[Inhoud]HOOFDSTUK XII.Toen leerde Elias hem de ware inrichting van de groote menschen-maatschappij in Leliënland, en hoe schoon haar schijn was, met de leugens van wetten en rechten, die enkel de rijken, de bezitters ten goede kwamen, maar de armen onderdrukt hielden in brood-slavernij, erger dan die van de slaven onder wilde negerstammen. Hoe heerlijk schoon waren die leuzen van vrijheid, gelijkheid en broederschap, hoe edel leek dat beginsel, het volk geregeerd door het volk, door de vijfhonderd mannen uit het Parlement, die zij zelf kozen, en de koning of koningin genadiglijk bekrachtigend wat het volk wilde! Die vrijheid, waar honderdduizenden moesten zwoegen en bloedig zweeten voor een hongerloon, omdat zij anders als honden zouden sterven, die gelijkheid, waar de eerste de beste poen met geld in weelde zwelgde, en de arme arbeider wegkwijnde in honger en gebrek, die broederschap, waar ieder koud zijn eigen weg ging, ongeroerd door anderer ellende en verdriet! Die volks-regeering,[186]waar juist de meerderheid, de arme stakkers, niet konden kiezen, omdat zij waren uitgesloten van de stemming, en de bezitters, liberalen of clericalen, enkel die mannen kozen die hun bezit zouden verzekeren ten koste van de jammerlijke stumperts, die daarvoor verdrukt moesten blijven!En Elias overstelpte Paulus met boeken en brochures, waarin het onrecht der huidige maatschappij werd aan den dag gelegd. Hij trachtte ze met aandacht te lezen, maar al de daarin neergelegde theorieën, ze warrelden door zijn hoofd, zonder tot klaarheid te komen. Die diepzinnige beschouwingen omtrent den oorsprong van het kapitaal, de overproductie, de rente, de meer-waarde, de sociale evolutie, de loonen, zij deden zijn hoofd duizelen.Maar dat was niets, zeide Elias. Er was ook eerst jarenlange studie voor noodig, en als hij maar een paar jaar ijverig studeerde, zou hij wel goed op de hoogte komen.Nú voelde Paulus vast alleen heel helder en klaar dat ééne, eenvoudige feit, dat de kleinere helft van de menschen in weelde en overdaad leefde, en dat de overgroote helft moest zwoegen in gebrek en kommer, om dien toestand van onrecht te doen voortduren.Daar waren geen dikke, geleerde boeken vol theorieën en beschouwingen voor noodig, dat zag je van zelf, als je maar éven je oogen gebruikte en je verstand liet werken.[187]Maar juist dit ééne, eenvoudige feit, waar toch alles op neerkwam, schenen de menschen niet te zien of niet te willen zien.Ook begreep Paulus zonder studie die tweede, voorname waarheid, dat de aarde voor allen gelijkelijk was bedoeld, en ieder mensch dezelfde rechten had op alles wat uit de aarde voortkwam, zooals de vogels gelijke, natuurlijke rechten hadden in het bosch.Zeker, hij zou leeren, hij nam zich voor alles met aandacht te lezen, wat Elias hem geven zou, maar déze twee simpele, groote waarheden droeg hij alvast als kostbare, maar droeve schatten in zich om.En langzamerhand begon hij ook de vreeselijke, verdoemenswaardige macht in te zien van het geld.In ’t eerst, toen hij pas de goud- en zilverstukken in zijn bezit had gekregen, leken ze zulke onschadelijke, gemakkelijke dingen, meer goedig dan gevaarlijk.Maar nú begon hij hoe langer hoe duidelijker te voelen de laffe kracht, die in die blinkende stukken metaal lag. Want geld, oorspronkelijk als eenvoudig ruilmiddel bedoeld, dat was enkel de macht die de bezitter er van heeft over een medemensch, die het niet bezit, had Elias hem geleerd, en bij een weinig nadenken had hij ingezien, hoe juist dit was. Voor geld was alles te krijg. Voor geld kon een man zelfs een vrouw koopen, haar lichaam huren, om het te bevuilen met zijn lust, als de vrouw het geld niet bezat. Hij had zich geschaamd, toen hij zag, hoe de beeltenis[188]van Leliane op al die geldstukken was gegraveerd, en hij voelde opeens de gedachte in zich opkomen, dat hij, indien hij zoo bleef dóórvoelen, zou moeten eindigen met géén geld meer te mogen aannemen, zelfs niet van Háár.En alles in de groote maatschappij werd door dat geld beheerscht, zonder uitzondering. Al de conventies, al de instellingen, het gezin, het fatsoen, het huwelijk, zij stonden allen onder den invloed van het geld. Er was geen diepe studie noodig om dit te zien, enkel het eenvoudige, oprechte voelen van een kind.Ook veel schoone dingen liet Elias hem zien in Leliënstad. Hij leerde hem te waardeeren wat de groote schilders van het land hadden voortgebracht. Hij nam hem mede naar concerten, waar Paulus uren van verrukking doorleefde, zooals hij ze in het Bosch zelfs niet had gekend. Beethoven en Bach begon hij te vereeren als heiligen, en hij vergat al zijn verdriet als hun heerlijke harmonieën hem omruischten. Dan leek het hem, of hij nú eerst de mooie werkelijkheid van het menschenleven voelde, en al het andere maar booze schijn van droom was geweest. En het was hem dan ineens, of Leliane weer heel dicht bij hem was, en nooit eigenlijk weg was geweest.„O! Niets te hooren dan dit!” had hij tegen Elias gezegd. „Zou je zóó niet kunnen leven? Al het leelijke uit den weg gaan, en enkel maar met idealen[189]leven? Niets bij je willen hebben dan mooie schilderijen, en verzen, en muziek?”En Elias had gezegd:„Zeker kán dat. De meesten van die verfijnde menschen doen dat, die zich tegenwoordig „artiesten” noemen. Maar vergeet niet, dat al die mooie dingen weer alleen voor die kleíne minderheid van de menschen zijn, die er met de macht van het geld bij kunnen komen. Voor de tobbende stakkerts zijn die mooie dingen niet. Ze zouden ze ook niet begrijpen, zoolang ze in de verstomping leven van beestachtig werk en hongerig gebrek. En zou je al dat mooie kunnen genieten als je weet dat honderdduizenden van je medemenschen in ontbering hun deel er niet van krijgen?”Toen was er iets in Paulus gekomen, dat het hoogste genot voor hem bedierf.In zoo’n concertzaal zitten, en dan in eens te denken aan al het onrecht en de leugen daarbuiten! ’s Avonds na afloop op straat komen, en de sombere figuren van zoekende prostituées te zien ronddolen in regen en kou! Dan vond hij zich wel eens een onwaardige, dat hij had kunnen genieten, wijl het weten van de ellende zijner medemenschen bewust in zijn ziel was.Het groote stads-leven werd nu opeens voor hem als een booze droom, nu hij de verschrikkelijke motieven had gezien, die al die droeve drommen van menschen bewogen in dat warrelende gewoel. Zoo op het eerste gezicht leken al die menschen eer belachelijk[190]dan gevaarlijk, in hun smakelooze kleeren, met hun onbevallige, hoekige gebaren, maar nu hij beter wist wat ze wilden, verschrikten ze hem als wilde dieren, die enkel op de bevrediging van hun vraatzucht zijn belust.Het zenuwachtige gejaag op de breede, rijke boulevards, het gejoel in theaters en groote restaurants, al het gedoe en gescharrel was toch maar op één ding gericht: den dierlijken hartstocht, van allen schoonheidsglans ontdaan.En het getob en gezwoeg in ’t dagelijksche leven van zaken en bezigheden, het geknoei op de beurzen, het gewoeker met effecten en papieren, het gegraai naar meer en meer bezit, het was toch eigenlijk allemaal maar om dat ééne genot te hebben van vrouwen, en vrouwen, en nóg eens vrouwen, enkel haar lijven, en anders niets. Dáárvoor alleen waren de leugen en het geweld van de rijken, dáárvoor alleen leden de misdeelden armoede en honger, en werden zij afgebeuld tot het laatste zweet van hun uitgemergelde lichamen.En, het ergste, tóch waren die bevoorrechte menschen, die dan alles hadden wat weelde en geld hun konden geven, niet gelukkig. Dat zag hij wel aan hun harde, expressie-looze gezichten. Het genot dat zij voorgaven te hebben, was een leugen. En de lach van de vrouwen, die met diamanten en zijden gewaden prijkten, was geen lach van vreugde. In allen[191]was de onrust, die hen altijd maar voortdreef naar nieuwe genieting, die nooit voldeed, en hij wist niet wie meer te beklagen waren, de slaven der maatschappij, afgebeuld door hard werken, of de rijke meesters, afgejakkerd door hun altijd onbevredigde begeerten, zonder één oogenblik van kalme rust, zooals een hert dan tenminste nog heeft, dat stil ligt te droomen in het bosch, zonder zorgen.Of zoo iets mensch-onteerends als de Zondagsche pantoffel-parade in het Koningspark, ’s middags tusschen twee en vier.Dan vierde de afschuwelijke bourgeoisie haar hoogtijd, en kwam zij tot haar opperste moment van leelijk zijn.Het onuitstaanbare van een combinatie mama-papa-en-de-kinderen, allemaal in Zondagsche pakken gestoken, papa met een hoogen hoed op, mama in een zwarten mantel met gitten, de kinderen met de vingers stijf, wijd-uit in de ongewone handschoenen. Het nadoen van de echte aristocratie, die tenminste nog iets van gratie had, door kruideniers en kappers en winkelbedienden, dezelfde menschen, die socialistische neigingen hadden en praatten over veredeling der maatschappij!Het schijnbaar zedige en niet-mogen-kijken van damesachtige meisjes, die de oogen moesten neerslaan als een man ze aanzag, maar toch dadelijk heelemaal te krijgen waren voor den eersten den besten lomperd met een „positie” die een vrouw, of ’t een beest was, kon „onderhouden!”[192]En, het ergste van alles, dat welgestelde van die Zondagsche Park-wandelaars in hun goedkoope heeren-en-dames-plunje, dat egoïstische van met-je-vrouw-en-je-kinderen-goed-te-eten-hebben, en „fatsoenlijk” te kunnen leven als „nette menschen,” zonder een aasje idee van de ellende der anderen, die niet in dat Park kwamen wandelen, omdat zij honger leden en koû! Juist die aparte groepjes van familie onder elkaar lieten zoo duidelijk zien hun absoluut egoïsme, hun totale onverschilligheid voor alles, wat niet tot het troepje behoorde. Eigenlijk wandelden al die Zondagsmenschen daar schaamteloos hun egoïsme rond. Maar ’s ochtends waren zij naar de kerk geweest en hadden gebeden met den priester of den dominé, en een paar koperen duiten in het groene zakje gegooid. O! Al dat leelijke te zien, dat grove, dat schijnheilige van Zondagsmenschen op de wandeling, en dán nog te gelooven aan de machtige woorden van Christus, dat dit zijn broederen en zusteren waren! Dikwijls kwam er onwillekeurig een bittere spotlach om Paulus’ lippen als hij hierom dacht.De leugen van alles drukte hem nu zoo zwaar, dat hij soms moeilijk ademhaalde als hij onder veel menschen was, en zich wel eens moest bedwingen om niet uit te huilen van pijn, of hoog uit te schreeuwen zijn gloeiende verontwaardiging.Bizonder sterk was het op den Zondag, als al de menschen met een Zondagsch gelegenheidsgezicht in[193]andere kleederen dan door de week over straat gingen. Het verschrikkelijke, van die menschen ’s ochtends kerkwaarts te zien gaan, hun gezangboek onder den arm, den leelijken, monsterachtigen Dom in, om een heel gewoon mannetje in leelijke, zwarte toga rhetorica te hooren galmen over wat hij wel durfde te noemen God! Of, nog erger, als hij ze in hun leelijke, stijllooze kleeren de wondermooie Cathedraal zag binnentreden, wetende de goddeloosheid en het egoïsme in hun harten!—Heel erg kon de benauwing ook voor hem worden in een concertzaal. Te hooren de wondervolle extaze van Tristan en Isolde, en dan al die fatsoenlijke, correcte menschen te zien, met uitgestreken gezichten, die net deden of ze zoo iets mooi vonden, en barbaarsch lawaai maakten met hun handen als het uit was, als een troep wilden! De leugen, dat zij die extaze werkelijk mooi zouden vinden, en dus diep in zich voelen, terwijl zij zelf opgepropt waren met berekening en egoïsme, en hun zoogenaamde liefde borneerden door dwang-ideeën van stand en fatsoen, die alle heiligheid verstikten! Die menschen, die de eersten zouden zijn om al hun laster en kwaadaardigheid uit te storten, waar ergens eens eene liefde dorst op te bloeien als die van Tristan en Isolde, die hun dochters opvoedden tot duffe marktwaar, te verkwanselen op bals en dinertjes, waar ze uitgestald werden als nuchtere kalveren, die huwelijken sloten[194]uit listige speculatie, en zich dan toch niet schaamden, Gods zegen te komen halen over hun miezerig gedoe! En dat zat dan in opgeschroefde extaze zich aan te stellen bij zulke wonder-heerlijke muziek als van Tristan en Isolde![195]
[Inhoud]HOOFDSTUK XII.Toen leerde Elias hem de ware inrichting van de groote menschen-maatschappij in Leliënland, en hoe schoon haar schijn was, met de leugens van wetten en rechten, die enkel de rijken, de bezitters ten goede kwamen, maar de armen onderdrukt hielden in brood-slavernij, erger dan die van de slaven onder wilde negerstammen. Hoe heerlijk schoon waren die leuzen van vrijheid, gelijkheid en broederschap, hoe edel leek dat beginsel, het volk geregeerd door het volk, door de vijfhonderd mannen uit het Parlement, die zij zelf kozen, en de koning of koningin genadiglijk bekrachtigend wat het volk wilde! Die vrijheid, waar honderdduizenden moesten zwoegen en bloedig zweeten voor een hongerloon, omdat zij anders als honden zouden sterven, die gelijkheid, waar de eerste de beste poen met geld in weelde zwelgde, en de arme arbeider wegkwijnde in honger en gebrek, die broederschap, waar ieder koud zijn eigen weg ging, ongeroerd door anderer ellende en verdriet! Die volks-regeering,[186]waar juist de meerderheid, de arme stakkers, niet konden kiezen, omdat zij waren uitgesloten van de stemming, en de bezitters, liberalen of clericalen, enkel die mannen kozen die hun bezit zouden verzekeren ten koste van de jammerlijke stumperts, die daarvoor verdrukt moesten blijven!En Elias overstelpte Paulus met boeken en brochures, waarin het onrecht der huidige maatschappij werd aan den dag gelegd. Hij trachtte ze met aandacht te lezen, maar al de daarin neergelegde theorieën, ze warrelden door zijn hoofd, zonder tot klaarheid te komen. Die diepzinnige beschouwingen omtrent den oorsprong van het kapitaal, de overproductie, de rente, de meer-waarde, de sociale evolutie, de loonen, zij deden zijn hoofd duizelen.Maar dat was niets, zeide Elias. Er was ook eerst jarenlange studie voor noodig, en als hij maar een paar jaar ijverig studeerde, zou hij wel goed op de hoogte komen.Nú voelde Paulus vast alleen heel helder en klaar dat ééne, eenvoudige feit, dat de kleinere helft van de menschen in weelde en overdaad leefde, en dat de overgroote helft moest zwoegen in gebrek en kommer, om dien toestand van onrecht te doen voortduren.Daar waren geen dikke, geleerde boeken vol theorieën en beschouwingen voor noodig, dat zag je van zelf, als je maar éven je oogen gebruikte en je verstand liet werken.[187]Maar juist dit ééne, eenvoudige feit, waar toch alles op neerkwam, schenen de menschen niet te zien of niet te willen zien.Ook begreep Paulus zonder studie die tweede, voorname waarheid, dat de aarde voor allen gelijkelijk was bedoeld, en ieder mensch dezelfde rechten had op alles wat uit de aarde voortkwam, zooals de vogels gelijke, natuurlijke rechten hadden in het bosch.Zeker, hij zou leeren, hij nam zich voor alles met aandacht te lezen, wat Elias hem geven zou, maar déze twee simpele, groote waarheden droeg hij alvast als kostbare, maar droeve schatten in zich om.En langzamerhand begon hij ook de vreeselijke, verdoemenswaardige macht in te zien van het geld.In ’t eerst, toen hij pas de goud- en zilverstukken in zijn bezit had gekregen, leken ze zulke onschadelijke, gemakkelijke dingen, meer goedig dan gevaarlijk.Maar nú begon hij hoe langer hoe duidelijker te voelen de laffe kracht, die in die blinkende stukken metaal lag. Want geld, oorspronkelijk als eenvoudig ruilmiddel bedoeld, dat was enkel de macht die de bezitter er van heeft over een medemensch, die het niet bezit, had Elias hem geleerd, en bij een weinig nadenken had hij ingezien, hoe juist dit was. Voor geld was alles te krijg. Voor geld kon een man zelfs een vrouw koopen, haar lichaam huren, om het te bevuilen met zijn lust, als de vrouw het geld niet bezat. Hij had zich geschaamd, toen hij zag, hoe de beeltenis[188]van Leliane op al die geldstukken was gegraveerd, en hij voelde opeens de gedachte in zich opkomen, dat hij, indien hij zoo bleef dóórvoelen, zou moeten eindigen met géén geld meer te mogen aannemen, zelfs niet van Háár.En alles in de groote maatschappij werd door dat geld beheerscht, zonder uitzondering. Al de conventies, al de instellingen, het gezin, het fatsoen, het huwelijk, zij stonden allen onder den invloed van het geld. Er was geen diepe studie noodig om dit te zien, enkel het eenvoudige, oprechte voelen van een kind.Ook veel schoone dingen liet Elias hem zien in Leliënstad. Hij leerde hem te waardeeren wat de groote schilders van het land hadden voortgebracht. Hij nam hem mede naar concerten, waar Paulus uren van verrukking doorleefde, zooals hij ze in het Bosch zelfs niet had gekend. Beethoven en Bach begon hij te vereeren als heiligen, en hij vergat al zijn verdriet als hun heerlijke harmonieën hem omruischten. Dan leek het hem, of hij nú eerst de mooie werkelijkheid van het menschenleven voelde, en al het andere maar booze schijn van droom was geweest. En het was hem dan ineens, of Leliane weer heel dicht bij hem was, en nooit eigenlijk weg was geweest.„O! Niets te hooren dan dit!” had hij tegen Elias gezegd. „Zou je zóó niet kunnen leven? Al het leelijke uit den weg gaan, en enkel maar met idealen[189]leven? Niets bij je willen hebben dan mooie schilderijen, en verzen, en muziek?”En Elias had gezegd:„Zeker kán dat. De meesten van die verfijnde menschen doen dat, die zich tegenwoordig „artiesten” noemen. Maar vergeet niet, dat al die mooie dingen weer alleen voor die kleíne minderheid van de menschen zijn, die er met de macht van het geld bij kunnen komen. Voor de tobbende stakkerts zijn die mooie dingen niet. Ze zouden ze ook niet begrijpen, zoolang ze in de verstomping leven van beestachtig werk en hongerig gebrek. En zou je al dat mooie kunnen genieten als je weet dat honderdduizenden van je medemenschen in ontbering hun deel er niet van krijgen?”Toen was er iets in Paulus gekomen, dat het hoogste genot voor hem bedierf.In zoo’n concertzaal zitten, en dan in eens te denken aan al het onrecht en de leugen daarbuiten! ’s Avonds na afloop op straat komen, en de sombere figuren van zoekende prostituées te zien ronddolen in regen en kou! Dan vond hij zich wel eens een onwaardige, dat hij had kunnen genieten, wijl het weten van de ellende zijner medemenschen bewust in zijn ziel was.Het groote stads-leven werd nu opeens voor hem als een booze droom, nu hij de verschrikkelijke motieven had gezien, die al die droeve drommen van menschen bewogen in dat warrelende gewoel. Zoo op het eerste gezicht leken al die menschen eer belachelijk[190]dan gevaarlijk, in hun smakelooze kleeren, met hun onbevallige, hoekige gebaren, maar nu hij beter wist wat ze wilden, verschrikten ze hem als wilde dieren, die enkel op de bevrediging van hun vraatzucht zijn belust.Het zenuwachtige gejaag op de breede, rijke boulevards, het gejoel in theaters en groote restaurants, al het gedoe en gescharrel was toch maar op één ding gericht: den dierlijken hartstocht, van allen schoonheidsglans ontdaan.En het getob en gezwoeg in ’t dagelijksche leven van zaken en bezigheden, het geknoei op de beurzen, het gewoeker met effecten en papieren, het gegraai naar meer en meer bezit, het was toch eigenlijk allemaal maar om dat ééne genot te hebben van vrouwen, en vrouwen, en nóg eens vrouwen, enkel haar lijven, en anders niets. Dáárvoor alleen waren de leugen en het geweld van de rijken, dáárvoor alleen leden de misdeelden armoede en honger, en werden zij afgebeuld tot het laatste zweet van hun uitgemergelde lichamen.En, het ergste, tóch waren die bevoorrechte menschen, die dan alles hadden wat weelde en geld hun konden geven, niet gelukkig. Dat zag hij wel aan hun harde, expressie-looze gezichten. Het genot dat zij voorgaven te hebben, was een leugen. En de lach van de vrouwen, die met diamanten en zijden gewaden prijkten, was geen lach van vreugde. In allen[191]was de onrust, die hen altijd maar voortdreef naar nieuwe genieting, die nooit voldeed, en hij wist niet wie meer te beklagen waren, de slaven der maatschappij, afgebeuld door hard werken, of de rijke meesters, afgejakkerd door hun altijd onbevredigde begeerten, zonder één oogenblik van kalme rust, zooals een hert dan tenminste nog heeft, dat stil ligt te droomen in het bosch, zonder zorgen.Of zoo iets mensch-onteerends als de Zondagsche pantoffel-parade in het Koningspark, ’s middags tusschen twee en vier.Dan vierde de afschuwelijke bourgeoisie haar hoogtijd, en kwam zij tot haar opperste moment van leelijk zijn.Het onuitstaanbare van een combinatie mama-papa-en-de-kinderen, allemaal in Zondagsche pakken gestoken, papa met een hoogen hoed op, mama in een zwarten mantel met gitten, de kinderen met de vingers stijf, wijd-uit in de ongewone handschoenen. Het nadoen van de echte aristocratie, die tenminste nog iets van gratie had, door kruideniers en kappers en winkelbedienden, dezelfde menschen, die socialistische neigingen hadden en praatten over veredeling der maatschappij!Het schijnbaar zedige en niet-mogen-kijken van damesachtige meisjes, die de oogen moesten neerslaan als een man ze aanzag, maar toch dadelijk heelemaal te krijgen waren voor den eersten den besten lomperd met een „positie” die een vrouw, of ’t een beest was, kon „onderhouden!”[192]En, het ergste van alles, dat welgestelde van die Zondagsche Park-wandelaars in hun goedkoope heeren-en-dames-plunje, dat egoïstische van met-je-vrouw-en-je-kinderen-goed-te-eten-hebben, en „fatsoenlijk” te kunnen leven als „nette menschen,” zonder een aasje idee van de ellende der anderen, die niet in dat Park kwamen wandelen, omdat zij honger leden en koû! Juist die aparte groepjes van familie onder elkaar lieten zoo duidelijk zien hun absoluut egoïsme, hun totale onverschilligheid voor alles, wat niet tot het troepje behoorde. Eigenlijk wandelden al die Zondagsmenschen daar schaamteloos hun egoïsme rond. Maar ’s ochtends waren zij naar de kerk geweest en hadden gebeden met den priester of den dominé, en een paar koperen duiten in het groene zakje gegooid. O! Al dat leelijke te zien, dat grove, dat schijnheilige van Zondagsmenschen op de wandeling, en dán nog te gelooven aan de machtige woorden van Christus, dat dit zijn broederen en zusteren waren! Dikwijls kwam er onwillekeurig een bittere spotlach om Paulus’ lippen als hij hierom dacht.De leugen van alles drukte hem nu zoo zwaar, dat hij soms moeilijk ademhaalde als hij onder veel menschen was, en zich wel eens moest bedwingen om niet uit te huilen van pijn, of hoog uit te schreeuwen zijn gloeiende verontwaardiging.Bizonder sterk was het op den Zondag, als al de menschen met een Zondagsch gelegenheidsgezicht in[193]andere kleederen dan door de week over straat gingen. Het verschrikkelijke, van die menschen ’s ochtends kerkwaarts te zien gaan, hun gezangboek onder den arm, den leelijken, monsterachtigen Dom in, om een heel gewoon mannetje in leelijke, zwarte toga rhetorica te hooren galmen over wat hij wel durfde te noemen God! Of, nog erger, als hij ze in hun leelijke, stijllooze kleeren de wondermooie Cathedraal zag binnentreden, wetende de goddeloosheid en het egoïsme in hun harten!—Heel erg kon de benauwing ook voor hem worden in een concertzaal. Te hooren de wondervolle extaze van Tristan en Isolde, en dan al die fatsoenlijke, correcte menschen te zien, met uitgestreken gezichten, die net deden of ze zoo iets mooi vonden, en barbaarsch lawaai maakten met hun handen als het uit was, als een troep wilden! De leugen, dat zij die extaze werkelijk mooi zouden vinden, en dus diep in zich voelen, terwijl zij zelf opgepropt waren met berekening en egoïsme, en hun zoogenaamde liefde borneerden door dwang-ideeën van stand en fatsoen, die alle heiligheid verstikten! Die menschen, die de eersten zouden zijn om al hun laster en kwaadaardigheid uit te storten, waar ergens eens eene liefde dorst op te bloeien als die van Tristan en Isolde, die hun dochters opvoedden tot duffe marktwaar, te verkwanselen op bals en dinertjes, waar ze uitgestald werden als nuchtere kalveren, die huwelijken sloten[194]uit listige speculatie, en zich dan toch niet schaamden, Gods zegen te komen halen over hun miezerig gedoe! En dat zat dan in opgeschroefde extaze zich aan te stellen bij zulke wonder-heerlijke muziek als van Tristan en Isolde![195]
HOOFDSTUK XII.
Toen leerde Elias hem de ware inrichting van de groote menschen-maatschappij in Leliënland, en hoe schoon haar schijn was, met de leugens van wetten en rechten, die enkel de rijken, de bezitters ten goede kwamen, maar de armen onderdrukt hielden in brood-slavernij, erger dan die van de slaven onder wilde negerstammen. Hoe heerlijk schoon waren die leuzen van vrijheid, gelijkheid en broederschap, hoe edel leek dat beginsel, het volk geregeerd door het volk, door de vijfhonderd mannen uit het Parlement, die zij zelf kozen, en de koning of koningin genadiglijk bekrachtigend wat het volk wilde! Die vrijheid, waar honderdduizenden moesten zwoegen en bloedig zweeten voor een hongerloon, omdat zij anders als honden zouden sterven, die gelijkheid, waar de eerste de beste poen met geld in weelde zwelgde, en de arme arbeider wegkwijnde in honger en gebrek, die broederschap, waar ieder koud zijn eigen weg ging, ongeroerd door anderer ellende en verdriet! Die volks-regeering,[186]waar juist de meerderheid, de arme stakkers, niet konden kiezen, omdat zij waren uitgesloten van de stemming, en de bezitters, liberalen of clericalen, enkel die mannen kozen die hun bezit zouden verzekeren ten koste van de jammerlijke stumperts, die daarvoor verdrukt moesten blijven!En Elias overstelpte Paulus met boeken en brochures, waarin het onrecht der huidige maatschappij werd aan den dag gelegd. Hij trachtte ze met aandacht te lezen, maar al de daarin neergelegde theorieën, ze warrelden door zijn hoofd, zonder tot klaarheid te komen. Die diepzinnige beschouwingen omtrent den oorsprong van het kapitaal, de overproductie, de rente, de meer-waarde, de sociale evolutie, de loonen, zij deden zijn hoofd duizelen.Maar dat was niets, zeide Elias. Er was ook eerst jarenlange studie voor noodig, en als hij maar een paar jaar ijverig studeerde, zou hij wel goed op de hoogte komen.Nú voelde Paulus vast alleen heel helder en klaar dat ééne, eenvoudige feit, dat de kleinere helft van de menschen in weelde en overdaad leefde, en dat de overgroote helft moest zwoegen in gebrek en kommer, om dien toestand van onrecht te doen voortduren.Daar waren geen dikke, geleerde boeken vol theorieën en beschouwingen voor noodig, dat zag je van zelf, als je maar éven je oogen gebruikte en je verstand liet werken.[187]Maar juist dit ééne, eenvoudige feit, waar toch alles op neerkwam, schenen de menschen niet te zien of niet te willen zien.Ook begreep Paulus zonder studie die tweede, voorname waarheid, dat de aarde voor allen gelijkelijk was bedoeld, en ieder mensch dezelfde rechten had op alles wat uit de aarde voortkwam, zooals de vogels gelijke, natuurlijke rechten hadden in het bosch.Zeker, hij zou leeren, hij nam zich voor alles met aandacht te lezen, wat Elias hem geven zou, maar déze twee simpele, groote waarheden droeg hij alvast als kostbare, maar droeve schatten in zich om.En langzamerhand begon hij ook de vreeselijke, verdoemenswaardige macht in te zien van het geld.In ’t eerst, toen hij pas de goud- en zilverstukken in zijn bezit had gekregen, leken ze zulke onschadelijke, gemakkelijke dingen, meer goedig dan gevaarlijk.Maar nú begon hij hoe langer hoe duidelijker te voelen de laffe kracht, die in die blinkende stukken metaal lag. Want geld, oorspronkelijk als eenvoudig ruilmiddel bedoeld, dat was enkel de macht die de bezitter er van heeft over een medemensch, die het niet bezit, had Elias hem geleerd, en bij een weinig nadenken had hij ingezien, hoe juist dit was. Voor geld was alles te krijg. Voor geld kon een man zelfs een vrouw koopen, haar lichaam huren, om het te bevuilen met zijn lust, als de vrouw het geld niet bezat. Hij had zich geschaamd, toen hij zag, hoe de beeltenis[188]van Leliane op al die geldstukken was gegraveerd, en hij voelde opeens de gedachte in zich opkomen, dat hij, indien hij zoo bleef dóórvoelen, zou moeten eindigen met géén geld meer te mogen aannemen, zelfs niet van Háár.En alles in de groote maatschappij werd door dat geld beheerscht, zonder uitzondering. Al de conventies, al de instellingen, het gezin, het fatsoen, het huwelijk, zij stonden allen onder den invloed van het geld. Er was geen diepe studie noodig om dit te zien, enkel het eenvoudige, oprechte voelen van een kind.Ook veel schoone dingen liet Elias hem zien in Leliënstad. Hij leerde hem te waardeeren wat de groote schilders van het land hadden voortgebracht. Hij nam hem mede naar concerten, waar Paulus uren van verrukking doorleefde, zooals hij ze in het Bosch zelfs niet had gekend. Beethoven en Bach begon hij te vereeren als heiligen, en hij vergat al zijn verdriet als hun heerlijke harmonieën hem omruischten. Dan leek het hem, of hij nú eerst de mooie werkelijkheid van het menschenleven voelde, en al het andere maar booze schijn van droom was geweest. En het was hem dan ineens, of Leliane weer heel dicht bij hem was, en nooit eigenlijk weg was geweest.„O! Niets te hooren dan dit!” had hij tegen Elias gezegd. „Zou je zóó niet kunnen leven? Al het leelijke uit den weg gaan, en enkel maar met idealen[189]leven? Niets bij je willen hebben dan mooie schilderijen, en verzen, en muziek?”En Elias had gezegd:„Zeker kán dat. De meesten van die verfijnde menschen doen dat, die zich tegenwoordig „artiesten” noemen. Maar vergeet niet, dat al die mooie dingen weer alleen voor die kleíne minderheid van de menschen zijn, die er met de macht van het geld bij kunnen komen. Voor de tobbende stakkerts zijn die mooie dingen niet. Ze zouden ze ook niet begrijpen, zoolang ze in de verstomping leven van beestachtig werk en hongerig gebrek. En zou je al dat mooie kunnen genieten als je weet dat honderdduizenden van je medemenschen in ontbering hun deel er niet van krijgen?”Toen was er iets in Paulus gekomen, dat het hoogste genot voor hem bedierf.In zoo’n concertzaal zitten, en dan in eens te denken aan al het onrecht en de leugen daarbuiten! ’s Avonds na afloop op straat komen, en de sombere figuren van zoekende prostituées te zien ronddolen in regen en kou! Dan vond hij zich wel eens een onwaardige, dat hij had kunnen genieten, wijl het weten van de ellende zijner medemenschen bewust in zijn ziel was.Het groote stads-leven werd nu opeens voor hem als een booze droom, nu hij de verschrikkelijke motieven had gezien, die al die droeve drommen van menschen bewogen in dat warrelende gewoel. Zoo op het eerste gezicht leken al die menschen eer belachelijk[190]dan gevaarlijk, in hun smakelooze kleeren, met hun onbevallige, hoekige gebaren, maar nu hij beter wist wat ze wilden, verschrikten ze hem als wilde dieren, die enkel op de bevrediging van hun vraatzucht zijn belust.Het zenuwachtige gejaag op de breede, rijke boulevards, het gejoel in theaters en groote restaurants, al het gedoe en gescharrel was toch maar op één ding gericht: den dierlijken hartstocht, van allen schoonheidsglans ontdaan.En het getob en gezwoeg in ’t dagelijksche leven van zaken en bezigheden, het geknoei op de beurzen, het gewoeker met effecten en papieren, het gegraai naar meer en meer bezit, het was toch eigenlijk allemaal maar om dat ééne genot te hebben van vrouwen, en vrouwen, en nóg eens vrouwen, enkel haar lijven, en anders niets. Dáárvoor alleen waren de leugen en het geweld van de rijken, dáárvoor alleen leden de misdeelden armoede en honger, en werden zij afgebeuld tot het laatste zweet van hun uitgemergelde lichamen.En, het ergste, tóch waren die bevoorrechte menschen, die dan alles hadden wat weelde en geld hun konden geven, niet gelukkig. Dat zag hij wel aan hun harde, expressie-looze gezichten. Het genot dat zij voorgaven te hebben, was een leugen. En de lach van de vrouwen, die met diamanten en zijden gewaden prijkten, was geen lach van vreugde. In allen[191]was de onrust, die hen altijd maar voortdreef naar nieuwe genieting, die nooit voldeed, en hij wist niet wie meer te beklagen waren, de slaven der maatschappij, afgebeuld door hard werken, of de rijke meesters, afgejakkerd door hun altijd onbevredigde begeerten, zonder één oogenblik van kalme rust, zooals een hert dan tenminste nog heeft, dat stil ligt te droomen in het bosch, zonder zorgen.Of zoo iets mensch-onteerends als de Zondagsche pantoffel-parade in het Koningspark, ’s middags tusschen twee en vier.Dan vierde de afschuwelijke bourgeoisie haar hoogtijd, en kwam zij tot haar opperste moment van leelijk zijn.Het onuitstaanbare van een combinatie mama-papa-en-de-kinderen, allemaal in Zondagsche pakken gestoken, papa met een hoogen hoed op, mama in een zwarten mantel met gitten, de kinderen met de vingers stijf, wijd-uit in de ongewone handschoenen. Het nadoen van de echte aristocratie, die tenminste nog iets van gratie had, door kruideniers en kappers en winkelbedienden, dezelfde menschen, die socialistische neigingen hadden en praatten over veredeling der maatschappij!Het schijnbaar zedige en niet-mogen-kijken van damesachtige meisjes, die de oogen moesten neerslaan als een man ze aanzag, maar toch dadelijk heelemaal te krijgen waren voor den eersten den besten lomperd met een „positie” die een vrouw, of ’t een beest was, kon „onderhouden!”[192]En, het ergste van alles, dat welgestelde van die Zondagsche Park-wandelaars in hun goedkoope heeren-en-dames-plunje, dat egoïstische van met-je-vrouw-en-je-kinderen-goed-te-eten-hebben, en „fatsoenlijk” te kunnen leven als „nette menschen,” zonder een aasje idee van de ellende der anderen, die niet in dat Park kwamen wandelen, omdat zij honger leden en koû! Juist die aparte groepjes van familie onder elkaar lieten zoo duidelijk zien hun absoluut egoïsme, hun totale onverschilligheid voor alles, wat niet tot het troepje behoorde. Eigenlijk wandelden al die Zondagsmenschen daar schaamteloos hun egoïsme rond. Maar ’s ochtends waren zij naar de kerk geweest en hadden gebeden met den priester of den dominé, en een paar koperen duiten in het groene zakje gegooid. O! Al dat leelijke te zien, dat grove, dat schijnheilige van Zondagsmenschen op de wandeling, en dán nog te gelooven aan de machtige woorden van Christus, dat dit zijn broederen en zusteren waren! Dikwijls kwam er onwillekeurig een bittere spotlach om Paulus’ lippen als hij hierom dacht.De leugen van alles drukte hem nu zoo zwaar, dat hij soms moeilijk ademhaalde als hij onder veel menschen was, en zich wel eens moest bedwingen om niet uit te huilen van pijn, of hoog uit te schreeuwen zijn gloeiende verontwaardiging.Bizonder sterk was het op den Zondag, als al de menschen met een Zondagsch gelegenheidsgezicht in[193]andere kleederen dan door de week over straat gingen. Het verschrikkelijke, van die menschen ’s ochtends kerkwaarts te zien gaan, hun gezangboek onder den arm, den leelijken, monsterachtigen Dom in, om een heel gewoon mannetje in leelijke, zwarte toga rhetorica te hooren galmen over wat hij wel durfde te noemen God! Of, nog erger, als hij ze in hun leelijke, stijllooze kleeren de wondermooie Cathedraal zag binnentreden, wetende de goddeloosheid en het egoïsme in hun harten!—Heel erg kon de benauwing ook voor hem worden in een concertzaal. Te hooren de wondervolle extaze van Tristan en Isolde, en dan al die fatsoenlijke, correcte menschen te zien, met uitgestreken gezichten, die net deden of ze zoo iets mooi vonden, en barbaarsch lawaai maakten met hun handen als het uit was, als een troep wilden! De leugen, dat zij die extaze werkelijk mooi zouden vinden, en dus diep in zich voelen, terwijl zij zelf opgepropt waren met berekening en egoïsme, en hun zoogenaamde liefde borneerden door dwang-ideeën van stand en fatsoen, die alle heiligheid verstikten! Die menschen, die de eersten zouden zijn om al hun laster en kwaadaardigheid uit te storten, waar ergens eens eene liefde dorst op te bloeien als die van Tristan en Isolde, die hun dochters opvoedden tot duffe marktwaar, te verkwanselen op bals en dinertjes, waar ze uitgestald werden als nuchtere kalveren, die huwelijken sloten[194]uit listige speculatie, en zich dan toch niet schaamden, Gods zegen te komen halen over hun miezerig gedoe! En dat zat dan in opgeschroefde extaze zich aan te stellen bij zulke wonder-heerlijke muziek als van Tristan en Isolde![195]
Toen leerde Elias hem de ware inrichting van de groote menschen-maatschappij in Leliënland, en hoe schoon haar schijn was, met de leugens van wetten en rechten, die enkel de rijken, de bezitters ten goede kwamen, maar de armen onderdrukt hielden in brood-slavernij, erger dan die van de slaven onder wilde negerstammen. Hoe heerlijk schoon waren die leuzen van vrijheid, gelijkheid en broederschap, hoe edel leek dat beginsel, het volk geregeerd door het volk, door de vijfhonderd mannen uit het Parlement, die zij zelf kozen, en de koning of koningin genadiglijk bekrachtigend wat het volk wilde! Die vrijheid, waar honderdduizenden moesten zwoegen en bloedig zweeten voor een hongerloon, omdat zij anders als honden zouden sterven, die gelijkheid, waar de eerste de beste poen met geld in weelde zwelgde, en de arme arbeider wegkwijnde in honger en gebrek, die broederschap, waar ieder koud zijn eigen weg ging, ongeroerd door anderer ellende en verdriet! Die volks-regeering,[186]waar juist de meerderheid, de arme stakkers, niet konden kiezen, omdat zij waren uitgesloten van de stemming, en de bezitters, liberalen of clericalen, enkel die mannen kozen die hun bezit zouden verzekeren ten koste van de jammerlijke stumperts, die daarvoor verdrukt moesten blijven!
En Elias overstelpte Paulus met boeken en brochures, waarin het onrecht der huidige maatschappij werd aan den dag gelegd. Hij trachtte ze met aandacht te lezen, maar al de daarin neergelegde theorieën, ze warrelden door zijn hoofd, zonder tot klaarheid te komen. Die diepzinnige beschouwingen omtrent den oorsprong van het kapitaal, de overproductie, de rente, de meer-waarde, de sociale evolutie, de loonen, zij deden zijn hoofd duizelen.
Maar dat was niets, zeide Elias. Er was ook eerst jarenlange studie voor noodig, en als hij maar een paar jaar ijverig studeerde, zou hij wel goed op de hoogte komen.
Nú voelde Paulus vast alleen heel helder en klaar dat ééne, eenvoudige feit, dat de kleinere helft van de menschen in weelde en overdaad leefde, en dat de overgroote helft moest zwoegen in gebrek en kommer, om dien toestand van onrecht te doen voortduren.
Daar waren geen dikke, geleerde boeken vol theorieën en beschouwingen voor noodig, dat zag je van zelf, als je maar éven je oogen gebruikte en je verstand liet werken.[187]
Maar juist dit ééne, eenvoudige feit, waar toch alles op neerkwam, schenen de menschen niet te zien of niet te willen zien.
Ook begreep Paulus zonder studie die tweede, voorname waarheid, dat de aarde voor allen gelijkelijk was bedoeld, en ieder mensch dezelfde rechten had op alles wat uit de aarde voortkwam, zooals de vogels gelijke, natuurlijke rechten hadden in het bosch.
Zeker, hij zou leeren, hij nam zich voor alles met aandacht te lezen, wat Elias hem geven zou, maar déze twee simpele, groote waarheden droeg hij alvast als kostbare, maar droeve schatten in zich om.
En langzamerhand begon hij ook de vreeselijke, verdoemenswaardige macht in te zien van het geld.
In ’t eerst, toen hij pas de goud- en zilverstukken in zijn bezit had gekregen, leken ze zulke onschadelijke, gemakkelijke dingen, meer goedig dan gevaarlijk.
Maar nú begon hij hoe langer hoe duidelijker te voelen de laffe kracht, die in die blinkende stukken metaal lag. Want geld, oorspronkelijk als eenvoudig ruilmiddel bedoeld, dat was enkel de macht die de bezitter er van heeft over een medemensch, die het niet bezit, had Elias hem geleerd, en bij een weinig nadenken had hij ingezien, hoe juist dit was. Voor geld was alles te krijg. Voor geld kon een man zelfs een vrouw koopen, haar lichaam huren, om het te bevuilen met zijn lust, als de vrouw het geld niet bezat. Hij had zich geschaamd, toen hij zag, hoe de beeltenis[188]van Leliane op al die geldstukken was gegraveerd, en hij voelde opeens de gedachte in zich opkomen, dat hij, indien hij zoo bleef dóórvoelen, zou moeten eindigen met géén geld meer te mogen aannemen, zelfs niet van Háár.
En alles in de groote maatschappij werd door dat geld beheerscht, zonder uitzondering. Al de conventies, al de instellingen, het gezin, het fatsoen, het huwelijk, zij stonden allen onder den invloed van het geld. Er was geen diepe studie noodig om dit te zien, enkel het eenvoudige, oprechte voelen van een kind.
Ook veel schoone dingen liet Elias hem zien in Leliënstad. Hij leerde hem te waardeeren wat de groote schilders van het land hadden voortgebracht. Hij nam hem mede naar concerten, waar Paulus uren van verrukking doorleefde, zooals hij ze in het Bosch zelfs niet had gekend. Beethoven en Bach begon hij te vereeren als heiligen, en hij vergat al zijn verdriet als hun heerlijke harmonieën hem omruischten. Dan leek het hem, of hij nú eerst de mooie werkelijkheid van het menschenleven voelde, en al het andere maar booze schijn van droom was geweest. En het was hem dan ineens, of Leliane weer heel dicht bij hem was, en nooit eigenlijk weg was geweest.
„O! Niets te hooren dan dit!” had hij tegen Elias gezegd. „Zou je zóó niet kunnen leven? Al het leelijke uit den weg gaan, en enkel maar met idealen[189]leven? Niets bij je willen hebben dan mooie schilderijen, en verzen, en muziek?”
En Elias had gezegd:
„Zeker kán dat. De meesten van die verfijnde menschen doen dat, die zich tegenwoordig „artiesten” noemen. Maar vergeet niet, dat al die mooie dingen weer alleen voor die kleíne minderheid van de menschen zijn, die er met de macht van het geld bij kunnen komen. Voor de tobbende stakkerts zijn die mooie dingen niet. Ze zouden ze ook niet begrijpen, zoolang ze in de verstomping leven van beestachtig werk en hongerig gebrek. En zou je al dat mooie kunnen genieten als je weet dat honderdduizenden van je medemenschen in ontbering hun deel er niet van krijgen?”
Toen was er iets in Paulus gekomen, dat het hoogste genot voor hem bedierf.
In zoo’n concertzaal zitten, en dan in eens te denken aan al het onrecht en de leugen daarbuiten! ’s Avonds na afloop op straat komen, en de sombere figuren van zoekende prostituées te zien ronddolen in regen en kou! Dan vond hij zich wel eens een onwaardige, dat hij had kunnen genieten, wijl het weten van de ellende zijner medemenschen bewust in zijn ziel was.
Het groote stads-leven werd nu opeens voor hem als een booze droom, nu hij de verschrikkelijke motieven had gezien, die al die droeve drommen van menschen bewogen in dat warrelende gewoel. Zoo op het eerste gezicht leken al die menschen eer belachelijk[190]dan gevaarlijk, in hun smakelooze kleeren, met hun onbevallige, hoekige gebaren, maar nu hij beter wist wat ze wilden, verschrikten ze hem als wilde dieren, die enkel op de bevrediging van hun vraatzucht zijn belust.
Het zenuwachtige gejaag op de breede, rijke boulevards, het gejoel in theaters en groote restaurants, al het gedoe en gescharrel was toch maar op één ding gericht: den dierlijken hartstocht, van allen schoonheidsglans ontdaan.
En het getob en gezwoeg in ’t dagelijksche leven van zaken en bezigheden, het geknoei op de beurzen, het gewoeker met effecten en papieren, het gegraai naar meer en meer bezit, het was toch eigenlijk allemaal maar om dat ééne genot te hebben van vrouwen, en vrouwen, en nóg eens vrouwen, enkel haar lijven, en anders niets. Dáárvoor alleen waren de leugen en het geweld van de rijken, dáárvoor alleen leden de misdeelden armoede en honger, en werden zij afgebeuld tot het laatste zweet van hun uitgemergelde lichamen.
En, het ergste, tóch waren die bevoorrechte menschen, die dan alles hadden wat weelde en geld hun konden geven, niet gelukkig. Dat zag hij wel aan hun harde, expressie-looze gezichten. Het genot dat zij voorgaven te hebben, was een leugen. En de lach van de vrouwen, die met diamanten en zijden gewaden prijkten, was geen lach van vreugde. In allen[191]was de onrust, die hen altijd maar voortdreef naar nieuwe genieting, die nooit voldeed, en hij wist niet wie meer te beklagen waren, de slaven der maatschappij, afgebeuld door hard werken, of de rijke meesters, afgejakkerd door hun altijd onbevredigde begeerten, zonder één oogenblik van kalme rust, zooals een hert dan tenminste nog heeft, dat stil ligt te droomen in het bosch, zonder zorgen.
Of zoo iets mensch-onteerends als de Zondagsche pantoffel-parade in het Koningspark, ’s middags tusschen twee en vier.
Dan vierde de afschuwelijke bourgeoisie haar hoogtijd, en kwam zij tot haar opperste moment van leelijk zijn.
Het onuitstaanbare van een combinatie mama-papa-en-de-kinderen, allemaal in Zondagsche pakken gestoken, papa met een hoogen hoed op, mama in een zwarten mantel met gitten, de kinderen met de vingers stijf, wijd-uit in de ongewone handschoenen. Het nadoen van de echte aristocratie, die tenminste nog iets van gratie had, door kruideniers en kappers en winkelbedienden, dezelfde menschen, die socialistische neigingen hadden en praatten over veredeling der maatschappij!
Het schijnbaar zedige en niet-mogen-kijken van damesachtige meisjes, die de oogen moesten neerslaan als een man ze aanzag, maar toch dadelijk heelemaal te krijgen waren voor den eersten den besten lomperd met een „positie” die een vrouw, of ’t een beest was, kon „onderhouden!”[192]
En, het ergste van alles, dat welgestelde van die Zondagsche Park-wandelaars in hun goedkoope heeren-en-dames-plunje, dat egoïstische van met-je-vrouw-en-je-kinderen-goed-te-eten-hebben, en „fatsoenlijk” te kunnen leven als „nette menschen,” zonder een aasje idee van de ellende der anderen, die niet in dat Park kwamen wandelen, omdat zij honger leden en koû! Juist die aparte groepjes van familie onder elkaar lieten zoo duidelijk zien hun absoluut egoïsme, hun totale onverschilligheid voor alles, wat niet tot het troepje behoorde. Eigenlijk wandelden al die Zondagsmenschen daar schaamteloos hun egoïsme rond. Maar ’s ochtends waren zij naar de kerk geweest en hadden gebeden met den priester of den dominé, en een paar koperen duiten in het groene zakje gegooid. O! Al dat leelijke te zien, dat grove, dat schijnheilige van Zondagsmenschen op de wandeling, en dán nog te gelooven aan de machtige woorden van Christus, dat dit zijn broederen en zusteren waren! Dikwijls kwam er onwillekeurig een bittere spotlach om Paulus’ lippen als hij hierom dacht.
De leugen van alles drukte hem nu zoo zwaar, dat hij soms moeilijk ademhaalde als hij onder veel menschen was, en zich wel eens moest bedwingen om niet uit te huilen van pijn, of hoog uit te schreeuwen zijn gloeiende verontwaardiging.
Bizonder sterk was het op den Zondag, als al de menschen met een Zondagsch gelegenheidsgezicht in[193]andere kleederen dan door de week over straat gingen. Het verschrikkelijke, van die menschen ’s ochtends kerkwaarts te zien gaan, hun gezangboek onder den arm, den leelijken, monsterachtigen Dom in, om een heel gewoon mannetje in leelijke, zwarte toga rhetorica te hooren galmen over wat hij wel durfde te noemen God! Of, nog erger, als hij ze in hun leelijke, stijllooze kleeren de wondermooie Cathedraal zag binnentreden, wetende de goddeloosheid en het egoïsme in hun harten!—
Heel erg kon de benauwing ook voor hem worden in een concertzaal. Te hooren de wondervolle extaze van Tristan en Isolde, en dan al die fatsoenlijke, correcte menschen te zien, met uitgestreken gezichten, die net deden of ze zoo iets mooi vonden, en barbaarsch lawaai maakten met hun handen als het uit was, als een troep wilden! De leugen, dat zij die extaze werkelijk mooi zouden vinden, en dus diep in zich voelen, terwijl zij zelf opgepropt waren met berekening en egoïsme, en hun zoogenaamde liefde borneerden door dwang-ideeën van stand en fatsoen, die alle heiligheid verstikten! Die menschen, die de eersten zouden zijn om al hun laster en kwaadaardigheid uit te storten, waar ergens eens eene liefde dorst op te bloeien als die van Tristan en Isolde, die hun dochters opvoedden tot duffe marktwaar, te verkwanselen op bals en dinertjes, waar ze uitgestald werden als nuchtere kalveren, die huwelijken sloten[194]uit listige speculatie, en zich dan toch niet schaamden, Gods zegen te komen halen over hun miezerig gedoe! En dat zat dan in opgeschroefde extaze zich aan te stellen bij zulke wonder-heerlijke muziek als van Tristan en Isolde![195]