HOOFDSTUK V.

[Inhoud]HOOFDSTUK V.Willebrordus had prinses Leliane’s verstuikten voet onderzocht, en met gedroogde, geneeskrachtige kruiden uit het bosch had hij de gewonde plekken zacht gewreven. De opzwelling was niet zoo gevaarlijk geweest als hij op ’t eerste gezicht gevreesd had, maar tóch moest de prinses twee geheele dagen rust houden, en te bed blijven, vóór zij weer zou kunnen loopen.Twee heerlijke dagen van ongekende zaligheid voor Paulus. Hij mocht in zijn eigen, vertrouwd kamertje bij haar bed—zijn eigen bed—zitten, en haar zijn platen en gravures laten zien, om haar afleiding te geven, en haar voorlezen uit zijn boeken. Hij vertelde haar van het bosch, en van de boomen, en de bloemen, en de vogels, met welke hij dagelijks omging. Ook zong hij wel eens een liedje voor haar met zijn jonge stem.Zij moest aldoor maar heel stil, bewegingloos neder liggen, om den voet volkomen rust te geven, en in die onbewegelijkheid lag ze, rein en blank, als[53]een subtiele openbaring van droom, in een allerhoogst moment van extaze zóó opgeschenen.En terwijl Paulus woorden na woorden sprak om haar te vermeien, en nu en dan zijn handen bewogen met reverent gebaar, was het in zijn ziel roerloos van aanbidding, als in de heilige stilte van een woud, dat met van aandacht biddende kruinen onbewegelijk ten hemel staat.Den tweeden avond, in late schemering, toen hij weer een oud, oud liedje voor haar zong, dat grootvader hem geleerd had, was ze ongemerkt, moê van het stil-liggen, in slaap gevallen, de handen op het witte laken gevouwen.En daar lag zij weder voor hem, de prinses Leliane, zooals zij hem voor ’t eerst was verschenen, sluimerende onder de stille boomen.Hij durfde van eerbied nauwelijks te ademen.En vervuld van een wonder-vroom schromen zag zijn ziel het zalig aan.En wéér voelde hij het als een goddelijke openbaring, in een helder, klaar licht van binnen: dít is het hoogste, het állerhoogste, en hooger dan dit wonnevol genot kan géén ontroering stijgen.Rustig, rein en rustig, werd het in zijn ziel, als in een woud, waar alle vogelen zwijgen, en geen ritselend takje stoort. Zóó als heel dat wijde woud den hemel roerloos áánziet, zag zijn ziel naar die eindelooze rust van maagd.[54]Blank, van goddelijke genade overtogen, lag haar hoofdje in de peluw, met de oogen zacht geloken onder dien vromen vrede. Goud golfden haar lokken het witte kussen langs. Als roze bloemen lagen haar handjes op het witte laken gevouwen.En éven, éven bewoog haar borst, ademde zachtjes, op en neer, op een rustig rythme, dat zijn ziel met een wondere muziek vervulde.Buiten, door het geopende venster, zag Paulus de groote, zware boomen in het schemerende licht te droomen staan, en een onbestemde, vreemde teederheid verzachtte hun donkere vormen, als een vage liefde, die over het woud was nedergedaald.Opeens schrikte hij pijnlijk op van het tikken van zijn klokje.„Tik tik!” zei het, „tik tik, tik tik tik.…”En inééns dacht hij angstig:„Dit gaat voorbij, dit gaat voorbij.…”O! Het vast te houden, dit heerlijk oogenblik, het innig-onverbrekelijk vast te houden in zijn leven, dat het nooit, nooit meer weg kon, en altijd zóó bleef, zóó zalig en zóó stil!…Het was géén droom. Het was hooge werkelijkheid, heerlijker dan heerlijkste droom ooit zijn kon. Dáár lag ze, vóór zijn aandachtige oogen, de prinses Leliane, van wie zijn ziel gedroomd had, jaren lang, en hij had het niet geweten. Die veilige, rustige vrede, die wijding van genade, die reine, roerlooze[55]rust, schooner en van goddelijker wezen dan ál wat ooit zijn oogen en zijn ziel hadden aanschouwd! Kón dit ooit vlieden in den tijd, kon dit ooit wijken in ’t niet voor het eentonig klok-getik, dat in zijn ooren pijnde?Toen legde zich opeens een groote zekerheid in zijn ziel, zooals het licht dat neerdaalt over nacht:„Dit wondere schoon kan nooit verloren gaan, en áltijd zal het onvernietigbaar in mijn wezen blijven, al wisselen van buiten ook vele verschijningen, die niet van goddelijken oorsprong zijn als deze.”Hij knielde neder, in diepen ootmoed, en bleef zóó liggen, hij wist niet hoe lang. Want het was hem in die stille contemplatie, of de tijd niet meer bestond, of zijn kamertje, en het bosch, en alles weg was, en hij was heengedroomd in de eeuwigheid, waar dit blanke visioen van reine schoonheid voor zijn ziel zou blijven stralen, in ondoofbare pracht …Zóó leefde Paulus de twee dagen door, met zijn ziel tot op het uiterste gespannen in aanbidding en stille zaligheid. Hij was zóó ganschelijk in zijn geluk verzonken, dat hij er in ’t geheel niet aan dacht, hoe deze wonne nog maar kort kon duren, en de prinses weer heen zou gaan, voor goed.Ze had hem er ook niet over gesproken. Ze had maar weinig tegen hem gezegd, en zich maar laten afleiden door zijn stem, moê en vervelend als ze[56]moest liggen in haar onbewegelijke houding. Ook wist ze eigenlijk niet wat ze hem wel zou zeggen. Het was alles zoo wonderlijk voor haar, dat stille, sobere kamertje, en die vreemde menschen, zonder hofhouding om haar heen.Toch was er voor haar een stille charme in zijn stem, en zij raadde uit intuïtie zijne jonge, sterke, eerbiedige aanbidding, als iets heel bizonders en aparts, kostbaarder dan alle hulde, die haar ooit gebracht was.Ze vond hem mooi en dacht dat hij een goed figuur zou maken aan het hof. Ééns zelfs dacht ze „hoe jammer dat hij geen koninklijke prins is.”Maar Paulus dacht in ’t geheel niet, verloren in zijn extaze, tot Willebrordus het hem den derden avond zeide:„Morgen ochtend vroeg zal ik de prinses brengen tot aan den zoom van het woud, waar je in de verte de blauwe bergen ziet. Daar vind ik wel houthakkers of bergbewoners, die haar verder den weg kunnen wijzen. En nú moet je beslissen, mijn jongen, of je met haar mede wilt gaan, of hier blijven bij mij.”Paulus schrikte op.Het leek te onmogelijk dat zij nu weg zou gaan, nu ze eindelijk was gekomen. En hij keek zijn grootvader aan, als niet begrijpend.Willebrordus voelde wel, wat er in zijn jonge ziel gebeurde. Het lag vèr achter hem, deze emotie, maar hij wist nog zéér goed de hevigheid en het wreede er van.[57]„Hoor mij goed, mijn jongen, en kijk nu niet of alles onreëel is om je heen. Want je droom zou breken tegen de werkelijkheid. Morgen ochtend gaat ze heen, de prinses Leliane, terug naar haar land, naar haar hof. Dit is de laatste avond, dat je zoo dicht bij haar moogt zijn, en zoo vertrouwelijk leven in haar omgeving. Aan het hof leeft ze in een verre, vreemde sfeer voor je. En alleen van heel uit de verte zal je haar mogen zien. Zij is wat de menschen een prinses noemen, eene koningin weldra. Het is iets buitengewoons, dat je zóó dicht bij haar hebt mogen leven, en haar toe hebt mogen spreken. Denk er om, alleen uit de verte zal je haar voortaan mogen zien. Morgen is ze weg van hier …”Toen wendde Paulus zich droevig af, en ging naar zijn kamertje, waar de prinses te rusten lag. Hij klopte eerbiedig en mocht binnen komen.En een groot licht glansde over zijn ziel, toen hij haar schoonheid weder zag. Een sfeer van heiligheid trilde in de kamer, die zij vervulde van de wondere essence van haar wezen.Hier was het nog, het geluk … hier was het dan nog, innig, reëel voor zijn ziel … nóg was het niet vervloden … en o! het kón ook niet, het kón ook niet weggaan … deze wonne moést eeuwig, altijddurend zijn.En in zijn opgewondenheid van geluk en angst barstte hij uit:[58]„O! Prinses, het is niet waar, het kán niet waar zijn.… je zult niet weggaan van mij.… als je weggaat is al het licht voor mij hene, en duister zal over alles gaan in mijn ziel.… ik heb zoo op je gewacht, zooveel jaren en jaren.… ik geloof dat ik áltijd op je gewacht heb, een eeuwigheid al, door alle tijden heen.… ik wéét het niet meer. En het bosch heeft op je gewacht, en de water-lelies, en de sterren.… o! er is altijd iets van je in mijn ziel geweest, en ik heb het niet geweten.… die avonden, die op je wachtten, als de boomen zoo heel stil stonden, met hun kruinen eerbiedig tot den hemel vol sterren.… dat diepe, plechtige zwijgen álom, op de aarde en in de luchten, dat niets dan wachten was.… dat rustige droomen van de witte water-lelies in den stillen vijver, en ik daarbij zacht verlangende, verlangende, omdat mijn ziel wel wist dat je komen zoudt.… dat vreemde geluk, als ik hoog in de boomen te staren zat naar de sterren, en over heel het woud zag ik heen, en alles werd zoo wijd en zoo ruim en ik weende om al dat groote, tóen wist ik het niet, maar het was alléén omdat je kómen zoudt, en ik dat eindeloos geluk niet kon dragen.… al die lieve, mooie dingen van vroeger zijn nu ineens zoo heerlijk verlicht en nu weet ik, dat het alles maar voorzichtig voorbereiden was dat je komen zoudt, en ik anders zou gestorven zijn als het inééns was gekomen.… want het is te groot, te groot.…[59]het is grooter dan dageraad en weêrlicht en aller sterren glans.… zóó moet misschien de zee zijn, waarvan ik ééns droomde, en die mijn ziel alleen gezien heeft.… en nu kán je niet weggaan, nu kán ik niet meer leven zonder je te zien.… nu zouden het bosch, en de sterren, en de lelies, en alle dingen eenzaam zijn, omdat ik niet meer op je wachten kon, als ik wist dat je hene was voor goed.… o! ga niet heen!.… blijf bij me en bij het bosch.… Ik zal je vertellen van de sterren, die ik allemaal heel goed ken.… ik geloof dat ze mij ook kennen, zoo zien ze me somtijds aan.… en de bloemen zullen allemaal voor je bloeien, en je zult de koningin zijn van het bosch.… dan wil ik mijn geheele leven lang je slaaf zijn en je dienen en aanbidden tot aan mijn dood.… Maar ga niet heen, ga niet terug naar de steden en de menschen.… ze zijn slecht, zegt Willebrordus.…”In sprakelooze verbazing zag de prinses hem aan. Hij was wel een héél vreemde jongen. Hij praatte altijd maar door als uit oude boeken en sproken. Dat kwam zeker omdat hij nooit onder menschen was geweest. Zóó mocht hij ook een zoo hooge prinses als zij niet toespreken, maar dat scheen hij niet te weten. En tóch was er een groote eerbied in zijn stem, oprechter dan de trouwste hoveling haar ooit gewijd had. Bij intuïtie voelde zij, dat hier iets groots aan haar werd gegeven, iets aparts[60]en bizonders, dat wèl waard was te worden aangenomen. Er was misschien een loyaal onderdaan uit hem te maken, die trouw zou zijn tot in den dood, en die groote dingen voor haar zou kunnen doen. Als hij maar eerst eens wat beschaafd werd en onder de menschen kwam. En hij was een mooie jongen, met prachtige oogen. Ook voelde zij, maar heel vaag en onbewust, in het innigste van haar meisje zijn, door het waas van koninklijke hooghartigheid heen, eene zachte streeling van trots, dat hij haar zoo hartstochtelijk aanbad.Hij was nu van aandoening voor haar nedergeknield, het hoofd ootmoedig gebogen, in algeheele overgave, en herhaalde nog eens, snikkend:„Ga niet heen!… ga niet heen!… ik kan nu niet meer alleen leven in het bosch!.…”Vriendelijk, maar tóch van uit hare vorstelijke hoogte zag zij op hem neer. Hoe fraai was zijn glanzende, kastanjebruine haar! Zij verwaardigde zich, hare zachte hand beschermend op zijn hoofd te leggen, en het was hem, of eene zegening van den goeden Vader aller dingen zelven over hem nederdaalde.En de muziek van hare stem zong weder diep door in zijn ziel, haar vervullend met eene wondere harmonie:„Je moogt hier niet alleen blijven in dit bosch, Paulus, en je kunt een trouwe onderdaan van mij worden, als je wilt. Maar dan moet je sterk en flink zijn, en doen wat ik zeg.[61]„Ik zal je meênemen en morgen ga je in mijn gevolg mede naar Leliënstad. Je moogt hier niet rond blijven sukkelen in dit bosch. Het Leven moet je zien, het groote Leven van de menschen in mijn land. Ik zal je meenemen naar Leliënstad, en je laten leeren. Eigenlijk heb je me zoowat het leven gered, want als ik in dat eenzame bosch was blijven rondzwerven, was ik misschien van honger gestorven. Vroeger werd je om zooiets een edelman, maar nú gaat dat zoo niet meer. Toch zal ik er wel iets op vinden. Als je dan goed leert en je onderscheidt, maak ik je een baron of een graaf. En dan mag je als ridder komen in mijn eere-garde, de „ridders van den Dood”, die hebben gezworen dat zij in de ure van ’t gevaar voor mij zullen sterven.”„Dat wil ik nú al zweren,” zeide Paulus, geestdriftig. „Ik wil heel graag voor u sterven. Nu al dadelijk, als ik dit groote geluk zou waardig zijn.”„Morgen ga je mede naar Leliënstad,” ging de prinses door. „Je hebt nog nooit zoo’n groote, prachtige stad gezien. Het is de mooiste stad van de wereld, de „goddelijke stad” zooals de vreemdelingen haar noemen. Er wonen meer dan twee millioen menschen. Mijn paleis staat boven op een hoogte, en ziet over de geheele Leliënstad heen, die aan mijne voeten ligt, in eerbied. Mijn stad is het middelpunt van alle kunst en wetenschap van de wereld. Het leven in mijn stad is het allerhoogste bestaan, dat op aarde[62]voor een sterveling mogelijk is. De roem van Leliënstad is over de geheele aarde verspreid, en in het verre Oosten zegt een spreekwoord: „Eerst Leliënstad zien en dán sterven.” Wat zou je hier je jonge leven begraven in dit sombere, stille bosch?”En toen zij zag, dat Paulus spreken wilde om zijn bosch te verdedigen en te verheffen:„Je moogt niet tegenspreken, Paulus … ook als je geen verlangen voelt naar de beschaving van mijn stad, tóch moet je gaan. Want ik ben je gebiedster, en ik bevéél het je. Het is mijn Wil.”Toen boog hij het hoofd, ten teeken van onderwerping aan haar wil.Van af het oogenblik dat zij het wilde en beval, was er geen tegenwerping voor hem meer mogelijk. Waar Zij hem gelastte te gaan, moest het goed zijn, en al ware het een oord van verschrikking en gevaar, toch was het zoet, dáár te wonen door de heiligheid van háár wil. Wat hem aan haar hechtte was zóó sterk en onverbrekelijk, dat zijn groote liefde voor het woud en alles wat zijn jeugd omringd had, er voor zwichten moest. En het deed er ook absoluut niets meer toe, wat er nu verder met hem gebeuren zou, hem klein, nietig wezentje, indien slechts Haar koninklijke wil geschiedde.Zooals zij daar lag op de rustbank, in de kalme gratie van haar koninklijk maagden-lijf, met zoo wonder-zachte golvingen en lijnen, was zij voor hem het[63]allerheerlijkste, wat zijne oogen en zijn ziel ooit hadden gevonden. De glans der sterren verbleekte er bij, en zóó heilig waren niet de reine water-lelies in het woud. Wel had grootvader hem geleerd, dat alle levende dingen manifestaties waren van God den Vader, maar zij moest dan voorzeker zijn uitverkoren, gezegend kind zijn, dat hij in háár zijn hoogste schoonheid had geopenbaard.Het beste, wat hij háár kon geven, was toch maar een erg nietig geschenk voor haar. Maar liet hij voor háár dan toch maar geven het allerliefste wat hij had, zijn geheele leven van vroeger, zijn mooie woud, met al de vogelen en de bloemen, en ook dat éénige en groote gevoel voor een menschelijk wezen dat hij koesterde, de liefde voor zijn’ grootvader Willebrordus. Het was niet véél bij háár zoo groote schoonheid van genade, maar het was alles wat hij bezat. Hij zou ze allen verlaten, alles wat hij liefhad zou hij van zich afdoen, en zich dan, geheel verlaten en berooid van lief, als een slaaf overgeven aan haar koninklijken wil, en wat zij over hem beschikken zou was wèlgedaan. En zacht durfde hij nu spreken:„Ik zal U volgen, Uwe Koninklijke Hoogheid, tot aan het einde der wereld, en als het kán tot in den dood.”Toen ging hij, vastbesloten, terug naar Willebrordus, dien hij bezig vond met houthakken, dicht bij huis. En vreezeloos, met eerlijken oogopslag, zag hij zijn’ grootvader aan.[64]„Vader,” zeide hij,„ik ga.… Niet omdat ik u niet meer liefheb, niet omdat ik niet gelukkig ben geweest in ons mooie, goede bosch.… maar omdat ik niet anders kán.… Wat mij mede-voert met de prinses is sterkerdanalles, wat ik ooit gevoeld heb. Het is heerlijker en zaliger dan de mooiste dageraad, dan de teêrste schemering … het is heiliger dan de reine water-lelies, die drijven in den kalmen vijver.… en nooit heb ik met grooter eerbied naar den hoogen hemel met sterren gestaard, dan zooals ik nú opzie naar de wondere schoonheid van Leliane.… de wereld, de steden, de menschen, zóó leelijk kunnen zij niet zijn, dat ik ze schuwen zou voor goed, omdat ik toch alles immers zien zal door den glans van háre schoonheid heen, waar alles in verheerlijkt wordt … Vader, als ik heenga moogt ge niet boos op mij zijn, en zult ge mij vergeven.… want ik voel het niet als slecht wat ik nu doen ga, en wat mij van u wegvoert is sterker dan mijn wil.…”Willebrordus legde liefderijk de hand op zijn hoofd, en zeide kalm:„Dit heeft zoo móeten zijn, mijn jongen … ééns had het tóch moeten komen.… het was mijn eigen zwakheid, die je zoo lang bij me hield, terwijl ik toch wist, dat je alléén door het leven der menschen heen tot de groote, volle eenzaamheid van ziel kunt komen, die ik nu, hoop ik, voor goed heb gevonden.… alles wat je nu beroert heb ik óók doorgemaakt, mijn[65]jongen, en ik weet hoe zalig het is, schoon zéér bedriegelijk.… en ik mag het je wel zeggen, al zal je ’t nú nog niet begrijpen: meen niet dat dit broze uiterlijke schoon van Meisje ooit de hoogste schoonheid zou kunnen zijn.… want zij is veranderlijk en eindig, en zal ééns tot stof vergaan, zooals alles.… zie goed uit, zie goéd uit, mijn brave, wáár de kern is van al de emoties, die je nu zoo wonderlijk beroeren.…en dan zal het misschien zijn, dat je pas gevonden hebt wat onbewust je ziel nu zocht, als juist het allerliefste voor je gaat verloren.…”Maar Paulus begreep den diepen zin zijner woorden nog niet, al voelde hij den ernst, die doorklonk in zijne stem.—Toen dacht hij er ineens om, hoe eenzaam Willebrordus zou achterblijven, als hij niet meer bij hem was.„Arme grootvader!” zeide hij, „nu moet je alléén achterblijven.… Je zult je verlaten en eenzaam voelen.”En een angstig zelfverwijt schrijnde in hem op, dat hij den ouden man dit leed ging aandoen.Maar Willebrordus’ gelaat was rustig en van heilige kalmte overtogen, als de stille maan die eenzaam, maar in grooten vrede aan den eindeloozen nachthemel staat.„Wie in een innige vertrouwelijkheid leeft met de natuur en met God, mijn jongen, kan nooit verlaten zijn. Ik voel mij daarvoor te innig in het groote[66]Gods-verband van alle levende creaturen en dingen. Ik vrees alleen, mijn brave, dat jij je eenmaal verlatener zult voelen dan ik ooit geweest ben. En ik denk met rilling terug aan die duistere tijden, toen ik nog wist wat verlatenheid was, verlatenheid te midden van een groote stad vol weelde en ellende, met je eenzame, gevoelige, aparte ziel tusschen al die duizenden en duizenden in ’t harde versteende, koude wezens, waaronder je genadeloozer alleen bent dan in een wijde, dorre woestenij. Verlaten zijn, dat is enkel als je met een echt, innig gevoel, met een reine gedachte, met een mooi ideaal eenzaam rondloopt tusschen de donkere drommen van duizenden, die het met hun schel hoongelach zouden begroeten, en het verstikken onder hun vunzen adem van smaad, als je eens argeloos dat teedere en fijne in je voor hun schennende blikken vertoonde. Dát is verlatenheid, om met een kostbaren schat in je ziel door de tallooze benden der heidenen te gaan, om dien diep in je te verbergen, maar eindelijk in een krankzinnig élan van offering dat kostbare aan het grove volk te toonen, en het te zien vaneenrijten en verscheuren als een bloô, wit lam door de ruige troepen van wolven. Je zult ééns weten wat ik met deze woorden bedoel. Nu begrijp je ze nog niet zoo. Maar denk nooit, dat ik in de stille vertrouwelijkheid van de natuur verlaten zou kunnen zijn, want evenmin is een kind verlaten, dat rust in moeders schoot. En ik ben[67]hier als een schip, dat na veel verre, stormachtige reizen, voor goed in veilige haven ligt geänkerd, tegen wind en weêr beschut.”Later zou Paulus nog dikwijls om deze woorden denken. Maar nú begreep hij ze niet, en kon hij ook niet in hun klare wijsheid zien, verblind als hij was door den schoonen lichtschijn, die van prinses Leliane’s uiterlijk wezen straalde. Hij wist alléén maar dit ééne ding: waar prinses Leliane heenging, moest hij ook gaan, onvermijdelijk, omdat het nu eenmaal niet anders kón.En hij ging.Den volgenden morgen, met het aanbreken van den dag, toen het eerste, jonge licht voorzichtig schemerde door de bladeren, en hier en daar een enkele, vroege vogel ritselde in het groen, geleidde Willebrordus de prinses en zijn kleinzoon uit het bosch. Zij namen een weg, dien Paulus zelden was opgegaan. Zes lange uren liepen zij door, tot zij eindelijk aankwamen bij een zoom van het bosch, waar een paar hutten van houthakkers stonden. Dáár rustte de prinses een paar uur uit van de vermoeienis. De goede, eenvoudige boschbewoners gaven haar melk, brood en vruchten, en bereidden een bed voor haar van mos en droge blâren.Paulus zag in de verte blauwe bergen rijzen en dalen, en zijn grootvader zeide hem, dat dáárachter het Leliënland lag, waarover Leliane regeerde.[68]Willebrordus sprak met de houthakkers af, dat zij de prinses langs den kortsten weg over de bergen zouden brengen naar een dorpje, dichtbij op de grenzen.Het was wèl even hard vóór Paulus, toen de oude man afscheid van hem nam.Rustig, in groote waardigheid stond Willebrordus voor hem, de hand zegenend op zijn hoofd gelegd.„Vaarwel, mijn jongen,” zeide hij, met vaste stem. „Misschien zal je ’t pas véél later begrijpen, maar onthoudt goed den laatsten raad, dien ik je medegeef. Laat je toch voorál niet van de wijs brengen door den schijn der dingen, maar zoek de kern van alles het wezen. Denk voorál in eenzaamheid na over alles wat je oogen onder de menschen hebben gezien,en luister dan goed, wat een innerlijke stem in je ziel er over zeggen zal. Ga voorál te rade met die intuïtie in het diepste van je wezen. En ga nooit enkel af op menschen-woorden, die sneller als de wind vergaan. Wil je mij dat beloven?”Hoe eerbiedwaardig, sterk en oprecht stond zijn grijze grootvader daar voor hem! En hoe teeder tegelijk was zijn wijs gezicht, waar leed en gedachten de diepe rimpels in hadden geplooid!Opeens voelde Paulus hoe vreeselijk het zou wezen, als hij dit veilige, rustige, liefderijk beschermende niet meer bij zich hebben zou. En een laatste opwelling om in zijn armen te snellen en hem te beloven,[69]altijd bij hem te blijven, welde op in het innigste van zijn ziel.Hij zagnog eensgoed naar de boomen, die daar vertrouwelijk naast elkaar stonden, als goede kameraden, hartelijk en eensgezind. Hij hoorde hun breede kruinen ruischen en ruischen. En het was of het woud hem waarschuwend riep.Een oogenblik weifelde hij.Toen klonk opeens weer Leliane’s stem, en dat heerlijke geluid bedwelmde zijn ziel met bevende verrukking.„Gáán wij nu?” riep zij, „ik ben nu uitgerust. Kom, Paulus!”Neen, hij kon niet terug, hij kón niet meer, het was sterker dan alles.De tranen vloeiden uit zijn oogen op Willebrordus’ oude, gerimpelde hand, die hij eerbiediglijk kuste.„Ik kán niet, grootvader, ik kán niet anders,” snikte hij. „Vergééf mij!”„Ik héb je niets te vergeven, mijn jongen. Ga, mijn brave, en God zij met je. En weet! als je eenmaal terug wilt komen zal je kamertje altijd voor je klaar staan, en zal je welkom zijn als altijd. God zegen je!”Toen wendde Paulus weenend het hoofd af van zijn’ goeden grootvader en van het stille woud, en aanvaardde hij den zwaren gang naar de menschen en hunne stedingen, om het groote licht van schoonheid te volgen, dat de prinses Leliane omstraalde.…[70]

[Inhoud]HOOFDSTUK V.Willebrordus had prinses Leliane’s verstuikten voet onderzocht, en met gedroogde, geneeskrachtige kruiden uit het bosch had hij de gewonde plekken zacht gewreven. De opzwelling was niet zoo gevaarlijk geweest als hij op ’t eerste gezicht gevreesd had, maar tóch moest de prinses twee geheele dagen rust houden, en te bed blijven, vóór zij weer zou kunnen loopen.Twee heerlijke dagen van ongekende zaligheid voor Paulus. Hij mocht in zijn eigen, vertrouwd kamertje bij haar bed—zijn eigen bed—zitten, en haar zijn platen en gravures laten zien, om haar afleiding te geven, en haar voorlezen uit zijn boeken. Hij vertelde haar van het bosch, en van de boomen, en de bloemen, en de vogels, met welke hij dagelijks omging. Ook zong hij wel eens een liedje voor haar met zijn jonge stem.Zij moest aldoor maar heel stil, bewegingloos neder liggen, om den voet volkomen rust te geven, en in die onbewegelijkheid lag ze, rein en blank, als[53]een subtiele openbaring van droom, in een allerhoogst moment van extaze zóó opgeschenen.En terwijl Paulus woorden na woorden sprak om haar te vermeien, en nu en dan zijn handen bewogen met reverent gebaar, was het in zijn ziel roerloos van aanbidding, als in de heilige stilte van een woud, dat met van aandacht biddende kruinen onbewegelijk ten hemel staat.Den tweeden avond, in late schemering, toen hij weer een oud, oud liedje voor haar zong, dat grootvader hem geleerd had, was ze ongemerkt, moê van het stil-liggen, in slaap gevallen, de handen op het witte laken gevouwen.En daar lag zij weder voor hem, de prinses Leliane, zooals zij hem voor ’t eerst was verschenen, sluimerende onder de stille boomen.Hij durfde van eerbied nauwelijks te ademen.En vervuld van een wonder-vroom schromen zag zijn ziel het zalig aan.En wéér voelde hij het als een goddelijke openbaring, in een helder, klaar licht van binnen: dít is het hoogste, het állerhoogste, en hooger dan dit wonnevol genot kan géén ontroering stijgen.Rustig, rein en rustig, werd het in zijn ziel, als in een woud, waar alle vogelen zwijgen, en geen ritselend takje stoort. Zóó als heel dat wijde woud den hemel roerloos áánziet, zag zijn ziel naar die eindelooze rust van maagd.[54]Blank, van goddelijke genade overtogen, lag haar hoofdje in de peluw, met de oogen zacht geloken onder dien vromen vrede. Goud golfden haar lokken het witte kussen langs. Als roze bloemen lagen haar handjes op het witte laken gevouwen.En éven, éven bewoog haar borst, ademde zachtjes, op en neer, op een rustig rythme, dat zijn ziel met een wondere muziek vervulde.Buiten, door het geopende venster, zag Paulus de groote, zware boomen in het schemerende licht te droomen staan, en een onbestemde, vreemde teederheid verzachtte hun donkere vormen, als een vage liefde, die over het woud was nedergedaald.Opeens schrikte hij pijnlijk op van het tikken van zijn klokje.„Tik tik!” zei het, „tik tik, tik tik tik.…”En inééns dacht hij angstig:„Dit gaat voorbij, dit gaat voorbij.…”O! Het vast te houden, dit heerlijk oogenblik, het innig-onverbrekelijk vast te houden in zijn leven, dat het nooit, nooit meer weg kon, en altijd zóó bleef, zóó zalig en zóó stil!…Het was géén droom. Het was hooge werkelijkheid, heerlijker dan heerlijkste droom ooit zijn kon. Dáár lag ze, vóór zijn aandachtige oogen, de prinses Leliane, van wie zijn ziel gedroomd had, jaren lang, en hij had het niet geweten. Die veilige, rustige vrede, die wijding van genade, die reine, roerlooze[55]rust, schooner en van goddelijker wezen dan ál wat ooit zijn oogen en zijn ziel hadden aanschouwd! Kón dit ooit vlieden in den tijd, kon dit ooit wijken in ’t niet voor het eentonig klok-getik, dat in zijn ooren pijnde?Toen legde zich opeens een groote zekerheid in zijn ziel, zooals het licht dat neerdaalt over nacht:„Dit wondere schoon kan nooit verloren gaan, en áltijd zal het onvernietigbaar in mijn wezen blijven, al wisselen van buiten ook vele verschijningen, die niet van goddelijken oorsprong zijn als deze.”Hij knielde neder, in diepen ootmoed, en bleef zóó liggen, hij wist niet hoe lang. Want het was hem in die stille contemplatie, of de tijd niet meer bestond, of zijn kamertje, en het bosch, en alles weg was, en hij was heengedroomd in de eeuwigheid, waar dit blanke visioen van reine schoonheid voor zijn ziel zou blijven stralen, in ondoofbare pracht …Zóó leefde Paulus de twee dagen door, met zijn ziel tot op het uiterste gespannen in aanbidding en stille zaligheid. Hij was zóó ganschelijk in zijn geluk verzonken, dat hij er in ’t geheel niet aan dacht, hoe deze wonne nog maar kort kon duren, en de prinses weer heen zou gaan, voor goed.Ze had hem er ook niet over gesproken. Ze had maar weinig tegen hem gezegd, en zich maar laten afleiden door zijn stem, moê en vervelend als ze[56]moest liggen in haar onbewegelijke houding. Ook wist ze eigenlijk niet wat ze hem wel zou zeggen. Het was alles zoo wonderlijk voor haar, dat stille, sobere kamertje, en die vreemde menschen, zonder hofhouding om haar heen.Toch was er voor haar een stille charme in zijn stem, en zij raadde uit intuïtie zijne jonge, sterke, eerbiedige aanbidding, als iets heel bizonders en aparts, kostbaarder dan alle hulde, die haar ooit gebracht was.Ze vond hem mooi en dacht dat hij een goed figuur zou maken aan het hof. Ééns zelfs dacht ze „hoe jammer dat hij geen koninklijke prins is.”Maar Paulus dacht in ’t geheel niet, verloren in zijn extaze, tot Willebrordus het hem den derden avond zeide:„Morgen ochtend vroeg zal ik de prinses brengen tot aan den zoom van het woud, waar je in de verte de blauwe bergen ziet. Daar vind ik wel houthakkers of bergbewoners, die haar verder den weg kunnen wijzen. En nú moet je beslissen, mijn jongen, of je met haar mede wilt gaan, of hier blijven bij mij.”Paulus schrikte op.Het leek te onmogelijk dat zij nu weg zou gaan, nu ze eindelijk was gekomen. En hij keek zijn grootvader aan, als niet begrijpend.Willebrordus voelde wel, wat er in zijn jonge ziel gebeurde. Het lag vèr achter hem, deze emotie, maar hij wist nog zéér goed de hevigheid en het wreede er van.[57]„Hoor mij goed, mijn jongen, en kijk nu niet of alles onreëel is om je heen. Want je droom zou breken tegen de werkelijkheid. Morgen ochtend gaat ze heen, de prinses Leliane, terug naar haar land, naar haar hof. Dit is de laatste avond, dat je zoo dicht bij haar moogt zijn, en zoo vertrouwelijk leven in haar omgeving. Aan het hof leeft ze in een verre, vreemde sfeer voor je. En alleen van heel uit de verte zal je haar mogen zien. Zij is wat de menschen een prinses noemen, eene koningin weldra. Het is iets buitengewoons, dat je zóó dicht bij haar hebt mogen leven, en haar toe hebt mogen spreken. Denk er om, alleen uit de verte zal je haar voortaan mogen zien. Morgen is ze weg van hier …”Toen wendde Paulus zich droevig af, en ging naar zijn kamertje, waar de prinses te rusten lag. Hij klopte eerbiedig en mocht binnen komen.En een groot licht glansde over zijn ziel, toen hij haar schoonheid weder zag. Een sfeer van heiligheid trilde in de kamer, die zij vervulde van de wondere essence van haar wezen.Hier was het nog, het geluk … hier was het dan nog, innig, reëel voor zijn ziel … nóg was het niet vervloden … en o! het kón ook niet, het kón ook niet weggaan … deze wonne moést eeuwig, altijddurend zijn.En in zijn opgewondenheid van geluk en angst barstte hij uit:[58]„O! Prinses, het is niet waar, het kán niet waar zijn.… je zult niet weggaan van mij.… als je weggaat is al het licht voor mij hene, en duister zal over alles gaan in mijn ziel.… ik heb zoo op je gewacht, zooveel jaren en jaren.… ik geloof dat ik áltijd op je gewacht heb, een eeuwigheid al, door alle tijden heen.… ik wéét het niet meer. En het bosch heeft op je gewacht, en de water-lelies, en de sterren.… o! er is altijd iets van je in mijn ziel geweest, en ik heb het niet geweten.… die avonden, die op je wachtten, als de boomen zoo heel stil stonden, met hun kruinen eerbiedig tot den hemel vol sterren.… dat diepe, plechtige zwijgen álom, op de aarde en in de luchten, dat niets dan wachten was.… dat rustige droomen van de witte water-lelies in den stillen vijver, en ik daarbij zacht verlangende, verlangende, omdat mijn ziel wel wist dat je komen zoudt.… dat vreemde geluk, als ik hoog in de boomen te staren zat naar de sterren, en over heel het woud zag ik heen, en alles werd zoo wijd en zoo ruim en ik weende om al dat groote, tóen wist ik het niet, maar het was alléén omdat je kómen zoudt, en ik dat eindeloos geluk niet kon dragen.… al die lieve, mooie dingen van vroeger zijn nu ineens zoo heerlijk verlicht en nu weet ik, dat het alles maar voorzichtig voorbereiden was dat je komen zoudt, en ik anders zou gestorven zijn als het inééns was gekomen.… want het is te groot, te groot.…[59]het is grooter dan dageraad en weêrlicht en aller sterren glans.… zóó moet misschien de zee zijn, waarvan ik ééns droomde, en die mijn ziel alleen gezien heeft.… en nu kán je niet weggaan, nu kán ik niet meer leven zonder je te zien.… nu zouden het bosch, en de sterren, en de lelies, en alle dingen eenzaam zijn, omdat ik niet meer op je wachten kon, als ik wist dat je hene was voor goed.… o! ga niet heen!.… blijf bij me en bij het bosch.… Ik zal je vertellen van de sterren, die ik allemaal heel goed ken.… ik geloof dat ze mij ook kennen, zoo zien ze me somtijds aan.… en de bloemen zullen allemaal voor je bloeien, en je zult de koningin zijn van het bosch.… dan wil ik mijn geheele leven lang je slaaf zijn en je dienen en aanbidden tot aan mijn dood.… Maar ga niet heen, ga niet terug naar de steden en de menschen.… ze zijn slecht, zegt Willebrordus.…”In sprakelooze verbazing zag de prinses hem aan. Hij was wel een héél vreemde jongen. Hij praatte altijd maar door als uit oude boeken en sproken. Dat kwam zeker omdat hij nooit onder menschen was geweest. Zóó mocht hij ook een zoo hooge prinses als zij niet toespreken, maar dat scheen hij niet te weten. En tóch was er een groote eerbied in zijn stem, oprechter dan de trouwste hoveling haar ooit gewijd had. Bij intuïtie voelde zij, dat hier iets groots aan haar werd gegeven, iets aparts[60]en bizonders, dat wèl waard was te worden aangenomen. Er was misschien een loyaal onderdaan uit hem te maken, die trouw zou zijn tot in den dood, en die groote dingen voor haar zou kunnen doen. Als hij maar eerst eens wat beschaafd werd en onder de menschen kwam. En hij was een mooie jongen, met prachtige oogen. Ook voelde zij, maar heel vaag en onbewust, in het innigste van haar meisje zijn, door het waas van koninklijke hooghartigheid heen, eene zachte streeling van trots, dat hij haar zoo hartstochtelijk aanbad.Hij was nu van aandoening voor haar nedergeknield, het hoofd ootmoedig gebogen, in algeheele overgave, en herhaalde nog eens, snikkend:„Ga niet heen!… ga niet heen!… ik kan nu niet meer alleen leven in het bosch!.…”Vriendelijk, maar tóch van uit hare vorstelijke hoogte zag zij op hem neer. Hoe fraai was zijn glanzende, kastanjebruine haar! Zij verwaardigde zich, hare zachte hand beschermend op zijn hoofd te leggen, en het was hem, of eene zegening van den goeden Vader aller dingen zelven over hem nederdaalde.En de muziek van hare stem zong weder diep door in zijn ziel, haar vervullend met eene wondere harmonie:„Je moogt hier niet alleen blijven in dit bosch, Paulus, en je kunt een trouwe onderdaan van mij worden, als je wilt. Maar dan moet je sterk en flink zijn, en doen wat ik zeg.[61]„Ik zal je meênemen en morgen ga je in mijn gevolg mede naar Leliënstad. Je moogt hier niet rond blijven sukkelen in dit bosch. Het Leven moet je zien, het groote Leven van de menschen in mijn land. Ik zal je meenemen naar Leliënstad, en je laten leeren. Eigenlijk heb je me zoowat het leven gered, want als ik in dat eenzame bosch was blijven rondzwerven, was ik misschien van honger gestorven. Vroeger werd je om zooiets een edelman, maar nú gaat dat zoo niet meer. Toch zal ik er wel iets op vinden. Als je dan goed leert en je onderscheidt, maak ik je een baron of een graaf. En dan mag je als ridder komen in mijn eere-garde, de „ridders van den Dood”, die hebben gezworen dat zij in de ure van ’t gevaar voor mij zullen sterven.”„Dat wil ik nú al zweren,” zeide Paulus, geestdriftig. „Ik wil heel graag voor u sterven. Nu al dadelijk, als ik dit groote geluk zou waardig zijn.”„Morgen ga je mede naar Leliënstad,” ging de prinses door. „Je hebt nog nooit zoo’n groote, prachtige stad gezien. Het is de mooiste stad van de wereld, de „goddelijke stad” zooals de vreemdelingen haar noemen. Er wonen meer dan twee millioen menschen. Mijn paleis staat boven op een hoogte, en ziet over de geheele Leliënstad heen, die aan mijne voeten ligt, in eerbied. Mijn stad is het middelpunt van alle kunst en wetenschap van de wereld. Het leven in mijn stad is het allerhoogste bestaan, dat op aarde[62]voor een sterveling mogelijk is. De roem van Leliënstad is over de geheele aarde verspreid, en in het verre Oosten zegt een spreekwoord: „Eerst Leliënstad zien en dán sterven.” Wat zou je hier je jonge leven begraven in dit sombere, stille bosch?”En toen zij zag, dat Paulus spreken wilde om zijn bosch te verdedigen en te verheffen:„Je moogt niet tegenspreken, Paulus … ook als je geen verlangen voelt naar de beschaving van mijn stad, tóch moet je gaan. Want ik ben je gebiedster, en ik bevéél het je. Het is mijn Wil.”Toen boog hij het hoofd, ten teeken van onderwerping aan haar wil.Van af het oogenblik dat zij het wilde en beval, was er geen tegenwerping voor hem meer mogelijk. Waar Zij hem gelastte te gaan, moest het goed zijn, en al ware het een oord van verschrikking en gevaar, toch was het zoet, dáár te wonen door de heiligheid van háár wil. Wat hem aan haar hechtte was zóó sterk en onverbrekelijk, dat zijn groote liefde voor het woud en alles wat zijn jeugd omringd had, er voor zwichten moest. En het deed er ook absoluut niets meer toe, wat er nu verder met hem gebeuren zou, hem klein, nietig wezentje, indien slechts Haar koninklijke wil geschiedde.Zooals zij daar lag op de rustbank, in de kalme gratie van haar koninklijk maagden-lijf, met zoo wonder-zachte golvingen en lijnen, was zij voor hem het[63]allerheerlijkste, wat zijne oogen en zijn ziel ooit hadden gevonden. De glans der sterren verbleekte er bij, en zóó heilig waren niet de reine water-lelies in het woud. Wel had grootvader hem geleerd, dat alle levende dingen manifestaties waren van God den Vader, maar zij moest dan voorzeker zijn uitverkoren, gezegend kind zijn, dat hij in háár zijn hoogste schoonheid had geopenbaard.Het beste, wat hij háár kon geven, was toch maar een erg nietig geschenk voor haar. Maar liet hij voor háár dan toch maar geven het allerliefste wat hij had, zijn geheele leven van vroeger, zijn mooie woud, met al de vogelen en de bloemen, en ook dat éénige en groote gevoel voor een menschelijk wezen dat hij koesterde, de liefde voor zijn’ grootvader Willebrordus. Het was niet véél bij háár zoo groote schoonheid van genade, maar het was alles wat hij bezat. Hij zou ze allen verlaten, alles wat hij liefhad zou hij van zich afdoen, en zich dan, geheel verlaten en berooid van lief, als een slaaf overgeven aan haar koninklijken wil, en wat zij over hem beschikken zou was wèlgedaan. En zacht durfde hij nu spreken:„Ik zal U volgen, Uwe Koninklijke Hoogheid, tot aan het einde der wereld, en als het kán tot in den dood.”Toen ging hij, vastbesloten, terug naar Willebrordus, dien hij bezig vond met houthakken, dicht bij huis. En vreezeloos, met eerlijken oogopslag, zag hij zijn’ grootvader aan.[64]„Vader,” zeide hij,„ik ga.… Niet omdat ik u niet meer liefheb, niet omdat ik niet gelukkig ben geweest in ons mooie, goede bosch.… maar omdat ik niet anders kán.… Wat mij mede-voert met de prinses is sterkerdanalles, wat ik ooit gevoeld heb. Het is heerlijker en zaliger dan de mooiste dageraad, dan de teêrste schemering … het is heiliger dan de reine water-lelies, die drijven in den kalmen vijver.… en nooit heb ik met grooter eerbied naar den hoogen hemel met sterren gestaard, dan zooals ik nú opzie naar de wondere schoonheid van Leliane.… de wereld, de steden, de menschen, zóó leelijk kunnen zij niet zijn, dat ik ze schuwen zou voor goed, omdat ik toch alles immers zien zal door den glans van háre schoonheid heen, waar alles in verheerlijkt wordt … Vader, als ik heenga moogt ge niet boos op mij zijn, en zult ge mij vergeven.… want ik voel het niet als slecht wat ik nu doen ga, en wat mij van u wegvoert is sterker dan mijn wil.…”Willebrordus legde liefderijk de hand op zijn hoofd, en zeide kalm:„Dit heeft zoo móeten zijn, mijn jongen … ééns had het tóch moeten komen.… het was mijn eigen zwakheid, die je zoo lang bij me hield, terwijl ik toch wist, dat je alléén door het leven der menschen heen tot de groote, volle eenzaamheid van ziel kunt komen, die ik nu, hoop ik, voor goed heb gevonden.… alles wat je nu beroert heb ik óók doorgemaakt, mijn[65]jongen, en ik weet hoe zalig het is, schoon zéér bedriegelijk.… en ik mag het je wel zeggen, al zal je ’t nú nog niet begrijpen: meen niet dat dit broze uiterlijke schoon van Meisje ooit de hoogste schoonheid zou kunnen zijn.… want zij is veranderlijk en eindig, en zal ééns tot stof vergaan, zooals alles.… zie goed uit, zie goéd uit, mijn brave, wáár de kern is van al de emoties, die je nu zoo wonderlijk beroeren.…en dan zal het misschien zijn, dat je pas gevonden hebt wat onbewust je ziel nu zocht, als juist het allerliefste voor je gaat verloren.…”Maar Paulus begreep den diepen zin zijner woorden nog niet, al voelde hij den ernst, die doorklonk in zijne stem.—Toen dacht hij er ineens om, hoe eenzaam Willebrordus zou achterblijven, als hij niet meer bij hem was.„Arme grootvader!” zeide hij, „nu moet je alléén achterblijven.… Je zult je verlaten en eenzaam voelen.”En een angstig zelfverwijt schrijnde in hem op, dat hij den ouden man dit leed ging aandoen.Maar Willebrordus’ gelaat was rustig en van heilige kalmte overtogen, als de stille maan die eenzaam, maar in grooten vrede aan den eindeloozen nachthemel staat.„Wie in een innige vertrouwelijkheid leeft met de natuur en met God, mijn jongen, kan nooit verlaten zijn. Ik voel mij daarvoor te innig in het groote[66]Gods-verband van alle levende creaturen en dingen. Ik vrees alleen, mijn brave, dat jij je eenmaal verlatener zult voelen dan ik ooit geweest ben. En ik denk met rilling terug aan die duistere tijden, toen ik nog wist wat verlatenheid was, verlatenheid te midden van een groote stad vol weelde en ellende, met je eenzame, gevoelige, aparte ziel tusschen al die duizenden en duizenden in ’t harde versteende, koude wezens, waaronder je genadeloozer alleen bent dan in een wijde, dorre woestenij. Verlaten zijn, dat is enkel als je met een echt, innig gevoel, met een reine gedachte, met een mooi ideaal eenzaam rondloopt tusschen de donkere drommen van duizenden, die het met hun schel hoongelach zouden begroeten, en het verstikken onder hun vunzen adem van smaad, als je eens argeloos dat teedere en fijne in je voor hun schennende blikken vertoonde. Dát is verlatenheid, om met een kostbaren schat in je ziel door de tallooze benden der heidenen te gaan, om dien diep in je te verbergen, maar eindelijk in een krankzinnig élan van offering dat kostbare aan het grove volk te toonen, en het te zien vaneenrijten en verscheuren als een bloô, wit lam door de ruige troepen van wolven. Je zult ééns weten wat ik met deze woorden bedoel. Nu begrijp je ze nog niet zoo. Maar denk nooit, dat ik in de stille vertrouwelijkheid van de natuur verlaten zou kunnen zijn, want evenmin is een kind verlaten, dat rust in moeders schoot. En ik ben[67]hier als een schip, dat na veel verre, stormachtige reizen, voor goed in veilige haven ligt geänkerd, tegen wind en weêr beschut.”Later zou Paulus nog dikwijls om deze woorden denken. Maar nú begreep hij ze niet, en kon hij ook niet in hun klare wijsheid zien, verblind als hij was door den schoonen lichtschijn, die van prinses Leliane’s uiterlijk wezen straalde. Hij wist alléén maar dit ééne ding: waar prinses Leliane heenging, moest hij ook gaan, onvermijdelijk, omdat het nu eenmaal niet anders kón.En hij ging.Den volgenden morgen, met het aanbreken van den dag, toen het eerste, jonge licht voorzichtig schemerde door de bladeren, en hier en daar een enkele, vroege vogel ritselde in het groen, geleidde Willebrordus de prinses en zijn kleinzoon uit het bosch. Zij namen een weg, dien Paulus zelden was opgegaan. Zes lange uren liepen zij door, tot zij eindelijk aankwamen bij een zoom van het bosch, waar een paar hutten van houthakkers stonden. Dáár rustte de prinses een paar uur uit van de vermoeienis. De goede, eenvoudige boschbewoners gaven haar melk, brood en vruchten, en bereidden een bed voor haar van mos en droge blâren.Paulus zag in de verte blauwe bergen rijzen en dalen, en zijn grootvader zeide hem, dat dáárachter het Leliënland lag, waarover Leliane regeerde.[68]Willebrordus sprak met de houthakkers af, dat zij de prinses langs den kortsten weg over de bergen zouden brengen naar een dorpje, dichtbij op de grenzen.Het was wèl even hard vóór Paulus, toen de oude man afscheid van hem nam.Rustig, in groote waardigheid stond Willebrordus voor hem, de hand zegenend op zijn hoofd gelegd.„Vaarwel, mijn jongen,” zeide hij, met vaste stem. „Misschien zal je ’t pas véél later begrijpen, maar onthoudt goed den laatsten raad, dien ik je medegeef. Laat je toch voorál niet van de wijs brengen door den schijn der dingen, maar zoek de kern van alles het wezen. Denk voorál in eenzaamheid na over alles wat je oogen onder de menschen hebben gezien,en luister dan goed, wat een innerlijke stem in je ziel er over zeggen zal. Ga voorál te rade met die intuïtie in het diepste van je wezen. En ga nooit enkel af op menschen-woorden, die sneller als de wind vergaan. Wil je mij dat beloven?”Hoe eerbiedwaardig, sterk en oprecht stond zijn grijze grootvader daar voor hem! En hoe teeder tegelijk was zijn wijs gezicht, waar leed en gedachten de diepe rimpels in hadden geplooid!Opeens voelde Paulus hoe vreeselijk het zou wezen, als hij dit veilige, rustige, liefderijk beschermende niet meer bij zich hebben zou. En een laatste opwelling om in zijn armen te snellen en hem te beloven,[69]altijd bij hem te blijven, welde op in het innigste van zijn ziel.Hij zagnog eensgoed naar de boomen, die daar vertrouwelijk naast elkaar stonden, als goede kameraden, hartelijk en eensgezind. Hij hoorde hun breede kruinen ruischen en ruischen. En het was of het woud hem waarschuwend riep.Een oogenblik weifelde hij.Toen klonk opeens weer Leliane’s stem, en dat heerlijke geluid bedwelmde zijn ziel met bevende verrukking.„Gáán wij nu?” riep zij, „ik ben nu uitgerust. Kom, Paulus!”Neen, hij kon niet terug, hij kón niet meer, het was sterker dan alles.De tranen vloeiden uit zijn oogen op Willebrordus’ oude, gerimpelde hand, die hij eerbiediglijk kuste.„Ik kán niet, grootvader, ik kán niet anders,” snikte hij. „Vergééf mij!”„Ik héb je niets te vergeven, mijn jongen. Ga, mijn brave, en God zij met je. En weet! als je eenmaal terug wilt komen zal je kamertje altijd voor je klaar staan, en zal je welkom zijn als altijd. God zegen je!”Toen wendde Paulus weenend het hoofd af van zijn’ goeden grootvader en van het stille woud, en aanvaardde hij den zwaren gang naar de menschen en hunne stedingen, om het groote licht van schoonheid te volgen, dat de prinses Leliane omstraalde.…[70]

HOOFDSTUK V.

Willebrordus had prinses Leliane’s verstuikten voet onderzocht, en met gedroogde, geneeskrachtige kruiden uit het bosch had hij de gewonde plekken zacht gewreven. De opzwelling was niet zoo gevaarlijk geweest als hij op ’t eerste gezicht gevreesd had, maar tóch moest de prinses twee geheele dagen rust houden, en te bed blijven, vóór zij weer zou kunnen loopen.Twee heerlijke dagen van ongekende zaligheid voor Paulus. Hij mocht in zijn eigen, vertrouwd kamertje bij haar bed—zijn eigen bed—zitten, en haar zijn platen en gravures laten zien, om haar afleiding te geven, en haar voorlezen uit zijn boeken. Hij vertelde haar van het bosch, en van de boomen, en de bloemen, en de vogels, met welke hij dagelijks omging. Ook zong hij wel eens een liedje voor haar met zijn jonge stem.Zij moest aldoor maar heel stil, bewegingloos neder liggen, om den voet volkomen rust te geven, en in die onbewegelijkheid lag ze, rein en blank, als[53]een subtiele openbaring van droom, in een allerhoogst moment van extaze zóó opgeschenen.En terwijl Paulus woorden na woorden sprak om haar te vermeien, en nu en dan zijn handen bewogen met reverent gebaar, was het in zijn ziel roerloos van aanbidding, als in de heilige stilte van een woud, dat met van aandacht biddende kruinen onbewegelijk ten hemel staat.Den tweeden avond, in late schemering, toen hij weer een oud, oud liedje voor haar zong, dat grootvader hem geleerd had, was ze ongemerkt, moê van het stil-liggen, in slaap gevallen, de handen op het witte laken gevouwen.En daar lag zij weder voor hem, de prinses Leliane, zooals zij hem voor ’t eerst was verschenen, sluimerende onder de stille boomen.Hij durfde van eerbied nauwelijks te ademen.En vervuld van een wonder-vroom schromen zag zijn ziel het zalig aan.En wéér voelde hij het als een goddelijke openbaring, in een helder, klaar licht van binnen: dít is het hoogste, het állerhoogste, en hooger dan dit wonnevol genot kan géén ontroering stijgen.Rustig, rein en rustig, werd het in zijn ziel, als in een woud, waar alle vogelen zwijgen, en geen ritselend takje stoort. Zóó als heel dat wijde woud den hemel roerloos áánziet, zag zijn ziel naar die eindelooze rust van maagd.[54]Blank, van goddelijke genade overtogen, lag haar hoofdje in de peluw, met de oogen zacht geloken onder dien vromen vrede. Goud golfden haar lokken het witte kussen langs. Als roze bloemen lagen haar handjes op het witte laken gevouwen.En éven, éven bewoog haar borst, ademde zachtjes, op en neer, op een rustig rythme, dat zijn ziel met een wondere muziek vervulde.Buiten, door het geopende venster, zag Paulus de groote, zware boomen in het schemerende licht te droomen staan, en een onbestemde, vreemde teederheid verzachtte hun donkere vormen, als een vage liefde, die over het woud was nedergedaald.Opeens schrikte hij pijnlijk op van het tikken van zijn klokje.„Tik tik!” zei het, „tik tik, tik tik tik.…”En inééns dacht hij angstig:„Dit gaat voorbij, dit gaat voorbij.…”O! Het vast te houden, dit heerlijk oogenblik, het innig-onverbrekelijk vast te houden in zijn leven, dat het nooit, nooit meer weg kon, en altijd zóó bleef, zóó zalig en zóó stil!…Het was géén droom. Het was hooge werkelijkheid, heerlijker dan heerlijkste droom ooit zijn kon. Dáár lag ze, vóór zijn aandachtige oogen, de prinses Leliane, van wie zijn ziel gedroomd had, jaren lang, en hij had het niet geweten. Die veilige, rustige vrede, die wijding van genade, die reine, roerlooze[55]rust, schooner en van goddelijker wezen dan ál wat ooit zijn oogen en zijn ziel hadden aanschouwd! Kón dit ooit vlieden in den tijd, kon dit ooit wijken in ’t niet voor het eentonig klok-getik, dat in zijn ooren pijnde?Toen legde zich opeens een groote zekerheid in zijn ziel, zooals het licht dat neerdaalt over nacht:„Dit wondere schoon kan nooit verloren gaan, en áltijd zal het onvernietigbaar in mijn wezen blijven, al wisselen van buiten ook vele verschijningen, die niet van goddelijken oorsprong zijn als deze.”Hij knielde neder, in diepen ootmoed, en bleef zóó liggen, hij wist niet hoe lang. Want het was hem in die stille contemplatie, of de tijd niet meer bestond, of zijn kamertje, en het bosch, en alles weg was, en hij was heengedroomd in de eeuwigheid, waar dit blanke visioen van reine schoonheid voor zijn ziel zou blijven stralen, in ondoofbare pracht …Zóó leefde Paulus de twee dagen door, met zijn ziel tot op het uiterste gespannen in aanbidding en stille zaligheid. Hij was zóó ganschelijk in zijn geluk verzonken, dat hij er in ’t geheel niet aan dacht, hoe deze wonne nog maar kort kon duren, en de prinses weer heen zou gaan, voor goed.Ze had hem er ook niet over gesproken. Ze had maar weinig tegen hem gezegd, en zich maar laten afleiden door zijn stem, moê en vervelend als ze[56]moest liggen in haar onbewegelijke houding. Ook wist ze eigenlijk niet wat ze hem wel zou zeggen. Het was alles zoo wonderlijk voor haar, dat stille, sobere kamertje, en die vreemde menschen, zonder hofhouding om haar heen.Toch was er voor haar een stille charme in zijn stem, en zij raadde uit intuïtie zijne jonge, sterke, eerbiedige aanbidding, als iets heel bizonders en aparts, kostbaarder dan alle hulde, die haar ooit gebracht was.Ze vond hem mooi en dacht dat hij een goed figuur zou maken aan het hof. Ééns zelfs dacht ze „hoe jammer dat hij geen koninklijke prins is.”Maar Paulus dacht in ’t geheel niet, verloren in zijn extaze, tot Willebrordus het hem den derden avond zeide:„Morgen ochtend vroeg zal ik de prinses brengen tot aan den zoom van het woud, waar je in de verte de blauwe bergen ziet. Daar vind ik wel houthakkers of bergbewoners, die haar verder den weg kunnen wijzen. En nú moet je beslissen, mijn jongen, of je met haar mede wilt gaan, of hier blijven bij mij.”Paulus schrikte op.Het leek te onmogelijk dat zij nu weg zou gaan, nu ze eindelijk was gekomen. En hij keek zijn grootvader aan, als niet begrijpend.Willebrordus voelde wel, wat er in zijn jonge ziel gebeurde. Het lag vèr achter hem, deze emotie, maar hij wist nog zéér goed de hevigheid en het wreede er van.[57]„Hoor mij goed, mijn jongen, en kijk nu niet of alles onreëel is om je heen. Want je droom zou breken tegen de werkelijkheid. Morgen ochtend gaat ze heen, de prinses Leliane, terug naar haar land, naar haar hof. Dit is de laatste avond, dat je zoo dicht bij haar moogt zijn, en zoo vertrouwelijk leven in haar omgeving. Aan het hof leeft ze in een verre, vreemde sfeer voor je. En alleen van heel uit de verte zal je haar mogen zien. Zij is wat de menschen een prinses noemen, eene koningin weldra. Het is iets buitengewoons, dat je zóó dicht bij haar hebt mogen leven, en haar toe hebt mogen spreken. Denk er om, alleen uit de verte zal je haar voortaan mogen zien. Morgen is ze weg van hier …”Toen wendde Paulus zich droevig af, en ging naar zijn kamertje, waar de prinses te rusten lag. Hij klopte eerbiedig en mocht binnen komen.En een groot licht glansde over zijn ziel, toen hij haar schoonheid weder zag. Een sfeer van heiligheid trilde in de kamer, die zij vervulde van de wondere essence van haar wezen.Hier was het nog, het geluk … hier was het dan nog, innig, reëel voor zijn ziel … nóg was het niet vervloden … en o! het kón ook niet, het kón ook niet weggaan … deze wonne moést eeuwig, altijddurend zijn.En in zijn opgewondenheid van geluk en angst barstte hij uit:[58]„O! Prinses, het is niet waar, het kán niet waar zijn.… je zult niet weggaan van mij.… als je weggaat is al het licht voor mij hene, en duister zal over alles gaan in mijn ziel.… ik heb zoo op je gewacht, zooveel jaren en jaren.… ik geloof dat ik áltijd op je gewacht heb, een eeuwigheid al, door alle tijden heen.… ik wéét het niet meer. En het bosch heeft op je gewacht, en de water-lelies, en de sterren.… o! er is altijd iets van je in mijn ziel geweest, en ik heb het niet geweten.… die avonden, die op je wachtten, als de boomen zoo heel stil stonden, met hun kruinen eerbiedig tot den hemel vol sterren.… dat diepe, plechtige zwijgen álom, op de aarde en in de luchten, dat niets dan wachten was.… dat rustige droomen van de witte water-lelies in den stillen vijver, en ik daarbij zacht verlangende, verlangende, omdat mijn ziel wel wist dat je komen zoudt.… dat vreemde geluk, als ik hoog in de boomen te staren zat naar de sterren, en over heel het woud zag ik heen, en alles werd zoo wijd en zoo ruim en ik weende om al dat groote, tóen wist ik het niet, maar het was alléén omdat je kómen zoudt, en ik dat eindeloos geluk niet kon dragen.… al die lieve, mooie dingen van vroeger zijn nu ineens zoo heerlijk verlicht en nu weet ik, dat het alles maar voorzichtig voorbereiden was dat je komen zoudt, en ik anders zou gestorven zijn als het inééns was gekomen.… want het is te groot, te groot.…[59]het is grooter dan dageraad en weêrlicht en aller sterren glans.… zóó moet misschien de zee zijn, waarvan ik ééns droomde, en die mijn ziel alleen gezien heeft.… en nu kán je niet weggaan, nu kán ik niet meer leven zonder je te zien.… nu zouden het bosch, en de sterren, en de lelies, en alle dingen eenzaam zijn, omdat ik niet meer op je wachten kon, als ik wist dat je hene was voor goed.… o! ga niet heen!.… blijf bij me en bij het bosch.… Ik zal je vertellen van de sterren, die ik allemaal heel goed ken.… ik geloof dat ze mij ook kennen, zoo zien ze me somtijds aan.… en de bloemen zullen allemaal voor je bloeien, en je zult de koningin zijn van het bosch.… dan wil ik mijn geheele leven lang je slaaf zijn en je dienen en aanbidden tot aan mijn dood.… Maar ga niet heen, ga niet terug naar de steden en de menschen.… ze zijn slecht, zegt Willebrordus.…”In sprakelooze verbazing zag de prinses hem aan. Hij was wel een héél vreemde jongen. Hij praatte altijd maar door als uit oude boeken en sproken. Dat kwam zeker omdat hij nooit onder menschen was geweest. Zóó mocht hij ook een zoo hooge prinses als zij niet toespreken, maar dat scheen hij niet te weten. En tóch was er een groote eerbied in zijn stem, oprechter dan de trouwste hoveling haar ooit gewijd had. Bij intuïtie voelde zij, dat hier iets groots aan haar werd gegeven, iets aparts[60]en bizonders, dat wèl waard was te worden aangenomen. Er was misschien een loyaal onderdaan uit hem te maken, die trouw zou zijn tot in den dood, en die groote dingen voor haar zou kunnen doen. Als hij maar eerst eens wat beschaafd werd en onder de menschen kwam. En hij was een mooie jongen, met prachtige oogen. Ook voelde zij, maar heel vaag en onbewust, in het innigste van haar meisje zijn, door het waas van koninklijke hooghartigheid heen, eene zachte streeling van trots, dat hij haar zoo hartstochtelijk aanbad.Hij was nu van aandoening voor haar nedergeknield, het hoofd ootmoedig gebogen, in algeheele overgave, en herhaalde nog eens, snikkend:„Ga niet heen!… ga niet heen!… ik kan nu niet meer alleen leven in het bosch!.…”Vriendelijk, maar tóch van uit hare vorstelijke hoogte zag zij op hem neer. Hoe fraai was zijn glanzende, kastanjebruine haar! Zij verwaardigde zich, hare zachte hand beschermend op zijn hoofd te leggen, en het was hem, of eene zegening van den goeden Vader aller dingen zelven over hem nederdaalde.En de muziek van hare stem zong weder diep door in zijn ziel, haar vervullend met eene wondere harmonie:„Je moogt hier niet alleen blijven in dit bosch, Paulus, en je kunt een trouwe onderdaan van mij worden, als je wilt. Maar dan moet je sterk en flink zijn, en doen wat ik zeg.[61]„Ik zal je meênemen en morgen ga je in mijn gevolg mede naar Leliënstad. Je moogt hier niet rond blijven sukkelen in dit bosch. Het Leven moet je zien, het groote Leven van de menschen in mijn land. Ik zal je meenemen naar Leliënstad, en je laten leeren. Eigenlijk heb je me zoowat het leven gered, want als ik in dat eenzame bosch was blijven rondzwerven, was ik misschien van honger gestorven. Vroeger werd je om zooiets een edelman, maar nú gaat dat zoo niet meer. Toch zal ik er wel iets op vinden. Als je dan goed leert en je onderscheidt, maak ik je een baron of een graaf. En dan mag je als ridder komen in mijn eere-garde, de „ridders van den Dood”, die hebben gezworen dat zij in de ure van ’t gevaar voor mij zullen sterven.”„Dat wil ik nú al zweren,” zeide Paulus, geestdriftig. „Ik wil heel graag voor u sterven. Nu al dadelijk, als ik dit groote geluk zou waardig zijn.”„Morgen ga je mede naar Leliënstad,” ging de prinses door. „Je hebt nog nooit zoo’n groote, prachtige stad gezien. Het is de mooiste stad van de wereld, de „goddelijke stad” zooals de vreemdelingen haar noemen. Er wonen meer dan twee millioen menschen. Mijn paleis staat boven op een hoogte, en ziet over de geheele Leliënstad heen, die aan mijne voeten ligt, in eerbied. Mijn stad is het middelpunt van alle kunst en wetenschap van de wereld. Het leven in mijn stad is het allerhoogste bestaan, dat op aarde[62]voor een sterveling mogelijk is. De roem van Leliënstad is over de geheele aarde verspreid, en in het verre Oosten zegt een spreekwoord: „Eerst Leliënstad zien en dán sterven.” Wat zou je hier je jonge leven begraven in dit sombere, stille bosch?”En toen zij zag, dat Paulus spreken wilde om zijn bosch te verdedigen en te verheffen:„Je moogt niet tegenspreken, Paulus … ook als je geen verlangen voelt naar de beschaving van mijn stad, tóch moet je gaan. Want ik ben je gebiedster, en ik bevéél het je. Het is mijn Wil.”Toen boog hij het hoofd, ten teeken van onderwerping aan haar wil.Van af het oogenblik dat zij het wilde en beval, was er geen tegenwerping voor hem meer mogelijk. Waar Zij hem gelastte te gaan, moest het goed zijn, en al ware het een oord van verschrikking en gevaar, toch was het zoet, dáár te wonen door de heiligheid van háár wil. Wat hem aan haar hechtte was zóó sterk en onverbrekelijk, dat zijn groote liefde voor het woud en alles wat zijn jeugd omringd had, er voor zwichten moest. En het deed er ook absoluut niets meer toe, wat er nu verder met hem gebeuren zou, hem klein, nietig wezentje, indien slechts Haar koninklijke wil geschiedde.Zooals zij daar lag op de rustbank, in de kalme gratie van haar koninklijk maagden-lijf, met zoo wonder-zachte golvingen en lijnen, was zij voor hem het[63]allerheerlijkste, wat zijne oogen en zijn ziel ooit hadden gevonden. De glans der sterren verbleekte er bij, en zóó heilig waren niet de reine water-lelies in het woud. Wel had grootvader hem geleerd, dat alle levende dingen manifestaties waren van God den Vader, maar zij moest dan voorzeker zijn uitverkoren, gezegend kind zijn, dat hij in háár zijn hoogste schoonheid had geopenbaard.Het beste, wat hij háár kon geven, was toch maar een erg nietig geschenk voor haar. Maar liet hij voor háár dan toch maar geven het allerliefste wat hij had, zijn geheele leven van vroeger, zijn mooie woud, met al de vogelen en de bloemen, en ook dat éénige en groote gevoel voor een menschelijk wezen dat hij koesterde, de liefde voor zijn’ grootvader Willebrordus. Het was niet véél bij háár zoo groote schoonheid van genade, maar het was alles wat hij bezat. Hij zou ze allen verlaten, alles wat hij liefhad zou hij van zich afdoen, en zich dan, geheel verlaten en berooid van lief, als een slaaf overgeven aan haar koninklijken wil, en wat zij over hem beschikken zou was wèlgedaan. En zacht durfde hij nu spreken:„Ik zal U volgen, Uwe Koninklijke Hoogheid, tot aan het einde der wereld, en als het kán tot in den dood.”Toen ging hij, vastbesloten, terug naar Willebrordus, dien hij bezig vond met houthakken, dicht bij huis. En vreezeloos, met eerlijken oogopslag, zag hij zijn’ grootvader aan.[64]„Vader,” zeide hij,„ik ga.… Niet omdat ik u niet meer liefheb, niet omdat ik niet gelukkig ben geweest in ons mooie, goede bosch.… maar omdat ik niet anders kán.… Wat mij mede-voert met de prinses is sterkerdanalles, wat ik ooit gevoeld heb. Het is heerlijker en zaliger dan de mooiste dageraad, dan de teêrste schemering … het is heiliger dan de reine water-lelies, die drijven in den kalmen vijver.… en nooit heb ik met grooter eerbied naar den hoogen hemel met sterren gestaard, dan zooals ik nú opzie naar de wondere schoonheid van Leliane.… de wereld, de steden, de menschen, zóó leelijk kunnen zij niet zijn, dat ik ze schuwen zou voor goed, omdat ik toch alles immers zien zal door den glans van háre schoonheid heen, waar alles in verheerlijkt wordt … Vader, als ik heenga moogt ge niet boos op mij zijn, en zult ge mij vergeven.… want ik voel het niet als slecht wat ik nu doen ga, en wat mij van u wegvoert is sterker dan mijn wil.…”Willebrordus legde liefderijk de hand op zijn hoofd, en zeide kalm:„Dit heeft zoo móeten zijn, mijn jongen … ééns had het tóch moeten komen.… het was mijn eigen zwakheid, die je zoo lang bij me hield, terwijl ik toch wist, dat je alléén door het leven der menschen heen tot de groote, volle eenzaamheid van ziel kunt komen, die ik nu, hoop ik, voor goed heb gevonden.… alles wat je nu beroert heb ik óók doorgemaakt, mijn[65]jongen, en ik weet hoe zalig het is, schoon zéér bedriegelijk.… en ik mag het je wel zeggen, al zal je ’t nú nog niet begrijpen: meen niet dat dit broze uiterlijke schoon van Meisje ooit de hoogste schoonheid zou kunnen zijn.… want zij is veranderlijk en eindig, en zal ééns tot stof vergaan, zooals alles.… zie goed uit, zie goéd uit, mijn brave, wáár de kern is van al de emoties, die je nu zoo wonderlijk beroeren.…en dan zal het misschien zijn, dat je pas gevonden hebt wat onbewust je ziel nu zocht, als juist het allerliefste voor je gaat verloren.…”Maar Paulus begreep den diepen zin zijner woorden nog niet, al voelde hij den ernst, die doorklonk in zijne stem.—Toen dacht hij er ineens om, hoe eenzaam Willebrordus zou achterblijven, als hij niet meer bij hem was.„Arme grootvader!” zeide hij, „nu moet je alléén achterblijven.… Je zult je verlaten en eenzaam voelen.”En een angstig zelfverwijt schrijnde in hem op, dat hij den ouden man dit leed ging aandoen.Maar Willebrordus’ gelaat was rustig en van heilige kalmte overtogen, als de stille maan die eenzaam, maar in grooten vrede aan den eindeloozen nachthemel staat.„Wie in een innige vertrouwelijkheid leeft met de natuur en met God, mijn jongen, kan nooit verlaten zijn. Ik voel mij daarvoor te innig in het groote[66]Gods-verband van alle levende creaturen en dingen. Ik vrees alleen, mijn brave, dat jij je eenmaal verlatener zult voelen dan ik ooit geweest ben. En ik denk met rilling terug aan die duistere tijden, toen ik nog wist wat verlatenheid was, verlatenheid te midden van een groote stad vol weelde en ellende, met je eenzame, gevoelige, aparte ziel tusschen al die duizenden en duizenden in ’t harde versteende, koude wezens, waaronder je genadeloozer alleen bent dan in een wijde, dorre woestenij. Verlaten zijn, dat is enkel als je met een echt, innig gevoel, met een reine gedachte, met een mooi ideaal eenzaam rondloopt tusschen de donkere drommen van duizenden, die het met hun schel hoongelach zouden begroeten, en het verstikken onder hun vunzen adem van smaad, als je eens argeloos dat teedere en fijne in je voor hun schennende blikken vertoonde. Dát is verlatenheid, om met een kostbaren schat in je ziel door de tallooze benden der heidenen te gaan, om dien diep in je te verbergen, maar eindelijk in een krankzinnig élan van offering dat kostbare aan het grove volk te toonen, en het te zien vaneenrijten en verscheuren als een bloô, wit lam door de ruige troepen van wolven. Je zult ééns weten wat ik met deze woorden bedoel. Nu begrijp je ze nog niet zoo. Maar denk nooit, dat ik in de stille vertrouwelijkheid van de natuur verlaten zou kunnen zijn, want evenmin is een kind verlaten, dat rust in moeders schoot. En ik ben[67]hier als een schip, dat na veel verre, stormachtige reizen, voor goed in veilige haven ligt geänkerd, tegen wind en weêr beschut.”Later zou Paulus nog dikwijls om deze woorden denken. Maar nú begreep hij ze niet, en kon hij ook niet in hun klare wijsheid zien, verblind als hij was door den schoonen lichtschijn, die van prinses Leliane’s uiterlijk wezen straalde. Hij wist alléén maar dit ééne ding: waar prinses Leliane heenging, moest hij ook gaan, onvermijdelijk, omdat het nu eenmaal niet anders kón.En hij ging.Den volgenden morgen, met het aanbreken van den dag, toen het eerste, jonge licht voorzichtig schemerde door de bladeren, en hier en daar een enkele, vroege vogel ritselde in het groen, geleidde Willebrordus de prinses en zijn kleinzoon uit het bosch. Zij namen een weg, dien Paulus zelden was opgegaan. Zes lange uren liepen zij door, tot zij eindelijk aankwamen bij een zoom van het bosch, waar een paar hutten van houthakkers stonden. Dáár rustte de prinses een paar uur uit van de vermoeienis. De goede, eenvoudige boschbewoners gaven haar melk, brood en vruchten, en bereidden een bed voor haar van mos en droge blâren.Paulus zag in de verte blauwe bergen rijzen en dalen, en zijn grootvader zeide hem, dat dáárachter het Leliënland lag, waarover Leliane regeerde.[68]Willebrordus sprak met de houthakkers af, dat zij de prinses langs den kortsten weg over de bergen zouden brengen naar een dorpje, dichtbij op de grenzen.Het was wèl even hard vóór Paulus, toen de oude man afscheid van hem nam.Rustig, in groote waardigheid stond Willebrordus voor hem, de hand zegenend op zijn hoofd gelegd.„Vaarwel, mijn jongen,” zeide hij, met vaste stem. „Misschien zal je ’t pas véél later begrijpen, maar onthoudt goed den laatsten raad, dien ik je medegeef. Laat je toch voorál niet van de wijs brengen door den schijn der dingen, maar zoek de kern van alles het wezen. Denk voorál in eenzaamheid na over alles wat je oogen onder de menschen hebben gezien,en luister dan goed, wat een innerlijke stem in je ziel er over zeggen zal. Ga voorál te rade met die intuïtie in het diepste van je wezen. En ga nooit enkel af op menschen-woorden, die sneller als de wind vergaan. Wil je mij dat beloven?”Hoe eerbiedwaardig, sterk en oprecht stond zijn grijze grootvader daar voor hem! En hoe teeder tegelijk was zijn wijs gezicht, waar leed en gedachten de diepe rimpels in hadden geplooid!Opeens voelde Paulus hoe vreeselijk het zou wezen, als hij dit veilige, rustige, liefderijk beschermende niet meer bij zich hebben zou. En een laatste opwelling om in zijn armen te snellen en hem te beloven,[69]altijd bij hem te blijven, welde op in het innigste van zijn ziel.Hij zagnog eensgoed naar de boomen, die daar vertrouwelijk naast elkaar stonden, als goede kameraden, hartelijk en eensgezind. Hij hoorde hun breede kruinen ruischen en ruischen. En het was of het woud hem waarschuwend riep.Een oogenblik weifelde hij.Toen klonk opeens weer Leliane’s stem, en dat heerlijke geluid bedwelmde zijn ziel met bevende verrukking.„Gáán wij nu?” riep zij, „ik ben nu uitgerust. Kom, Paulus!”Neen, hij kon niet terug, hij kón niet meer, het was sterker dan alles.De tranen vloeiden uit zijn oogen op Willebrordus’ oude, gerimpelde hand, die hij eerbiediglijk kuste.„Ik kán niet, grootvader, ik kán niet anders,” snikte hij. „Vergééf mij!”„Ik héb je niets te vergeven, mijn jongen. Ga, mijn brave, en God zij met je. En weet! als je eenmaal terug wilt komen zal je kamertje altijd voor je klaar staan, en zal je welkom zijn als altijd. God zegen je!”Toen wendde Paulus weenend het hoofd af van zijn’ goeden grootvader en van het stille woud, en aanvaardde hij den zwaren gang naar de menschen en hunne stedingen, om het groote licht van schoonheid te volgen, dat de prinses Leliane omstraalde.…[70]

Willebrordus had prinses Leliane’s verstuikten voet onderzocht, en met gedroogde, geneeskrachtige kruiden uit het bosch had hij de gewonde plekken zacht gewreven. De opzwelling was niet zoo gevaarlijk geweest als hij op ’t eerste gezicht gevreesd had, maar tóch moest de prinses twee geheele dagen rust houden, en te bed blijven, vóór zij weer zou kunnen loopen.

Twee heerlijke dagen van ongekende zaligheid voor Paulus. Hij mocht in zijn eigen, vertrouwd kamertje bij haar bed—zijn eigen bed—zitten, en haar zijn platen en gravures laten zien, om haar afleiding te geven, en haar voorlezen uit zijn boeken. Hij vertelde haar van het bosch, en van de boomen, en de bloemen, en de vogels, met welke hij dagelijks omging. Ook zong hij wel eens een liedje voor haar met zijn jonge stem.

Zij moest aldoor maar heel stil, bewegingloos neder liggen, om den voet volkomen rust te geven, en in die onbewegelijkheid lag ze, rein en blank, als[53]een subtiele openbaring van droom, in een allerhoogst moment van extaze zóó opgeschenen.

En terwijl Paulus woorden na woorden sprak om haar te vermeien, en nu en dan zijn handen bewogen met reverent gebaar, was het in zijn ziel roerloos van aanbidding, als in de heilige stilte van een woud, dat met van aandacht biddende kruinen onbewegelijk ten hemel staat.

Den tweeden avond, in late schemering, toen hij weer een oud, oud liedje voor haar zong, dat grootvader hem geleerd had, was ze ongemerkt, moê van het stil-liggen, in slaap gevallen, de handen op het witte laken gevouwen.

En daar lag zij weder voor hem, de prinses Leliane, zooals zij hem voor ’t eerst was verschenen, sluimerende onder de stille boomen.

Hij durfde van eerbied nauwelijks te ademen.

En vervuld van een wonder-vroom schromen zag zijn ziel het zalig aan.

En wéér voelde hij het als een goddelijke openbaring, in een helder, klaar licht van binnen: dít is het hoogste, het állerhoogste, en hooger dan dit wonnevol genot kan géén ontroering stijgen.

Rustig, rein en rustig, werd het in zijn ziel, als in een woud, waar alle vogelen zwijgen, en geen ritselend takje stoort. Zóó als heel dat wijde woud den hemel roerloos áánziet, zag zijn ziel naar die eindelooze rust van maagd.[54]

Blank, van goddelijke genade overtogen, lag haar hoofdje in de peluw, met de oogen zacht geloken onder dien vromen vrede. Goud golfden haar lokken het witte kussen langs. Als roze bloemen lagen haar handjes op het witte laken gevouwen.

En éven, éven bewoog haar borst, ademde zachtjes, op en neer, op een rustig rythme, dat zijn ziel met een wondere muziek vervulde.

Buiten, door het geopende venster, zag Paulus de groote, zware boomen in het schemerende licht te droomen staan, en een onbestemde, vreemde teederheid verzachtte hun donkere vormen, als een vage liefde, die over het woud was nedergedaald.

Opeens schrikte hij pijnlijk op van het tikken van zijn klokje.

„Tik tik!” zei het, „tik tik, tik tik tik.…”

En inééns dacht hij angstig:

„Dit gaat voorbij, dit gaat voorbij.…”

O! Het vast te houden, dit heerlijk oogenblik, het innig-onverbrekelijk vast te houden in zijn leven, dat het nooit, nooit meer weg kon, en altijd zóó bleef, zóó zalig en zóó stil!…

Het was géén droom. Het was hooge werkelijkheid, heerlijker dan heerlijkste droom ooit zijn kon. Dáár lag ze, vóór zijn aandachtige oogen, de prinses Leliane, van wie zijn ziel gedroomd had, jaren lang, en hij had het niet geweten. Die veilige, rustige vrede, die wijding van genade, die reine, roerlooze[55]rust, schooner en van goddelijker wezen dan ál wat ooit zijn oogen en zijn ziel hadden aanschouwd! Kón dit ooit vlieden in den tijd, kon dit ooit wijken in ’t niet voor het eentonig klok-getik, dat in zijn ooren pijnde?

Toen legde zich opeens een groote zekerheid in zijn ziel, zooals het licht dat neerdaalt over nacht:

„Dit wondere schoon kan nooit verloren gaan, en áltijd zal het onvernietigbaar in mijn wezen blijven, al wisselen van buiten ook vele verschijningen, die niet van goddelijken oorsprong zijn als deze.”

Hij knielde neder, in diepen ootmoed, en bleef zóó liggen, hij wist niet hoe lang. Want het was hem in die stille contemplatie, of de tijd niet meer bestond, of zijn kamertje, en het bosch, en alles weg was, en hij was heengedroomd in de eeuwigheid, waar dit blanke visioen van reine schoonheid voor zijn ziel zou blijven stralen, in ondoofbare pracht …

Zóó leefde Paulus de twee dagen door, met zijn ziel tot op het uiterste gespannen in aanbidding en stille zaligheid. Hij was zóó ganschelijk in zijn geluk verzonken, dat hij er in ’t geheel niet aan dacht, hoe deze wonne nog maar kort kon duren, en de prinses weer heen zou gaan, voor goed.

Ze had hem er ook niet over gesproken. Ze had maar weinig tegen hem gezegd, en zich maar laten afleiden door zijn stem, moê en vervelend als ze[56]moest liggen in haar onbewegelijke houding. Ook wist ze eigenlijk niet wat ze hem wel zou zeggen. Het was alles zoo wonderlijk voor haar, dat stille, sobere kamertje, en die vreemde menschen, zonder hofhouding om haar heen.

Toch was er voor haar een stille charme in zijn stem, en zij raadde uit intuïtie zijne jonge, sterke, eerbiedige aanbidding, als iets heel bizonders en aparts, kostbaarder dan alle hulde, die haar ooit gebracht was.

Ze vond hem mooi en dacht dat hij een goed figuur zou maken aan het hof. Ééns zelfs dacht ze „hoe jammer dat hij geen koninklijke prins is.”

Maar Paulus dacht in ’t geheel niet, verloren in zijn extaze, tot Willebrordus het hem den derden avond zeide:

„Morgen ochtend vroeg zal ik de prinses brengen tot aan den zoom van het woud, waar je in de verte de blauwe bergen ziet. Daar vind ik wel houthakkers of bergbewoners, die haar verder den weg kunnen wijzen. En nú moet je beslissen, mijn jongen, of je met haar mede wilt gaan, of hier blijven bij mij.”

Paulus schrikte op.

Het leek te onmogelijk dat zij nu weg zou gaan, nu ze eindelijk was gekomen. En hij keek zijn grootvader aan, als niet begrijpend.

Willebrordus voelde wel, wat er in zijn jonge ziel gebeurde. Het lag vèr achter hem, deze emotie, maar hij wist nog zéér goed de hevigheid en het wreede er van.[57]

„Hoor mij goed, mijn jongen, en kijk nu niet of alles onreëel is om je heen. Want je droom zou breken tegen de werkelijkheid. Morgen ochtend gaat ze heen, de prinses Leliane, terug naar haar land, naar haar hof. Dit is de laatste avond, dat je zoo dicht bij haar moogt zijn, en zoo vertrouwelijk leven in haar omgeving. Aan het hof leeft ze in een verre, vreemde sfeer voor je. En alleen van heel uit de verte zal je haar mogen zien. Zij is wat de menschen een prinses noemen, eene koningin weldra. Het is iets buitengewoons, dat je zóó dicht bij haar hebt mogen leven, en haar toe hebt mogen spreken. Denk er om, alleen uit de verte zal je haar voortaan mogen zien. Morgen is ze weg van hier …”

Toen wendde Paulus zich droevig af, en ging naar zijn kamertje, waar de prinses te rusten lag. Hij klopte eerbiedig en mocht binnen komen.

En een groot licht glansde over zijn ziel, toen hij haar schoonheid weder zag. Een sfeer van heiligheid trilde in de kamer, die zij vervulde van de wondere essence van haar wezen.

Hier was het nog, het geluk … hier was het dan nog, innig, reëel voor zijn ziel … nóg was het niet vervloden … en o! het kón ook niet, het kón ook niet weggaan … deze wonne moést eeuwig, altijddurend zijn.

En in zijn opgewondenheid van geluk en angst barstte hij uit:[58]

„O! Prinses, het is niet waar, het kán niet waar zijn.… je zult niet weggaan van mij.… als je weggaat is al het licht voor mij hene, en duister zal over alles gaan in mijn ziel.… ik heb zoo op je gewacht, zooveel jaren en jaren.… ik geloof dat ik áltijd op je gewacht heb, een eeuwigheid al, door alle tijden heen.… ik wéét het niet meer. En het bosch heeft op je gewacht, en de water-lelies, en de sterren.… o! er is altijd iets van je in mijn ziel geweest, en ik heb het niet geweten.… die avonden, die op je wachtten, als de boomen zoo heel stil stonden, met hun kruinen eerbiedig tot den hemel vol sterren.… dat diepe, plechtige zwijgen álom, op de aarde en in de luchten, dat niets dan wachten was.… dat rustige droomen van de witte water-lelies in den stillen vijver, en ik daarbij zacht verlangende, verlangende, omdat mijn ziel wel wist dat je komen zoudt.… dat vreemde geluk, als ik hoog in de boomen te staren zat naar de sterren, en over heel het woud zag ik heen, en alles werd zoo wijd en zoo ruim en ik weende om al dat groote, tóen wist ik het niet, maar het was alléén omdat je kómen zoudt, en ik dat eindeloos geluk niet kon dragen.… al die lieve, mooie dingen van vroeger zijn nu ineens zoo heerlijk verlicht en nu weet ik, dat het alles maar voorzichtig voorbereiden was dat je komen zoudt, en ik anders zou gestorven zijn als het inééns was gekomen.… want het is te groot, te groot.…[59]het is grooter dan dageraad en weêrlicht en aller sterren glans.… zóó moet misschien de zee zijn, waarvan ik ééns droomde, en die mijn ziel alleen gezien heeft.… en nu kán je niet weggaan, nu kán ik niet meer leven zonder je te zien.… nu zouden het bosch, en de sterren, en de lelies, en alle dingen eenzaam zijn, omdat ik niet meer op je wachten kon, als ik wist dat je hene was voor goed.… o! ga niet heen!.… blijf bij me en bij het bosch.… Ik zal je vertellen van de sterren, die ik allemaal heel goed ken.… ik geloof dat ze mij ook kennen, zoo zien ze me somtijds aan.… en de bloemen zullen allemaal voor je bloeien, en je zult de koningin zijn van het bosch.… dan wil ik mijn geheele leven lang je slaaf zijn en je dienen en aanbidden tot aan mijn dood.… Maar ga niet heen, ga niet terug naar de steden en de menschen.… ze zijn slecht, zegt Willebrordus.…”

In sprakelooze verbazing zag de prinses hem aan. Hij was wel een héél vreemde jongen. Hij praatte altijd maar door als uit oude boeken en sproken. Dat kwam zeker omdat hij nooit onder menschen was geweest. Zóó mocht hij ook een zoo hooge prinses als zij niet toespreken, maar dat scheen hij niet te weten. En tóch was er een groote eerbied in zijn stem, oprechter dan de trouwste hoveling haar ooit gewijd had. Bij intuïtie voelde zij, dat hier iets groots aan haar werd gegeven, iets aparts[60]en bizonders, dat wèl waard was te worden aangenomen. Er was misschien een loyaal onderdaan uit hem te maken, die trouw zou zijn tot in den dood, en die groote dingen voor haar zou kunnen doen. Als hij maar eerst eens wat beschaafd werd en onder de menschen kwam. En hij was een mooie jongen, met prachtige oogen. Ook voelde zij, maar heel vaag en onbewust, in het innigste van haar meisje zijn, door het waas van koninklijke hooghartigheid heen, eene zachte streeling van trots, dat hij haar zoo hartstochtelijk aanbad.

Hij was nu van aandoening voor haar nedergeknield, het hoofd ootmoedig gebogen, in algeheele overgave, en herhaalde nog eens, snikkend:

„Ga niet heen!… ga niet heen!… ik kan nu niet meer alleen leven in het bosch!.…”

Vriendelijk, maar tóch van uit hare vorstelijke hoogte zag zij op hem neer. Hoe fraai was zijn glanzende, kastanjebruine haar! Zij verwaardigde zich, hare zachte hand beschermend op zijn hoofd te leggen, en het was hem, of eene zegening van den goeden Vader aller dingen zelven over hem nederdaalde.

En de muziek van hare stem zong weder diep door in zijn ziel, haar vervullend met eene wondere harmonie:

„Je moogt hier niet alleen blijven in dit bosch, Paulus, en je kunt een trouwe onderdaan van mij worden, als je wilt. Maar dan moet je sterk en flink zijn, en doen wat ik zeg.[61]

„Ik zal je meênemen en morgen ga je in mijn gevolg mede naar Leliënstad. Je moogt hier niet rond blijven sukkelen in dit bosch. Het Leven moet je zien, het groote Leven van de menschen in mijn land. Ik zal je meenemen naar Leliënstad, en je laten leeren. Eigenlijk heb je me zoowat het leven gered, want als ik in dat eenzame bosch was blijven rondzwerven, was ik misschien van honger gestorven. Vroeger werd je om zooiets een edelman, maar nú gaat dat zoo niet meer. Toch zal ik er wel iets op vinden. Als je dan goed leert en je onderscheidt, maak ik je een baron of een graaf. En dan mag je als ridder komen in mijn eere-garde, de „ridders van den Dood”, die hebben gezworen dat zij in de ure van ’t gevaar voor mij zullen sterven.”

„Dat wil ik nú al zweren,” zeide Paulus, geestdriftig. „Ik wil heel graag voor u sterven. Nu al dadelijk, als ik dit groote geluk zou waardig zijn.”

„Morgen ga je mede naar Leliënstad,” ging de prinses door. „Je hebt nog nooit zoo’n groote, prachtige stad gezien. Het is de mooiste stad van de wereld, de „goddelijke stad” zooals de vreemdelingen haar noemen. Er wonen meer dan twee millioen menschen. Mijn paleis staat boven op een hoogte, en ziet over de geheele Leliënstad heen, die aan mijne voeten ligt, in eerbied. Mijn stad is het middelpunt van alle kunst en wetenschap van de wereld. Het leven in mijn stad is het allerhoogste bestaan, dat op aarde[62]voor een sterveling mogelijk is. De roem van Leliënstad is over de geheele aarde verspreid, en in het verre Oosten zegt een spreekwoord: „Eerst Leliënstad zien en dán sterven.” Wat zou je hier je jonge leven begraven in dit sombere, stille bosch?”

En toen zij zag, dat Paulus spreken wilde om zijn bosch te verdedigen en te verheffen:

„Je moogt niet tegenspreken, Paulus … ook als je geen verlangen voelt naar de beschaving van mijn stad, tóch moet je gaan. Want ik ben je gebiedster, en ik bevéél het je. Het is mijn Wil.”

Toen boog hij het hoofd, ten teeken van onderwerping aan haar wil.

Van af het oogenblik dat zij het wilde en beval, was er geen tegenwerping voor hem meer mogelijk. Waar Zij hem gelastte te gaan, moest het goed zijn, en al ware het een oord van verschrikking en gevaar, toch was het zoet, dáár te wonen door de heiligheid van háár wil. Wat hem aan haar hechtte was zóó sterk en onverbrekelijk, dat zijn groote liefde voor het woud en alles wat zijn jeugd omringd had, er voor zwichten moest. En het deed er ook absoluut niets meer toe, wat er nu verder met hem gebeuren zou, hem klein, nietig wezentje, indien slechts Haar koninklijke wil geschiedde.

Zooals zij daar lag op de rustbank, in de kalme gratie van haar koninklijk maagden-lijf, met zoo wonder-zachte golvingen en lijnen, was zij voor hem het[63]allerheerlijkste, wat zijne oogen en zijn ziel ooit hadden gevonden. De glans der sterren verbleekte er bij, en zóó heilig waren niet de reine water-lelies in het woud. Wel had grootvader hem geleerd, dat alle levende dingen manifestaties waren van God den Vader, maar zij moest dan voorzeker zijn uitverkoren, gezegend kind zijn, dat hij in háár zijn hoogste schoonheid had geopenbaard.

Het beste, wat hij háár kon geven, was toch maar een erg nietig geschenk voor haar. Maar liet hij voor háár dan toch maar geven het allerliefste wat hij had, zijn geheele leven van vroeger, zijn mooie woud, met al de vogelen en de bloemen, en ook dat éénige en groote gevoel voor een menschelijk wezen dat hij koesterde, de liefde voor zijn’ grootvader Willebrordus. Het was niet véél bij háár zoo groote schoonheid van genade, maar het was alles wat hij bezat. Hij zou ze allen verlaten, alles wat hij liefhad zou hij van zich afdoen, en zich dan, geheel verlaten en berooid van lief, als een slaaf overgeven aan haar koninklijken wil, en wat zij over hem beschikken zou was wèlgedaan. En zacht durfde hij nu spreken:

„Ik zal U volgen, Uwe Koninklijke Hoogheid, tot aan het einde der wereld, en als het kán tot in den dood.”

Toen ging hij, vastbesloten, terug naar Willebrordus, dien hij bezig vond met houthakken, dicht bij huis. En vreezeloos, met eerlijken oogopslag, zag hij zijn’ grootvader aan.[64]

„Vader,” zeide hij,„ik ga.… Niet omdat ik u niet meer liefheb, niet omdat ik niet gelukkig ben geweest in ons mooie, goede bosch.… maar omdat ik niet anders kán.… Wat mij mede-voert met de prinses is sterkerdanalles, wat ik ooit gevoeld heb. Het is heerlijker en zaliger dan de mooiste dageraad, dan de teêrste schemering … het is heiliger dan de reine water-lelies, die drijven in den kalmen vijver.… en nooit heb ik met grooter eerbied naar den hoogen hemel met sterren gestaard, dan zooals ik nú opzie naar de wondere schoonheid van Leliane.… de wereld, de steden, de menschen, zóó leelijk kunnen zij niet zijn, dat ik ze schuwen zou voor goed, omdat ik toch alles immers zien zal door den glans van háre schoonheid heen, waar alles in verheerlijkt wordt … Vader, als ik heenga moogt ge niet boos op mij zijn, en zult ge mij vergeven.… want ik voel het niet als slecht wat ik nu doen ga, en wat mij van u wegvoert is sterker dan mijn wil.…”

Willebrordus legde liefderijk de hand op zijn hoofd, en zeide kalm:

„Dit heeft zoo móeten zijn, mijn jongen … ééns had het tóch moeten komen.… het was mijn eigen zwakheid, die je zoo lang bij me hield, terwijl ik toch wist, dat je alléén door het leven der menschen heen tot de groote, volle eenzaamheid van ziel kunt komen, die ik nu, hoop ik, voor goed heb gevonden.… alles wat je nu beroert heb ik óók doorgemaakt, mijn[65]jongen, en ik weet hoe zalig het is, schoon zéér bedriegelijk.… en ik mag het je wel zeggen, al zal je ’t nú nog niet begrijpen: meen niet dat dit broze uiterlijke schoon van Meisje ooit de hoogste schoonheid zou kunnen zijn.… want zij is veranderlijk en eindig, en zal ééns tot stof vergaan, zooals alles.… zie goed uit, zie goéd uit, mijn brave, wáár de kern is van al de emoties, die je nu zoo wonderlijk beroeren.…en dan zal het misschien zijn, dat je pas gevonden hebt wat onbewust je ziel nu zocht, als juist het allerliefste voor je gaat verloren.…”

Maar Paulus begreep den diepen zin zijner woorden nog niet, al voelde hij den ernst, die doorklonk in zijne stem.—Toen dacht hij er ineens om, hoe eenzaam Willebrordus zou achterblijven, als hij niet meer bij hem was.

„Arme grootvader!” zeide hij, „nu moet je alléén achterblijven.… Je zult je verlaten en eenzaam voelen.”

En een angstig zelfverwijt schrijnde in hem op, dat hij den ouden man dit leed ging aandoen.

Maar Willebrordus’ gelaat was rustig en van heilige kalmte overtogen, als de stille maan die eenzaam, maar in grooten vrede aan den eindeloozen nachthemel staat.

„Wie in een innige vertrouwelijkheid leeft met de natuur en met God, mijn jongen, kan nooit verlaten zijn. Ik voel mij daarvoor te innig in het groote[66]Gods-verband van alle levende creaturen en dingen. Ik vrees alleen, mijn brave, dat jij je eenmaal verlatener zult voelen dan ik ooit geweest ben. En ik denk met rilling terug aan die duistere tijden, toen ik nog wist wat verlatenheid was, verlatenheid te midden van een groote stad vol weelde en ellende, met je eenzame, gevoelige, aparte ziel tusschen al die duizenden en duizenden in ’t harde versteende, koude wezens, waaronder je genadeloozer alleen bent dan in een wijde, dorre woestenij. Verlaten zijn, dat is enkel als je met een echt, innig gevoel, met een reine gedachte, met een mooi ideaal eenzaam rondloopt tusschen de donkere drommen van duizenden, die het met hun schel hoongelach zouden begroeten, en het verstikken onder hun vunzen adem van smaad, als je eens argeloos dat teedere en fijne in je voor hun schennende blikken vertoonde. Dát is verlatenheid, om met een kostbaren schat in je ziel door de tallooze benden der heidenen te gaan, om dien diep in je te verbergen, maar eindelijk in een krankzinnig élan van offering dat kostbare aan het grove volk te toonen, en het te zien vaneenrijten en verscheuren als een bloô, wit lam door de ruige troepen van wolven. Je zult ééns weten wat ik met deze woorden bedoel. Nu begrijp je ze nog niet zoo. Maar denk nooit, dat ik in de stille vertrouwelijkheid van de natuur verlaten zou kunnen zijn, want evenmin is een kind verlaten, dat rust in moeders schoot. En ik ben[67]hier als een schip, dat na veel verre, stormachtige reizen, voor goed in veilige haven ligt geänkerd, tegen wind en weêr beschut.”

Later zou Paulus nog dikwijls om deze woorden denken. Maar nú begreep hij ze niet, en kon hij ook niet in hun klare wijsheid zien, verblind als hij was door den schoonen lichtschijn, die van prinses Leliane’s uiterlijk wezen straalde. Hij wist alléén maar dit ééne ding: waar prinses Leliane heenging, moest hij ook gaan, onvermijdelijk, omdat het nu eenmaal niet anders kón.

En hij ging.

Den volgenden morgen, met het aanbreken van den dag, toen het eerste, jonge licht voorzichtig schemerde door de bladeren, en hier en daar een enkele, vroege vogel ritselde in het groen, geleidde Willebrordus de prinses en zijn kleinzoon uit het bosch. Zij namen een weg, dien Paulus zelden was opgegaan. Zes lange uren liepen zij door, tot zij eindelijk aankwamen bij een zoom van het bosch, waar een paar hutten van houthakkers stonden. Dáár rustte de prinses een paar uur uit van de vermoeienis. De goede, eenvoudige boschbewoners gaven haar melk, brood en vruchten, en bereidden een bed voor haar van mos en droge blâren.

Paulus zag in de verte blauwe bergen rijzen en dalen, en zijn grootvader zeide hem, dat dáárachter het Leliënland lag, waarover Leliane regeerde.[68]

Willebrordus sprak met de houthakkers af, dat zij de prinses langs den kortsten weg over de bergen zouden brengen naar een dorpje, dichtbij op de grenzen.

Het was wèl even hard vóór Paulus, toen de oude man afscheid van hem nam.

Rustig, in groote waardigheid stond Willebrordus voor hem, de hand zegenend op zijn hoofd gelegd.

„Vaarwel, mijn jongen,” zeide hij, met vaste stem. „Misschien zal je ’t pas véél later begrijpen, maar onthoudt goed den laatsten raad, dien ik je medegeef. Laat je toch voorál niet van de wijs brengen door den schijn der dingen, maar zoek de kern van alles het wezen. Denk voorál in eenzaamheid na over alles wat je oogen onder de menschen hebben gezien,en luister dan goed, wat een innerlijke stem in je ziel er over zeggen zal. Ga voorál te rade met die intuïtie in het diepste van je wezen. En ga nooit enkel af op menschen-woorden, die sneller als de wind vergaan. Wil je mij dat beloven?”

Hoe eerbiedwaardig, sterk en oprecht stond zijn grijze grootvader daar voor hem! En hoe teeder tegelijk was zijn wijs gezicht, waar leed en gedachten de diepe rimpels in hadden geplooid!

Opeens voelde Paulus hoe vreeselijk het zou wezen, als hij dit veilige, rustige, liefderijk beschermende niet meer bij zich hebben zou. En een laatste opwelling om in zijn armen te snellen en hem te beloven,[69]altijd bij hem te blijven, welde op in het innigste van zijn ziel.

Hij zagnog eensgoed naar de boomen, die daar vertrouwelijk naast elkaar stonden, als goede kameraden, hartelijk en eensgezind. Hij hoorde hun breede kruinen ruischen en ruischen. En het was of het woud hem waarschuwend riep.

Een oogenblik weifelde hij.

Toen klonk opeens weer Leliane’s stem, en dat heerlijke geluid bedwelmde zijn ziel met bevende verrukking.

„Gáán wij nu?” riep zij, „ik ben nu uitgerust. Kom, Paulus!”

Neen, hij kon niet terug, hij kón niet meer, het was sterker dan alles.

De tranen vloeiden uit zijn oogen op Willebrordus’ oude, gerimpelde hand, die hij eerbiediglijk kuste.

„Ik kán niet, grootvader, ik kán niet anders,” snikte hij. „Vergééf mij!”

„Ik héb je niets te vergeven, mijn jongen. Ga, mijn brave, en God zij met je. En weet! als je eenmaal terug wilt komen zal je kamertje altijd voor je klaar staan, en zal je welkom zijn als altijd. God zegen je!”

Toen wendde Paulus weenend het hoofd af van zijn’ goeden grootvader en van het stille woud, en aanvaardde hij den zwaren gang naar de menschen en hunne stedingen, om het groote licht van schoonheid te volgen, dat de prinses Leliane omstraalde.…[70]


Back to IndexNext