HOOFDSTUK XI.

[Inhoud]HOOFDSTUK XI.Van dien dag af aan waren Paulus’ oogen opengegaan en zag hij duidelijk vóór zich, wat vóór dien tijd vreemd en onbegrijpelijk voor hem was geweest.Hij wist nu, wat het lachen der mooi gekleede vrouwen beduidde op straat, hij wist wat de drijfveer was van dat zenuwachtige, onrustige leven op de Boulevards, en hij voelde wat de verschrikkelijke tragedie uitmaakte van de sombere nacht-figuren, dolende in de Koninginnestraat.O! De grove, wreede Lust, die al die mannen voortdreef in de straten, loerend naar vrouwen, als honden die aan ’t snuffelen zijn, die Lust, die rondwaarde in de theaters, in de café’s, zelfs in de kerken, nooit verzadigd, verterend wat lief en teeder was, die Lust, die hij nu ook in zich zelf wist, en die somtijds inééns in hem opstond, als een wild, begeerig beest, azend op een prooi. Die gedachte aan het warme lijf van Rosita, plotseling rood in hem opbliksemend, waar zijn ziel dit toch hevig haatte, die[168]enkel het witte, rustige, reine wilde van stille contemplatie! Die verschrikkelijke angst, dat hij het wilde beest misschien ééns niet meer zou kunnen temmen, en het hem weer terug zou drijven naar die roode kamer, waar hij rillend uit was gevlucht!En het ontzettende, dat al deze dingen zoo gewoon en gansch natuurlijk waren voor de menschen!Marcelio had hartelijk gelachen, toen hij hem, half schreiend, van zijn nacht bij Rosita had verteld.„Het was héél aardig van Rosita,” had Marcelio gezegd. „Ze vond je zoo’n lieven, mooien, frisschen jongen, en was heusch gecharmeerd van je, anders had ze je niet gevraagd … Er zijn er honderden, wien ze voor véél geweigerd heeft, wat jij voor niets van haar hebt gekregen … Ze heeft een rijken, vreemden prins, die haar geeft wat ze wil … Je mag haar niet zóó maar laten staan, en moet haar gaan bedanken of haar een hartelijke attentie sturen … je bent te benijden, mijn beste …”Toen had Paulus gezwegen, voelend dat Marcelio hem toch niet begrijpen zou. Maar hij was niet terug geweest, wetend hoe zwak hij misschien zou zijn, als zij hem weer kuste. En als het felle, kwaadaardige verlangen opeens in hem opbrandde, zonder dat hij er iets aan kon doen, zengend en schroeiend door zijn lijf, dacht hij met al de kracht, die hij kon concentreeren, aan de witte water-lelies in het bosch, en aan de rustige genade van Leliane’s heilige maagde-lichaam,[169]in het neerzilverende maanlicht zoo rustig neergelegen onder de stille boomen.…Maar overal zág hij nu het duistere, het venijnige, altijddoor dreigende, wat zijn ziel van licht haatte. Het was overal waar menschen waren, en het loerde in alle straten en wegen. En nu wist hij, met schaamte en droefenis, dat het óók loerde in donkere schuilhoeken van zijn binnenste. Dan vroeg hij zich af met ontzetting, of dat dan altijd bij hem was geweest, diep in hem weggedoken, toen hij zijn jonge leven had geleefd in het bosch, en droomde van de sterren en van Leliane.En de dagen, die hij nu doorging, waren vol van zwaarmoed en bangen strijd. Hij ging door met zijne studie als vroeger, kreeg zijne lessen van de professoren, en werkte ijverig in de bibliotheek, maar de dingen, die hij leerde, waren zonder vreugde, en de angst week niet van zijn ziel.Hoe heerlijk, als hij dan ’s middags éven de prinses kon zien. Ééns was hij heel alleen geweest in een stille straat, toen hij haar victoria zag aankomen, met de witte, gepluimde paarden en de blinkende voorrijders in blauw-en-goud. Hij had eerbiedig het hoofd ontbloot, en diep gebogen. En zij had hem herkend, hier, waar niemand anders was, en hem vriendelijk toegeknikt, éven wuivend met haar hand. Toen was het hem ineens, of al het droeve maar een booze droom was geweest, en er niets reëel kon zijn dan de lichte zonneschijn van haar lach.[170]Maar ’s avonds, toen overal de lantaarns weer aangingen, en de donkere menschen-drommen zwart daaronder wemelden, was het angstige weer in hem teruggekomen. Dat was altijd een vreeselijk oogenblik voor hem, als de straten zoo donker werden, en opeens al de lantaren-lichten opschenen, ver weg-rijend boven de breede, eindeloos uitloopende Boulevards.En naarmate hij inzag, hoe Marcelio zijn innigste gevoelens toch nooit kon begrijpen, kropte hij zijn angst benauwd in zich op, en hield zich tegenover hem, of hij hoe langer hoe meer aan alles begon te gewennen.Toen vond hij, in die allerdroefste dagen, een nieuwen vriend.Hij had al dikwijls in de Bibliotheek den grooten, bleeken jongen man opgemerkt, die naast hem aan de algemeene schrijftafel zat te werken, met dikke folianten van bekende schrijvers over socialisme naast zich. Er was iets fiers, en toch iets diep weemoedigs in zijn donkere oogen, waar Paulus sympathie voor voelde. Zijn ziel raadde intuïtief het aan haar verwante in dien somberen jongeling.Door eene kleinigheid, het aangeven van een inktkoker, geraakten zij in kennis, en ééns op een avond gingen zij om vijf uur samen denzelfden weg.Elias, zoo heette de jonge student, was dadelijk[171]heel verrast, toen Paulus hem toevertrouwde, dat hij altijd in een eenzaam bosch had geleefd, en door toevallige omstandigheden, die hij niet kon vertellen, pas sedert kort in het groote stadsleven was gekomen.„En hoe was je eerste indruk wel van Leliënstad?” vroeg hij.Paulus, nog niet gewend voorzichtig en terughoudend te zijn, vertelde hem toen eerlijk van de onrust, die hem zoo bang had gemaakt, van het gevaar, dat hij geraden had in de straten, zonder het te kennen, en van de verschrikking, die hij gezien had, toen hij bewust was geworden wat al die menschen eigenlijk dreef.„En wie is je leidsman geweest?” vroeg Elias.„Graaf Marcelio,” had Paulus bekend.Toen was Elias even wantrouwend geworden.„Graaf Marcelio?”.… zeide hij. „Die adjudant is van de prinses?.… Ah zoo! Ben je onder aristocraten terecht gekomen?.… Dat wist ik niet.… Dan zal je zeker wel niets dan moois hebben gezien.… Wat een weelde hè, hièr in Leliënstad.… Wat rijk en goed en edel allemaal, hè?.…”Maar Paulus antwoordde zóó, dat Elias al heel gauw voelde, hoe hij zich vergiste. Want hij vertelde, hoe verschrikkelijk hij den tweeden avond van zijn leven in de stad de droevige nacht-figuren had gevonden, die ronddoolden in de Koninginnestraat, en hoe hij eerst niet had begrepen, wat toch wel dat[172]verschrikkelijke zijn kon, dat hij toén nog niet kende. Hoe hij toen inééns geweten had, en hoe toen altijddoor die schrijnende pijn in hem was geweest over de droeve schande van die vrouwen, die toch het heiligste mysterie van de menschheid in zich hadden.…Toen had Elias hem goed aangekeken, en hem gevraagd, hem eens flink in het gezicht te kijken, en had toen de tranen van echte menschelijkheid gezien, die blonken in zijn oogen.En toen Paulus hem zeide: „Ik kán het mooie niet meer genieten nu ik dít gezien heb,” wist Elias dat hij waarheid sprak.In eene opwelling van vriendschap gaf hij hem de hand en vroeg hem ernstig: „Mag ik je nu óók eens Leliënstad laten zien? Maar niet het mooie alleen, ook het triestige, het droeve, het afzichtelijke. Ik zie dat graaf Marcelio je enkel de weelde er van heeft laten zien. Mag ik je nu óók eens bij de afschuwelijke ellende brengen, waar de groote meerderheid van de menschen in vuil en jammer leeft? Want dán pas kan je weten wat de weelde eigenlijk is, als je de misère hebt gezien waardoor zij alleen bestaan kan.”Paulus had zijn hand krachtig gedrukt, en had ineens zijn bleek gezicht met de sombere oogen zacht en lief gevonden, vol droefheid van mededoogen.[173]Dien avond hadden zij samen gegeten, en veel met elkander gepraat. Ook over verzen en dichters was Paulus begonnen, en het eerst van allen, die hij vereerde, had hij Wederich genoemd. Toen had Elias even smartelijk geglimlacht, en verder gezwegen, zonder in te stemmen met Paulus’ geestdriftige woorden. En Paulus had gedacht, dat er misschien iets droevigs tusschen Wederich en hem gebeurd was, en niet durven vragen, waarom hij zoo droevig gelachen had. Maar toen zij waren begonnen over het jammervolle van het ellende-leven der uitgestootenen en verworpenen voelden zij dadelijk samen, als twee verwante zielen. En weêr was Paulus uitgebarsten in verontwaardiging over de misère, ’s avonds in de Koninginnestraat, waar de vrouwen hun schande moesten verhuren om te kunnen leven.„Ja, dát is de allerergste verschrikking nog van onze maatschappij,” zeide Elias. „Je moet eens meêgaan van avond, tegen twaalf uur. Dan zullen wij haar samen eens aanzien, de prostitutie in onze mooie stad van beschaving. Ik zal je eens brengen bij Felix, waar ze in haar weelderigsten vorm te zien is, en dán in de bovenstad, waar zij op haar minst is, al is zij in beide uitingen hetzelfde. En dan moet je me eens vertellen, wie je gemeener vindt, die vrouwen, óf die mannen, die van hun ellende profiteeren, door de macht van hun geld.”[174]Om twaalf uur traden zij het groote nacht-restaurant van Félix binnen.Vóóraan, bij den ingang, was een Amerikaansche Bar, waarvoor op lange, hooge tabouretten chic gekleede heeren met opzichtig uitgedoste vrouwen whiskey-soda’s en likeur zaten te drinken.De vies-schitterende mannen-oogen zagen heet-begeerig naar de blanke vrouwen-borsten, die onbeschaamd uit lage corsages opbolden. De vrouwen lachten en lonkten, keken hen aan met languissante blikken, dandineerend als poezen, vleierig.Hier en daar, door schmink en poeder heen, kwam toch wel eens wat echt lief van vrouwen-mooi heenkijken, dat nog niet heelemaal vergaan was.Er was een valsche schijn van vreugde om die Bar met fonkelend kristal en hel electrisch licht, met die menschen die elkaar toedronken, luidruchtig door elkaar schreeuwend, en breed gebarend. Maar Paulus zag alleen het triestige, het tragische van dat verdwaalde, verloren lieve en schoone, dat zijn ziel aanbad, hier besmet en bevuild, veil voor brute, grove ploerten, als ze maar geld hadden om het te koopen.„Zie je het harde en goddelooze in de tronies van die kerels?” zeide Elias bitter. „Niemand onder hen die deernis voelt voor die arme schepsels, van wie ze misbruik maken, omdat ze maatschappelijk minderwaardig zijn. Géén van hen, die er om denkt, dat die prostituées óók vrouwen zijn, als hun moeders[175]en zusters, en het heiligst vrouwelijke nog altijd in zich hebben. Neen, zij hebben het geld in hun zak, en dáárom hebben zij macht over die vrouwen, die het niet hebben, en hebben zij het recht, haar te bevuilen en te besmetten. En dan zeggen ze nog, dat er geen slavernij meer bestaat!”Paulus zweeg, en klemde de lippen op elkaar om niet uit te barsten. Hij dacht om Leliane, veilig en hoog in haar witte paleis, wijl haar zusteren hier kwijnden, in afzichtelijke slavernij.…De Bar voorbijgaande kwamen zij nu in een groote, rijke zaal, rood met goud, schitterend door electrische lichtkelken verlicht.Een ongezien orchest, verborgen achter groene palmen, speelde langoureuze, slepende muziek voor de heeren en dames, die aan tafeltjes, weelderig gedekt met damast en kristal, zaten te soupeeren.Alles aan die heeren leek correct en voornaam. De zorgvuldig gefrizeerde haren, het vlekkeloos glanzende wit van overhemden, de deftige zwarte rokken. Alleen wat arme, verdwaalde bloemen in het knoopsgat deden triestig aan. En naast hen de elegante, gracieuze cocottes, schitterend van juweelen, in fijne zijde en satijn, de groote, breed gerande hoeden met witte struisveeren, en boa’s van kostbaar dons. Een weeë geur van fijne parfums zweefde door de zaal, prikkelend, en toch weerzinwekkend. Sommige dier vrouwen hadden groote poppen in den arm, prachtig aangekleed[176]met dure kant en kostbare juweelen, en wiegden die liefkoozend heen en weer, als baby’s. Er was iets afschuwelijk onheiligs in die imitatie van moederschap bij vrouwen, die altijd onvruchtbaar moeten blijven, voor hun métier.1„Waartoe dienen nu die poppen?” vroeg Paulus.En Elias, bitter:„Dat is een duivelsche verfijning, en de nieuwste mode, moet je weten. Het schijnt opwekkend te zijn, vooral voor oude heeren. Een soort bevuiling van het moederschap, ook misschien een soort symbool dat die arme, verdoolde vrouwen, die het mooie van de liefde niet kunnen genieten, slechts doode poppen kunnen hebben, en geen kinderen.”Er was iets diep tragisch in dat wiegen van die levenlooze poppen in de armen van die geverfde, onvruchtbare vrouwen, maar niemand van de feestende mannen scheen er iets van te zien.Deftige kellners brachten uitgezochte gerechten aan en zeldzame merken champagne, en bedienden eerbiedig de zwart-gerokte wellustelingen, die voor hun geld al die eet-en-drinkwaren, en die vrouwen er bij, konden koopen. En dit alles ging heel gewoon, zonder dat iemand het onrecht voelde, alsof het nu eenmaal zoo in de natuurlijke orde der dingen lag.Hier en daar slenterden een paar vrouwen door[177]de zaal, die nog geen mannen hadden gevonden, lonkend en gichelend tegen losloopende heeren, die eerst eens wilden uitkijken, en nog geen keus hadden gedaan. Elias wees er Paulus nog eens met nadruk op, hoe leeg en voos dit alles was, omdat het toch maar alleen het vuile geld was, dat alles hier in beweging zette. Zonder geld kon geen van die mannen een van die vrouwen krijgen, die zich schijnbaar van zelf aanboden, uit louter behagen. Maar hij had hem dit niet behoeven te zeggen. Paulus zag wel aan het eigenlijk treurige en tragische van die lachjes en leege lonken, hoe weinig echt ze waren.„En nu is dit nog met een beetje schijn van mooiheid,” zeide Elias. „Het lijkt tenminste nog een beetje op vreugde en geluk, en er is een zekere glans over. Hier zijn dan ook de zoogenaamde chicque vrouwen en het gaat hier allemaal rijk toe, met luxe en verfijning. Maar nu moet je eens meegaan naar het andere einde van de stad, waar de mindere gelegenheden zijn.”En hij nam Paulus mede in een rijtuig naar straten in het Zuiden der stad, waar hij nog niet was geweest. Er waren hier veel goedkoope bal-zalen en derderangs theaters in de buurt, en overal waren nacht-cafés, waar de bezoekers van die amusementen heengingen, als alles was afgeloopen. Maar dit waren de koffiehuizen, waar geen fijne gerechten te krijgen waren, te duur voor de menschen die hier kwamen.[178]Kleine, bedompte zaaltjes vol rook van slechte sigaren, waar de borden en koppen zóó maar op het bevuilde imitatie-marmer van de tafeltjes werden gezet, en de bezoekers schouder aan schouder, tegen elkaar aangepropt, zaten te eten.Hier wemelde het van jammerlijke ellende-vrouwen, die voor de laagste prijzen dezelfde schande moesten verkoopen als de rijken uit het restaurant Félix, en waaronder er waren die ’s middags niet gegeten hadden, en nu aasden op een oudbakken broodje met uitgedroogd vleesch, of een stinkend stukje worst met een kop lauwe, slappe koffie.De straten waren hier slecht verlicht, en de huizen armoedig en oud.Elias ging met Paulus een onaanzienlijk café binnen.Hier zatenderderangsartiesten uit kleine theatertjes, bohémiens zonder veine, studenten die het net even konden doen om rond te komen, poovere klerkjes, en slecht betaalde muzikanten. Maar op die schamele bezoekers aasden toch nog vrouwen, armoedig gekleede, sjofele vrouwen, in schijnbaar nog elegante mantels uit inferieure confectie-magazijnen op afbetaling, met magere, bleeke misère-gezichten, die tragisch grijnsden als zij probeerden te lachen. Met de schimmen van wat ééns misschien charmes in haar geweest waren, probeerden zij de mannen daar te verleiden, een stukje bloot van een verlepte, slappe[179]borst, een opgevulde, schijnbaar wellustige heup, een nog wat dikke kuit van een toevallig vooruitgestoken been.Hier en daar zat zoo’n vrouw alleen tusschen een dichte rij mannen, zonder consumptie voor zich, leeg-glimlachend om zich heen, om iemand over te halen iets voor haar te bestellen. Paulus zag er een dieklappertandde, en misschien wel honger had. Ook hier scheen geen van de mannen de ellende goed te voelen, en mededoogen te hebben met die vrouwen. Somtijds snauwden zij haar ruw af, of voegden haar grove, obscene woorden toe, waar dan iedereen uitbundig om lachte.Maar de vrouwen schenen hieraan gewoon te zijn, en gaven den moed niet op, tot zij eindelijk iemand vonden die wat voor haar bestelde, en die ze eindelijk medenam, het café uit.„Kijk, daar gaat er weer een, die haar coup gedaan heeft,” zeide Elias. „Dit is nu de goedkoope prostitutie, zie je. Voor weinig geld, vijf francs bijvoorbeeld, of nog minder, mag die man nu mee naar haar triestig kamertje, waar een armoedig bed staat, met vuil linnengoed en kapotte dekens. Maar toch is ’t hetzelfde als wat de rijken in ’t weelderige doen. Een man, die geld bezit, heeft macht over een vrouw die het niet heeft, en huurt haar lichaam. Dit is nu de groote beschaving van Leliënstad.…”„Hare zusteren … háre zusteren,” dacht Paulus[180]àl maar door, en pijnend ging die idee door zijn hoofd, „de zusteren van Leliane … van de kalme, de goddelijk reine, die rustte bij de waterlelies in het bosch …”„Maar dit is nog niet ééns het allerergste,” ging Elias door,„het kan nóg minder, nóg afzichtelijker … er is hier niets zóó afschuwelijk, of het kan nóg beestachtiger naarmate er minder geld voor is … het geld regelt alles …”En hij nam hem mede, een aantal ongure, slecht verlichte straten door, met armoedige huisjes, tot zij eindelijk in de Ursulastraat kwamen, een nauwe, duistere steeg, die er louche en verdacht uitzag. Huis aan huis was een kroeg van ’t minste allooi, waar wijven in witte jakken voor het open venster zaten, met bloemen in het vuile, verlepte haar, en zingende uit schorre, rauwe kelen. Haar oude, van jenever roode gezichten loerden als die van wilde dieren naar een prooi, en zij riepen gemeene woorden naar de voorbijgangers, meest dronken soldaten en matrozen. Van binnen uit de kroegen klonk valsche muziek van harmonica’s en orgels. In de nauwe steeg hing een weeë stank van faecaliën en lekkende riolen.Een afzichtelijk wijf kwam een kroeg uit, en pakte Paulus brutaal bij een arm, een liefkoozend woord roepend, dat op een vloek geleek.Met een schreeuw van afgrijzen rukte hij zich los, en holde de straat uit.[181]Elias had hem spoedig ingehaald.„Dat was zwak van je,” zeide hij. „Je moet eerst goed alles van de misère zien vóór je het goddelooze onrecht heelemaal kunt beseffen … dit is nu een zoogenaamd genot voor den arme … waar hij met een ellendig beetje geld toch óók nog altijd macht kan hebben over vrouwen … Zoodrá de proletariër maar even wat geld bezit is hij óók, op zijn beurt, even de baas over een ander, die het niet heeft … en die afschuwelijke beesten van wijven zouden heusch niet zóó geworden zijn als ze in eene maatschappij waren geboren, waarin de productiemiddelen rechtvaardig waren verdeeld … Niet zij zijn de schuld van haar verdierlijking … In onze lichte, mooie Leliënstad, rijken en armen onder haar medegerekend, wonen veertig duizend van die vrouwen, die van hun schande moeten leven … vergeet dit niet, veertig duizend … In het centrum van de beschaving …”Nadat Elias afscheid van hem had genomen wandelde Paulus nog wat door.Het pas geziene onrecht schrijnde brandend in zijn borst. Hoe was het mogelijk, dat de menschen wreeder waren dan verscheurende dieren! Dat zij rustigjes en kalm in hun wèl gesloten huizen sliepen onder warme dekens, zonder dat al die ellende buiten hen ook maar éven op deed schrikken. Veertig duizend vrouwen overgeleverd aan schande en bezoedeling, en tóch bleef ieder ongeroerd in zijn leventje doorgaan,[182]zonder zich bezorgd te maken of er niet iets verrot moest zijn in de maatschappij!Hij voelde een walging, als een die onpasselijk is van vieze reuken en afzichtelijke smaken. Het leek hier wel een hel, in deze groote Leliënstad, die het centrum was van beschaving. Geen stap kon je doen op de groote Boulevards of je werd herinnerd aan iets gemeens. Omgekochte kerels drukten je aanbevelingen en adressen in je hand van ontuchtige gelegenheden, camelots kwamen bij je met vieze prentjes of doorzichtige kaarten, geverfde vrouwen lachten je liederlijk toe. Als je niet meer onnoozel was, en je wist het eenmaal, zag je overal de laagste vuilheid, die je tegengrijnsde. De liederlijkheid stroomde met vlagen door de straten.O! Nu ergens iets reins te zien, iets van troost, om al die ellende even te vergeten! Even een gezicht van goedheid, een ding van kuischheid, om weer te gelooven!En ineens dacht hij om de Cathedraal.—O! De Cathedraal, veilig hoog boven de stad van zonde en vooze schande!Haastig liep hij door, ijlings straat na straat uit, als een die dorst heeft en zoekt een lavende bron. Daar was de Leliën-Boulevard! Nu stijgen, stijgen, dat de duistere stad beneden verzinkt! En hij snelde naar boven, hijgend de steile helling op, in groot verlangen. Eindelijk, daar was het, eindelijk![183]Het reine. Het vrome. Het heilig rijzende omhoog. Roerloos rees de kalme Cathedraal op tot den blauwen maanlicht-hemel vol sterren.En zóó als nú in den lichten nacht had hij haar nog nooit gezien. De adem Gods omdroomde haar, en beefde geruischloos langs haar biddende bogen, en gleed onzichtbaar langs haar teêre lijnen. In het zachtjes-zilverende maanlicht was zij blank als een heilige bloem, en alles wat er van materie aan was werd vergeestelijkt in dien glans. Het fijne weefsel van haar kanten figuren was als aetherisch gespeel van sterren-stralen, dat dra vergaan zou in niets bij luchtigste beving van wind.Zóó luchtig en ijl was het kanten gedroom omhoog, dat het Paulus was, als stond de Cathedraal heel vaag te beven in nauw merkbare trilling, als een spinsel van veeren varens, van eigen lichtheid rillend in de lucht. De dunste, teederste blâren van boomen die hij gezien had, in stillen wouden-nacht, waren niet zóó innig en broos. En hoog in die kanten pracht stonden vrome heiligen met biddende handen, en engelen met recht-gestrekt zwaard, roerloos, met wijd gespreide vleugelen.Toen welden de lang opgekropte tranen eindelijk op in Paulus’ oogen.O! Zóó hoog zijn, zóó statig, en zoo rein! Zóó biddend te mogen oprijzen boven de duistere wereld, en in uiterste, rechte strekking, zich uit te rekken[184]naar God, in allerhoogste spanning van innigst wezen!Hoe kalm was dit alles, hoe rustig, hoe eenvoudig, zooals een bloem rijst uit den grond, zoekend het licht! En hoe klein leek nu ineens al dat groot-verschrikkelijke van zooeven!Kijk, al die huizen daar beneden, het eene naast het andere, en dit wat hooger, en dat wat lager, als een stomme kudde, de koppen op elkaar, die zich in duister verdringt! En hoe triestig en armzalig, al die rijen lichtjes daar, weifelend en pinkend in den nacht! Hoe nietig waren ze nu ineens, de leventjes van al die honderdduizenden saamgehokte menschen daar beneden, die er rondploeterden met hun laffe lustjes en verlangentjes! Was het wel zoo verschrikkelijk als hij het daar net gevoeld had, en was het wel waard, zoo fel te beroeren zijn ziel van louter vrede en rust?Hier bij die hooge, kalme Cathedraal, opbloeiend als een heilige, blanke bloem naar den eindeloozen hemel vol sterren, was al dat geknoei daar ver beneden toch eigenlijk maar als dat van stoute, kleine kinderen, die morsen en nog geen zindelijkheid hebben geleerd.En waar al die kleine lustjes van de kleine menschjes daar zouden verteren, en al die knoeiende stumperts weldra zouden vergaan in het stof, daar zou die blanke Cathedraal heerlijk blijven staan, door de eeuwen heen, onvernietigbaar, in goddelijke glorie.…[185]1In den zomer van 1901 was dit o. a. de mode ’s avonds in het restaurant Maxim te Parijs.↑

[Inhoud]HOOFDSTUK XI.Van dien dag af aan waren Paulus’ oogen opengegaan en zag hij duidelijk vóór zich, wat vóór dien tijd vreemd en onbegrijpelijk voor hem was geweest.Hij wist nu, wat het lachen der mooi gekleede vrouwen beduidde op straat, hij wist wat de drijfveer was van dat zenuwachtige, onrustige leven op de Boulevards, en hij voelde wat de verschrikkelijke tragedie uitmaakte van de sombere nacht-figuren, dolende in de Koninginnestraat.O! De grove, wreede Lust, die al die mannen voortdreef in de straten, loerend naar vrouwen, als honden die aan ’t snuffelen zijn, die Lust, die rondwaarde in de theaters, in de café’s, zelfs in de kerken, nooit verzadigd, verterend wat lief en teeder was, die Lust, die hij nu ook in zich zelf wist, en die somtijds inééns in hem opstond, als een wild, begeerig beest, azend op een prooi. Die gedachte aan het warme lijf van Rosita, plotseling rood in hem opbliksemend, waar zijn ziel dit toch hevig haatte, die[168]enkel het witte, rustige, reine wilde van stille contemplatie! Die verschrikkelijke angst, dat hij het wilde beest misschien ééns niet meer zou kunnen temmen, en het hem weer terug zou drijven naar die roode kamer, waar hij rillend uit was gevlucht!En het ontzettende, dat al deze dingen zoo gewoon en gansch natuurlijk waren voor de menschen!Marcelio had hartelijk gelachen, toen hij hem, half schreiend, van zijn nacht bij Rosita had verteld.„Het was héél aardig van Rosita,” had Marcelio gezegd. „Ze vond je zoo’n lieven, mooien, frisschen jongen, en was heusch gecharmeerd van je, anders had ze je niet gevraagd … Er zijn er honderden, wien ze voor véél geweigerd heeft, wat jij voor niets van haar hebt gekregen … Ze heeft een rijken, vreemden prins, die haar geeft wat ze wil … Je mag haar niet zóó maar laten staan, en moet haar gaan bedanken of haar een hartelijke attentie sturen … je bent te benijden, mijn beste …”Toen had Paulus gezwegen, voelend dat Marcelio hem toch niet begrijpen zou. Maar hij was niet terug geweest, wetend hoe zwak hij misschien zou zijn, als zij hem weer kuste. En als het felle, kwaadaardige verlangen opeens in hem opbrandde, zonder dat hij er iets aan kon doen, zengend en schroeiend door zijn lijf, dacht hij met al de kracht, die hij kon concentreeren, aan de witte water-lelies in het bosch, en aan de rustige genade van Leliane’s heilige maagde-lichaam,[169]in het neerzilverende maanlicht zoo rustig neergelegen onder de stille boomen.…Maar overal zág hij nu het duistere, het venijnige, altijddoor dreigende, wat zijn ziel van licht haatte. Het was overal waar menschen waren, en het loerde in alle straten en wegen. En nu wist hij, met schaamte en droefenis, dat het óók loerde in donkere schuilhoeken van zijn binnenste. Dan vroeg hij zich af met ontzetting, of dat dan altijd bij hem was geweest, diep in hem weggedoken, toen hij zijn jonge leven had geleefd in het bosch, en droomde van de sterren en van Leliane.En de dagen, die hij nu doorging, waren vol van zwaarmoed en bangen strijd. Hij ging door met zijne studie als vroeger, kreeg zijne lessen van de professoren, en werkte ijverig in de bibliotheek, maar de dingen, die hij leerde, waren zonder vreugde, en de angst week niet van zijn ziel.Hoe heerlijk, als hij dan ’s middags éven de prinses kon zien. Ééns was hij heel alleen geweest in een stille straat, toen hij haar victoria zag aankomen, met de witte, gepluimde paarden en de blinkende voorrijders in blauw-en-goud. Hij had eerbiedig het hoofd ontbloot, en diep gebogen. En zij had hem herkend, hier, waar niemand anders was, en hem vriendelijk toegeknikt, éven wuivend met haar hand. Toen was het hem ineens, of al het droeve maar een booze droom was geweest, en er niets reëel kon zijn dan de lichte zonneschijn van haar lach.[170]Maar ’s avonds, toen overal de lantaarns weer aangingen, en de donkere menschen-drommen zwart daaronder wemelden, was het angstige weer in hem teruggekomen. Dat was altijd een vreeselijk oogenblik voor hem, als de straten zoo donker werden, en opeens al de lantaren-lichten opschenen, ver weg-rijend boven de breede, eindeloos uitloopende Boulevards.En naarmate hij inzag, hoe Marcelio zijn innigste gevoelens toch nooit kon begrijpen, kropte hij zijn angst benauwd in zich op, en hield zich tegenover hem, of hij hoe langer hoe meer aan alles begon te gewennen.Toen vond hij, in die allerdroefste dagen, een nieuwen vriend.Hij had al dikwijls in de Bibliotheek den grooten, bleeken jongen man opgemerkt, die naast hem aan de algemeene schrijftafel zat te werken, met dikke folianten van bekende schrijvers over socialisme naast zich. Er was iets fiers, en toch iets diep weemoedigs in zijn donkere oogen, waar Paulus sympathie voor voelde. Zijn ziel raadde intuïtief het aan haar verwante in dien somberen jongeling.Door eene kleinigheid, het aangeven van een inktkoker, geraakten zij in kennis, en ééns op een avond gingen zij om vijf uur samen denzelfden weg.Elias, zoo heette de jonge student, was dadelijk[171]heel verrast, toen Paulus hem toevertrouwde, dat hij altijd in een eenzaam bosch had geleefd, en door toevallige omstandigheden, die hij niet kon vertellen, pas sedert kort in het groote stadsleven was gekomen.„En hoe was je eerste indruk wel van Leliënstad?” vroeg hij.Paulus, nog niet gewend voorzichtig en terughoudend te zijn, vertelde hem toen eerlijk van de onrust, die hem zoo bang had gemaakt, van het gevaar, dat hij geraden had in de straten, zonder het te kennen, en van de verschrikking, die hij gezien had, toen hij bewust was geworden wat al die menschen eigenlijk dreef.„En wie is je leidsman geweest?” vroeg Elias.„Graaf Marcelio,” had Paulus bekend.Toen was Elias even wantrouwend geworden.„Graaf Marcelio?”.… zeide hij. „Die adjudant is van de prinses?.… Ah zoo! Ben je onder aristocraten terecht gekomen?.… Dat wist ik niet.… Dan zal je zeker wel niets dan moois hebben gezien.… Wat een weelde hè, hièr in Leliënstad.… Wat rijk en goed en edel allemaal, hè?.…”Maar Paulus antwoordde zóó, dat Elias al heel gauw voelde, hoe hij zich vergiste. Want hij vertelde, hoe verschrikkelijk hij den tweeden avond van zijn leven in de stad de droevige nacht-figuren had gevonden, die ronddoolden in de Koninginnestraat, en hoe hij eerst niet had begrepen, wat toch wel dat[172]verschrikkelijke zijn kon, dat hij toén nog niet kende. Hoe hij toen inééns geweten had, en hoe toen altijddoor die schrijnende pijn in hem was geweest over de droeve schande van die vrouwen, die toch het heiligste mysterie van de menschheid in zich hadden.…Toen had Elias hem goed aangekeken, en hem gevraagd, hem eens flink in het gezicht te kijken, en had toen de tranen van echte menschelijkheid gezien, die blonken in zijn oogen.En toen Paulus hem zeide: „Ik kán het mooie niet meer genieten nu ik dít gezien heb,” wist Elias dat hij waarheid sprak.In eene opwelling van vriendschap gaf hij hem de hand en vroeg hem ernstig: „Mag ik je nu óók eens Leliënstad laten zien? Maar niet het mooie alleen, ook het triestige, het droeve, het afzichtelijke. Ik zie dat graaf Marcelio je enkel de weelde er van heeft laten zien. Mag ik je nu óók eens bij de afschuwelijke ellende brengen, waar de groote meerderheid van de menschen in vuil en jammer leeft? Want dán pas kan je weten wat de weelde eigenlijk is, als je de misère hebt gezien waardoor zij alleen bestaan kan.”Paulus had zijn hand krachtig gedrukt, en had ineens zijn bleek gezicht met de sombere oogen zacht en lief gevonden, vol droefheid van mededoogen.[173]Dien avond hadden zij samen gegeten, en veel met elkander gepraat. Ook over verzen en dichters was Paulus begonnen, en het eerst van allen, die hij vereerde, had hij Wederich genoemd. Toen had Elias even smartelijk geglimlacht, en verder gezwegen, zonder in te stemmen met Paulus’ geestdriftige woorden. En Paulus had gedacht, dat er misschien iets droevigs tusschen Wederich en hem gebeurd was, en niet durven vragen, waarom hij zoo droevig gelachen had. Maar toen zij waren begonnen over het jammervolle van het ellende-leven der uitgestootenen en verworpenen voelden zij dadelijk samen, als twee verwante zielen. En weêr was Paulus uitgebarsten in verontwaardiging over de misère, ’s avonds in de Koninginnestraat, waar de vrouwen hun schande moesten verhuren om te kunnen leven.„Ja, dát is de allerergste verschrikking nog van onze maatschappij,” zeide Elias. „Je moet eens meêgaan van avond, tegen twaalf uur. Dan zullen wij haar samen eens aanzien, de prostitutie in onze mooie stad van beschaving. Ik zal je eens brengen bij Felix, waar ze in haar weelderigsten vorm te zien is, en dán in de bovenstad, waar zij op haar minst is, al is zij in beide uitingen hetzelfde. En dan moet je me eens vertellen, wie je gemeener vindt, die vrouwen, óf die mannen, die van hun ellende profiteeren, door de macht van hun geld.”[174]Om twaalf uur traden zij het groote nacht-restaurant van Félix binnen.Vóóraan, bij den ingang, was een Amerikaansche Bar, waarvoor op lange, hooge tabouretten chic gekleede heeren met opzichtig uitgedoste vrouwen whiskey-soda’s en likeur zaten te drinken.De vies-schitterende mannen-oogen zagen heet-begeerig naar de blanke vrouwen-borsten, die onbeschaamd uit lage corsages opbolden. De vrouwen lachten en lonkten, keken hen aan met languissante blikken, dandineerend als poezen, vleierig.Hier en daar, door schmink en poeder heen, kwam toch wel eens wat echt lief van vrouwen-mooi heenkijken, dat nog niet heelemaal vergaan was.Er was een valsche schijn van vreugde om die Bar met fonkelend kristal en hel electrisch licht, met die menschen die elkaar toedronken, luidruchtig door elkaar schreeuwend, en breed gebarend. Maar Paulus zag alleen het triestige, het tragische van dat verdwaalde, verloren lieve en schoone, dat zijn ziel aanbad, hier besmet en bevuild, veil voor brute, grove ploerten, als ze maar geld hadden om het te koopen.„Zie je het harde en goddelooze in de tronies van die kerels?” zeide Elias bitter. „Niemand onder hen die deernis voelt voor die arme schepsels, van wie ze misbruik maken, omdat ze maatschappelijk minderwaardig zijn. Géén van hen, die er om denkt, dat die prostituées óók vrouwen zijn, als hun moeders[175]en zusters, en het heiligst vrouwelijke nog altijd in zich hebben. Neen, zij hebben het geld in hun zak, en dáárom hebben zij macht over die vrouwen, die het niet hebben, en hebben zij het recht, haar te bevuilen en te besmetten. En dan zeggen ze nog, dat er geen slavernij meer bestaat!”Paulus zweeg, en klemde de lippen op elkaar om niet uit te barsten. Hij dacht om Leliane, veilig en hoog in haar witte paleis, wijl haar zusteren hier kwijnden, in afzichtelijke slavernij.…De Bar voorbijgaande kwamen zij nu in een groote, rijke zaal, rood met goud, schitterend door electrische lichtkelken verlicht.Een ongezien orchest, verborgen achter groene palmen, speelde langoureuze, slepende muziek voor de heeren en dames, die aan tafeltjes, weelderig gedekt met damast en kristal, zaten te soupeeren.Alles aan die heeren leek correct en voornaam. De zorgvuldig gefrizeerde haren, het vlekkeloos glanzende wit van overhemden, de deftige zwarte rokken. Alleen wat arme, verdwaalde bloemen in het knoopsgat deden triestig aan. En naast hen de elegante, gracieuze cocottes, schitterend van juweelen, in fijne zijde en satijn, de groote, breed gerande hoeden met witte struisveeren, en boa’s van kostbaar dons. Een weeë geur van fijne parfums zweefde door de zaal, prikkelend, en toch weerzinwekkend. Sommige dier vrouwen hadden groote poppen in den arm, prachtig aangekleed[176]met dure kant en kostbare juweelen, en wiegden die liefkoozend heen en weer, als baby’s. Er was iets afschuwelijk onheiligs in die imitatie van moederschap bij vrouwen, die altijd onvruchtbaar moeten blijven, voor hun métier.1„Waartoe dienen nu die poppen?” vroeg Paulus.En Elias, bitter:„Dat is een duivelsche verfijning, en de nieuwste mode, moet je weten. Het schijnt opwekkend te zijn, vooral voor oude heeren. Een soort bevuiling van het moederschap, ook misschien een soort symbool dat die arme, verdoolde vrouwen, die het mooie van de liefde niet kunnen genieten, slechts doode poppen kunnen hebben, en geen kinderen.”Er was iets diep tragisch in dat wiegen van die levenlooze poppen in de armen van die geverfde, onvruchtbare vrouwen, maar niemand van de feestende mannen scheen er iets van te zien.Deftige kellners brachten uitgezochte gerechten aan en zeldzame merken champagne, en bedienden eerbiedig de zwart-gerokte wellustelingen, die voor hun geld al die eet-en-drinkwaren, en die vrouwen er bij, konden koopen. En dit alles ging heel gewoon, zonder dat iemand het onrecht voelde, alsof het nu eenmaal zoo in de natuurlijke orde der dingen lag.Hier en daar slenterden een paar vrouwen door[177]de zaal, die nog geen mannen hadden gevonden, lonkend en gichelend tegen losloopende heeren, die eerst eens wilden uitkijken, en nog geen keus hadden gedaan. Elias wees er Paulus nog eens met nadruk op, hoe leeg en voos dit alles was, omdat het toch maar alleen het vuile geld was, dat alles hier in beweging zette. Zonder geld kon geen van die mannen een van die vrouwen krijgen, die zich schijnbaar van zelf aanboden, uit louter behagen. Maar hij had hem dit niet behoeven te zeggen. Paulus zag wel aan het eigenlijk treurige en tragische van die lachjes en leege lonken, hoe weinig echt ze waren.„En nu is dit nog met een beetje schijn van mooiheid,” zeide Elias. „Het lijkt tenminste nog een beetje op vreugde en geluk, en er is een zekere glans over. Hier zijn dan ook de zoogenaamde chicque vrouwen en het gaat hier allemaal rijk toe, met luxe en verfijning. Maar nu moet je eens meegaan naar het andere einde van de stad, waar de mindere gelegenheden zijn.”En hij nam Paulus mede in een rijtuig naar straten in het Zuiden der stad, waar hij nog niet was geweest. Er waren hier veel goedkoope bal-zalen en derderangs theaters in de buurt, en overal waren nacht-cafés, waar de bezoekers van die amusementen heengingen, als alles was afgeloopen. Maar dit waren de koffiehuizen, waar geen fijne gerechten te krijgen waren, te duur voor de menschen die hier kwamen.[178]Kleine, bedompte zaaltjes vol rook van slechte sigaren, waar de borden en koppen zóó maar op het bevuilde imitatie-marmer van de tafeltjes werden gezet, en de bezoekers schouder aan schouder, tegen elkaar aangepropt, zaten te eten.Hier wemelde het van jammerlijke ellende-vrouwen, die voor de laagste prijzen dezelfde schande moesten verkoopen als de rijken uit het restaurant Félix, en waaronder er waren die ’s middags niet gegeten hadden, en nu aasden op een oudbakken broodje met uitgedroogd vleesch, of een stinkend stukje worst met een kop lauwe, slappe koffie.De straten waren hier slecht verlicht, en de huizen armoedig en oud.Elias ging met Paulus een onaanzienlijk café binnen.Hier zatenderderangsartiesten uit kleine theatertjes, bohémiens zonder veine, studenten die het net even konden doen om rond te komen, poovere klerkjes, en slecht betaalde muzikanten. Maar op die schamele bezoekers aasden toch nog vrouwen, armoedig gekleede, sjofele vrouwen, in schijnbaar nog elegante mantels uit inferieure confectie-magazijnen op afbetaling, met magere, bleeke misère-gezichten, die tragisch grijnsden als zij probeerden te lachen. Met de schimmen van wat ééns misschien charmes in haar geweest waren, probeerden zij de mannen daar te verleiden, een stukje bloot van een verlepte, slappe[179]borst, een opgevulde, schijnbaar wellustige heup, een nog wat dikke kuit van een toevallig vooruitgestoken been.Hier en daar zat zoo’n vrouw alleen tusschen een dichte rij mannen, zonder consumptie voor zich, leeg-glimlachend om zich heen, om iemand over te halen iets voor haar te bestellen. Paulus zag er een dieklappertandde, en misschien wel honger had. Ook hier scheen geen van de mannen de ellende goed te voelen, en mededoogen te hebben met die vrouwen. Somtijds snauwden zij haar ruw af, of voegden haar grove, obscene woorden toe, waar dan iedereen uitbundig om lachte.Maar de vrouwen schenen hieraan gewoon te zijn, en gaven den moed niet op, tot zij eindelijk iemand vonden die wat voor haar bestelde, en die ze eindelijk medenam, het café uit.„Kijk, daar gaat er weer een, die haar coup gedaan heeft,” zeide Elias. „Dit is nu de goedkoope prostitutie, zie je. Voor weinig geld, vijf francs bijvoorbeeld, of nog minder, mag die man nu mee naar haar triestig kamertje, waar een armoedig bed staat, met vuil linnengoed en kapotte dekens. Maar toch is ’t hetzelfde als wat de rijken in ’t weelderige doen. Een man, die geld bezit, heeft macht over een vrouw die het niet heeft, en huurt haar lichaam. Dit is nu de groote beschaving van Leliënstad.…”„Hare zusteren … háre zusteren,” dacht Paulus[180]àl maar door, en pijnend ging die idee door zijn hoofd, „de zusteren van Leliane … van de kalme, de goddelijk reine, die rustte bij de waterlelies in het bosch …”„Maar dit is nog niet ééns het allerergste,” ging Elias door,„het kan nóg minder, nóg afzichtelijker … er is hier niets zóó afschuwelijk, of het kan nóg beestachtiger naarmate er minder geld voor is … het geld regelt alles …”En hij nam hem mede, een aantal ongure, slecht verlichte straten door, met armoedige huisjes, tot zij eindelijk in de Ursulastraat kwamen, een nauwe, duistere steeg, die er louche en verdacht uitzag. Huis aan huis was een kroeg van ’t minste allooi, waar wijven in witte jakken voor het open venster zaten, met bloemen in het vuile, verlepte haar, en zingende uit schorre, rauwe kelen. Haar oude, van jenever roode gezichten loerden als die van wilde dieren naar een prooi, en zij riepen gemeene woorden naar de voorbijgangers, meest dronken soldaten en matrozen. Van binnen uit de kroegen klonk valsche muziek van harmonica’s en orgels. In de nauwe steeg hing een weeë stank van faecaliën en lekkende riolen.Een afzichtelijk wijf kwam een kroeg uit, en pakte Paulus brutaal bij een arm, een liefkoozend woord roepend, dat op een vloek geleek.Met een schreeuw van afgrijzen rukte hij zich los, en holde de straat uit.[181]Elias had hem spoedig ingehaald.„Dat was zwak van je,” zeide hij. „Je moet eerst goed alles van de misère zien vóór je het goddelooze onrecht heelemaal kunt beseffen … dit is nu een zoogenaamd genot voor den arme … waar hij met een ellendig beetje geld toch óók nog altijd macht kan hebben over vrouwen … Zoodrá de proletariër maar even wat geld bezit is hij óók, op zijn beurt, even de baas over een ander, die het niet heeft … en die afschuwelijke beesten van wijven zouden heusch niet zóó geworden zijn als ze in eene maatschappij waren geboren, waarin de productiemiddelen rechtvaardig waren verdeeld … Niet zij zijn de schuld van haar verdierlijking … In onze lichte, mooie Leliënstad, rijken en armen onder haar medegerekend, wonen veertig duizend van die vrouwen, die van hun schande moeten leven … vergeet dit niet, veertig duizend … In het centrum van de beschaving …”Nadat Elias afscheid van hem had genomen wandelde Paulus nog wat door.Het pas geziene onrecht schrijnde brandend in zijn borst. Hoe was het mogelijk, dat de menschen wreeder waren dan verscheurende dieren! Dat zij rustigjes en kalm in hun wèl gesloten huizen sliepen onder warme dekens, zonder dat al die ellende buiten hen ook maar éven op deed schrikken. Veertig duizend vrouwen overgeleverd aan schande en bezoedeling, en tóch bleef ieder ongeroerd in zijn leventje doorgaan,[182]zonder zich bezorgd te maken of er niet iets verrot moest zijn in de maatschappij!Hij voelde een walging, als een die onpasselijk is van vieze reuken en afzichtelijke smaken. Het leek hier wel een hel, in deze groote Leliënstad, die het centrum was van beschaving. Geen stap kon je doen op de groote Boulevards of je werd herinnerd aan iets gemeens. Omgekochte kerels drukten je aanbevelingen en adressen in je hand van ontuchtige gelegenheden, camelots kwamen bij je met vieze prentjes of doorzichtige kaarten, geverfde vrouwen lachten je liederlijk toe. Als je niet meer onnoozel was, en je wist het eenmaal, zag je overal de laagste vuilheid, die je tegengrijnsde. De liederlijkheid stroomde met vlagen door de straten.O! Nu ergens iets reins te zien, iets van troost, om al die ellende even te vergeten! Even een gezicht van goedheid, een ding van kuischheid, om weer te gelooven!En ineens dacht hij om de Cathedraal.—O! De Cathedraal, veilig hoog boven de stad van zonde en vooze schande!Haastig liep hij door, ijlings straat na straat uit, als een die dorst heeft en zoekt een lavende bron. Daar was de Leliën-Boulevard! Nu stijgen, stijgen, dat de duistere stad beneden verzinkt! En hij snelde naar boven, hijgend de steile helling op, in groot verlangen. Eindelijk, daar was het, eindelijk![183]Het reine. Het vrome. Het heilig rijzende omhoog. Roerloos rees de kalme Cathedraal op tot den blauwen maanlicht-hemel vol sterren.En zóó als nú in den lichten nacht had hij haar nog nooit gezien. De adem Gods omdroomde haar, en beefde geruischloos langs haar biddende bogen, en gleed onzichtbaar langs haar teêre lijnen. In het zachtjes-zilverende maanlicht was zij blank als een heilige bloem, en alles wat er van materie aan was werd vergeestelijkt in dien glans. Het fijne weefsel van haar kanten figuren was als aetherisch gespeel van sterren-stralen, dat dra vergaan zou in niets bij luchtigste beving van wind.Zóó luchtig en ijl was het kanten gedroom omhoog, dat het Paulus was, als stond de Cathedraal heel vaag te beven in nauw merkbare trilling, als een spinsel van veeren varens, van eigen lichtheid rillend in de lucht. De dunste, teederste blâren van boomen die hij gezien had, in stillen wouden-nacht, waren niet zóó innig en broos. En hoog in die kanten pracht stonden vrome heiligen met biddende handen, en engelen met recht-gestrekt zwaard, roerloos, met wijd gespreide vleugelen.Toen welden de lang opgekropte tranen eindelijk op in Paulus’ oogen.O! Zóó hoog zijn, zóó statig, en zoo rein! Zóó biddend te mogen oprijzen boven de duistere wereld, en in uiterste, rechte strekking, zich uit te rekken[184]naar God, in allerhoogste spanning van innigst wezen!Hoe kalm was dit alles, hoe rustig, hoe eenvoudig, zooals een bloem rijst uit den grond, zoekend het licht! En hoe klein leek nu ineens al dat groot-verschrikkelijke van zooeven!Kijk, al die huizen daar beneden, het eene naast het andere, en dit wat hooger, en dat wat lager, als een stomme kudde, de koppen op elkaar, die zich in duister verdringt! En hoe triestig en armzalig, al die rijen lichtjes daar, weifelend en pinkend in den nacht! Hoe nietig waren ze nu ineens, de leventjes van al die honderdduizenden saamgehokte menschen daar beneden, die er rondploeterden met hun laffe lustjes en verlangentjes! Was het wel zoo verschrikkelijk als hij het daar net gevoeld had, en was het wel waard, zoo fel te beroeren zijn ziel van louter vrede en rust?Hier bij die hooge, kalme Cathedraal, opbloeiend als een heilige, blanke bloem naar den eindeloozen hemel vol sterren, was al dat geknoei daar ver beneden toch eigenlijk maar als dat van stoute, kleine kinderen, die morsen en nog geen zindelijkheid hebben geleerd.En waar al die kleine lustjes van de kleine menschjes daar zouden verteren, en al die knoeiende stumperts weldra zouden vergaan in het stof, daar zou die blanke Cathedraal heerlijk blijven staan, door de eeuwen heen, onvernietigbaar, in goddelijke glorie.…[185]1In den zomer van 1901 was dit o. a. de mode ’s avonds in het restaurant Maxim te Parijs.↑

HOOFDSTUK XI.

Van dien dag af aan waren Paulus’ oogen opengegaan en zag hij duidelijk vóór zich, wat vóór dien tijd vreemd en onbegrijpelijk voor hem was geweest.Hij wist nu, wat het lachen der mooi gekleede vrouwen beduidde op straat, hij wist wat de drijfveer was van dat zenuwachtige, onrustige leven op de Boulevards, en hij voelde wat de verschrikkelijke tragedie uitmaakte van de sombere nacht-figuren, dolende in de Koninginnestraat.O! De grove, wreede Lust, die al die mannen voortdreef in de straten, loerend naar vrouwen, als honden die aan ’t snuffelen zijn, die Lust, die rondwaarde in de theaters, in de café’s, zelfs in de kerken, nooit verzadigd, verterend wat lief en teeder was, die Lust, die hij nu ook in zich zelf wist, en die somtijds inééns in hem opstond, als een wild, begeerig beest, azend op een prooi. Die gedachte aan het warme lijf van Rosita, plotseling rood in hem opbliksemend, waar zijn ziel dit toch hevig haatte, die[168]enkel het witte, rustige, reine wilde van stille contemplatie! Die verschrikkelijke angst, dat hij het wilde beest misschien ééns niet meer zou kunnen temmen, en het hem weer terug zou drijven naar die roode kamer, waar hij rillend uit was gevlucht!En het ontzettende, dat al deze dingen zoo gewoon en gansch natuurlijk waren voor de menschen!Marcelio had hartelijk gelachen, toen hij hem, half schreiend, van zijn nacht bij Rosita had verteld.„Het was héél aardig van Rosita,” had Marcelio gezegd. „Ze vond je zoo’n lieven, mooien, frisschen jongen, en was heusch gecharmeerd van je, anders had ze je niet gevraagd … Er zijn er honderden, wien ze voor véél geweigerd heeft, wat jij voor niets van haar hebt gekregen … Ze heeft een rijken, vreemden prins, die haar geeft wat ze wil … Je mag haar niet zóó maar laten staan, en moet haar gaan bedanken of haar een hartelijke attentie sturen … je bent te benijden, mijn beste …”Toen had Paulus gezwegen, voelend dat Marcelio hem toch niet begrijpen zou. Maar hij was niet terug geweest, wetend hoe zwak hij misschien zou zijn, als zij hem weer kuste. En als het felle, kwaadaardige verlangen opeens in hem opbrandde, zonder dat hij er iets aan kon doen, zengend en schroeiend door zijn lijf, dacht hij met al de kracht, die hij kon concentreeren, aan de witte water-lelies in het bosch, en aan de rustige genade van Leliane’s heilige maagde-lichaam,[169]in het neerzilverende maanlicht zoo rustig neergelegen onder de stille boomen.…Maar overal zág hij nu het duistere, het venijnige, altijddoor dreigende, wat zijn ziel van licht haatte. Het was overal waar menschen waren, en het loerde in alle straten en wegen. En nu wist hij, met schaamte en droefenis, dat het óók loerde in donkere schuilhoeken van zijn binnenste. Dan vroeg hij zich af met ontzetting, of dat dan altijd bij hem was geweest, diep in hem weggedoken, toen hij zijn jonge leven had geleefd in het bosch, en droomde van de sterren en van Leliane.En de dagen, die hij nu doorging, waren vol van zwaarmoed en bangen strijd. Hij ging door met zijne studie als vroeger, kreeg zijne lessen van de professoren, en werkte ijverig in de bibliotheek, maar de dingen, die hij leerde, waren zonder vreugde, en de angst week niet van zijn ziel.Hoe heerlijk, als hij dan ’s middags éven de prinses kon zien. Ééns was hij heel alleen geweest in een stille straat, toen hij haar victoria zag aankomen, met de witte, gepluimde paarden en de blinkende voorrijders in blauw-en-goud. Hij had eerbiedig het hoofd ontbloot, en diep gebogen. En zij had hem herkend, hier, waar niemand anders was, en hem vriendelijk toegeknikt, éven wuivend met haar hand. Toen was het hem ineens, of al het droeve maar een booze droom was geweest, en er niets reëel kon zijn dan de lichte zonneschijn van haar lach.[170]Maar ’s avonds, toen overal de lantaarns weer aangingen, en de donkere menschen-drommen zwart daaronder wemelden, was het angstige weer in hem teruggekomen. Dat was altijd een vreeselijk oogenblik voor hem, als de straten zoo donker werden, en opeens al de lantaren-lichten opschenen, ver weg-rijend boven de breede, eindeloos uitloopende Boulevards.En naarmate hij inzag, hoe Marcelio zijn innigste gevoelens toch nooit kon begrijpen, kropte hij zijn angst benauwd in zich op, en hield zich tegenover hem, of hij hoe langer hoe meer aan alles begon te gewennen.Toen vond hij, in die allerdroefste dagen, een nieuwen vriend.Hij had al dikwijls in de Bibliotheek den grooten, bleeken jongen man opgemerkt, die naast hem aan de algemeene schrijftafel zat te werken, met dikke folianten van bekende schrijvers over socialisme naast zich. Er was iets fiers, en toch iets diep weemoedigs in zijn donkere oogen, waar Paulus sympathie voor voelde. Zijn ziel raadde intuïtief het aan haar verwante in dien somberen jongeling.Door eene kleinigheid, het aangeven van een inktkoker, geraakten zij in kennis, en ééns op een avond gingen zij om vijf uur samen denzelfden weg.Elias, zoo heette de jonge student, was dadelijk[171]heel verrast, toen Paulus hem toevertrouwde, dat hij altijd in een eenzaam bosch had geleefd, en door toevallige omstandigheden, die hij niet kon vertellen, pas sedert kort in het groote stadsleven was gekomen.„En hoe was je eerste indruk wel van Leliënstad?” vroeg hij.Paulus, nog niet gewend voorzichtig en terughoudend te zijn, vertelde hem toen eerlijk van de onrust, die hem zoo bang had gemaakt, van het gevaar, dat hij geraden had in de straten, zonder het te kennen, en van de verschrikking, die hij gezien had, toen hij bewust was geworden wat al die menschen eigenlijk dreef.„En wie is je leidsman geweest?” vroeg Elias.„Graaf Marcelio,” had Paulus bekend.Toen was Elias even wantrouwend geworden.„Graaf Marcelio?”.… zeide hij. „Die adjudant is van de prinses?.… Ah zoo! Ben je onder aristocraten terecht gekomen?.… Dat wist ik niet.… Dan zal je zeker wel niets dan moois hebben gezien.… Wat een weelde hè, hièr in Leliënstad.… Wat rijk en goed en edel allemaal, hè?.…”Maar Paulus antwoordde zóó, dat Elias al heel gauw voelde, hoe hij zich vergiste. Want hij vertelde, hoe verschrikkelijk hij den tweeden avond van zijn leven in de stad de droevige nacht-figuren had gevonden, die ronddoolden in de Koninginnestraat, en hoe hij eerst niet had begrepen, wat toch wel dat[172]verschrikkelijke zijn kon, dat hij toén nog niet kende. Hoe hij toen inééns geweten had, en hoe toen altijddoor die schrijnende pijn in hem was geweest over de droeve schande van die vrouwen, die toch het heiligste mysterie van de menschheid in zich hadden.…Toen had Elias hem goed aangekeken, en hem gevraagd, hem eens flink in het gezicht te kijken, en had toen de tranen van echte menschelijkheid gezien, die blonken in zijn oogen.En toen Paulus hem zeide: „Ik kán het mooie niet meer genieten nu ik dít gezien heb,” wist Elias dat hij waarheid sprak.In eene opwelling van vriendschap gaf hij hem de hand en vroeg hem ernstig: „Mag ik je nu óók eens Leliënstad laten zien? Maar niet het mooie alleen, ook het triestige, het droeve, het afzichtelijke. Ik zie dat graaf Marcelio je enkel de weelde er van heeft laten zien. Mag ik je nu óók eens bij de afschuwelijke ellende brengen, waar de groote meerderheid van de menschen in vuil en jammer leeft? Want dán pas kan je weten wat de weelde eigenlijk is, als je de misère hebt gezien waardoor zij alleen bestaan kan.”Paulus had zijn hand krachtig gedrukt, en had ineens zijn bleek gezicht met de sombere oogen zacht en lief gevonden, vol droefheid van mededoogen.[173]Dien avond hadden zij samen gegeten, en veel met elkander gepraat. Ook over verzen en dichters was Paulus begonnen, en het eerst van allen, die hij vereerde, had hij Wederich genoemd. Toen had Elias even smartelijk geglimlacht, en verder gezwegen, zonder in te stemmen met Paulus’ geestdriftige woorden. En Paulus had gedacht, dat er misschien iets droevigs tusschen Wederich en hem gebeurd was, en niet durven vragen, waarom hij zoo droevig gelachen had. Maar toen zij waren begonnen over het jammervolle van het ellende-leven der uitgestootenen en verworpenen voelden zij dadelijk samen, als twee verwante zielen. En weêr was Paulus uitgebarsten in verontwaardiging over de misère, ’s avonds in de Koninginnestraat, waar de vrouwen hun schande moesten verhuren om te kunnen leven.„Ja, dát is de allerergste verschrikking nog van onze maatschappij,” zeide Elias. „Je moet eens meêgaan van avond, tegen twaalf uur. Dan zullen wij haar samen eens aanzien, de prostitutie in onze mooie stad van beschaving. Ik zal je eens brengen bij Felix, waar ze in haar weelderigsten vorm te zien is, en dán in de bovenstad, waar zij op haar minst is, al is zij in beide uitingen hetzelfde. En dan moet je me eens vertellen, wie je gemeener vindt, die vrouwen, óf die mannen, die van hun ellende profiteeren, door de macht van hun geld.”[174]Om twaalf uur traden zij het groote nacht-restaurant van Félix binnen.Vóóraan, bij den ingang, was een Amerikaansche Bar, waarvoor op lange, hooge tabouretten chic gekleede heeren met opzichtig uitgedoste vrouwen whiskey-soda’s en likeur zaten te drinken.De vies-schitterende mannen-oogen zagen heet-begeerig naar de blanke vrouwen-borsten, die onbeschaamd uit lage corsages opbolden. De vrouwen lachten en lonkten, keken hen aan met languissante blikken, dandineerend als poezen, vleierig.Hier en daar, door schmink en poeder heen, kwam toch wel eens wat echt lief van vrouwen-mooi heenkijken, dat nog niet heelemaal vergaan was.Er was een valsche schijn van vreugde om die Bar met fonkelend kristal en hel electrisch licht, met die menschen die elkaar toedronken, luidruchtig door elkaar schreeuwend, en breed gebarend. Maar Paulus zag alleen het triestige, het tragische van dat verdwaalde, verloren lieve en schoone, dat zijn ziel aanbad, hier besmet en bevuild, veil voor brute, grove ploerten, als ze maar geld hadden om het te koopen.„Zie je het harde en goddelooze in de tronies van die kerels?” zeide Elias bitter. „Niemand onder hen die deernis voelt voor die arme schepsels, van wie ze misbruik maken, omdat ze maatschappelijk minderwaardig zijn. Géén van hen, die er om denkt, dat die prostituées óók vrouwen zijn, als hun moeders[175]en zusters, en het heiligst vrouwelijke nog altijd in zich hebben. Neen, zij hebben het geld in hun zak, en dáárom hebben zij macht over die vrouwen, die het niet hebben, en hebben zij het recht, haar te bevuilen en te besmetten. En dan zeggen ze nog, dat er geen slavernij meer bestaat!”Paulus zweeg, en klemde de lippen op elkaar om niet uit te barsten. Hij dacht om Leliane, veilig en hoog in haar witte paleis, wijl haar zusteren hier kwijnden, in afzichtelijke slavernij.…De Bar voorbijgaande kwamen zij nu in een groote, rijke zaal, rood met goud, schitterend door electrische lichtkelken verlicht.Een ongezien orchest, verborgen achter groene palmen, speelde langoureuze, slepende muziek voor de heeren en dames, die aan tafeltjes, weelderig gedekt met damast en kristal, zaten te soupeeren.Alles aan die heeren leek correct en voornaam. De zorgvuldig gefrizeerde haren, het vlekkeloos glanzende wit van overhemden, de deftige zwarte rokken. Alleen wat arme, verdwaalde bloemen in het knoopsgat deden triestig aan. En naast hen de elegante, gracieuze cocottes, schitterend van juweelen, in fijne zijde en satijn, de groote, breed gerande hoeden met witte struisveeren, en boa’s van kostbaar dons. Een weeë geur van fijne parfums zweefde door de zaal, prikkelend, en toch weerzinwekkend. Sommige dier vrouwen hadden groote poppen in den arm, prachtig aangekleed[176]met dure kant en kostbare juweelen, en wiegden die liefkoozend heen en weer, als baby’s. Er was iets afschuwelijk onheiligs in die imitatie van moederschap bij vrouwen, die altijd onvruchtbaar moeten blijven, voor hun métier.1„Waartoe dienen nu die poppen?” vroeg Paulus.En Elias, bitter:„Dat is een duivelsche verfijning, en de nieuwste mode, moet je weten. Het schijnt opwekkend te zijn, vooral voor oude heeren. Een soort bevuiling van het moederschap, ook misschien een soort symbool dat die arme, verdoolde vrouwen, die het mooie van de liefde niet kunnen genieten, slechts doode poppen kunnen hebben, en geen kinderen.”Er was iets diep tragisch in dat wiegen van die levenlooze poppen in de armen van die geverfde, onvruchtbare vrouwen, maar niemand van de feestende mannen scheen er iets van te zien.Deftige kellners brachten uitgezochte gerechten aan en zeldzame merken champagne, en bedienden eerbiedig de zwart-gerokte wellustelingen, die voor hun geld al die eet-en-drinkwaren, en die vrouwen er bij, konden koopen. En dit alles ging heel gewoon, zonder dat iemand het onrecht voelde, alsof het nu eenmaal zoo in de natuurlijke orde der dingen lag.Hier en daar slenterden een paar vrouwen door[177]de zaal, die nog geen mannen hadden gevonden, lonkend en gichelend tegen losloopende heeren, die eerst eens wilden uitkijken, en nog geen keus hadden gedaan. Elias wees er Paulus nog eens met nadruk op, hoe leeg en voos dit alles was, omdat het toch maar alleen het vuile geld was, dat alles hier in beweging zette. Zonder geld kon geen van die mannen een van die vrouwen krijgen, die zich schijnbaar van zelf aanboden, uit louter behagen. Maar hij had hem dit niet behoeven te zeggen. Paulus zag wel aan het eigenlijk treurige en tragische van die lachjes en leege lonken, hoe weinig echt ze waren.„En nu is dit nog met een beetje schijn van mooiheid,” zeide Elias. „Het lijkt tenminste nog een beetje op vreugde en geluk, en er is een zekere glans over. Hier zijn dan ook de zoogenaamde chicque vrouwen en het gaat hier allemaal rijk toe, met luxe en verfijning. Maar nu moet je eens meegaan naar het andere einde van de stad, waar de mindere gelegenheden zijn.”En hij nam Paulus mede in een rijtuig naar straten in het Zuiden der stad, waar hij nog niet was geweest. Er waren hier veel goedkoope bal-zalen en derderangs theaters in de buurt, en overal waren nacht-cafés, waar de bezoekers van die amusementen heengingen, als alles was afgeloopen. Maar dit waren de koffiehuizen, waar geen fijne gerechten te krijgen waren, te duur voor de menschen die hier kwamen.[178]Kleine, bedompte zaaltjes vol rook van slechte sigaren, waar de borden en koppen zóó maar op het bevuilde imitatie-marmer van de tafeltjes werden gezet, en de bezoekers schouder aan schouder, tegen elkaar aangepropt, zaten te eten.Hier wemelde het van jammerlijke ellende-vrouwen, die voor de laagste prijzen dezelfde schande moesten verkoopen als de rijken uit het restaurant Félix, en waaronder er waren die ’s middags niet gegeten hadden, en nu aasden op een oudbakken broodje met uitgedroogd vleesch, of een stinkend stukje worst met een kop lauwe, slappe koffie.De straten waren hier slecht verlicht, en de huizen armoedig en oud.Elias ging met Paulus een onaanzienlijk café binnen.Hier zatenderderangsartiesten uit kleine theatertjes, bohémiens zonder veine, studenten die het net even konden doen om rond te komen, poovere klerkjes, en slecht betaalde muzikanten. Maar op die schamele bezoekers aasden toch nog vrouwen, armoedig gekleede, sjofele vrouwen, in schijnbaar nog elegante mantels uit inferieure confectie-magazijnen op afbetaling, met magere, bleeke misère-gezichten, die tragisch grijnsden als zij probeerden te lachen. Met de schimmen van wat ééns misschien charmes in haar geweest waren, probeerden zij de mannen daar te verleiden, een stukje bloot van een verlepte, slappe[179]borst, een opgevulde, schijnbaar wellustige heup, een nog wat dikke kuit van een toevallig vooruitgestoken been.Hier en daar zat zoo’n vrouw alleen tusschen een dichte rij mannen, zonder consumptie voor zich, leeg-glimlachend om zich heen, om iemand over te halen iets voor haar te bestellen. Paulus zag er een dieklappertandde, en misschien wel honger had. Ook hier scheen geen van de mannen de ellende goed te voelen, en mededoogen te hebben met die vrouwen. Somtijds snauwden zij haar ruw af, of voegden haar grove, obscene woorden toe, waar dan iedereen uitbundig om lachte.Maar de vrouwen schenen hieraan gewoon te zijn, en gaven den moed niet op, tot zij eindelijk iemand vonden die wat voor haar bestelde, en die ze eindelijk medenam, het café uit.„Kijk, daar gaat er weer een, die haar coup gedaan heeft,” zeide Elias. „Dit is nu de goedkoope prostitutie, zie je. Voor weinig geld, vijf francs bijvoorbeeld, of nog minder, mag die man nu mee naar haar triestig kamertje, waar een armoedig bed staat, met vuil linnengoed en kapotte dekens. Maar toch is ’t hetzelfde als wat de rijken in ’t weelderige doen. Een man, die geld bezit, heeft macht over een vrouw die het niet heeft, en huurt haar lichaam. Dit is nu de groote beschaving van Leliënstad.…”„Hare zusteren … háre zusteren,” dacht Paulus[180]àl maar door, en pijnend ging die idee door zijn hoofd, „de zusteren van Leliane … van de kalme, de goddelijk reine, die rustte bij de waterlelies in het bosch …”„Maar dit is nog niet ééns het allerergste,” ging Elias door,„het kan nóg minder, nóg afzichtelijker … er is hier niets zóó afschuwelijk, of het kan nóg beestachtiger naarmate er minder geld voor is … het geld regelt alles …”En hij nam hem mede, een aantal ongure, slecht verlichte straten door, met armoedige huisjes, tot zij eindelijk in de Ursulastraat kwamen, een nauwe, duistere steeg, die er louche en verdacht uitzag. Huis aan huis was een kroeg van ’t minste allooi, waar wijven in witte jakken voor het open venster zaten, met bloemen in het vuile, verlepte haar, en zingende uit schorre, rauwe kelen. Haar oude, van jenever roode gezichten loerden als die van wilde dieren naar een prooi, en zij riepen gemeene woorden naar de voorbijgangers, meest dronken soldaten en matrozen. Van binnen uit de kroegen klonk valsche muziek van harmonica’s en orgels. In de nauwe steeg hing een weeë stank van faecaliën en lekkende riolen.Een afzichtelijk wijf kwam een kroeg uit, en pakte Paulus brutaal bij een arm, een liefkoozend woord roepend, dat op een vloek geleek.Met een schreeuw van afgrijzen rukte hij zich los, en holde de straat uit.[181]Elias had hem spoedig ingehaald.„Dat was zwak van je,” zeide hij. „Je moet eerst goed alles van de misère zien vóór je het goddelooze onrecht heelemaal kunt beseffen … dit is nu een zoogenaamd genot voor den arme … waar hij met een ellendig beetje geld toch óók nog altijd macht kan hebben over vrouwen … Zoodrá de proletariër maar even wat geld bezit is hij óók, op zijn beurt, even de baas over een ander, die het niet heeft … en die afschuwelijke beesten van wijven zouden heusch niet zóó geworden zijn als ze in eene maatschappij waren geboren, waarin de productiemiddelen rechtvaardig waren verdeeld … Niet zij zijn de schuld van haar verdierlijking … In onze lichte, mooie Leliënstad, rijken en armen onder haar medegerekend, wonen veertig duizend van die vrouwen, die van hun schande moeten leven … vergeet dit niet, veertig duizend … In het centrum van de beschaving …”Nadat Elias afscheid van hem had genomen wandelde Paulus nog wat door.Het pas geziene onrecht schrijnde brandend in zijn borst. Hoe was het mogelijk, dat de menschen wreeder waren dan verscheurende dieren! Dat zij rustigjes en kalm in hun wèl gesloten huizen sliepen onder warme dekens, zonder dat al die ellende buiten hen ook maar éven op deed schrikken. Veertig duizend vrouwen overgeleverd aan schande en bezoedeling, en tóch bleef ieder ongeroerd in zijn leventje doorgaan,[182]zonder zich bezorgd te maken of er niet iets verrot moest zijn in de maatschappij!Hij voelde een walging, als een die onpasselijk is van vieze reuken en afzichtelijke smaken. Het leek hier wel een hel, in deze groote Leliënstad, die het centrum was van beschaving. Geen stap kon je doen op de groote Boulevards of je werd herinnerd aan iets gemeens. Omgekochte kerels drukten je aanbevelingen en adressen in je hand van ontuchtige gelegenheden, camelots kwamen bij je met vieze prentjes of doorzichtige kaarten, geverfde vrouwen lachten je liederlijk toe. Als je niet meer onnoozel was, en je wist het eenmaal, zag je overal de laagste vuilheid, die je tegengrijnsde. De liederlijkheid stroomde met vlagen door de straten.O! Nu ergens iets reins te zien, iets van troost, om al die ellende even te vergeten! Even een gezicht van goedheid, een ding van kuischheid, om weer te gelooven!En ineens dacht hij om de Cathedraal.—O! De Cathedraal, veilig hoog boven de stad van zonde en vooze schande!Haastig liep hij door, ijlings straat na straat uit, als een die dorst heeft en zoekt een lavende bron. Daar was de Leliën-Boulevard! Nu stijgen, stijgen, dat de duistere stad beneden verzinkt! En hij snelde naar boven, hijgend de steile helling op, in groot verlangen. Eindelijk, daar was het, eindelijk![183]Het reine. Het vrome. Het heilig rijzende omhoog. Roerloos rees de kalme Cathedraal op tot den blauwen maanlicht-hemel vol sterren.En zóó als nú in den lichten nacht had hij haar nog nooit gezien. De adem Gods omdroomde haar, en beefde geruischloos langs haar biddende bogen, en gleed onzichtbaar langs haar teêre lijnen. In het zachtjes-zilverende maanlicht was zij blank als een heilige bloem, en alles wat er van materie aan was werd vergeestelijkt in dien glans. Het fijne weefsel van haar kanten figuren was als aetherisch gespeel van sterren-stralen, dat dra vergaan zou in niets bij luchtigste beving van wind.Zóó luchtig en ijl was het kanten gedroom omhoog, dat het Paulus was, als stond de Cathedraal heel vaag te beven in nauw merkbare trilling, als een spinsel van veeren varens, van eigen lichtheid rillend in de lucht. De dunste, teederste blâren van boomen die hij gezien had, in stillen wouden-nacht, waren niet zóó innig en broos. En hoog in die kanten pracht stonden vrome heiligen met biddende handen, en engelen met recht-gestrekt zwaard, roerloos, met wijd gespreide vleugelen.Toen welden de lang opgekropte tranen eindelijk op in Paulus’ oogen.O! Zóó hoog zijn, zóó statig, en zoo rein! Zóó biddend te mogen oprijzen boven de duistere wereld, en in uiterste, rechte strekking, zich uit te rekken[184]naar God, in allerhoogste spanning van innigst wezen!Hoe kalm was dit alles, hoe rustig, hoe eenvoudig, zooals een bloem rijst uit den grond, zoekend het licht! En hoe klein leek nu ineens al dat groot-verschrikkelijke van zooeven!Kijk, al die huizen daar beneden, het eene naast het andere, en dit wat hooger, en dat wat lager, als een stomme kudde, de koppen op elkaar, die zich in duister verdringt! En hoe triestig en armzalig, al die rijen lichtjes daar, weifelend en pinkend in den nacht! Hoe nietig waren ze nu ineens, de leventjes van al die honderdduizenden saamgehokte menschen daar beneden, die er rondploeterden met hun laffe lustjes en verlangentjes! Was het wel zoo verschrikkelijk als hij het daar net gevoeld had, en was het wel waard, zoo fel te beroeren zijn ziel van louter vrede en rust?Hier bij die hooge, kalme Cathedraal, opbloeiend als een heilige, blanke bloem naar den eindeloozen hemel vol sterren, was al dat geknoei daar ver beneden toch eigenlijk maar als dat van stoute, kleine kinderen, die morsen en nog geen zindelijkheid hebben geleerd.En waar al die kleine lustjes van de kleine menschjes daar zouden verteren, en al die knoeiende stumperts weldra zouden vergaan in het stof, daar zou die blanke Cathedraal heerlijk blijven staan, door de eeuwen heen, onvernietigbaar, in goddelijke glorie.…[185]

Van dien dag af aan waren Paulus’ oogen opengegaan en zag hij duidelijk vóór zich, wat vóór dien tijd vreemd en onbegrijpelijk voor hem was geweest.

Hij wist nu, wat het lachen der mooi gekleede vrouwen beduidde op straat, hij wist wat de drijfveer was van dat zenuwachtige, onrustige leven op de Boulevards, en hij voelde wat de verschrikkelijke tragedie uitmaakte van de sombere nacht-figuren, dolende in de Koninginnestraat.

O! De grove, wreede Lust, die al die mannen voortdreef in de straten, loerend naar vrouwen, als honden die aan ’t snuffelen zijn, die Lust, die rondwaarde in de theaters, in de café’s, zelfs in de kerken, nooit verzadigd, verterend wat lief en teeder was, die Lust, die hij nu ook in zich zelf wist, en die somtijds inééns in hem opstond, als een wild, begeerig beest, azend op een prooi. Die gedachte aan het warme lijf van Rosita, plotseling rood in hem opbliksemend, waar zijn ziel dit toch hevig haatte, die[168]enkel het witte, rustige, reine wilde van stille contemplatie! Die verschrikkelijke angst, dat hij het wilde beest misschien ééns niet meer zou kunnen temmen, en het hem weer terug zou drijven naar die roode kamer, waar hij rillend uit was gevlucht!

En het ontzettende, dat al deze dingen zoo gewoon en gansch natuurlijk waren voor de menschen!

Marcelio had hartelijk gelachen, toen hij hem, half schreiend, van zijn nacht bij Rosita had verteld.

„Het was héél aardig van Rosita,” had Marcelio gezegd. „Ze vond je zoo’n lieven, mooien, frisschen jongen, en was heusch gecharmeerd van je, anders had ze je niet gevraagd … Er zijn er honderden, wien ze voor véél geweigerd heeft, wat jij voor niets van haar hebt gekregen … Ze heeft een rijken, vreemden prins, die haar geeft wat ze wil … Je mag haar niet zóó maar laten staan, en moet haar gaan bedanken of haar een hartelijke attentie sturen … je bent te benijden, mijn beste …”

Toen had Paulus gezwegen, voelend dat Marcelio hem toch niet begrijpen zou. Maar hij was niet terug geweest, wetend hoe zwak hij misschien zou zijn, als zij hem weer kuste. En als het felle, kwaadaardige verlangen opeens in hem opbrandde, zonder dat hij er iets aan kon doen, zengend en schroeiend door zijn lijf, dacht hij met al de kracht, die hij kon concentreeren, aan de witte water-lelies in het bosch, en aan de rustige genade van Leliane’s heilige maagde-lichaam,[169]in het neerzilverende maanlicht zoo rustig neergelegen onder de stille boomen.…

Maar overal zág hij nu het duistere, het venijnige, altijddoor dreigende, wat zijn ziel van licht haatte. Het was overal waar menschen waren, en het loerde in alle straten en wegen. En nu wist hij, met schaamte en droefenis, dat het óók loerde in donkere schuilhoeken van zijn binnenste. Dan vroeg hij zich af met ontzetting, of dat dan altijd bij hem was geweest, diep in hem weggedoken, toen hij zijn jonge leven had geleefd in het bosch, en droomde van de sterren en van Leliane.

En de dagen, die hij nu doorging, waren vol van zwaarmoed en bangen strijd. Hij ging door met zijne studie als vroeger, kreeg zijne lessen van de professoren, en werkte ijverig in de bibliotheek, maar de dingen, die hij leerde, waren zonder vreugde, en de angst week niet van zijn ziel.

Hoe heerlijk, als hij dan ’s middags éven de prinses kon zien. Ééns was hij heel alleen geweest in een stille straat, toen hij haar victoria zag aankomen, met de witte, gepluimde paarden en de blinkende voorrijders in blauw-en-goud. Hij had eerbiedig het hoofd ontbloot, en diep gebogen. En zij had hem herkend, hier, waar niemand anders was, en hem vriendelijk toegeknikt, éven wuivend met haar hand. Toen was het hem ineens, of al het droeve maar een booze droom was geweest, en er niets reëel kon zijn dan de lichte zonneschijn van haar lach.[170]

Maar ’s avonds, toen overal de lantaarns weer aangingen, en de donkere menschen-drommen zwart daaronder wemelden, was het angstige weer in hem teruggekomen. Dat was altijd een vreeselijk oogenblik voor hem, als de straten zoo donker werden, en opeens al de lantaren-lichten opschenen, ver weg-rijend boven de breede, eindeloos uitloopende Boulevards.

En naarmate hij inzag, hoe Marcelio zijn innigste gevoelens toch nooit kon begrijpen, kropte hij zijn angst benauwd in zich op, en hield zich tegenover hem, of hij hoe langer hoe meer aan alles begon te gewennen.

Toen vond hij, in die allerdroefste dagen, een nieuwen vriend.

Hij had al dikwijls in de Bibliotheek den grooten, bleeken jongen man opgemerkt, die naast hem aan de algemeene schrijftafel zat te werken, met dikke folianten van bekende schrijvers over socialisme naast zich. Er was iets fiers, en toch iets diep weemoedigs in zijn donkere oogen, waar Paulus sympathie voor voelde. Zijn ziel raadde intuïtief het aan haar verwante in dien somberen jongeling.

Door eene kleinigheid, het aangeven van een inktkoker, geraakten zij in kennis, en ééns op een avond gingen zij om vijf uur samen denzelfden weg.

Elias, zoo heette de jonge student, was dadelijk[171]heel verrast, toen Paulus hem toevertrouwde, dat hij altijd in een eenzaam bosch had geleefd, en door toevallige omstandigheden, die hij niet kon vertellen, pas sedert kort in het groote stadsleven was gekomen.

„En hoe was je eerste indruk wel van Leliënstad?” vroeg hij.

Paulus, nog niet gewend voorzichtig en terughoudend te zijn, vertelde hem toen eerlijk van de onrust, die hem zoo bang had gemaakt, van het gevaar, dat hij geraden had in de straten, zonder het te kennen, en van de verschrikking, die hij gezien had, toen hij bewust was geworden wat al die menschen eigenlijk dreef.

„En wie is je leidsman geweest?” vroeg Elias.

„Graaf Marcelio,” had Paulus bekend.

Toen was Elias even wantrouwend geworden.

„Graaf Marcelio?”.… zeide hij. „Die adjudant is van de prinses?.… Ah zoo! Ben je onder aristocraten terecht gekomen?.… Dat wist ik niet.… Dan zal je zeker wel niets dan moois hebben gezien.… Wat een weelde hè, hièr in Leliënstad.… Wat rijk en goed en edel allemaal, hè?.…”

Maar Paulus antwoordde zóó, dat Elias al heel gauw voelde, hoe hij zich vergiste. Want hij vertelde, hoe verschrikkelijk hij den tweeden avond van zijn leven in de stad de droevige nacht-figuren had gevonden, die ronddoolden in de Koninginnestraat, en hoe hij eerst niet had begrepen, wat toch wel dat[172]verschrikkelijke zijn kon, dat hij toén nog niet kende. Hoe hij toen inééns geweten had, en hoe toen altijddoor die schrijnende pijn in hem was geweest over de droeve schande van die vrouwen, die toch het heiligste mysterie van de menschheid in zich hadden.…

Toen had Elias hem goed aangekeken, en hem gevraagd, hem eens flink in het gezicht te kijken, en had toen de tranen van echte menschelijkheid gezien, die blonken in zijn oogen.

En toen Paulus hem zeide: „Ik kán het mooie niet meer genieten nu ik dít gezien heb,” wist Elias dat hij waarheid sprak.

In eene opwelling van vriendschap gaf hij hem de hand en vroeg hem ernstig: „Mag ik je nu óók eens Leliënstad laten zien? Maar niet het mooie alleen, ook het triestige, het droeve, het afzichtelijke. Ik zie dat graaf Marcelio je enkel de weelde er van heeft laten zien. Mag ik je nu óók eens bij de afschuwelijke ellende brengen, waar de groote meerderheid van de menschen in vuil en jammer leeft? Want dán pas kan je weten wat de weelde eigenlijk is, als je de misère hebt gezien waardoor zij alleen bestaan kan.”

Paulus had zijn hand krachtig gedrukt, en had ineens zijn bleek gezicht met de sombere oogen zacht en lief gevonden, vol droefheid van mededoogen.[173]

Dien avond hadden zij samen gegeten, en veel met elkander gepraat. Ook over verzen en dichters was Paulus begonnen, en het eerst van allen, die hij vereerde, had hij Wederich genoemd. Toen had Elias even smartelijk geglimlacht, en verder gezwegen, zonder in te stemmen met Paulus’ geestdriftige woorden. En Paulus had gedacht, dat er misschien iets droevigs tusschen Wederich en hem gebeurd was, en niet durven vragen, waarom hij zoo droevig gelachen had. Maar toen zij waren begonnen over het jammervolle van het ellende-leven der uitgestootenen en verworpenen voelden zij dadelijk samen, als twee verwante zielen. En weêr was Paulus uitgebarsten in verontwaardiging over de misère, ’s avonds in de Koninginnestraat, waar de vrouwen hun schande moesten verhuren om te kunnen leven.

„Ja, dát is de allerergste verschrikking nog van onze maatschappij,” zeide Elias. „Je moet eens meêgaan van avond, tegen twaalf uur. Dan zullen wij haar samen eens aanzien, de prostitutie in onze mooie stad van beschaving. Ik zal je eens brengen bij Felix, waar ze in haar weelderigsten vorm te zien is, en dán in de bovenstad, waar zij op haar minst is, al is zij in beide uitingen hetzelfde. En dan moet je me eens vertellen, wie je gemeener vindt, die vrouwen, óf die mannen, die van hun ellende profiteeren, door de macht van hun geld.”

[174]

Om twaalf uur traden zij het groote nacht-restaurant van Félix binnen.

Vóóraan, bij den ingang, was een Amerikaansche Bar, waarvoor op lange, hooge tabouretten chic gekleede heeren met opzichtig uitgedoste vrouwen whiskey-soda’s en likeur zaten te drinken.De vies-schitterende mannen-oogen zagen heet-begeerig naar de blanke vrouwen-borsten, die onbeschaamd uit lage corsages opbolden. De vrouwen lachten en lonkten, keken hen aan met languissante blikken, dandineerend als poezen, vleierig.

Hier en daar, door schmink en poeder heen, kwam toch wel eens wat echt lief van vrouwen-mooi heenkijken, dat nog niet heelemaal vergaan was.

Er was een valsche schijn van vreugde om die Bar met fonkelend kristal en hel electrisch licht, met die menschen die elkaar toedronken, luidruchtig door elkaar schreeuwend, en breed gebarend. Maar Paulus zag alleen het triestige, het tragische van dat verdwaalde, verloren lieve en schoone, dat zijn ziel aanbad, hier besmet en bevuild, veil voor brute, grove ploerten, als ze maar geld hadden om het te koopen.

„Zie je het harde en goddelooze in de tronies van die kerels?” zeide Elias bitter. „Niemand onder hen die deernis voelt voor die arme schepsels, van wie ze misbruik maken, omdat ze maatschappelijk minderwaardig zijn. Géén van hen, die er om denkt, dat die prostituées óók vrouwen zijn, als hun moeders[175]en zusters, en het heiligst vrouwelijke nog altijd in zich hebben. Neen, zij hebben het geld in hun zak, en dáárom hebben zij macht over die vrouwen, die het niet hebben, en hebben zij het recht, haar te bevuilen en te besmetten. En dan zeggen ze nog, dat er geen slavernij meer bestaat!”

Paulus zweeg, en klemde de lippen op elkaar om niet uit te barsten. Hij dacht om Leliane, veilig en hoog in haar witte paleis, wijl haar zusteren hier kwijnden, in afzichtelijke slavernij.…

De Bar voorbijgaande kwamen zij nu in een groote, rijke zaal, rood met goud, schitterend door electrische lichtkelken verlicht.

Een ongezien orchest, verborgen achter groene palmen, speelde langoureuze, slepende muziek voor de heeren en dames, die aan tafeltjes, weelderig gedekt met damast en kristal, zaten te soupeeren.

Alles aan die heeren leek correct en voornaam. De zorgvuldig gefrizeerde haren, het vlekkeloos glanzende wit van overhemden, de deftige zwarte rokken. Alleen wat arme, verdwaalde bloemen in het knoopsgat deden triestig aan. En naast hen de elegante, gracieuze cocottes, schitterend van juweelen, in fijne zijde en satijn, de groote, breed gerande hoeden met witte struisveeren, en boa’s van kostbaar dons. Een weeë geur van fijne parfums zweefde door de zaal, prikkelend, en toch weerzinwekkend. Sommige dier vrouwen hadden groote poppen in den arm, prachtig aangekleed[176]met dure kant en kostbare juweelen, en wiegden die liefkoozend heen en weer, als baby’s. Er was iets afschuwelijk onheiligs in die imitatie van moederschap bij vrouwen, die altijd onvruchtbaar moeten blijven, voor hun métier.1

„Waartoe dienen nu die poppen?” vroeg Paulus.

En Elias, bitter:

„Dat is een duivelsche verfijning, en de nieuwste mode, moet je weten. Het schijnt opwekkend te zijn, vooral voor oude heeren. Een soort bevuiling van het moederschap, ook misschien een soort symbool dat die arme, verdoolde vrouwen, die het mooie van de liefde niet kunnen genieten, slechts doode poppen kunnen hebben, en geen kinderen.”

Er was iets diep tragisch in dat wiegen van die levenlooze poppen in de armen van die geverfde, onvruchtbare vrouwen, maar niemand van de feestende mannen scheen er iets van te zien.

Deftige kellners brachten uitgezochte gerechten aan en zeldzame merken champagne, en bedienden eerbiedig de zwart-gerokte wellustelingen, die voor hun geld al die eet-en-drinkwaren, en die vrouwen er bij, konden koopen. En dit alles ging heel gewoon, zonder dat iemand het onrecht voelde, alsof het nu eenmaal zoo in de natuurlijke orde der dingen lag.

Hier en daar slenterden een paar vrouwen door[177]de zaal, die nog geen mannen hadden gevonden, lonkend en gichelend tegen losloopende heeren, die eerst eens wilden uitkijken, en nog geen keus hadden gedaan. Elias wees er Paulus nog eens met nadruk op, hoe leeg en voos dit alles was, omdat het toch maar alleen het vuile geld was, dat alles hier in beweging zette. Zonder geld kon geen van die mannen een van die vrouwen krijgen, die zich schijnbaar van zelf aanboden, uit louter behagen. Maar hij had hem dit niet behoeven te zeggen. Paulus zag wel aan het eigenlijk treurige en tragische van die lachjes en leege lonken, hoe weinig echt ze waren.

„En nu is dit nog met een beetje schijn van mooiheid,” zeide Elias. „Het lijkt tenminste nog een beetje op vreugde en geluk, en er is een zekere glans over. Hier zijn dan ook de zoogenaamde chicque vrouwen en het gaat hier allemaal rijk toe, met luxe en verfijning. Maar nu moet je eens meegaan naar het andere einde van de stad, waar de mindere gelegenheden zijn.”

En hij nam Paulus mede in een rijtuig naar straten in het Zuiden der stad, waar hij nog niet was geweest. Er waren hier veel goedkoope bal-zalen en derderangs theaters in de buurt, en overal waren nacht-cafés, waar de bezoekers van die amusementen heengingen, als alles was afgeloopen. Maar dit waren de koffiehuizen, waar geen fijne gerechten te krijgen waren, te duur voor de menschen die hier kwamen.[178]Kleine, bedompte zaaltjes vol rook van slechte sigaren, waar de borden en koppen zóó maar op het bevuilde imitatie-marmer van de tafeltjes werden gezet, en de bezoekers schouder aan schouder, tegen elkaar aangepropt, zaten te eten.

Hier wemelde het van jammerlijke ellende-vrouwen, die voor de laagste prijzen dezelfde schande moesten verkoopen als de rijken uit het restaurant Félix, en waaronder er waren die ’s middags niet gegeten hadden, en nu aasden op een oudbakken broodje met uitgedroogd vleesch, of een stinkend stukje worst met een kop lauwe, slappe koffie.

De straten waren hier slecht verlicht, en de huizen armoedig en oud.

Elias ging met Paulus een onaanzienlijk café binnen.

Hier zatenderderangsartiesten uit kleine theatertjes, bohémiens zonder veine, studenten die het net even konden doen om rond te komen, poovere klerkjes, en slecht betaalde muzikanten. Maar op die schamele bezoekers aasden toch nog vrouwen, armoedig gekleede, sjofele vrouwen, in schijnbaar nog elegante mantels uit inferieure confectie-magazijnen op afbetaling, met magere, bleeke misère-gezichten, die tragisch grijnsden als zij probeerden te lachen. Met de schimmen van wat ééns misschien charmes in haar geweest waren, probeerden zij de mannen daar te verleiden, een stukje bloot van een verlepte, slappe[179]borst, een opgevulde, schijnbaar wellustige heup, een nog wat dikke kuit van een toevallig vooruitgestoken been.

Hier en daar zat zoo’n vrouw alleen tusschen een dichte rij mannen, zonder consumptie voor zich, leeg-glimlachend om zich heen, om iemand over te halen iets voor haar te bestellen. Paulus zag er een dieklappertandde, en misschien wel honger had. Ook hier scheen geen van de mannen de ellende goed te voelen, en mededoogen te hebben met die vrouwen. Somtijds snauwden zij haar ruw af, of voegden haar grove, obscene woorden toe, waar dan iedereen uitbundig om lachte.

Maar de vrouwen schenen hieraan gewoon te zijn, en gaven den moed niet op, tot zij eindelijk iemand vonden die wat voor haar bestelde, en die ze eindelijk medenam, het café uit.

„Kijk, daar gaat er weer een, die haar coup gedaan heeft,” zeide Elias. „Dit is nu de goedkoope prostitutie, zie je. Voor weinig geld, vijf francs bijvoorbeeld, of nog minder, mag die man nu mee naar haar triestig kamertje, waar een armoedig bed staat, met vuil linnengoed en kapotte dekens. Maar toch is ’t hetzelfde als wat de rijken in ’t weelderige doen. Een man, die geld bezit, heeft macht over een vrouw die het niet heeft, en huurt haar lichaam. Dit is nu de groote beschaving van Leliënstad.…”

„Hare zusteren … háre zusteren,” dacht Paulus[180]àl maar door, en pijnend ging die idee door zijn hoofd, „de zusteren van Leliane … van de kalme, de goddelijk reine, die rustte bij de waterlelies in het bosch …”

„Maar dit is nog niet ééns het allerergste,” ging Elias door,„het kan nóg minder, nóg afzichtelijker … er is hier niets zóó afschuwelijk, of het kan nóg beestachtiger naarmate er minder geld voor is … het geld regelt alles …”

En hij nam hem mede, een aantal ongure, slecht verlichte straten door, met armoedige huisjes, tot zij eindelijk in de Ursulastraat kwamen, een nauwe, duistere steeg, die er louche en verdacht uitzag. Huis aan huis was een kroeg van ’t minste allooi, waar wijven in witte jakken voor het open venster zaten, met bloemen in het vuile, verlepte haar, en zingende uit schorre, rauwe kelen. Haar oude, van jenever roode gezichten loerden als die van wilde dieren naar een prooi, en zij riepen gemeene woorden naar de voorbijgangers, meest dronken soldaten en matrozen. Van binnen uit de kroegen klonk valsche muziek van harmonica’s en orgels. In de nauwe steeg hing een weeë stank van faecaliën en lekkende riolen.

Een afzichtelijk wijf kwam een kroeg uit, en pakte Paulus brutaal bij een arm, een liefkoozend woord roepend, dat op een vloek geleek.

Met een schreeuw van afgrijzen rukte hij zich los, en holde de straat uit.[181]

Elias had hem spoedig ingehaald.

„Dat was zwak van je,” zeide hij. „Je moet eerst goed alles van de misère zien vóór je het goddelooze onrecht heelemaal kunt beseffen … dit is nu een zoogenaamd genot voor den arme … waar hij met een ellendig beetje geld toch óók nog altijd macht kan hebben over vrouwen … Zoodrá de proletariër maar even wat geld bezit is hij óók, op zijn beurt, even de baas over een ander, die het niet heeft … en die afschuwelijke beesten van wijven zouden heusch niet zóó geworden zijn als ze in eene maatschappij waren geboren, waarin de productiemiddelen rechtvaardig waren verdeeld … Niet zij zijn de schuld van haar verdierlijking … In onze lichte, mooie Leliënstad, rijken en armen onder haar medegerekend, wonen veertig duizend van die vrouwen, die van hun schande moeten leven … vergeet dit niet, veertig duizend … In het centrum van de beschaving …”

Nadat Elias afscheid van hem had genomen wandelde Paulus nog wat door.

Het pas geziene onrecht schrijnde brandend in zijn borst. Hoe was het mogelijk, dat de menschen wreeder waren dan verscheurende dieren! Dat zij rustigjes en kalm in hun wèl gesloten huizen sliepen onder warme dekens, zonder dat al die ellende buiten hen ook maar éven op deed schrikken. Veertig duizend vrouwen overgeleverd aan schande en bezoedeling, en tóch bleef ieder ongeroerd in zijn leventje doorgaan,[182]zonder zich bezorgd te maken of er niet iets verrot moest zijn in de maatschappij!

Hij voelde een walging, als een die onpasselijk is van vieze reuken en afzichtelijke smaken. Het leek hier wel een hel, in deze groote Leliënstad, die het centrum was van beschaving. Geen stap kon je doen op de groote Boulevards of je werd herinnerd aan iets gemeens. Omgekochte kerels drukten je aanbevelingen en adressen in je hand van ontuchtige gelegenheden, camelots kwamen bij je met vieze prentjes of doorzichtige kaarten, geverfde vrouwen lachten je liederlijk toe. Als je niet meer onnoozel was, en je wist het eenmaal, zag je overal de laagste vuilheid, die je tegengrijnsde. De liederlijkheid stroomde met vlagen door de straten.

O! Nu ergens iets reins te zien, iets van troost, om al die ellende even te vergeten! Even een gezicht van goedheid, een ding van kuischheid, om weer te gelooven!

En ineens dacht hij om de Cathedraal.—

O! De Cathedraal, veilig hoog boven de stad van zonde en vooze schande!

Haastig liep hij door, ijlings straat na straat uit, als een die dorst heeft en zoekt een lavende bron. Daar was de Leliën-Boulevard! Nu stijgen, stijgen, dat de duistere stad beneden verzinkt! En hij snelde naar boven, hijgend de steile helling op, in groot verlangen. Eindelijk, daar was het, eindelijk![183]

Het reine. Het vrome. Het heilig rijzende omhoog. Roerloos rees de kalme Cathedraal op tot den blauwen maanlicht-hemel vol sterren.

En zóó als nú in den lichten nacht had hij haar nog nooit gezien. De adem Gods omdroomde haar, en beefde geruischloos langs haar biddende bogen, en gleed onzichtbaar langs haar teêre lijnen. In het zachtjes-zilverende maanlicht was zij blank als een heilige bloem, en alles wat er van materie aan was werd vergeestelijkt in dien glans. Het fijne weefsel van haar kanten figuren was als aetherisch gespeel van sterren-stralen, dat dra vergaan zou in niets bij luchtigste beving van wind.

Zóó luchtig en ijl was het kanten gedroom omhoog, dat het Paulus was, als stond de Cathedraal heel vaag te beven in nauw merkbare trilling, als een spinsel van veeren varens, van eigen lichtheid rillend in de lucht. De dunste, teederste blâren van boomen die hij gezien had, in stillen wouden-nacht, waren niet zóó innig en broos. En hoog in die kanten pracht stonden vrome heiligen met biddende handen, en engelen met recht-gestrekt zwaard, roerloos, met wijd gespreide vleugelen.

Toen welden de lang opgekropte tranen eindelijk op in Paulus’ oogen.

O! Zóó hoog zijn, zóó statig, en zoo rein! Zóó biddend te mogen oprijzen boven de duistere wereld, en in uiterste, rechte strekking, zich uit te rekken[184]naar God, in allerhoogste spanning van innigst wezen!

Hoe kalm was dit alles, hoe rustig, hoe eenvoudig, zooals een bloem rijst uit den grond, zoekend het licht! En hoe klein leek nu ineens al dat groot-verschrikkelijke van zooeven!

Kijk, al die huizen daar beneden, het eene naast het andere, en dit wat hooger, en dat wat lager, als een stomme kudde, de koppen op elkaar, die zich in duister verdringt! En hoe triestig en armzalig, al die rijen lichtjes daar, weifelend en pinkend in den nacht! Hoe nietig waren ze nu ineens, de leventjes van al die honderdduizenden saamgehokte menschen daar beneden, die er rondploeterden met hun laffe lustjes en verlangentjes! Was het wel zoo verschrikkelijk als hij het daar net gevoeld had, en was het wel waard, zoo fel te beroeren zijn ziel van louter vrede en rust?

Hier bij die hooge, kalme Cathedraal, opbloeiend als een heilige, blanke bloem naar den eindeloozen hemel vol sterren, was al dat geknoei daar ver beneden toch eigenlijk maar als dat van stoute, kleine kinderen, die morsen en nog geen zindelijkheid hebben geleerd.

En waar al die kleine lustjes van de kleine menschjes daar zouden verteren, en al die knoeiende stumperts weldra zouden vergaan in het stof, daar zou die blanke Cathedraal heerlijk blijven staan, door de eeuwen heen, onvernietigbaar, in goddelijke glorie.…[185]

1In den zomer van 1901 was dit o. a. de mode ’s avonds in het restaurant Maxim te Parijs.↑

1In den zomer van 1901 was dit o. a. de mode ’s avonds in het restaurant Maxim te Parijs.↑

1In den zomer van 1901 was dit o. a. de mode ’s avonds in het restaurant Maxim te Parijs.↑

1In den zomer van 1901 was dit o. a. de mode ’s avonds in het restaurant Maxim te Parijs.↑


Back to IndexNext