Geen mensch heeft ooit precies geweten waarom "den Binder" zich verdronken had. Hoe hij zich verdronken heeft, heb ik, door den jongen houtzager die 't zag gebeuren, hooren vertellen.
Een eigenaardig type was die "Binder". Een kort, nog al gezet ventje van om en bij de zestig, met een strak-ernstig, diepzinnig gezicht, en met de vreemdste, de angstwekkend-vreemdste oogen die ik ooit gezien heb. Die oogen, achter hun brilglazen, staarden bijna aanhoudend ten gronde. Je keek hem aan, je vroeg hem iets, je praatte met hem een heele poos: onafgewend bleven zijn oogen strak ten gronde kijken, op de tippen van je laarzen. Iets buitengewoons moest hem dwingen of verlokken om ze even schuchter op te slaan; en dan zag je, als in een weerlicht zoo vlug, twee kleine, sombere, glanslooze ballen, als waren zij uit hoorn gesneden; twee doffe ballen zonder licht noch leven, behalve iets,... iets bijna onnaspeurbaars diep en fijn van tinteling: twee korte, weeke lichtstraaltjes vol van een onuitsprekelijken weemoed, die zóó aangrepen, zoo onweêrstaanbaar aangrepen, dat je verademde wanneer het mannetje maar dadelijk weer zijn droeven blik ten gronde richtte. Er lag als 't ware een afgrond van onuitgesproken wee in die twee doffe, trieste oogen.
Was het om die vreemde oogen, of om zijn afgetrokken, menschenschuw karakter, of waarom was het ook?... althans, de menschen in het dorp beweerden dat hij met den booze omging en kon tooveren.
Hij was een bezembinder. Zijn eigenlijke naam wisten de meeste dorpelingen zelfs niet meer. Zij noemden hem kortweg: "den Binder". Hij woonde in een zijstraatje, en was getrouwd met een mager, houterig, gebogen vrouwtje, die een klein winkeltje hield en heel veel op hem knorde en over hem met hare klanten babbelde. Sieska heette zij.
—Sieska, keunt-e gij euk, gelijk "den Binder", teuveren?" kwamen de jonge kerels haar soms plagen. En dan stoof het er op los,:
—Gie sloebers! Gie deugenieten! Watte! Zij-je nie beschoamd: treffelijke meinschen durve komen affronteeren in ulder eigen huis! Ala! Hoast ulder ziere buiten as ge moar doarveuren 'n komt!
Dat verwijt van tooverij, dat als een vloek (niemand wist wie het voor 't eerst over zijn tong had laten gaan) op 't leven van "den Binder" drukte, vergalde en kwelde ook onophoudend Sieska's eigen leven. Want,—en dat was wel het aller-ergste,—ook zij geloofde dat "den Binder" met den duivel omging en kon tooveren; en telkens, na zoo een of andere plaagscène met de straatjongens of de buren, overstelpte zij het ongelukkig ventje met de scherpste en de razendste verwijten.
—O! gien dwoazen, dwoazen loeder!" hoorden de buren haar dan woedend krijschen. "Gie stommerik! Gien ezel! Wa veuren plezier keunt-e doar nou in hén as ge de meinschen beteuvert, as ge de koeploage in de stallen brijngt, of as ge kleine kinders die ou niets misdoan 'n hen doe ziek worden en stirven! In 't kot moesten z' ou steken! ou leven lank in 't kot! gie kalf woar da ge stoat! Joa moar, wach moar! T'n zal azeu nie blijven duren! Past op, keirel! De boeren woaken op ou en ze zillen ou omverre steken mee ulder vurke, lijk ne roazenden hond, en ge zilt tot in der ieuwigheid in d' Helle branden! En past ou op, sloeber, da ge mij euk nie 'n beteuvert!
Eigenaardig was de houding van "den Binder" onder dien stormvloed van verwijten. Hij trachtte zich niet te verdedigen; hij zei niet dat het alles onzin was en maakte zich niet boos; hij stond daar maar, roerloos en als 't ware machteloos geslagen, zijn angstwekkende oogen strak ten gronde; en hij antwoordde slechts met korte, doffe, afgehorte zinnetjes, altijd dezelfde, terwijl hij nu en dan toch, in een bruuske opstandsbui, razend met zijn hiel tegen den vloer stampte:
—Zwijg! zwijg! zwijg, zeg ik ou! Ge zij zot! ge zij zot! ge zij zot!
Maar Sieska liet zich daardoor niet uit het veld slaan. Haar schrille stem, die aanhoudend de zijne overschreeuwde, werd klagerig en huilerig; zij viel aan 't zuchten en aan 't snikken, en eindelijk moest zij haar verdriet ook buitenshuis gaan luchten. Zij kwam met open deuren midden op de straat in 't spottend-grinnikend gepeupel staan: en daar begonnen weer de scherpe dreigementen en verwijten; en dat 't een schande was, en dat het zoo niet blijven duren kon, en dat de overheid er zich mee zou bemoeien, dat alles vergezeld van verontwaardigde blikken en sidderend-gebalde vuisten naar het winkeltje, waar de rampzalige "Binder", achter de toonbank half verscholen, machteloosongelukkig zijn schouders ophaalde, of, af en toe razend-stampvoetend, met den blik ten gronde heen en weer liep, hopeloos-halsstarrig, steeds met dofhortende stem zijn zelfde, zwakke, onbenullige weerlegging herhalend:
—Zwijg! zwijg! zwijg, zeg ik ou! Ge zij zot! ge zij zot! ge zij zot!
Zoo was het leven van "den Binder" somberdroef en akelig. De menschen in het dorp, de boeren op het land, wisten niet precies hoe ze 't met hem hadden. Ging hij werkelijk met den duivel om en kon hij tooveren, of was het maar een flauwe grap en kon hij niets! Zij twijfelden en hun twijfel was vol wantrouwen en vrees. Waar hij schuchter op de boerderijen kwam om drooge brem of teenen te koopen, werd hij liefst niet binnenshuis, noch in stallen of schuren ontvangen. Men kon nooit weten! Boer of boerin liepen hem haastig bij het hek of nog bij voorkeur op den landweg te gemoet en de kinderen werden achter de deur gehouden. Moest een vrouw alleen hem langs een paadje tegenkomen, dikwijls keerde zij op haar weg terug, of kon dat niet, dan maakte zij een heimelijk kruisteeken en prevelde in zichzelf een kort gebed.
In hoeverre "den Binder" al dat angstig en verwijderend wantrouwen merkte en voelde, en of en hoe hij er ook onder leed, dat wist geen mensch. Niemand vroeg er hem naar, en hij, de doodmelancholisch gedrukte en schuchtere, klaagde ook aan niemand zijn veronderstelde leed. De slag,—zijn zelfmoord—viel als een donderslag, onverwacht.
Ik was toevallig in de buurt waar het gebeurde en heb hem uit 't water zien halen....
Hij leek mij kleiner en dikker dan ik hem in leven gekend had. Zijn paarsgezwollen hoofd hing zwaar op de borst en zijn oogen, zijn vreemdangstwekkende oogen waren toe. Hij had zijn jas en schoenen uitgetrokken, zijn bril was weg, zijn armen, in witte hemdsmouwen, met slijk bezoedeld, hingen slap langs zijn lijf. Zijn pet die afgevallen was, had iemand scheef weer op zijn kop gedrukt, en zoo had bij iets van een dronkaard, die in bedwelmden toestand uit een modderige sloot was gehaald.
Heel weinig opschudding onder de menschen die dat alles bijwoonden. 't Was of ze 't al lang zoo verwacht hadden. Een kruiwagen gehaald, het lijk er op gelegd, met een paar baalzakken bedekt, en, onder geleide van den veldwachter naar huis er mee, bij Sieska. Slechts een twintigtal nieuwsgierigen liepen er joelend omheen.
Maar langs de straat vliegen de huisdeuren open, winkelbelletjes rinkelen, mannen, vrouwen, kinderen, komen toegesneld.
"'t Es den Binder!... den Binder die hem versmeurd hèt!" gilt de menigte. En drommen dringen weldra om den kruiwagen, waarop den Binder, scheef in elkaar gezakt, met scheeve muts en slaphangende armen, over het ongelijke straatplaveisel wordt vervoerd. Heel zijn doode lichaam schokt bij elken hobbelkei, meer en meer gaat hij lijken op een machteloosbedwelmde dronkaard; en zijn pet zakt zóó scheef, dat ze weldra op zijn linker oog en op zijn neus staat, den rechterkant van 't hoofd met kalen schedel half ontblootend. 't Gepeupel joelt en lacht er om, en kwinkslagen klinken. Met een bruusken duw zet de veldwachter de pet weer recht. Nu lijkt den Binder op geen dronkaard meer. Nu lijkt hij plotseling op een heel héél ernstig en armoedig mannetje, dat paars zit van de kou, en, onder 't schokken van het wiel over de hobbelige keien, weer wat warmte in zijn verkleumde ledematen tracht te krijgen.
Daar komen z' er mee in het zijstraatje! Het is er vol, stampvol van mannen in hun werkplunje, zoo van hun bezigheid weggeloopen, van vrouwen met slordige haren en slonsige kleeren, die kleine kinderen op den arm dragen. In 't openstaande deurtje van den Binder verdringt zich een menigte reikhalzend, op de teenen staande met gretige, als 't ware hunkerende gezichten door 't smal gangetje naar binnen starend.
—Es Sieska doar? Wee ze 't al? Wa zeg ze? Wat doe ze?...-Al die vragen kruisen door elkaar, maar niemand kan opheldering geven. 't Is er één warboel, in en om het huisje.
De veldwachter baant met moeite den kruiwagen een weg; de stoet houdt vóór het deurtje stil. Twintigtallen stroomen toe, dringen zich trappelend op elkaar, zien, of zien niet den dooden "Binder" binnendragen.
En de jonge houtzager, die er bij was toen 't gebeurde, en met den kruiwagen is meegeloopen, herhaalt nog eens, voor de drukke, rumoerige schaar der omstaanders, zijn verhaal:
"Ik en mijn voader woaren langs de voart bezig met heit zoagen: ik van boven op de schroage; voader van onder. Doar zie ''k "den Binder" komen. "Voader, past op, zeg ik azeu, doar es den teuveroare!"... "Loat hem moar teuveren en zoag gij moar veurt," antwoordt voader.—"Den Binder" komt veurbij. "Dag Binder!"—zeg ik.—"Dag," antwoordt hij.—Hij goa 'n endeke langs de voart en al mee ne kier blijft hij stoan en doalt den troakel af, rechte noar 't woater toe.—"Wa betiekent dà verdeeke!" peis ik mijn eigen. "Wa goat-ie hij doen?"—"Wacht-e kier, voader, zeg ik azeu; houdt-e kier op mee zoagen!"... 'K zie den Binder zijn vest uitdoen, zijn schoens uittrekken, zijne schoapelier afleggen...! "Verdeeke, voader, zeg ik, hij goa hij hem versmeuren...! 'K 'n ha 't nog moar percies gezeid of: Paffe!... doar neemt hij zijne leup en sprijngt in 't woater!...
—En?... en?" vragen enkele nieuwsgierigen, verwonderd dat de jonge man niet verder vertelt.
—Hawèl, hij lag-ie hij in 't woater," herhaalt deze doodgewoon.
—Joa moar; wa hèt-e gij gedoan as hij in 't woater lag?" dringen de toehoorders aan.
—Wat da 'k gedoan hè?... Niets!" is 't onverschillig antwoord.—"'K ben op de schroage blijve stoan kijken. Hij es mee zijne kop weere boven gekomen; hij hè gebloazen lijk 'n katte en mee zijn peuten geslegen dat 't woater speitte...; en tons es hij weer onder gegoan en onder gebleven...
—En het-e gij nie geprobeerd om d'r hem uit t' hoalen! En ou voader euk niet?
—Bah woarachtig niet! Hij moest hij da moar weten as hij hem wilde versmeuren! As ik zag dat hij nie mier boven 'n kwam ben ik van de schroage gekropen en voader es bij zijn klieren en zijne schoapelier gebleven binst dat-e 'k ik aan de sampitter gijnk zeggen...
Eenige lui lachen gedempt; anderen, hoofdschuddend, trekken sleepvoetend weg. En in het huisje van "den Binder", waar het steeds als een mierennest krioelt, hoort men eensklaps een klagelijk geluid opgaan, een langgerekt, dof-akelig gehuil van smart, als het gebrul van een gefolterd beest.
—Heurt-e Sieska!... 't Zal heur nog spijten van heuren "Binder!" zeggen de menschen, langzaam uiteengaande...
Teum Grondnagel lag stervensziek...
't Was een gewezen sterke, stoere, woeste boerekerel van een zestigtal jaren. Rotssterk, ijzersterk, was hij zijn leven lang geweest. Ik zie hem nog in verbeelding vóór mij staan: groot, zwaar, vierkant-geschouderd, met zijn steenrood, glad-geschoren gezicht en zijn harde, grijze, diepliggende, boos-en-stuursch-schitterende oogen.
Hij praatte weinig, maar luisterde veel, de menschen strak en benauwend-lang aankijkend. Zijn dunne lippen konden uren op elkaar gesloten blijven, zonder één klank door te laten.
Hij was kort en gebiedend tegen zijn onderhoorigen en deze waren vreeselijk bang voor hem. Zelf werkte hij heel weinig, maar scherp hield hij toezicht dat zij, die voor hem werkten geen oogenblik van hun tijd verbeuzelden.
Hij was ongehuwd. Wie hem destijds van trouwen sprak, kreeg een minachtend, smalend antwoord. Toch hield hij wel van vrouwen, maar enkel bij buien, in zijn woeste uren, wanneer hij, zooals hij dat noemde, en de menschen uit 't omliggende het hem ook nanoemden, "aan 't woaien" was.
Dat "woaien" van Teum Grondnagel was een alom bekend, door enkelen verlangend tegemoet gezien, door de meesten echter geducht en verafschuwd sporadisch verschijnsel. 't Begon doorgaans plotseling, zonder eenige bizondere aanleiding noch oorzaak. Op een of anderen ochtend, 't zij werkdag of rustdag, trok Teum zijn beste kleeren aan, stopte zijn zakken vol geld, verliet, zonder iemand te waarschuwen, zijn hoeve en begon te "woaien".
De buren wisten 't dadelijk, merkten 't aan zijn gang en houding, nog vóór hij iets gedronken had. En het bericht liep rond van huis tot huis, van herberg tot herberg, van boerderij tot boerderij:
—Opgepast, meinschen! Uit de wig! Teum Grondnoagel es aan 't woaien!"
Drinken en slampampen, schelden, schreeuwen, kijven, vechten, dagen en nachten achtereen, tot allerlaatste uitputting van geld en krachten!...
Hij stormde de landelijke kroegjes binnen, trakteerde al wie om hem heen was, vloekte, brulde, sloeg met zijn stok den boel kapot, overweldigde de vrouwen, trok messen met de mannen, en ging dan weer aan het trakteeren en betalen, één woeste dierlijke, liederlijke orgie, tot het eensklaps, zonder reden, uit was, net zooals het zonder eenige reden was begonnen en hij onverwachts weer op zijn hoeve kwam, somber-stug en dreigend, zonder iemand aan te spreken, en in een stompen beesteslaap van vier en twintig uur het einde van zijn walgelijken roes uitvierde. Alsof er niets gebeurd was liep hij dan den volgenden dag weer op zijn land en in zijn stallen, scherper dan ooit toeziende, onverbiddelijk hard voor de minste nalatigheid, voor het onschuldigst verzuim. Wee hem of haar die dan iets goed te maken had! En wee ook wie met hem moest onderhandelen, wie iets van hem te koopera of te krijgen had! Met helsche, boersche schraapzuchtige slimheid en sluwheid, door ontelbare geniepige, onnaspeurlijke bedrogjes, door een dagelijksche kleine mengeling van water in de melk, van vet in de boter, door een gering, maar aanhoudend te kort geven in maat of in gewicht, allemaal kleingeestig geknoei, dat hij zelf en 's nachts, buiten wete van knechts en meiden, klaarspeelde, wist hij op den duur het baldadig weggegooide opnieuw aan te zuiveren en weêr een potje voor een volgende uitspatting te vullen. Toen was hij trotsch dat hij iedereen zoo ongemerkt had beet genomen. Hij voelde als een innerlijke deugd zijn sluwe ruwheid; zijn diepliggende, grijze oogen fonkelden in zijn steenrood gezicht; hij was de sterke, rijke, machtige reus, die al de om hem levende, verachtelijk zwakke en kleine wezentjes, als een zwerm van dwergen en van nietelingen onder de knie had.
Tot eensklaps de ziekte. de zwaarknakkende ziekte hem neer kwam slaan! De reus werd zelf een zwakkeling; zijn ijzersterk gestel was eindelijk door het jarenlang baldadig leven ondermijnd!
Hij zat daar, bevend, met koortsachtiggloeiende oogen, in den donkersten hoek van zijn haard, als een afgejaagd, in 't achterhol gedreven beest ineengedrongen. Het "woaien" was voor altijd uitgespeeld, hij kon van niets meer genieten en met somberen nijd en afgunst volgde hij gansche dagen, machteloos-razend, het leven van hen die, nog vol jeugd en vol gezondheid, zich om hem heen bewogen en nu ook, wanneer ze wilden, aan zijn jarenlang zóó sterk gevreesden meesterblik konden ontsnappen. Wat kon't hun schelen of hij nu nog raasde en vloekte en ook dreigde met zijn stok! Er zat geen kracht meer in zijn knuisten en zijn beenen waren lam!
Dat alles zag en wist en voelde hij, met een hopelooze helderheid, die zijn folteringen nog verergerde; en, in 't besef van het naderend einde, kwam nu ook in hem een vrees op, kwellend en onverjaagbaar: de toenemende, afschuw-wekkende vrees voor straf en boetedoening hiernamaals, gevolg van al het kwaad en onrecht, dat hij gedurende zijn gansche leven had bedreven. Wat al menschen had hij, al die lange jaren, niet mishandeld en bedrogen en bestolen! Zij wisten 't niet, maar Hij, de Groote Rechter, vóór wiens troon hij weldra zou verschijnen, die wist alles, en die zou hem rekening vragen en hem tot het einde der eeuwigheid, die geen einde had, in de Hellevlammen doen folteren! Dan zat hij in zijn leunstoel zich te kronkelen, alsof hij de gruwelijke brandpijnen reeds voelde; en zijn koorts-gloeiende oogen spalkten zich van afschuw open en zijn bibberende lippen slaakten heesche kreten, krampachtig-smeekend om genade. Doch wàs er voor zulke zondaars wel genade? Hij had den pastoor laten komen en zijn biecht gesproken; maar 't was hem slechts een zwakke troost geweest en de absolutie van den geestelijke had hem in 't geheel niet opgebeurd. Eén enkele, allerlaatste toevlucht was, misschien nog, voor hem open: restitutie doen!...
Uren lang, dagen lang, zat hij daar, somber en bevend, in den donkeren hoek van zijn haard, over na te denken. Wie had hij al bedrogen, en voor hoeveel? Het duizelde in zijn hoofd, er waren er te veel, en sommigen leefden ook niet meer. Voor die zou hij in elk geval moeten branden! Maar van anderen kon hij 't zich nog goed herinneren en hij vroeg papier en potlood en begon na te denken en te rekenen. Dat duurde weer lange, lange dagen. Telkens kwamen er nieuwe namen bij, geput uit de diepste diepten van zijn oude-schelmsgeheugen. Maar eindelijk was hij er mee klaar en hij begon te zinnen wie hij met de netelige boodschap wel gelasten zou. Het moest iemand van groote discretie en volmaakt vertrouwen zijn. Na eindeloos wikken en wegen viel zijn keus op Jantje, een oud ventje uit het Armenhuis, dat hem welbekend was voor zijn onbesproken eerlijkheid en rechtsgevoel en dat ook vroeger nog bij hem gewerkt had. Op een kouden, mistigen November-ochtend werd Jantje dringend op de boerderij ontboden; en heel alleen met het oudje in de ruime, sombere boerenkeuken, legde Teum zijn schurkenziel bloot, en vroeg hij Jantje of deze, overal, in zijn naam, wilde gaan restitutie doen. Hij zou er hem mild voor beloonen.
Verbaasd, gansch ontdaan door die onverwachte opbiechting, stemde Jantje, na een korte aarzeling, toe.
En Teum begon één voor één zijn zonden op te sommen, eerst tegenover Jantje zelf.
—Weet-e nog wel, Jan, da ge mij ne kier ou streud verkocht hèt? 't Moest hier op 't hof gewegen worden, en gij 'n woart er nie bij. Hawèl, in ploatse van achthonderd kilos, die 'k ou betoald hè, worden d'r negen honderd vijftig. 'K hè ou dus dien dag veur honderd vijftig kilos bestolen! Honderd vijftig kilos aan zeven centiemen de kilo, da moakt tien fran en half. Mee den intrest van mier dan vijftien joar doarbij gerekend, hoevele zoe da zijn? Twintig fran? Vijf en twintig? Loat er ons ne slag in sloan; nim, doar es vijf en twintig fran!...
Jantje zat hem roerloos aan te staren, met open mond en wijde Ooggen, als gek van verbouwereerdheid. Een vloed van hooge kleur kwam plotseling over zijn oude gerimpelde wangen en zijn verweerde handen beefden op zijn knieën, alsof ze sidderden van kou.
—Ha moar boas toch! Ha moar boas toch!" stamelde hij eindelijk, met droogslikkende stem, zonder de vijf schitterende stukken aan te nemen.
—Neem aan! neem aan!" kreet dringend Teum, alsof het geld hem in de handen brandde. En toen dit eindelijk geschied was, haalde hij zijn potlood-krabbellijstje uit en las het 't oudje voor:
—Viertig fran aan bezinne Van de Weghe veur gewichte te kurt op tien joar leverijnge van eirdappels.
Jantje knikte, droog-hikkend, sprakeloos. —Vijf en tsjestig fran aan Theofiel De Mispeloare veur vijf joar mijngelijnge van rogge in de tarwe.
Jantje knikte.
—Tachentig fran aan de weduwe van Lierde, veur mijngelijnge van vet in de boter...
Zoo ging het voort, een lange, lange lijst van jarenlang geknoei; en bij iederen naam legde Teum met bevende, ontvleesde hand de som, die Jantje met zijn niet minder bevende, knokkelige vingers telkens opstreek en in een grauw-linnen beurs vergaarde.
—Goa nou, hoast ou," zei Teum, nadat het laatste eindelijk was bijgepast. En uitgeput zonk hij somber in zijn leunstoel weg, terwijl Jantje, duizelend van emotie, met struikelende passen 't boerenhuis verliet.
Den ganschen dag besteedde hij aan zijn langen omtocht.—Daar waar hij aankwam vroeg hij op geheimzinnigen toon om den baas of de bazin alleen te mogen spreken, en fluisterend, met schuwe blikken om zich heen, vertelde hij 't geval, terwijl hij langzaam de beurs losknoopte en 't lijstje en het geld te voorschijn haalde.
Wat een verbazing in de meeste huizen! Overal zetten de menschen wijde, haast ongeloovige oogen op. Sommigen stonden er als stom-verslagen onder, anderen bromden en scholden even, nog anderen twijfelden of hun wel genoeg teruggegeven werd; de meesten echter waren dankbaar en gelukkig over 't onverwachte buitenkansje en in alle plaatsen werd Jantje overvloedig getrakteerd. Hij was daar heelemaal niet aan gewend en 't steeg hem spoedig naar het hoofd. Van lieverlede deed hij minder geheimzinnig, werd druk en praterig, vertelde zonder eind zijn eigen geval, 't bedrog met die vroegere levering van stroo. Het werkte prikkelend op hem in, het wond hem hoe langer hoe meer op, zijn oogjes glinsterden en zijn koontjes bloosden; hij dronk maar grif de "dreupelkes" en "pijntsjes" uit, die hem voortdurend werden aangeboden; en, toen hij met invallende schemering op de boerderij terug kwam, liep hij een paar keer tegen de stammen van den boomgaard aan, voor hij de deur van 't huis kon vinden.
Angstig hijgend en jagend zat Teum op zijn terugkomst te wachten. Zoodra hij hem zag stuurde hij Meelnie, de oude huismeid, naar buiten; en, nog vóór Jantje den tijd had plaats te nemen, vroeg hij dringend, met zijn holle, heesche, trillende stem:
—Hawél? Wa hèn ze gezeid? Hoe es 't gegoan?"
—O! bezônder! bezônder!" juichte Jantje, geestdriftig zwaaiend met zijn beide handen. "Ze zijn kontent, zille! Dat 'n keunt-e nie geleuven!"
Somber, met zijn diepliggende van koorts gloeiende oogen, keek Teum hem in 't halfduister van de ruime, laag-gebalkte keuken aan. Hij merkte hoe het oudje aangeschoten was en zijn bevende hand omknelde, met machteloos gebaar van woede, den knuppelstok, als om er mee te slaan.
—Wa hèn ze gezeid? vroag ik ou," herhaalde hij schor, dreigend, kortaf, aamechtig hijgend.
—Da ge bedankt zijt! da ge wel duuzen kiers bedankt zijt!" jokte Jantje, met de leege beurs en 't lijstje naar den haard toestruikelend.
Teum slaakte een vloek en zwaaide met zijn stok, om het ventje op een afstand te houden.
—Blijf van mij af! Ge zij zat? Ge zij ne zatlap! G' hèt gewoaid!" raasde hij, knarsetandend.
—Ikke! Ikke! Ikke! ne zatlap! gewoaid! gewoaid!" riep Jantje beleedigd en verontwaardigd.
—Stille! Gien laweid! vertelt!" beet Teum bitsig-gebiedend toe.
Jantje, door den ruwen uitval wat vernuchterd, begon te vertellen. Het een na het ander, met zijn brabbelige stem die nu en dan bleef haperen, gaf hij omstandig verslag van al zijn bezoeken: hoe de menschen hem ontvangen hadden, hoe hij hun de zaak had voorgelegd, wat ze daarop gedaan, gezeid, gevraagd hadden.
...—In de groote, laaggezolderde keuken was het bijna nacht geworden. Door de kleine, groenachtige vensterruitjes glom nog slechts een grijs-grauw twijfellicht, dat flets en dof weerglansde op de koperen en tinnen schotels langs de wanden. De oude kasthorloge met onzichtbaar geworden zinken uurplaat tikte melancholisch-langzaam, en naast den zwarten haard, waarin de bijna opgebrande blokken tot donkerroode houtskool versmeulden, zat Teum nu onbewegelijk en als 't ware stomdreigend in zijn leunstoel weggezakt te luisteren.
Dat duurde lange, lange stonden... Jantje had reeds alles verteld en oververteld en nog steeds bleef Teum, gansch zwart nu in zijn zwarten hoek, roerloos en sprakeloos luisteren. Het werd benauwend en een vreemd gevoel van angst bekroop van lieverlede het oude ventje. Hij zag alleen nog, vaag in de vale schemering van het uitstervend vuur, Teums onbewegelijke, stokkerige, grijs-gekousde enkels en zijn bleeke klompen. De oude klok tikte nu overluid in de doodstille, donkere keuken en geheimzinnige schaduwen schenen laag over den vloer en om de wanden langzaam heen en weer te kruipen. Jantje werd bang. Zijn keel was droog, het duizelde in zijn hoofd, hij voelde zich onwel worden. Even staarde hij verwilderd en radeloos om zich heen; en eensklaps stond hij op en vroeg met een bedeesd-bevende stem, die als een vreemden wanklank door de doodsche stilte galmde:
—Hawèl, boas, lijk of ik ou zegge: da es alles. 't Wor loat en donker. Mag ik nou wiggoan?"
Geen antwoord. Stom en roerloos bleef Teum in zijn leunstoel weggezonken, als had hij Jantje's schuchtere woorden niet gehoord.
—Boas!... boas...!" herhaalde Jantje met een plotseling ontstelde stem, waarvan de klank hem zelf deed schrikken. En sidderend naar den haard toe gaande, raakte hij Teum even met zijn aarzelende vingers aan.
Achter een der kleine raampjes, daarbuiten, vertoonde zich, nog nauwelijks zichtbaar, de donkere silhouet der huismeid, die, met de beide handen trechtervormig naast haar oogen, peilend naar binnen staarde.
—Meelnie! Meelnie!" gilde Jantje, door doodsangst bevangen.
—Wa schilt er dan?" vroeg de meid binnenkomend.
—Meelnie! Meelnie! Kijkt-e kier. Toe, steekt de lucht aan en kijkt-e kier!" hijgde Jantje.
De meid deed haastig een klein lampje branden en kwam er mee bij den haard.
—Och Hiere God!" schrikten zij beiden achteruit.
De armen slap over de leuning van zijn stoel, het hoofd scheef op den rechterschouder, het aangezicht vertrokken en verkleurd, den mond half open en de oogen toe, zat Teum in neergezakte houding naast het uitgebrande haardvuur... dood.
Het herbergje van 't Kuipken en de Stier stond dichtbij 't eene uiteinde van 't dorp, op den zoogenoemden "Dries", een pleintje, waar de straatweg, zich in tweeën splitsend, een soort rechthoek vormt, in west-en-noordelijke richting. Wie langs een van die twee wegen in het dorpje aankwam, liep om zoo te zeggen vanzelf in het herbergje binnen.
't Was een eenvoudig witgeverfd huisje met groene luiken, smal maar nog al hoog, drie steenen treedjes op naar 't gangetje, twee raampjes beneden en drie op de verdieping. Het zag er uit als een net, klein-burgerhuisje., eerder dan een herberg; en zelfs de naamHet Koffijhuis, in zwarte letters boven 't deurtje op den witten gevel, gaf er iets degelijks en deftigs aan, dat zich gunstig onderscheidde van de meeste andere dorpsherbergen met hun gekke namen op de bont-gekleurde uithangborden.
Wie daar dan ook woonde was de gemeenteontvanger met zijn zuster: menschen van goed, landelijk komaf, maar zonder fortuin, en die er 't "stameneetje" bijhielden om rond te komen.
Binus, de broeder, was een dik, kort ventje met kaal hoofd en kwabbe-wangen, dat slechts moeilijk en stijf-trekbeenend kon loopen. Hij droeg den bijnaam van 't Kuipken. Fliesta, zijn zuster, was ook kort en tamelijk gezet; maar het eigenaardige van haar type zat voornamelijk in haar gezicht, dat groot en breed was, met sterk-afgeteekende, bijna mannelijkforsche trekken: groote, ietwat zwaarmoedig strak-kijkende oogen, een langen haviksneus, een stevige, vierkante kinnebak; en op bovenlip en kin, méér dan een donkere haardons; een kleine, echte snor en een begin van stekelbaard. Moest dat de reden zijn of was er nog iets anders: althans, zij werd in 't dorp "de Stier" genoemd.
"De Stier" en "'t Kuipken"!... En toch niet uit kwaadwillige of wreedaardige spotternij! Eerder uit gewoonte, omdat iedereen het zei, omdat men hen altijd zoo had hooren noemen. De menschen zeiden: "we gaan eens bij de Stier en 't Kuipken," zooals ze anders zouden gezegd hebben: "we gaan eens bij den slager of den kruidenier." De spotnaam had door 't algemeen en jarenlang gebruik zijn honende beteekenis verloren.
En toch,... en toch... er was wel iets met haar, iets dat zoo niet uitgedrukt kon worden en dat soms, o zoo sterk, de ondeugende nieuwsgierigheid van klanten en bezoekers prikkelde. De boerkens uit 't omliggende kwamen zoo nu en dan, als 't ware door de beide wegen die op 't herbergstoepje aanliepen geleid, bij het ontvangertje hun aanslagbiljet betalen en meteen een potje kaart spelen of een praatje maken; en, onder het gezellig keuvelen en onder 't drinken van een "pijntsje" en een "dreupelke", was er wel af en toen eens een, die zich wat bizonder met "de Stier" bemoeide en haar zelfs, o zoo ondeugend, een beetje 't hof trachtte te maken. Dan had "de Stier" zich goed te houden! Zonder haar gezicht te vertrekken aanhoorde zij de krasse woordspelingen, de schouwe grappen op haar snor en kinnestekels. Zij praatte en lachte mee, soms schuiner nog en krasser dan de mannen, om duidelijk te laten merken dat zij voor geen kleinigheid vervaard was en men van haar niet meer zou weten. dan zij wel wenschte los te laten. Werd het wat à l te bont, dan zette zij een strak gezicht, of zij niets meer begreep; en was er ook soms een die zich wat verder waagde en handen naar haar uitstak, met een beslist afwijzend gebaar, en desnoods met een flinken mep om 't oor, werd de kerel op zijn plaats gezet. Neen; het baatte allemaal niets: de "Stier" hield haar geheim strak achter haar gedecideerd gezicht van bijna manlijk-stuggen ernst verborgen en de nieuwsgierige belangstellers mochten er nutteloos naar doelen en naar raden.
Tot er opeens een ontzettend nieuws in het dorp werd verspreid!... de "Stier" zou trouwen...!
Eerst was er geen mensch die daar geloof aan hechtte. Een ieder beschouwde 't als een tamelijk flauwe grap. Maar het gerucht hield aan, bizonderheden werden meegedeeld, het was volstrekt geen grapje, de man was weduwnaar, gewezen voerman, hij woonde in een naburig dorp en kwam de "Stier" geregeld bezoeken. Het duurde al een heele tijd, men moest maar eens gaan kijken: telkens als haar broeder voor zijn zaken uit moest zat de "Stier" uren lang in haar gangetje met open deur wachtend uit te staren naar den weg langs waar de vrijer komen moest, klaar om hem daar op te vangen, als een spin die roerloos midden in haar web een vlieg zit te beloeren. En 't Kuipken wist er alles van en was er woedend om. Heftige scenes hadden tusschen broer en zuster plaats gehad; het Kuipken zei dat het een schande was, dat zoo iets door de wet als immoreel diende verboden, en dat zij gingen scheiden en hun goed verdeelen, en dat hij nooit meer met haar eenige relatie wilde hebben.
Geweldig was de algemeene opschudding! De menschen gingen kijken, zagen haar werkelijk zitten, terwijl het Kuipken uit was, half verscholen in het gangetje, loerende door het open deurtje naar de beide wegen langs waar de vrijer kon aankomen. En eindelijk, op een middag, zagen zij hem zelf: een groote, stevige, ietwat lompe kerel van goed in de vijftig, die met tragen, zwaren stap dwars over de straat en langs het steenen trapje van drie treden in het gangetje verdween...
Het wàs zoo: de "Stier" ging trouwen...!
De wettelijke afkondigingen hingen in het traliekastje aan de deur van het gemeentehuis aangeplakt, de geboden in de kerk waren van den preekstoel afgelezen, en 't Kuipken, onverzoenlijk gebrouilleerd, had de scheiding van hun klein vermogentje geëischt, en het zoolange jaren gemeenschappelijk bewoonde huisje, dat door het lot in háár deel viel, voor goed verlaten, om in een der voornaamste dorpsherbergen:Het huis van Commercie, op kamers te gaan leven. Dáár, elken avond, omringd door de ondeugend-nieuwsgierige stamgasten, gaf hij razend op zijn zuster en haar aanstaand huwelijk af, maar, hoe er ook al heimelijk gezinspeeld en gepolst werd, het echte van de zaak liet het Kuipken niet los. Het bleef bij vage, algemeene verontwaardiging en dreigementen, bij een voortdurend zich beroepen op de wet, die zulke immoreele dingen moest verbieden.
—Wa veur immoreele dijngen, ontvanger?" drongen de oolijk-ondeugende stamgasten aan. Maar gesard schudde 't Kuipken hoofd en schouders, en, zonder verdere toelichtingen:
—Tuttuttut! Pouah! Pouah!" bromde hij. En hij huiverde en walgde, alsof het hem te vies en te akelig was om daar iets meer over te zeggen.
Intusschen werd door eenige grappenmakers uit het dorp een plannetje op touw gezet. Zoo'n buitengewone gebeurtenis als het huwelijk van "de Stier" diende wel op een buitengewone wijze gevierd te worden. En er werd besloten dat de buurt zou vlaggen en 's avonds met lampions en transparanten de huizen versieren. De dorpsmuziek zou aan de trouwers een serenade komen brengen en een gelegenheidsgedicht zou hun voorgelezen en met eerewijn en bloemen aangeboden worden.
Al van in den vroegen ochtend dreunden op den dag van 't huwelijk de kanonnen. Dat wekte algemeene joelend-blijde feeststemming en drukke scharen, waaronder zelfs gewichtige dorpsheeren en dames, stroomden naar het gemeentehuis toe.
Daar kwamen de trouwers door de vlaggende straat aan. Zij liepen gewoon langs de huizen, kalm en ernstig, zonder vertoon, beide heel eenvoudig in het zwart gekleed. Alleen had "de Stier" haar zwarten hoed met een paar witte linten en bloemen versierd. Haar houding was deftig, haar groote, donkere oogen staarden, zonder vrijpostigheid doch zonder schroom, naar het joelend, opdringende volk. Haar lange haviksneus stond als een strakke snavel in 't midden van haar gezicht, en boven haar mond, waarvan de fijne, toegeknepen lippen zich op haar geheim schenen te sluiten, schaduwde manlijk de snor, terwijl de zwarte stekelharen van de kin krachtig en bijna uitdagend krulden. Met ondeugend-flikkerende oogen keek de menigte haar aan. Hier en daar steeg wel eventjes een gil-lach of een kreet op, maar de meesten hielden zich nog al goed. Enkele voorname buitenheeren, in een groepje afgezonderd, staken hun dik-roode koppen bij elkaar en hielden, buikschokkend, een vroolijkfluisterend gesprek; enkele voorname dorpsdames, na lange aarzeling door overweldigende nieuwsgierigheid toch aangelokt om alles tot het einde bij te wonen, wendden even met een kleur het hoofd op zij, als schaamden zij zich vaag over iets onbetamelijks, dat om haar heen gebeurde.—Hij, de man, liep lomp en lummelig naast "de Stier", 't gezicht geschoren, de armen hangend, met een soort trekbeenende schommeling, die hij wellicht van zijn jarenlang naast een vrachtwagen loopen had overgehouden.
De deur der secretarie stond wachtenswijd open en zij traden binnen. Daar zij zelven voor geen getuigen gezorgd hadden, waren deze ambtshalve uit de buurt ontboden, en de huwelijksacte werd onmiddellijk door den secretaris voorgelezen. Buiten, op de straat joelde en gonsde het volk. Verdoofd gelach steeg op, kreten weerklonken, in de verte dreunden de kanonnen. De ambtenaar van den burgerlijken stand, die met moeite zijn lachlust bedwong, stelde de geijkte vragen, de trouwers gaven 't jawoord en de plechtige verbintenis werd voltrokken. De dorpsveldwachter, die grinnikend bij een der ramen stond, gaf door een teeken naar buiten aan de menigte te kennen dat het geschied was, en eensklaps ging er in de straat een wild gejuich op, waarin de kreten: "De Stier es getreiwd! Vivat de Stier!" midden in een reusachtig gelach weergalmden.—De Stier hield zich goed, vertrok haar gezicht niet. De man, daarentegen, die, als vreemdeling in het dorp, van al dat gefeest en gejoel niets begreep, zette even wijd-verbaasde, bijna angstig oogen op.
De ambtenaar van den burgerlijken stand overhandigde hem "'t boeksken", waarop hun huwelijk vermeld stond, en eventueel ook Later de geboorten van hun kinderen zouden aangeteekend worden. En hij kon niet nalaten daarbij 't gewone grapje te wagen:
—Kijk zie, d'r es ploats op veur twoalve. As 't vul es meugt ge'n nieuw boeksken komen hoalen."
De secretaris, de veldwachter, de getuigen, en ook de ambtenaar van den burgerlijken stand, allen barstten in een onbedaarlijken schaterlach uit; en het gepeupel daarbuiten, dat hun vroolijkheid hoorde, schaterde wilduitgelaten mee, met kreten als van dolle dieren in het opnieuw herhaald, alom galmend geschreeuw:
—De Stier es getreiwd! Vivat de Stier!"
De Stier hield zich onverstoorbaar goed, maar de man zette hoe langer hoe vreemdere oogen op.
De plechtigheid was afgeloopen. De trouwers verlieten het gemeentehuis en kwamen weer in de vlaggende straat, waar de toeloop van het volk intusschen tot enorme proporties was gestegen. Het leek wel of het heele dorp daar bij elkaar getroept was. Een dol-joelende stoet vergezelde hen tot aan de kerk, en, na de kerkelijke ceremonie, tot aan het rijtuig dat hen naar de stad zou voeren, alwaar zij, volgens gebruik, den huwelijksdag verder zouden doorbrengen.
Eerst om negen uur 's avonds kwamen zij in 't dorp terug.
Gedurende hun afwezigheid waren de grappenmakers druk aan 't werk geweest. Brandende lampions en vetpotjes hingen feestelijk te wiegelen aan gespannen touwen vóór de huizen, een vurige triomfboog prijkte in de straat en hier en daar schitterden transparanten met zeer eigenaardige opschriften. Maar de Stier hield zich goed, en de man begreep maar half of in 't geheel zelfs niet.
Vóór hun deur, onder den vuurstralenden triomfboog, werden zij gek-plechtig door het feestcomité verwelkomd. Een der leden trad gewichtig uit 't gelid naar voren, een groot vel papier in de eene hand, een grooten ruiker in de andere. Met luidgalmende stem las hij een hoogst-origineel gedicht voor, waarbij de joelende omstanders weer herhaaldelijk in wilde schaterpret uitbarstten. Maar de man begreep er niets van en de Stier hield zich voortdurend onverstoorbaar goed. Strak-ernstig nam zij den bloementuil aan, boog en dankte, dronk even van den eerewijn en overhandigde daarna het glas aan haar echtgenoot, die het in één teug ledigde. Dichtbij nu bomden de kanonnen, hun roode vuurtongen ten hemel schietend; en plotseling verscheen in rooden fakkelgloed de muziek, met donderendbonzende groote trom en schril-schetterende fanfaren. Het gepeupel begon te zwieren, te springen en te dansen en 't feest ontaardde in een woeste bacchanaal. Meisjes werden gichelend-gillend in donkere hoekjes gedrongen, bier en jenever stroomden overvloedig, waggelende kerels zwenkten brallend, met heesche dronkaardsstemmen door de straat. De Stier en haar man, roerloos op den drempel van hun huisje, keken het schouwspel een heele poos aan; en eerst toen de vetpotjes waren uitgedoofd en de wilde joelbende eindelijk met fakkels en muziek naar de dorpsplaats terugtoog, sloten zij in stilte hun luiken en hun deurtje en doofden binnen alle lichten uit...
Verder was 't een vreemde, ongewone nacht. Er werd op straat geschreeuwd, gezongen, gekeven, gevochten. Soms bleef 't een heele poos doodstil en de menschen konden slapen; maar eensklaps weer hoorde men allerlei rare geluiden: spotgelach, nabootsing van hondengehuil, hanengekraai, kattengemiauw, getokkel met knokkels op luiken, en af en toe een telkens weer herhaald., schor en woestbrullend geloei, als van een gansche, dolle veestapel. Het was een abnormale, gekke, rustelooze nacht.
's Ochtends, al van in de eerste vroegte, stonden de buren op den loer.
Hoe zou het afgeloopen zijn? Allen waren ondeugend-benieuwd om de Stier en haar man terug te zien.
Eerst tegen zes uur, toen het reeds volzonnig Augustus-daglicht schitterde, werd een der groene luikjes vanHet Koffijhuiszachtjes opengeduwd. Onmiddellijk daarna het tweede. Zij flapten met een kort geluid tegen het witte muurtje aan en een hand zette de knipjes vast. Toen ging insgelijks het groene deurtje open en "den nieuwen boas" zooals de menschen hem noemden, verscheen even in zijn hemdsmouwen op 't stoepje en staarde rechts en links de straat eens vlugjes in.
—Dag Boas! Alles goed?" riep vroolijk, op een afstand, een der buren.
De baas keek op, en, heel gewoon, even naar den buurman hoofdknikkend:
—Ieste klasse! scheun weer, hè?" antwoordde hij; en verdween in het huisje.
Ietwat teleurgesteld, staken de buren de hoofden bij elkaar. Hoe zoo: alles goed! Hè! wat vreemd! Zou de Stier dan toch, gewoon weg, als elke andere vrouw... Maar wat had 't Kuipken dan zoo uit te varen en zich aan te stellen of hij allerhande rare dingen wist die hij niet zeggen kon!—Zij zelven voelden zich nu vaag belachelijk, met al hun raar gefeest. Het geheimzinnig raadsel bleef althans onopgelost en 't leek wel of de Stier zelf hen allen voor den gek gehouden had. Futloos, inwendig nijdig op het Kuipken, rouwend over 't geld dat zij aan 't grapje verdaan hadden, trok elk naar zijn gewone bezigheden terug.
Doodkalm en saai als altijd, verliep verder de dag. Tusschen elf en Twaalf—het borreltjes-uur—gingen enkele kerels eens tot aan hetKoffijhuisom er den raadselachtigen toestand in oogenschouw te nemen. Verloren moeite. De man was kalm aan 't spitten in zijn tuintje en de Stier ontving haar klanten met een helder-onverschillig, strak gezicht, alsof er absoluut niets ongewoons gebeurd was. De kerels waagden krasse toespelingen, doch ook al vruchteloos: de Stier stond hun flink en onbeschroomd te woord en zij mochten onverrichterzake weggaan. Zij trokken naar 'tHuis van Commercie, waar 't Kuipken, landerig en norsch, eenzaam-pijprookend in de ongezellige gelagkamer zat.
—Hawèl, ontvanger, wa zegt-e nou van de jonge treiwers? We zijn d'r doar bij geweest. Alles es goed, zille!"
—Zwijg moar, zwijg moar!" bromde 't Kuipken bevend. "'K zegge dat 't 'n schande es! dat 't deur de wet zoe moese verboón worden!"
—Ha joa moar, ontvanger, ge 'n zijt toch nie rechveirdig! As da vreiwemeinsch nou toch goest ha om te treiwen; en as ze nou mee heure veint gelukkig es!"
—Zwijgt er van, zeg ik ulder! 't 'n Es nie meugelijk! 't 'n Es nie meugelijk! Pouah! Pouah...!"
Meer was er niet uit te krijgen. Rillend-walgend schudde 't Kuipken 't hoofd voor alle verdere verklaringen.
En de buren, geheel en al van streek gebracht, wisten niet meer wà t ze moesten denken.
Eenige dagen verliepen. De diepteleurgestelde dorpelingen bleven de Stier en haar man in 't oog houden. En een glans van ondeugende pret kwam van lieverlede weer op de gezichten, want... het leek hun of "den nieuwen boas" er toch niet zoo geheel tevreden uitzag. Hij zat of liep daar doelloos in en om zijn herberg, nurksch, sprakeloos, wenkbrauwen gefronst, blijkbaar uit zijn humeur. De buren kwamen vol belangstelling kijken, trakteerden hem, maakten vertier in 'tKoffijhuis, trachtten hem aan den praat te krijgen. Doch ook al te vergeefs: niets liet hij los. En toch er moest iets zijn; er wàs iets; want ook de Stier zag er nu veel minder kalm en sterk-zelfbewust uit. 't Leek of ze bleeker en magerder werd en in haar strakke oogen beefde nu soms een diep-schuilende uitdrukking van zware droefheid. Maar evenmin als hij liet zij iets los. Haar lange haviksneus stond als een klem midden in haar beenderig gezicht gedrukt en haar manlijke mond met donkere snorrelip bleef stugger dan ooit op haar vermoed geheim gesloten. Het werd wanhopig voor de dorpelingen en reeds begonnen zij dien toestand als onveranderlijk en niet eens langer belangwekkend aan te nemen, toen het eensklaps, volkomen onverwacht, tot een openbaring en een oplossing uitbarstte.
't Was op een ochtend, tamelijk vroeg nog, midden in de saaie stilte van het suffig dorp: Een man, "den nieuwen boas", wilddronken waggelend in de straat, luid-schreeuwend het volk bij elkaar troepend, schreeuwend, met dreigend naar zijn huis gebalde vuisten, dat hij bedrogen was geweest, dat men hem voor den gek gehouden had, dat die vrouw van hem, die Stier! die Stier! die Stier...
—Watte? Watte? Wat ès er mee?" gilden de menschen, trillend van ondeugende nieuwsgierigheid, hem de woest-hikkende woorden als het ware uit den mond halend.
—Die Stier! Die Stier! Die Stier!..." herhaalde hij steeds razender. Hij stikte in dat woord, hij schudde 't hoofd en zwaaide met zijn knuisten; hij bralde 't uit van woede en teleurstelling, hij stampte met zijn voeten en bulderde verwenschingen en dreigementen, schreeuwend dat het er mee uit was, dat zoo'n huwelijk niet telde en dat hij onmiddellijk alles wat hem toebehoorde in ging pakken en ermede naar zijn dorp terugkeeren.
—Wie lient er mij 'n peird en 'n kerre? 'K rij er direkt mee wig!" brieschte hij.
't Was een geweldig opstootje. Een rumoerige bende liep dadelijk met hem mee, begeleidde hem tot bij zijn huis,—meer en meer hem opwindend en aanporrend om nu ook de Stier te zien verschijnen. Maar de Stier vertoonde zich niet.
—'n Kerre!" gilde hij opnieuw. "Wie lient er mij 'n peird en 'n kerre? En wie helpt er mij ne moment om mijnen boel op te lóan en te verhuizen?"
Paard en kar werden hem beloofd en twee mannen boden zich terstond aan om zijn goed naar buiten te sjouwen.
—Veuruit!" schreeuwde hij, in het schetterend gejoel der menigte zijn deur ruw openstampend.
De kerels stoven met hem binnen. Twee tafels, een bed, een kleerkast, enkele stoelen, een hoop kleeren en dekens werden midden in het opgewonden-gichelend volk naar buiten gesjord, maar de Stier bleef onzichtbaar.
Achter een dravend paard kwam de hossebossende kar over de hobbelige straatsteenen aangerateld. In een oogwenk was het gansche boeltje opgeladen; en, onder geweldig en bijna oproerig gegil en gejouw, reed "den nieuwen boas", vloekend-vuistenballend, als een gek er mee weg. Het was gebeurd als in een droom zoo vlug. De menschen keken elkaar stomgapend aan toen hij verdwenen was; en dan weer staarden zij verbaasd naar 't huisje, waar nu toch zeker wel de Stier zich eindelijk vertoonen zou.
Maar de Stier was en bleef onzichtbaar...
Toen dropen zij ook allen langzaam af, drukopgewonden lachend en pratend, tevreden aan den eenen kant dat zij nu eindelijk zonder nog eenig mogelijken twijfel "wisten"; teleurgesteld ten andere, dat alles zoo verbazend vlug en gek en, buiten de Stier om, was afgeloopen.
—Och! 't es zottigheid! Hij zal hier morgen weere zijn.," meenden de menschen.
Doch hij kwam in 't geheel niet terug... Dagen, weken, maanden gingen voorbij en van "den nieuwen boas" werd zelfs niets meer gehoord. 't Was of hij nooit bestaan had, en de Stier, stil in zichzelf teruggetrokken, uitte verwijt noch klacht. De strakke lippen stug op haar geheim gesloten, bediende zij als vroeger hare klanten; en haar antwoord op onbescheiden uitvorschingen was steeds onveranderlijk hetzelfde:
—Hij es hij zot geworden. Wa kan ne meinsch doar aan doen as iemand zot wordt? Nog liever giene veint mier as ne zotte veint."
Maar de menschen lieten haar praten en grinniken. Zij wisten nu wel beter...
't Kuipken, die zich in het ongezelligHuis van Commerciedoodelijk ergerde en verveelde was al dadelijk na de vlucht van "den nieuwen boas" indirect begonnen met toenadering te zoeken. De Stier, niet rancuneus, stak hem zelve de hand der verzoening toe; en, op een avond, waren zij weer met hun beidjes, net als vroeger, in het huisje, waar zij zooveel lange jaren samen hadden doorgebracht.
Geen wederzijdsche vragen, klachten noch verwijten. 't Kuipken, die haar al dien tijd niet gezien had en haar veel verouderd en vermagerd vond, vroeg enkel:
—Hoe goat 't er mee?"
En zij, hem even aankijkend, antwoordde, heel gewoon, alleen met ietwat matte, trieste stem:
—O nog al goed; en mee ou?
—O, euk nog al goed.
Dat was alles. Over hem, die van haar weggeloopen was, werd geen enkel woord gesproken. 't Kuipken ging zitten, even vaag-wantrouwig om zich heen loerend, als vreemd nog in zijn eigen huis; en zij nam sprakeloos het eten van de kachel en diende 't voor hem op.
—En gij? vroeg hij, verwonderd, dat zij haar stoel niet bijschoof.
—'K 'n hè nie veel honger, antwoordde zij. 'K 'n goa nie anders as 'n potse káffee drijnken.
Het Kuipken at en dronk, over zijn bord gebogen, met van ingehouden ontroering af en toe nog lichtbevende vingers. De Stier, haar kopje koffie in de hand, zat peinzend naast de kachel, met strakstarende oogen. Groot was de stilte in het leege herbergje; en stil ook was het buiten, in de donkere, leege straat.
—'t Es kaud geworden; 't 'n zoe mij nie verwonderen da we vust of snieuwe kregen, zei 't Kuipken, na een lange poos.
—'t Hè passeerde nacht al 'n klein beetse wit gevrozen en van den achternoen hè 'k uit alle veurzichtigheid onz' eirdappels mee streud doen dekken, antwoordde zij.
—Onz' eirdappels!... zacht deed dat woord hem aan; zoet klonk het in zijn ooren. "Onze"... dat was dus weer van haar en hem en niets meer van den vreemden indringer die weggeloopen was.
Het Kuipken had gedaan met eten, hij stak zijn pijpje aan, genoeglijk smakkend en ging, als vroeger, met uitgestrekte beenen op zijn aloude plaats, aan de overzijde van de warme kachel zitten. Hij was er weldra ingesoesd. Op den kerktoren sloeg het negen uur en onmiddellijk daarna luidde de nachtrust in. Hij trok zijn kleine oogjes slaperig half open.
—Wat dijnkt ou? Zoên we nie goan sloapen? stelde hij voor.
—O, ba joa, e-woar; 'k zal moar sluiten, antwoordde zij.
Zij stond op en verdween in 't gangetje, om buiten de luikjes en de voordeur dicht te doen.
Toen ze na een oogenblik terugkwam, waren haar hoofd en schouders dicht met witte sterretjes en stippeltjes bepoeierd. Eén hing er in haar snor, dat dadelijk tot een kristal-traantje versmolt.
—Kijk kijk! snieuwt het woarachtig al? riep hij verwonderd.
—Joa 't en 'k geleuve dat ze 'r dikke zal vallen, knikte zij.
Zij schudde zich af, stak, in groen-aarden kandelaars, twee kaarsen aan, draaide de groote hanglamp uit, en liet hem voor, over de trap, naar boven. Hij kreunde een beetje, door de inspanning van 't stijgen. Het dansend kaarslicht wierp gedrochtelijk hun groote schaduwen over de witte muren.
Boven op 't portaal waren twee deurtjes, links zijn kamer, rechts de hare. Hij durfde niet goed om te kijken. Dat was de kamer waar zij met hem, den indringer, den vreemdeling, den vijand, die het al had aan de groote klok gehangen... ach ach!... Hij schudde 't hoofd en zuchtte onmerkbaar, terwijl hij, met den kandelaar in de hand zijn deurtje openduwend, haar "sloapwel, Fliesta" wenschte.
—Sloapt euk wel, Binus, anwoordde zij met haar gedrukte, matte stem.
Het gele schijnsel van de beide kaarsen danste spokig door elkaar op 't smal portaaltje en in de open deurtjes, en toen werd alles plotseling heel stil en donker.
Buiten sneeuwde 't zacht en overvloedig nu, met groote, dikke vlokken...
Dit is 'n héél zware en droeve obsessie geweest...
'n Kort, viezig zijstraatje, aan 't uiteinde van 't dorp. Rechts, niets dan de hooge, witte, blinde muur van een groot heerenhuis. Links vier kleine, lage, aan-elkaar-gebouwde werkmanshuisjes in vuilgrijzen steen, met dofgroene luikjes.—Het is er somber, kil, treurig, modderig. Haast nooit komt er een zonnestraaltje in de vieze, altijd natte greppels glimmen.—Maar, even voorbij den blinden muur en de huisjes, ontvouwt zich in zijn breede heerlijkheid het vrije veld; en daar is 't eensklaps alles vol-gezonde ruimte van blijde zonnigheid!
Daar wuiven en golven, zacht-streelend door den milden wind geaaid, de frissche groene lentenkorenvelden; daar kronkelt blond de breede zandweg naar het blauwachtig verschiet, onder den hoogen, zonnigblauwen hemel met zijn glinsterwitte wolken. Daar zingen de vogeltjes en geuren de bloempjes; daar stralen de oogen en blozen de wangen; daar gaan de zwaar-benauwde longen, in breed-gezonden rythmus, halend open...
Vier kleine, lage, grijs-en-groene trieste huisjes: drie met deur en luikjes open; één met deur en luikjes dicht-gesloten. Aan beide kanten van dat dichte deurtje staat een vaalverkleurd, tegen de luikjes aangeleund, langwerpig-vierkant zwart vaandel, met dof-zilveren doodshoofd in het midden en dof-zilveren franjes als omlijsting. Op den drempel van het huisje ligt een geel, strooien kruis, met een rooden baksteen er op neergedrukt.
In dat huisje is een doode.
Het was een lange, magere, bleeke jongen. Ik heb hem goed gekend. Hij heette Jules. Hij had een vreemd, ongunstig uiterlijk, met iets valsch en gluiperigs in de oogen; en hij had ook een héél slechte reputatie: de reputatie van een luiaard, een dief, een dronkaard, een vechter en bijna een moordenaar.
Die kwade naam was verdiend. Hij wàs lui, hij stal, hij dronk, hij vocht. Zijn vader—een timmerman—bij wien hij heette te werken, doch met wien hij het niet vinden kon, stuurde hem eindelijk het huis uit. Hij dwaalde, dompelde, verviel van kwaad tot erger. Nu moèst hij wel van roof en diefstal leven, want nergens, al had hij 't ook gewild, zou hij nog werk gekregen hebben. Herhaaldelijk werd hij in gezelschap van een beruchte dieven-en stroopersbende gezien, en geen schurkenstreek werd in het dorp gepleegd, of 't heette dat ook hij er schuld in had. Het heette zoo, maar was toch niet bewezen, daar hij nooit op heeterdaad betrapt werd en niemand ook beslist-bezwarende getuigenissen tegen hem kon inbrengen. Veldwachters, koddebeiers en gendarmen waren er nog nooit in geslaagd hem gerechtelijk te doen veroordeelen. Hij was sluw en slim; telkens weer ontglipte hij, als een aal tusschen de mazen van een net. Nog voor geen cent was hij beboet; nog geen uur had hij in de gevangenis gezeten.
Toen gebeurde die beruchte aanslag op een rijken boerenzoon, die 's avonds van de stadsmarkt terugkomend, door drie kerels aangerand, geplunderd en half dood gevonden werd. De man genas en beschuldigde uitdrukkelijk Jules als een van zijn aanranders.
Met onverholen vreugde kwamen de gendarmen hem halen en 't gansche dorp verademde en juichte:
"Ha, eindelijk is de schelm toch gepakt!"
Hij was er niet bij geweest, beweerde hij. Hij was dien avond, tot tamelijk laat in den nacht, bij zijn lief gebleven en daarna, zooals hij dikwijls deed, in een boerenschuur gaan slapen. En hij voegde er bij, met een zonderlingen, raadselachtigen glimlach, een glimlach van bijna naïeve oprechtheid en bedeesdheid, als schaamde hij zich voor deze in zijn mond zoo vreemd en onverwacht klinkende woorden:
—'K hè mij gebeterd, 'k wirke, 'k goa treiwen."
De gendarmen stelden een onderzoek in. Zij vernamen dat Jules dien avond werkelijk bij een meisje had gezeten dat den naam had van zijn lief te zijn. Maar 't meisje was er een uit de beruchte dievenbuurt; hare getuigenis leek eenigszins verdacht en de aanslag was ook trouwens midden in den nacht gepleegd. Wáár had hij dien nacht dan verder doorgebracht, nadat hij van zijn lief was weggegaan.
—Wel, in de boereschure woar da 'k gesloapen hè!" herhaalde Jules een beetje snibbig. En hij noemde den boer aan wien de schuur behoorde.
Dat kwam uit. De boer getuigde dat de jongen dikwijls in die schuur ging slapen. En 't kwam ook uit dat hij sinds een tijd geregeld werkte, en zijn geld opspaarde, en niet meer dronk. Doch de gendarmen schudden 't hoofd en grinnikten wantrouwig. Niets belette dat hij 's nachts toch ongezien weer uit de schuur gekomen was om met de anderen zijn slag te slaan; en overigens: dat slapen in schuren behoorde bij een ongebonden landloopersleven en geenszins bij de fatsoenlijke levenswijze van iemand die eerlijk aan zijn brood wenscht te komen. Wáárom sliep hij als een vagebond in de schuren? vroegen de gendarmen.
—Om er 't geld van mijn huishure mee uit te spoaren," antwoordde Jules.
De gendarmen spotlachten. Haha! dat was er een eigenaardige manier van sparen! Waar zou het op gaan lijken in de wereld, als iedereen zoo redeneerde!
—'t Es toch azeu! 't Es de zuivere woarheid!" bevestigde Jules met nadruk.
—Ge bezit dus al wa geld?" vroegen de gendarmen.
—Joa ik," zei Jules.
—Woar es 't?"
—Mijn meisken bewoart het, om er ons meubels mee te keupen en ons huizeken van t' huren."
Zij deden huiszoeking bij 't meisje en vonden er 't geld: een paar honderd frank in mooie zilverstukken.
Het aan den rijken boerenzoon ontstolen geld bestond in bankbriefjes. Maar dat bewees niets: zij konden 't uitgewisseld hebben. Jules werd met den boerenzoon geconfronteerd.
—'t Es hem! 't ês hem!" verzekerde deze. "Ze woaren ulders gedreiën, twie kleine en ne greuten. Hij es de greuten!"
—Ge liegt!" gilde Jules, bleek en bevend van woede.
—'t Es hem! 't ês hem!" herhaalde de boer met onverstoorde overtuiging.
—'K zegge dat ge liegt, gie sloeber!" bulderde Jules.
De gendarmen drongen niet aan. Zij lieten Jules los, maar hun overtuiging stond onomstootbaar vast. Jules wàs een der daders en proces-verbaal werd tegen hem opgemaakt.
Eenige weken verliepen. Jules, sterk door zijn onschuld, werkte rustig en geregeld voort, spaarde zijn geld, bracht iederen avond bij zijn meisje door en sliep daar waar hij plaats kon vinden, in de boerenschuren, om te bezuinigen. Toen ze genoeg hadden om te beginnen huurden zij een van de vier kleine huisjes in het zijstraatje, en trouwden.
Zij waren pas veertien dagen getrouwd, toen Jules voor de correctioneele rechtbank in de stad gedagvaard werd. Men had hem aangeraden een advocaat te nemen, maar hij deed het niet. Waarom zou hij nutteloos geld verspillen dat hij nu juist zoo hoogst noodig had?
Vóór de rechtbank herhaalde de boerenzoon zijn formeele beschuldiging en Jules, met moeilijk ingehouden toorn en sterken nadruk, zijn nog formeelere ontkenning. Getuigen verschenen, die het allen eens waren om Jules' slecht gedrag en ellendige antecedenten te bevestigen, al moesten zij er bij bekennen dat hij zich scheen berouwd te hebben en sinds zijn huwelijk een vrijwel onbesproken leven leidde.
—Achte gulder hem in stoat zulk een misdoad bedreven t' hên?" vroeg de voorzitter om de beurt aan allen. En allen zonder een oogenblik te aarzelen, affirmeerden dat zij er hem volkomen toe in staat achtten.
Deze getuigenissen, gevoegd bij de nogmaals uitdrukkelijk-herhaalde beschuldiging van den aanklager, bleken afdoende. Jules werd tot een jaar gevangenisstraf veroordeeld en op staanden voet aangehouden.
Iedereen, in 't dorp, vond het een welverdiende straf.
Ik weet niet,—en niemand heeft eigenlijk ooit geweten,—wat aan Jules' hart sinds dat oogenblik geknaagd heeft. Na zeven maanden onberispelijk gedrag werd hij uit de gevangenis ontslagen en kwam op een avond in 't dorpje terug. In het triestig klein huisje met de grijze muren en de dofgroene luikjes vond hij zijn jonge vrouw met een klein kindje, dat in zijn afwezigheid geboren was.
—Hier ben ik!" glimlachte hij vreemd-droogjes. En aan zijn vrouwtje, dat zoo bitter schreide, gaf hij 't beetje geld dat hij in de gevangenis verdiend had en nam het kindje op zijn schoot, in lang, verrukt aanstaren.
—Hoe hiet het?" vroeg hij zacht, met van ontroering heesche stem.
—Jules... Julken," snikte zij.
—Julken... Julken..." streelde hij. En hij kittelde de kuiltjes van het wichtje, dat hem even met glanzend-blijde oogjes toelachte...
Zijn leven werd heel kalm, heel stil, heel eenzaam. Hij werkte gansche dagen, sprak weinig, zat doorgaans, in zijn schaarsche rusturen, droomerig te peinzen en te staren, als verdiept in verre, verre gedachten.
—'t Kot hè hem goe gedoan," meenden de menschen. "Hij hè bereiw, hij es broave geworden."
Dikwijls heb ik geprobeerd hem aan de praat te krijgen, want zijn geval interesseerde mij en ik was van lieverlede een vreemde sympathie voor hem gaan voelen. Maar nooit is het mij mogen gelukken. Na een paar korte zinnetjes brak hij telkens het gesprek met zwijgen af en over zijn bleeke wangen kwam dan soms als 't ware een teere kleur van pijn of schaamte. Nooit heb ik hem bitter hooren klagen, razen of verwijten doen. Voor vrouw en kind was hij uitnemend zacht en goed. Aan omgang met wie ook, buiten zijn gezin, scheen hij in 't geheel geen behoefte te hebben. Hij was niet bang, hij was niet boos, hij was niet valsch noch nijdig: ik weet niet hoe het met hem was.
Alleen was er iets vreemd, iets macabervreemds aan hem. Altijd had hij, op den zolder waar hij nu gansche dagen timmerde, kant en klaar eene wit-houten doodkist, een armemenschen-doodkist staan. Zij stond daar, griezelig-bleek in 't schemerachtig zolderlicht, scheef tegen den muur geleund onder de dakpannen, en bleef er staan, tot ze, verkocht, door iemand werd weggehaald. Dan maakte hij er onmiddellijk een nieuwe voor in de plaats.
—Och alweer 'n nieuwe deukiste!" klaagde dan zijn vrouw, die dat gezicht zoo akelig vond. "Woarom 'n wacht-e toch niet tot da ze gevroagd worden?"
Hij glimlachte vreemd en staarde, sprakeloos, in gedachten. Ginder in de gevangenis, had hij gedurende zeven maanden niets anders dan doodkisten, dan wit-houten arme-menschen-doodkisten gemaakt. Het zat hem in den geest en in de handen. Het was een manie, een obsessie van zijn hersenen geworden. Hij had er gemaakt, zooveel, zoovéél dat hij er wel een kerkhofje mee had kunnen vullen. En misschien zag hij het in verbeelding, dat kerkhof, vol, vól met van die lange, smalle, witte kisten onder 't groene gras.
—Ge ziè wel da ze gevroagd worden; da wordt à ltijd gevroagd," was eindelijk zijn stilgeheimzinnig antwoord.
En meer was er niet uit te krijgen...
... 'n Kort, viezig zijstraatje, rechts de hooge, barre muur van het groot heerenhuis; links de vier kleine werkmanswoninkjes met de grijze muurtjes en de groene deurtjes en de groene luikjes, waarvan het tweede nu gesloten is, met het strookruis en den baksteen op den drempel, en de vaal-verkleurde, zwarte vaandels met de doodshoofden en zilveren franjes vóór de dichte, groene luikjes...
Heel stil, zonder verwijt noch klacht, als een kaars die langzaam uitbrandt, is hij doodgegaan. Wat hij gehad heeft weet niemand, wat hem 't hart verknaagde kent geen mensch. Armoede,... stil verdriet... kwijnende ziekte... wie zal het zeggen? Berouw, meenen de dorpelingen. Maar wat weten de dorpelingen! Hij ligt daar, in een van die wit-houten arme-menschen-kisten, die hij altijd maar op voorhand timmerde, omdat hij er zooveel getimmerd had, en er nog altijd meer moest timmeren...
Wat doet nu, in de schemering van 't doodgesloten huisje, de jonge vrouw met het klein kindje? Zit ze daar gebroken-snikkend in het stille, leege kamertje, of dwaalt ze doelloos rond, met uitgeschreide, zwakke oogen, niet wetend wat ze zoekt? Ligt 't kindje zachtjes slapend in zijn wieg? Of speelt het rustig in zijn stoeltje met wat karig speelgoed, dat het in de halve duisternis bijna niet ziet?—Het is er alles zoo stil! Geen klank, geen zucht, geen adem komt naar buiten.
Alleen de frissche lentewind waait streelendzoet over de wijde velden. In stillen ondertoon zingt hij zijn eeuwigdurend lied. De groene korenaren schommelen en wuiven, als 't ware stoeiend onder lang-strijkende golvingen; de blonde zandweg kronkelt eenzaam naar stille verten; en in den zonneblauwen hemel drijven, o zoo hoog en puur en glinsterwit, fantastische drommen van donzigzachte en lichte wolkjes...
In 1870, op het oogenblik dat de oorlog tusschen Frankrijk en Duitschland uitbrak, was de toenmalige Pruische Koning Wilhelm, in Vlaanderen, op 't platteland althans, een vrijwel onbekende figuur. Men kende er beter den Franschen Keizer, zooals de gekleurde platen hem voorstellen: dikke snor, zware sik, doffe, ietwat trieste oogen, en het breed, rood dwarslint van het Legioen van Eer.
Maar niet zoo gauw waren de eerste, wreede veldslagen door de Duitschers gewonnen, of ons land werd overstroomd met afbeeldingen van Duitsche generaals en vorsten. Bismarck, Moltke, prins Friedrich Karel, de kroonprins, de Koning, al hun portretten vulden onze geïllustreerde bladen en de menschen zochten gelijkenissen: diè welbekende, stoere boer, uit een of ander ver gehucht, leek eenigszins op Bismarck; dà t oud, gebogen ventje uit het Armenhuis op Moltke, diè handelsreiziger, die om de zooveel weken met zijn pakje in het dorp kwam, op Prins Friedrich Karl... En zoo was er ook een op ons dorpje, die leek, die sprekend leek op Koning Wilhelm.
Het was een welgestelde rentenier die aan het uiteinde van 't dorp, met vrouw en dochter, een opvallend buitenhuis bewoonde. Ik zie het nog zooals 't in dien tijd was: een hoog, wit gebouw, met gestucadoorden voorgevel, mooie, heldere ramen en fijne, lichtroze persiennes. Een frisch lief bloementuintje, vol zonnige, heldere kleuren, lag er verdeeld in keurig-onderhouden perkjes achter het ijzeren hek met vergulde piekens langs den straatkant; hooge, donkergroene sparren, waar de wind in wuifde en suisde, stonden, als sombere reuzenschermen, aan de zijkanten; en achter het huis strekte zich een heel groote, mooie lusttuin uit, met oude pracht-boomen en fluweelzacht-golvende gazons.
Hij was een welgestelde rentenier, zonder meer. Hij droeg den niet bizonderen naam van Amédé Fruytier. Hij hield van lekker eten en drinken, hij ontmoette zijne vrienden in de dorpsherbergen, hij las iederen dag, van 't begin tot het eind, een paar couranten.
Hij bemoeide zich niet met politiek, al had hij wel zijn politieke opinies, en was ook geen lid van den gemeenteraad, al wist hij heel precies te zeggen hoe de gemeente had moeten beheerd worden. Hij was er trotsch op, dat hij geheel onafhankelijk, en daardoor boven en buiten alle partijen stond.
—Ik, zei hij, zijn stramme gestalte verwaand achteroverhellend, als de menschen hem soms vroegen waarom hij, die zoo rijk was en zooveel verstand had, zich met niets wilde bemoeien,... ik ete thuis op mijn gemak mijn kieken op en drijnke mijn flassche wijn uit en veurt van de rest 'n kan den boel mij nie tichelen."
Toch was hij geen bepaald hardvochtig man. Hij kon soms iets goed-ruws hebben. Hij dééd dan wel heel barsch en sprak wel heel kort van zich af, maar 't was soms om een diepere emotie te verbeteren. Alleen was hij ijdel, ongeloofelijk, kleinkinderachtig ijdel!
Toen de oorlog uitbrak, had hij dadelijk, beslist en scherp, partij gekozen voor de Franschen. Ditmaal vond hij 't toch wèl de moeite waard om er zich warm voor te maken.—De Duitschers, pouah! wat 'n volk! Niks waard! Prullen! Niks! Ze zouden niet weinig op hun kop gaan krijgen! Hij schold er op, 's avonds in de herberg, met zijn vrienden, die hem maar zelden durfden tegenspreken, omdat hij de rijkste van het dorp was. En met grijnzend welgevallen las hij hun, uit zijn dagblad, de eerste, den Franschen gunstige oorlogsberichten voor.—Ja maar, en dat was nog slechts een begin! Nu trok de Keizer, Louis Napoléon, naar het oorlogsterrein en 't zou nog heel wat anders worden, zoodra die zelf het heft in handen nam!
Hij prononceerde: "Lowie Napoléon" en hij sprak over den Franschen Keizer op een familiaren toon, alsof hij hem persoonlijk goed kende. Lowie Napoléon zou dit, Lowie Napoléon zou dà t; Lowie Napoléon had zijn plan, dat slechts door heel enkelen gekend was; en meneer Fruytier liet duidelijk genoeg verstaan, dat hij onder die heel enkele bevoorrechten behoorde.
Toen vielen de harde, bittere klappen: Weissenburg. Wörth, Froeschwiller; en onze geïllustreerde bladen, die eerst niets dan Fransche portretten gaven, kwamen vol met Duitsche plaatjes. Zoo zag meneer Fruytier voor 't eerst het konterfeitsel van Koning Wilhelm en de gelijkenis met zich zelf trof hem ineens, overweldigend.
Het was datzelfde barsch voorkomen, die stuursche oogen, die sterke kaken, die grijze, dikke bakkebaarden, die zware snor. De kin van den Pruisischen vorst was geschoren—dat was het eenige verschil—en toen meneer Fruytier even met de hand het haar van zijn kin wegduwde en zich in den spiegel bekeek, werd de gelijkenis zóó treffend, dat hij voor zijn eigen beeld in een lach van ijdelheid uitbarstte. Hij kwam bij zijn vrouw en dochter, legde hun het plaatje voor oogen, streek met de hand zijn kinbaard weg, keek haar stuursch aan en vroeg:
—Zie-je gien gelijkenesse?"
—Ha moar Hiere toch!" riepen moeder en dochter te gelijkertijd, door het evenbeeld getroffen.
En mevrouw werd er haast bang onder.
—O! da ge nou moest in Frankrijk leupen!" huiverde zij.
—Watte!... Wa zoên ze doen!" riep hij, trotsch zijn gestalte achteroverhellend.
—Wel! ou deudschieten, natuurlijk!" angstigde mevrouw met verschrikte oogen.
—Peuh!... mient-e dat de keunijnk van Pruisen hem zoe loate schieten lijk 'n mussche dan!" zei hij minachtend.
Dien morgen ging hij een half uurtje vroeger dan anders in de gewone "stamenees" zijn "dreupelkes pakken". Zijn oogen lachten Schalksch van innige pret, zijn koonen bloosden, hij kwam bij zijn vrienden, haalde 't geïllustreerde blad half dichtgevouwen uit zijn zak, streek de haren van zijn kin weg en liet hen naar het konterfeitsel kijken, terwijl hij grinnikte, ijdel als een kind:
—Hm! Hè-je 't al gezien? Mijn portret in de gazette? Hm? Hoe vindt ge 't?"
—O! gie verdeeke! Hoe komt-e gij doar in te stoan?" verbaasden zich de vrienden, om de beurt het afbeedsel met meneer Fruytiers gezicht vergelijkend.
—Hm? Hoe vindt ge 't? Lijkt het?" herhaalde hij, opgeblazen van trots en pret.
Tot hij plotseling, schoklachend, het blad geheel ontvouwde en hun liet zien wat onderaan stond:
Willem I, Koning van Pruisen.
—Watte! Peetje Pruis! Es dat 't portret van Peetje Pruis? gilden de vrienden.—O, moar, menier Fruytier, 't gelijkt op ou lijk twie dreupels woater! Scheirt ouën board op ouë kinne wig en iederien zal mienen dat ge Peetje Pruis zijt!"
Van dat oogenblik af ontstond er een kentering in menier Fruytiers buitenlandsch-politieke gevoelens.