HOOFDSTUK VI.

[Inhoud]HOOFDSTUK VI.Door de houthakkers geleid liepen zij nu nog twee uren langs een goed gebaanden weg door het gebergte.—Paulus hield met sterken greep het wilde bergpaardje bij den teugel, dat Leliane, gewend aan goed gedresseerde raspaarden, niet kon besturen. Zijn licht geschoeide voeten, gewend aan zacht zand en mos, deden pijn op het harde, steenige pad vol scherpe punten, maar hij had zóó wel uren willen voortloopen, als Leliane maar bij hem bleef.Aldoor dacht hij, angstig:„Nu zal het uit zijn … nu komt het einde … als wij bij de menschen komen mag ik niet bij haar blijven.”Eindelijk kwamen zij aan de grens van de bergen, waar de weg afdwaalde naar een groote, verre vlakte. Hij had, gewend aan boomen overal om hem heen, nog nooit zoo’n wijde vlakte gezien, eindeloos uit, zonder belemmering, met horizonnen wijd en ver. En toen zijne oogen gewend waren aan het ruime[71]perspectief zag hij het eerst kleurige stippen, dolende hier en daar. Hij wees er naar met de vingers. Toen zagen de houthakkers het ook. Zij legden de vingers in den mond, en lieten een scherp, doordringend gefluit hooren, door de bergen wijd en zijd weerkaatst.De prinses had zich hoog in den zadel opgericht, en keek, de hand voor de oogen in groote spanning uit.De stippen kwamen al nader en nader naarmate zij daalden, al sneller en sneller … er schitterde hier en daar al iets van zilver en goud … en nu werden zij rood tegen het witte van den grond … al nader en nader kwamen zij …Totdat de prinses het blijde uitriep, de handen wenkend bewegend:„Mijn huzaren!… mijn huzaren!…”De stippen werden zwarte paarden, waarop roode mannen waren gezeten. Zilver en goud van sjabrakken en passementen schitterden in de zon, en stalen wapenen blonken. Één ruiter hief een donderend „hoera!” aan en rende opeens van al de andere hollendecavaleristenweg, de sabel omhoog, flikkerend in de zon. Het was of zijn paard, zonder zwaarte, voort-vloog door de ruimte.„Dat kan alleen Marcelio zijn,” riep de prinses Leliane verheugd uit. „Het is graaf Marcelio!”[72]Een paar minuten later zag Paulus een jongen, donkeruitzienden man op een met wit schuim bedekt gitzwart paard uit vollen galop op eens onbewegelijk stil houden voor de prinses. Hij hield de rechterhand met uitgestrekte vingers aan den kolbak, zwijgend tot de prinses hem aansprak.„Hier zijn wij, graaf Marcelio … veilig en ongedeerd, dank zij dit jonge mensch hier, dat ons geholpen heeft…Wij zijn verdwaald geweest op de jacht, de witte ree, ge weet wel, wij wenschen deze vreemde geschiedenis zoo geheim mogelijk te houden, en ophef te vermijden … er zal niet zoo heel ver van hier wel een station zijn … wij hebben ons rijkleed aan en kunnen tot zoo ver rijden … laat de huzaren ons maar op een afstand volgen, en beloon deze goede mannen met wat geld … dit jonge mensch hier beveel ik aan uwe speciale zorgen aan, ik zal u later wel mijne nadere beschikking omtrent hem geven … en dit alles voorál zonder ophef, hebt gij mij begrepen, graaf Marcelio?”Paulus was verbaasd over de hooge waardigheid van waaruit deze woorden bevelend werden gesproken. Was dit het Meisje, dat Willebrordus „kind” had genoemd, en dat klagelijk en hulpeloos in het mos had gelegen bij de water-lelies, steunend van pijn? Wat was er dan opeens in haar gekomen, dat zij nu zoo gebiedend sprak, en de sterke, groote jonge man vóór haar, eerbiedig het hoofd boog, de hand[73]nog steeds eerbiedig ten groetenis geheven? Wat was er in haar, dat nu opeens de aangekomen ruiters als standbeelden voor haar stilstonden, de stalen wapenen onbewegelijk voor de borst houdend, in reverent gebaar?En een vage vrees beving hem voor dat geheimzinnig vreemde in haar, dat een sfeer van eerbied en ontzag om haar heen deed gaan, waarin de handen der menschen ten groetenis werden bewogen.Hij voelde zich of hij droomde, en was niet meer zeker van wat hij de laatste dagen beleefd had.Was het dan wáár, of was het gedroomd, dat hij tot dat wondere wezen had durven spreken, waar die groote, van goud en zilver schitterende officier van eerbied voor was blijven zwijgen, deemoediglijk wachtend op een bevel van hare lippen? Had hij werkelijk als een vriend aan haar bed gezeten, had zij vertrouwelijk en steunend op zijn arm geleund, als een gewoon kind, die nu in die fiere, gebiedende houding heerschend tegenover die sterke, met moordtuig gewapende mannen stond? Was er dan iets bovenmenschelijks aan haar, iets misschien van God zelf, dat Willebrordus niet aan haar gezien had, en had hij dan misschien haar hooge majesteit geschonden, door tot haar te durven spreken als een gewoon menschenkind?Angstig, van stomme ontzetting vervuld, keek hij om zich heen. Hij voelde, hoe de jonge officier, die graaf Marcelio heette, hem aanzag. Twee donkere,[74]vreemde menschen-oogen opeens in de eenzaamheid van zijn ziel. Maar ze waren niet vijandig. Hij raadde ze intuïtief als iets vriendelijks, dat hem wilde bemoedigen.Dit was dus een van de menschen uit de groote stad, waar Willebrordus voor was gevlucht. Het blinkende staal, dat hij in de hand hield, was een sabel. Dat wist Paulus van de platen in zijn boeken. En al die andere mannen op die zwarte paarden hadden sabels in de hand. Toch waren ze mooi. Gekleed in heldere kleuren, met roode figuren, en geflikker van metaal. En mooi was hun rechte, flinke zitten in het zadel. Dit waren nu de soldaten van prinses Leliane, en zoo waren er nog duizenden en duizenden, die gehoorzaamden aan haar bevel. Duizenden en duizenden groote, sterke mannen, en op één wenk van haar teedere, blanke hand zouden zij voor haar voort-stormen in den dood. Dat wist hij uit de boeken.Zij leek hem nu opeens onbereikbaar ver, verder dan de sterren, die hij gezien had in de stilte van den nacht. Hoe klein en nietig moest hij voor haar zijn! Hoe’n onbeduidend, armzalig wezentje moest hij haar lijken! En hoe nutteloos was al zijn spreken tot haar geweest, die zoo oneindig ver van hem was gebleven, al had zij vlak voor hem gestaan! Zijn denken werd in raadselen verward. Vèr was ze nu, onbereikbaar ver. Maar toch lag haar beeld van slapende maagd, in reine rust, zacht in zijn eigen ziel. En dat[75]beeld, zoo veilig en vertrouwd, het leek nu van heel ander wezen dan die jonge vorstin daar op het zwarte paard, die hem opeens bijna vreemd was. De arme Paulus begreep niet meer wat in hem gebeurde, en hij voelde het duizelen in zijn hoofd. Niet voor die vreemde vorstin daar had hij zijn grootvader en het mooie bosch verlaten. Zij leek nu een vreemde, een geheel andere, die eigenlijk niet dezelfde kon zijn, die hij in vredigen slaap had zien rusten onder de groene boomen. En tóch moest zij het zijn.…Moê en angstig liet hij zich nu gewillig leiden. Graaf Marcelio hielp hem op een mak huzarenpaard, en wees hem hoe hij de teugels moest houden. Het beest liep vanzelf achter dat van Marcelio aan.Na een langen tijd rijden kwamen nog meer ruiters hun te gemoet. Er was een heel oud man bij, met langen, grijzen baard, in een van goud schitterende uniform die óók eerbiedig, diep neigend voor de koningin stilhield.Met dezen ouden man reed opeens prinses Leliane in vollen galop vooruit, de andere ruiters achterlatend.Paulus hitste zijn paard aan, en wilde haar volgen, maar graaf Marcelio hield hem tegen.„Hare Koninklijke Hoogheid wenscht onopgemerkt, alleen in den trein te gaan,” zeide hij. „Wij moeten achterblijven, en je bent aan mijn hoede toevertrouwd. Haar Koninklijke Hoogheid wil dat je bij mij blijft. Daar in de verte zie je al een paar huizen, en de[76]groote kap van het station.Kijk.… dáár.… Daar moeten we heen. De huzaren gaan nu al terug.… Maar wij moeten daar samen in den trein, die ook hare Hoogheid naar Leliënstad zal brengen. Alleen mijn oppasser volgt ons nu.”Paulus zag in de verte de roode daken van huizen, vriendelijk en blij. Déze woningen van menschen leken niet benauwd, zooals grootvader verteld had. Het dorpje lag omgeven van dichte bosschen, en het leek hem wel heerlijk daar te wandelen. Maar links, iets verder, zag hij groote, zwarte gebouwen, somber-leelijk, met grove vormen in de lucht, dreigend.„Dáár is het station,” zeide Marcelio. „Als die bosschen er niet waren zou je treinen kunnen zien.”Toen zij bij het dorp waren gekomen—een kleine plaats met lage, eenvoudige huizen—stapte graaf Marcelio af, en hielp ook Paulus van het paard. Toen nam hij hem bij de hand, en ging met hem een groot, monsterachtig gebouw binnen, waar een donderend leven lawaaide. Gegil, gefluit, gedaver, rollend geratel. Paulus wist niet wat hij hoorde, en angstig voelde hij zijn hart kloppen.Heel stil, heel klein liep hij naast graaf Marcelio, bang om van hem te verdwalen, en alleen te zijn onder al die vreemde, onvertrouwde menschen. O! Het benauwde van dat zwarte, donkere dak boven zijn hoofd! Waar was de Hemel?—En die duistere, nauwe doozen op rollen, waar hij straks in zou[77]moeten! En die groote, gillende monsters, sissend en stoomend van kwaadaardigheid, met vlammend vuur in hun lijven! Ja, hij wistwel wat het was, van platen en uit boeken, het was een station, met treinen en locomotieven, maar tóch sloeg het hem met een vage ontzetting, het gedaver en het lawaai. Een groote onrust huiverde overal om hem heen, en het was of al de menschen hier een vreeselijk verdriet hadden of angstig waren voor iets, dat ze allen weg wilden met die vervaarlijke monsters, die als opgerezen schenen uit een onderwereld van helsche verschrikking. Het gesteun en gebriesch van de locomotieven deed zijn hart bang kloppen van schrik, alsof ze hem kwaad wilden, en er iets verschrikkelijks hem wachtte.„Het is hier wat druk,” zeide Marcelio vriendelijk. „Een grensstation met douanen moet je denken. Alles moet hier uitstappen. Een beetje vreemd voor je, natuurlijk. Maar daar wen je wel aan. Ha! daar is onze trein.”Paulus stoof verschrikt achteruit.Donderend-lawaaiend daverde een sneltrein aan, wolken blinkenden stoom voor zich uitstootend. Een wind van lucht stroomde langs zijn ooren, en heel de grond trilde. Bellen klingelden, fluitjes trillerden, mannen schreeuwden. Brieschend stond de locomotief stil.Uit de donkere wagens kwamen menschen, haastig,[78]als op de vlucht voor iets, ijlden weg, als bang. Anderen stormden er in, zenuwachtig, als vliedend voor een gevaar.Wat was er dan toch, dat al die menschen zoo voortdreef? Paulus voelde een vreemde benauwing bij al dat haastige, gejaagde om hem heen. Het was of een verschrikkelijk noodlot al die menschen dreigde, dat ze zoo hals over kop vluchtten onder het gebel en gesis en gestoom alom.Maar reeds had Marcelio hem bij den arm gegrepen, en met zich voortgeduwd. En vóór hij goed tot besef was gekomen wat er gebeurde, zat hij op zeer zachte, rood fluweelen kussens in een nauw, laag kamertje.„Dit is nu een eerste klasse-wagen,” zeide Marcelio. „Behoorlijk zacht, hè, maar een beetje nauw. Het is een vóór-coupétje voor twee plaatsen maar. Juist geschikt voor de gelegenheid.”„Klets!” ging het portier dicht, dat Paulus met een schok opsprong.Door het raampje zag hij de menschen op het perron haast je rep je! door elkaar woelen. Het was als zochten ze allen iets angstig. Wat zochten ze?Vragend zag hij Marcelio aan. De jonge officier lachte, en had schik in zijne verwondering.„Al die menschen.… wat doen ze?…” vroeg hij. „Wat zoeken ze toch?.… of vluchten ze.… zijn ze bang?”„—Wel neen, mijn beste jongen.… die menschen[79]hebben haast.… aan een station heeft iedereen haast.… meestal lui van zaken.… dat leer je later wel.… tijd is geld, moet je weten.… dat leer je óók wel.… wat een drukte hé.… en eigenlijk allemaal voor niets.… zóó haasten ze zich jachtend hun leven door tot ze dood zijn, en dan is ’t uit.… allemaal voor niets geweest.…”Paulus voelde opeens een vage pijn. Er was iets in graaf Marcelio’s stem, dat schrijnde. Zoo heel anders dan het rustige, gedragen geluid van Willebrordus.Hij zag hem eens goed, aandachtig aan.Een mooi, fijnbesneden gezicht. Schitterende, zwarte oogen. Een zwarte, zachte snor, met spitse punten. Gezonde, roode wangen. Het donkere, glanzende haar gekruld. Een slanke, rijzige gestalte in de nauwsluitende uniform. Zijn blik was vriendelijk en beschermend. Maar met iets lichtelijk spottends, iets vreemds, dat misschien wel droefheid was, en dat Paulus onrustig maakte en aan het vriendelijke tegelijk iets schrijnends gaf.Opeens een hoog gegil.… een stoot.… en Paulus voelde zijn wagon bewegen, eerst langzaam, dan sneller, sneller en sneller … alles langs het raampje ijlde weg, menschen en dingen … hij voelde zich vooruit vliegen in de ruimte.…En hij riep, angstig:„De prinses!.… waar is de prinses?.…”[80]Marcelio stelde hem gerust.„Haar Koninklijke Hoogheid zit veilig in een salonwagen.… zij rust nu op een goed bed van de vermoeienissen uit. Haar wagen is vlak achter de onze, en als zij op een knopje drukt gaat hier een schelletje af en kan ik door dit deurtje in de koninklijke appartementen komen. Wij gaan nu rechtdoor naar Leliënstad, waar wij tegen den avond aankomen. Er is behoorlijk getelegrafeerd, en men zal Haar Koninklijke Hoogheid aan het station ontvangen. Maar vertel me nu eens goed, wat er toch met Haar Koninklijke Hoogheid gebeurd is. Wij hebben haar verloren op de jacht, daar bij de blauwe bergen. Wij jaagden een witte ree, die alleen met een pijl mag worden gewond, en in de opwinding van de jacht was Haar Koninklijke Hoogheid ineens verdwenen.”Toen vertelde Paulus, eenvoudig, zonder iets achter te houden, hoe hij de prinses had gevonden. Hij had nog niet geleerd zijn gevoel te verbergen, en zeide alles zooals het hem opwelde uit zijn jong, geest-driftig hart. Zijne oogen schitterden daarbij, zijne wangen gloeiden, toen hij het uitzegde, hoe de schoonheid van de prinses zijne ziel had beroerd.Met welgevallen zag Marcelio hem daarbij aan. Wat een vreemde, aardige jongen! Zóó waren er niet meer op dien leeftijd in Leliënstad. Zeventien jaar kon hij wezen, misschien achttien. En wat een[81]naïeveteit nog om zóó je gevoelens aan den eerste den beste te vertellen!„Maar je bent een dichter, Paulus!” zeide hij vriendelijk. „Waarachtig, een dichter! We kunnen misschien nog plezier van je beleven! Heb je wel eens verzen gemaakt?”„Ja,” zeide Paulus, eenvoudig.„Wat een trouvaille! Een jonge dichter, zóó maar uit de eenzaamheid van een bosch! Wat zouden Wederich en Lavelane wel zeggen! Dat wordt een evenement! Een dagteekening! Maar nu iets anders. Haar Koninklijke Hoogheid wenscht, dat het gebeurde strikt geheim blijve. De bladen hadden al bevel gekregen om niets van het verdwijnen der koningin te reppen. Je moogt niemand, wien ook, iets vertellen van het gebeurde. We zullen er wel wat op vinden om de couranten officieel een of ander verhaal te doen. Haar Koninklijke Hoogheid mag niet de heldin van een roman worden. Het zou anders een kapitaal sensatie-verhaal voor de pers zijn. Je moogt dus niets, absoluut niets ooit reppen van hoe je de prinses hebt gevonden. Begrepen? Het is Haar Koninklijke Wil.”Paulus knikte van ja en beloofde. Maar hij begréép het niet. Waarom mocht niet iedereen het weten, hoe hij de prinses had gevonden? Zou het volk niet blij zijn, dat zij veilig behouden was? En waarom moest het nu misleid worden door eene voorstelling,[82]die niet waar was? Neen, hij begreep het absoluut niet. Maar het was Haar Koninklijke Wil, had Marcelio gezegd. Dus zou hij zwijgen.Hij keek door het raampje naar de nieuwe wereld, waarin hij nu kwam. En hij was verrast. Niets meer van groote klompen steenen en massieve gevaarten. Wijde landen met wuivend graan gleden vierkantend weg in de snelheid van den trein. Rijen mooie boompjes bewogen zachtjes in de verte. Hier en daar, rustig, een landelijk huisje, met rood pannen dak. De hemel een wijde blauwe ruimte met blinkend witte wolken. Alles rustig en tevreden, alleen als weg-deinzend door de vliegende vaart van de trein.Marcelio zag zijne verrassing, en zeide:„Ja, het zijn niet allemaal steden, hier in Leliënland, dát moet je nu niet denken. Dít is nu het land. Zonder het land zouden de steden niet kunnen bestaan. Want van het land, dáár moet alles vandaan komen om de steden te voeden. Het graan, de tarwe, de runderen, de melk, de boter, de groenten, dat komt allemaal van het land. Je begrijpt hoeveel land en hoeveel boeren er noodig zijn om iederen dag zoo’n stad van twee millioen menschen aan eten te helpen. Met groote, vliegende treinen wordt dat zelfs van verre landen in Leliënstad aangevoerd.”De avond begon te vallen.Een dunne, ijle mist was opgedroomd boven de landen, die er zachtjes in verwaasden. Huisjes en[83]boomen vervaagden, en stonden als onzekere, weifelende vormen in het grijze. Hier en daar somtijds, moeilijk, een lichtje.En de trein daverde, daverde voort, een paar uur.Paulus was ingesoesd, moê van al het ongewone, toen een schel, hoog gefluit hem wakker maakte. Het deed hem pijn, dat felle ineens, zoo onverwacht.„Leliënstad!” zeide Marcelio, „eindelijk! We komen nu bij de voorsteden.”Paulus keek uit het portiervenster.En door den vagen mist, wijd-uit, zagen duizenden lichtjes, mat en flauw door den nevel pinkend, hem aan. Het was als een groot, vervaarlijk monster, met duizenden oogen loerend.Een onbestemde angst legde zich over zijn hart. Hij tuurde, angstig, en tuurde.Nu zag hij groote, donkere vormen zich oprichtenuithet vage. Met dreigende, donkere schaduwen stonden zij in den schemer.„Huizen,” wist hij, „dit moeten huizen zijn, naast elkaar, in een straat.”Het waren doode, gevoellooze dingen. Niet als de boomen van zijn bosch, die leefden, en vertrouwd waren aan zijn ziel. Maar dit waren duistere, koude gevaartes van steen, onbewogen, massief, van roerlooze hardheid. Het leken hooge, zwarte graven, opgerezen in de lucht.Marcelio zag zijn schrik.[84]„Wat donker hier, hè, die hooge huizen, bijna zonder licht. Maar je bent hier in de buitenwijken. Dit zijn de arme buurten. Maar straks wordt het wel beter.”De trein reed nu op een viaduct. En overal zag Paulus vreemde, gebogen monsterdingen, als armen met sombere gebaren uitgestoken in de lucht. Het was of ze dreigden, en er was iets siniesters in datuitgestrektevan kromme, zwarte pijpen, uit die donkere huizen gestoken. Zoo ver hij zien kon waren er nu overal van die zwarte vuile steenen huizenklompen, met die kromme armen wanhopig grijpend omhoog.„Schoorsteenen,” zeide Marcelio, glimlachend.Hij lachte over Paulus’ verwondering.En hij wist niet, hoe bang het was in dat jonge hart naast hem. Die zware, donkere gevaarten wierpen bange schaduwen in Paulus’ aan licht en zonneschijn en wuivend groen gewende ziel. Konden hier menschen wonen? Waren er heusch levende wezens in die genadelooze, steenen graven?Hier en daar was al een eenzaam petroleumlichtje op, in een nauw, vunzig hol. Door armoedige, gebroken ruiten, spookachtig voorbij door de vaart van den trein, zag Paulus dan éven vreemde gezichten van havelooze menschen, stukken vuil goed aan touwen, onoogelijke, donkere dingen. Het leek hem een booze droom.Langzamerhand werd het beter. Hier en daar,[85]perspectief, inééns een lang, nauw ópen, met véél lichtjes, en benéden honderden zwarte stipjes: een straat, die wègdeinsde. Nu werd het al lichter en lichter. Breede pleinen gingen open, met groote bollen wit licht in ’t midden, licht, dat hij nog nooit gezien had, bleek als van de maan. De huizen hadden hier vensters, blinkend van licht. Beneden kon hij drommen menschen zien loopen, duidelijk, of het dag was. Zij liepen allen haastig, alsof zij iets zochten. Hij zag nu ook wagens en rijtuigen met paarden. En ineens, met sterren licht pinkend er boven, een groote wagen met glazen wanden, van zelf vooruit ijlend in vliegende vaart. Binnen een rij zwarte menschen, dicht tegen elkaar. Alles warrelde en wemelde dooreen. Het was onrustig, of een vaag gevaar door die pleinen en straten waarde, waar al die menschen angstig voor vluchtten.De trein daverde en daverde altijd maar door, boven al dat gedwarrel uit, en Paulus verwonderde zich, dat de menschen beneden niet staan bleven en angstig opkeken, of het stoomende gevaarte niet op hen zou vallen.De nevel, die uit de landen buiten was opgestegen, hing nu niet meer over de steenen straten. Daar was nu alles helder licht. En Paulus vond het vreemd dat de menschen hier in de stad den nacht met dat kunstlicht hadden verjaagd, den nacht, die hem altijd zoo vertrouwd was geweest in het bosch, vol mooi[86]geheim. Zouden de menschen dan bang zijn voor den nacht? Waarom waren ze nog niet te ruste gegaan, of wat stil in hun kamer? Wat dreef hen dan toch allen zoo voort?.…De stad scheen eindeloos. Want de trein daverde altijd maar door, in vliegende vaart, telkens deinsden nieuwe straten en pleinen voorbij, en overal liepen nieuwe drommen menschen, wriemelend klein en zwart daar beneden, nietig tegen het hooge van de huizen, waarlangs ze gingen.Opeens zag hij in de verte, hoog in de lucht opgerezen, een wonderen, vreemden bouw. Het was vaag en onzeker door den afstand, maar het leek hem fijn en gevoelig als boomen van het bosch. Teêre, luchtige vormen, ijl cantille-werk als van bladeren, met twee ranke torens in de lucht. Er was iets heiligs aan van gewijd leven. Innig, een levende schepping, fijn als bladeren van verre boomen, rees het zachtkens op in de donkere lucht, hoog boven de doode, starre huizingen.Vragend zag hij Marcelio aan, en wees met de hand naar het wonder.„De Cathedraal,” zeide Marcelio. „Hier worden de bladeren bewaard van de heilige Water-lelie, waaruit het koninklijk geslacht van prinses Leliane werd geboren.”De trein daverde altijd door.…En nu zag Paulus, hoog boven de stad, evenals[87]de cathedraal, op een heuvel, een wit paleis. Honderden witte ballons, gloeiend van zilver maanlicht bloeiden daar heilig blank op in het duister van den avond, en het paleis was er duidelijk door te zien, van eene verblindende, sneeuwen blankheid, met een transparanten, reinen glans, als van fijn porselein.Toen hoorde hij Marcelio eerbiedig zeggen, maar met toch nog iets van vagen spot in zijn stem:„Het paleis van Hare Koninklijke Hoogheid prinses Leliane.”En hij voelde eene blijde verlichting, dat het paleis zoo hoog boven de stad stond, in zoo’n heerlijke sfeer van lucht. Zóó behoorde Leliane ook te wezen, dacht hij, hoog en ver boven de menschen, in een eigen glorie van reinheid, zooals de sterren pralende zijn boven de aarde.Wèg was opeens het paleis, toen de trein een bocht om ijlde, altijd maar verder en verder, daverend en lawaaiend.Toen, eindelijk, verminderde zijn vaart, remmen knarsten, kettingen rammelden, en Paulus voelde de wagon om hem schudden en beven, tot hij eindelijk met een schok stilstond.Weêr een station als dien middag op de grens, maar veel grooter. Toen Paulus uit de wagen was gestapt en op het perron stond duizelde hij even. Want naast hem, vóór hem, overal daverden snuivende, stoomende locomotieven-monsters aan, dreigend lichtende[88]uit roode oogen. Zwarte menschen drongen en holden schreeuwend om hem heen, of ze hem kwaad wilden doen, als vijandig.Stijf hield hij Marcelio’s hand vast. Wagens rolden donderend over den houten vloer, locomotieven gilden snijdend, zware schellen klingelden. Tusschen een saamgestroomde bende van menschen, dicht tegen hen aangedrongen, voelde Paulus zich voort worden geloopen. Eerst trappen af, naar beneden, toen een donkere gang, en weer trappen af, steeds voortgestuwd door de menschen.En dán ineens buiten, op een groot plein, stralende van lichte maan-ballonnen, met ratelend rumoer van wagens, en schrijnend lawaai van stemmen. Mannen in lange jassen met gouden knoopen gilden namen uit, die hij niet begreep. Jongens met couranten schreeuwden klagelijk uit, als noodgeschrei. Alles dreunde en schetterde en gonsde om hem heen, pijnlijk, grof, vijandig. Stijf omklemde hij Marcelio’s hand.„De prinses.… de prinses.… waar is zij?.…” vroeg hij angstig, allereerst denkend om haar, in dat gevaar.„De prinses gaat heel stil naar het paleis,” antwoordde Marcelio geruststellend. „Zij is hier afgehaald door vertrouwde dienaren, die getelegrafeerd zijn. Om geen opzien te wekken gaat zij heel eenvoudig in een gewoon rijtuig naar het paleis.”„Wat willen hier al die menschen?” vroeg Paulus[89]nog. „Wat zoeken ze?.… waarom schreeuwen ze zoo?.…”Marcelio lachte.„Wat ze zoeken?.… Ja, als ze dát maar wisten, dan was alles in orde.… En waarom ze schreeuwen?.… Dat weten ze misschien zelf niet … Maar zoo is het altijd aan een station, mijn jongen, en overal op straat is het lawaai. Daar moet je aan wennen.”Hij wenkte een koetsier, en liet Paulus in een coupé stijgen.„Koninginnestraat,” hoorde Paulus hem zeggen.En voort! voelde hij zich rijden, het breede plein over, waar overal andere rijtuigen weg ratelden, haastig, als door angst en onrust gedreven.Hoe dat alles ijlde en draafde en heen-holde! Waar moesten die menschen dan allemaal heen? Wat dreef hen dan allemaal zoo vooruit in zoo zenuwachtige haast?Hij keek uit het portierraampje, sprakeloos, in altijd stijgende verbazing, zonder begrijpen. Dat leven, dat lawaai, dat gedreun, en gedaver, en geschreeuw! Al die menschen, rusteloos voorbijdravend, elkaar verdringend, waar gingen ze dan toch heen, wat zochten ze dan toch? En die groote, hooge, steenen huizen, wat waren ze koud en hoe strak keken ze hem aan! Doode, onbewegelijke dingen. De menschen leefden hier tusschen starre, steenen gevaarten, die hoog en koud om hen heen stonden, onbewogen.[90]En tusschen al dat doode en steenen gingen ze rusteloos voort, ál maar voort, bij duizenden en duizenden. Zoo bij tweeën of drieën schenen ze elkaar vertrouwd, praatten ze met elkaar. Maar de anderen leken zij niet te kennen. En allen gingen een eigen gang, haastig, of ze voor iets vluchtten, of iets hen voort-jaagde. Winkels met groote uitstalramen, blinkend van licht, praalden met allerlei schitterende dingen, veilig achter glas bewaard. Groote restaurants en cafés hadden tafeltjes op straat, waar menschen zaten te eten en te drinken, midden in de drukte van ’t voorbijloopend publiek. Krantenjongens schreeuwden met een monotoon, klagend geluid. Rechts en links gingen andere rijtuigen voorbij, en groote vrachtwagens met kisten, en omnibussen met zwarte menschen er boven, de koetsier op den hoogen bok, ingebakerd. Dat hoste en ratelde en lawaaide alles door elkaar. Hier en daar, op den hoogsten nokrand der kolossale huizen, vlammende annonces in electrisch licht, die ineens uitdoofden en dan plotseling weer opschenen. Paulus’ oogen traanden van ’t zien in al dat scherpe licht, en zijn hoofd begon te duizelen van ’t rumoer. Het was hem of hij er straks nog onder zou bezwijken.Somtijds hield het rijtuig opeens stil. Dan kon het niet verder, omdat de straat versperd was, zeide Marcelio. Een groote, dikke kop van een omnibus-paard was ééns vlak bij ’t portierraam, dreigende het te breken. Links en rechts knellend geklap van zweepen,[91]geschreeuw en gevloek van koetsiers. Tot het rijtuig eindlijk, langzaam weerdoorreed.Nu en dan zag Paulus een lange zijstraat opengaan, en weêr hetzelfde: files van rijtuigen in ’t midden, gewemel van lichten door elkaar, zwarte rijen menschen op de trottoirs, geschitter van vlammen-annonces in de lucht. Hij begreep niet, hoe alles elkaar op ’t laatst niet vertrapte, tegen elkaar inreed, elkaar verpletterde in uiterste verwarring.Zóó ging het een half uur door, langzaam, langzaam door propvolle straten. Het was nog erger dan in den trein. Hij zag somtijds alles voor zich draaien, in warrelenden dans. De wagens ratelden nu in zijn hoofd, dat pijnlijk aanvoelde, met felle steken. Een angstige beklemming drukte op zijn borst, en hij haalde moeilijk adem. Het leek hem, of alles straks inééns zwaar over hem heen zou gaan, waar hij hulpeloos neér zou vallen, en verpletterd worden door al dat zware, genadelooze, groote.Hij voelde moede loomheid zijn oogleden drukken, en wilde het liefste maar de oogen sluiten om niets meer te zien, en zich voor al dat leven te verschuilen in den slaap. En werkelijk sliep hij een oogenblik in, met het hoofd achterover in het gecapitonneerde kussen geleund.Een groot licht zengde zijn oogen opeens pijnlijk weer open. Hij schrikte op.Rechts en links van het portiervenster, waar het[92]rijtuig geruischloos over houten straatvloer gleed, straalden helle ballonnen schitterend wit licht hem tegen. Alles fonkelde en tintelde in het rond, en het leek hem, of het bliksemlicht van den hemel hier overal getemd lag te gloeien.Achter glinsterende spiegelruiten lagen kostbare luxe-dingen weelderig te pralen. In de groote juwelierswinkels lagen diamanten en brillanten als kleine sterren te lumineeren. De winkels waren hier paleizen, ruischende van licht, en de straat was er lichter van dan overdag. Het leek iets uit de sprookjes van 1001 Nacht, die grootvader hem eens had gegeven.„De Koninginnestraat,” zeide graaf Marcelio. „Dit is de rijkste winkelstraat van de wereld. Hier heb ik mijn appartementen, boven een juwelier. En vannacht moet je maar zoolang bij mij logeeren.”Het rijtuig hield stil.Paulus bleef stevig de hand van Marcelio vasthouden toen zij op het trottoir vóór een grooten juwelierswinkel stonden.Al die menschen ineens om hem heen! Vreemd, onverschillig, bijna vijandig.Ze liepen maar áldoor iets te zoeken, of vluchtten misschien wel voor iets. Een groote onrust, als van gevaar, joeg door de groote straat heen.Marcelio nam hem mee, een lange gang in, ging twee trappen met hem op, en deed de deur van een kamer open, die nog geheel donker was. Toen[93]hij even op een knop drukte bij de deur, bloeiden opeens in ’t midden van de kamer bloemen op van licht en kleur. Ook aan de wanden waren er enkelen opgeschenen.Marcelio zag hoe Paulus verwonderd opkeek.„Dit is nu electrisch licht,” zeide hij lachend. „Hetzelfde licht dat in den bliksem flitst. Dat hebben we gevangen en getemd, en hier gloeit het nu in mijn kleurige bloemen-ballonnetjes, heel onschadelijk. Dat is nu de beschaving, weet je.”Paulus kon er eerst niet goed in kijken. Zijn oogen traanden er van. En hij vond het leelijk. Hij voelde dat het valsch was, nagemaakt. Het licht van den bliksem was toch véél mooier.Toen hij er wat aan gewend was, begon hij de groote kamer pas te zien. Er stonden dingen van weelde in, die hij nog niet kende. Kostbare perzische tapijten, chineesche en japansche lappen aan den muur, porseleinen vazen, kasten van fijn lakwerk, beelden van porselein en ivoor. Het was weêr als in een sprookje.Marcelio was een man van echten, fijnen smaak, en al de dingen in zijn kamer waren in volledige harmonie, van nobele vormen en kleuren. Hij was gewoon te leven in eene voortdurende streeling van exquize kunst-weelde.En toch, ondanks zijn groote verbazing, en de overweldiging van al dat uitgezochte schoon, voelde[94]Paulus intuïtief, dat het rustige, sobere wouden-mooi echter was, dat zijn heel gewone kamertje thuis met het uitzicht op de groote, eenvoudige boomen buiten hem altijd liever zou blijven.Maar hij was te moe om er lang over te denken. Hij voelde het nog altijd warrelen en duizelen in zijn hoofd, en moest zich goed houden om niet neer te vallen.Marcelio zag hem wankelen, en begreep dadelijk, dat hij nu vóór alles rust behoefde. Vriendelijk zeide hij, hem bij een hand nemend:„Arme kerel, je moet wel moê zijn.… al die emoties ineens, na die eenzaamheid van je.… en dan die lange tocht van vanochtend vroeg af, en die trein.… ik zal je even naar je slaapkamer brengen.… dan ga je maar dadelijk in bed liggen, zonder om iets te denken, hoor. Je doet je oogen maar toe, en denkt dat je thuis bent, dan slaap je vanzelf wel in.… Ik zal je morgen ochtend wel wakker komen maken, dan is het tijd genoeg om te praten.…”Paulus liet zich gewillig leiden, een gang door, naar een kleinere kamer achter.Hij hield zich nog goed, maar zag alles om zich draaien en duizelen.Toen voelde hij nog hoe Marcelio hem met een arm ondersteunde, en hem hielp bij ’t uitkleeden. Hij hoorde nog wat vriendelijke, bemoedigende woorden, en kreeg opeens de sensatie van rust, van heerlijk[95]lekker uitgestrekt liggen op een veilig, zacht bed.Toen verzonk alles in vergetelheid, en voor de eerste maal in zijn leven sliep Paulus in de groote stad van weelde en ellende, die Leliënstad heet, nog onbewust van het leven der millioenen, dat nu woelde als een wilde zee om zijn eigen, eenzaam bestaan.[96]

[Inhoud]HOOFDSTUK VI.Door de houthakkers geleid liepen zij nu nog twee uren langs een goed gebaanden weg door het gebergte.—Paulus hield met sterken greep het wilde bergpaardje bij den teugel, dat Leliane, gewend aan goed gedresseerde raspaarden, niet kon besturen. Zijn licht geschoeide voeten, gewend aan zacht zand en mos, deden pijn op het harde, steenige pad vol scherpe punten, maar hij had zóó wel uren willen voortloopen, als Leliane maar bij hem bleef.Aldoor dacht hij, angstig:„Nu zal het uit zijn … nu komt het einde … als wij bij de menschen komen mag ik niet bij haar blijven.”Eindelijk kwamen zij aan de grens van de bergen, waar de weg afdwaalde naar een groote, verre vlakte. Hij had, gewend aan boomen overal om hem heen, nog nooit zoo’n wijde vlakte gezien, eindeloos uit, zonder belemmering, met horizonnen wijd en ver. En toen zijne oogen gewend waren aan het ruime[71]perspectief zag hij het eerst kleurige stippen, dolende hier en daar. Hij wees er naar met de vingers. Toen zagen de houthakkers het ook. Zij legden de vingers in den mond, en lieten een scherp, doordringend gefluit hooren, door de bergen wijd en zijd weerkaatst.De prinses had zich hoog in den zadel opgericht, en keek, de hand voor de oogen in groote spanning uit.De stippen kwamen al nader en nader naarmate zij daalden, al sneller en sneller … er schitterde hier en daar al iets van zilver en goud … en nu werden zij rood tegen het witte van den grond … al nader en nader kwamen zij …Totdat de prinses het blijde uitriep, de handen wenkend bewegend:„Mijn huzaren!… mijn huzaren!…”De stippen werden zwarte paarden, waarop roode mannen waren gezeten. Zilver en goud van sjabrakken en passementen schitterden in de zon, en stalen wapenen blonken. Één ruiter hief een donderend „hoera!” aan en rende opeens van al de andere hollendecavaleristenweg, de sabel omhoog, flikkerend in de zon. Het was of zijn paard, zonder zwaarte, voort-vloog door de ruimte.„Dat kan alleen Marcelio zijn,” riep de prinses Leliane verheugd uit. „Het is graaf Marcelio!”[72]Een paar minuten later zag Paulus een jongen, donkeruitzienden man op een met wit schuim bedekt gitzwart paard uit vollen galop op eens onbewegelijk stil houden voor de prinses. Hij hield de rechterhand met uitgestrekte vingers aan den kolbak, zwijgend tot de prinses hem aansprak.„Hier zijn wij, graaf Marcelio … veilig en ongedeerd, dank zij dit jonge mensch hier, dat ons geholpen heeft…Wij zijn verdwaald geweest op de jacht, de witte ree, ge weet wel, wij wenschen deze vreemde geschiedenis zoo geheim mogelijk te houden, en ophef te vermijden … er zal niet zoo heel ver van hier wel een station zijn … wij hebben ons rijkleed aan en kunnen tot zoo ver rijden … laat de huzaren ons maar op een afstand volgen, en beloon deze goede mannen met wat geld … dit jonge mensch hier beveel ik aan uwe speciale zorgen aan, ik zal u later wel mijne nadere beschikking omtrent hem geven … en dit alles voorál zonder ophef, hebt gij mij begrepen, graaf Marcelio?”Paulus was verbaasd over de hooge waardigheid van waaruit deze woorden bevelend werden gesproken. Was dit het Meisje, dat Willebrordus „kind” had genoemd, en dat klagelijk en hulpeloos in het mos had gelegen bij de water-lelies, steunend van pijn? Wat was er dan opeens in haar gekomen, dat zij nu zoo gebiedend sprak, en de sterke, groote jonge man vóór haar, eerbiedig het hoofd boog, de hand[73]nog steeds eerbiedig ten groetenis geheven? Wat was er in haar, dat nu opeens de aangekomen ruiters als standbeelden voor haar stilstonden, de stalen wapenen onbewegelijk voor de borst houdend, in reverent gebaar?En een vage vrees beving hem voor dat geheimzinnig vreemde in haar, dat een sfeer van eerbied en ontzag om haar heen deed gaan, waarin de handen der menschen ten groetenis werden bewogen.Hij voelde zich of hij droomde, en was niet meer zeker van wat hij de laatste dagen beleefd had.Was het dan wáár, of was het gedroomd, dat hij tot dat wondere wezen had durven spreken, waar die groote, van goud en zilver schitterende officier van eerbied voor was blijven zwijgen, deemoediglijk wachtend op een bevel van hare lippen? Had hij werkelijk als een vriend aan haar bed gezeten, had zij vertrouwelijk en steunend op zijn arm geleund, als een gewoon kind, die nu in die fiere, gebiedende houding heerschend tegenover die sterke, met moordtuig gewapende mannen stond? Was er dan iets bovenmenschelijks aan haar, iets misschien van God zelf, dat Willebrordus niet aan haar gezien had, en had hij dan misschien haar hooge majesteit geschonden, door tot haar te durven spreken als een gewoon menschenkind?Angstig, van stomme ontzetting vervuld, keek hij om zich heen. Hij voelde, hoe de jonge officier, die graaf Marcelio heette, hem aanzag. Twee donkere,[74]vreemde menschen-oogen opeens in de eenzaamheid van zijn ziel. Maar ze waren niet vijandig. Hij raadde ze intuïtief als iets vriendelijks, dat hem wilde bemoedigen.Dit was dus een van de menschen uit de groote stad, waar Willebrordus voor was gevlucht. Het blinkende staal, dat hij in de hand hield, was een sabel. Dat wist Paulus van de platen in zijn boeken. En al die andere mannen op die zwarte paarden hadden sabels in de hand. Toch waren ze mooi. Gekleed in heldere kleuren, met roode figuren, en geflikker van metaal. En mooi was hun rechte, flinke zitten in het zadel. Dit waren nu de soldaten van prinses Leliane, en zoo waren er nog duizenden en duizenden, die gehoorzaamden aan haar bevel. Duizenden en duizenden groote, sterke mannen, en op één wenk van haar teedere, blanke hand zouden zij voor haar voort-stormen in den dood. Dat wist hij uit de boeken.Zij leek hem nu opeens onbereikbaar ver, verder dan de sterren, die hij gezien had in de stilte van den nacht. Hoe klein en nietig moest hij voor haar zijn! Hoe’n onbeduidend, armzalig wezentje moest hij haar lijken! En hoe nutteloos was al zijn spreken tot haar geweest, die zoo oneindig ver van hem was gebleven, al had zij vlak voor hem gestaan! Zijn denken werd in raadselen verward. Vèr was ze nu, onbereikbaar ver. Maar toch lag haar beeld van slapende maagd, in reine rust, zacht in zijn eigen ziel. En dat[75]beeld, zoo veilig en vertrouwd, het leek nu van heel ander wezen dan die jonge vorstin daar op het zwarte paard, die hem opeens bijna vreemd was. De arme Paulus begreep niet meer wat in hem gebeurde, en hij voelde het duizelen in zijn hoofd. Niet voor die vreemde vorstin daar had hij zijn grootvader en het mooie bosch verlaten. Zij leek nu een vreemde, een geheel andere, die eigenlijk niet dezelfde kon zijn, die hij in vredigen slaap had zien rusten onder de groene boomen. En tóch moest zij het zijn.…Moê en angstig liet hij zich nu gewillig leiden. Graaf Marcelio hielp hem op een mak huzarenpaard, en wees hem hoe hij de teugels moest houden. Het beest liep vanzelf achter dat van Marcelio aan.Na een langen tijd rijden kwamen nog meer ruiters hun te gemoet. Er was een heel oud man bij, met langen, grijzen baard, in een van goud schitterende uniform die óók eerbiedig, diep neigend voor de koningin stilhield.Met dezen ouden man reed opeens prinses Leliane in vollen galop vooruit, de andere ruiters achterlatend.Paulus hitste zijn paard aan, en wilde haar volgen, maar graaf Marcelio hield hem tegen.„Hare Koninklijke Hoogheid wenscht onopgemerkt, alleen in den trein te gaan,” zeide hij. „Wij moeten achterblijven, en je bent aan mijn hoede toevertrouwd. Haar Koninklijke Hoogheid wil dat je bij mij blijft. Daar in de verte zie je al een paar huizen, en de[76]groote kap van het station.Kijk.… dáár.… Daar moeten we heen. De huzaren gaan nu al terug.… Maar wij moeten daar samen in den trein, die ook hare Hoogheid naar Leliënstad zal brengen. Alleen mijn oppasser volgt ons nu.”Paulus zag in de verte de roode daken van huizen, vriendelijk en blij. Déze woningen van menschen leken niet benauwd, zooals grootvader verteld had. Het dorpje lag omgeven van dichte bosschen, en het leek hem wel heerlijk daar te wandelen. Maar links, iets verder, zag hij groote, zwarte gebouwen, somber-leelijk, met grove vormen in de lucht, dreigend.„Dáár is het station,” zeide Marcelio. „Als die bosschen er niet waren zou je treinen kunnen zien.”Toen zij bij het dorp waren gekomen—een kleine plaats met lage, eenvoudige huizen—stapte graaf Marcelio af, en hielp ook Paulus van het paard. Toen nam hij hem bij de hand, en ging met hem een groot, monsterachtig gebouw binnen, waar een donderend leven lawaaide. Gegil, gefluit, gedaver, rollend geratel. Paulus wist niet wat hij hoorde, en angstig voelde hij zijn hart kloppen.Heel stil, heel klein liep hij naast graaf Marcelio, bang om van hem te verdwalen, en alleen te zijn onder al die vreemde, onvertrouwde menschen. O! Het benauwde van dat zwarte, donkere dak boven zijn hoofd! Waar was de Hemel?—En die duistere, nauwe doozen op rollen, waar hij straks in zou[77]moeten! En die groote, gillende monsters, sissend en stoomend van kwaadaardigheid, met vlammend vuur in hun lijven! Ja, hij wistwel wat het was, van platen en uit boeken, het was een station, met treinen en locomotieven, maar tóch sloeg het hem met een vage ontzetting, het gedaver en het lawaai. Een groote onrust huiverde overal om hem heen, en het was of al de menschen hier een vreeselijk verdriet hadden of angstig waren voor iets, dat ze allen weg wilden met die vervaarlijke monsters, die als opgerezen schenen uit een onderwereld van helsche verschrikking. Het gesteun en gebriesch van de locomotieven deed zijn hart bang kloppen van schrik, alsof ze hem kwaad wilden, en er iets verschrikkelijks hem wachtte.„Het is hier wat druk,” zeide Marcelio vriendelijk. „Een grensstation met douanen moet je denken. Alles moet hier uitstappen. Een beetje vreemd voor je, natuurlijk. Maar daar wen je wel aan. Ha! daar is onze trein.”Paulus stoof verschrikt achteruit.Donderend-lawaaiend daverde een sneltrein aan, wolken blinkenden stoom voor zich uitstootend. Een wind van lucht stroomde langs zijn ooren, en heel de grond trilde. Bellen klingelden, fluitjes trillerden, mannen schreeuwden. Brieschend stond de locomotief stil.Uit de donkere wagens kwamen menschen, haastig,[78]als op de vlucht voor iets, ijlden weg, als bang. Anderen stormden er in, zenuwachtig, als vliedend voor een gevaar.Wat was er dan toch, dat al die menschen zoo voortdreef? Paulus voelde een vreemde benauwing bij al dat haastige, gejaagde om hem heen. Het was of een verschrikkelijk noodlot al die menschen dreigde, dat ze zoo hals over kop vluchtten onder het gebel en gesis en gestoom alom.Maar reeds had Marcelio hem bij den arm gegrepen, en met zich voortgeduwd. En vóór hij goed tot besef was gekomen wat er gebeurde, zat hij op zeer zachte, rood fluweelen kussens in een nauw, laag kamertje.„Dit is nu een eerste klasse-wagen,” zeide Marcelio. „Behoorlijk zacht, hè, maar een beetje nauw. Het is een vóór-coupétje voor twee plaatsen maar. Juist geschikt voor de gelegenheid.”„Klets!” ging het portier dicht, dat Paulus met een schok opsprong.Door het raampje zag hij de menschen op het perron haast je rep je! door elkaar woelen. Het was als zochten ze allen iets angstig. Wat zochten ze?Vragend zag hij Marcelio aan. De jonge officier lachte, en had schik in zijne verwondering.„Al die menschen.… wat doen ze?…” vroeg hij. „Wat zoeken ze toch?.… of vluchten ze.… zijn ze bang?”„—Wel neen, mijn beste jongen.… die menschen[79]hebben haast.… aan een station heeft iedereen haast.… meestal lui van zaken.… dat leer je later wel.… tijd is geld, moet je weten.… dat leer je óók wel.… wat een drukte hé.… en eigenlijk allemaal voor niets.… zóó haasten ze zich jachtend hun leven door tot ze dood zijn, en dan is ’t uit.… allemaal voor niets geweest.…”Paulus voelde opeens een vage pijn. Er was iets in graaf Marcelio’s stem, dat schrijnde. Zoo heel anders dan het rustige, gedragen geluid van Willebrordus.Hij zag hem eens goed, aandachtig aan.Een mooi, fijnbesneden gezicht. Schitterende, zwarte oogen. Een zwarte, zachte snor, met spitse punten. Gezonde, roode wangen. Het donkere, glanzende haar gekruld. Een slanke, rijzige gestalte in de nauwsluitende uniform. Zijn blik was vriendelijk en beschermend. Maar met iets lichtelijk spottends, iets vreemds, dat misschien wel droefheid was, en dat Paulus onrustig maakte en aan het vriendelijke tegelijk iets schrijnends gaf.Opeens een hoog gegil.… een stoot.… en Paulus voelde zijn wagon bewegen, eerst langzaam, dan sneller, sneller en sneller … alles langs het raampje ijlde weg, menschen en dingen … hij voelde zich vooruit vliegen in de ruimte.…En hij riep, angstig:„De prinses!.… waar is de prinses?.…”[80]Marcelio stelde hem gerust.„Haar Koninklijke Hoogheid zit veilig in een salonwagen.… zij rust nu op een goed bed van de vermoeienissen uit. Haar wagen is vlak achter de onze, en als zij op een knopje drukt gaat hier een schelletje af en kan ik door dit deurtje in de koninklijke appartementen komen. Wij gaan nu rechtdoor naar Leliënstad, waar wij tegen den avond aankomen. Er is behoorlijk getelegrafeerd, en men zal Haar Koninklijke Hoogheid aan het station ontvangen. Maar vertel me nu eens goed, wat er toch met Haar Koninklijke Hoogheid gebeurd is. Wij hebben haar verloren op de jacht, daar bij de blauwe bergen. Wij jaagden een witte ree, die alleen met een pijl mag worden gewond, en in de opwinding van de jacht was Haar Koninklijke Hoogheid ineens verdwenen.”Toen vertelde Paulus, eenvoudig, zonder iets achter te houden, hoe hij de prinses had gevonden. Hij had nog niet geleerd zijn gevoel te verbergen, en zeide alles zooals het hem opwelde uit zijn jong, geest-driftig hart. Zijne oogen schitterden daarbij, zijne wangen gloeiden, toen hij het uitzegde, hoe de schoonheid van de prinses zijne ziel had beroerd.Met welgevallen zag Marcelio hem daarbij aan. Wat een vreemde, aardige jongen! Zóó waren er niet meer op dien leeftijd in Leliënstad. Zeventien jaar kon hij wezen, misschien achttien. En wat een[81]naïeveteit nog om zóó je gevoelens aan den eerste den beste te vertellen!„Maar je bent een dichter, Paulus!” zeide hij vriendelijk. „Waarachtig, een dichter! We kunnen misschien nog plezier van je beleven! Heb je wel eens verzen gemaakt?”„Ja,” zeide Paulus, eenvoudig.„Wat een trouvaille! Een jonge dichter, zóó maar uit de eenzaamheid van een bosch! Wat zouden Wederich en Lavelane wel zeggen! Dat wordt een evenement! Een dagteekening! Maar nu iets anders. Haar Koninklijke Hoogheid wenscht, dat het gebeurde strikt geheim blijve. De bladen hadden al bevel gekregen om niets van het verdwijnen der koningin te reppen. Je moogt niemand, wien ook, iets vertellen van het gebeurde. We zullen er wel wat op vinden om de couranten officieel een of ander verhaal te doen. Haar Koninklijke Hoogheid mag niet de heldin van een roman worden. Het zou anders een kapitaal sensatie-verhaal voor de pers zijn. Je moogt dus niets, absoluut niets ooit reppen van hoe je de prinses hebt gevonden. Begrepen? Het is Haar Koninklijke Wil.”Paulus knikte van ja en beloofde. Maar hij begréép het niet. Waarom mocht niet iedereen het weten, hoe hij de prinses had gevonden? Zou het volk niet blij zijn, dat zij veilig behouden was? En waarom moest het nu misleid worden door eene voorstelling,[82]die niet waar was? Neen, hij begreep het absoluut niet. Maar het was Haar Koninklijke Wil, had Marcelio gezegd. Dus zou hij zwijgen.Hij keek door het raampje naar de nieuwe wereld, waarin hij nu kwam. En hij was verrast. Niets meer van groote klompen steenen en massieve gevaarten. Wijde landen met wuivend graan gleden vierkantend weg in de snelheid van den trein. Rijen mooie boompjes bewogen zachtjes in de verte. Hier en daar, rustig, een landelijk huisje, met rood pannen dak. De hemel een wijde blauwe ruimte met blinkend witte wolken. Alles rustig en tevreden, alleen als weg-deinzend door de vliegende vaart van de trein.Marcelio zag zijne verrassing, en zeide:„Ja, het zijn niet allemaal steden, hier in Leliënland, dát moet je nu niet denken. Dít is nu het land. Zonder het land zouden de steden niet kunnen bestaan. Want van het land, dáár moet alles vandaan komen om de steden te voeden. Het graan, de tarwe, de runderen, de melk, de boter, de groenten, dat komt allemaal van het land. Je begrijpt hoeveel land en hoeveel boeren er noodig zijn om iederen dag zoo’n stad van twee millioen menschen aan eten te helpen. Met groote, vliegende treinen wordt dat zelfs van verre landen in Leliënstad aangevoerd.”De avond begon te vallen.Een dunne, ijle mist was opgedroomd boven de landen, die er zachtjes in verwaasden. Huisjes en[83]boomen vervaagden, en stonden als onzekere, weifelende vormen in het grijze. Hier en daar somtijds, moeilijk, een lichtje.En de trein daverde, daverde voort, een paar uur.Paulus was ingesoesd, moê van al het ongewone, toen een schel, hoog gefluit hem wakker maakte. Het deed hem pijn, dat felle ineens, zoo onverwacht.„Leliënstad!” zeide Marcelio, „eindelijk! We komen nu bij de voorsteden.”Paulus keek uit het portiervenster.En door den vagen mist, wijd-uit, zagen duizenden lichtjes, mat en flauw door den nevel pinkend, hem aan. Het was als een groot, vervaarlijk monster, met duizenden oogen loerend.Een onbestemde angst legde zich over zijn hart. Hij tuurde, angstig, en tuurde.Nu zag hij groote, donkere vormen zich oprichtenuithet vage. Met dreigende, donkere schaduwen stonden zij in den schemer.„Huizen,” wist hij, „dit moeten huizen zijn, naast elkaar, in een straat.”Het waren doode, gevoellooze dingen. Niet als de boomen van zijn bosch, die leefden, en vertrouwd waren aan zijn ziel. Maar dit waren duistere, koude gevaartes van steen, onbewogen, massief, van roerlooze hardheid. Het leken hooge, zwarte graven, opgerezen in de lucht.Marcelio zag zijn schrik.[84]„Wat donker hier, hè, die hooge huizen, bijna zonder licht. Maar je bent hier in de buitenwijken. Dit zijn de arme buurten. Maar straks wordt het wel beter.”De trein reed nu op een viaduct. En overal zag Paulus vreemde, gebogen monsterdingen, als armen met sombere gebaren uitgestoken in de lucht. Het was of ze dreigden, en er was iets siniesters in datuitgestrektevan kromme, zwarte pijpen, uit die donkere huizen gestoken. Zoo ver hij zien kon waren er nu overal van die zwarte vuile steenen huizenklompen, met die kromme armen wanhopig grijpend omhoog.„Schoorsteenen,” zeide Marcelio, glimlachend.Hij lachte over Paulus’ verwondering.En hij wist niet, hoe bang het was in dat jonge hart naast hem. Die zware, donkere gevaarten wierpen bange schaduwen in Paulus’ aan licht en zonneschijn en wuivend groen gewende ziel. Konden hier menschen wonen? Waren er heusch levende wezens in die genadelooze, steenen graven?Hier en daar was al een eenzaam petroleumlichtje op, in een nauw, vunzig hol. Door armoedige, gebroken ruiten, spookachtig voorbij door de vaart van den trein, zag Paulus dan éven vreemde gezichten van havelooze menschen, stukken vuil goed aan touwen, onoogelijke, donkere dingen. Het leek hem een booze droom.Langzamerhand werd het beter. Hier en daar,[85]perspectief, inééns een lang, nauw ópen, met véél lichtjes, en benéden honderden zwarte stipjes: een straat, die wègdeinsde. Nu werd het al lichter en lichter. Breede pleinen gingen open, met groote bollen wit licht in ’t midden, licht, dat hij nog nooit gezien had, bleek als van de maan. De huizen hadden hier vensters, blinkend van licht. Beneden kon hij drommen menschen zien loopen, duidelijk, of het dag was. Zij liepen allen haastig, alsof zij iets zochten. Hij zag nu ook wagens en rijtuigen met paarden. En ineens, met sterren licht pinkend er boven, een groote wagen met glazen wanden, van zelf vooruit ijlend in vliegende vaart. Binnen een rij zwarte menschen, dicht tegen elkaar. Alles warrelde en wemelde dooreen. Het was onrustig, of een vaag gevaar door die pleinen en straten waarde, waar al die menschen angstig voor vluchtten.De trein daverde en daverde altijd maar door, boven al dat gedwarrel uit, en Paulus verwonderde zich, dat de menschen beneden niet staan bleven en angstig opkeken, of het stoomende gevaarte niet op hen zou vallen.De nevel, die uit de landen buiten was opgestegen, hing nu niet meer over de steenen straten. Daar was nu alles helder licht. En Paulus vond het vreemd dat de menschen hier in de stad den nacht met dat kunstlicht hadden verjaagd, den nacht, die hem altijd zoo vertrouwd was geweest in het bosch, vol mooi[86]geheim. Zouden de menschen dan bang zijn voor den nacht? Waarom waren ze nog niet te ruste gegaan, of wat stil in hun kamer? Wat dreef hen dan toch allen zoo voort?.…De stad scheen eindeloos. Want de trein daverde altijd maar door, in vliegende vaart, telkens deinsden nieuwe straten en pleinen voorbij, en overal liepen nieuwe drommen menschen, wriemelend klein en zwart daar beneden, nietig tegen het hooge van de huizen, waarlangs ze gingen.Opeens zag hij in de verte, hoog in de lucht opgerezen, een wonderen, vreemden bouw. Het was vaag en onzeker door den afstand, maar het leek hem fijn en gevoelig als boomen van het bosch. Teêre, luchtige vormen, ijl cantille-werk als van bladeren, met twee ranke torens in de lucht. Er was iets heiligs aan van gewijd leven. Innig, een levende schepping, fijn als bladeren van verre boomen, rees het zachtkens op in de donkere lucht, hoog boven de doode, starre huizingen.Vragend zag hij Marcelio aan, en wees met de hand naar het wonder.„De Cathedraal,” zeide Marcelio. „Hier worden de bladeren bewaard van de heilige Water-lelie, waaruit het koninklijk geslacht van prinses Leliane werd geboren.”De trein daverde altijd door.…En nu zag Paulus, hoog boven de stad, evenals[87]de cathedraal, op een heuvel, een wit paleis. Honderden witte ballons, gloeiend van zilver maanlicht bloeiden daar heilig blank op in het duister van den avond, en het paleis was er duidelijk door te zien, van eene verblindende, sneeuwen blankheid, met een transparanten, reinen glans, als van fijn porselein.Toen hoorde hij Marcelio eerbiedig zeggen, maar met toch nog iets van vagen spot in zijn stem:„Het paleis van Hare Koninklijke Hoogheid prinses Leliane.”En hij voelde eene blijde verlichting, dat het paleis zoo hoog boven de stad stond, in zoo’n heerlijke sfeer van lucht. Zóó behoorde Leliane ook te wezen, dacht hij, hoog en ver boven de menschen, in een eigen glorie van reinheid, zooals de sterren pralende zijn boven de aarde.Wèg was opeens het paleis, toen de trein een bocht om ijlde, altijd maar verder en verder, daverend en lawaaiend.Toen, eindelijk, verminderde zijn vaart, remmen knarsten, kettingen rammelden, en Paulus voelde de wagon om hem schudden en beven, tot hij eindelijk met een schok stilstond.Weêr een station als dien middag op de grens, maar veel grooter. Toen Paulus uit de wagen was gestapt en op het perron stond duizelde hij even. Want naast hem, vóór hem, overal daverden snuivende, stoomende locomotieven-monsters aan, dreigend lichtende[88]uit roode oogen. Zwarte menschen drongen en holden schreeuwend om hem heen, of ze hem kwaad wilden doen, als vijandig.Stijf hield hij Marcelio’s hand vast. Wagens rolden donderend over den houten vloer, locomotieven gilden snijdend, zware schellen klingelden. Tusschen een saamgestroomde bende van menschen, dicht tegen hen aangedrongen, voelde Paulus zich voort worden geloopen. Eerst trappen af, naar beneden, toen een donkere gang, en weer trappen af, steeds voortgestuwd door de menschen.En dán ineens buiten, op een groot plein, stralende van lichte maan-ballonnen, met ratelend rumoer van wagens, en schrijnend lawaai van stemmen. Mannen in lange jassen met gouden knoopen gilden namen uit, die hij niet begreep. Jongens met couranten schreeuwden klagelijk uit, als noodgeschrei. Alles dreunde en schetterde en gonsde om hem heen, pijnlijk, grof, vijandig. Stijf omklemde hij Marcelio’s hand.„De prinses.… de prinses.… waar is zij?.…” vroeg hij angstig, allereerst denkend om haar, in dat gevaar.„De prinses gaat heel stil naar het paleis,” antwoordde Marcelio geruststellend. „Zij is hier afgehaald door vertrouwde dienaren, die getelegrafeerd zijn. Om geen opzien te wekken gaat zij heel eenvoudig in een gewoon rijtuig naar het paleis.”„Wat willen hier al die menschen?” vroeg Paulus[89]nog. „Wat zoeken ze?.… waarom schreeuwen ze zoo?.…”Marcelio lachte.„Wat ze zoeken?.… Ja, als ze dát maar wisten, dan was alles in orde.… En waarom ze schreeuwen?.… Dat weten ze misschien zelf niet … Maar zoo is het altijd aan een station, mijn jongen, en overal op straat is het lawaai. Daar moet je aan wennen.”Hij wenkte een koetsier, en liet Paulus in een coupé stijgen.„Koninginnestraat,” hoorde Paulus hem zeggen.En voort! voelde hij zich rijden, het breede plein over, waar overal andere rijtuigen weg ratelden, haastig, als door angst en onrust gedreven.Hoe dat alles ijlde en draafde en heen-holde! Waar moesten die menschen dan allemaal heen? Wat dreef hen dan allemaal zoo vooruit in zoo zenuwachtige haast?Hij keek uit het portierraampje, sprakeloos, in altijd stijgende verbazing, zonder begrijpen. Dat leven, dat lawaai, dat gedreun, en gedaver, en geschreeuw! Al die menschen, rusteloos voorbijdravend, elkaar verdringend, waar gingen ze dan toch heen, wat zochten ze dan toch? En die groote, hooge, steenen huizen, wat waren ze koud en hoe strak keken ze hem aan! Doode, onbewegelijke dingen. De menschen leefden hier tusschen starre, steenen gevaarten, die hoog en koud om hen heen stonden, onbewogen.[90]En tusschen al dat doode en steenen gingen ze rusteloos voort, ál maar voort, bij duizenden en duizenden. Zoo bij tweeën of drieën schenen ze elkaar vertrouwd, praatten ze met elkaar. Maar de anderen leken zij niet te kennen. En allen gingen een eigen gang, haastig, of ze voor iets vluchtten, of iets hen voort-jaagde. Winkels met groote uitstalramen, blinkend van licht, praalden met allerlei schitterende dingen, veilig achter glas bewaard. Groote restaurants en cafés hadden tafeltjes op straat, waar menschen zaten te eten en te drinken, midden in de drukte van ’t voorbijloopend publiek. Krantenjongens schreeuwden met een monotoon, klagend geluid. Rechts en links gingen andere rijtuigen voorbij, en groote vrachtwagens met kisten, en omnibussen met zwarte menschen er boven, de koetsier op den hoogen bok, ingebakerd. Dat hoste en ratelde en lawaaide alles door elkaar. Hier en daar, op den hoogsten nokrand der kolossale huizen, vlammende annonces in electrisch licht, die ineens uitdoofden en dan plotseling weer opschenen. Paulus’ oogen traanden van ’t zien in al dat scherpe licht, en zijn hoofd begon te duizelen van ’t rumoer. Het was hem of hij er straks nog onder zou bezwijken.Somtijds hield het rijtuig opeens stil. Dan kon het niet verder, omdat de straat versperd was, zeide Marcelio. Een groote, dikke kop van een omnibus-paard was ééns vlak bij ’t portierraam, dreigende het te breken. Links en rechts knellend geklap van zweepen,[91]geschreeuw en gevloek van koetsiers. Tot het rijtuig eindlijk, langzaam weerdoorreed.Nu en dan zag Paulus een lange zijstraat opengaan, en weêr hetzelfde: files van rijtuigen in ’t midden, gewemel van lichten door elkaar, zwarte rijen menschen op de trottoirs, geschitter van vlammen-annonces in de lucht. Hij begreep niet, hoe alles elkaar op ’t laatst niet vertrapte, tegen elkaar inreed, elkaar verpletterde in uiterste verwarring.Zóó ging het een half uur door, langzaam, langzaam door propvolle straten. Het was nog erger dan in den trein. Hij zag somtijds alles voor zich draaien, in warrelenden dans. De wagens ratelden nu in zijn hoofd, dat pijnlijk aanvoelde, met felle steken. Een angstige beklemming drukte op zijn borst, en hij haalde moeilijk adem. Het leek hem, of alles straks inééns zwaar over hem heen zou gaan, waar hij hulpeloos neér zou vallen, en verpletterd worden door al dat zware, genadelooze, groote.Hij voelde moede loomheid zijn oogleden drukken, en wilde het liefste maar de oogen sluiten om niets meer te zien, en zich voor al dat leven te verschuilen in den slaap. En werkelijk sliep hij een oogenblik in, met het hoofd achterover in het gecapitonneerde kussen geleund.Een groot licht zengde zijn oogen opeens pijnlijk weer open. Hij schrikte op.Rechts en links van het portiervenster, waar het[92]rijtuig geruischloos over houten straatvloer gleed, straalden helle ballonnen schitterend wit licht hem tegen. Alles fonkelde en tintelde in het rond, en het leek hem, of het bliksemlicht van den hemel hier overal getemd lag te gloeien.Achter glinsterende spiegelruiten lagen kostbare luxe-dingen weelderig te pralen. In de groote juwelierswinkels lagen diamanten en brillanten als kleine sterren te lumineeren. De winkels waren hier paleizen, ruischende van licht, en de straat was er lichter van dan overdag. Het leek iets uit de sprookjes van 1001 Nacht, die grootvader hem eens had gegeven.„De Koninginnestraat,” zeide graaf Marcelio. „Dit is de rijkste winkelstraat van de wereld. Hier heb ik mijn appartementen, boven een juwelier. En vannacht moet je maar zoolang bij mij logeeren.”Het rijtuig hield stil.Paulus bleef stevig de hand van Marcelio vasthouden toen zij op het trottoir vóór een grooten juwelierswinkel stonden.Al die menschen ineens om hem heen! Vreemd, onverschillig, bijna vijandig.Ze liepen maar áldoor iets te zoeken, of vluchtten misschien wel voor iets. Een groote onrust, als van gevaar, joeg door de groote straat heen.Marcelio nam hem mee, een lange gang in, ging twee trappen met hem op, en deed de deur van een kamer open, die nog geheel donker was. Toen[93]hij even op een knop drukte bij de deur, bloeiden opeens in ’t midden van de kamer bloemen op van licht en kleur. Ook aan de wanden waren er enkelen opgeschenen.Marcelio zag hoe Paulus verwonderd opkeek.„Dit is nu electrisch licht,” zeide hij lachend. „Hetzelfde licht dat in den bliksem flitst. Dat hebben we gevangen en getemd, en hier gloeit het nu in mijn kleurige bloemen-ballonnetjes, heel onschadelijk. Dat is nu de beschaving, weet je.”Paulus kon er eerst niet goed in kijken. Zijn oogen traanden er van. En hij vond het leelijk. Hij voelde dat het valsch was, nagemaakt. Het licht van den bliksem was toch véél mooier.Toen hij er wat aan gewend was, begon hij de groote kamer pas te zien. Er stonden dingen van weelde in, die hij nog niet kende. Kostbare perzische tapijten, chineesche en japansche lappen aan den muur, porseleinen vazen, kasten van fijn lakwerk, beelden van porselein en ivoor. Het was weêr als in een sprookje.Marcelio was een man van echten, fijnen smaak, en al de dingen in zijn kamer waren in volledige harmonie, van nobele vormen en kleuren. Hij was gewoon te leven in eene voortdurende streeling van exquize kunst-weelde.En toch, ondanks zijn groote verbazing, en de overweldiging van al dat uitgezochte schoon, voelde[94]Paulus intuïtief, dat het rustige, sobere wouden-mooi echter was, dat zijn heel gewone kamertje thuis met het uitzicht op de groote, eenvoudige boomen buiten hem altijd liever zou blijven.Maar hij was te moe om er lang over te denken. Hij voelde het nog altijd warrelen en duizelen in zijn hoofd, en moest zich goed houden om niet neer te vallen.Marcelio zag hem wankelen, en begreep dadelijk, dat hij nu vóór alles rust behoefde. Vriendelijk zeide hij, hem bij een hand nemend:„Arme kerel, je moet wel moê zijn.… al die emoties ineens, na die eenzaamheid van je.… en dan die lange tocht van vanochtend vroeg af, en die trein.… ik zal je even naar je slaapkamer brengen.… dan ga je maar dadelijk in bed liggen, zonder om iets te denken, hoor. Je doet je oogen maar toe, en denkt dat je thuis bent, dan slaap je vanzelf wel in.… Ik zal je morgen ochtend wel wakker komen maken, dan is het tijd genoeg om te praten.…”Paulus liet zich gewillig leiden, een gang door, naar een kleinere kamer achter.Hij hield zich nog goed, maar zag alles om zich draaien en duizelen.Toen voelde hij nog hoe Marcelio hem met een arm ondersteunde, en hem hielp bij ’t uitkleeden. Hij hoorde nog wat vriendelijke, bemoedigende woorden, en kreeg opeens de sensatie van rust, van heerlijk[95]lekker uitgestrekt liggen op een veilig, zacht bed.Toen verzonk alles in vergetelheid, en voor de eerste maal in zijn leven sliep Paulus in de groote stad van weelde en ellende, die Leliënstad heet, nog onbewust van het leven der millioenen, dat nu woelde als een wilde zee om zijn eigen, eenzaam bestaan.[96]

HOOFDSTUK VI.

Door de houthakkers geleid liepen zij nu nog twee uren langs een goed gebaanden weg door het gebergte.—Paulus hield met sterken greep het wilde bergpaardje bij den teugel, dat Leliane, gewend aan goed gedresseerde raspaarden, niet kon besturen. Zijn licht geschoeide voeten, gewend aan zacht zand en mos, deden pijn op het harde, steenige pad vol scherpe punten, maar hij had zóó wel uren willen voortloopen, als Leliane maar bij hem bleef.Aldoor dacht hij, angstig:„Nu zal het uit zijn … nu komt het einde … als wij bij de menschen komen mag ik niet bij haar blijven.”Eindelijk kwamen zij aan de grens van de bergen, waar de weg afdwaalde naar een groote, verre vlakte. Hij had, gewend aan boomen overal om hem heen, nog nooit zoo’n wijde vlakte gezien, eindeloos uit, zonder belemmering, met horizonnen wijd en ver. En toen zijne oogen gewend waren aan het ruime[71]perspectief zag hij het eerst kleurige stippen, dolende hier en daar. Hij wees er naar met de vingers. Toen zagen de houthakkers het ook. Zij legden de vingers in den mond, en lieten een scherp, doordringend gefluit hooren, door de bergen wijd en zijd weerkaatst.De prinses had zich hoog in den zadel opgericht, en keek, de hand voor de oogen in groote spanning uit.De stippen kwamen al nader en nader naarmate zij daalden, al sneller en sneller … er schitterde hier en daar al iets van zilver en goud … en nu werden zij rood tegen het witte van den grond … al nader en nader kwamen zij …Totdat de prinses het blijde uitriep, de handen wenkend bewegend:„Mijn huzaren!… mijn huzaren!…”De stippen werden zwarte paarden, waarop roode mannen waren gezeten. Zilver en goud van sjabrakken en passementen schitterden in de zon, en stalen wapenen blonken. Één ruiter hief een donderend „hoera!” aan en rende opeens van al de andere hollendecavaleristenweg, de sabel omhoog, flikkerend in de zon. Het was of zijn paard, zonder zwaarte, voort-vloog door de ruimte.„Dat kan alleen Marcelio zijn,” riep de prinses Leliane verheugd uit. „Het is graaf Marcelio!”[72]Een paar minuten later zag Paulus een jongen, donkeruitzienden man op een met wit schuim bedekt gitzwart paard uit vollen galop op eens onbewegelijk stil houden voor de prinses. Hij hield de rechterhand met uitgestrekte vingers aan den kolbak, zwijgend tot de prinses hem aansprak.„Hier zijn wij, graaf Marcelio … veilig en ongedeerd, dank zij dit jonge mensch hier, dat ons geholpen heeft…Wij zijn verdwaald geweest op de jacht, de witte ree, ge weet wel, wij wenschen deze vreemde geschiedenis zoo geheim mogelijk te houden, en ophef te vermijden … er zal niet zoo heel ver van hier wel een station zijn … wij hebben ons rijkleed aan en kunnen tot zoo ver rijden … laat de huzaren ons maar op een afstand volgen, en beloon deze goede mannen met wat geld … dit jonge mensch hier beveel ik aan uwe speciale zorgen aan, ik zal u later wel mijne nadere beschikking omtrent hem geven … en dit alles voorál zonder ophef, hebt gij mij begrepen, graaf Marcelio?”Paulus was verbaasd over de hooge waardigheid van waaruit deze woorden bevelend werden gesproken. Was dit het Meisje, dat Willebrordus „kind” had genoemd, en dat klagelijk en hulpeloos in het mos had gelegen bij de water-lelies, steunend van pijn? Wat was er dan opeens in haar gekomen, dat zij nu zoo gebiedend sprak, en de sterke, groote jonge man vóór haar, eerbiedig het hoofd boog, de hand[73]nog steeds eerbiedig ten groetenis geheven? Wat was er in haar, dat nu opeens de aangekomen ruiters als standbeelden voor haar stilstonden, de stalen wapenen onbewegelijk voor de borst houdend, in reverent gebaar?En een vage vrees beving hem voor dat geheimzinnig vreemde in haar, dat een sfeer van eerbied en ontzag om haar heen deed gaan, waarin de handen der menschen ten groetenis werden bewogen.Hij voelde zich of hij droomde, en was niet meer zeker van wat hij de laatste dagen beleefd had.Was het dan wáár, of was het gedroomd, dat hij tot dat wondere wezen had durven spreken, waar die groote, van goud en zilver schitterende officier van eerbied voor was blijven zwijgen, deemoediglijk wachtend op een bevel van hare lippen? Had hij werkelijk als een vriend aan haar bed gezeten, had zij vertrouwelijk en steunend op zijn arm geleund, als een gewoon kind, die nu in die fiere, gebiedende houding heerschend tegenover die sterke, met moordtuig gewapende mannen stond? Was er dan iets bovenmenschelijks aan haar, iets misschien van God zelf, dat Willebrordus niet aan haar gezien had, en had hij dan misschien haar hooge majesteit geschonden, door tot haar te durven spreken als een gewoon menschenkind?Angstig, van stomme ontzetting vervuld, keek hij om zich heen. Hij voelde, hoe de jonge officier, die graaf Marcelio heette, hem aanzag. Twee donkere,[74]vreemde menschen-oogen opeens in de eenzaamheid van zijn ziel. Maar ze waren niet vijandig. Hij raadde ze intuïtief als iets vriendelijks, dat hem wilde bemoedigen.Dit was dus een van de menschen uit de groote stad, waar Willebrordus voor was gevlucht. Het blinkende staal, dat hij in de hand hield, was een sabel. Dat wist Paulus van de platen in zijn boeken. En al die andere mannen op die zwarte paarden hadden sabels in de hand. Toch waren ze mooi. Gekleed in heldere kleuren, met roode figuren, en geflikker van metaal. En mooi was hun rechte, flinke zitten in het zadel. Dit waren nu de soldaten van prinses Leliane, en zoo waren er nog duizenden en duizenden, die gehoorzaamden aan haar bevel. Duizenden en duizenden groote, sterke mannen, en op één wenk van haar teedere, blanke hand zouden zij voor haar voort-stormen in den dood. Dat wist hij uit de boeken.Zij leek hem nu opeens onbereikbaar ver, verder dan de sterren, die hij gezien had in de stilte van den nacht. Hoe klein en nietig moest hij voor haar zijn! Hoe’n onbeduidend, armzalig wezentje moest hij haar lijken! En hoe nutteloos was al zijn spreken tot haar geweest, die zoo oneindig ver van hem was gebleven, al had zij vlak voor hem gestaan! Zijn denken werd in raadselen verward. Vèr was ze nu, onbereikbaar ver. Maar toch lag haar beeld van slapende maagd, in reine rust, zacht in zijn eigen ziel. En dat[75]beeld, zoo veilig en vertrouwd, het leek nu van heel ander wezen dan die jonge vorstin daar op het zwarte paard, die hem opeens bijna vreemd was. De arme Paulus begreep niet meer wat in hem gebeurde, en hij voelde het duizelen in zijn hoofd. Niet voor die vreemde vorstin daar had hij zijn grootvader en het mooie bosch verlaten. Zij leek nu een vreemde, een geheel andere, die eigenlijk niet dezelfde kon zijn, die hij in vredigen slaap had zien rusten onder de groene boomen. En tóch moest zij het zijn.…Moê en angstig liet hij zich nu gewillig leiden. Graaf Marcelio hielp hem op een mak huzarenpaard, en wees hem hoe hij de teugels moest houden. Het beest liep vanzelf achter dat van Marcelio aan.Na een langen tijd rijden kwamen nog meer ruiters hun te gemoet. Er was een heel oud man bij, met langen, grijzen baard, in een van goud schitterende uniform die óók eerbiedig, diep neigend voor de koningin stilhield.Met dezen ouden man reed opeens prinses Leliane in vollen galop vooruit, de andere ruiters achterlatend.Paulus hitste zijn paard aan, en wilde haar volgen, maar graaf Marcelio hield hem tegen.„Hare Koninklijke Hoogheid wenscht onopgemerkt, alleen in den trein te gaan,” zeide hij. „Wij moeten achterblijven, en je bent aan mijn hoede toevertrouwd. Haar Koninklijke Hoogheid wil dat je bij mij blijft. Daar in de verte zie je al een paar huizen, en de[76]groote kap van het station.Kijk.… dáár.… Daar moeten we heen. De huzaren gaan nu al terug.… Maar wij moeten daar samen in den trein, die ook hare Hoogheid naar Leliënstad zal brengen. Alleen mijn oppasser volgt ons nu.”Paulus zag in de verte de roode daken van huizen, vriendelijk en blij. Déze woningen van menschen leken niet benauwd, zooals grootvader verteld had. Het dorpje lag omgeven van dichte bosschen, en het leek hem wel heerlijk daar te wandelen. Maar links, iets verder, zag hij groote, zwarte gebouwen, somber-leelijk, met grove vormen in de lucht, dreigend.„Dáár is het station,” zeide Marcelio. „Als die bosschen er niet waren zou je treinen kunnen zien.”Toen zij bij het dorp waren gekomen—een kleine plaats met lage, eenvoudige huizen—stapte graaf Marcelio af, en hielp ook Paulus van het paard. Toen nam hij hem bij de hand, en ging met hem een groot, monsterachtig gebouw binnen, waar een donderend leven lawaaide. Gegil, gefluit, gedaver, rollend geratel. Paulus wist niet wat hij hoorde, en angstig voelde hij zijn hart kloppen.Heel stil, heel klein liep hij naast graaf Marcelio, bang om van hem te verdwalen, en alleen te zijn onder al die vreemde, onvertrouwde menschen. O! Het benauwde van dat zwarte, donkere dak boven zijn hoofd! Waar was de Hemel?—En die duistere, nauwe doozen op rollen, waar hij straks in zou[77]moeten! En die groote, gillende monsters, sissend en stoomend van kwaadaardigheid, met vlammend vuur in hun lijven! Ja, hij wistwel wat het was, van platen en uit boeken, het was een station, met treinen en locomotieven, maar tóch sloeg het hem met een vage ontzetting, het gedaver en het lawaai. Een groote onrust huiverde overal om hem heen, en het was of al de menschen hier een vreeselijk verdriet hadden of angstig waren voor iets, dat ze allen weg wilden met die vervaarlijke monsters, die als opgerezen schenen uit een onderwereld van helsche verschrikking. Het gesteun en gebriesch van de locomotieven deed zijn hart bang kloppen van schrik, alsof ze hem kwaad wilden, en er iets verschrikkelijks hem wachtte.„Het is hier wat druk,” zeide Marcelio vriendelijk. „Een grensstation met douanen moet je denken. Alles moet hier uitstappen. Een beetje vreemd voor je, natuurlijk. Maar daar wen je wel aan. Ha! daar is onze trein.”Paulus stoof verschrikt achteruit.Donderend-lawaaiend daverde een sneltrein aan, wolken blinkenden stoom voor zich uitstootend. Een wind van lucht stroomde langs zijn ooren, en heel de grond trilde. Bellen klingelden, fluitjes trillerden, mannen schreeuwden. Brieschend stond de locomotief stil.Uit de donkere wagens kwamen menschen, haastig,[78]als op de vlucht voor iets, ijlden weg, als bang. Anderen stormden er in, zenuwachtig, als vliedend voor een gevaar.Wat was er dan toch, dat al die menschen zoo voortdreef? Paulus voelde een vreemde benauwing bij al dat haastige, gejaagde om hem heen. Het was of een verschrikkelijk noodlot al die menschen dreigde, dat ze zoo hals over kop vluchtten onder het gebel en gesis en gestoom alom.Maar reeds had Marcelio hem bij den arm gegrepen, en met zich voortgeduwd. En vóór hij goed tot besef was gekomen wat er gebeurde, zat hij op zeer zachte, rood fluweelen kussens in een nauw, laag kamertje.„Dit is nu een eerste klasse-wagen,” zeide Marcelio. „Behoorlijk zacht, hè, maar een beetje nauw. Het is een vóór-coupétje voor twee plaatsen maar. Juist geschikt voor de gelegenheid.”„Klets!” ging het portier dicht, dat Paulus met een schok opsprong.Door het raampje zag hij de menschen op het perron haast je rep je! door elkaar woelen. Het was als zochten ze allen iets angstig. Wat zochten ze?Vragend zag hij Marcelio aan. De jonge officier lachte, en had schik in zijne verwondering.„Al die menschen.… wat doen ze?…” vroeg hij. „Wat zoeken ze toch?.… of vluchten ze.… zijn ze bang?”„—Wel neen, mijn beste jongen.… die menschen[79]hebben haast.… aan een station heeft iedereen haast.… meestal lui van zaken.… dat leer je later wel.… tijd is geld, moet je weten.… dat leer je óók wel.… wat een drukte hé.… en eigenlijk allemaal voor niets.… zóó haasten ze zich jachtend hun leven door tot ze dood zijn, en dan is ’t uit.… allemaal voor niets geweest.…”Paulus voelde opeens een vage pijn. Er was iets in graaf Marcelio’s stem, dat schrijnde. Zoo heel anders dan het rustige, gedragen geluid van Willebrordus.Hij zag hem eens goed, aandachtig aan.Een mooi, fijnbesneden gezicht. Schitterende, zwarte oogen. Een zwarte, zachte snor, met spitse punten. Gezonde, roode wangen. Het donkere, glanzende haar gekruld. Een slanke, rijzige gestalte in de nauwsluitende uniform. Zijn blik was vriendelijk en beschermend. Maar met iets lichtelijk spottends, iets vreemds, dat misschien wel droefheid was, en dat Paulus onrustig maakte en aan het vriendelijke tegelijk iets schrijnends gaf.Opeens een hoog gegil.… een stoot.… en Paulus voelde zijn wagon bewegen, eerst langzaam, dan sneller, sneller en sneller … alles langs het raampje ijlde weg, menschen en dingen … hij voelde zich vooruit vliegen in de ruimte.…En hij riep, angstig:„De prinses!.… waar is de prinses?.…”[80]Marcelio stelde hem gerust.„Haar Koninklijke Hoogheid zit veilig in een salonwagen.… zij rust nu op een goed bed van de vermoeienissen uit. Haar wagen is vlak achter de onze, en als zij op een knopje drukt gaat hier een schelletje af en kan ik door dit deurtje in de koninklijke appartementen komen. Wij gaan nu rechtdoor naar Leliënstad, waar wij tegen den avond aankomen. Er is behoorlijk getelegrafeerd, en men zal Haar Koninklijke Hoogheid aan het station ontvangen. Maar vertel me nu eens goed, wat er toch met Haar Koninklijke Hoogheid gebeurd is. Wij hebben haar verloren op de jacht, daar bij de blauwe bergen. Wij jaagden een witte ree, die alleen met een pijl mag worden gewond, en in de opwinding van de jacht was Haar Koninklijke Hoogheid ineens verdwenen.”Toen vertelde Paulus, eenvoudig, zonder iets achter te houden, hoe hij de prinses had gevonden. Hij had nog niet geleerd zijn gevoel te verbergen, en zeide alles zooals het hem opwelde uit zijn jong, geest-driftig hart. Zijne oogen schitterden daarbij, zijne wangen gloeiden, toen hij het uitzegde, hoe de schoonheid van de prinses zijne ziel had beroerd.Met welgevallen zag Marcelio hem daarbij aan. Wat een vreemde, aardige jongen! Zóó waren er niet meer op dien leeftijd in Leliënstad. Zeventien jaar kon hij wezen, misschien achttien. En wat een[81]naïeveteit nog om zóó je gevoelens aan den eerste den beste te vertellen!„Maar je bent een dichter, Paulus!” zeide hij vriendelijk. „Waarachtig, een dichter! We kunnen misschien nog plezier van je beleven! Heb je wel eens verzen gemaakt?”„Ja,” zeide Paulus, eenvoudig.„Wat een trouvaille! Een jonge dichter, zóó maar uit de eenzaamheid van een bosch! Wat zouden Wederich en Lavelane wel zeggen! Dat wordt een evenement! Een dagteekening! Maar nu iets anders. Haar Koninklijke Hoogheid wenscht, dat het gebeurde strikt geheim blijve. De bladen hadden al bevel gekregen om niets van het verdwijnen der koningin te reppen. Je moogt niemand, wien ook, iets vertellen van het gebeurde. We zullen er wel wat op vinden om de couranten officieel een of ander verhaal te doen. Haar Koninklijke Hoogheid mag niet de heldin van een roman worden. Het zou anders een kapitaal sensatie-verhaal voor de pers zijn. Je moogt dus niets, absoluut niets ooit reppen van hoe je de prinses hebt gevonden. Begrepen? Het is Haar Koninklijke Wil.”Paulus knikte van ja en beloofde. Maar hij begréép het niet. Waarom mocht niet iedereen het weten, hoe hij de prinses had gevonden? Zou het volk niet blij zijn, dat zij veilig behouden was? En waarom moest het nu misleid worden door eene voorstelling,[82]die niet waar was? Neen, hij begreep het absoluut niet. Maar het was Haar Koninklijke Wil, had Marcelio gezegd. Dus zou hij zwijgen.Hij keek door het raampje naar de nieuwe wereld, waarin hij nu kwam. En hij was verrast. Niets meer van groote klompen steenen en massieve gevaarten. Wijde landen met wuivend graan gleden vierkantend weg in de snelheid van den trein. Rijen mooie boompjes bewogen zachtjes in de verte. Hier en daar, rustig, een landelijk huisje, met rood pannen dak. De hemel een wijde blauwe ruimte met blinkend witte wolken. Alles rustig en tevreden, alleen als weg-deinzend door de vliegende vaart van de trein.Marcelio zag zijne verrassing, en zeide:„Ja, het zijn niet allemaal steden, hier in Leliënland, dát moet je nu niet denken. Dít is nu het land. Zonder het land zouden de steden niet kunnen bestaan. Want van het land, dáár moet alles vandaan komen om de steden te voeden. Het graan, de tarwe, de runderen, de melk, de boter, de groenten, dat komt allemaal van het land. Je begrijpt hoeveel land en hoeveel boeren er noodig zijn om iederen dag zoo’n stad van twee millioen menschen aan eten te helpen. Met groote, vliegende treinen wordt dat zelfs van verre landen in Leliënstad aangevoerd.”De avond begon te vallen.Een dunne, ijle mist was opgedroomd boven de landen, die er zachtjes in verwaasden. Huisjes en[83]boomen vervaagden, en stonden als onzekere, weifelende vormen in het grijze. Hier en daar somtijds, moeilijk, een lichtje.En de trein daverde, daverde voort, een paar uur.Paulus was ingesoesd, moê van al het ongewone, toen een schel, hoog gefluit hem wakker maakte. Het deed hem pijn, dat felle ineens, zoo onverwacht.„Leliënstad!” zeide Marcelio, „eindelijk! We komen nu bij de voorsteden.”Paulus keek uit het portiervenster.En door den vagen mist, wijd-uit, zagen duizenden lichtjes, mat en flauw door den nevel pinkend, hem aan. Het was als een groot, vervaarlijk monster, met duizenden oogen loerend.Een onbestemde angst legde zich over zijn hart. Hij tuurde, angstig, en tuurde.Nu zag hij groote, donkere vormen zich oprichtenuithet vage. Met dreigende, donkere schaduwen stonden zij in den schemer.„Huizen,” wist hij, „dit moeten huizen zijn, naast elkaar, in een straat.”Het waren doode, gevoellooze dingen. Niet als de boomen van zijn bosch, die leefden, en vertrouwd waren aan zijn ziel. Maar dit waren duistere, koude gevaartes van steen, onbewogen, massief, van roerlooze hardheid. Het leken hooge, zwarte graven, opgerezen in de lucht.Marcelio zag zijn schrik.[84]„Wat donker hier, hè, die hooge huizen, bijna zonder licht. Maar je bent hier in de buitenwijken. Dit zijn de arme buurten. Maar straks wordt het wel beter.”De trein reed nu op een viaduct. En overal zag Paulus vreemde, gebogen monsterdingen, als armen met sombere gebaren uitgestoken in de lucht. Het was of ze dreigden, en er was iets siniesters in datuitgestrektevan kromme, zwarte pijpen, uit die donkere huizen gestoken. Zoo ver hij zien kon waren er nu overal van die zwarte vuile steenen huizenklompen, met die kromme armen wanhopig grijpend omhoog.„Schoorsteenen,” zeide Marcelio, glimlachend.Hij lachte over Paulus’ verwondering.En hij wist niet, hoe bang het was in dat jonge hart naast hem. Die zware, donkere gevaarten wierpen bange schaduwen in Paulus’ aan licht en zonneschijn en wuivend groen gewende ziel. Konden hier menschen wonen? Waren er heusch levende wezens in die genadelooze, steenen graven?Hier en daar was al een eenzaam petroleumlichtje op, in een nauw, vunzig hol. Door armoedige, gebroken ruiten, spookachtig voorbij door de vaart van den trein, zag Paulus dan éven vreemde gezichten van havelooze menschen, stukken vuil goed aan touwen, onoogelijke, donkere dingen. Het leek hem een booze droom.Langzamerhand werd het beter. Hier en daar,[85]perspectief, inééns een lang, nauw ópen, met véél lichtjes, en benéden honderden zwarte stipjes: een straat, die wègdeinsde. Nu werd het al lichter en lichter. Breede pleinen gingen open, met groote bollen wit licht in ’t midden, licht, dat hij nog nooit gezien had, bleek als van de maan. De huizen hadden hier vensters, blinkend van licht. Beneden kon hij drommen menschen zien loopen, duidelijk, of het dag was. Zij liepen allen haastig, alsof zij iets zochten. Hij zag nu ook wagens en rijtuigen met paarden. En ineens, met sterren licht pinkend er boven, een groote wagen met glazen wanden, van zelf vooruit ijlend in vliegende vaart. Binnen een rij zwarte menschen, dicht tegen elkaar. Alles warrelde en wemelde dooreen. Het was onrustig, of een vaag gevaar door die pleinen en straten waarde, waar al die menschen angstig voor vluchtten.De trein daverde en daverde altijd maar door, boven al dat gedwarrel uit, en Paulus verwonderde zich, dat de menschen beneden niet staan bleven en angstig opkeken, of het stoomende gevaarte niet op hen zou vallen.De nevel, die uit de landen buiten was opgestegen, hing nu niet meer over de steenen straten. Daar was nu alles helder licht. En Paulus vond het vreemd dat de menschen hier in de stad den nacht met dat kunstlicht hadden verjaagd, den nacht, die hem altijd zoo vertrouwd was geweest in het bosch, vol mooi[86]geheim. Zouden de menschen dan bang zijn voor den nacht? Waarom waren ze nog niet te ruste gegaan, of wat stil in hun kamer? Wat dreef hen dan toch allen zoo voort?.…De stad scheen eindeloos. Want de trein daverde altijd maar door, in vliegende vaart, telkens deinsden nieuwe straten en pleinen voorbij, en overal liepen nieuwe drommen menschen, wriemelend klein en zwart daar beneden, nietig tegen het hooge van de huizen, waarlangs ze gingen.Opeens zag hij in de verte, hoog in de lucht opgerezen, een wonderen, vreemden bouw. Het was vaag en onzeker door den afstand, maar het leek hem fijn en gevoelig als boomen van het bosch. Teêre, luchtige vormen, ijl cantille-werk als van bladeren, met twee ranke torens in de lucht. Er was iets heiligs aan van gewijd leven. Innig, een levende schepping, fijn als bladeren van verre boomen, rees het zachtkens op in de donkere lucht, hoog boven de doode, starre huizingen.Vragend zag hij Marcelio aan, en wees met de hand naar het wonder.„De Cathedraal,” zeide Marcelio. „Hier worden de bladeren bewaard van de heilige Water-lelie, waaruit het koninklijk geslacht van prinses Leliane werd geboren.”De trein daverde altijd door.…En nu zag Paulus, hoog boven de stad, evenals[87]de cathedraal, op een heuvel, een wit paleis. Honderden witte ballons, gloeiend van zilver maanlicht bloeiden daar heilig blank op in het duister van den avond, en het paleis was er duidelijk door te zien, van eene verblindende, sneeuwen blankheid, met een transparanten, reinen glans, als van fijn porselein.Toen hoorde hij Marcelio eerbiedig zeggen, maar met toch nog iets van vagen spot in zijn stem:„Het paleis van Hare Koninklijke Hoogheid prinses Leliane.”En hij voelde eene blijde verlichting, dat het paleis zoo hoog boven de stad stond, in zoo’n heerlijke sfeer van lucht. Zóó behoorde Leliane ook te wezen, dacht hij, hoog en ver boven de menschen, in een eigen glorie van reinheid, zooals de sterren pralende zijn boven de aarde.Wèg was opeens het paleis, toen de trein een bocht om ijlde, altijd maar verder en verder, daverend en lawaaiend.Toen, eindelijk, verminderde zijn vaart, remmen knarsten, kettingen rammelden, en Paulus voelde de wagon om hem schudden en beven, tot hij eindelijk met een schok stilstond.Weêr een station als dien middag op de grens, maar veel grooter. Toen Paulus uit de wagen was gestapt en op het perron stond duizelde hij even. Want naast hem, vóór hem, overal daverden snuivende, stoomende locomotieven-monsters aan, dreigend lichtende[88]uit roode oogen. Zwarte menschen drongen en holden schreeuwend om hem heen, of ze hem kwaad wilden doen, als vijandig.Stijf hield hij Marcelio’s hand vast. Wagens rolden donderend over den houten vloer, locomotieven gilden snijdend, zware schellen klingelden. Tusschen een saamgestroomde bende van menschen, dicht tegen hen aangedrongen, voelde Paulus zich voort worden geloopen. Eerst trappen af, naar beneden, toen een donkere gang, en weer trappen af, steeds voortgestuwd door de menschen.En dán ineens buiten, op een groot plein, stralende van lichte maan-ballonnen, met ratelend rumoer van wagens, en schrijnend lawaai van stemmen. Mannen in lange jassen met gouden knoopen gilden namen uit, die hij niet begreep. Jongens met couranten schreeuwden klagelijk uit, als noodgeschrei. Alles dreunde en schetterde en gonsde om hem heen, pijnlijk, grof, vijandig. Stijf omklemde hij Marcelio’s hand.„De prinses.… de prinses.… waar is zij?.…” vroeg hij angstig, allereerst denkend om haar, in dat gevaar.„De prinses gaat heel stil naar het paleis,” antwoordde Marcelio geruststellend. „Zij is hier afgehaald door vertrouwde dienaren, die getelegrafeerd zijn. Om geen opzien te wekken gaat zij heel eenvoudig in een gewoon rijtuig naar het paleis.”„Wat willen hier al die menschen?” vroeg Paulus[89]nog. „Wat zoeken ze?.… waarom schreeuwen ze zoo?.…”Marcelio lachte.„Wat ze zoeken?.… Ja, als ze dát maar wisten, dan was alles in orde.… En waarom ze schreeuwen?.… Dat weten ze misschien zelf niet … Maar zoo is het altijd aan een station, mijn jongen, en overal op straat is het lawaai. Daar moet je aan wennen.”Hij wenkte een koetsier, en liet Paulus in een coupé stijgen.„Koninginnestraat,” hoorde Paulus hem zeggen.En voort! voelde hij zich rijden, het breede plein over, waar overal andere rijtuigen weg ratelden, haastig, als door angst en onrust gedreven.Hoe dat alles ijlde en draafde en heen-holde! Waar moesten die menschen dan allemaal heen? Wat dreef hen dan allemaal zoo vooruit in zoo zenuwachtige haast?Hij keek uit het portierraampje, sprakeloos, in altijd stijgende verbazing, zonder begrijpen. Dat leven, dat lawaai, dat gedreun, en gedaver, en geschreeuw! Al die menschen, rusteloos voorbijdravend, elkaar verdringend, waar gingen ze dan toch heen, wat zochten ze dan toch? En die groote, hooge, steenen huizen, wat waren ze koud en hoe strak keken ze hem aan! Doode, onbewegelijke dingen. De menschen leefden hier tusschen starre, steenen gevaarten, die hoog en koud om hen heen stonden, onbewogen.[90]En tusschen al dat doode en steenen gingen ze rusteloos voort, ál maar voort, bij duizenden en duizenden. Zoo bij tweeën of drieën schenen ze elkaar vertrouwd, praatten ze met elkaar. Maar de anderen leken zij niet te kennen. En allen gingen een eigen gang, haastig, of ze voor iets vluchtten, of iets hen voort-jaagde. Winkels met groote uitstalramen, blinkend van licht, praalden met allerlei schitterende dingen, veilig achter glas bewaard. Groote restaurants en cafés hadden tafeltjes op straat, waar menschen zaten te eten en te drinken, midden in de drukte van ’t voorbijloopend publiek. Krantenjongens schreeuwden met een monotoon, klagend geluid. Rechts en links gingen andere rijtuigen voorbij, en groote vrachtwagens met kisten, en omnibussen met zwarte menschen er boven, de koetsier op den hoogen bok, ingebakerd. Dat hoste en ratelde en lawaaide alles door elkaar. Hier en daar, op den hoogsten nokrand der kolossale huizen, vlammende annonces in electrisch licht, die ineens uitdoofden en dan plotseling weer opschenen. Paulus’ oogen traanden van ’t zien in al dat scherpe licht, en zijn hoofd begon te duizelen van ’t rumoer. Het was hem of hij er straks nog onder zou bezwijken.Somtijds hield het rijtuig opeens stil. Dan kon het niet verder, omdat de straat versperd was, zeide Marcelio. Een groote, dikke kop van een omnibus-paard was ééns vlak bij ’t portierraam, dreigende het te breken. Links en rechts knellend geklap van zweepen,[91]geschreeuw en gevloek van koetsiers. Tot het rijtuig eindlijk, langzaam weerdoorreed.Nu en dan zag Paulus een lange zijstraat opengaan, en weêr hetzelfde: files van rijtuigen in ’t midden, gewemel van lichten door elkaar, zwarte rijen menschen op de trottoirs, geschitter van vlammen-annonces in de lucht. Hij begreep niet, hoe alles elkaar op ’t laatst niet vertrapte, tegen elkaar inreed, elkaar verpletterde in uiterste verwarring.Zóó ging het een half uur door, langzaam, langzaam door propvolle straten. Het was nog erger dan in den trein. Hij zag somtijds alles voor zich draaien, in warrelenden dans. De wagens ratelden nu in zijn hoofd, dat pijnlijk aanvoelde, met felle steken. Een angstige beklemming drukte op zijn borst, en hij haalde moeilijk adem. Het leek hem, of alles straks inééns zwaar over hem heen zou gaan, waar hij hulpeloos neér zou vallen, en verpletterd worden door al dat zware, genadelooze, groote.Hij voelde moede loomheid zijn oogleden drukken, en wilde het liefste maar de oogen sluiten om niets meer te zien, en zich voor al dat leven te verschuilen in den slaap. En werkelijk sliep hij een oogenblik in, met het hoofd achterover in het gecapitonneerde kussen geleund.Een groot licht zengde zijn oogen opeens pijnlijk weer open. Hij schrikte op.Rechts en links van het portiervenster, waar het[92]rijtuig geruischloos over houten straatvloer gleed, straalden helle ballonnen schitterend wit licht hem tegen. Alles fonkelde en tintelde in het rond, en het leek hem, of het bliksemlicht van den hemel hier overal getemd lag te gloeien.Achter glinsterende spiegelruiten lagen kostbare luxe-dingen weelderig te pralen. In de groote juwelierswinkels lagen diamanten en brillanten als kleine sterren te lumineeren. De winkels waren hier paleizen, ruischende van licht, en de straat was er lichter van dan overdag. Het leek iets uit de sprookjes van 1001 Nacht, die grootvader hem eens had gegeven.„De Koninginnestraat,” zeide graaf Marcelio. „Dit is de rijkste winkelstraat van de wereld. Hier heb ik mijn appartementen, boven een juwelier. En vannacht moet je maar zoolang bij mij logeeren.”Het rijtuig hield stil.Paulus bleef stevig de hand van Marcelio vasthouden toen zij op het trottoir vóór een grooten juwelierswinkel stonden.Al die menschen ineens om hem heen! Vreemd, onverschillig, bijna vijandig.Ze liepen maar áldoor iets te zoeken, of vluchtten misschien wel voor iets. Een groote onrust, als van gevaar, joeg door de groote straat heen.Marcelio nam hem mee, een lange gang in, ging twee trappen met hem op, en deed de deur van een kamer open, die nog geheel donker was. Toen[93]hij even op een knop drukte bij de deur, bloeiden opeens in ’t midden van de kamer bloemen op van licht en kleur. Ook aan de wanden waren er enkelen opgeschenen.Marcelio zag hoe Paulus verwonderd opkeek.„Dit is nu electrisch licht,” zeide hij lachend. „Hetzelfde licht dat in den bliksem flitst. Dat hebben we gevangen en getemd, en hier gloeit het nu in mijn kleurige bloemen-ballonnetjes, heel onschadelijk. Dat is nu de beschaving, weet je.”Paulus kon er eerst niet goed in kijken. Zijn oogen traanden er van. En hij vond het leelijk. Hij voelde dat het valsch was, nagemaakt. Het licht van den bliksem was toch véél mooier.Toen hij er wat aan gewend was, begon hij de groote kamer pas te zien. Er stonden dingen van weelde in, die hij nog niet kende. Kostbare perzische tapijten, chineesche en japansche lappen aan den muur, porseleinen vazen, kasten van fijn lakwerk, beelden van porselein en ivoor. Het was weêr als in een sprookje.Marcelio was een man van echten, fijnen smaak, en al de dingen in zijn kamer waren in volledige harmonie, van nobele vormen en kleuren. Hij was gewoon te leven in eene voortdurende streeling van exquize kunst-weelde.En toch, ondanks zijn groote verbazing, en de overweldiging van al dat uitgezochte schoon, voelde[94]Paulus intuïtief, dat het rustige, sobere wouden-mooi echter was, dat zijn heel gewone kamertje thuis met het uitzicht op de groote, eenvoudige boomen buiten hem altijd liever zou blijven.Maar hij was te moe om er lang over te denken. Hij voelde het nog altijd warrelen en duizelen in zijn hoofd, en moest zich goed houden om niet neer te vallen.Marcelio zag hem wankelen, en begreep dadelijk, dat hij nu vóór alles rust behoefde. Vriendelijk zeide hij, hem bij een hand nemend:„Arme kerel, je moet wel moê zijn.… al die emoties ineens, na die eenzaamheid van je.… en dan die lange tocht van vanochtend vroeg af, en die trein.… ik zal je even naar je slaapkamer brengen.… dan ga je maar dadelijk in bed liggen, zonder om iets te denken, hoor. Je doet je oogen maar toe, en denkt dat je thuis bent, dan slaap je vanzelf wel in.… Ik zal je morgen ochtend wel wakker komen maken, dan is het tijd genoeg om te praten.…”Paulus liet zich gewillig leiden, een gang door, naar een kleinere kamer achter.Hij hield zich nog goed, maar zag alles om zich draaien en duizelen.Toen voelde hij nog hoe Marcelio hem met een arm ondersteunde, en hem hielp bij ’t uitkleeden. Hij hoorde nog wat vriendelijke, bemoedigende woorden, en kreeg opeens de sensatie van rust, van heerlijk[95]lekker uitgestrekt liggen op een veilig, zacht bed.Toen verzonk alles in vergetelheid, en voor de eerste maal in zijn leven sliep Paulus in de groote stad van weelde en ellende, die Leliënstad heet, nog onbewust van het leven der millioenen, dat nu woelde als een wilde zee om zijn eigen, eenzaam bestaan.[96]

Door de houthakkers geleid liepen zij nu nog twee uren langs een goed gebaanden weg door het gebergte.—Paulus hield met sterken greep het wilde bergpaardje bij den teugel, dat Leliane, gewend aan goed gedresseerde raspaarden, niet kon besturen. Zijn licht geschoeide voeten, gewend aan zacht zand en mos, deden pijn op het harde, steenige pad vol scherpe punten, maar hij had zóó wel uren willen voortloopen, als Leliane maar bij hem bleef.

Aldoor dacht hij, angstig:

„Nu zal het uit zijn … nu komt het einde … als wij bij de menschen komen mag ik niet bij haar blijven.”

Eindelijk kwamen zij aan de grens van de bergen, waar de weg afdwaalde naar een groote, verre vlakte. Hij had, gewend aan boomen overal om hem heen, nog nooit zoo’n wijde vlakte gezien, eindeloos uit, zonder belemmering, met horizonnen wijd en ver. En toen zijne oogen gewend waren aan het ruime[71]perspectief zag hij het eerst kleurige stippen, dolende hier en daar. Hij wees er naar met de vingers. Toen zagen de houthakkers het ook. Zij legden de vingers in den mond, en lieten een scherp, doordringend gefluit hooren, door de bergen wijd en zijd weerkaatst.

De prinses had zich hoog in den zadel opgericht, en keek, de hand voor de oogen in groote spanning uit.

De stippen kwamen al nader en nader naarmate zij daalden, al sneller en sneller … er schitterde hier en daar al iets van zilver en goud … en nu werden zij rood tegen het witte van den grond … al nader en nader kwamen zij …

Totdat de prinses het blijde uitriep, de handen wenkend bewegend:

„Mijn huzaren!… mijn huzaren!…”

De stippen werden zwarte paarden, waarop roode mannen waren gezeten. Zilver en goud van sjabrakken en passementen schitterden in de zon, en stalen wapenen blonken. Één ruiter hief een donderend „hoera!” aan en rende opeens van al de andere hollendecavaleristenweg, de sabel omhoog, flikkerend in de zon. Het was of zijn paard, zonder zwaarte, voort-vloog door de ruimte.

„Dat kan alleen Marcelio zijn,” riep de prinses Leliane verheugd uit. „Het is graaf Marcelio!”[72]

Een paar minuten later zag Paulus een jongen, donkeruitzienden man op een met wit schuim bedekt gitzwart paard uit vollen galop op eens onbewegelijk stil houden voor de prinses. Hij hield de rechterhand met uitgestrekte vingers aan den kolbak, zwijgend tot de prinses hem aansprak.

„Hier zijn wij, graaf Marcelio … veilig en ongedeerd, dank zij dit jonge mensch hier, dat ons geholpen heeft…Wij zijn verdwaald geweest op de jacht, de witte ree, ge weet wel, wij wenschen deze vreemde geschiedenis zoo geheim mogelijk te houden, en ophef te vermijden … er zal niet zoo heel ver van hier wel een station zijn … wij hebben ons rijkleed aan en kunnen tot zoo ver rijden … laat de huzaren ons maar op een afstand volgen, en beloon deze goede mannen met wat geld … dit jonge mensch hier beveel ik aan uwe speciale zorgen aan, ik zal u later wel mijne nadere beschikking omtrent hem geven … en dit alles voorál zonder ophef, hebt gij mij begrepen, graaf Marcelio?”

Paulus was verbaasd over de hooge waardigheid van waaruit deze woorden bevelend werden gesproken. Was dit het Meisje, dat Willebrordus „kind” had genoemd, en dat klagelijk en hulpeloos in het mos had gelegen bij de water-lelies, steunend van pijn? Wat was er dan opeens in haar gekomen, dat zij nu zoo gebiedend sprak, en de sterke, groote jonge man vóór haar, eerbiedig het hoofd boog, de hand[73]nog steeds eerbiedig ten groetenis geheven? Wat was er in haar, dat nu opeens de aangekomen ruiters als standbeelden voor haar stilstonden, de stalen wapenen onbewegelijk voor de borst houdend, in reverent gebaar?

En een vage vrees beving hem voor dat geheimzinnig vreemde in haar, dat een sfeer van eerbied en ontzag om haar heen deed gaan, waarin de handen der menschen ten groetenis werden bewogen.

Hij voelde zich of hij droomde, en was niet meer zeker van wat hij de laatste dagen beleefd had.

Was het dan wáár, of was het gedroomd, dat hij tot dat wondere wezen had durven spreken, waar die groote, van goud en zilver schitterende officier van eerbied voor was blijven zwijgen, deemoediglijk wachtend op een bevel van hare lippen? Had hij werkelijk als een vriend aan haar bed gezeten, had zij vertrouwelijk en steunend op zijn arm geleund, als een gewoon kind, die nu in die fiere, gebiedende houding heerschend tegenover die sterke, met moordtuig gewapende mannen stond? Was er dan iets bovenmenschelijks aan haar, iets misschien van God zelf, dat Willebrordus niet aan haar gezien had, en had hij dan misschien haar hooge majesteit geschonden, door tot haar te durven spreken als een gewoon menschenkind?

Angstig, van stomme ontzetting vervuld, keek hij om zich heen. Hij voelde, hoe de jonge officier, die graaf Marcelio heette, hem aanzag. Twee donkere,[74]vreemde menschen-oogen opeens in de eenzaamheid van zijn ziel. Maar ze waren niet vijandig. Hij raadde ze intuïtief als iets vriendelijks, dat hem wilde bemoedigen.

Dit was dus een van de menschen uit de groote stad, waar Willebrordus voor was gevlucht. Het blinkende staal, dat hij in de hand hield, was een sabel. Dat wist Paulus van de platen in zijn boeken. En al die andere mannen op die zwarte paarden hadden sabels in de hand. Toch waren ze mooi. Gekleed in heldere kleuren, met roode figuren, en geflikker van metaal. En mooi was hun rechte, flinke zitten in het zadel. Dit waren nu de soldaten van prinses Leliane, en zoo waren er nog duizenden en duizenden, die gehoorzaamden aan haar bevel. Duizenden en duizenden groote, sterke mannen, en op één wenk van haar teedere, blanke hand zouden zij voor haar voort-stormen in den dood. Dat wist hij uit de boeken.

Zij leek hem nu opeens onbereikbaar ver, verder dan de sterren, die hij gezien had in de stilte van den nacht. Hoe klein en nietig moest hij voor haar zijn! Hoe’n onbeduidend, armzalig wezentje moest hij haar lijken! En hoe nutteloos was al zijn spreken tot haar geweest, die zoo oneindig ver van hem was gebleven, al had zij vlak voor hem gestaan! Zijn denken werd in raadselen verward. Vèr was ze nu, onbereikbaar ver. Maar toch lag haar beeld van slapende maagd, in reine rust, zacht in zijn eigen ziel. En dat[75]beeld, zoo veilig en vertrouwd, het leek nu van heel ander wezen dan die jonge vorstin daar op het zwarte paard, die hem opeens bijna vreemd was. De arme Paulus begreep niet meer wat in hem gebeurde, en hij voelde het duizelen in zijn hoofd. Niet voor die vreemde vorstin daar had hij zijn grootvader en het mooie bosch verlaten. Zij leek nu een vreemde, een geheel andere, die eigenlijk niet dezelfde kon zijn, die hij in vredigen slaap had zien rusten onder de groene boomen. En tóch moest zij het zijn.…

Moê en angstig liet hij zich nu gewillig leiden. Graaf Marcelio hielp hem op een mak huzarenpaard, en wees hem hoe hij de teugels moest houden. Het beest liep vanzelf achter dat van Marcelio aan.

Na een langen tijd rijden kwamen nog meer ruiters hun te gemoet. Er was een heel oud man bij, met langen, grijzen baard, in een van goud schitterende uniform die óók eerbiedig, diep neigend voor de koningin stilhield.

Met dezen ouden man reed opeens prinses Leliane in vollen galop vooruit, de andere ruiters achterlatend.

Paulus hitste zijn paard aan, en wilde haar volgen, maar graaf Marcelio hield hem tegen.

„Hare Koninklijke Hoogheid wenscht onopgemerkt, alleen in den trein te gaan,” zeide hij. „Wij moeten achterblijven, en je bent aan mijn hoede toevertrouwd. Haar Koninklijke Hoogheid wil dat je bij mij blijft. Daar in de verte zie je al een paar huizen, en de[76]groote kap van het station.Kijk.… dáár.… Daar moeten we heen. De huzaren gaan nu al terug.… Maar wij moeten daar samen in den trein, die ook hare Hoogheid naar Leliënstad zal brengen. Alleen mijn oppasser volgt ons nu.”

Paulus zag in de verte de roode daken van huizen, vriendelijk en blij. Déze woningen van menschen leken niet benauwd, zooals grootvader verteld had. Het dorpje lag omgeven van dichte bosschen, en het leek hem wel heerlijk daar te wandelen. Maar links, iets verder, zag hij groote, zwarte gebouwen, somber-leelijk, met grove vormen in de lucht, dreigend.

„Dáár is het station,” zeide Marcelio. „Als die bosschen er niet waren zou je treinen kunnen zien.”

Toen zij bij het dorp waren gekomen—een kleine plaats met lage, eenvoudige huizen—stapte graaf Marcelio af, en hielp ook Paulus van het paard. Toen nam hij hem bij de hand, en ging met hem een groot, monsterachtig gebouw binnen, waar een donderend leven lawaaide. Gegil, gefluit, gedaver, rollend geratel. Paulus wist niet wat hij hoorde, en angstig voelde hij zijn hart kloppen.

Heel stil, heel klein liep hij naast graaf Marcelio, bang om van hem te verdwalen, en alleen te zijn onder al die vreemde, onvertrouwde menschen. O! Het benauwde van dat zwarte, donkere dak boven zijn hoofd! Waar was de Hemel?—En die duistere, nauwe doozen op rollen, waar hij straks in zou[77]moeten! En die groote, gillende monsters, sissend en stoomend van kwaadaardigheid, met vlammend vuur in hun lijven! Ja, hij wistwel wat het was, van platen en uit boeken, het was een station, met treinen en locomotieven, maar tóch sloeg het hem met een vage ontzetting, het gedaver en het lawaai. Een groote onrust huiverde overal om hem heen, en het was of al de menschen hier een vreeselijk verdriet hadden of angstig waren voor iets, dat ze allen weg wilden met die vervaarlijke monsters, die als opgerezen schenen uit een onderwereld van helsche verschrikking. Het gesteun en gebriesch van de locomotieven deed zijn hart bang kloppen van schrik, alsof ze hem kwaad wilden, en er iets verschrikkelijks hem wachtte.

„Het is hier wat druk,” zeide Marcelio vriendelijk. „Een grensstation met douanen moet je denken. Alles moet hier uitstappen. Een beetje vreemd voor je, natuurlijk. Maar daar wen je wel aan. Ha! daar is onze trein.”

Paulus stoof verschrikt achteruit.

Donderend-lawaaiend daverde een sneltrein aan, wolken blinkenden stoom voor zich uitstootend. Een wind van lucht stroomde langs zijn ooren, en heel de grond trilde. Bellen klingelden, fluitjes trillerden, mannen schreeuwden. Brieschend stond de locomotief stil.

Uit de donkere wagens kwamen menschen, haastig,[78]als op de vlucht voor iets, ijlden weg, als bang. Anderen stormden er in, zenuwachtig, als vliedend voor een gevaar.

Wat was er dan toch, dat al die menschen zoo voortdreef? Paulus voelde een vreemde benauwing bij al dat haastige, gejaagde om hem heen. Het was of een verschrikkelijk noodlot al die menschen dreigde, dat ze zoo hals over kop vluchtten onder het gebel en gesis en gestoom alom.

Maar reeds had Marcelio hem bij den arm gegrepen, en met zich voortgeduwd. En vóór hij goed tot besef was gekomen wat er gebeurde, zat hij op zeer zachte, rood fluweelen kussens in een nauw, laag kamertje.

„Dit is nu een eerste klasse-wagen,” zeide Marcelio. „Behoorlijk zacht, hè, maar een beetje nauw. Het is een vóór-coupétje voor twee plaatsen maar. Juist geschikt voor de gelegenheid.”

„Klets!” ging het portier dicht, dat Paulus met een schok opsprong.

Door het raampje zag hij de menschen op het perron haast je rep je! door elkaar woelen. Het was als zochten ze allen iets angstig. Wat zochten ze?

Vragend zag hij Marcelio aan. De jonge officier lachte, en had schik in zijne verwondering.

„Al die menschen.… wat doen ze?…” vroeg hij. „Wat zoeken ze toch?.… of vluchten ze.… zijn ze bang?”

„—Wel neen, mijn beste jongen.… die menschen[79]hebben haast.… aan een station heeft iedereen haast.… meestal lui van zaken.… dat leer je later wel.… tijd is geld, moet je weten.… dat leer je óók wel.… wat een drukte hé.… en eigenlijk allemaal voor niets.… zóó haasten ze zich jachtend hun leven door tot ze dood zijn, en dan is ’t uit.… allemaal voor niets geweest.…”

Paulus voelde opeens een vage pijn. Er was iets in graaf Marcelio’s stem, dat schrijnde. Zoo heel anders dan het rustige, gedragen geluid van Willebrordus.

Hij zag hem eens goed, aandachtig aan.

Een mooi, fijnbesneden gezicht. Schitterende, zwarte oogen. Een zwarte, zachte snor, met spitse punten. Gezonde, roode wangen. Het donkere, glanzende haar gekruld. Een slanke, rijzige gestalte in de nauwsluitende uniform. Zijn blik was vriendelijk en beschermend. Maar met iets lichtelijk spottends, iets vreemds, dat misschien wel droefheid was, en dat Paulus onrustig maakte en aan het vriendelijke tegelijk iets schrijnends gaf.

Opeens een hoog gegil.… een stoot.… en Paulus voelde zijn wagon bewegen, eerst langzaam, dan sneller, sneller en sneller … alles langs het raampje ijlde weg, menschen en dingen … hij voelde zich vooruit vliegen in de ruimte.…

En hij riep, angstig:

„De prinses!.… waar is de prinses?.…”[80]

Marcelio stelde hem gerust.

„Haar Koninklijke Hoogheid zit veilig in een salonwagen.… zij rust nu op een goed bed van de vermoeienissen uit. Haar wagen is vlak achter de onze, en als zij op een knopje drukt gaat hier een schelletje af en kan ik door dit deurtje in de koninklijke appartementen komen. Wij gaan nu rechtdoor naar Leliënstad, waar wij tegen den avond aankomen. Er is behoorlijk getelegrafeerd, en men zal Haar Koninklijke Hoogheid aan het station ontvangen. Maar vertel me nu eens goed, wat er toch met Haar Koninklijke Hoogheid gebeurd is. Wij hebben haar verloren op de jacht, daar bij de blauwe bergen. Wij jaagden een witte ree, die alleen met een pijl mag worden gewond, en in de opwinding van de jacht was Haar Koninklijke Hoogheid ineens verdwenen.”

Toen vertelde Paulus, eenvoudig, zonder iets achter te houden, hoe hij de prinses had gevonden. Hij had nog niet geleerd zijn gevoel te verbergen, en zeide alles zooals het hem opwelde uit zijn jong, geest-driftig hart. Zijne oogen schitterden daarbij, zijne wangen gloeiden, toen hij het uitzegde, hoe de schoonheid van de prinses zijne ziel had beroerd.

Met welgevallen zag Marcelio hem daarbij aan. Wat een vreemde, aardige jongen! Zóó waren er niet meer op dien leeftijd in Leliënstad. Zeventien jaar kon hij wezen, misschien achttien. En wat een[81]naïeveteit nog om zóó je gevoelens aan den eerste den beste te vertellen!

„Maar je bent een dichter, Paulus!” zeide hij vriendelijk. „Waarachtig, een dichter! We kunnen misschien nog plezier van je beleven! Heb je wel eens verzen gemaakt?”

„Ja,” zeide Paulus, eenvoudig.

„Wat een trouvaille! Een jonge dichter, zóó maar uit de eenzaamheid van een bosch! Wat zouden Wederich en Lavelane wel zeggen! Dat wordt een evenement! Een dagteekening! Maar nu iets anders. Haar Koninklijke Hoogheid wenscht, dat het gebeurde strikt geheim blijve. De bladen hadden al bevel gekregen om niets van het verdwijnen der koningin te reppen. Je moogt niemand, wien ook, iets vertellen van het gebeurde. We zullen er wel wat op vinden om de couranten officieel een of ander verhaal te doen. Haar Koninklijke Hoogheid mag niet de heldin van een roman worden. Het zou anders een kapitaal sensatie-verhaal voor de pers zijn. Je moogt dus niets, absoluut niets ooit reppen van hoe je de prinses hebt gevonden. Begrepen? Het is Haar Koninklijke Wil.”

Paulus knikte van ja en beloofde. Maar hij begréép het niet. Waarom mocht niet iedereen het weten, hoe hij de prinses had gevonden? Zou het volk niet blij zijn, dat zij veilig behouden was? En waarom moest het nu misleid worden door eene voorstelling,[82]die niet waar was? Neen, hij begreep het absoluut niet. Maar het was Haar Koninklijke Wil, had Marcelio gezegd. Dus zou hij zwijgen.

Hij keek door het raampje naar de nieuwe wereld, waarin hij nu kwam. En hij was verrast. Niets meer van groote klompen steenen en massieve gevaarten. Wijde landen met wuivend graan gleden vierkantend weg in de snelheid van den trein. Rijen mooie boompjes bewogen zachtjes in de verte. Hier en daar, rustig, een landelijk huisje, met rood pannen dak. De hemel een wijde blauwe ruimte met blinkend witte wolken. Alles rustig en tevreden, alleen als weg-deinzend door de vliegende vaart van de trein.

Marcelio zag zijne verrassing, en zeide:

„Ja, het zijn niet allemaal steden, hier in Leliënland, dát moet je nu niet denken. Dít is nu het land. Zonder het land zouden de steden niet kunnen bestaan. Want van het land, dáár moet alles vandaan komen om de steden te voeden. Het graan, de tarwe, de runderen, de melk, de boter, de groenten, dat komt allemaal van het land. Je begrijpt hoeveel land en hoeveel boeren er noodig zijn om iederen dag zoo’n stad van twee millioen menschen aan eten te helpen. Met groote, vliegende treinen wordt dat zelfs van verre landen in Leliënstad aangevoerd.”

De avond begon te vallen.

Een dunne, ijle mist was opgedroomd boven de landen, die er zachtjes in verwaasden. Huisjes en[83]boomen vervaagden, en stonden als onzekere, weifelende vormen in het grijze. Hier en daar somtijds, moeilijk, een lichtje.

En de trein daverde, daverde voort, een paar uur.

Paulus was ingesoesd, moê van al het ongewone, toen een schel, hoog gefluit hem wakker maakte. Het deed hem pijn, dat felle ineens, zoo onverwacht.

„Leliënstad!” zeide Marcelio, „eindelijk! We komen nu bij de voorsteden.”

Paulus keek uit het portiervenster.

En door den vagen mist, wijd-uit, zagen duizenden lichtjes, mat en flauw door den nevel pinkend, hem aan. Het was als een groot, vervaarlijk monster, met duizenden oogen loerend.

Een onbestemde angst legde zich over zijn hart. Hij tuurde, angstig, en tuurde.

Nu zag hij groote, donkere vormen zich oprichtenuithet vage. Met dreigende, donkere schaduwen stonden zij in den schemer.

„Huizen,” wist hij, „dit moeten huizen zijn, naast elkaar, in een straat.”

Het waren doode, gevoellooze dingen. Niet als de boomen van zijn bosch, die leefden, en vertrouwd waren aan zijn ziel. Maar dit waren duistere, koude gevaartes van steen, onbewogen, massief, van roerlooze hardheid. Het leken hooge, zwarte graven, opgerezen in de lucht.

Marcelio zag zijn schrik.[84]

„Wat donker hier, hè, die hooge huizen, bijna zonder licht. Maar je bent hier in de buitenwijken. Dit zijn de arme buurten. Maar straks wordt het wel beter.”

De trein reed nu op een viaduct. En overal zag Paulus vreemde, gebogen monsterdingen, als armen met sombere gebaren uitgestoken in de lucht. Het was of ze dreigden, en er was iets siniesters in datuitgestrektevan kromme, zwarte pijpen, uit die donkere huizen gestoken. Zoo ver hij zien kon waren er nu overal van die zwarte vuile steenen huizenklompen, met die kromme armen wanhopig grijpend omhoog.

„Schoorsteenen,” zeide Marcelio, glimlachend.

Hij lachte over Paulus’ verwondering.

En hij wist niet, hoe bang het was in dat jonge hart naast hem. Die zware, donkere gevaarten wierpen bange schaduwen in Paulus’ aan licht en zonneschijn en wuivend groen gewende ziel. Konden hier menschen wonen? Waren er heusch levende wezens in die genadelooze, steenen graven?

Hier en daar was al een eenzaam petroleumlichtje op, in een nauw, vunzig hol. Door armoedige, gebroken ruiten, spookachtig voorbij door de vaart van den trein, zag Paulus dan éven vreemde gezichten van havelooze menschen, stukken vuil goed aan touwen, onoogelijke, donkere dingen. Het leek hem een booze droom.

Langzamerhand werd het beter. Hier en daar,[85]perspectief, inééns een lang, nauw ópen, met véél lichtjes, en benéden honderden zwarte stipjes: een straat, die wègdeinsde. Nu werd het al lichter en lichter. Breede pleinen gingen open, met groote bollen wit licht in ’t midden, licht, dat hij nog nooit gezien had, bleek als van de maan. De huizen hadden hier vensters, blinkend van licht. Beneden kon hij drommen menschen zien loopen, duidelijk, of het dag was. Zij liepen allen haastig, alsof zij iets zochten. Hij zag nu ook wagens en rijtuigen met paarden. En ineens, met sterren licht pinkend er boven, een groote wagen met glazen wanden, van zelf vooruit ijlend in vliegende vaart. Binnen een rij zwarte menschen, dicht tegen elkaar. Alles warrelde en wemelde dooreen. Het was onrustig, of een vaag gevaar door die pleinen en straten waarde, waar al die menschen angstig voor vluchtten.

De trein daverde en daverde altijd maar door, boven al dat gedwarrel uit, en Paulus verwonderde zich, dat de menschen beneden niet staan bleven en angstig opkeken, of het stoomende gevaarte niet op hen zou vallen.

De nevel, die uit de landen buiten was opgestegen, hing nu niet meer over de steenen straten. Daar was nu alles helder licht. En Paulus vond het vreemd dat de menschen hier in de stad den nacht met dat kunstlicht hadden verjaagd, den nacht, die hem altijd zoo vertrouwd was geweest in het bosch, vol mooi[86]geheim. Zouden de menschen dan bang zijn voor den nacht? Waarom waren ze nog niet te ruste gegaan, of wat stil in hun kamer? Wat dreef hen dan toch allen zoo voort?.…

De stad scheen eindeloos. Want de trein daverde altijd maar door, in vliegende vaart, telkens deinsden nieuwe straten en pleinen voorbij, en overal liepen nieuwe drommen menschen, wriemelend klein en zwart daar beneden, nietig tegen het hooge van de huizen, waarlangs ze gingen.

Opeens zag hij in de verte, hoog in de lucht opgerezen, een wonderen, vreemden bouw. Het was vaag en onzeker door den afstand, maar het leek hem fijn en gevoelig als boomen van het bosch. Teêre, luchtige vormen, ijl cantille-werk als van bladeren, met twee ranke torens in de lucht. Er was iets heiligs aan van gewijd leven. Innig, een levende schepping, fijn als bladeren van verre boomen, rees het zachtkens op in de donkere lucht, hoog boven de doode, starre huizingen.

Vragend zag hij Marcelio aan, en wees met de hand naar het wonder.

„De Cathedraal,” zeide Marcelio. „Hier worden de bladeren bewaard van de heilige Water-lelie, waaruit het koninklijk geslacht van prinses Leliane werd geboren.”

De trein daverde altijd door.…

En nu zag Paulus, hoog boven de stad, evenals[87]de cathedraal, op een heuvel, een wit paleis. Honderden witte ballons, gloeiend van zilver maanlicht bloeiden daar heilig blank op in het duister van den avond, en het paleis was er duidelijk door te zien, van eene verblindende, sneeuwen blankheid, met een transparanten, reinen glans, als van fijn porselein.

Toen hoorde hij Marcelio eerbiedig zeggen, maar met toch nog iets van vagen spot in zijn stem:

„Het paleis van Hare Koninklijke Hoogheid prinses Leliane.”

En hij voelde eene blijde verlichting, dat het paleis zoo hoog boven de stad stond, in zoo’n heerlijke sfeer van lucht. Zóó behoorde Leliane ook te wezen, dacht hij, hoog en ver boven de menschen, in een eigen glorie van reinheid, zooals de sterren pralende zijn boven de aarde.

Wèg was opeens het paleis, toen de trein een bocht om ijlde, altijd maar verder en verder, daverend en lawaaiend.

Toen, eindelijk, verminderde zijn vaart, remmen knarsten, kettingen rammelden, en Paulus voelde de wagon om hem schudden en beven, tot hij eindelijk met een schok stilstond.

Weêr een station als dien middag op de grens, maar veel grooter. Toen Paulus uit de wagen was gestapt en op het perron stond duizelde hij even. Want naast hem, vóór hem, overal daverden snuivende, stoomende locomotieven-monsters aan, dreigend lichtende[88]uit roode oogen. Zwarte menschen drongen en holden schreeuwend om hem heen, of ze hem kwaad wilden doen, als vijandig.

Stijf hield hij Marcelio’s hand vast. Wagens rolden donderend over den houten vloer, locomotieven gilden snijdend, zware schellen klingelden. Tusschen een saamgestroomde bende van menschen, dicht tegen hen aangedrongen, voelde Paulus zich voort worden geloopen. Eerst trappen af, naar beneden, toen een donkere gang, en weer trappen af, steeds voortgestuwd door de menschen.

En dán ineens buiten, op een groot plein, stralende van lichte maan-ballonnen, met ratelend rumoer van wagens, en schrijnend lawaai van stemmen. Mannen in lange jassen met gouden knoopen gilden namen uit, die hij niet begreep. Jongens met couranten schreeuwden klagelijk uit, als noodgeschrei. Alles dreunde en schetterde en gonsde om hem heen, pijnlijk, grof, vijandig. Stijf omklemde hij Marcelio’s hand.

„De prinses.… de prinses.… waar is zij?.…” vroeg hij angstig, allereerst denkend om haar, in dat gevaar.

„De prinses gaat heel stil naar het paleis,” antwoordde Marcelio geruststellend. „Zij is hier afgehaald door vertrouwde dienaren, die getelegrafeerd zijn. Om geen opzien te wekken gaat zij heel eenvoudig in een gewoon rijtuig naar het paleis.”

„Wat willen hier al die menschen?” vroeg Paulus[89]nog. „Wat zoeken ze?.… waarom schreeuwen ze zoo?.…”

Marcelio lachte.

„Wat ze zoeken?.… Ja, als ze dát maar wisten, dan was alles in orde.… En waarom ze schreeuwen?.… Dat weten ze misschien zelf niet … Maar zoo is het altijd aan een station, mijn jongen, en overal op straat is het lawaai. Daar moet je aan wennen.”

Hij wenkte een koetsier, en liet Paulus in een coupé stijgen.

„Koninginnestraat,” hoorde Paulus hem zeggen.

En voort! voelde hij zich rijden, het breede plein over, waar overal andere rijtuigen weg ratelden, haastig, als door angst en onrust gedreven.

Hoe dat alles ijlde en draafde en heen-holde! Waar moesten die menschen dan allemaal heen? Wat dreef hen dan allemaal zoo vooruit in zoo zenuwachtige haast?

Hij keek uit het portierraampje, sprakeloos, in altijd stijgende verbazing, zonder begrijpen. Dat leven, dat lawaai, dat gedreun, en gedaver, en geschreeuw! Al die menschen, rusteloos voorbijdravend, elkaar verdringend, waar gingen ze dan toch heen, wat zochten ze dan toch? En die groote, hooge, steenen huizen, wat waren ze koud en hoe strak keken ze hem aan! Doode, onbewegelijke dingen. De menschen leefden hier tusschen starre, steenen gevaarten, die hoog en koud om hen heen stonden, onbewogen.[90]En tusschen al dat doode en steenen gingen ze rusteloos voort, ál maar voort, bij duizenden en duizenden. Zoo bij tweeën of drieën schenen ze elkaar vertrouwd, praatten ze met elkaar. Maar de anderen leken zij niet te kennen. En allen gingen een eigen gang, haastig, of ze voor iets vluchtten, of iets hen voort-jaagde. Winkels met groote uitstalramen, blinkend van licht, praalden met allerlei schitterende dingen, veilig achter glas bewaard. Groote restaurants en cafés hadden tafeltjes op straat, waar menschen zaten te eten en te drinken, midden in de drukte van ’t voorbijloopend publiek. Krantenjongens schreeuwden met een monotoon, klagend geluid. Rechts en links gingen andere rijtuigen voorbij, en groote vrachtwagens met kisten, en omnibussen met zwarte menschen er boven, de koetsier op den hoogen bok, ingebakerd. Dat hoste en ratelde en lawaaide alles door elkaar. Hier en daar, op den hoogsten nokrand der kolossale huizen, vlammende annonces in electrisch licht, die ineens uitdoofden en dan plotseling weer opschenen. Paulus’ oogen traanden van ’t zien in al dat scherpe licht, en zijn hoofd begon te duizelen van ’t rumoer. Het was hem of hij er straks nog onder zou bezwijken.

Somtijds hield het rijtuig opeens stil. Dan kon het niet verder, omdat de straat versperd was, zeide Marcelio. Een groote, dikke kop van een omnibus-paard was ééns vlak bij ’t portierraam, dreigende het te breken. Links en rechts knellend geklap van zweepen,[91]geschreeuw en gevloek van koetsiers. Tot het rijtuig eindlijk, langzaam weerdoorreed.

Nu en dan zag Paulus een lange zijstraat opengaan, en weêr hetzelfde: files van rijtuigen in ’t midden, gewemel van lichten door elkaar, zwarte rijen menschen op de trottoirs, geschitter van vlammen-annonces in de lucht. Hij begreep niet, hoe alles elkaar op ’t laatst niet vertrapte, tegen elkaar inreed, elkaar verpletterde in uiterste verwarring.

Zóó ging het een half uur door, langzaam, langzaam door propvolle straten. Het was nog erger dan in den trein. Hij zag somtijds alles voor zich draaien, in warrelenden dans. De wagens ratelden nu in zijn hoofd, dat pijnlijk aanvoelde, met felle steken. Een angstige beklemming drukte op zijn borst, en hij haalde moeilijk adem. Het leek hem, of alles straks inééns zwaar over hem heen zou gaan, waar hij hulpeloos neér zou vallen, en verpletterd worden door al dat zware, genadelooze, groote.

Hij voelde moede loomheid zijn oogleden drukken, en wilde het liefste maar de oogen sluiten om niets meer te zien, en zich voor al dat leven te verschuilen in den slaap. En werkelijk sliep hij een oogenblik in, met het hoofd achterover in het gecapitonneerde kussen geleund.

Een groot licht zengde zijn oogen opeens pijnlijk weer open. Hij schrikte op.

Rechts en links van het portiervenster, waar het[92]rijtuig geruischloos over houten straatvloer gleed, straalden helle ballonnen schitterend wit licht hem tegen. Alles fonkelde en tintelde in het rond, en het leek hem, of het bliksemlicht van den hemel hier overal getemd lag te gloeien.

Achter glinsterende spiegelruiten lagen kostbare luxe-dingen weelderig te pralen. In de groote juwelierswinkels lagen diamanten en brillanten als kleine sterren te lumineeren. De winkels waren hier paleizen, ruischende van licht, en de straat was er lichter van dan overdag. Het leek iets uit de sprookjes van 1001 Nacht, die grootvader hem eens had gegeven.

„De Koninginnestraat,” zeide graaf Marcelio. „Dit is de rijkste winkelstraat van de wereld. Hier heb ik mijn appartementen, boven een juwelier. En vannacht moet je maar zoolang bij mij logeeren.”

Het rijtuig hield stil.

Paulus bleef stevig de hand van Marcelio vasthouden toen zij op het trottoir vóór een grooten juwelierswinkel stonden.

Al die menschen ineens om hem heen! Vreemd, onverschillig, bijna vijandig.

Ze liepen maar áldoor iets te zoeken, of vluchtten misschien wel voor iets. Een groote onrust, als van gevaar, joeg door de groote straat heen.

Marcelio nam hem mee, een lange gang in, ging twee trappen met hem op, en deed de deur van een kamer open, die nog geheel donker was. Toen[93]hij even op een knop drukte bij de deur, bloeiden opeens in ’t midden van de kamer bloemen op van licht en kleur. Ook aan de wanden waren er enkelen opgeschenen.

Marcelio zag hoe Paulus verwonderd opkeek.

„Dit is nu electrisch licht,” zeide hij lachend. „Hetzelfde licht dat in den bliksem flitst. Dat hebben we gevangen en getemd, en hier gloeit het nu in mijn kleurige bloemen-ballonnetjes, heel onschadelijk. Dat is nu de beschaving, weet je.”

Paulus kon er eerst niet goed in kijken. Zijn oogen traanden er van. En hij vond het leelijk. Hij voelde dat het valsch was, nagemaakt. Het licht van den bliksem was toch véél mooier.

Toen hij er wat aan gewend was, begon hij de groote kamer pas te zien. Er stonden dingen van weelde in, die hij nog niet kende. Kostbare perzische tapijten, chineesche en japansche lappen aan den muur, porseleinen vazen, kasten van fijn lakwerk, beelden van porselein en ivoor. Het was weêr als in een sprookje.

Marcelio was een man van echten, fijnen smaak, en al de dingen in zijn kamer waren in volledige harmonie, van nobele vormen en kleuren. Hij was gewoon te leven in eene voortdurende streeling van exquize kunst-weelde.

En toch, ondanks zijn groote verbazing, en de overweldiging van al dat uitgezochte schoon, voelde[94]Paulus intuïtief, dat het rustige, sobere wouden-mooi echter was, dat zijn heel gewone kamertje thuis met het uitzicht op de groote, eenvoudige boomen buiten hem altijd liever zou blijven.

Maar hij was te moe om er lang over te denken. Hij voelde het nog altijd warrelen en duizelen in zijn hoofd, en moest zich goed houden om niet neer te vallen.

Marcelio zag hem wankelen, en begreep dadelijk, dat hij nu vóór alles rust behoefde. Vriendelijk zeide hij, hem bij een hand nemend:

„Arme kerel, je moet wel moê zijn.… al die emoties ineens, na die eenzaamheid van je.… en dan die lange tocht van vanochtend vroeg af, en die trein.… ik zal je even naar je slaapkamer brengen.… dan ga je maar dadelijk in bed liggen, zonder om iets te denken, hoor. Je doet je oogen maar toe, en denkt dat je thuis bent, dan slaap je vanzelf wel in.… Ik zal je morgen ochtend wel wakker komen maken, dan is het tijd genoeg om te praten.…”

Paulus liet zich gewillig leiden, een gang door, naar een kleinere kamer achter.

Hij hield zich nog goed, maar zag alles om zich draaien en duizelen.

Toen voelde hij nog hoe Marcelio hem met een arm ondersteunde, en hem hielp bij ’t uitkleeden. Hij hoorde nog wat vriendelijke, bemoedigende woorden, en kreeg opeens de sensatie van rust, van heerlijk[95]lekker uitgestrekt liggen op een veilig, zacht bed.

Toen verzonk alles in vergetelheid, en voor de eerste maal in zijn leven sliep Paulus in de groote stad van weelde en ellende, die Leliënstad heet, nog onbewust van het leven der millioenen, dat nu woelde als een wilde zee om zijn eigen, eenzaam bestaan.[96]


Back to IndexNext