HOOFDSTUK II.

[Inhoud]HOOFDSTUK II.Zóó werd de vijver van de waterlelies het allermooiste uit zijn leven. Hij durfde er maar zelden heen te wandelen. Niet alle dagen waren daar goed voor. Het moest zacht, stil weer zijn, en hij moest zich erg rustig en sterk voelen om het te kunnen doen. Als hij moê was of opgewonden van veel lezen durfde hij het niet. Want van alle mooie dingen in de natuur om hem heen, waarin de groote, goede Geest zich openbaarde, dien Willebrordus hem God had leeren noemen, was er géén, waarin hij Zijn heilige tegenwoordigheid zóó voelde als in de waterlelie. Uit haar smettelooze blankheid, roerloos op het reine water gedragen, straalde Zijn kalme glorie hem tegen, van aangezicht tot aangezicht.„Kijk goed en aandachtig naar die lelies,” had Willebrordus eens gezegd, „en zie ze altijd vóór je, mijn jongen, je gehééle leven, dat je tracht te worden zooals zij, zóó rein, en zóó rustig, en zóó wáár.”En toen heeft Paulus dikwijls verlangd om geen[16]mensch meer te wezen, maar zoo’n blanke, kalme bloem, en altijd zóó rustig op het water te liggen, zonder bewegen, opziende naar het Licht, in wijs vertrouwen.Vooral als hij slapen ging dacht hij dikwijls om de lelies. Die behoefden niet op te staan, en te loopen, en te bewegen als hij; die waren niet altijd ergens anders, nu hier en dan daar, maar altijd lagen ze rustig drijvende in den vijver, en hadden niets te doen dan zacht hun blanke bladen te ontvouwen, en hun gouden harten omhoog te houden tot het licht. O! Altijd zóó stil te liggen droomen in de schaduw van roerlooze boomen, zich zóó uit te kunnen spreiden in bloote blankheid, dat het heilige licht diep doorstraalt in je hart!En dan dacht hij, met huiverenden eerbied en vage ontzetting aan een wonder wezen, vèr, vèr over de bosschen, en de rivieren, en de bergen, dáár waar de menschen woonden in de Leliënstad, aan de prinses Leliane, die het kind van de witte waterlelie moest zijn.In de oude legende had hij het gelezen, hoe ééns, eeuwen en eeuwen geleden, in een oer-oud bosch, een groote, wondere lelie had gebloeid, waaruit het heilige zonnelicht zelve, door een vroom mirakel, een kind had verwekt. Dat kind was door de priesteren en wijzen van het land tot koning uitverkoren, en uit dat ras van leliën-menschen, uit het licht van de heilige Zon zelve, stamde in rechte lijn af de kroonprinses[17]Leliane, die eenmaal koningin zou zijn van de Leliënstad. De koningen en koninginnen van dat roemrijke ras waren menschen geweest van vleesch en bloed, als de anderen, maar in hunne aderen was de essence gevloeid van het licht der Zon, de bron van alle leven en warmte, en daarom waren ze heilig en onaantastbaar als God zelf. Hun fijne, blanke koningshuid was veel witter en teêrder dan die der gewone stervelingen, en de telgen van het edele leliën-ras waren dadelijk te herkennen aan het eigenaardige, vreemde licht, dat schemerde met een zachten toover onder transparante huid. En hun lange, zijdezachte lokken straalden van een verblindenden glans, omdat de essence er in gloeide van het gouden licht van de zon.Nu waren ze allen uitgestorven, die het heilige licht in zich hadden geäbsorbeerd, en alleen de prinses Leliane was over, als de allerlaatste van het blanke bloemenras.Paulus had dikwijls aan Willebrordus over de prinses gevraagd, maar de oude man had hem gezegd, liever niet over haar en haar volk van Leliënstad te willen spreken. Zij was heerscheres over de wreede stadsmenschen, die in de groote, afschuwelijke opeenhoopingen van steenen woonden, die leefden van elkanders ellende, en hun mede-schepselen doodden tot eigen genot. En hij wilde haar daarom niet erkennen en vèr leven van haar af, zooals hij vèr bleef van de menschen en hun stad.[18]Maar toch moest Paulus dikwijls denken aan dat wondere wezen, zoo vaag en vèr voor zijne verbeelding, die in haar aderen het vlekkeloos blank moest hebben van de witte waterlelie, en het stralende goud van de zon. Zij moest wel even roerloos-rustig en genadevol kalm zijn als die vredige bloemen, drijvende in den vijver.Hoe blank moest haar menschen-lichaam wezen, als het de blankheid had van de wijd-uitgespreide bladen op het water! En zou zij haar hart even oprechtelijk in de wereld openhouden, in zoo gansche, goddelijke gulheid, als het heilige bloemenhart opziende naar het licht?Zij woonde in een paleis van wit marmer en goud, in witte gewaden van reinheid ging ze, en op haar blonde haren blonk de gouden konings-diadeem. Als zij aanschreed bogen de hoofden van duizenden, en beefde de lucht van het gejubel der saamgestroomde scharen. Het moest wel zijn zooals in het woud, als de zon opging aan de kim, en langzaam nader steeg. Dan ruischten de boomen heinde en ver haar tegemoet, en al de vogels jubelden haar toe met hun gezang.Honderdduizenden-en-duizenden moesten hare onderdanen wezen. En over die allen gebood zij, de prinses Leliane, die weldra koninginne zou zijn, over die allen was zij de souvereine heerscheres, bij de gratie Gods, die het mirakel had doen gebeuren van[19]de onbevlekte menschengeboorte uit een witte waterlelie van het heilige bosch.En dikwijls kwam over het hart van den jongen Paulus een stil, vaag verlangen om de prinses te zien. Zij moest mooier nog zijn dan de bloemen, dan de vlinders, dan de vogels, dan de sterren, dacht hij. Misschien zou je wel dood gaan van zaligheid en ontzetting als je haar inééns voor je zag, of van haar groote schoonheids-schittering blind worden, alsof je te diep in de zon keek.Ééns was hij verdwaald geweest, toen hij te ver geloopen was, om een vreemd vogeltje te hooren, dat hij nog niet kende. Dat was heel angstig en tóch verrukkelijk geweest. In de schemering van een’ stillen avond had hij opeens een wonder, wonder gezang gehoord boven zijn hoofd, zoo vreemd, en zóó innig, dat de tranen er hem van in de oogen sprongen. Hij had in de boomen om zich al gekeken en gekeken, maar er was geen vogeltje te zien. Toen zweeg het zingen een poos, maar later begon het weer, nu véél verder. Hij was het nageloopen en keek al maar in de boomen, zonder iets te zien, totdat het telkens vérder weer begon. Zóó was hij, doodmoe, twee dagen het vreemde vogeltje gevolgd, totdat hij eindelijk aan een onbekende grens van het bosch kwam, waar hijnognooit was geweest. Het was een donkere avond, met maar heel even wat maanlicht tusschen zwarte wolken. Vóór hem lag een wijde, open vlakte.[20]Hij was toen in een hoogen boom geklommen om uit te zien waar hij was.Toen had hij, vèr, héél ver aan den horizon een vreemd, bevend licht gezien, wonderteêr en aetherisch in den nacht. Bleek waren de donkere hemelen van dien glans.En Paulus dacht dat het de weerschijn was van Leliane’s ziel, die daar lichtte aan den horizon, en was van ontzetting bijna uit den boom gevallen.Later, toen hij, na dagen zwerven, eindelijk door goede houthakkers den weg gewezen, weer bij zijn grootvader terecht was gekomen, had Willebrordus hem verteld, dat het de weerschijn was van de duizenden lichten in een stad, die hij gezien had. Maar heimelijk had Paulus het toch nietwillengelooven, en altijd verbeeldde hij zich dat hij de ziel van de prinses gezien had in dat wondere licht, zoo vreemd bevende aan verren horizon.[21]

[Inhoud]HOOFDSTUK II.Zóó werd de vijver van de waterlelies het allermooiste uit zijn leven. Hij durfde er maar zelden heen te wandelen. Niet alle dagen waren daar goed voor. Het moest zacht, stil weer zijn, en hij moest zich erg rustig en sterk voelen om het te kunnen doen. Als hij moê was of opgewonden van veel lezen durfde hij het niet. Want van alle mooie dingen in de natuur om hem heen, waarin de groote, goede Geest zich openbaarde, dien Willebrordus hem God had leeren noemen, was er géén, waarin hij Zijn heilige tegenwoordigheid zóó voelde als in de waterlelie. Uit haar smettelooze blankheid, roerloos op het reine water gedragen, straalde Zijn kalme glorie hem tegen, van aangezicht tot aangezicht.„Kijk goed en aandachtig naar die lelies,” had Willebrordus eens gezegd, „en zie ze altijd vóór je, mijn jongen, je gehééle leven, dat je tracht te worden zooals zij, zóó rein, en zóó rustig, en zóó wáár.”En toen heeft Paulus dikwijls verlangd om geen[16]mensch meer te wezen, maar zoo’n blanke, kalme bloem, en altijd zóó rustig op het water te liggen, zonder bewegen, opziende naar het Licht, in wijs vertrouwen.Vooral als hij slapen ging dacht hij dikwijls om de lelies. Die behoefden niet op te staan, en te loopen, en te bewegen als hij; die waren niet altijd ergens anders, nu hier en dan daar, maar altijd lagen ze rustig drijvende in den vijver, en hadden niets te doen dan zacht hun blanke bladen te ontvouwen, en hun gouden harten omhoog te houden tot het licht. O! Altijd zóó stil te liggen droomen in de schaduw van roerlooze boomen, zich zóó uit te kunnen spreiden in bloote blankheid, dat het heilige licht diep doorstraalt in je hart!En dan dacht hij, met huiverenden eerbied en vage ontzetting aan een wonder wezen, vèr, vèr over de bosschen, en de rivieren, en de bergen, dáár waar de menschen woonden in de Leliënstad, aan de prinses Leliane, die het kind van de witte waterlelie moest zijn.In de oude legende had hij het gelezen, hoe ééns, eeuwen en eeuwen geleden, in een oer-oud bosch, een groote, wondere lelie had gebloeid, waaruit het heilige zonnelicht zelve, door een vroom mirakel, een kind had verwekt. Dat kind was door de priesteren en wijzen van het land tot koning uitverkoren, en uit dat ras van leliën-menschen, uit het licht van de heilige Zon zelve, stamde in rechte lijn af de kroonprinses[17]Leliane, die eenmaal koningin zou zijn van de Leliënstad. De koningen en koninginnen van dat roemrijke ras waren menschen geweest van vleesch en bloed, als de anderen, maar in hunne aderen was de essence gevloeid van het licht der Zon, de bron van alle leven en warmte, en daarom waren ze heilig en onaantastbaar als God zelf. Hun fijne, blanke koningshuid was veel witter en teêrder dan die der gewone stervelingen, en de telgen van het edele leliën-ras waren dadelijk te herkennen aan het eigenaardige, vreemde licht, dat schemerde met een zachten toover onder transparante huid. En hun lange, zijdezachte lokken straalden van een verblindenden glans, omdat de essence er in gloeide van het gouden licht van de zon.Nu waren ze allen uitgestorven, die het heilige licht in zich hadden geäbsorbeerd, en alleen de prinses Leliane was over, als de allerlaatste van het blanke bloemenras.Paulus had dikwijls aan Willebrordus over de prinses gevraagd, maar de oude man had hem gezegd, liever niet over haar en haar volk van Leliënstad te willen spreken. Zij was heerscheres over de wreede stadsmenschen, die in de groote, afschuwelijke opeenhoopingen van steenen woonden, die leefden van elkanders ellende, en hun mede-schepselen doodden tot eigen genot. En hij wilde haar daarom niet erkennen en vèr leven van haar af, zooals hij vèr bleef van de menschen en hun stad.[18]Maar toch moest Paulus dikwijls denken aan dat wondere wezen, zoo vaag en vèr voor zijne verbeelding, die in haar aderen het vlekkeloos blank moest hebben van de witte waterlelie, en het stralende goud van de zon. Zij moest wel even roerloos-rustig en genadevol kalm zijn als die vredige bloemen, drijvende in den vijver.Hoe blank moest haar menschen-lichaam wezen, als het de blankheid had van de wijd-uitgespreide bladen op het water! En zou zij haar hart even oprechtelijk in de wereld openhouden, in zoo gansche, goddelijke gulheid, als het heilige bloemenhart opziende naar het licht?Zij woonde in een paleis van wit marmer en goud, in witte gewaden van reinheid ging ze, en op haar blonde haren blonk de gouden konings-diadeem. Als zij aanschreed bogen de hoofden van duizenden, en beefde de lucht van het gejubel der saamgestroomde scharen. Het moest wel zijn zooals in het woud, als de zon opging aan de kim, en langzaam nader steeg. Dan ruischten de boomen heinde en ver haar tegemoet, en al de vogels jubelden haar toe met hun gezang.Honderdduizenden-en-duizenden moesten hare onderdanen wezen. En over die allen gebood zij, de prinses Leliane, die weldra koninginne zou zijn, over die allen was zij de souvereine heerscheres, bij de gratie Gods, die het mirakel had doen gebeuren van[19]de onbevlekte menschengeboorte uit een witte waterlelie van het heilige bosch.En dikwijls kwam over het hart van den jongen Paulus een stil, vaag verlangen om de prinses te zien. Zij moest mooier nog zijn dan de bloemen, dan de vlinders, dan de vogels, dan de sterren, dacht hij. Misschien zou je wel dood gaan van zaligheid en ontzetting als je haar inééns voor je zag, of van haar groote schoonheids-schittering blind worden, alsof je te diep in de zon keek.Ééns was hij verdwaald geweest, toen hij te ver geloopen was, om een vreemd vogeltje te hooren, dat hij nog niet kende. Dat was heel angstig en tóch verrukkelijk geweest. In de schemering van een’ stillen avond had hij opeens een wonder, wonder gezang gehoord boven zijn hoofd, zoo vreemd, en zóó innig, dat de tranen er hem van in de oogen sprongen. Hij had in de boomen om zich al gekeken en gekeken, maar er was geen vogeltje te zien. Toen zweeg het zingen een poos, maar later begon het weer, nu véél verder. Hij was het nageloopen en keek al maar in de boomen, zonder iets te zien, totdat het telkens vérder weer begon. Zóó was hij, doodmoe, twee dagen het vreemde vogeltje gevolgd, totdat hij eindelijk aan een onbekende grens van het bosch kwam, waar hijnognooit was geweest. Het was een donkere avond, met maar heel even wat maanlicht tusschen zwarte wolken. Vóór hem lag een wijde, open vlakte.[20]Hij was toen in een hoogen boom geklommen om uit te zien waar hij was.Toen had hij, vèr, héél ver aan den horizon een vreemd, bevend licht gezien, wonderteêr en aetherisch in den nacht. Bleek waren de donkere hemelen van dien glans.En Paulus dacht dat het de weerschijn was van Leliane’s ziel, die daar lichtte aan den horizon, en was van ontzetting bijna uit den boom gevallen.Later, toen hij, na dagen zwerven, eindelijk door goede houthakkers den weg gewezen, weer bij zijn grootvader terecht was gekomen, had Willebrordus hem verteld, dat het de weerschijn was van de duizenden lichten in een stad, die hij gezien had. Maar heimelijk had Paulus het toch nietwillengelooven, en altijd verbeeldde hij zich dat hij de ziel van de prinses gezien had in dat wondere licht, zoo vreemd bevende aan verren horizon.[21]

HOOFDSTUK II.

Zóó werd de vijver van de waterlelies het allermooiste uit zijn leven. Hij durfde er maar zelden heen te wandelen. Niet alle dagen waren daar goed voor. Het moest zacht, stil weer zijn, en hij moest zich erg rustig en sterk voelen om het te kunnen doen. Als hij moê was of opgewonden van veel lezen durfde hij het niet. Want van alle mooie dingen in de natuur om hem heen, waarin de groote, goede Geest zich openbaarde, dien Willebrordus hem God had leeren noemen, was er géén, waarin hij Zijn heilige tegenwoordigheid zóó voelde als in de waterlelie. Uit haar smettelooze blankheid, roerloos op het reine water gedragen, straalde Zijn kalme glorie hem tegen, van aangezicht tot aangezicht.„Kijk goed en aandachtig naar die lelies,” had Willebrordus eens gezegd, „en zie ze altijd vóór je, mijn jongen, je gehééle leven, dat je tracht te worden zooals zij, zóó rein, en zóó rustig, en zóó wáár.”En toen heeft Paulus dikwijls verlangd om geen[16]mensch meer te wezen, maar zoo’n blanke, kalme bloem, en altijd zóó rustig op het water te liggen, zonder bewegen, opziende naar het Licht, in wijs vertrouwen.Vooral als hij slapen ging dacht hij dikwijls om de lelies. Die behoefden niet op te staan, en te loopen, en te bewegen als hij; die waren niet altijd ergens anders, nu hier en dan daar, maar altijd lagen ze rustig drijvende in den vijver, en hadden niets te doen dan zacht hun blanke bladen te ontvouwen, en hun gouden harten omhoog te houden tot het licht. O! Altijd zóó stil te liggen droomen in de schaduw van roerlooze boomen, zich zóó uit te kunnen spreiden in bloote blankheid, dat het heilige licht diep doorstraalt in je hart!En dan dacht hij, met huiverenden eerbied en vage ontzetting aan een wonder wezen, vèr, vèr over de bosschen, en de rivieren, en de bergen, dáár waar de menschen woonden in de Leliënstad, aan de prinses Leliane, die het kind van de witte waterlelie moest zijn.In de oude legende had hij het gelezen, hoe ééns, eeuwen en eeuwen geleden, in een oer-oud bosch, een groote, wondere lelie had gebloeid, waaruit het heilige zonnelicht zelve, door een vroom mirakel, een kind had verwekt. Dat kind was door de priesteren en wijzen van het land tot koning uitverkoren, en uit dat ras van leliën-menschen, uit het licht van de heilige Zon zelve, stamde in rechte lijn af de kroonprinses[17]Leliane, die eenmaal koningin zou zijn van de Leliënstad. De koningen en koninginnen van dat roemrijke ras waren menschen geweest van vleesch en bloed, als de anderen, maar in hunne aderen was de essence gevloeid van het licht der Zon, de bron van alle leven en warmte, en daarom waren ze heilig en onaantastbaar als God zelf. Hun fijne, blanke koningshuid was veel witter en teêrder dan die der gewone stervelingen, en de telgen van het edele leliën-ras waren dadelijk te herkennen aan het eigenaardige, vreemde licht, dat schemerde met een zachten toover onder transparante huid. En hun lange, zijdezachte lokken straalden van een verblindenden glans, omdat de essence er in gloeide van het gouden licht van de zon.Nu waren ze allen uitgestorven, die het heilige licht in zich hadden geäbsorbeerd, en alleen de prinses Leliane was over, als de allerlaatste van het blanke bloemenras.Paulus had dikwijls aan Willebrordus over de prinses gevraagd, maar de oude man had hem gezegd, liever niet over haar en haar volk van Leliënstad te willen spreken. Zij was heerscheres over de wreede stadsmenschen, die in de groote, afschuwelijke opeenhoopingen van steenen woonden, die leefden van elkanders ellende, en hun mede-schepselen doodden tot eigen genot. En hij wilde haar daarom niet erkennen en vèr leven van haar af, zooals hij vèr bleef van de menschen en hun stad.[18]Maar toch moest Paulus dikwijls denken aan dat wondere wezen, zoo vaag en vèr voor zijne verbeelding, die in haar aderen het vlekkeloos blank moest hebben van de witte waterlelie, en het stralende goud van de zon. Zij moest wel even roerloos-rustig en genadevol kalm zijn als die vredige bloemen, drijvende in den vijver.Hoe blank moest haar menschen-lichaam wezen, als het de blankheid had van de wijd-uitgespreide bladen op het water! En zou zij haar hart even oprechtelijk in de wereld openhouden, in zoo gansche, goddelijke gulheid, als het heilige bloemenhart opziende naar het licht?Zij woonde in een paleis van wit marmer en goud, in witte gewaden van reinheid ging ze, en op haar blonde haren blonk de gouden konings-diadeem. Als zij aanschreed bogen de hoofden van duizenden, en beefde de lucht van het gejubel der saamgestroomde scharen. Het moest wel zijn zooals in het woud, als de zon opging aan de kim, en langzaam nader steeg. Dan ruischten de boomen heinde en ver haar tegemoet, en al de vogels jubelden haar toe met hun gezang.Honderdduizenden-en-duizenden moesten hare onderdanen wezen. En over die allen gebood zij, de prinses Leliane, die weldra koninginne zou zijn, over die allen was zij de souvereine heerscheres, bij de gratie Gods, die het mirakel had doen gebeuren van[19]de onbevlekte menschengeboorte uit een witte waterlelie van het heilige bosch.En dikwijls kwam over het hart van den jongen Paulus een stil, vaag verlangen om de prinses te zien. Zij moest mooier nog zijn dan de bloemen, dan de vlinders, dan de vogels, dan de sterren, dacht hij. Misschien zou je wel dood gaan van zaligheid en ontzetting als je haar inééns voor je zag, of van haar groote schoonheids-schittering blind worden, alsof je te diep in de zon keek.Ééns was hij verdwaald geweest, toen hij te ver geloopen was, om een vreemd vogeltje te hooren, dat hij nog niet kende. Dat was heel angstig en tóch verrukkelijk geweest. In de schemering van een’ stillen avond had hij opeens een wonder, wonder gezang gehoord boven zijn hoofd, zoo vreemd, en zóó innig, dat de tranen er hem van in de oogen sprongen. Hij had in de boomen om zich al gekeken en gekeken, maar er was geen vogeltje te zien. Toen zweeg het zingen een poos, maar later begon het weer, nu véél verder. Hij was het nageloopen en keek al maar in de boomen, zonder iets te zien, totdat het telkens vérder weer begon. Zóó was hij, doodmoe, twee dagen het vreemde vogeltje gevolgd, totdat hij eindelijk aan een onbekende grens van het bosch kwam, waar hijnognooit was geweest. Het was een donkere avond, met maar heel even wat maanlicht tusschen zwarte wolken. Vóór hem lag een wijde, open vlakte.[20]Hij was toen in een hoogen boom geklommen om uit te zien waar hij was.Toen had hij, vèr, héél ver aan den horizon een vreemd, bevend licht gezien, wonderteêr en aetherisch in den nacht. Bleek waren de donkere hemelen van dien glans.En Paulus dacht dat het de weerschijn was van Leliane’s ziel, die daar lichtte aan den horizon, en was van ontzetting bijna uit den boom gevallen.Later, toen hij, na dagen zwerven, eindelijk door goede houthakkers den weg gewezen, weer bij zijn grootvader terecht was gekomen, had Willebrordus hem verteld, dat het de weerschijn was van de duizenden lichten in een stad, die hij gezien had. Maar heimelijk had Paulus het toch nietwillengelooven, en altijd verbeeldde hij zich dat hij de ziel van de prinses gezien had in dat wondere licht, zoo vreemd bevende aan verren horizon.[21]

Zóó werd de vijver van de waterlelies het allermooiste uit zijn leven. Hij durfde er maar zelden heen te wandelen. Niet alle dagen waren daar goed voor. Het moest zacht, stil weer zijn, en hij moest zich erg rustig en sterk voelen om het te kunnen doen. Als hij moê was of opgewonden van veel lezen durfde hij het niet. Want van alle mooie dingen in de natuur om hem heen, waarin de groote, goede Geest zich openbaarde, dien Willebrordus hem God had leeren noemen, was er géén, waarin hij Zijn heilige tegenwoordigheid zóó voelde als in de waterlelie. Uit haar smettelooze blankheid, roerloos op het reine water gedragen, straalde Zijn kalme glorie hem tegen, van aangezicht tot aangezicht.

„Kijk goed en aandachtig naar die lelies,” had Willebrordus eens gezegd, „en zie ze altijd vóór je, mijn jongen, je gehééle leven, dat je tracht te worden zooals zij, zóó rein, en zóó rustig, en zóó wáár.”

En toen heeft Paulus dikwijls verlangd om geen[16]mensch meer te wezen, maar zoo’n blanke, kalme bloem, en altijd zóó rustig op het water te liggen, zonder bewegen, opziende naar het Licht, in wijs vertrouwen.

Vooral als hij slapen ging dacht hij dikwijls om de lelies. Die behoefden niet op te staan, en te loopen, en te bewegen als hij; die waren niet altijd ergens anders, nu hier en dan daar, maar altijd lagen ze rustig drijvende in den vijver, en hadden niets te doen dan zacht hun blanke bladen te ontvouwen, en hun gouden harten omhoog te houden tot het licht. O! Altijd zóó stil te liggen droomen in de schaduw van roerlooze boomen, zich zóó uit te kunnen spreiden in bloote blankheid, dat het heilige licht diep doorstraalt in je hart!

En dan dacht hij, met huiverenden eerbied en vage ontzetting aan een wonder wezen, vèr, vèr over de bosschen, en de rivieren, en de bergen, dáár waar de menschen woonden in de Leliënstad, aan de prinses Leliane, die het kind van de witte waterlelie moest zijn.

In de oude legende had hij het gelezen, hoe ééns, eeuwen en eeuwen geleden, in een oer-oud bosch, een groote, wondere lelie had gebloeid, waaruit het heilige zonnelicht zelve, door een vroom mirakel, een kind had verwekt. Dat kind was door de priesteren en wijzen van het land tot koning uitverkoren, en uit dat ras van leliën-menschen, uit het licht van de heilige Zon zelve, stamde in rechte lijn af de kroonprinses[17]Leliane, die eenmaal koningin zou zijn van de Leliënstad. De koningen en koninginnen van dat roemrijke ras waren menschen geweest van vleesch en bloed, als de anderen, maar in hunne aderen was de essence gevloeid van het licht der Zon, de bron van alle leven en warmte, en daarom waren ze heilig en onaantastbaar als God zelf. Hun fijne, blanke koningshuid was veel witter en teêrder dan die der gewone stervelingen, en de telgen van het edele leliën-ras waren dadelijk te herkennen aan het eigenaardige, vreemde licht, dat schemerde met een zachten toover onder transparante huid. En hun lange, zijdezachte lokken straalden van een verblindenden glans, omdat de essence er in gloeide van het gouden licht van de zon.

Nu waren ze allen uitgestorven, die het heilige licht in zich hadden geäbsorbeerd, en alleen de prinses Leliane was over, als de allerlaatste van het blanke bloemenras.

Paulus had dikwijls aan Willebrordus over de prinses gevraagd, maar de oude man had hem gezegd, liever niet over haar en haar volk van Leliënstad te willen spreken. Zij was heerscheres over de wreede stadsmenschen, die in de groote, afschuwelijke opeenhoopingen van steenen woonden, die leefden van elkanders ellende, en hun mede-schepselen doodden tot eigen genot. En hij wilde haar daarom niet erkennen en vèr leven van haar af, zooals hij vèr bleef van de menschen en hun stad.[18]

Maar toch moest Paulus dikwijls denken aan dat wondere wezen, zoo vaag en vèr voor zijne verbeelding, die in haar aderen het vlekkeloos blank moest hebben van de witte waterlelie, en het stralende goud van de zon. Zij moest wel even roerloos-rustig en genadevol kalm zijn als die vredige bloemen, drijvende in den vijver.

Hoe blank moest haar menschen-lichaam wezen, als het de blankheid had van de wijd-uitgespreide bladen op het water! En zou zij haar hart even oprechtelijk in de wereld openhouden, in zoo gansche, goddelijke gulheid, als het heilige bloemenhart opziende naar het licht?

Zij woonde in een paleis van wit marmer en goud, in witte gewaden van reinheid ging ze, en op haar blonde haren blonk de gouden konings-diadeem. Als zij aanschreed bogen de hoofden van duizenden, en beefde de lucht van het gejubel der saamgestroomde scharen. Het moest wel zijn zooals in het woud, als de zon opging aan de kim, en langzaam nader steeg. Dan ruischten de boomen heinde en ver haar tegemoet, en al de vogels jubelden haar toe met hun gezang.

Honderdduizenden-en-duizenden moesten hare onderdanen wezen. En over die allen gebood zij, de prinses Leliane, die weldra koninginne zou zijn, over die allen was zij de souvereine heerscheres, bij de gratie Gods, die het mirakel had doen gebeuren van[19]de onbevlekte menschengeboorte uit een witte waterlelie van het heilige bosch.

En dikwijls kwam over het hart van den jongen Paulus een stil, vaag verlangen om de prinses te zien. Zij moest mooier nog zijn dan de bloemen, dan de vlinders, dan de vogels, dan de sterren, dacht hij. Misschien zou je wel dood gaan van zaligheid en ontzetting als je haar inééns voor je zag, of van haar groote schoonheids-schittering blind worden, alsof je te diep in de zon keek.

Ééns was hij verdwaald geweest, toen hij te ver geloopen was, om een vreemd vogeltje te hooren, dat hij nog niet kende. Dat was heel angstig en tóch verrukkelijk geweest. In de schemering van een’ stillen avond had hij opeens een wonder, wonder gezang gehoord boven zijn hoofd, zoo vreemd, en zóó innig, dat de tranen er hem van in de oogen sprongen. Hij had in de boomen om zich al gekeken en gekeken, maar er was geen vogeltje te zien. Toen zweeg het zingen een poos, maar later begon het weer, nu véél verder. Hij was het nageloopen en keek al maar in de boomen, zonder iets te zien, totdat het telkens vérder weer begon. Zóó was hij, doodmoe, twee dagen het vreemde vogeltje gevolgd, totdat hij eindelijk aan een onbekende grens van het bosch kwam, waar hijnognooit was geweest. Het was een donkere avond, met maar heel even wat maanlicht tusschen zwarte wolken. Vóór hem lag een wijde, open vlakte.[20]Hij was toen in een hoogen boom geklommen om uit te zien waar hij was.

Toen had hij, vèr, héél ver aan den horizon een vreemd, bevend licht gezien, wonderteêr en aetherisch in den nacht. Bleek waren de donkere hemelen van dien glans.

En Paulus dacht dat het de weerschijn was van Leliane’s ziel, die daar lichtte aan den horizon, en was van ontzetting bijna uit den boom gevallen.

Later, toen hij, na dagen zwerven, eindelijk door goede houthakkers den weg gewezen, weer bij zijn grootvader terecht was gekomen, had Willebrordus hem verteld, dat het de weerschijn was van de duizenden lichten in een stad, die hij gezien had. Maar heimelijk had Paulus het toch nietwillengelooven, en altijd verbeeldde hij zich dat hij de ziel van de prinses gezien had in dat wondere licht, zoo vreemd bevende aan verren horizon.[21]


Back to IndexNext