude luchtwortels, hing een ruige, grijze baard golvend neder van zijn kin. Hij liep erg langzaam, met de rechterhand gesteund op een gaanstok. Maar zijn oogen waren nog helder als sterren in den nacht, en zijn stem was duidelijk en klaar. Hoe zijn grootvader daar zoo in het bosch was komen te wonen, wist Paulus niet. En hij herinnerde zich ook niet, ooit iets anders te hebben gezien dan zijn grootvader, en het huisje, waarin hij woonde, en de hooge boomen, en de sterren, die flikkerden door de bladeren, en de bloemen en de vogels in het bosch. Dan nog het trouwe gezicht van Mareta, een oud vrouwtje, dat kookte en schoonmaakte, thuis, en aan den grijzen Willebrordus gehecht was als een goed, trouw dier. Andere gezichten waren er niet in het leven van Paulus.

Maar tóch was het heel vol en heerlijk, dat leven, en ge moet niet denken, dat het zoo erg was voor dat jongetje, om daar zoo ver weg in een bosch te wonen.

Want zooals andere kinderen met kinderen en menschen omgaan, zoo ging hij om met de boomen en de bloemen. En nu zeggen ze wel dat die niet leven, en geen ziel hebben als de menschen, maar dan weten ze er[3]niets van. Dat hadden ze eens aan Paulus moeten vertellen! Hoe zou hij gelachen hebben! Alsof die boomen en die bloemen niet ieder hun eigen leven en hun eigen karakteristieke dingen hadden, net als de menschen! Praten konden ze niet. Dat is zoo. Maar zoo’n boom kan zoo vertrouwelijk doen met zijn bladeren, en ook zoo diep zuchten, met vreemd gekreun, en dan kan hij ook weer ineens zoo heel stil zijn, of hij iets heel volzaligs ergens zag in de lucht, en dan zóó roerloos van aandacht zijn blaadjes uitgespreid houden, dat je al heel dom moet zijn om niet te begrijpen, dat er iets van innig leven in hem omgaat. En dan een bloem! Zooals die ’s morgens vriendelijk staat te lachen, met dauwdroppeltjes in haar oogen, en zooals die zijn geur naar je toe wuift! En zooals die ’s avonds zachtjes wat gaat neigen, en knikkebolt, als een meisje, dat slaap heeft, en dan voorzichtigjes de blaadjes heenvouwt om haar hoofdje, om het niet te koud te hebben ’s nachts! En zoo gelukkig en deemoedig-tevreden als ze dan staan te slapen, die bloemen, tot het goede licht weer komt, dat ze wekt! Dan doen ze allemaal hun blaadjes weer open, en lachen tegen de zon.

Maar behalve de bloemen en de boomen had Paulus nog andere vrienden. De vogels. En die konden wèl praten. Daar behoefde je niet zoo erg knap voor te wezen om te verstaan wat die zeiden. Ze waren ook niets bang voor hem, en vlogen niet[4]weg als hij aankwam. Hij zou ook nooit geprobeerd hebben er een te vangen. Zijn grootvader had hem geleerd, dat hij géén levend wezen, hoe klein ook, ooit mocht pijn doen. Want alle levende schepselen waren als hij, had Willebrordus gezegd, en hadden met hem éénen Vader. Evenmin als onder de menschen iemand zijn broeder of zuster mocht dooden, mocht je ooit een levend wezen pijn doen. Paulus had dat trouwens altijd heel natuurlijk gevonden. Het zou bijvoorbeeld niet in hem op zijn gekomen om zoo’n vogeltje te vangen. Het was veel te heerlijk voor zoo’n beestje om zijn vlerkjes uit te spreiden, en dan vèr weg te vliegen, waar hij maar wilde. Hij benijdde ze wel eens. Vooral de leeuwerik. Hoe die op zijn trillende vleugeltjes in den hemel vloog, naar de zon, en dan heel, heel hoog, een zwart tipje in het goud, hing te kwetteren van pleizier!

Ook kwam hij wel eens herten en reeën tegen als hij ver wandelde in het bosch. Die lieten zich gerust door hem streelen, en keken hem vertrouwelijk aan met hun groote, bruine oogen. Nog mooier oogen hadden ze dan honden of paarden, vond hij. Ze konden zoo lief en goedig kijken, zoo heelemaal oprecht, en zonder iets achter te houden. Zoo of ze wilden zeggen: daar heb je me nu, heelemaal zooals ik ben. Paulus was altijd erg blij als hij er een tegenkwam, en dat vertelde hij dan later aan zijn grootvader, zooals een ander zou vertellen van een[5]vriend, dien hij ontmoet had. Van héél ver kwamen ze, zeide Willebrordus, van dagen aan dagen vèr loopen, en als er veel in de buurt kwamen, was dat een teeken, dat de menschen van ’t Leliënland een groote jacht hadden gehouden.

Dat was iets verschrikkelijks voor Paulus. Grootvader vertelde het hem, hoe die menschen de arme herten opjoegen, en doodschoten met pijlen, en er woeste bloedhonden op af stuurden, als ze gewond waren en vluchtten. En als de jager dan kwam stak hij het hert nog eens met een scherp jachtmes in de keel.

De menschen.… Dat was iets vaag beangstigends voor hem. Niet de enkele menschen, die hij wel eens ver in ’t bosch ontmoette, en die thuis de oude Mareta dingen brachten voor de huishouding. Dat waren boeren van de grenzen, zeide grootvader, en zij waren goedaardig en vriendelijk van aard. Maar de menschen … dat waren de menschen van de steden, vèr, vèr weg gelukkig, waar hij nooit naar toe mocht gaan, en waar hij ook instinctmatig bang voor was als voor iets verschrikkelijks.

Dagen en dagen ver loopen, eerst het groote bosch uit, en dàn een rivier over, dàn over bergen en dàn een verre vlakte, daar moest ergens de stad zijn, waar de menschen woonden. Dáár woonden ze, niet bij de boomen, in de open, vrije lucht, maar in groote, groote gebouwen van steen, die ze huizen[6]noemden, duizenden aan duizenden naast elkaar en boven elkaar, dat je nooit iets anders zag dan steenen; en daar waren donkere holen, die ze fabrieken noemden en waar duizenden slaven werkten, die nooit buiten de zon konden zien en nooit bloemen hadden; daar werden koeien en kalveren en paarden geslacht, vogels en lammeren vermoord, en hun vleesch en hun bloed verzwolgen. Daar moesten bij honderdduizenden naast elkaar de „menschen” wonen, die allemaal in die steenen hokken moesten bestaan, en, zooals grootvader zeide, altijd maar doorvochten, als wilde roofbeesten eigenlijk, wie leven zou ten koste van den ander. Als ze buiten op het land wilden wonen zou er voor ieder ruim genoeg zijn, maar dat wilden ze niet. Ze zouden en ze moesten hokken blijven in hun steenen kooien, die ze steden noemden, allemaal dicht op elkaar gekropen en elkaar verdringend, als vee, dat in een te nauwe ruimte is gedreven.

Paulus had zijn grootvader moeten beloven om nooit, nooit te vragen met hem de stad te gaan zien, en het ook nooit te verzwijgen, als hij lust mocht krijgen uit de eenzaamheid weg te gaan naar de menschen. Als Paulus absoluut wilde, en zich anders ongelukkig voelde, zou Willebrordus hem niet tegen houden, en hem laten gaan. Doch met hem medegaan zou hij nooit.

Maar dit boek is een sprookje, en Paulus voelde[7]geen behoefte om weg te gaan uit zijn goed, schoon bosch, al dacht hij veel om de menschen daar ginds ver, en hoe zij er wel zouden uit zien, en wat zij doen zouden. Hij had genoeg te doen in al het mooie om zich heen om zich niet te vervelen, en niet naar méér te verlangen dan hij had. ’s Ochtends kreeg hij geregeld les van zijn grootvader, die heel wijs en knap was, en hem veel kon vertellen. Hij leerde Paulus véél van de sterren, en hoe zij rondwentelen in de eeuwigheid, op rythmus van vaste wetten, en hoe die rythmus even schoon en volheerlijk was als die van de verzen der oude, ware dichters, die hij hem voorlas. Hij leerde hem van de poëzie der eindelooze getallen, en hoe de wiskunde even warm van poëzie was als ál het andere bestaande, en hij leerde hem, hoe het alles één en hetzelfde groote was, dat de sterren voortstuwde in hun baan, en het zaadje van een bloem deed kiemen tot een zoo wondere schoonheid als van een lelie of een roos. En bij alles, bij de sterrenkunde als bij de botanie, bij de wiskunde als bij de poëzie vertelde Willebrordus hem van den éénen Geest, die het Al doordringt, en die zich manifesteert zoowel in het simpele viooltje als in den statigen eik, in het licht der blinkende Avondster zoowel als in de zachte, bruine oogen van de ree. Niet in den Hemel, ergens boven de wolken en de luchten, woonde die Geest, maar in alles en allen was Hij geopenbaard, en Hij leefde in alle dingenonsterfelijk[8]en onvernietigbaar. Als de boomen doodgingen, of de vogels, of de bloemen, of de menschen, dan was dat maar éven een weggaan van een uiterlijken schijn. Want de Geest, die er in geleefd had, was gaaf en puur gebleven, en uitte zich drá weer in nieuwe openbaringen, even schoon.

Dat had Paulus trouwens ook altijd intuïtief gevoeld, óók vóór zijn grootvader het hem leerde. Want in de groote eenzaamheid van de natuur zie je God het dichtste nabij. Als het morgen was, en het goede Licht kwam aan in het Oosten, en ging zegenend over het bosch; als dan de bladeren van de wakker geworden boomen zachtjes ruischend dat licht begroetten, en al de vogeltjes hun stemmetjes probeerden voor de muziek van den dag, dan kwam dat over hem als een groote blijheid, als iets dat hem door iemand gegeven werd die heel goed en lief voor hem was, en alles met hem deelde. En hij wist vanzelf ook wel dat het alles hetzelfde was, het bladeren-ruischen, en het schijnen van het licht, het vogelen-gezang en de geuren van de bloemen, het wind-gewaai en het vertrouwelijk gepraat van de beekjes. Het was telkens op andere wijze geuit, de eene nog mooier dan de andere, maar het moest van Eenen zijn gegeven, en Één leefde in al de dingen om hem.

Of ’s avonds, als het licht weg was gegaan, en de sterren begonnen op te blinken aan den hemel.[9]Hoe dan ineens al die boomen ernstig werden, en toch zachter dan overdag, met al hun stammen en takken véél duidelijker uitgekomen, hoe ze stil werden van aandacht, en hoe ze dan soms inééns met hun breede kruinen éven opruischten, zoo héél anders dan overdag, plechtig alsof ze fluisterden een gebed. Hoe wijs waren ze dan geworden, zoo verdiept in gedachten, en hoe rustig, alsof het zóó nu eigenlijk pas goed was, en dít nu de allergrootste innigheid was, waartoe ze in staat waren te komen. Den gehéélen dag hadden ze er over gedaan om dít nu te kunnen worden, en het zóó te zeggen. Ik zeg te zeggen, omdat al die ranke takjes met hun teere gebaren, en al die fijne loovertjes zoo doodstil uitgespreid, heusch net zoo spraken tegen den kleinen Paulus alsof iemand hem toefluisterde iets heel goeds en innigs. Als het dan zoo stil was, en roerloos stonden de boomen te droomen, en het loover bewoog niet meer, dan voelde hij even duidelijk of iemand vlak naast hem stond, dat Eéne, dat de eeuwige, goddelijke Geest was, dicht, heel dicht bij hem, zoo dicht als een moeder bij het kind, dat rustigjes slaapt aan haar borst.

Hij was ook nooit bang, Paulus. Hij wist niet wat het was, en er wás ook niets om bang voor te zijn. Alles om hem heen was veilig en vertrouwd. Hij wist ook ’s nachts precies waar alles stond, al was het donker, en de zwarte boomstammen waren even gewoon[10]als de donkere lichamen van vrienden zouden zijn, die om hem heen stonden. De dingen van den nacht waren hem allen even eigen als die van den dag. Vooral de sterren. O! De sterren! De sterren! Die had hij eigenlijk nóg liever dan de bloemen, al noemde hij ze wel eens de bloemen, die bloeiden in den hemel. Grootvader had hem heel wat er van geleerd, en hij kende veel sterren, zooals hij veel bloemen kende.—Hij vond het altijd zoo heerlijk op hen te wachten als het donker werd, en ze kwamen opdagen, trouw als vrienden op hun tijd. Hij wist het, eerst moet déze komen—kijk, daar was zij al—, dan díe—daar was zij—en nu díe, en dan díe,totdater inééns te veel waren om goed te onderscheiden. O! kijk! kijk! daar waren ze, hier, en daar, en daar, en overal, daar hingen ze hem inééns aan te zien met hun gouden en zilveren gezichtjes, en groetten hem met hun reine licht. Als het dan zoo héél groot en schitterend was, op een bizonder helderen nacht, dan kreeg hij dikwijls een vreemd, vaag verlangen, dat bijna droefheid en toch óók zalig geluk was, om bij hen te zijn. Het was hem dan, of hem iets riep, wat wist hij niet, maar iets dat liever en beter was dan het allerliefste en beste, hem meer vertrouwd nog dan grootvader, en zijn kamertje thuis, en zijn liefste vogels en bloemen. Dan gevoelde hij een behoefte, om dichter en dichter bij die sterren te zijn, en hij klom in den hoogsten boom,[11]zoo ver hij kon, in de kruin. Daar bleef hij dan roerloos zitten. Beneden hem stonden vèr en vèr de stille, donkere boomen rustig te droomen in den nacht, tevreden en zacht als kinderen, die slapen zijn gegaan. Alles was verzonken in roerloozen sluimer, waar alle geluiden zwegen. Dan keek hij in groot verlangen naar boven, naar de sterren, die zoo hoog boven al de dingen van de wereld stonden te schitteren, in de eindelooze stilte van de sferen. Maar ach! hij was niet dichterbij gekomen, al waren zijn armen en beenen van ’t klimmen moe. Altijd waren de sterren nog even ver. Dan voelde hij wel eens een vreemde pijn, en welden hem de tranen in de oogen, omdat het zoo ver, zoo eindeloos ver was, dat mooie licht, dat hij liefhad, en grooter en grooter werd het verlangen in zijn onbewuste ziel om nu zacht, zacht omhoog te mogen zweven, en ál die toch zoo lieve en vertrouwde dingen van beneden ver onder zich te laten, om daarboven in dat volheerlijke, zalige licht van de sterren te vergaan …

Dat was zoo vreemd voor hem. Hij had alles om hem heen zoo lief. Zijn grootvader. De oude Mareta. Zijn kamertje thuis. Zijn bloemen en vogels en dieren. En tóch was er iets, dat hem van al die lieve dingen wegriep, en waar hij altijd bij verlangde te wezen, héél, héél ver. Het was zoo vreemd, en toch zóó innig, dat hij het nooit aan grootvader had gezegd, wien hij toch alles toevertrouwde. Het was ook maar[12]heel zelden, en nooit dikwijls achter elkaar, dat gevoel, en altijd alleen als de avond was gevallen.

’s Ochtends voelde hij het nooit. Dan was alles goed zooals het was, en alle dingen waren blij en tevreden. Hij had overdag ook te veel te doen, om zoo weg te verlangen naar het vreemde en verre. De lessen van grootvader, het werken in den tuin om het huisje, het baden, en de wandelingen door het bosch, het roeien op de rivier, en het lezen. Daar was hij ’s avonds meestal moe van, zoodat hij vroeg naar bed ging, waar hij dadelijk insliep, rustig en gezond, zooals een vogel slaapt en een bloem. Het licht maakte hem ’s morgens wakker, sterk en tevreden, en hij aanvaardde blij den nieuwen dag, zooals alle dingen om hem in de natuur.

Hij had een paar lievelingsplekjes in het bosch waar hij zich gelukkiger voelde dan ergens anders. Een er van was een groep van groote purperbeuken, met een open plek in het midden, waar rood-en-gouden blaren waren opgehoopt tot een bed. Daar lag hij dan, met het hoofd op een arm geleund, uren lang te lezen in de boeken met verhalen en verzen, die grootvader hem gaf. Dat was zoo heerlijk, zich te laten wiegen op de rythmen van een vers, dat zoo wonderwèl aanpaste aan het zacht geruisch van de boomenkruinen op de ademen van den wind. Somtijds, als hij ophield met lezen, was het of het gedicht nog altijd voortruischte, hoog[13]boven zijn hoofd, en dan in de luchten verging.

Dán was er nog een andere plek, waar hij het liefste zat als hij zich alleen voelde, en behoefte had aan iets vriendelijks van vertrouwen. Het was een groepje rotsblokken, waar steenachtige heuvelen omhoog stegen, en beken met kleine watervallen kletterden neêr. Dat deed zoo goed, het mededeelzame gepraat van het vallende water, dat maar niet kon ophouden te vertellen van allerlei blijde en vroolijke dingen. Nooit hielden die beekjes hun mondjes stil, altijd ratelden ze maar door, voortdurend bereid om iets te zeggen, zoodra hij maar kwam. Ook ’s nachts hield het niet op, en te midden van al het donker dat zweeg, babbelde het water maar altijd door, onbezorgd en expansief als een kind, dat ’s nachts in bed niet slapen kan, te blij om zich te uiten in vreugdevol vertellen.

Maar de mooiste plek in het geheele bosch was een stille vijver, heel ver weg, in de schaduw van hooge, rechte boomen, wier breede kruinen bijna nooit bewogen, en roerloos uitgespreid bleven boven het vlakke water. En in dien vijver, rustig drijvende op den kalmen spiegel, bloeiden de witte waterlelies, met hun gouden bloemen-harten wijd open naar het licht, als om hun ziel ganschelijk heen te geven aan de zon. Hoe die bladen zich kuischelijk ontsloten, hoe die gouden harten vreezeloos open lagen, en hoe aandachtig die witte lelies opzagen naar omhoog,[14]van waar het licht moest komen dat hen drenkte! Zoo stil, zoo roereloos rein als die blanke bloemen op het pure water lagen, in zoo groote oprechtheid, van zoo kalme, gewijde rust overtogen! Hoe heerlijk vooral, als de avond begon te dalen, en alle geluiden zwegen, hoe dat vlekkelooze wit dan opscheen in het donker, met een zachte innigheid, vroom als een gebed! Dan ging Paulus stil aan den oever van den vijver zitten, alle dingen om hem heen begonnen langzaam te vervagen, en hij zag niets meer dan die heilige bloemen van wit, hoe die bewegingloos op het rimpellooze water dreven, tot de tranen van een onbewuste, vreemde zaligheid, droef en toch eindeloos blij, hem in de oogen kwamen, en hij droomde wonderen droom.…[15]


Back to IndexNext