[Inhoud]HOOFDSTUK X.De luchtige feeën-gratie van Rosita was al die dagen niet van hem weggeweest, en als een kleurige vlinder, telkens weer terug-fladderend, was zij door zijn ernstige gedachten heengewiegeld.Avond aan avond was hij teruggekomen in het Variété, op de voorste rij van de stalles d’orchestre, om haar voor hem te zien verschijnen als een licht visioen, zwevend met haar roze droom-lijfje in de witte wolkjes van kant en tulle, ijl in het ledig, als een broze, kleurige vogel, zonder den grond te raken, een liefelijk licht-wezen van enkel droom en glans.Zij verscheen hem na het drukkende, moeitevolle bestaan van den dag tusschen de kille huizen en de vreemde menschen, als het mooiste en teerste uit zijn vroegere, jonge leven, met al de bekoring van zijn boomen uit het bosch, met de fijne transparantheid der morgen-nevelen over het gras, met de weifelende kleur-nuances van avond-schemering, met de pure schittering van de sterren.[150]Maar een vage droefheid kwam weleens in hem opgeweld, door al zijne verrukking heen, hoe het zijn kon, dat dit schoon zoo bedriegelijk op Leliane geleek, en toch Leliane niet zijn kon, omdat het Rosita was. Ook kwam er somtijds een ongekende, vreemde ontroering in hem, die hij nooit bij het biddend aanschouwen van Leliane gevoeld had, een onbestemde angstigheid, wee en huiverig, die pijn deed, en zijn ziel deed sidderen.…Hij had Marcelio verteld, hoe hij dikwijls naar het Variété werd toegedreven door een zenuwachtig gevoel, dat sterker was dan zijn wil, en hoe hij somtijds niet kalm kon zitten studeeren, omdat hij dan altijd die vlinderachtige roze vrouwen-figuur vóór zich zag zweven. Het liet hem geen rust, telkens kwam het terug, en dikwijls was zijn leven een onbewust wachten op het uur, dat hij haar zou zien verschijnen. En hoe meer hij haar nu al gezien had, des te sterker kwam het terug.…Dan lachte Marcelio guitig-geheimzinnig, zooals hij wel meer gedaan had. Hij raadde Paulus aan, haar eens wat bloemen te sturen, zooals de gewoonte was, als iemand haar erg mooi vond, en haar dat wilde zeggen. En Paulus vond dat heerlijk. Ja, spreken was eigenlijk te gewoon tegen zoo’n luchtig droom-wezen, dat in het ijle zweefde. Veel mooier was het, haar met bloemen te zeggen, hoe zij zijn ziel verrukte.Zijn liefste bloemen moesten het zijn, die het innigste[151]waren, en teeder als de dingen, die hij haar toch niet zou durven zeggen. En hij kocht nu elken avond een corbeille met enkel viooltjes voor haar, die haar op het tooneel werd gebracht.Hoe heerlijk, als zij dan, lachende, op de toppen der fijne voetjes zwevend, terugkwam voor het voetlicht, en genadiglijk de bloemen tot zich nam! Dan was het Paulus, of zij de liefste gedachten van innigheid had medegenomen uit zijn binnenste. Zoo ging het avond na avond, en nooit dacht Paulus er aan, haar dichter te durven naderen dan met die simpele viooltjes uit zijn hart, tot eindelijk Marcelio hem kwam vertellen, dat hij haar gesproken had, en zij naar zijn jongen vriend gevraagd had, die altijd zoo galant voor bloemen zorgde als zij optrad.„Ze vindt het zóó aardig van je,” zeide hij, „dat ze je door me laat vragen, of je eens met haar wilt soupeeren, en met haar in haar rijtuig naar huis gaan, na de voorstelling. Ze wil absoluut eens kennis met je maken.”Paulus schrikte.Het leek hem zoo onmogelijk.Dat wezentje van glans en droom, dat luchtig zweefde in de luchten, dat hij altijd had gezien in een verre, aparte sfeer, buiten het reëele, hoe zou zij ooit tegen hem spreken kunnen, gewoon als ieder ander, hoe zou hij naast haar kunnen zitten in een rijtuig, ratelend door de straten?[152]En hij begreep het niet.„Hoe kán dat?.…” zeide hij, verwonderd. „Marcelio, dat kán toch niet.…”En weer lachte Marcelio geheimzinnig.Hij had niet aan Paulus verteld, hoe goed hij Rosita kende, die eene oude vriendin van hem was, en hoe dikwijls hij haar van zijn jong, onervaren vriendje verteld had, die de vrouwen nog niet kende, en ontgroend moest worden. En hoe Rosita nieuwsgierig geprikkeld, en ook vereerd door zulk een simpele aanbidding, zich door Marcelio had laten overhalen, om het jonge droomertje eens te vragen.Dien avond zat Paulus in angstige spanning in het Variété. Hij had met Marcelio gedineerd, die hem had overgehaald, weer wat champagne te drinken.Toen hij Rosita weer zag aanzweven boven de bloemen, als een lucht-wezen van niets dan droom en liefelijkheid, kon hij zich onmogelijk voorstellen, dat zij straks in de heel gewone werkelijkheid als een vrouw voor hem zou staan, en tegen hem zou spreken. En heimelijk hoopte hij eigenlijk, dat het ook niet zou kunnen gebeuren, al verlangde hij er tegelijkertijd tóch naar.Toen zij ná het ballet weer omhoog zweefde tusschen de witte wolken, dacht hij stellig, „nu is ze ook heen in hooger sferen, nu kan ik haar ook niet meer zien.” Maar Marcelio schrikte hem weldra wakker.„Kom nu mee,” zeide hij, „ze gaat zich kleeden,[153]en haar rijtuig staat te wachten in het zijstraatje links naast het gebouw. Maar drink eerst nog een gobelet goede champagne. Dat wekt je wat op.”Een beetje bang, half onwillig ging Paulus mede, en liep toen met Marcelio wat op en neer in de zijstraat buiten.Tot een deur openging, en een luchte gestalte met zilverachtig geruisch van zijde aan kwam wuiven.Nu gebeurde verder alles aan Paulus als in een roes. Zachte, melodieuze woorden dreven als muziek over zijn ziel. Hij voelde zich buigen, hoorde zich wat beleefdheidswoorden prevelen, en zag opeens, dat hij in een rijtuig zat, met een vreemd, zacht vrouwenlichaam naast zich. Er kwam zoete, bedwelmende geur van haar, als van een bloem.Hij kon haar niet goed zien in het donker van den coupé. Nu en dan, als zij voorbij een lantaarn reden, schemerde haar lief, lachend gezicht even voor hem op, om dan weer te vervagen, als iets dat even oplicht in een droom, en dra weer in het niet verdwijnt.Hij wilde even voorzichtig met zijne hand haar aanraken, om te weten of hij niet droomde, maar voelde niets dan weg-ritselende kant en donzen veeren.Eindelijk hield het rijtuig stil. Hij voelde een zachte hand die hem medenam, hem voortleidde, een trap op, naar boven.[154]En opeens stond hij in de werkelijkheid, in een lichte kamer.Zij stond voor hem, lachend, met al de betoovering van haar luchte gratie naar hem toe. Ook zij, evenals Leliane, was mooier dan een vlinder of een bloem, vond hij. Een zachte, vreemde geur van viooltjes droomde van haar af; zijn al van de champagne lichtelijk dronken hoofd duizelde er van. Zij had een lichtroze lijfje aan van glanzende zijde, en toen zij een donzige sortie van witte veeren afdeed was haar blanke halsen decolletéopen. De voorzichtige, zachte opwelving van haar borst was van een groote teederheid, en zij deed hem aan als een gebaar van haar ziel. Haar volle, witte armen kwamen nu en dan uit het veeren dons, als vreemde, betooverende verschijningen.Aan hare gestalte was iets luchtigs, iets van trilling en ruisching, als van een vogel, die straks zou opvliegen in de lucht. Zóó zou zij ieder oogenblik kunnen opspringen, en dansen dien luchtigen, zwevenden dans, waarin hij haar zooeven als een vlinder zwevend had zien wiegelen.Haar zijden rok ruischte, en aan haar arm ritselde zacht-zilveren geluid van schuivende edelsteenen. Zij zag hem aan, nieuwsgierig hoe haar nieuwe aanbidder er van dichtbij uitzag. Een aardig, jong kereltje, vond zij. Die nog niet goed durfde. Die zeker nog erg verlegen zou zijn. Zij hield wel van zulke maagd-jongelingen.[155]En ze lachte.Hij vond het erg vriendelijk van haar, en hij was er heel blij mee. Hoe zacht en glanzend was alles aan haar! Al die zijde, en dat dons, en die schitterende steenen, waar heilig vuur en licht in leefden! Hoe fijn en ijl waren die gouden haren van haar kapsel, als uit zonnestralen geweven! Ja, het was toch waar. Een vrouw was mooier nog dan bloemen. Dit liefelijke en lachende daar voór hem was van inniger uitdrukking nog dan een lichte lente-roos. Maar vooral dat even, vage opwelven van haar blanke, zachte borst deed hem aan met eene wonderlijke ontroering, blijde en toch om van te weenen, heilig, en toch met een bijna pijnlijke schrijning van lust, die hij voor den eersten keer in zich voelde opwellen uit verre onbewustheden van zijn wezen.En,—vreemd! dit leek op Leliane, dit had zéér bedriegelijk iets van Leliane in zich, en kon tóch Leliane niet zijn. Bij het eerbiedig aanschouwen van de slapende prinses, met haar blanken boezem zachtekens deinend op het teere rythme van hare ademing, had hij iets anders gevoeld, niet dit schrijnende in hem, dat bijna pijn deed. Éven weifelde hij, hoorde hij als eene vage waarschuwing in zich fluisteren, nu op zijn hoede te zijn …Maar Rosita had al gesproken met een melodieuze, vleiende stem, die hem zachtelijk bedwelmde, even zeer als de weeë bloemenlucht die van haar afdroomde,[156]en die iets van viooltjesgeur had, maar toch niet hetzelfde zijn kon. Dat zoete parfum, die weeke stem, dat duizelen van champagne-opwinding in zijn hoofd, maakten dat hij zich als een willoos kind overgaf aan de bekoring.„Wou je met me soupeeren?” vroeg ze, en keek hem guitig-lachend aan, met haar gezicht vlak bij het zijne. „Waarom zag je me altijd zoo aan en stuurde je me bloemen?”En hij zeide het, eerlijk:„Ik heb je immers zien dansen! Je was zoo mooi en zoo licht. Mooier dan een bloem was je. Je wiegde liefelijker dan een wit-en-roze vlinder. Ik moest er van lachen en schreien tegelijk. Ik heb nog nooit zoo iets gezien. Altijd zou ik je zoo willen zien, in dat schitterende licht, met je ranke, luchtige lijf bewegend in wuivende tulle rokjes, die als witte wolkjes om je zijn. Je kleine voeten doen dan zoo heel vreemde dingen. Het is of ze me allerlei sprookjes vertellen, die ik lang vergeten was, en dán ineens weer weet. Maar als je ophoudt met dansen ben ik ze ook weer vergeten. Zóó wuiven de fijnste varens niet in het bosch, op zóó zachten adem, als toen je zooeven je lijf liet voort droomen op dat bevende Adagio van de violen.… Je bent zoo mooi, zoo mooi, zoo mooi,… je lijkt wel uit de bladen van roze rozen, en de gouden stralen van de zon, en de witte wolkjes in de lucht geboren te zijn, en je vervult mijn ziel met lieve, zachte muziek …”[157]Bewonderend, met schitterende oogen zag hij haar aan, in argelooze overgave, en geen gevaar meer voorgevoelend in den glans van het enkel maar mooie, dat óók op Leliane geleek. Hij zeide nu zelfs ook veel van de woorden uit zijn ziel, die hij eens tot Leliane had durven spreken.Rosita zag hem verrast aan. Toch wel aardig, zoo’n jong mannetje nog. Wat een heerlijke kleur op zijn wangen! Die hadden haar aanbidders gewoonlijk niet meer, met hun bleeke, verveelde blasé-gezichten! En zóó spraken ze ook niet tegen haar.„Ik dank je nog wèl voor je mooie bloemen,” zeide zij, lief. „Ik houd veel van bloemen. Vooral van viooltjes, die krijg ik bijna nooit. Het zijn altijd rozen. Niemand die ooit om viooltjes denkt. En die zijn juist mijn lievelingen. Mijn parfum is ook altijd violettes de Parme. Ruik je het niet? Ik sprenkel het altijd op mijn schouders en mijn hals.”Ze boog zich nu tot hem over, met haar verblindend blanke hals dicht bij zijn hoofd.Hij rook den geur van zijn liefste bloemen uit het bosch, maar scherper, doordringender dan ooit, met een bedwelmende, weeë innigheid, die weer den ongekenden, brandenden gloed met een golf door zijn rillend lijf deed gaan. Zóó hevig had hij nooit een bloemengeur gevoeld, die bijna pijnlijk was, en toch lief deed met warme streeling.„Je bent eigenlijk zélf een bloem,” zeide hij, met[158]zijne oogen aldoor bewonderend opgeslagen tot de hare. „Je ruikt zelf als een bloem van wonderen geur. Maar je bent nóg zachter en teêrder. En je bedwelmt me nog, als je zoo dicht bij me bent. Mijn hoofd wordt er moê van en loom. Maar toch is het heerlijk, al doet het bijna pijn. Ik ben ook een beetje bang van je, geloof ik.”„Malle jongen!” zei ze lachend. „Bang? Ik zal je niet opeten, hoor, al heb je wangen als roode belle-fleurs! Ik zal je misschien alleen een zoen geven. Heb je wel eens goed gezoend? Wil je me wel eens een kus geven, zeg?”Ze sloeg haar zachte armen om zijn hals, en zoende hem op zijn wang.Het was zóó innig, en kwam zóó onverwacht voor hem, dat hij een zachten gil gaf, en het hoofd tegen haar borst liet zinken van duizeling. En hij dacht er niet aan, haar terug te kussen.Éven voelde hij nog héél achter in ziel, flauw en vaag, als een zachte stem, waarschuwend en bang. Maar door de duizeling van zijn hoofd zonk het weg, verdoofd, kwam niet meer tot bewustzijn.En hoe langer hoe meer begon het mooie van haar op Leliane te gelijken.Later, als hij om deze emoties dacht, wist hij nog zeker, dat hij alleen het mooie van haar zag, en niets anders wist dat hem zoo verrukte.…„En nu gaan we eens gezellig wat soupeeren,”[159]zeide zij, hem meetronend naar het canapétje voor een sierlijk gedekt tafeltje.Daar lagen zijne welbekende, vertrouwde vruchten, zachte, blozende perziken, roze, fluweelige peren, innig blauwe druiven, in frisch, dauw-bepareld groen. Het leek alles intiem, zonder slechtheid.Zij had, op Marcelio’s raad, geen wild doen klaarzetten, alleen zacht, wit luxebrood, en honig, en gebak. Maar champagne moest hij toch drinken. En het edele vocht zag zoo nobel, met goud-gelen glans, dat hij het met vreugde opdronk, toen zij hem den fijn geslepen kelk toereikte, met vriendelijken lach. Er was stille vertrouwelijkheid in het rustige, roode boudoirtje, met het mollige tapijt, en de schitterende Venetiaansche spiegels, de étagèretjes met broze bibelots, de gezellige poufs, en de roze gloei-kelkjes electrisch licht op tafel.Bloemen lagen hier en daar op het witte damast, en zagen vriendelijk uit ranke vaasjes. Zij zelve had lichte rozen in het blonde haar. Het was hem als beleefde hij nu iets uit een sprookje, niets dan vriendelijkheid en liefelijkheid, en enkel mooie dingen. Nog zag hij enkel het mooie er van, en hij genoot het in blij verbazen, zooals een kind dat, met schitterende oogen, de handjes uitstrekt naar dingen die licht zijn en kleurig.De champagne benevelde hem. Een zacht suizen ging door zijn hoofd. Hij hoorde somtijds het melodieuze[160]klinken van haar lieve stem als van verre, en voelde neiging, om nu ergens neer te liggen en in te slapen onder dat gezang, zooals hij in het bosch wel eens gesluimerd had onder het zingen van een vogel. Dán voelde hij ineens weer dien vreemden gloed in zich, of om zijn ziel iets begon te branden, een gloed, die opsteeg van zijn voeten naar zijn hoofd, met lange, rekkende rillingen over zijn lijf.Dán was het even angstig, tot het weer zacht vervloeide in loomheid, vaag zalig.Die zoete geur, die om haar was, die teere rondingen van haar borst, die blankheid van haar armen, die vochtig-warme blik van hare oogen! Hij voelde zich langzamerhand als bezwijmen onder het warme, innige, dat van haar uitging als van eene exotische bloem, die verdooven doet. Zijne wangen gloeiden, hoogrood, en zijne oogen schitterden als van koorts. En telkens steeg de vreemde gloed weer in hem op, met ontstuimiger golving.Tot zij hem opeens in haar armen nam, met haar warme, geurige lijf op zijn schoot, en hem hartstochtelijk kuste op zijn mond.Toen sloeg de roode vlam eindelijk omhoog, uit den gloed waarin zijn ziel nu zou verteren, en hij voelde het felle vuur iets van de liefste en teerste dingen verschroeien, die in hem waren geweest. Met een kreet van pijn en lust gaf hij zijn jongenslichaam over aan den ongekenden hartstocht-storm, en zijn[161]ziel van droom en mijmering duisterde angstig weg, waar zijn armen het schoone vrouwenbeeld van ideaal nu krampachtig, bijna vijandig omklemden, om met haar samen heerlijk in dat heete vuur te vergaan.Hij voelde nog vaag, hoe hij, dicht tegen haar aangedrongen, door een roode ruimte liep, een andere kamer in, waar alles brandde, hoe hij toen met haar neerzonk, duizelend, in een verre, roode diepte, en overal waren vlammen, en alles was rood voor zijn oogen, tot hij bang en tóch zalig, wegzwijmde in het felle vuur, verschroeid, als dood.…Het bleeke, triestige schemerlicht van een donkeren regenmorgen, druilend door zware, geel-kanten gordijnen, maakte hem wakker uit een loomen droom van diep, zwart niets.Hij wreef zich de oogen, rekte langzaam uit zijn leden, die slap waren en lam. Dat bleeke, gele licht.… Hoe vreemd.… Hoe vreemd.… Waar wàs hij?.…En opeens staarde hij angstig in het rond, een gil ópkroppend in zijn keel, die van schrik niet uit kon schreeuwen.Wat was dat, daar naast hem?.… Het leefde, het bewoog.…Rillend kroop hij terug in het groote bed, om het niet aan te raken.…[162]Toen kwam opeens het bewustzijn in hem terug van wat gebeurd was.O God! O God!… Het was Rosita, neen, Leliane … Neen, dat kon niet, dat mócht niet.… niet Leliane, niet Leliane.… Rosita was het, Rosita.… Neen, óók Rosita kon het niet zijn.Maar het was toch een vrouw.… Een vrouw, een mensch.… Een menschenlichaam was het, dat sliep, en zwaar ademhaalde … Ja, het leek wel op Rosita … en tóch kon het Rosita niet zijn, die zweefde in de lucht, een wiegelende ziel, zonder materie.…Een vrouwengezicht, moê, bleek, de blonde haren verward, slordig langs het kussen.… er waren vegen rood op, ineen geloopen, als gesmolten verf, die los gelaten had.… daaronder was de huid geel bleek, zonder kleur.… onder de dichte oogen diepe, blauwe kringen.… de mond was half open, niet teeder meer, met een groven trek van lust.…De fijne kanten van haar hemd waren verfrommeld, geknakt als bloemen.… haar borst was onbedekt, blank, mollig vleesch, dat op en neer ging, bij iedere ademhaling, en leefde.… maar zonder wijding nu, als gewoon.…Op het hoofdkussen lagen gescheurde, verlepte blaadjes van rozen, uit haar los-geraakte coiffure.…Een weeë, doode geur van viooltjes kwam van dat slapende lichaam, benauwd, zonder innigheid.…Wie was dit?.… Een vrouw, die op Rosita leek,[163]maar niet Rosita … Een vreemde, die hij niet kende … Een vreemd, apart, warm-ademend leven, heelemaal buiten hem, waar hij niet bij hoorde.…Toen kwam de herinnering aan den afgeloopen nacht al meer en meer in hem tot klaarheid.… Met ontzetting zag hij het ineens helder voor zich terug, wat in een roes, bijna onbewust, gebeurd was.Eerst was het een droom, een lieve verschijning van fee, licht en luchtig, als een wolk.… Toen was het al dichter en dichterbij gekomen.… al zwaarder en zwaarder was het geworden, levend en warm.… En hij had gegrepen, met bevende handen gegrepen naar het mooie, dat eerst zijne oogen enkel durfden aanbidden.… het mooie, dat óók op Leliane geleek, en daarom heilig was.…En toen … die gloed, die helle vlam, die roode hartstocht-storm, en dat woedend kloppen van zijn driftig hart!… Hoe het brandde, hoe het brandde tegen hem aan!… Hoe zijn mond het heet gedronken had van haar brandende lippen!.. Hoe hij het had omklemd, hoe hij het tegen zich aan had durven prangen, hard, bijna vijandig, of hij dat broze breken wou, uit woede, hoe het teedere eerst had uitgeschreid en toen een heete vlam was geworden, die verteerde!..O! Hij wist het opeens weer, die armen om zijn hals, het warme, zachte, schreiend tegen hem aan, de gloeiende kussen, dóórbrandend in zijn lijf … En het moede, loome neerzinken, gebroken, en dan het[164]hoog oplaaien van vlammen, telkens en telkens weer opnieuw … Zóó woedt niet een storm in stille boomen …En nú dit, en anders niet … Die bleeke, moede vrouw … die doode, weeë geur, de oogen gloedloos, zonder pracht, en het weeke vleesch zoo mat, zoo lam, zoo vreemd … zoo heel apart dat zwaar-ademende lichaam daar naast hem, hij kende het niet, hij had het nooit gezien … het kon ook nooit Rosita zijn geweest …En al het teêre, lieve, vriendelijke nu henen, om nooit weerom te komen.…Voorzichtig stapte hij uit het bed, bang om haar wakker te maken. Gelukkig, op het dikke, donzige tapijt was zijn voetstap onhoorbaar. Zij ademde rustig door, zwaar, met een piepend geluid.—Nu zich maar gauw aankleeden, zachtjes. Straks thuis zou hij zich wel wasschen. Het water zou te veel plassen in de kom, en haar misschien wekken. Wacht, toch even voorhoofd en wangen nat maken met een handdoek! Ha! hoe heerlijk koel was dat op zijn brandend gezicht! Hoe gloeide hij! Als de muur van een uitgebrand huis voelde zijn lichaam aan van buiten. Het vuur was nu verteerd, maar toch gloeide zijn huid nog na. O! Het blusschende, koele, stillende water, wat deed het goed! Nu allereerst hier weg, uit deze ondragelijke bedompte slaapkamer-atmosfeer. Hij zou hier anders nog stikken.[165]Zenuwachtig trok hij zijn kleeren aan, schrikkend bij ieder geluid, dat hij maakte. Wat was het benauwd!… O! Lucht, lucht, het was niet uit te houden … Voorzichtig deed hij de gordijnen op zijde, en trok het venster wat open.Gelukkig, het liep goed in de rollen, in elkaar gezet door bekwame handen, en het schoof geruischloos op. Een frissche stroom lucht waaide hem tegemoet.Buiten druilde het eerste schemerig morgenlicht door grauwe wolken over de dingen.Paulus zag een klein binnenplaatsje, ongure, verweerde, oude muren, en leelijke daken van huizen. Alles stond triestig en doodsch te drenzen in lamme verveling. Alleen in het kleine tuintje achter Rosita’s woning stond een dunne, hooge populier, eenzaam en vervreemd. Een vogeltje begon er zacht in te tjilpen. En een groote weemoed kwam er van in Paulus’ ziel. Hij dacht om den morgen in het bosch. Hoe kwam dit lieve vogeltje hier zoo verdwaald in dien eenzamen boom?…In de verte hoorde hij gerommel van een wagen, en een vaag gedruisch ruischte aan, onbestemd. De groote stad begon te bewegen, zachtjes, voorzichtig nog. Nú een rijtuig, ratelend over een straat, een geklets van paardehoeven.Hoor! Een haan kraaide, schel, hoog geluid.Het grijze geschemer werd al lichter, en achter[166]de donkere wolken begon iets te glanzen. De nieuwe dag brak aan over de wereld.Toen stroomden de tranen wild uit zijne oogen, en snikken kropten op uit zijn borst.Hij viel op een zachte divan neer, en verborg het hoofd in een kussen, dat die vreemde vrouw daar zijn snikken niet zou hooren.„Leliane!… Leliane!…” fluisterde het in zijn ziel. „Mag ik haar nu nog aanbidden, Leliane?…”Totdat de wilde tranenvloed eindelijk bedaarde, en hij angstig de kamer uit kon sluipen, zachtjes op de punten der teenen, de trap af naar de voordeur, heimelijk, als een dief.…[167]
[Inhoud]HOOFDSTUK X.De luchtige feeën-gratie van Rosita was al die dagen niet van hem weggeweest, en als een kleurige vlinder, telkens weer terug-fladderend, was zij door zijn ernstige gedachten heengewiegeld.Avond aan avond was hij teruggekomen in het Variété, op de voorste rij van de stalles d’orchestre, om haar voor hem te zien verschijnen als een licht visioen, zwevend met haar roze droom-lijfje in de witte wolkjes van kant en tulle, ijl in het ledig, als een broze, kleurige vogel, zonder den grond te raken, een liefelijk licht-wezen van enkel droom en glans.Zij verscheen hem na het drukkende, moeitevolle bestaan van den dag tusschen de kille huizen en de vreemde menschen, als het mooiste en teerste uit zijn vroegere, jonge leven, met al de bekoring van zijn boomen uit het bosch, met de fijne transparantheid der morgen-nevelen over het gras, met de weifelende kleur-nuances van avond-schemering, met de pure schittering van de sterren.[150]Maar een vage droefheid kwam weleens in hem opgeweld, door al zijne verrukking heen, hoe het zijn kon, dat dit schoon zoo bedriegelijk op Leliane geleek, en toch Leliane niet zijn kon, omdat het Rosita was. Ook kwam er somtijds een ongekende, vreemde ontroering in hem, die hij nooit bij het biddend aanschouwen van Leliane gevoeld had, een onbestemde angstigheid, wee en huiverig, die pijn deed, en zijn ziel deed sidderen.…Hij had Marcelio verteld, hoe hij dikwijls naar het Variété werd toegedreven door een zenuwachtig gevoel, dat sterker was dan zijn wil, en hoe hij somtijds niet kalm kon zitten studeeren, omdat hij dan altijd die vlinderachtige roze vrouwen-figuur vóór zich zag zweven. Het liet hem geen rust, telkens kwam het terug, en dikwijls was zijn leven een onbewust wachten op het uur, dat hij haar zou zien verschijnen. En hoe meer hij haar nu al gezien had, des te sterker kwam het terug.…Dan lachte Marcelio guitig-geheimzinnig, zooals hij wel meer gedaan had. Hij raadde Paulus aan, haar eens wat bloemen te sturen, zooals de gewoonte was, als iemand haar erg mooi vond, en haar dat wilde zeggen. En Paulus vond dat heerlijk. Ja, spreken was eigenlijk te gewoon tegen zoo’n luchtig droom-wezen, dat in het ijle zweefde. Veel mooier was het, haar met bloemen te zeggen, hoe zij zijn ziel verrukte.Zijn liefste bloemen moesten het zijn, die het innigste[151]waren, en teeder als de dingen, die hij haar toch niet zou durven zeggen. En hij kocht nu elken avond een corbeille met enkel viooltjes voor haar, die haar op het tooneel werd gebracht.Hoe heerlijk, als zij dan, lachende, op de toppen der fijne voetjes zwevend, terugkwam voor het voetlicht, en genadiglijk de bloemen tot zich nam! Dan was het Paulus, of zij de liefste gedachten van innigheid had medegenomen uit zijn binnenste. Zoo ging het avond na avond, en nooit dacht Paulus er aan, haar dichter te durven naderen dan met die simpele viooltjes uit zijn hart, tot eindelijk Marcelio hem kwam vertellen, dat hij haar gesproken had, en zij naar zijn jongen vriend gevraagd had, die altijd zoo galant voor bloemen zorgde als zij optrad.„Ze vindt het zóó aardig van je,” zeide hij, „dat ze je door me laat vragen, of je eens met haar wilt soupeeren, en met haar in haar rijtuig naar huis gaan, na de voorstelling. Ze wil absoluut eens kennis met je maken.”Paulus schrikte.Het leek hem zoo onmogelijk.Dat wezentje van glans en droom, dat luchtig zweefde in de luchten, dat hij altijd had gezien in een verre, aparte sfeer, buiten het reëele, hoe zou zij ooit tegen hem spreken kunnen, gewoon als ieder ander, hoe zou hij naast haar kunnen zitten in een rijtuig, ratelend door de straten?[152]En hij begreep het niet.„Hoe kán dat?.…” zeide hij, verwonderd. „Marcelio, dat kán toch niet.…”En weer lachte Marcelio geheimzinnig.Hij had niet aan Paulus verteld, hoe goed hij Rosita kende, die eene oude vriendin van hem was, en hoe dikwijls hij haar van zijn jong, onervaren vriendje verteld had, die de vrouwen nog niet kende, en ontgroend moest worden. En hoe Rosita nieuwsgierig geprikkeld, en ook vereerd door zulk een simpele aanbidding, zich door Marcelio had laten overhalen, om het jonge droomertje eens te vragen.Dien avond zat Paulus in angstige spanning in het Variété. Hij had met Marcelio gedineerd, die hem had overgehaald, weer wat champagne te drinken.Toen hij Rosita weer zag aanzweven boven de bloemen, als een lucht-wezen van niets dan droom en liefelijkheid, kon hij zich onmogelijk voorstellen, dat zij straks in de heel gewone werkelijkheid als een vrouw voor hem zou staan, en tegen hem zou spreken. En heimelijk hoopte hij eigenlijk, dat het ook niet zou kunnen gebeuren, al verlangde hij er tegelijkertijd tóch naar.Toen zij ná het ballet weer omhoog zweefde tusschen de witte wolken, dacht hij stellig, „nu is ze ook heen in hooger sferen, nu kan ik haar ook niet meer zien.” Maar Marcelio schrikte hem weldra wakker.„Kom nu mee,” zeide hij, „ze gaat zich kleeden,[153]en haar rijtuig staat te wachten in het zijstraatje links naast het gebouw. Maar drink eerst nog een gobelet goede champagne. Dat wekt je wat op.”Een beetje bang, half onwillig ging Paulus mede, en liep toen met Marcelio wat op en neer in de zijstraat buiten.Tot een deur openging, en een luchte gestalte met zilverachtig geruisch van zijde aan kwam wuiven.Nu gebeurde verder alles aan Paulus als in een roes. Zachte, melodieuze woorden dreven als muziek over zijn ziel. Hij voelde zich buigen, hoorde zich wat beleefdheidswoorden prevelen, en zag opeens, dat hij in een rijtuig zat, met een vreemd, zacht vrouwenlichaam naast zich. Er kwam zoete, bedwelmende geur van haar, als van een bloem.Hij kon haar niet goed zien in het donker van den coupé. Nu en dan, als zij voorbij een lantaarn reden, schemerde haar lief, lachend gezicht even voor hem op, om dan weer te vervagen, als iets dat even oplicht in een droom, en dra weer in het niet verdwijnt.Hij wilde even voorzichtig met zijne hand haar aanraken, om te weten of hij niet droomde, maar voelde niets dan weg-ritselende kant en donzen veeren.Eindelijk hield het rijtuig stil. Hij voelde een zachte hand die hem medenam, hem voortleidde, een trap op, naar boven.[154]En opeens stond hij in de werkelijkheid, in een lichte kamer.Zij stond voor hem, lachend, met al de betoovering van haar luchte gratie naar hem toe. Ook zij, evenals Leliane, was mooier dan een vlinder of een bloem, vond hij. Een zachte, vreemde geur van viooltjes droomde van haar af; zijn al van de champagne lichtelijk dronken hoofd duizelde er van. Zij had een lichtroze lijfje aan van glanzende zijde, en toen zij een donzige sortie van witte veeren afdeed was haar blanke halsen decolletéopen. De voorzichtige, zachte opwelving van haar borst was van een groote teederheid, en zij deed hem aan als een gebaar van haar ziel. Haar volle, witte armen kwamen nu en dan uit het veeren dons, als vreemde, betooverende verschijningen.Aan hare gestalte was iets luchtigs, iets van trilling en ruisching, als van een vogel, die straks zou opvliegen in de lucht. Zóó zou zij ieder oogenblik kunnen opspringen, en dansen dien luchtigen, zwevenden dans, waarin hij haar zooeven als een vlinder zwevend had zien wiegelen.Haar zijden rok ruischte, en aan haar arm ritselde zacht-zilveren geluid van schuivende edelsteenen. Zij zag hem aan, nieuwsgierig hoe haar nieuwe aanbidder er van dichtbij uitzag. Een aardig, jong kereltje, vond zij. Die nog niet goed durfde. Die zeker nog erg verlegen zou zijn. Zij hield wel van zulke maagd-jongelingen.[155]En ze lachte.Hij vond het erg vriendelijk van haar, en hij was er heel blij mee. Hoe zacht en glanzend was alles aan haar! Al die zijde, en dat dons, en die schitterende steenen, waar heilig vuur en licht in leefden! Hoe fijn en ijl waren die gouden haren van haar kapsel, als uit zonnestralen geweven! Ja, het was toch waar. Een vrouw was mooier nog dan bloemen. Dit liefelijke en lachende daar voór hem was van inniger uitdrukking nog dan een lichte lente-roos. Maar vooral dat even, vage opwelven van haar blanke, zachte borst deed hem aan met eene wonderlijke ontroering, blijde en toch om van te weenen, heilig, en toch met een bijna pijnlijke schrijning van lust, die hij voor den eersten keer in zich voelde opwellen uit verre onbewustheden van zijn wezen.En,—vreemd! dit leek op Leliane, dit had zéér bedriegelijk iets van Leliane in zich, en kon tóch Leliane niet zijn. Bij het eerbiedig aanschouwen van de slapende prinses, met haar blanken boezem zachtekens deinend op het teere rythme van hare ademing, had hij iets anders gevoeld, niet dit schrijnende in hem, dat bijna pijn deed. Éven weifelde hij, hoorde hij als eene vage waarschuwing in zich fluisteren, nu op zijn hoede te zijn …Maar Rosita had al gesproken met een melodieuze, vleiende stem, die hem zachtelijk bedwelmde, even zeer als de weeë bloemenlucht die van haar afdroomde,[156]en die iets van viooltjesgeur had, maar toch niet hetzelfde zijn kon. Dat zoete parfum, die weeke stem, dat duizelen van champagne-opwinding in zijn hoofd, maakten dat hij zich als een willoos kind overgaf aan de bekoring.„Wou je met me soupeeren?” vroeg ze, en keek hem guitig-lachend aan, met haar gezicht vlak bij het zijne. „Waarom zag je me altijd zoo aan en stuurde je me bloemen?”En hij zeide het, eerlijk:„Ik heb je immers zien dansen! Je was zoo mooi en zoo licht. Mooier dan een bloem was je. Je wiegde liefelijker dan een wit-en-roze vlinder. Ik moest er van lachen en schreien tegelijk. Ik heb nog nooit zoo iets gezien. Altijd zou ik je zoo willen zien, in dat schitterende licht, met je ranke, luchtige lijf bewegend in wuivende tulle rokjes, die als witte wolkjes om je zijn. Je kleine voeten doen dan zoo heel vreemde dingen. Het is of ze me allerlei sprookjes vertellen, die ik lang vergeten was, en dán ineens weer weet. Maar als je ophoudt met dansen ben ik ze ook weer vergeten. Zóó wuiven de fijnste varens niet in het bosch, op zóó zachten adem, als toen je zooeven je lijf liet voort droomen op dat bevende Adagio van de violen.… Je bent zoo mooi, zoo mooi, zoo mooi,… je lijkt wel uit de bladen van roze rozen, en de gouden stralen van de zon, en de witte wolkjes in de lucht geboren te zijn, en je vervult mijn ziel met lieve, zachte muziek …”[157]Bewonderend, met schitterende oogen zag hij haar aan, in argelooze overgave, en geen gevaar meer voorgevoelend in den glans van het enkel maar mooie, dat óók op Leliane geleek. Hij zeide nu zelfs ook veel van de woorden uit zijn ziel, die hij eens tot Leliane had durven spreken.Rosita zag hem verrast aan. Toch wel aardig, zoo’n jong mannetje nog. Wat een heerlijke kleur op zijn wangen! Die hadden haar aanbidders gewoonlijk niet meer, met hun bleeke, verveelde blasé-gezichten! En zóó spraken ze ook niet tegen haar.„Ik dank je nog wèl voor je mooie bloemen,” zeide zij, lief. „Ik houd veel van bloemen. Vooral van viooltjes, die krijg ik bijna nooit. Het zijn altijd rozen. Niemand die ooit om viooltjes denkt. En die zijn juist mijn lievelingen. Mijn parfum is ook altijd violettes de Parme. Ruik je het niet? Ik sprenkel het altijd op mijn schouders en mijn hals.”Ze boog zich nu tot hem over, met haar verblindend blanke hals dicht bij zijn hoofd.Hij rook den geur van zijn liefste bloemen uit het bosch, maar scherper, doordringender dan ooit, met een bedwelmende, weeë innigheid, die weer den ongekenden, brandenden gloed met een golf door zijn rillend lijf deed gaan. Zóó hevig had hij nooit een bloemengeur gevoeld, die bijna pijnlijk was, en toch lief deed met warme streeling.„Je bent eigenlijk zélf een bloem,” zeide hij, met[158]zijne oogen aldoor bewonderend opgeslagen tot de hare. „Je ruikt zelf als een bloem van wonderen geur. Maar je bent nóg zachter en teêrder. En je bedwelmt me nog, als je zoo dicht bij me bent. Mijn hoofd wordt er moê van en loom. Maar toch is het heerlijk, al doet het bijna pijn. Ik ben ook een beetje bang van je, geloof ik.”„Malle jongen!” zei ze lachend. „Bang? Ik zal je niet opeten, hoor, al heb je wangen als roode belle-fleurs! Ik zal je misschien alleen een zoen geven. Heb je wel eens goed gezoend? Wil je me wel eens een kus geven, zeg?”Ze sloeg haar zachte armen om zijn hals, en zoende hem op zijn wang.Het was zóó innig, en kwam zóó onverwacht voor hem, dat hij een zachten gil gaf, en het hoofd tegen haar borst liet zinken van duizeling. En hij dacht er niet aan, haar terug te kussen.Éven voelde hij nog héél achter in ziel, flauw en vaag, als een zachte stem, waarschuwend en bang. Maar door de duizeling van zijn hoofd zonk het weg, verdoofd, kwam niet meer tot bewustzijn.En hoe langer hoe meer begon het mooie van haar op Leliane te gelijken.Later, als hij om deze emoties dacht, wist hij nog zeker, dat hij alleen het mooie van haar zag, en niets anders wist dat hem zoo verrukte.…„En nu gaan we eens gezellig wat soupeeren,”[159]zeide zij, hem meetronend naar het canapétje voor een sierlijk gedekt tafeltje.Daar lagen zijne welbekende, vertrouwde vruchten, zachte, blozende perziken, roze, fluweelige peren, innig blauwe druiven, in frisch, dauw-bepareld groen. Het leek alles intiem, zonder slechtheid.Zij had, op Marcelio’s raad, geen wild doen klaarzetten, alleen zacht, wit luxebrood, en honig, en gebak. Maar champagne moest hij toch drinken. En het edele vocht zag zoo nobel, met goud-gelen glans, dat hij het met vreugde opdronk, toen zij hem den fijn geslepen kelk toereikte, met vriendelijken lach. Er was stille vertrouwelijkheid in het rustige, roode boudoirtje, met het mollige tapijt, en de schitterende Venetiaansche spiegels, de étagèretjes met broze bibelots, de gezellige poufs, en de roze gloei-kelkjes electrisch licht op tafel.Bloemen lagen hier en daar op het witte damast, en zagen vriendelijk uit ranke vaasjes. Zij zelve had lichte rozen in het blonde haar. Het was hem als beleefde hij nu iets uit een sprookje, niets dan vriendelijkheid en liefelijkheid, en enkel mooie dingen. Nog zag hij enkel het mooie er van, en hij genoot het in blij verbazen, zooals een kind dat, met schitterende oogen, de handjes uitstrekt naar dingen die licht zijn en kleurig.De champagne benevelde hem. Een zacht suizen ging door zijn hoofd. Hij hoorde somtijds het melodieuze[160]klinken van haar lieve stem als van verre, en voelde neiging, om nu ergens neer te liggen en in te slapen onder dat gezang, zooals hij in het bosch wel eens gesluimerd had onder het zingen van een vogel. Dán voelde hij ineens weer dien vreemden gloed in zich, of om zijn ziel iets begon te branden, een gloed, die opsteeg van zijn voeten naar zijn hoofd, met lange, rekkende rillingen over zijn lijf.Dán was het even angstig, tot het weer zacht vervloeide in loomheid, vaag zalig.Die zoete geur, die om haar was, die teere rondingen van haar borst, die blankheid van haar armen, die vochtig-warme blik van hare oogen! Hij voelde zich langzamerhand als bezwijmen onder het warme, innige, dat van haar uitging als van eene exotische bloem, die verdooven doet. Zijne wangen gloeiden, hoogrood, en zijne oogen schitterden als van koorts. En telkens steeg de vreemde gloed weer in hem op, met ontstuimiger golving.Tot zij hem opeens in haar armen nam, met haar warme, geurige lijf op zijn schoot, en hem hartstochtelijk kuste op zijn mond.Toen sloeg de roode vlam eindelijk omhoog, uit den gloed waarin zijn ziel nu zou verteren, en hij voelde het felle vuur iets van de liefste en teerste dingen verschroeien, die in hem waren geweest. Met een kreet van pijn en lust gaf hij zijn jongenslichaam over aan den ongekenden hartstocht-storm, en zijn[161]ziel van droom en mijmering duisterde angstig weg, waar zijn armen het schoone vrouwenbeeld van ideaal nu krampachtig, bijna vijandig omklemden, om met haar samen heerlijk in dat heete vuur te vergaan.Hij voelde nog vaag, hoe hij, dicht tegen haar aangedrongen, door een roode ruimte liep, een andere kamer in, waar alles brandde, hoe hij toen met haar neerzonk, duizelend, in een verre, roode diepte, en overal waren vlammen, en alles was rood voor zijn oogen, tot hij bang en tóch zalig, wegzwijmde in het felle vuur, verschroeid, als dood.…Het bleeke, triestige schemerlicht van een donkeren regenmorgen, druilend door zware, geel-kanten gordijnen, maakte hem wakker uit een loomen droom van diep, zwart niets.Hij wreef zich de oogen, rekte langzaam uit zijn leden, die slap waren en lam. Dat bleeke, gele licht.… Hoe vreemd.… Hoe vreemd.… Waar wàs hij?.…En opeens staarde hij angstig in het rond, een gil ópkroppend in zijn keel, die van schrik niet uit kon schreeuwen.Wat was dat, daar naast hem?.… Het leefde, het bewoog.…Rillend kroop hij terug in het groote bed, om het niet aan te raken.…[162]Toen kwam opeens het bewustzijn in hem terug van wat gebeurd was.O God! O God!… Het was Rosita, neen, Leliane … Neen, dat kon niet, dat mócht niet.… niet Leliane, niet Leliane.… Rosita was het, Rosita.… Neen, óók Rosita kon het niet zijn.Maar het was toch een vrouw.… Een vrouw, een mensch.… Een menschenlichaam was het, dat sliep, en zwaar ademhaalde … Ja, het leek wel op Rosita … en tóch kon het Rosita niet zijn, die zweefde in de lucht, een wiegelende ziel, zonder materie.…Een vrouwengezicht, moê, bleek, de blonde haren verward, slordig langs het kussen.… er waren vegen rood op, ineen geloopen, als gesmolten verf, die los gelaten had.… daaronder was de huid geel bleek, zonder kleur.… onder de dichte oogen diepe, blauwe kringen.… de mond was half open, niet teeder meer, met een groven trek van lust.…De fijne kanten van haar hemd waren verfrommeld, geknakt als bloemen.… haar borst was onbedekt, blank, mollig vleesch, dat op en neer ging, bij iedere ademhaling, en leefde.… maar zonder wijding nu, als gewoon.…Op het hoofdkussen lagen gescheurde, verlepte blaadjes van rozen, uit haar los-geraakte coiffure.…Een weeë, doode geur van viooltjes kwam van dat slapende lichaam, benauwd, zonder innigheid.…Wie was dit?.… Een vrouw, die op Rosita leek,[163]maar niet Rosita … Een vreemde, die hij niet kende … Een vreemd, apart, warm-ademend leven, heelemaal buiten hem, waar hij niet bij hoorde.…Toen kwam de herinnering aan den afgeloopen nacht al meer en meer in hem tot klaarheid.… Met ontzetting zag hij het ineens helder voor zich terug, wat in een roes, bijna onbewust, gebeurd was.Eerst was het een droom, een lieve verschijning van fee, licht en luchtig, als een wolk.… Toen was het al dichter en dichterbij gekomen.… al zwaarder en zwaarder was het geworden, levend en warm.… En hij had gegrepen, met bevende handen gegrepen naar het mooie, dat eerst zijne oogen enkel durfden aanbidden.… het mooie, dat óók op Leliane geleek, en daarom heilig was.…En toen … die gloed, die helle vlam, die roode hartstocht-storm, en dat woedend kloppen van zijn driftig hart!… Hoe het brandde, hoe het brandde tegen hem aan!… Hoe zijn mond het heet gedronken had van haar brandende lippen!.. Hoe hij het had omklemd, hoe hij het tegen zich aan had durven prangen, hard, bijna vijandig, of hij dat broze breken wou, uit woede, hoe het teedere eerst had uitgeschreid en toen een heete vlam was geworden, die verteerde!..O! Hij wist het opeens weer, die armen om zijn hals, het warme, zachte, schreiend tegen hem aan, de gloeiende kussen, dóórbrandend in zijn lijf … En het moede, loome neerzinken, gebroken, en dan het[164]hoog oplaaien van vlammen, telkens en telkens weer opnieuw … Zóó woedt niet een storm in stille boomen …En nú dit, en anders niet … Die bleeke, moede vrouw … die doode, weeë geur, de oogen gloedloos, zonder pracht, en het weeke vleesch zoo mat, zoo lam, zoo vreemd … zoo heel apart dat zwaar-ademende lichaam daar naast hem, hij kende het niet, hij had het nooit gezien … het kon ook nooit Rosita zijn geweest …En al het teêre, lieve, vriendelijke nu henen, om nooit weerom te komen.…Voorzichtig stapte hij uit het bed, bang om haar wakker te maken. Gelukkig, op het dikke, donzige tapijt was zijn voetstap onhoorbaar. Zij ademde rustig door, zwaar, met een piepend geluid.—Nu zich maar gauw aankleeden, zachtjes. Straks thuis zou hij zich wel wasschen. Het water zou te veel plassen in de kom, en haar misschien wekken. Wacht, toch even voorhoofd en wangen nat maken met een handdoek! Ha! hoe heerlijk koel was dat op zijn brandend gezicht! Hoe gloeide hij! Als de muur van een uitgebrand huis voelde zijn lichaam aan van buiten. Het vuur was nu verteerd, maar toch gloeide zijn huid nog na. O! Het blusschende, koele, stillende water, wat deed het goed! Nu allereerst hier weg, uit deze ondragelijke bedompte slaapkamer-atmosfeer. Hij zou hier anders nog stikken.[165]Zenuwachtig trok hij zijn kleeren aan, schrikkend bij ieder geluid, dat hij maakte. Wat was het benauwd!… O! Lucht, lucht, het was niet uit te houden … Voorzichtig deed hij de gordijnen op zijde, en trok het venster wat open.Gelukkig, het liep goed in de rollen, in elkaar gezet door bekwame handen, en het schoof geruischloos op. Een frissche stroom lucht waaide hem tegemoet.Buiten druilde het eerste schemerig morgenlicht door grauwe wolken over de dingen.Paulus zag een klein binnenplaatsje, ongure, verweerde, oude muren, en leelijke daken van huizen. Alles stond triestig en doodsch te drenzen in lamme verveling. Alleen in het kleine tuintje achter Rosita’s woning stond een dunne, hooge populier, eenzaam en vervreemd. Een vogeltje begon er zacht in te tjilpen. En een groote weemoed kwam er van in Paulus’ ziel. Hij dacht om den morgen in het bosch. Hoe kwam dit lieve vogeltje hier zoo verdwaald in dien eenzamen boom?…In de verte hoorde hij gerommel van een wagen, en een vaag gedruisch ruischte aan, onbestemd. De groote stad begon te bewegen, zachtjes, voorzichtig nog. Nú een rijtuig, ratelend over een straat, een geklets van paardehoeven.Hoor! Een haan kraaide, schel, hoog geluid.Het grijze geschemer werd al lichter, en achter[166]de donkere wolken begon iets te glanzen. De nieuwe dag brak aan over de wereld.Toen stroomden de tranen wild uit zijne oogen, en snikken kropten op uit zijn borst.Hij viel op een zachte divan neer, en verborg het hoofd in een kussen, dat die vreemde vrouw daar zijn snikken niet zou hooren.„Leliane!… Leliane!…” fluisterde het in zijn ziel. „Mag ik haar nu nog aanbidden, Leliane?…”Totdat de wilde tranenvloed eindelijk bedaarde, en hij angstig de kamer uit kon sluipen, zachtjes op de punten der teenen, de trap af naar de voordeur, heimelijk, als een dief.…[167]
HOOFDSTUK X.
De luchtige feeën-gratie van Rosita was al die dagen niet van hem weggeweest, en als een kleurige vlinder, telkens weer terug-fladderend, was zij door zijn ernstige gedachten heengewiegeld.Avond aan avond was hij teruggekomen in het Variété, op de voorste rij van de stalles d’orchestre, om haar voor hem te zien verschijnen als een licht visioen, zwevend met haar roze droom-lijfje in de witte wolkjes van kant en tulle, ijl in het ledig, als een broze, kleurige vogel, zonder den grond te raken, een liefelijk licht-wezen van enkel droom en glans.Zij verscheen hem na het drukkende, moeitevolle bestaan van den dag tusschen de kille huizen en de vreemde menschen, als het mooiste en teerste uit zijn vroegere, jonge leven, met al de bekoring van zijn boomen uit het bosch, met de fijne transparantheid der morgen-nevelen over het gras, met de weifelende kleur-nuances van avond-schemering, met de pure schittering van de sterren.[150]Maar een vage droefheid kwam weleens in hem opgeweld, door al zijne verrukking heen, hoe het zijn kon, dat dit schoon zoo bedriegelijk op Leliane geleek, en toch Leliane niet zijn kon, omdat het Rosita was. Ook kwam er somtijds een ongekende, vreemde ontroering in hem, die hij nooit bij het biddend aanschouwen van Leliane gevoeld had, een onbestemde angstigheid, wee en huiverig, die pijn deed, en zijn ziel deed sidderen.…Hij had Marcelio verteld, hoe hij dikwijls naar het Variété werd toegedreven door een zenuwachtig gevoel, dat sterker was dan zijn wil, en hoe hij somtijds niet kalm kon zitten studeeren, omdat hij dan altijd die vlinderachtige roze vrouwen-figuur vóór zich zag zweven. Het liet hem geen rust, telkens kwam het terug, en dikwijls was zijn leven een onbewust wachten op het uur, dat hij haar zou zien verschijnen. En hoe meer hij haar nu al gezien had, des te sterker kwam het terug.…Dan lachte Marcelio guitig-geheimzinnig, zooals hij wel meer gedaan had. Hij raadde Paulus aan, haar eens wat bloemen te sturen, zooals de gewoonte was, als iemand haar erg mooi vond, en haar dat wilde zeggen. En Paulus vond dat heerlijk. Ja, spreken was eigenlijk te gewoon tegen zoo’n luchtig droom-wezen, dat in het ijle zweefde. Veel mooier was het, haar met bloemen te zeggen, hoe zij zijn ziel verrukte.Zijn liefste bloemen moesten het zijn, die het innigste[151]waren, en teeder als de dingen, die hij haar toch niet zou durven zeggen. En hij kocht nu elken avond een corbeille met enkel viooltjes voor haar, die haar op het tooneel werd gebracht.Hoe heerlijk, als zij dan, lachende, op de toppen der fijne voetjes zwevend, terugkwam voor het voetlicht, en genadiglijk de bloemen tot zich nam! Dan was het Paulus, of zij de liefste gedachten van innigheid had medegenomen uit zijn binnenste. Zoo ging het avond na avond, en nooit dacht Paulus er aan, haar dichter te durven naderen dan met die simpele viooltjes uit zijn hart, tot eindelijk Marcelio hem kwam vertellen, dat hij haar gesproken had, en zij naar zijn jongen vriend gevraagd had, die altijd zoo galant voor bloemen zorgde als zij optrad.„Ze vindt het zóó aardig van je,” zeide hij, „dat ze je door me laat vragen, of je eens met haar wilt soupeeren, en met haar in haar rijtuig naar huis gaan, na de voorstelling. Ze wil absoluut eens kennis met je maken.”Paulus schrikte.Het leek hem zoo onmogelijk.Dat wezentje van glans en droom, dat luchtig zweefde in de luchten, dat hij altijd had gezien in een verre, aparte sfeer, buiten het reëele, hoe zou zij ooit tegen hem spreken kunnen, gewoon als ieder ander, hoe zou hij naast haar kunnen zitten in een rijtuig, ratelend door de straten?[152]En hij begreep het niet.„Hoe kán dat?.…” zeide hij, verwonderd. „Marcelio, dat kán toch niet.…”En weer lachte Marcelio geheimzinnig.Hij had niet aan Paulus verteld, hoe goed hij Rosita kende, die eene oude vriendin van hem was, en hoe dikwijls hij haar van zijn jong, onervaren vriendje verteld had, die de vrouwen nog niet kende, en ontgroend moest worden. En hoe Rosita nieuwsgierig geprikkeld, en ook vereerd door zulk een simpele aanbidding, zich door Marcelio had laten overhalen, om het jonge droomertje eens te vragen.Dien avond zat Paulus in angstige spanning in het Variété. Hij had met Marcelio gedineerd, die hem had overgehaald, weer wat champagne te drinken.Toen hij Rosita weer zag aanzweven boven de bloemen, als een lucht-wezen van niets dan droom en liefelijkheid, kon hij zich onmogelijk voorstellen, dat zij straks in de heel gewone werkelijkheid als een vrouw voor hem zou staan, en tegen hem zou spreken. En heimelijk hoopte hij eigenlijk, dat het ook niet zou kunnen gebeuren, al verlangde hij er tegelijkertijd tóch naar.Toen zij ná het ballet weer omhoog zweefde tusschen de witte wolken, dacht hij stellig, „nu is ze ook heen in hooger sferen, nu kan ik haar ook niet meer zien.” Maar Marcelio schrikte hem weldra wakker.„Kom nu mee,” zeide hij, „ze gaat zich kleeden,[153]en haar rijtuig staat te wachten in het zijstraatje links naast het gebouw. Maar drink eerst nog een gobelet goede champagne. Dat wekt je wat op.”Een beetje bang, half onwillig ging Paulus mede, en liep toen met Marcelio wat op en neer in de zijstraat buiten.Tot een deur openging, en een luchte gestalte met zilverachtig geruisch van zijde aan kwam wuiven.Nu gebeurde verder alles aan Paulus als in een roes. Zachte, melodieuze woorden dreven als muziek over zijn ziel. Hij voelde zich buigen, hoorde zich wat beleefdheidswoorden prevelen, en zag opeens, dat hij in een rijtuig zat, met een vreemd, zacht vrouwenlichaam naast zich. Er kwam zoete, bedwelmende geur van haar, als van een bloem.Hij kon haar niet goed zien in het donker van den coupé. Nu en dan, als zij voorbij een lantaarn reden, schemerde haar lief, lachend gezicht even voor hem op, om dan weer te vervagen, als iets dat even oplicht in een droom, en dra weer in het niet verdwijnt.Hij wilde even voorzichtig met zijne hand haar aanraken, om te weten of hij niet droomde, maar voelde niets dan weg-ritselende kant en donzen veeren.Eindelijk hield het rijtuig stil. Hij voelde een zachte hand die hem medenam, hem voortleidde, een trap op, naar boven.[154]En opeens stond hij in de werkelijkheid, in een lichte kamer.Zij stond voor hem, lachend, met al de betoovering van haar luchte gratie naar hem toe. Ook zij, evenals Leliane, was mooier dan een vlinder of een bloem, vond hij. Een zachte, vreemde geur van viooltjes droomde van haar af; zijn al van de champagne lichtelijk dronken hoofd duizelde er van. Zij had een lichtroze lijfje aan van glanzende zijde, en toen zij een donzige sortie van witte veeren afdeed was haar blanke halsen decolletéopen. De voorzichtige, zachte opwelving van haar borst was van een groote teederheid, en zij deed hem aan als een gebaar van haar ziel. Haar volle, witte armen kwamen nu en dan uit het veeren dons, als vreemde, betooverende verschijningen.Aan hare gestalte was iets luchtigs, iets van trilling en ruisching, als van een vogel, die straks zou opvliegen in de lucht. Zóó zou zij ieder oogenblik kunnen opspringen, en dansen dien luchtigen, zwevenden dans, waarin hij haar zooeven als een vlinder zwevend had zien wiegelen.Haar zijden rok ruischte, en aan haar arm ritselde zacht-zilveren geluid van schuivende edelsteenen. Zij zag hem aan, nieuwsgierig hoe haar nieuwe aanbidder er van dichtbij uitzag. Een aardig, jong kereltje, vond zij. Die nog niet goed durfde. Die zeker nog erg verlegen zou zijn. Zij hield wel van zulke maagd-jongelingen.[155]En ze lachte.Hij vond het erg vriendelijk van haar, en hij was er heel blij mee. Hoe zacht en glanzend was alles aan haar! Al die zijde, en dat dons, en die schitterende steenen, waar heilig vuur en licht in leefden! Hoe fijn en ijl waren die gouden haren van haar kapsel, als uit zonnestralen geweven! Ja, het was toch waar. Een vrouw was mooier nog dan bloemen. Dit liefelijke en lachende daar voór hem was van inniger uitdrukking nog dan een lichte lente-roos. Maar vooral dat even, vage opwelven van haar blanke, zachte borst deed hem aan met eene wonderlijke ontroering, blijde en toch om van te weenen, heilig, en toch met een bijna pijnlijke schrijning van lust, die hij voor den eersten keer in zich voelde opwellen uit verre onbewustheden van zijn wezen.En,—vreemd! dit leek op Leliane, dit had zéér bedriegelijk iets van Leliane in zich, en kon tóch Leliane niet zijn. Bij het eerbiedig aanschouwen van de slapende prinses, met haar blanken boezem zachtekens deinend op het teere rythme van hare ademing, had hij iets anders gevoeld, niet dit schrijnende in hem, dat bijna pijn deed. Éven weifelde hij, hoorde hij als eene vage waarschuwing in zich fluisteren, nu op zijn hoede te zijn …Maar Rosita had al gesproken met een melodieuze, vleiende stem, die hem zachtelijk bedwelmde, even zeer als de weeë bloemenlucht die van haar afdroomde,[156]en die iets van viooltjesgeur had, maar toch niet hetzelfde zijn kon. Dat zoete parfum, die weeke stem, dat duizelen van champagne-opwinding in zijn hoofd, maakten dat hij zich als een willoos kind overgaf aan de bekoring.„Wou je met me soupeeren?” vroeg ze, en keek hem guitig-lachend aan, met haar gezicht vlak bij het zijne. „Waarom zag je me altijd zoo aan en stuurde je me bloemen?”En hij zeide het, eerlijk:„Ik heb je immers zien dansen! Je was zoo mooi en zoo licht. Mooier dan een bloem was je. Je wiegde liefelijker dan een wit-en-roze vlinder. Ik moest er van lachen en schreien tegelijk. Ik heb nog nooit zoo iets gezien. Altijd zou ik je zoo willen zien, in dat schitterende licht, met je ranke, luchtige lijf bewegend in wuivende tulle rokjes, die als witte wolkjes om je zijn. Je kleine voeten doen dan zoo heel vreemde dingen. Het is of ze me allerlei sprookjes vertellen, die ik lang vergeten was, en dán ineens weer weet. Maar als je ophoudt met dansen ben ik ze ook weer vergeten. Zóó wuiven de fijnste varens niet in het bosch, op zóó zachten adem, als toen je zooeven je lijf liet voort droomen op dat bevende Adagio van de violen.… Je bent zoo mooi, zoo mooi, zoo mooi,… je lijkt wel uit de bladen van roze rozen, en de gouden stralen van de zon, en de witte wolkjes in de lucht geboren te zijn, en je vervult mijn ziel met lieve, zachte muziek …”[157]Bewonderend, met schitterende oogen zag hij haar aan, in argelooze overgave, en geen gevaar meer voorgevoelend in den glans van het enkel maar mooie, dat óók op Leliane geleek. Hij zeide nu zelfs ook veel van de woorden uit zijn ziel, die hij eens tot Leliane had durven spreken.Rosita zag hem verrast aan. Toch wel aardig, zoo’n jong mannetje nog. Wat een heerlijke kleur op zijn wangen! Die hadden haar aanbidders gewoonlijk niet meer, met hun bleeke, verveelde blasé-gezichten! En zóó spraken ze ook niet tegen haar.„Ik dank je nog wèl voor je mooie bloemen,” zeide zij, lief. „Ik houd veel van bloemen. Vooral van viooltjes, die krijg ik bijna nooit. Het zijn altijd rozen. Niemand die ooit om viooltjes denkt. En die zijn juist mijn lievelingen. Mijn parfum is ook altijd violettes de Parme. Ruik je het niet? Ik sprenkel het altijd op mijn schouders en mijn hals.”Ze boog zich nu tot hem over, met haar verblindend blanke hals dicht bij zijn hoofd.Hij rook den geur van zijn liefste bloemen uit het bosch, maar scherper, doordringender dan ooit, met een bedwelmende, weeë innigheid, die weer den ongekenden, brandenden gloed met een golf door zijn rillend lijf deed gaan. Zóó hevig had hij nooit een bloemengeur gevoeld, die bijna pijnlijk was, en toch lief deed met warme streeling.„Je bent eigenlijk zélf een bloem,” zeide hij, met[158]zijne oogen aldoor bewonderend opgeslagen tot de hare. „Je ruikt zelf als een bloem van wonderen geur. Maar je bent nóg zachter en teêrder. En je bedwelmt me nog, als je zoo dicht bij me bent. Mijn hoofd wordt er moê van en loom. Maar toch is het heerlijk, al doet het bijna pijn. Ik ben ook een beetje bang van je, geloof ik.”„Malle jongen!” zei ze lachend. „Bang? Ik zal je niet opeten, hoor, al heb je wangen als roode belle-fleurs! Ik zal je misschien alleen een zoen geven. Heb je wel eens goed gezoend? Wil je me wel eens een kus geven, zeg?”Ze sloeg haar zachte armen om zijn hals, en zoende hem op zijn wang.Het was zóó innig, en kwam zóó onverwacht voor hem, dat hij een zachten gil gaf, en het hoofd tegen haar borst liet zinken van duizeling. En hij dacht er niet aan, haar terug te kussen.Éven voelde hij nog héél achter in ziel, flauw en vaag, als een zachte stem, waarschuwend en bang. Maar door de duizeling van zijn hoofd zonk het weg, verdoofd, kwam niet meer tot bewustzijn.En hoe langer hoe meer begon het mooie van haar op Leliane te gelijken.Later, als hij om deze emoties dacht, wist hij nog zeker, dat hij alleen het mooie van haar zag, en niets anders wist dat hem zoo verrukte.…„En nu gaan we eens gezellig wat soupeeren,”[159]zeide zij, hem meetronend naar het canapétje voor een sierlijk gedekt tafeltje.Daar lagen zijne welbekende, vertrouwde vruchten, zachte, blozende perziken, roze, fluweelige peren, innig blauwe druiven, in frisch, dauw-bepareld groen. Het leek alles intiem, zonder slechtheid.Zij had, op Marcelio’s raad, geen wild doen klaarzetten, alleen zacht, wit luxebrood, en honig, en gebak. Maar champagne moest hij toch drinken. En het edele vocht zag zoo nobel, met goud-gelen glans, dat hij het met vreugde opdronk, toen zij hem den fijn geslepen kelk toereikte, met vriendelijken lach. Er was stille vertrouwelijkheid in het rustige, roode boudoirtje, met het mollige tapijt, en de schitterende Venetiaansche spiegels, de étagèretjes met broze bibelots, de gezellige poufs, en de roze gloei-kelkjes electrisch licht op tafel.Bloemen lagen hier en daar op het witte damast, en zagen vriendelijk uit ranke vaasjes. Zij zelve had lichte rozen in het blonde haar. Het was hem als beleefde hij nu iets uit een sprookje, niets dan vriendelijkheid en liefelijkheid, en enkel mooie dingen. Nog zag hij enkel het mooie er van, en hij genoot het in blij verbazen, zooals een kind dat, met schitterende oogen, de handjes uitstrekt naar dingen die licht zijn en kleurig.De champagne benevelde hem. Een zacht suizen ging door zijn hoofd. Hij hoorde somtijds het melodieuze[160]klinken van haar lieve stem als van verre, en voelde neiging, om nu ergens neer te liggen en in te slapen onder dat gezang, zooals hij in het bosch wel eens gesluimerd had onder het zingen van een vogel. Dán voelde hij ineens weer dien vreemden gloed in zich, of om zijn ziel iets begon te branden, een gloed, die opsteeg van zijn voeten naar zijn hoofd, met lange, rekkende rillingen over zijn lijf.Dán was het even angstig, tot het weer zacht vervloeide in loomheid, vaag zalig.Die zoete geur, die om haar was, die teere rondingen van haar borst, die blankheid van haar armen, die vochtig-warme blik van hare oogen! Hij voelde zich langzamerhand als bezwijmen onder het warme, innige, dat van haar uitging als van eene exotische bloem, die verdooven doet. Zijne wangen gloeiden, hoogrood, en zijne oogen schitterden als van koorts. En telkens steeg de vreemde gloed weer in hem op, met ontstuimiger golving.Tot zij hem opeens in haar armen nam, met haar warme, geurige lijf op zijn schoot, en hem hartstochtelijk kuste op zijn mond.Toen sloeg de roode vlam eindelijk omhoog, uit den gloed waarin zijn ziel nu zou verteren, en hij voelde het felle vuur iets van de liefste en teerste dingen verschroeien, die in hem waren geweest. Met een kreet van pijn en lust gaf hij zijn jongenslichaam over aan den ongekenden hartstocht-storm, en zijn[161]ziel van droom en mijmering duisterde angstig weg, waar zijn armen het schoone vrouwenbeeld van ideaal nu krampachtig, bijna vijandig omklemden, om met haar samen heerlijk in dat heete vuur te vergaan.Hij voelde nog vaag, hoe hij, dicht tegen haar aangedrongen, door een roode ruimte liep, een andere kamer in, waar alles brandde, hoe hij toen met haar neerzonk, duizelend, in een verre, roode diepte, en overal waren vlammen, en alles was rood voor zijn oogen, tot hij bang en tóch zalig, wegzwijmde in het felle vuur, verschroeid, als dood.…Het bleeke, triestige schemerlicht van een donkeren regenmorgen, druilend door zware, geel-kanten gordijnen, maakte hem wakker uit een loomen droom van diep, zwart niets.Hij wreef zich de oogen, rekte langzaam uit zijn leden, die slap waren en lam. Dat bleeke, gele licht.… Hoe vreemd.… Hoe vreemd.… Waar wàs hij?.…En opeens staarde hij angstig in het rond, een gil ópkroppend in zijn keel, die van schrik niet uit kon schreeuwen.Wat was dat, daar naast hem?.… Het leefde, het bewoog.…Rillend kroop hij terug in het groote bed, om het niet aan te raken.…[162]Toen kwam opeens het bewustzijn in hem terug van wat gebeurd was.O God! O God!… Het was Rosita, neen, Leliane … Neen, dat kon niet, dat mócht niet.… niet Leliane, niet Leliane.… Rosita was het, Rosita.… Neen, óók Rosita kon het niet zijn.Maar het was toch een vrouw.… Een vrouw, een mensch.… Een menschenlichaam was het, dat sliep, en zwaar ademhaalde … Ja, het leek wel op Rosita … en tóch kon het Rosita niet zijn, die zweefde in de lucht, een wiegelende ziel, zonder materie.…Een vrouwengezicht, moê, bleek, de blonde haren verward, slordig langs het kussen.… er waren vegen rood op, ineen geloopen, als gesmolten verf, die los gelaten had.… daaronder was de huid geel bleek, zonder kleur.… onder de dichte oogen diepe, blauwe kringen.… de mond was half open, niet teeder meer, met een groven trek van lust.…De fijne kanten van haar hemd waren verfrommeld, geknakt als bloemen.… haar borst was onbedekt, blank, mollig vleesch, dat op en neer ging, bij iedere ademhaling, en leefde.… maar zonder wijding nu, als gewoon.…Op het hoofdkussen lagen gescheurde, verlepte blaadjes van rozen, uit haar los-geraakte coiffure.…Een weeë, doode geur van viooltjes kwam van dat slapende lichaam, benauwd, zonder innigheid.…Wie was dit?.… Een vrouw, die op Rosita leek,[163]maar niet Rosita … Een vreemde, die hij niet kende … Een vreemd, apart, warm-ademend leven, heelemaal buiten hem, waar hij niet bij hoorde.…Toen kwam de herinnering aan den afgeloopen nacht al meer en meer in hem tot klaarheid.… Met ontzetting zag hij het ineens helder voor zich terug, wat in een roes, bijna onbewust, gebeurd was.Eerst was het een droom, een lieve verschijning van fee, licht en luchtig, als een wolk.… Toen was het al dichter en dichterbij gekomen.… al zwaarder en zwaarder was het geworden, levend en warm.… En hij had gegrepen, met bevende handen gegrepen naar het mooie, dat eerst zijne oogen enkel durfden aanbidden.… het mooie, dat óók op Leliane geleek, en daarom heilig was.…En toen … die gloed, die helle vlam, die roode hartstocht-storm, en dat woedend kloppen van zijn driftig hart!… Hoe het brandde, hoe het brandde tegen hem aan!… Hoe zijn mond het heet gedronken had van haar brandende lippen!.. Hoe hij het had omklemd, hoe hij het tegen zich aan had durven prangen, hard, bijna vijandig, of hij dat broze breken wou, uit woede, hoe het teedere eerst had uitgeschreid en toen een heete vlam was geworden, die verteerde!..O! Hij wist het opeens weer, die armen om zijn hals, het warme, zachte, schreiend tegen hem aan, de gloeiende kussen, dóórbrandend in zijn lijf … En het moede, loome neerzinken, gebroken, en dan het[164]hoog oplaaien van vlammen, telkens en telkens weer opnieuw … Zóó woedt niet een storm in stille boomen …En nú dit, en anders niet … Die bleeke, moede vrouw … die doode, weeë geur, de oogen gloedloos, zonder pracht, en het weeke vleesch zoo mat, zoo lam, zoo vreemd … zoo heel apart dat zwaar-ademende lichaam daar naast hem, hij kende het niet, hij had het nooit gezien … het kon ook nooit Rosita zijn geweest …En al het teêre, lieve, vriendelijke nu henen, om nooit weerom te komen.…Voorzichtig stapte hij uit het bed, bang om haar wakker te maken. Gelukkig, op het dikke, donzige tapijt was zijn voetstap onhoorbaar. Zij ademde rustig door, zwaar, met een piepend geluid.—Nu zich maar gauw aankleeden, zachtjes. Straks thuis zou hij zich wel wasschen. Het water zou te veel plassen in de kom, en haar misschien wekken. Wacht, toch even voorhoofd en wangen nat maken met een handdoek! Ha! hoe heerlijk koel was dat op zijn brandend gezicht! Hoe gloeide hij! Als de muur van een uitgebrand huis voelde zijn lichaam aan van buiten. Het vuur was nu verteerd, maar toch gloeide zijn huid nog na. O! Het blusschende, koele, stillende water, wat deed het goed! Nu allereerst hier weg, uit deze ondragelijke bedompte slaapkamer-atmosfeer. Hij zou hier anders nog stikken.[165]Zenuwachtig trok hij zijn kleeren aan, schrikkend bij ieder geluid, dat hij maakte. Wat was het benauwd!… O! Lucht, lucht, het was niet uit te houden … Voorzichtig deed hij de gordijnen op zijde, en trok het venster wat open.Gelukkig, het liep goed in de rollen, in elkaar gezet door bekwame handen, en het schoof geruischloos op. Een frissche stroom lucht waaide hem tegemoet.Buiten druilde het eerste schemerig morgenlicht door grauwe wolken over de dingen.Paulus zag een klein binnenplaatsje, ongure, verweerde, oude muren, en leelijke daken van huizen. Alles stond triestig en doodsch te drenzen in lamme verveling. Alleen in het kleine tuintje achter Rosita’s woning stond een dunne, hooge populier, eenzaam en vervreemd. Een vogeltje begon er zacht in te tjilpen. En een groote weemoed kwam er van in Paulus’ ziel. Hij dacht om den morgen in het bosch. Hoe kwam dit lieve vogeltje hier zoo verdwaald in dien eenzamen boom?…In de verte hoorde hij gerommel van een wagen, en een vaag gedruisch ruischte aan, onbestemd. De groote stad begon te bewegen, zachtjes, voorzichtig nog. Nú een rijtuig, ratelend over een straat, een geklets van paardehoeven.Hoor! Een haan kraaide, schel, hoog geluid.Het grijze geschemer werd al lichter, en achter[166]de donkere wolken begon iets te glanzen. De nieuwe dag brak aan over de wereld.Toen stroomden de tranen wild uit zijne oogen, en snikken kropten op uit zijn borst.Hij viel op een zachte divan neer, en verborg het hoofd in een kussen, dat die vreemde vrouw daar zijn snikken niet zou hooren.„Leliane!… Leliane!…” fluisterde het in zijn ziel. „Mag ik haar nu nog aanbidden, Leliane?…”Totdat de wilde tranenvloed eindelijk bedaarde, en hij angstig de kamer uit kon sluipen, zachtjes op de punten der teenen, de trap af naar de voordeur, heimelijk, als een dief.…[167]
De luchtige feeën-gratie van Rosita was al die dagen niet van hem weggeweest, en als een kleurige vlinder, telkens weer terug-fladderend, was zij door zijn ernstige gedachten heengewiegeld.
Avond aan avond was hij teruggekomen in het Variété, op de voorste rij van de stalles d’orchestre, om haar voor hem te zien verschijnen als een licht visioen, zwevend met haar roze droom-lijfje in de witte wolkjes van kant en tulle, ijl in het ledig, als een broze, kleurige vogel, zonder den grond te raken, een liefelijk licht-wezen van enkel droom en glans.
Zij verscheen hem na het drukkende, moeitevolle bestaan van den dag tusschen de kille huizen en de vreemde menschen, als het mooiste en teerste uit zijn vroegere, jonge leven, met al de bekoring van zijn boomen uit het bosch, met de fijne transparantheid der morgen-nevelen over het gras, met de weifelende kleur-nuances van avond-schemering, met de pure schittering van de sterren.[150]
Maar een vage droefheid kwam weleens in hem opgeweld, door al zijne verrukking heen, hoe het zijn kon, dat dit schoon zoo bedriegelijk op Leliane geleek, en toch Leliane niet zijn kon, omdat het Rosita was. Ook kwam er somtijds een ongekende, vreemde ontroering in hem, die hij nooit bij het biddend aanschouwen van Leliane gevoeld had, een onbestemde angstigheid, wee en huiverig, die pijn deed, en zijn ziel deed sidderen.…
Hij had Marcelio verteld, hoe hij dikwijls naar het Variété werd toegedreven door een zenuwachtig gevoel, dat sterker was dan zijn wil, en hoe hij somtijds niet kalm kon zitten studeeren, omdat hij dan altijd die vlinderachtige roze vrouwen-figuur vóór zich zag zweven. Het liet hem geen rust, telkens kwam het terug, en dikwijls was zijn leven een onbewust wachten op het uur, dat hij haar zou zien verschijnen. En hoe meer hij haar nu al gezien had, des te sterker kwam het terug.…
Dan lachte Marcelio guitig-geheimzinnig, zooals hij wel meer gedaan had. Hij raadde Paulus aan, haar eens wat bloemen te sturen, zooals de gewoonte was, als iemand haar erg mooi vond, en haar dat wilde zeggen. En Paulus vond dat heerlijk. Ja, spreken was eigenlijk te gewoon tegen zoo’n luchtig droom-wezen, dat in het ijle zweefde. Veel mooier was het, haar met bloemen te zeggen, hoe zij zijn ziel verrukte.
Zijn liefste bloemen moesten het zijn, die het innigste[151]waren, en teeder als de dingen, die hij haar toch niet zou durven zeggen. En hij kocht nu elken avond een corbeille met enkel viooltjes voor haar, die haar op het tooneel werd gebracht.
Hoe heerlijk, als zij dan, lachende, op de toppen der fijne voetjes zwevend, terugkwam voor het voetlicht, en genadiglijk de bloemen tot zich nam! Dan was het Paulus, of zij de liefste gedachten van innigheid had medegenomen uit zijn binnenste. Zoo ging het avond na avond, en nooit dacht Paulus er aan, haar dichter te durven naderen dan met die simpele viooltjes uit zijn hart, tot eindelijk Marcelio hem kwam vertellen, dat hij haar gesproken had, en zij naar zijn jongen vriend gevraagd had, die altijd zoo galant voor bloemen zorgde als zij optrad.
„Ze vindt het zóó aardig van je,” zeide hij, „dat ze je door me laat vragen, of je eens met haar wilt soupeeren, en met haar in haar rijtuig naar huis gaan, na de voorstelling. Ze wil absoluut eens kennis met je maken.”
Paulus schrikte.
Het leek hem zoo onmogelijk.
Dat wezentje van glans en droom, dat luchtig zweefde in de luchten, dat hij altijd had gezien in een verre, aparte sfeer, buiten het reëele, hoe zou zij ooit tegen hem spreken kunnen, gewoon als ieder ander, hoe zou hij naast haar kunnen zitten in een rijtuig, ratelend door de straten?[152]
En hij begreep het niet.
„Hoe kán dat?.…” zeide hij, verwonderd. „Marcelio, dat kán toch niet.…”
En weer lachte Marcelio geheimzinnig.
Hij had niet aan Paulus verteld, hoe goed hij Rosita kende, die eene oude vriendin van hem was, en hoe dikwijls hij haar van zijn jong, onervaren vriendje verteld had, die de vrouwen nog niet kende, en ontgroend moest worden. En hoe Rosita nieuwsgierig geprikkeld, en ook vereerd door zulk een simpele aanbidding, zich door Marcelio had laten overhalen, om het jonge droomertje eens te vragen.
Dien avond zat Paulus in angstige spanning in het Variété. Hij had met Marcelio gedineerd, die hem had overgehaald, weer wat champagne te drinken.
Toen hij Rosita weer zag aanzweven boven de bloemen, als een lucht-wezen van niets dan droom en liefelijkheid, kon hij zich onmogelijk voorstellen, dat zij straks in de heel gewone werkelijkheid als een vrouw voor hem zou staan, en tegen hem zou spreken. En heimelijk hoopte hij eigenlijk, dat het ook niet zou kunnen gebeuren, al verlangde hij er tegelijkertijd tóch naar.
Toen zij ná het ballet weer omhoog zweefde tusschen de witte wolken, dacht hij stellig, „nu is ze ook heen in hooger sferen, nu kan ik haar ook niet meer zien.” Maar Marcelio schrikte hem weldra wakker.
„Kom nu mee,” zeide hij, „ze gaat zich kleeden,[153]en haar rijtuig staat te wachten in het zijstraatje links naast het gebouw. Maar drink eerst nog een gobelet goede champagne. Dat wekt je wat op.”
Een beetje bang, half onwillig ging Paulus mede, en liep toen met Marcelio wat op en neer in de zijstraat buiten.
Tot een deur openging, en een luchte gestalte met zilverachtig geruisch van zijde aan kwam wuiven.
Nu gebeurde verder alles aan Paulus als in een roes. Zachte, melodieuze woorden dreven als muziek over zijn ziel. Hij voelde zich buigen, hoorde zich wat beleefdheidswoorden prevelen, en zag opeens, dat hij in een rijtuig zat, met een vreemd, zacht vrouwenlichaam naast zich. Er kwam zoete, bedwelmende geur van haar, als van een bloem.
Hij kon haar niet goed zien in het donker van den coupé. Nu en dan, als zij voorbij een lantaarn reden, schemerde haar lief, lachend gezicht even voor hem op, om dan weer te vervagen, als iets dat even oplicht in een droom, en dra weer in het niet verdwijnt.
Hij wilde even voorzichtig met zijne hand haar aanraken, om te weten of hij niet droomde, maar voelde niets dan weg-ritselende kant en donzen veeren.
Eindelijk hield het rijtuig stil. Hij voelde een zachte hand die hem medenam, hem voortleidde, een trap op, naar boven.[154]
En opeens stond hij in de werkelijkheid, in een lichte kamer.
Zij stond voor hem, lachend, met al de betoovering van haar luchte gratie naar hem toe. Ook zij, evenals Leliane, was mooier dan een vlinder of een bloem, vond hij. Een zachte, vreemde geur van viooltjes droomde van haar af; zijn al van de champagne lichtelijk dronken hoofd duizelde er van. Zij had een lichtroze lijfje aan van glanzende zijde, en toen zij een donzige sortie van witte veeren afdeed was haar blanke halsen decolletéopen. De voorzichtige, zachte opwelving van haar borst was van een groote teederheid, en zij deed hem aan als een gebaar van haar ziel. Haar volle, witte armen kwamen nu en dan uit het veeren dons, als vreemde, betooverende verschijningen.
Aan hare gestalte was iets luchtigs, iets van trilling en ruisching, als van een vogel, die straks zou opvliegen in de lucht. Zóó zou zij ieder oogenblik kunnen opspringen, en dansen dien luchtigen, zwevenden dans, waarin hij haar zooeven als een vlinder zwevend had zien wiegelen.
Haar zijden rok ruischte, en aan haar arm ritselde zacht-zilveren geluid van schuivende edelsteenen. Zij zag hem aan, nieuwsgierig hoe haar nieuwe aanbidder er van dichtbij uitzag. Een aardig, jong kereltje, vond zij. Die nog niet goed durfde. Die zeker nog erg verlegen zou zijn. Zij hield wel van zulke maagd-jongelingen.[155]
En ze lachte.
Hij vond het erg vriendelijk van haar, en hij was er heel blij mee. Hoe zacht en glanzend was alles aan haar! Al die zijde, en dat dons, en die schitterende steenen, waar heilig vuur en licht in leefden! Hoe fijn en ijl waren die gouden haren van haar kapsel, als uit zonnestralen geweven! Ja, het was toch waar. Een vrouw was mooier nog dan bloemen. Dit liefelijke en lachende daar voór hem was van inniger uitdrukking nog dan een lichte lente-roos. Maar vooral dat even, vage opwelven van haar blanke, zachte borst deed hem aan met eene wonderlijke ontroering, blijde en toch om van te weenen, heilig, en toch met een bijna pijnlijke schrijning van lust, die hij voor den eersten keer in zich voelde opwellen uit verre onbewustheden van zijn wezen.
En,—vreemd! dit leek op Leliane, dit had zéér bedriegelijk iets van Leliane in zich, en kon tóch Leliane niet zijn. Bij het eerbiedig aanschouwen van de slapende prinses, met haar blanken boezem zachtekens deinend op het teere rythme van hare ademing, had hij iets anders gevoeld, niet dit schrijnende in hem, dat bijna pijn deed. Éven weifelde hij, hoorde hij als eene vage waarschuwing in zich fluisteren, nu op zijn hoede te zijn …
Maar Rosita had al gesproken met een melodieuze, vleiende stem, die hem zachtelijk bedwelmde, even zeer als de weeë bloemenlucht die van haar afdroomde,[156]en die iets van viooltjesgeur had, maar toch niet hetzelfde zijn kon. Dat zoete parfum, die weeke stem, dat duizelen van champagne-opwinding in zijn hoofd, maakten dat hij zich als een willoos kind overgaf aan de bekoring.
„Wou je met me soupeeren?” vroeg ze, en keek hem guitig-lachend aan, met haar gezicht vlak bij het zijne. „Waarom zag je me altijd zoo aan en stuurde je me bloemen?”
En hij zeide het, eerlijk:
„Ik heb je immers zien dansen! Je was zoo mooi en zoo licht. Mooier dan een bloem was je. Je wiegde liefelijker dan een wit-en-roze vlinder. Ik moest er van lachen en schreien tegelijk. Ik heb nog nooit zoo iets gezien. Altijd zou ik je zoo willen zien, in dat schitterende licht, met je ranke, luchtige lijf bewegend in wuivende tulle rokjes, die als witte wolkjes om je zijn. Je kleine voeten doen dan zoo heel vreemde dingen. Het is of ze me allerlei sprookjes vertellen, die ik lang vergeten was, en dán ineens weer weet. Maar als je ophoudt met dansen ben ik ze ook weer vergeten. Zóó wuiven de fijnste varens niet in het bosch, op zóó zachten adem, als toen je zooeven je lijf liet voort droomen op dat bevende Adagio van de violen.… Je bent zoo mooi, zoo mooi, zoo mooi,… je lijkt wel uit de bladen van roze rozen, en de gouden stralen van de zon, en de witte wolkjes in de lucht geboren te zijn, en je vervult mijn ziel met lieve, zachte muziek …”[157]
Bewonderend, met schitterende oogen zag hij haar aan, in argelooze overgave, en geen gevaar meer voorgevoelend in den glans van het enkel maar mooie, dat óók op Leliane geleek. Hij zeide nu zelfs ook veel van de woorden uit zijn ziel, die hij eens tot Leliane had durven spreken.
Rosita zag hem verrast aan. Toch wel aardig, zoo’n jong mannetje nog. Wat een heerlijke kleur op zijn wangen! Die hadden haar aanbidders gewoonlijk niet meer, met hun bleeke, verveelde blasé-gezichten! En zóó spraken ze ook niet tegen haar.
„Ik dank je nog wèl voor je mooie bloemen,” zeide zij, lief. „Ik houd veel van bloemen. Vooral van viooltjes, die krijg ik bijna nooit. Het zijn altijd rozen. Niemand die ooit om viooltjes denkt. En die zijn juist mijn lievelingen. Mijn parfum is ook altijd violettes de Parme. Ruik je het niet? Ik sprenkel het altijd op mijn schouders en mijn hals.”
Ze boog zich nu tot hem over, met haar verblindend blanke hals dicht bij zijn hoofd.
Hij rook den geur van zijn liefste bloemen uit het bosch, maar scherper, doordringender dan ooit, met een bedwelmende, weeë innigheid, die weer den ongekenden, brandenden gloed met een golf door zijn rillend lijf deed gaan. Zóó hevig had hij nooit een bloemengeur gevoeld, die bijna pijnlijk was, en toch lief deed met warme streeling.
„Je bent eigenlijk zélf een bloem,” zeide hij, met[158]zijne oogen aldoor bewonderend opgeslagen tot de hare. „Je ruikt zelf als een bloem van wonderen geur. Maar je bent nóg zachter en teêrder. En je bedwelmt me nog, als je zoo dicht bij me bent. Mijn hoofd wordt er moê van en loom. Maar toch is het heerlijk, al doet het bijna pijn. Ik ben ook een beetje bang van je, geloof ik.”
„Malle jongen!” zei ze lachend. „Bang? Ik zal je niet opeten, hoor, al heb je wangen als roode belle-fleurs! Ik zal je misschien alleen een zoen geven. Heb je wel eens goed gezoend? Wil je me wel eens een kus geven, zeg?”
Ze sloeg haar zachte armen om zijn hals, en zoende hem op zijn wang.
Het was zóó innig, en kwam zóó onverwacht voor hem, dat hij een zachten gil gaf, en het hoofd tegen haar borst liet zinken van duizeling. En hij dacht er niet aan, haar terug te kussen.
Éven voelde hij nog héél achter in ziel, flauw en vaag, als een zachte stem, waarschuwend en bang. Maar door de duizeling van zijn hoofd zonk het weg, verdoofd, kwam niet meer tot bewustzijn.
En hoe langer hoe meer begon het mooie van haar op Leliane te gelijken.
Later, als hij om deze emoties dacht, wist hij nog zeker, dat hij alleen het mooie van haar zag, en niets anders wist dat hem zoo verrukte.…
„En nu gaan we eens gezellig wat soupeeren,”[159]zeide zij, hem meetronend naar het canapétje voor een sierlijk gedekt tafeltje.
Daar lagen zijne welbekende, vertrouwde vruchten, zachte, blozende perziken, roze, fluweelige peren, innig blauwe druiven, in frisch, dauw-bepareld groen. Het leek alles intiem, zonder slechtheid.
Zij had, op Marcelio’s raad, geen wild doen klaarzetten, alleen zacht, wit luxebrood, en honig, en gebak. Maar champagne moest hij toch drinken. En het edele vocht zag zoo nobel, met goud-gelen glans, dat hij het met vreugde opdronk, toen zij hem den fijn geslepen kelk toereikte, met vriendelijken lach. Er was stille vertrouwelijkheid in het rustige, roode boudoirtje, met het mollige tapijt, en de schitterende Venetiaansche spiegels, de étagèretjes met broze bibelots, de gezellige poufs, en de roze gloei-kelkjes electrisch licht op tafel.
Bloemen lagen hier en daar op het witte damast, en zagen vriendelijk uit ranke vaasjes. Zij zelve had lichte rozen in het blonde haar. Het was hem als beleefde hij nu iets uit een sprookje, niets dan vriendelijkheid en liefelijkheid, en enkel mooie dingen. Nog zag hij enkel het mooie er van, en hij genoot het in blij verbazen, zooals een kind dat, met schitterende oogen, de handjes uitstrekt naar dingen die licht zijn en kleurig.
De champagne benevelde hem. Een zacht suizen ging door zijn hoofd. Hij hoorde somtijds het melodieuze[160]klinken van haar lieve stem als van verre, en voelde neiging, om nu ergens neer te liggen en in te slapen onder dat gezang, zooals hij in het bosch wel eens gesluimerd had onder het zingen van een vogel. Dán voelde hij ineens weer dien vreemden gloed in zich, of om zijn ziel iets begon te branden, een gloed, die opsteeg van zijn voeten naar zijn hoofd, met lange, rekkende rillingen over zijn lijf.
Dán was het even angstig, tot het weer zacht vervloeide in loomheid, vaag zalig.
Die zoete geur, die om haar was, die teere rondingen van haar borst, die blankheid van haar armen, die vochtig-warme blik van hare oogen! Hij voelde zich langzamerhand als bezwijmen onder het warme, innige, dat van haar uitging als van eene exotische bloem, die verdooven doet. Zijne wangen gloeiden, hoogrood, en zijne oogen schitterden als van koorts. En telkens steeg de vreemde gloed weer in hem op, met ontstuimiger golving.
Tot zij hem opeens in haar armen nam, met haar warme, geurige lijf op zijn schoot, en hem hartstochtelijk kuste op zijn mond.
Toen sloeg de roode vlam eindelijk omhoog, uit den gloed waarin zijn ziel nu zou verteren, en hij voelde het felle vuur iets van de liefste en teerste dingen verschroeien, die in hem waren geweest. Met een kreet van pijn en lust gaf hij zijn jongenslichaam over aan den ongekenden hartstocht-storm, en zijn[161]ziel van droom en mijmering duisterde angstig weg, waar zijn armen het schoone vrouwenbeeld van ideaal nu krampachtig, bijna vijandig omklemden, om met haar samen heerlijk in dat heete vuur te vergaan.
Hij voelde nog vaag, hoe hij, dicht tegen haar aangedrongen, door een roode ruimte liep, een andere kamer in, waar alles brandde, hoe hij toen met haar neerzonk, duizelend, in een verre, roode diepte, en overal waren vlammen, en alles was rood voor zijn oogen, tot hij bang en tóch zalig, wegzwijmde in het felle vuur, verschroeid, als dood.…
Het bleeke, triestige schemerlicht van een donkeren regenmorgen, druilend door zware, geel-kanten gordijnen, maakte hem wakker uit een loomen droom van diep, zwart niets.
Hij wreef zich de oogen, rekte langzaam uit zijn leden, die slap waren en lam. Dat bleeke, gele licht.… Hoe vreemd.… Hoe vreemd.… Waar wàs hij?.…
En opeens staarde hij angstig in het rond, een gil ópkroppend in zijn keel, die van schrik niet uit kon schreeuwen.
Wat was dat, daar naast hem?.… Het leefde, het bewoog.…
Rillend kroop hij terug in het groote bed, om het niet aan te raken.…[162]
Toen kwam opeens het bewustzijn in hem terug van wat gebeurd was.
O God! O God!… Het was Rosita, neen, Leliane … Neen, dat kon niet, dat mócht niet.… niet Leliane, niet Leliane.… Rosita was het, Rosita.… Neen, óók Rosita kon het niet zijn.
Maar het was toch een vrouw.… Een vrouw, een mensch.… Een menschenlichaam was het, dat sliep, en zwaar ademhaalde … Ja, het leek wel op Rosita … en tóch kon het Rosita niet zijn, die zweefde in de lucht, een wiegelende ziel, zonder materie.…
Een vrouwengezicht, moê, bleek, de blonde haren verward, slordig langs het kussen.… er waren vegen rood op, ineen geloopen, als gesmolten verf, die los gelaten had.… daaronder was de huid geel bleek, zonder kleur.… onder de dichte oogen diepe, blauwe kringen.… de mond was half open, niet teeder meer, met een groven trek van lust.…
De fijne kanten van haar hemd waren verfrommeld, geknakt als bloemen.… haar borst was onbedekt, blank, mollig vleesch, dat op en neer ging, bij iedere ademhaling, en leefde.… maar zonder wijding nu, als gewoon.…
Op het hoofdkussen lagen gescheurde, verlepte blaadjes van rozen, uit haar los-geraakte coiffure.…
Een weeë, doode geur van viooltjes kwam van dat slapende lichaam, benauwd, zonder innigheid.…
Wie was dit?.… Een vrouw, die op Rosita leek,[163]maar niet Rosita … Een vreemde, die hij niet kende … Een vreemd, apart, warm-ademend leven, heelemaal buiten hem, waar hij niet bij hoorde.…
Toen kwam de herinnering aan den afgeloopen nacht al meer en meer in hem tot klaarheid.… Met ontzetting zag hij het ineens helder voor zich terug, wat in een roes, bijna onbewust, gebeurd was.
Eerst was het een droom, een lieve verschijning van fee, licht en luchtig, als een wolk.… Toen was het al dichter en dichterbij gekomen.… al zwaarder en zwaarder was het geworden, levend en warm.… En hij had gegrepen, met bevende handen gegrepen naar het mooie, dat eerst zijne oogen enkel durfden aanbidden.… het mooie, dat óók op Leliane geleek, en daarom heilig was.…
En toen … die gloed, die helle vlam, die roode hartstocht-storm, en dat woedend kloppen van zijn driftig hart!… Hoe het brandde, hoe het brandde tegen hem aan!… Hoe zijn mond het heet gedronken had van haar brandende lippen!.. Hoe hij het had omklemd, hoe hij het tegen zich aan had durven prangen, hard, bijna vijandig, of hij dat broze breken wou, uit woede, hoe het teedere eerst had uitgeschreid en toen een heete vlam was geworden, die verteerde!..
O! Hij wist het opeens weer, die armen om zijn hals, het warme, zachte, schreiend tegen hem aan, de gloeiende kussen, dóórbrandend in zijn lijf … En het moede, loome neerzinken, gebroken, en dan het[164]hoog oplaaien van vlammen, telkens en telkens weer opnieuw … Zóó woedt niet een storm in stille boomen …
En nú dit, en anders niet … Die bleeke, moede vrouw … die doode, weeë geur, de oogen gloedloos, zonder pracht, en het weeke vleesch zoo mat, zoo lam, zoo vreemd … zoo heel apart dat zwaar-ademende lichaam daar naast hem, hij kende het niet, hij had het nooit gezien … het kon ook nooit Rosita zijn geweest …
En al het teêre, lieve, vriendelijke nu henen, om nooit weerom te komen.…
Voorzichtig stapte hij uit het bed, bang om haar wakker te maken. Gelukkig, op het dikke, donzige tapijt was zijn voetstap onhoorbaar. Zij ademde rustig door, zwaar, met een piepend geluid.—
Nu zich maar gauw aankleeden, zachtjes. Straks thuis zou hij zich wel wasschen. Het water zou te veel plassen in de kom, en haar misschien wekken. Wacht, toch even voorhoofd en wangen nat maken met een handdoek! Ha! hoe heerlijk koel was dat op zijn brandend gezicht! Hoe gloeide hij! Als de muur van een uitgebrand huis voelde zijn lichaam aan van buiten. Het vuur was nu verteerd, maar toch gloeide zijn huid nog na. O! Het blusschende, koele, stillende water, wat deed het goed! Nu allereerst hier weg, uit deze ondragelijke bedompte slaapkamer-atmosfeer. Hij zou hier anders nog stikken.[165]
Zenuwachtig trok hij zijn kleeren aan, schrikkend bij ieder geluid, dat hij maakte. Wat was het benauwd!… O! Lucht, lucht, het was niet uit te houden … Voorzichtig deed hij de gordijnen op zijde, en trok het venster wat open.
Gelukkig, het liep goed in de rollen, in elkaar gezet door bekwame handen, en het schoof geruischloos op. Een frissche stroom lucht waaide hem tegemoet.
Buiten druilde het eerste schemerig morgenlicht door grauwe wolken over de dingen.
Paulus zag een klein binnenplaatsje, ongure, verweerde, oude muren, en leelijke daken van huizen. Alles stond triestig en doodsch te drenzen in lamme verveling. Alleen in het kleine tuintje achter Rosita’s woning stond een dunne, hooge populier, eenzaam en vervreemd. Een vogeltje begon er zacht in te tjilpen. En een groote weemoed kwam er van in Paulus’ ziel. Hij dacht om den morgen in het bosch. Hoe kwam dit lieve vogeltje hier zoo verdwaald in dien eenzamen boom?…
In de verte hoorde hij gerommel van een wagen, en een vaag gedruisch ruischte aan, onbestemd. De groote stad begon te bewegen, zachtjes, voorzichtig nog. Nú een rijtuig, ratelend over een straat, een geklets van paardehoeven.
Hoor! Een haan kraaide, schel, hoog geluid.
Het grijze geschemer werd al lichter, en achter[166]de donkere wolken begon iets te glanzen. De nieuwe dag brak aan over de wereld.
Toen stroomden de tranen wild uit zijne oogen, en snikken kropten op uit zijn borst.
Hij viel op een zachte divan neer, en verborg het hoofd in een kussen, dat die vreemde vrouw daar zijn snikken niet zou hooren.
„Leliane!… Leliane!…” fluisterde het in zijn ziel. „Mag ik haar nu nog aanbidden, Leliane?…”
Totdat de wilde tranenvloed eindelijk bedaarde, en hij angstig de kamer uit kon sluipen, zachtjes op de punten der teenen, de trap af naar de voordeur, heimelijk, als een dief.…[167]