[Inhoud]HOOFDSTUK XIII.Eéns op een middag, toen hij peinzend over het Domplein liep, werd hij opgeschrikt door het zien van een grooten troep volk, die zich midden op het plein had verzameld, of er een ongeluk gebeurd was. Hij drong zich door de menschen heen, en zag een heel klein jongetje, dat erbarmelijk stond te huilen. Een slagersjongen wilde hem bij den arm nemen, maar het mannetje sloeg met de vuistjes van zich af, en wilde met niemand te doen hebben.„Vader!… vader!…” riep hij maar.Juist wilde Paulus op hem afgaan, toen het jongetje een opening zag in den menschenkring om hem heen, en hard wegholde, verbazend vlug op zijn kleine beentjes. Zijn hoedje rolde af, en blootshoofds rende het ventje het plein over, waar zware rijtuigen ratelden, en electrische trems klingelend en rinkelend voorbij stoven.„Vader!… vader!…” gilde hij, en zóó holde hij, heel klein en heel armpjes, om zijn vader te zoeken,[196]door het lawaaiende gevaar van het groote meedoogenlooze stadsleven. Hij scheen in zijn angst niets meer te zien, en rende maar blindelings door. Dáár kwam een gele, zware electrische trem aan, en van de andere zijde een tweede: groote, wreede gevaarten, daverend en bellend, maar het kleine kereltje holde langs de rails.…Nog juist had Paulus tijd hem te grijpen, en het zware monster lawaaide onverschillig voorbij.Angstig en woedend keek het knaapje naar den jongen man, die hem in zijn armen had opgetild, maar met dat instinct, dat kinderen hebben en honden, voelde het, dat hier een vriend voor hem was.„Mijn vadertje!… mijn vadertje!…” huilde hij, „waar is vadertje?”Paulus begreep, dat het kereltje zijn vader was kwijtgeraakt. Het was nog een heel klein ventje, dat hij daar gered had, van vier of vijf jaar. Hoe hulpeloos en bang keken zijn verschrikte oogjes! Hoe heel klein en broos, zoo’n kinderleventje, alléén gelaten in die groote stad van zonde en ellende en gevaren!Met veel moeite wist hij uit het knaapje los te krijgen den naam van de straat waar zijn ouders woonden. Het was niet ver, en gelukkig wist hij den weg. En met het kleine mannetje aan zijn hand liep hij het drukke plein over, en dóór naar het veilige huis. Hij wist hem met vriendelijke woorden gerust te stellen, en zag met vreugde, dat hij nu ook[197]bedaarde, en vertrouwelijk met hem werd. Eenmaal in de goede straat gekomen, wist het mannetje zelf het huis te vinden. Paulus belde, en een burgervrouw deed open. Hoe het kereltje in haar armen vloog, hoe alles nu weer goed bezorgd was, en wèlvertrouwd, nu het veilige thuis was gevonden! En hoe goed het hem deed, toen het ventje hem vriendelijk bleef handjes-wuiven toen hij weer terugging!Maar onderweg voelde hij opeens de pijn van een wreede gedachte. Dat kleine, hulpelooze kereltje, dat daar zoo héél armzalig was alleen gelaten, in die groote stad van gevaar, roepend om zijn vader.… was hij dan iets anders? Was hij niet even ongelukkig, even verlaten in het groote, meêdoogenlooze Leven, en had ook hij zijnen Vader niet verloren? Had hij Hem niet aangeroepen in bitteren nood, had hij Hem niet droeviglijk gezocht in de duisterste eenzaamheden van zijne gedachten, had hij Hem niet met tranen gebeden, hem te helpen en tot hem te komen, waar hij in donkere zonde was afgedaald? Was hij niet precies even verlaten en hulpeloos als dat kleine kereltje, dat hij zooeven bij moeder thuis had gebracht?En al die andere, blinde, dwaze menschen, die óók maar doorholden in de gevaren van ellende en duisternis, waren zij óók niet eigenlijk hun Vader kwijt, en liepen zij dáárom niet zoo dol in het krankzinnige door, zonder ooit het veilige Thuis te[198]vinden? Liepen zóó ook niet in de wreede misère van de zwarte nacht-straten de klagelijke vrouwen en meisjes, die voor geld te koop moesten geven wat verwant was aan het heilig maagd-mysterie van Leliane? Was in al hun wanhoopsblikken, in al hun wanhoopsgelach, in al hun gebaren en woorden eigenlijk niet het verstikte, onderdrukte roepen om hun Vader, die hen alléén liet in de misère?O! Als een vader, een gewone, menschelijke vader wist dat zijn kind hulpeloos ergens alleen liep, hem roepend met klagelijk geschrei, en bedreigd door vele gevaren, zou hij niet aansnellen, ademloos, en het bergen, veilig in zijn sterke armen?Maar die eindelooze, hemelsche God, Wiens aangezicht hij gezien had in de klare pracht van den dageraad, en in de majestueuze drooming van den avond, Wiens stem hij had gehoord in het ruischen van nachtelijke winden, en Wiens tegenwoordigheid hij vol eerbied gevoeld had in de stilte van het woud, die almachtige, eeuwige God, uit Wiens wezen al de wonderen der wereld waren geboren, Hij liet zijne kinderen droeviglijk alléén in het duister van zonde en gevaren, en niet strekte Hij de hand reddend uit naar wie in wanhoop schreiend om Zijn hulp riep, uit allerbittersten nood. Wreed en koud ging het Leven door, het hulpgeschrei der lijdenden en verdwaalden werd verdoofd in het daverend voort-lawaaien van zijn’ gang, en géén antwoord kwam[199]van dien Vader, die toch wist hoe Zijne kinderen doolden, en in ellende moesten vergaan!En wéér dacht hij om die machtige spreuk op den Dom, die hij de laatste weken maar niet kon vergeten:Ziet ik ben bijU alle dagen tot aanDer wereld einde.Hij zag, hoe de menschen op straat om hem heen gingen. Hoe hard en koud waren toch al die vreemde gezichten! Hoe onverschillig voor elkander, hoe apart elk bezig met zijn eigen ik! Allen gingen naar een eigen doel, allen met andere gedachten, en geen warmte van gelijkheid en vertrouwen leek er tusschen hen te bestaan. Zooals bijvoorbeeld de stille vertrouwelijkheid in het bosch, als ineens alle boomen te zamen ruischten en hun broederlijke kruinen naar ééne zijde negen, onder denzelfden vaderlijken wind voor allen.…Instinctmatig voelde Paulus, dat hij nog niet met graaf Marcelio over al de dingen moest praten, die hij door Elias had geleerd. Hij vermeed zorgvuldig alle aanleiding om er over te beginnen, besloten als hij was om te wachten tot alles beter in hem tot klaarheid was gekomen.Maar ééns werd het hem te sterk, en liet hij er[200]onvoorzichtig iets van los. Het was op een avond, toen hij met Marcelio te voet naar huis ging, omdat het mooi weer was, en de lucht zoo heerlijk frisch na de benauwde atmosfeer van een met menschen overvulde concert-zaal.De Koninginnestraat was nu weer vol van vrouwen, die in het triestige licht van de lantarens op en neer slenterden voor de met ijzeren valluiken gesloten winkel-paleizen. En ineens zag Paulus de nacht-misère weer even grimmig voor zich als dien eersten avond, toen hij uit het raam naar beneden had gekeken, en niet begrepen had.„Marcelio,” zeide hij, bewogen. „Vin-je het niet verschrikkelijk, die vrouwen allemaal?”Maar de aristocraat begreep hem niet.„Het zijn gemeene wijven,” antwoordde hij. „Maak je er niet bezorgd over. Ga liever mee nog wat gezellig een grogje drinken boven.”Maar boven in de weelderige, veilige kamer gekomen, kon Paulus het vreeselijk gebeuren daar buiten niet vergeten. Hij schoof het gordijn weg, en zag in het half-duister van de nacht-straat de donkere, sombere zonde-figuren dolen. En hij kon het niet meer verkroppen, en barstte uit.„Je zegt, dat het gemeene wijven zijn daar beneden, maar ik vind dat het een gemeene maatschappij is, die zoo iets mogelijk maakt … Dacht je dat die vrouwen het voor hun plezier deden? Dat ze zoo’n[201]ellendig métier zouden hebben, als ze in liefde en geluk waren opgevoed? Als ze beter in de maatschappij waren bezorgd? Die menschen hebben hun heele leven lang niets dan ellende gekend, òf ze zijn er door armoede of onrecht toe gekomen. Wie weet, hoe velen er niet onder zijn, die door echte, zuivere liefde tot die misère zijn gebracht, die éven voor rijke, beter in ’t leven geplaatste mannen voor tijdverdrijf hebben gediend, en daarna aan hun lot zijn overgelaten … Al die vrouwen zijn toch ééns kinderen en meisjes geweest … Hoe kan je zoo iets verschrikkelijks aanzien, Marcelio, en er niet meer door ontroerd worden, of het iets héél gewoons was? Ik vind het vrééselijk … Ik begrijp niet hoe al die deftige, goed verzorgde meisjes en vrouwen van de zoogenaamde hoogere standen maar onbezorgd kunnen voortleven als ze weten dat duizenden van haar zusteren zoo diep in de ellende zijn verzonken … hoe je ooit rust kunt hebben, en op je gemak mooie dingen van kunst genieten, als dat ontzettende lijden je op straat zóó maar voorbijgaat. Want lijden is het, al weten de meesten van die armen het gelukkig zélf niet … en dan er nog op neer te zien en ze „gemeene wijven” te noemen … zijn de andere vrouwen niet gemeener, die eigenlijk ten koste van al die misère in hun weelde lekkertjes leven?…”Marcelio zag hem verbaasd aan, en vroeg, ietwat spottend:[202]„Maar Paulus! Ben je soms sociaal-democraat geworden?”„Neen, sociaal-democraat niet. Alleen maar mensch behoef je daarvoor te zijn. Alleen maar christen, als je wilt, maar dan christen, zooals Christus dat meende, en niet de zoogenaamde christenen van hier, die de ongelukkigen er onder willen houden om zelf lekker te leven. Maar zeg me eens, Marcelio … Weet de prinses de verschrikking van de prostitutie? Lijdt zij er niet onder, dat duizenden van hare zusteren van schande en bezoedeling moeten leven?”„De prinses?…” vroeg Marcelio. „Haar Koninklijke Hoogheid?… Maar wat bezielt je nu, Paulus?… Dacht je dat die zich druk zou maken om al die akeligheden van het gemeene volk? Gelukkig niet, hoor!… Daar staat ze veel te ver boven. Dat is goed voor socialistische parlementsleden en zoo. De prinses heeft wel wat ánders te doen … Die kan zich toch niet met al die gemeene vrouwen afgeven …”Paulus zweeg, om niet in harde woorden uit te vallen.Hij staarde naar de tragische figuren, die daar nog ronddoolden in de nacht-straat, om het heiligste te verkoopen voor wat geld …Grimmig leken hem de zware ijzeren valgordijnen van de winkels, waarachter al de schatten van goud en juweelen waren verborgen, enkel voor de rijken[203]en de nietsdoeners bestemd, die in weelde zwelgden. En daar buiten, vlak er bij, alleen maar er van gescheiden door dat harde ijzer, liepen de ongelukkige misdeelden, die voor een paar luttele guldens hun lijf liepen te veilen, schandelijk, in uitersten jammer.…Hij voelde het onrecht scherp schrijnen door zijn ziel. En ineens vroeg hij zich af, of het wel goed was, dat hij daar nu zelf zoo lekkertjes zat, warm en veilig, en eigenlijk leefde van het goud dier rijke prinses, die daar zoo hoog troonde in een blinkend paleis van wit marmer, onbewogen voor het lijden harer zusteren, onbarmhartig gehuld in eigen reinheid, die niet bevlekt mocht worden door aanraking met de ellende.…Hij voelde dat er nu iets aan ’t wankelen in hem was, iets van het allermooiste en heiligste in zijn ziel, dat kraakte en scheurde, en nog eens breken zou.Het was hem, of de goddelijke sfeer waarin hij Leliane’s beeld zag tronen, langzamerhand begon te verduisteren, nu hij het groote lijden van de wereld had gezien, waarvoor zij onbewogen bleef, ongenaakbaar in eigen schoonheidsglans gehuld.De deernis voor het lijden der menschen begon hooger en hooger in hem te stijgen en waasde een droeven nevel tegen de vlekkeloos glanzende vereering, die in hem was opgeblonken voor haar majestueuze beeld.En vaag begon hij vóór te gevoelen, dat er nog[204]iets anders in hem was gekomen dan zijn ziels-verlangen naar al het mooie van verre horizonnen, en stille sterren-nachten, en witte wolken-droomen, dat tot zijn innigste hoogste was gestegen in zijne aanbidding voor Leliane, en dat dit andere beter en heiliger moest zijn dan het eerste, misschien zelfzuchtige gesmacht naar één-zijn met al wat schoon was,—omdat het wezen daarvan was de goddelijke barmhartigheid, die eigen geluk om schoonheid niet genieten kan als niet alle mede-menschen het kunnen deelen.[205]
[Inhoud]HOOFDSTUK XIII.Eéns op een middag, toen hij peinzend over het Domplein liep, werd hij opgeschrikt door het zien van een grooten troep volk, die zich midden op het plein had verzameld, of er een ongeluk gebeurd was. Hij drong zich door de menschen heen, en zag een heel klein jongetje, dat erbarmelijk stond te huilen. Een slagersjongen wilde hem bij den arm nemen, maar het mannetje sloeg met de vuistjes van zich af, en wilde met niemand te doen hebben.„Vader!… vader!…” riep hij maar.Juist wilde Paulus op hem afgaan, toen het jongetje een opening zag in den menschenkring om hem heen, en hard wegholde, verbazend vlug op zijn kleine beentjes. Zijn hoedje rolde af, en blootshoofds rende het ventje het plein over, waar zware rijtuigen ratelden, en electrische trems klingelend en rinkelend voorbij stoven.„Vader!… vader!…” gilde hij, en zóó holde hij, heel klein en heel armpjes, om zijn vader te zoeken,[196]door het lawaaiende gevaar van het groote meedoogenlooze stadsleven. Hij scheen in zijn angst niets meer te zien, en rende maar blindelings door. Dáár kwam een gele, zware electrische trem aan, en van de andere zijde een tweede: groote, wreede gevaarten, daverend en bellend, maar het kleine kereltje holde langs de rails.…Nog juist had Paulus tijd hem te grijpen, en het zware monster lawaaide onverschillig voorbij.Angstig en woedend keek het knaapje naar den jongen man, die hem in zijn armen had opgetild, maar met dat instinct, dat kinderen hebben en honden, voelde het, dat hier een vriend voor hem was.„Mijn vadertje!… mijn vadertje!…” huilde hij, „waar is vadertje?”Paulus begreep, dat het kereltje zijn vader was kwijtgeraakt. Het was nog een heel klein ventje, dat hij daar gered had, van vier of vijf jaar. Hoe hulpeloos en bang keken zijn verschrikte oogjes! Hoe heel klein en broos, zoo’n kinderleventje, alléén gelaten in die groote stad van zonde en ellende en gevaren!Met veel moeite wist hij uit het knaapje los te krijgen den naam van de straat waar zijn ouders woonden. Het was niet ver, en gelukkig wist hij den weg. En met het kleine mannetje aan zijn hand liep hij het drukke plein over, en dóór naar het veilige huis. Hij wist hem met vriendelijke woorden gerust te stellen, en zag met vreugde, dat hij nu ook[197]bedaarde, en vertrouwelijk met hem werd. Eenmaal in de goede straat gekomen, wist het mannetje zelf het huis te vinden. Paulus belde, en een burgervrouw deed open. Hoe het kereltje in haar armen vloog, hoe alles nu weer goed bezorgd was, en wèlvertrouwd, nu het veilige thuis was gevonden! En hoe goed het hem deed, toen het ventje hem vriendelijk bleef handjes-wuiven toen hij weer terugging!Maar onderweg voelde hij opeens de pijn van een wreede gedachte. Dat kleine, hulpelooze kereltje, dat daar zoo héél armzalig was alleen gelaten, in die groote stad van gevaar, roepend om zijn vader.… was hij dan iets anders? Was hij niet even ongelukkig, even verlaten in het groote, meêdoogenlooze Leven, en had ook hij zijnen Vader niet verloren? Had hij Hem niet aangeroepen in bitteren nood, had hij Hem niet droeviglijk gezocht in de duisterste eenzaamheden van zijne gedachten, had hij Hem niet met tranen gebeden, hem te helpen en tot hem te komen, waar hij in donkere zonde was afgedaald? Was hij niet precies even verlaten en hulpeloos als dat kleine kereltje, dat hij zooeven bij moeder thuis had gebracht?En al die andere, blinde, dwaze menschen, die óók maar doorholden in de gevaren van ellende en duisternis, waren zij óók niet eigenlijk hun Vader kwijt, en liepen zij dáárom niet zoo dol in het krankzinnige door, zonder ooit het veilige Thuis te[198]vinden? Liepen zóó ook niet in de wreede misère van de zwarte nacht-straten de klagelijke vrouwen en meisjes, die voor geld te koop moesten geven wat verwant was aan het heilig maagd-mysterie van Leliane? Was in al hun wanhoopsblikken, in al hun wanhoopsgelach, in al hun gebaren en woorden eigenlijk niet het verstikte, onderdrukte roepen om hun Vader, die hen alléén liet in de misère?O! Als een vader, een gewone, menschelijke vader wist dat zijn kind hulpeloos ergens alleen liep, hem roepend met klagelijk geschrei, en bedreigd door vele gevaren, zou hij niet aansnellen, ademloos, en het bergen, veilig in zijn sterke armen?Maar die eindelooze, hemelsche God, Wiens aangezicht hij gezien had in de klare pracht van den dageraad, en in de majestueuze drooming van den avond, Wiens stem hij had gehoord in het ruischen van nachtelijke winden, en Wiens tegenwoordigheid hij vol eerbied gevoeld had in de stilte van het woud, die almachtige, eeuwige God, uit Wiens wezen al de wonderen der wereld waren geboren, Hij liet zijne kinderen droeviglijk alléén in het duister van zonde en gevaren, en niet strekte Hij de hand reddend uit naar wie in wanhoop schreiend om Zijn hulp riep, uit allerbittersten nood. Wreed en koud ging het Leven door, het hulpgeschrei der lijdenden en verdwaalden werd verdoofd in het daverend voort-lawaaien van zijn’ gang, en géén antwoord kwam[199]van dien Vader, die toch wist hoe Zijne kinderen doolden, en in ellende moesten vergaan!En wéér dacht hij om die machtige spreuk op den Dom, die hij de laatste weken maar niet kon vergeten:Ziet ik ben bijU alle dagen tot aanDer wereld einde.Hij zag, hoe de menschen op straat om hem heen gingen. Hoe hard en koud waren toch al die vreemde gezichten! Hoe onverschillig voor elkander, hoe apart elk bezig met zijn eigen ik! Allen gingen naar een eigen doel, allen met andere gedachten, en geen warmte van gelijkheid en vertrouwen leek er tusschen hen te bestaan. Zooals bijvoorbeeld de stille vertrouwelijkheid in het bosch, als ineens alle boomen te zamen ruischten en hun broederlijke kruinen naar ééne zijde negen, onder denzelfden vaderlijken wind voor allen.…Instinctmatig voelde Paulus, dat hij nog niet met graaf Marcelio over al de dingen moest praten, die hij door Elias had geleerd. Hij vermeed zorgvuldig alle aanleiding om er over te beginnen, besloten als hij was om te wachten tot alles beter in hem tot klaarheid was gekomen.Maar ééns werd het hem te sterk, en liet hij er[200]onvoorzichtig iets van los. Het was op een avond, toen hij met Marcelio te voet naar huis ging, omdat het mooi weer was, en de lucht zoo heerlijk frisch na de benauwde atmosfeer van een met menschen overvulde concert-zaal.De Koninginnestraat was nu weer vol van vrouwen, die in het triestige licht van de lantarens op en neer slenterden voor de met ijzeren valluiken gesloten winkel-paleizen. En ineens zag Paulus de nacht-misère weer even grimmig voor zich als dien eersten avond, toen hij uit het raam naar beneden had gekeken, en niet begrepen had.„Marcelio,” zeide hij, bewogen. „Vin-je het niet verschrikkelijk, die vrouwen allemaal?”Maar de aristocraat begreep hem niet.„Het zijn gemeene wijven,” antwoordde hij. „Maak je er niet bezorgd over. Ga liever mee nog wat gezellig een grogje drinken boven.”Maar boven in de weelderige, veilige kamer gekomen, kon Paulus het vreeselijk gebeuren daar buiten niet vergeten. Hij schoof het gordijn weg, en zag in het half-duister van de nacht-straat de donkere, sombere zonde-figuren dolen. En hij kon het niet meer verkroppen, en barstte uit.„Je zegt, dat het gemeene wijven zijn daar beneden, maar ik vind dat het een gemeene maatschappij is, die zoo iets mogelijk maakt … Dacht je dat die vrouwen het voor hun plezier deden? Dat ze zoo’n[201]ellendig métier zouden hebben, als ze in liefde en geluk waren opgevoed? Als ze beter in de maatschappij waren bezorgd? Die menschen hebben hun heele leven lang niets dan ellende gekend, òf ze zijn er door armoede of onrecht toe gekomen. Wie weet, hoe velen er niet onder zijn, die door echte, zuivere liefde tot die misère zijn gebracht, die éven voor rijke, beter in ’t leven geplaatste mannen voor tijdverdrijf hebben gediend, en daarna aan hun lot zijn overgelaten … Al die vrouwen zijn toch ééns kinderen en meisjes geweest … Hoe kan je zoo iets verschrikkelijks aanzien, Marcelio, en er niet meer door ontroerd worden, of het iets héél gewoons was? Ik vind het vrééselijk … Ik begrijp niet hoe al die deftige, goed verzorgde meisjes en vrouwen van de zoogenaamde hoogere standen maar onbezorgd kunnen voortleven als ze weten dat duizenden van haar zusteren zoo diep in de ellende zijn verzonken … hoe je ooit rust kunt hebben, en op je gemak mooie dingen van kunst genieten, als dat ontzettende lijden je op straat zóó maar voorbijgaat. Want lijden is het, al weten de meesten van die armen het gelukkig zélf niet … en dan er nog op neer te zien en ze „gemeene wijven” te noemen … zijn de andere vrouwen niet gemeener, die eigenlijk ten koste van al die misère in hun weelde lekkertjes leven?…”Marcelio zag hem verbaasd aan, en vroeg, ietwat spottend:[202]„Maar Paulus! Ben je soms sociaal-democraat geworden?”„Neen, sociaal-democraat niet. Alleen maar mensch behoef je daarvoor te zijn. Alleen maar christen, als je wilt, maar dan christen, zooals Christus dat meende, en niet de zoogenaamde christenen van hier, die de ongelukkigen er onder willen houden om zelf lekker te leven. Maar zeg me eens, Marcelio … Weet de prinses de verschrikking van de prostitutie? Lijdt zij er niet onder, dat duizenden van hare zusteren van schande en bezoedeling moeten leven?”„De prinses?…” vroeg Marcelio. „Haar Koninklijke Hoogheid?… Maar wat bezielt je nu, Paulus?… Dacht je dat die zich druk zou maken om al die akeligheden van het gemeene volk? Gelukkig niet, hoor!… Daar staat ze veel te ver boven. Dat is goed voor socialistische parlementsleden en zoo. De prinses heeft wel wat ánders te doen … Die kan zich toch niet met al die gemeene vrouwen afgeven …”Paulus zweeg, om niet in harde woorden uit te vallen.Hij staarde naar de tragische figuren, die daar nog ronddoolden in de nacht-straat, om het heiligste te verkoopen voor wat geld …Grimmig leken hem de zware ijzeren valgordijnen van de winkels, waarachter al de schatten van goud en juweelen waren verborgen, enkel voor de rijken[203]en de nietsdoeners bestemd, die in weelde zwelgden. En daar buiten, vlak er bij, alleen maar er van gescheiden door dat harde ijzer, liepen de ongelukkige misdeelden, die voor een paar luttele guldens hun lijf liepen te veilen, schandelijk, in uitersten jammer.…Hij voelde het onrecht scherp schrijnen door zijn ziel. En ineens vroeg hij zich af, of het wel goed was, dat hij daar nu zelf zoo lekkertjes zat, warm en veilig, en eigenlijk leefde van het goud dier rijke prinses, die daar zoo hoog troonde in een blinkend paleis van wit marmer, onbewogen voor het lijden harer zusteren, onbarmhartig gehuld in eigen reinheid, die niet bevlekt mocht worden door aanraking met de ellende.…Hij voelde dat er nu iets aan ’t wankelen in hem was, iets van het allermooiste en heiligste in zijn ziel, dat kraakte en scheurde, en nog eens breken zou.Het was hem, of de goddelijke sfeer waarin hij Leliane’s beeld zag tronen, langzamerhand begon te verduisteren, nu hij het groote lijden van de wereld had gezien, waarvoor zij onbewogen bleef, ongenaakbaar in eigen schoonheidsglans gehuld.De deernis voor het lijden der menschen begon hooger en hooger in hem te stijgen en waasde een droeven nevel tegen de vlekkeloos glanzende vereering, die in hem was opgeblonken voor haar majestueuze beeld.En vaag begon hij vóór te gevoelen, dat er nog[204]iets anders in hem was gekomen dan zijn ziels-verlangen naar al het mooie van verre horizonnen, en stille sterren-nachten, en witte wolken-droomen, dat tot zijn innigste hoogste was gestegen in zijne aanbidding voor Leliane, en dat dit andere beter en heiliger moest zijn dan het eerste, misschien zelfzuchtige gesmacht naar één-zijn met al wat schoon was,—omdat het wezen daarvan was de goddelijke barmhartigheid, die eigen geluk om schoonheid niet genieten kan als niet alle mede-menschen het kunnen deelen.[205]
HOOFDSTUK XIII.
Eéns op een middag, toen hij peinzend over het Domplein liep, werd hij opgeschrikt door het zien van een grooten troep volk, die zich midden op het plein had verzameld, of er een ongeluk gebeurd was. Hij drong zich door de menschen heen, en zag een heel klein jongetje, dat erbarmelijk stond te huilen. Een slagersjongen wilde hem bij den arm nemen, maar het mannetje sloeg met de vuistjes van zich af, en wilde met niemand te doen hebben.„Vader!… vader!…” riep hij maar.Juist wilde Paulus op hem afgaan, toen het jongetje een opening zag in den menschenkring om hem heen, en hard wegholde, verbazend vlug op zijn kleine beentjes. Zijn hoedje rolde af, en blootshoofds rende het ventje het plein over, waar zware rijtuigen ratelden, en electrische trems klingelend en rinkelend voorbij stoven.„Vader!… vader!…” gilde hij, en zóó holde hij, heel klein en heel armpjes, om zijn vader te zoeken,[196]door het lawaaiende gevaar van het groote meedoogenlooze stadsleven. Hij scheen in zijn angst niets meer te zien, en rende maar blindelings door. Dáár kwam een gele, zware electrische trem aan, en van de andere zijde een tweede: groote, wreede gevaarten, daverend en bellend, maar het kleine kereltje holde langs de rails.…Nog juist had Paulus tijd hem te grijpen, en het zware monster lawaaide onverschillig voorbij.Angstig en woedend keek het knaapje naar den jongen man, die hem in zijn armen had opgetild, maar met dat instinct, dat kinderen hebben en honden, voelde het, dat hier een vriend voor hem was.„Mijn vadertje!… mijn vadertje!…” huilde hij, „waar is vadertje?”Paulus begreep, dat het kereltje zijn vader was kwijtgeraakt. Het was nog een heel klein ventje, dat hij daar gered had, van vier of vijf jaar. Hoe hulpeloos en bang keken zijn verschrikte oogjes! Hoe heel klein en broos, zoo’n kinderleventje, alléén gelaten in die groote stad van zonde en ellende en gevaren!Met veel moeite wist hij uit het knaapje los te krijgen den naam van de straat waar zijn ouders woonden. Het was niet ver, en gelukkig wist hij den weg. En met het kleine mannetje aan zijn hand liep hij het drukke plein over, en dóór naar het veilige huis. Hij wist hem met vriendelijke woorden gerust te stellen, en zag met vreugde, dat hij nu ook[197]bedaarde, en vertrouwelijk met hem werd. Eenmaal in de goede straat gekomen, wist het mannetje zelf het huis te vinden. Paulus belde, en een burgervrouw deed open. Hoe het kereltje in haar armen vloog, hoe alles nu weer goed bezorgd was, en wèlvertrouwd, nu het veilige thuis was gevonden! En hoe goed het hem deed, toen het ventje hem vriendelijk bleef handjes-wuiven toen hij weer terugging!Maar onderweg voelde hij opeens de pijn van een wreede gedachte. Dat kleine, hulpelooze kereltje, dat daar zoo héél armzalig was alleen gelaten, in die groote stad van gevaar, roepend om zijn vader.… was hij dan iets anders? Was hij niet even ongelukkig, even verlaten in het groote, meêdoogenlooze Leven, en had ook hij zijnen Vader niet verloren? Had hij Hem niet aangeroepen in bitteren nood, had hij Hem niet droeviglijk gezocht in de duisterste eenzaamheden van zijne gedachten, had hij Hem niet met tranen gebeden, hem te helpen en tot hem te komen, waar hij in donkere zonde was afgedaald? Was hij niet precies even verlaten en hulpeloos als dat kleine kereltje, dat hij zooeven bij moeder thuis had gebracht?En al die andere, blinde, dwaze menschen, die óók maar doorholden in de gevaren van ellende en duisternis, waren zij óók niet eigenlijk hun Vader kwijt, en liepen zij dáárom niet zoo dol in het krankzinnige door, zonder ooit het veilige Thuis te[198]vinden? Liepen zóó ook niet in de wreede misère van de zwarte nacht-straten de klagelijke vrouwen en meisjes, die voor geld te koop moesten geven wat verwant was aan het heilig maagd-mysterie van Leliane? Was in al hun wanhoopsblikken, in al hun wanhoopsgelach, in al hun gebaren en woorden eigenlijk niet het verstikte, onderdrukte roepen om hun Vader, die hen alléén liet in de misère?O! Als een vader, een gewone, menschelijke vader wist dat zijn kind hulpeloos ergens alleen liep, hem roepend met klagelijk geschrei, en bedreigd door vele gevaren, zou hij niet aansnellen, ademloos, en het bergen, veilig in zijn sterke armen?Maar die eindelooze, hemelsche God, Wiens aangezicht hij gezien had in de klare pracht van den dageraad, en in de majestueuze drooming van den avond, Wiens stem hij had gehoord in het ruischen van nachtelijke winden, en Wiens tegenwoordigheid hij vol eerbied gevoeld had in de stilte van het woud, die almachtige, eeuwige God, uit Wiens wezen al de wonderen der wereld waren geboren, Hij liet zijne kinderen droeviglijk alléén in het duister van zonde en gevaren, en niet strekte Hij de hand reddend uit naar wie in wanhoop schreiend om Zijn hulp riep, uit allerbittersten nood. Wreed en koud ging het Leven door, het hulpgeschrei der lijdenden en verdwaalden werd verdoofd in het daverend voort-lawaaien van zijn’ gang, en géén antwoord kwam[199]van dien Vader, die toch wist hoe Zijne kinderen doolden, en in ellende moesten vergaan!En wéér dacht hij om die machtige spreuk op den Dom, die hij de laatste weken maar niet kon vergeten:Ziet ik ben bijU alle dagen tot aanDer wereld einde.Hij zag, hoe de menschen op straat om hem heen gingen. Hoe hard en koud waren toch al die vreemde gezichten! Hoe onverschillig voor elkander, hoe apart elk bezig met zijn eigen ik! Allen gingen naar een eigen doel, allen met andere gedachten, en geen warmte van gelijkheid en vertrouwen leek er tusschen hen te bestaan. Zooals bijvoorbeeld de stille vertrouwelijkheid in het bosch, als ineens alle boomen te zamen ruischten en hun broederlijke kruinen naar ééne zijde negen, onder denzelfden vaderlijken wind voor allen.…Instinctmatig voelde Paulus, dat hij nog niet met graaf Marcelio over al de dingen moest praten, die hij door Elias had geleerd. Hij vermeed zorgvuldig alle aanleiding om er over te beginnen, besloten als hij was om te wachten tot alles beter in hem tot klaarheid was gekomen.Maar ééns werd het hem te sterk, en liet hij er[200]onvoorzichtig iets van los. Het was op een avond, toen hij met Marcelio te voet naar huis ging, omdat het mooi weer was, en de lucht zoo heerlijk frisch na de benauwde atmosfeer van een met menschen overvulde concert-zaal.De Koninginnestraat was nu weer vol van vrouwen, die in het triestige licht van de lantarens op en neer slenterden voor de met ijzeren valluiken gesloten winkel-paleizen. En ineens zag Paulus de nacht-misère weer even grimmig voor zich als dien eersten avond, toen hij uit het raam naar beneden had gekeken, en niet begrepen had.„Marcelio,” zeide hij, bewogen. „Vin-je het niet verschrikkelijk, die vrouwen allemaal?”Maar de aristocraat begreep hem niet.„Het zijn gemeene wijven,” antwoordde hij. „Maak je er niet bezorgd over. Ga liever mee nog wat gezellig een grogje drinken boven.”Maar boven in de weelderige, veilige kamer gekomen, kon Paulus het vreeselijk gebeuren daar buiten niet vergeten. Hij schoof het gordijn weg, en zag in het half-duister van de nacht-straat de donkere, sombere zonde-figuren dolen. En hij kon het niet meer verkroppen, en barstte uit.„Je zegt, dat het gemeene wijven zijn daar beneden, maar ik vind dat het een gemeene maatschappij is, die zoo iets mogelijk maakt … Dacht je dat die vrouwen het voor hun plezier deden? Dat ze zoo’n[201]ellendig métier zouden hebben, als ze in liefde en geluk waren opgevoed? Als ze beter in de maatschappij waren bezorgd? Die menschen hebben hun heele leven lang niets dan ellende gekend, òf ze zijn er door armoede of onrecht toe gekomen. Wie weet, hoe velen er niet onder zijn, die door echte, zuivere liefde tot die misère zijn gebracht, die éven voor rijke, beter in ’t leven geplaatste mannen voor tijdverdrijf hebben gediend, en daarna aan hun lot zijn overgelaten … Al die vrouwen zijn toch ééns kinderen en meisjes geweest … Hoe kan je zoo iets verschrikkelijks aanzien, Marcelio, en er niet meer door ontroerd worden, of het iets héél gewoons was? Ik vind het vrééselijk … Ik begrijp niet hoe al die deftige, goed verzorgde meisjes en vrouwen van de zoogenaamde hoogere standen maar onbezorgd kunnen voortleven als ze weten dat duizenden van haar zusteren zoo diep in de ellende zijn verzonken … hoe je ooit rust kunt hebben, en op je gemak mooie dingen van kunst genieten, als dat ontzettende lijden je op straat zóó maar voorbijgaat. Want lijden is het, al weten de meesten van die armen het gelukkig zélf niet … en dan er nog op neer te zien en ze „gemeene wijven” te noemen … zijn de andere vrouwen niet gemeener, die eigenlijk ten koste van al die misère in hun weelde lekkertjes leven?…”Marcelio zag hem verbaasd aan, en vroeg, ietwat spottend:[202]„Maar Paulus! Ben je soms sociaal-democraat geworden?”„Neen, sociaal-democraat niet. Alleen maar mensch behoef je daarvoor te zijn. Alleen maar christen, als je wilt, maar dan christen, zooals Christus dat meende, en niet de zoogenaamde christenen van hier, die de ongelukkigen er onder willen houden om zelf lekker te leven. Maar zeg me eens, Marcelio … Weet de prinses de verschrikking van de prostitutie? Lijdt zij er niet onder, dat duizenden van hare zusteren van schande en bezoedeling moeten leven?”„De prinses?…” vroeg Marcelio. „Haar Koninklijke Hoogheid?… Maar wat bezielt je nu, Paulus?… Dacht je dat die zich druk zou maken om al die akeligheden van het gemeene volk? Gelukkig niet, hoor!… Daar staat ze veel te ver boven. Dat is goed voor socialistische parlementsleden en zoo. De prinses heeft wel wat ánders te doen … Die kan zich toch niet met al die gemeene vrouwen afgeven …”Paulus zweeg, om niet in harde woorden uit te vallen.Hij staarde naar de tragische figuren, die daar nog ronddoolden in de nacht-straat, om het heiligste te verkoopen voor wat geld …Grimmig leken hem de zware ijzeren valgordijnen van de winkels, waarachter al de schatten van goud en juweelen waren verborgen, enkel voor de rijken[203]en de nietsdoeners bestemd, die in weelde zwelgden. En daar buiten, vlak er bij, alleen maar er van gescheiden door dat harde ijzer, liepen de ongelukkige misdeelden, die voor een paar luttele guldens hun lijf liepen te veilen, schandelijk, in uitersten jammer.…Hij voelde het onrecht scherp schrijnen door zijn ziel. En ineens vroeg hij zich af, of het wel goed was, dat hij daar nu zelf zoo lekkertjes zat, warm en veilig, en eigenlijk leefde van het goud dier rijke prinses, die daar zoo hoog troonde in een blinkend paleis van wit marmer, onbewogen voor het lijden harer zusteren, onbarmhartig gehuld in eigen reinheid, die niet bevlekt mocht worden door aanraking met de ellende.…Hij voelde dat er nu iets aan ’t wankelen in hem was, iets van het allermooiste en heiligste in zijn ziel, dat kraakte en scheurde, en nog eens breken zou.Het was hem, of de goddelijke sfeer waarin hij Leliane’s beeld zag tronen, langzamerhand begon te verduisteren, nu hij het groote lijden van de wereld had gezien, waarvoor zij onbewogen bleef, ongenaakbaar in eigen schoonheidsglans gehuld.De deernis voor het lijden der menschen begon hooger en hooger in hem te stijgen en waasde een droeven nevel tegen de vlekkeloos glanzende vereering, die in hem was opgeblonken voor haar majestueuze beeld.En vaag begon hij vóór te gevoelen, dat er nog[204]iets anders in hem was gekomen dan zijn ziels-verlangen naar al het mooie van verre horizonnen, en stille sterren-nachten, en witte wolken-droomen, dat tot zijn innigste hoogste was gestegen in zijne aanbidding voor Leliane, en dat dit andere beter en heiliger moest zijn dan het eerste, misschien zelfzuchtige gesmacht naar één-zijn met al wat schoon was,—omdat het wezen daarvan was de goddelijke barmhartigheid, die eigen geluk om schoonheid niet genieten kan als niet alle mede-menschen het kunnen deelen.[205]
Eéns op een middag, toen hij peinzend over het Domplein liep, werd hij opgeschrikt door het zien van een grooten troep volk, die zich midden op het plein had verzameld, of er een ongeluk gebeurd was. Hij drong zich door de menschen heen, en zag een heel klein jongetje, dat erbarmelijk stond te huilen. Een slagersjongen wilde hem bij den arm nemen, maar het mannetje sloeg met de vuistjes van zich af, en wilde met niemand te doen hebben.
„Vader!… vader!…” riep hij maar.
Juist wilde Paulus op hem afgaan, toen het jongetje een opening zag in den menschenkring om hem heen, en hard wegholde, verbazend vlug op zijn kleine beentjes. Zijn hoedje rolde af, en blootshoofds rende het ventje het plein over, waar zware rijtuigen ratelden, en electrische trems klingelend en rinkelend voorbij stoven.
„Vader!… vader!…” gilde hij, en zóó holde hij, heel klein en heel armpjes, om zijn vader te zoeken,[196]door het lawaaiende gevaar van het groote meedoogenlooze stadsleven. Hij scheen in zijn angst niets meer te zien, en rende maar blindelings door. Dáár kwam een gele, zware electrische trem aan, en van de andere zijde een tweede: groote, wreede gevaarten, daverend en bellend, maar het kleine kereltje holde langs de rails.…
Nog juist had Paulus tijd hem te grijpen, en het zware monster lawaaide onverschillig voorbij.
Angstig en woedend keek het knaapje naar den jongen man, die hem in zijn armen had opgetild, maar met dat instinct, dat kinderen hebben en honden, voelde het, dat hier een vriend voor hem was.
„Mijn vadertje!… mijn vadertje!…” huilde hij, „waar is vadertje?”
Paulus begreep, dat het kereltje zijn vader was kwijtgeraakt. Het was nog een heel klein ventje, dat hij daar gered had, van vier of vijf jaar. Hoe hulpeloos en bang keken zijn verschrikte oogjes! Hoe heel klein en broos, zoo’n kinderleventje, alléén gelaten in die groote stad van zonde en ellende en gevaren!
Met veel moeite wist hij uit het knaapje los te krijgen den naam van de straat waar zijn ouders woonden. Het was niet ver, en gelukkig wist hij den weg. En met het kleine mannetje aan zijn hand liep hij het drukke plein over, en dóór naar het veilige huis. Hij wist hem met vriendelijke woorden gerust te stellen, en zag met vreugde, dat hij nu ook[197]bedaarde, en vertrouwelijk met hem werd. Eenmaal in de goede straat gekomen, wist het mannetje zelf het huis te vinden. Paulus belde, en een burgervrouw deed open. Hoe het kereltje in haar armen vloog, hoe alles nu weer goed bezorgd was, en wèlvertrouwd, nu het veilige thuis was gevonden! En hoe goed het hem deed, toen het ventje hem vriendelijk bleef handjes-wuiven toen hij weer terugging!
Maar onderweg voelde hij opeens de pijn van een wreede gedachte. Dat kleine, hulpelooze kereltje, dat daar zoo héél armzalig was alleen gelaten, in die groote stad van gevaar, roepend om zijn vader.… was hij dan iets anders? Was hij niet even ongelukkig, even verlaten in het groote, meêdoogenlooze Leven, en had ook hij zijnen Vader niet verloren? Had hij Hem niet aangeroepen in bitteren nood, had hij Hem niet droeviglijk gezocht in de duisterste eenzaamheden van zijne gedachten, had hij Hem niet met tranen gebeden, hem te helpen en tot hem te komen, waar hij in donkere zonde was afgedaald? Was hij niet precies even verlaten en hulpeloos als dat kleine kereltje, dat hij zooeven bij moeder thuis had gebracht?
En al die andere, blinde, dwaze menschen, die óók maar doorholden in de gevaren van ellende en duisternis, waren zij óók niet eigenlijk hun Vader kwijt, en liepen zij dáárom niet zoo dol in het krankzinnige door, zonder ooit het veilige Thuis te[198]vinden? Liepen zóó ook niet in de wreede misère van de zwarte nacht-straten de klagelijke vrouwen en meisjes, die voor geld te koop moesten geven wat verwant was aan het heilig maagd-mysterie van Leliane? Was in al hun wanhoopsblikken, in al hun wanhoopsgelach, in al hun gebaren en woorden eigenlijk niet het verstikte, onderdrukte roepen om hun Vader, die hen alléén liet in de misère?
O! Als een vader, een gewone, menschelijke vader wist dat zijn kind hulpeloos ergens alleen liep, hem roepend met klagelijk geschrei, en bedreigd door vele gevaren, zou hij niet aansnellen, ademloos, en het bergen, veilig in zijn sterke armen?
Maar die eindelooze, hemelsche God, Wiens aangezicht hij gezien had in de klare pracht van den dageraad, en in de majestueuze drooming van den avond, Wiens stem hij had gehoord in het ruischen van nachtelijke winden, en Wiens tegenwoordigheid hij vol eerbied gevoeld had in de stilte van het woud, die almachtige, eeuwige God, uit Wiens wezen al de wonderen der wereld waren geboren, Hij liet zijne kinderen droeviglijk alléén in het duister van zonde en gevaren, en niet strekte Hij de hand reddend uit naar wie in wanhoop schreiend om Zijn hulp riep, uit allerbittersten nood. Wreed en koud ging het Leven door, het hulpgeschrei der lijdenden en verdwaalden werd verdoofd in het daverend voort-lawaaien van zijn’ gang, en géén antwoord kwam[199]van dien Vader, die toch wist hoe Zijne kinderen doolden, en in ellende moesten vergaan!
En wéér dacht hij om die machtige spreuk op den Dom, die hij de laatste weken maar niet kon vergeten:
Ziet ik ben bijU alle dagen tot aanDer wereld einde.
Ziet ik ben bij
U alle dagen tot aan
Der wereld einde.
Hij zag, hoe de menschen op straat om hem heen gingen. Hoe hard en koud waren toch al die vreemde gezichten! Hoe onverschillig voor elkander, hoe apart elk bezig met zijn eigen ik! Allen gingen naar een eigen doel, allen met andere gedachten, en geen warmte van gelijkheid en vertrouwen leek er tusschen hen te bestaan. Zooals bijvoorbeeld de stille vertrouwelijkheid in het bosch, als ineens alle boomen te zamen ruischten en hun broederlijke kruinen naar ééne zijde negen, onder denzelfden vaderlijken wind voor allen.…
Instinctmatig voelde Paulus, dat hij nog niet met graaf Marcelio over al de dingen moest praten, die hij door Elias had geleerd. Hij vermeed zorgvuldig alle aanleiding om er over te beginnen, besloten als hij was om te wachten tot alles beter in hem tot klaarheid was gekomen.
Maar ééns werd het hem te sterk, en liet hij er[200]onvoorzichtig iets van los. Het was op een avond, toen hij met Marcelio te voet naar huis ging, omdat het mooi weer was, en de lucht zoo heerlijk frisch na de benauwde atmosfeer van een met menschen overvulde concert-zaal.
De Koninginnestraat was nu weer vol van vrouwen, die in het triestige licht van de lantarens op en neer slenterden voor de met ijzeren valluiken gesloten winkel-paleizen. En ineens zag Paulus de nacht-misère weer even grimmig voor zich als dien eersten avond, toen hij uit het raam naar beneden had gekeken, en niet begrepen had.
„Marcelio,” zeide hij, bewogen. „Vin-je het niet verschrikkelijk, die vrouwen allemaal?”
Maar de aristocraat begreep hem niet.
„Het zijn gemeene wijven,” antwoordde hij. „Maak je er niet bezorgd over. Ga liever mee nog wat gezellig een grogje drinken boven.”
Maar boven in de weelderige, veilige kamer gekomen, kon Paulus het vreeselijk gebeuren daar buiten niet vergeten. Hij schoof het gordijn weg, en zag in het half-duister van de nacht-straat de donkere, sombere zonde-figuren dolen. En hij kon het niet meer verkroppen, en barstte uit.
„Je zegt, dat het gemeene wijven zijn daar beneden, maar ik vind dat het een gemeene maatschappij is, die zoo iets mogelijk maakt … Dacht je dat die vrouwen het voor hun plezier deden? Dat ze zoo’n[201]ellendig métier zouden hebben, als ze in liefde en geluk waren opgevoed? Als ze beter in de maatschappij waren bezorgd? Die menschen hebben hun heele leven lang niets dan ellende gekend, òf ze zijn er door armoede of onrecht toe gekomen. Wie weet, hoe velen er niet onder zijn, die door echte, zuivere liefde tot die misère zijn gebracht, die éven voor rijke, beter in ’t leven geplaatste mannen voor tijdverdrijf hebben gediend, en daarna aan hun lot zijn overgelaten … Al die vrouwen zijn toch ééns kinderen en meisjes geweest … Hoe kan je zoo iets verschrikkelijks aanzien, Marcelio, en er niet meer door ontroerd worden, of het iets héél gewoons was? Ik vind het vrééselijk … Ik begrijp niet hoe al die deftige, goed verzorgde meisjes en vrouwen van de zoogenaamde hoogere standen maar onbezorgd kunnen voortleven als ze weten dat duizenden van haar zusteren zoo diep in de ellende zijn verzonken … hoe je ooit rust kunt hebben, en op je gemak mooie dingen van kunst genieten, als dat ontzettende lijden je op straat zóó maar voorbijgaat. Want lijden is het, al weten de meesten van die armen het gelukkig zélf niet … en dan er nog op neer te zien en ze „gemeene wijven” te noemen … zijn de andere vrouwen niet gemeener, die eigenlijk ten koste van al die misère in hun weelde lekkertjes leven?…”
Marcelio zag hem verbaasd aan, en vroeg, ietwat spottend:[202]
„Maar Paulus! Ben je soms sociaal-democraat geworden?”
„Neen, sociaal-democraat niet. Alleen maar mensch behoef je daarvoor te zijn. Alleen maar christen, als je wilt, maar dan christen, zooals Christus dat meende, en niet de zoogenaamde christenen van hier, die de ongelukkigen er onder willen houden om zelf lekker te leven. Maar zeg me eens, Marcelio … Weet de prinses de verschrikking van de prostitutie? Lijdt zij er niet onder, dat duizenden van hare zusteren van schande en bezoedeling moeten leven?”
„De prinses?…” vroeg Marcelio. „Haar Koninklijke Hoogheid?… Maar wat bezielt je nu, Paulus?… Dacht je dat die zich druk zou maken om al die akeligheden van het gemeene volk? Gelukkig niet, hoor!… Daar staat ze veel te ver boven. Dat is goed voor socialistische parlementsleden en zoo. De prinses heeft wel wat ánders te doen … Die kan zich toch niet met al die gemeene vrouwen afgeven …”
Paulus zweeg, om niet in harde woorden uit te vallen.
Hij staarde naar de tragische figuren, die daar nog ronddoolden in de nacht-straat, om het heiligste te verkoopen voor wat geld …
Grimmig leken hem de zware ijzeren valgordijnen van de winkels, waarachter al de schatten van goud en juweelen waren verborgen, enkel voor de rijken[203]en de nietsdoeners bestemd, die in weelde zwelgden. En daar buiten, vlak er bij, alleen maar er van gescheiden door dat harde ijzer, liepen de ongelukkige misdeelden, die voor een paar luttele guldens hun lijf liepen te veilen, schandelijk, in uitersten jammer.…
Hij voelde het onrecht scherp schrijnen door zijn ziel. En ineens vroeg hij zich af, of het wel goed was, dat hij daar nu zelf zoo lekkertjes zat, warm en veilig, en eigenlijk leefde van het goud dier rijke prinses, die daar zoo hoog troonde in een blinkend paleis van wit marmer, onbewogen voor het lijden harer zusteren, onbarmhartig gehuld in eigen reinheid, die niet bevlekt mocht worden door aanraking met de ellende.…
Hij voelde dat er nu iets aan ’t wankelen in hem was, iets van het allermooiste en heiligste in zijn ziel, dat kraakte en scheurde, en nog eens breken zou.
Het was hem, of de goddelijke sfeer waarin hij Leliane’s beeld zag tronen, langzamerhand begon te verduisteren, nu hij het groote lijden van de wereld had gezien, waarvoor zij onbewogen bleef, ongenaakbaar in eigen schoonheidsglans gehuld.
De deernis voor het lijden der menschen begon hooger en hooger in hem te stijgen en waasde een droeven nevel tegen de vlekkeloos glanzende vereering, die in hem was opgeblonken voor haar majestueuze beeld.
En vaag begon hij vóór te gevoelen, dat er nog[204]iets anders in hem was gekomen dan zijn ziels-verlangen naar al het mooie van verre horizonnen, en stille sterren-nachten, en witte wolken-droomen, dat tot zijn innigste hoogste was gestegen in zijne aanbidding voor Leliane, en dat dit andere beter en heiliger moest zijn dan het eerste, misschien zelfzuchtige gesmacht naar één-zijn met al wat schoon was,—omdat het wezen daarvan was de goddelijke barmhartigheid, die eigen geluk om schoonheid niet genieten kan als niet alle mede-menschen het kunnen deelen.[205]