OBSESSIES.

Maar Cordúla hield er nu wel helderziend en koel haar hoofd bij; en na de onthutste overrompeling van den eersten dag, was zij van lieverlede weer heel stug en nurksch geworden, vol leedwezen over haar zwakke toegevendheid, verontwaardigd over de malligheid van alle drie haar broers, inwendig razend zonder 't nog openlijk te durven uiten, over die gansche omwenteling welke de enkele komst van 't jeugdig nichtje in den zoo kalmgelijken gang van hun gezin veroorzaakt had.

Van om-de-beurt met Leontientje uit te gaan was niets gekomen. Belzemien en Coben schenen instinctief te voelen dat zij daar eigenlijk minder geschikt voor waren, en 't was alleen met Standje dat het meisje elken dag hare plezier-uitstapjes ondernam.

—Goat da hier nog niet hoast gedoan zijn, mee da spel!" barstte Cordúla dan telkens na hun vertrek woedend tegen de twee thuisgebleven broeders uit. "Wa moên de meinschen doarvan peizen! Ha 'k ben toch zeu beschoamd, e-woar, da 'k hoast mijnen neuzel buiten de deuren nie mier 'n durve steken! Doet dat toch ophouên, Belzemien! Wa moe ons wirkvolk doarvan peizen? Zie-je gij dan niet da ze gien half wirk mier 'n verrichten? Teug verdeeke toch ne kier da g' hier den ouwsten en den wijsten zijt? Teugt da ge nóg ou verstand het en da g' hier den boas zijt!"

Maar Belzemien toonde niets en bleef talmen en aarzelen. Hoe moest hij dat ook te keer gaan? Wat moest hij doen? Wat moest hij zeggen? Leontientje was dol op die uitstapjes. Zij vond het zoo heerlijk hier buiten en er gebeurde toch niets verkeerds. Het zou van zelf wel eindigen, zoodra 't met Tante... ja... Tante... die was eigenlijk de geheele oorzaak van alles!—En, trouwens, Belzemien waakte, o, wat dat betrof mocht Cordúla gerust zijn: hij hield Standje in 't oog, hij had hem reeds herhaaldelijk tersluiks op een afstand gevolgd terwijl hij met Leontientje in het veld ging wandelen. Maar, zie-je wel: 't meisje ging nu eenmaal zoo graag wandelen; er moest wel iemand met haar meegaan, en hij, Belzemien, deed dat toch maar liever niet, zoo waar iedereen het zien kon, ter wille van zijn positie als hoofd van het gezin en als lid van den dorpsgemeenteraad. Cordúla moest nu nog maar 'n heel, heel klein beetje geduld hebben en alles zou in orde komen.

Cordúla, die haar geduld tot het uiterste op had, besloot, als het mogelijk was, er een eind aan te maken. Op een middag schoot ze haar zwarten kapmantel aan en, zonder iemand van de anderen met zich mee te willen, trok zij, vastberaden naar het dorp, om zelve nog eens te hooren, en, zoo mogelijk, te zien, hoe het nu eigenlijk met Tante gesteld was.

Leontientje bleef dien middag ook liefst thuis. Het weer was mooi en warm, bijna te warm voor 't jaargetijde; en, na Cordúla's vertrek, had ze zich in het bloeiende gras, onder de schaduw van een verrukkelijk-bloeienden appelboom, dicht bij den oever van het Zonneputje neergevleid. Standje zat naast haar, op de malsche groene zoden, grapjes te vertellen. Belzemien draaide glimlachend, met fijngeknepen oogjes om haar heen en Coben was bezig met zich uit een lange, dunne wilgentwijg een nieuwe zweep te snijden.

—Oh, comme il fait lourd et chaud, aujourd'hui," zuchtte Leontientje.

—Owie, owie, tré chaud, nous aurons peut-être de l'orage," beaamden Belzemien en Standje.

De tintelende zonnestralen priemden door de bloeiende kruinen in het Zonneputje en deden er 't zacht-vliedend, helder water, in de open ruimte tusschen de glinsterende, dicht-ineen gegroeide deken van witte sterrebloempjes-met-oranjehartjes, levend wemelen en sprenkelen. Kleine, ronde, gitzwart-glimmende beestjes schoten er bliksemsnel, in allerlei grillige wendingen en kronkelingen over de oppervlakte heen en weer; en 't was of ieder in zijn dolle wentelingen op zijn fonkelend, bol ruggetje een flikker-zonnestraaltje medevoerde, die nog steeds en eindeloos, als zooveel ijle gouden draadjes door elkaar geweven, er een trillend vuurnet over 't frissche water spanden. Het lokte almachtig-verleidend, als een zacht en stil lavend fonteintje, en eensklaps richtte Leontientje zich half overeind en riep uit:

—O wa hé 'k toch goeste om doar in te goan: Nonkel Constant, wilt e mij liere zwemmen!"

—Wa zegt-e doar!" riep Standje verbaasd.

—O! in 't woater goan, mee die woarmte! Keunt-e gij zwemmen, nonkel Constant, en wilt-e 't mij lieren?"

Standje kon wel wat zwemmen en had ook dikwijls in zijn jeugd met de jongens uit de buurt in het Zonneputje geploeterd, maar dat was al zoo lang geleden en sinds geen vijf en twintig jaar had hij zelfs aan baden meer gedacht. Hij had dan ook de woorden op de lippen om Leontientje's voorstel als toch al te gek van de hand te wijzen; doch plotseling ontstond in hem, met een besef van veiligheid door Cordúla's tijdelijk afwezig-zijn, de sterk-verleidende intuïtie van een groote, opwindende pret, en hij antwoordde, de oogen stralend:

—Joa moar, es 't serieus? Hêt-e oprecht goest om in 't water te goan?"

—O joa ik, joa ik, joa ik!" juichte Leontientje eensklaps opspringend, huppelend en dansend van blijdschap.

—Joa moar, het-e gij doar klieren veuren."

—Joa, joa ik, loat dat aan mij moar over; 'k zal da wel arrangeeren!"

Belzemien en Coben, die 't gesprek gehoord hadden, kwamen haastig toegesneld.

—Joa moar, verdeeke, verdeeke," schuchterde Belzemien, als vond hij 't wel wat al te kras. Coben stond even, verdwaasd, onduidelijk te stotteren, zijn gedeeltelijk gepeld, half groen, half wit wilgentwijgje met de afhangende rafels, als een feestkaars in de sidderende hand.

—Och, as 't ou blieft, nonkel Belzemien, as 't ou blieft, nonkel Coben!" smeekte Leontientje.

En de twee oudere broers, door een gelijke intuïtie als die van Standje verlokt en bekoord, stemden ook eindelijk glimlachend en hoofdschuddend toe.

Leontientje vloog naar haar kamer en Standje naar den zolder om zich te verkleeden.

Na enkele minuten kwamen zij bij de in zenuwachtige ontroering wachtende broeders, als twee ongekende, vermomde wezens, terug: Leontientje in een met een touwtje om het middel vastgebonden wit nachthemd, Standje in een oude, vuile broek en een korten, blauwen boezeroen van Coben. Zij kwamen lachend en ietwat gegeneerd om hun eigenaardige plunje, alle twee barrevoets over het mollig gras onder de bloeiende boomen naar het Zonneputje toe. Standje zag er uit als een verschrompeld karikatuur-ventje, zoo sehraal en houterig met zijn smal kippeborstje en zijn dunnen bruinen baard; maar Leontientje was om dol te worden van verrukkelijke, frissche schoonheid. Haar kleine bloote voetjes huppelden als twee eigenaardige, roze, naakte, nooit-geziene beestjes door het gronde gras, waar zij wemelende lichten schaduwvlekjes, gouden boterbloempjes, witte madeliefjes en rozige appelbloei-blaadjes al door elkaar schenen te doen stoeien en te wentelen; haar oogen glansden en haar blonde haren schitterden in krinkelenden lichtglans om haar blozend gezicht; en de volmaakte vormen van haar slank en lenig lichaam lieten zich bekorend raden en verraadden zich, onder de lange, strakke plooien van het om haar middel toegeregen witte nachtkleed.

—Hawèl-e-wel-e-wel! Hawèl-e-wel-e-wel!" riep Belzemien, die door geen andere woorden zijn stormachtige gevoelens scheen te kunnen uiten. Coben stond als 't ware stom ten gronde vastgegroeid, het halfgepelde wilgenstokje trillend in zijn zenuwachtig-sidderende handen.

—Kom, zei Standje. En met plotselingen moed liet hij zich van den oever glijden.—Brrr! rilde hij, ondanks het water haast lauw was. Even klapperden zijn tanden en twee blauwacbtige vlekken kleurden boven zijn magere jukbeenderen. Hij plonsde met de beide handen en al de krinkelende, zwarte glimbeestjes schoten schichtig, langs alle kanten, onder de witte-bloempjesdeken-met-oranjehartes weg.

—Es 't koud, nonkel?" vroeg Leontientje met gevouwen armen op den oever schouderhuiverend.

—O, nien nien 't, nien nien 't' hikte Standje klappertandend. Kom, geef mij moar ou hand, 'k zal ou helpen."

—O, 'k 'n durve bijkans niet," griezelde nu Leontientje. Maar ze voelde 't water met een van haar bloote, rose voetjes, stak het wat dieper, zette zich op den grasrand, waagde`ook het tweede voetje, stak beide handen uit naar Standje—... en eensklaps, met een grooten plons stond zij in het Zonneputje!

—O, nonkel! nonkel! Brr! Brr!" huiverde zij.

Maar 't duurde slechts een heel kort poosje. Dadelijk was de eerste, koude aanvoeling over, en gichelend, met hoogkleurende wangen, aan Standje's handen vastgeklemd, liet zij zich zacht naar 't midden van het beekje medetrekken.

Daar had ze een oogenblik verschrikte ontzetting. Haar witte nachtrok bolde als een stolp boven het water op en zij stond met bloote beenen in het helder putje.

—Oh! mon Dieu! mon Dieu!" gilde zij, met beide handen het weerspannig stijve goed neerslaande. Maar het ging niet zoo gauw en zij vond er geen ander middel op dan plotseling tot aan den hals hurkend neer te duikelen. Zij hijgde even, door benauwdheid bevangen en toen ze zich weer oprichtte hing het gansche sijpelend gewaad om haar lijf gespannen en geplakt, sierlijk afrondend de zachte schouders en de malsche heupen; omgietend, zoo duidelijk als in een vorm van gips, de ferme, maagdelijke borst.

—Ooo kreunden Belzemien en Coben, met veranderde gezichten tot op den uitersten oeverrand van het beekje geschoven, terwijl Standje, als bedwelmd van emotie in het water stond te beven.

—Toe, nonkel, lier mij nou zwemmen," smeekte Leontientje.

—Goed, legt ou veurover neere," hijgde Standje. "Azeu zie, mee ouë kin in mijn hand. Ge 'n moet nie schouw zijn, 'k hé ou goe vaste." En hij sloeg zijn rechter arm onder haar middel. "Ala, begin nou moar, mee oarms en bienen te gelijk. Moar niet te ziere, niet te ziere! Stillekes, op ou gemak. Ge 'n moet moar zjuust doen lijk nen oakpuit"(1).

[Noot van de schrijver: (1) Kikvorsch.]

Leontientje broddelde en plonsde, het water spatte schuimend op, zij kreeg een gulp in den mond, stikte, spuwde, rechtte zich weer, omgoten door het indiscreet plakkend nachtkleed, overeind. Standje, gek van bekoring, kon er zijn oogen niet van afwenden, Coben en Belzemien hielden zich hijgend aan de takken van een wilg geklemd om niet in het water te storten en merkten zelfs de tegenwoordigheid van Bruuntje, Leonie en Pierken niet, die ook onweerhoudbaar waren komen kijken. Bruuntje's fijn gezicht, met donker oog en zwaren knevel stond, onder een onbeschrijfelijken glimlach, als 't ware door het schouwspel gehypnotiseerd, Leonie staarde met een uitdrukking van walg en knorrige minachting en Pierken bleef daar roerloos als een boompje in den grond geplant, zijn blonde, bijna witte stekelharen recht omhoog gepijld, zijn lipjes open, het eene oog rond-glinsterend op Leontientje, het ander als een schuchter wit-bruin slakje in het hoekje van zijn neushuisje half weggekropen. Eensklaps keerde Belzemien zich om, zag hen daar allen staan, schrikte geweldig op, keek even schichtig in het ronde, of er soms nog meerdere kijkers kwamen; en meteen tot bewustzijn en gevaarsbesef terug geroepen, riep hij angstig, kort-dringend en bijna gebiedend:

—'t Es nou genoeg, Stand! 't Es nou genoeg, Leontine! Toe, komt er nou moar uit. Kerdúle kan doar alle menuten weere zijn!"

Leontientje gehoorzaamde. Schaterend van vreugde ploeterde en plonsde zij nog een laatste maal dansend en draaiend met Standje in het van lieverlede troebelblond geworden Zonneputje rond en kwam dan naar den oever toe gewaad. Standje vloog om er haar uit te helpen, maar de twee oudere broers waren hem ditmaal voor. Beiden, zich krampachtig aan de wilgetakken vasthoudend, reikten Leontientje een bevende hand toe en haalden haar uit het water, even nu van dichtbij dingen ziende, die bun oogen van bedwelming deden draaien. Maar zoodra zij weer op vasten grond was ontsnapte Leontientje hen lachend; en haar bloote, roze voetjes, die nu glinsterende pareldroppels door het bloeiend gras schenen te sprenkelen, vluchtten naar het woonhuis toe.

Standje, afgemat en hijgend van emotie, volgde haar in zijn druipende en plakkende kleeren, als een groote, magere, slijkerige bond met ruige haren.

Belzemien en Coben waren eenigszins van hun ontroering bijgekomen; Bruuntje, Leonie en Pierken waren weer, onder den invloed van verschillende en afwisselende gevoelens, naar hun werk; en Leontine en Standje verschenen opnieuw, als gewone menschen in hun dagelijksche kleeding in den boomgaard, toen eensklaps, in de zachte, warme, stille lucht, wijd over de rust der weelderige lentevelden, een ver en traag klokkengetamp weergalmde.

Aandachtig-luisterend keken de broeders op. Was dat de doodsklok niet! Zij stonden even roerloos in het gras, onder de bloeiende kruinen, en meteen wisten ze 't: ja, het was de doodsklok, en wel de doodsklok voor een overledene met vermogen, "veur ienen mee 'n ziele" zooals de menschen zeiden.—O, zou Tante misschien plotseling...

Zij hadden niet den tijd hunne beschouwingen daarover uit te spreken. Eensklaps kwam Cordúla hijgend om den hoek van 't huis met opwaaiende mantelslippen aangerend, en zij riep van verre, met holle stem en strakke, donkere oogen:

—Tante es deud!... Hoast ulder; kliedt ulder op ulder best en kom seffens mee mij mee bij den notoarus om 't testament t' heuren aflezen!"

Het was een heftige, onverwachte opschudding! Wanneer was ze dood? Hoe was ze dood? Waarom was niemand bijtijds komen waarschuwen? De ontstelde vragen kruisten door elkaar, al het overige was ineens vergeten; meid en knechts lieten hun werk liggen om te komen hooren; de broers, Leontientje, Cordúla, liepen zenuwachtig, als verloren heen en weer; en het geval werd hun in zijn omstandigheden al niet duidelijker: zij begrepen slechts helder de gewichtige gebeurtenis, het feit op zichzelf, dat Tante plotseling gestorven was en dat zij als erfgenamen onmiddellijk bij den dorpsnotaris opgeroepen werden om er Tante's testament te hooren voorlezen.

—Ala toe, hoast ulder, hoast ulder, we moeten d'r direkt noartoe! herhaalde steeds Cordúla, gejaagd en opgewonden.

Rechts en links holden zij uit elkaar, Leontientje naar de "beste kamer", de broeders naar den zolder.

—Wa es dâ hier? Wie hêt-er hier mee natte voeten over de vloer geleupen?" riep knorrig Cordúla, toen zij in de keuken kwam.—Kijk ne kier, hier, noar de beste koamer toe, en doar, noar de zolder!"

Doch niemand gaf een antwoord. Zij dachten al niet meer aan 't pas gebeurde; en zelfs Cordúla drong niet aan, geheel en al door 't andere in beslag genomen. Zij stond daar even roerloos-aarzelend in de keuken als onder diep-gespannen denken, en toen spoedde ze zich eensklaps stil naar boven, bij de haastig zich op hun best kleedende broeders.

—'k Ben toch zeu gejoagd en zeu schouw," hijgde ze met een angstgebaar naar de kamer onder zich, waar Leontientje was,—'k ben toch zeu ieuwig schouw dat dat "dijnk" in 't testament zal beveurdielt zijn."

—O, 'k 'n peist niet, 'k 'n peist niet, Tante was al te verre gezet as Leontine gekomen es; en euk: ze 'n hè ze nie gezien," poogden de broeders haar gerust te stellen. Maar zij zelven voelden zich al niet geruster dan Cordúla, er was een scherpe strijd in hen tusschen hun verrukking voor het nichtje en hun vrees voor geldelijke schade; en even angstig als Cordúla zelve waren zij naar den inhoud van het testament benieuwd.

—Dat da moest woar zijn, 'k zoe d'r iets van krijgen, 'k zoe d'r mijn deud aan hoalen!" beefde Cordúla met wijd-uitgezette oogen. —Maar eensklaps zag ze Standje's natte kleeren op een hoopje in den hoek liggen, en voor de tweede maal vroeg ze, bitsig en dringend:

—Moar wat ten duvel hèt-e gulder hier toch uitgesteken binst da 'k wig was? Van woar komt toch al die nattigheid en die vuiligheid in huis?"

—Wel, Hiere, 'k hè ne kier gezwommen. Es da nou toch zuk 'n doanig dijngen!" antwoordde Standje, kribbig wordend.

—Gezwommen!" riep Cordúla met open mond en verwilderde oogen. Gezwommen!... mee heur... in de beke?"

—Wel joa, wel joa, in 't Zonneputsen! Wa es er doar nou aan gelegen! Wa veur kwoad es er doar oan?" nijdigde Standje.

—O! die sloeze!" gilde Cordúla schor van verontwaardiging.—O, die sloeze! En wa veur 'n leulijke vuilerikken moet-e gulder euk toch zijn, die doarin behoagen schept! En hè 't wirkvolk da gezien? 't Es 'n schande! 'n schande! 'K 'n wee niet hoe da g' ulder op ulder hof nog teugen durft!"

Zij sidderde van woede en haar groote, leelijke donkere oogen straalden met vernietigende bliksemschichten in haar geelbleek, beenderig, ontsteld gezicht.—O, gie leulijke, leulijke, vieze leulijkoars!" herhaalde ze, tot stikkens toe verwoed. En met een walgkreet rende ze de trappen af.

Zwaar-melancholisch galmde aanhoudend uit den verren kerktoren het traag en loom gekadanseerd getamp der doodsklok, wijd over de zachtgolvende groene en blonde, in stillen, warmen zonneglans badende lentevelden...

Gelukkig had Tante niemand bevoordeeld...!

In 't duffe, schemerig kantoor van den dorpsnotaris hoorden de angstig-benauwde en ontroerde broeders en Cordúla het testament voorlezen, dat aan iederen staak zijn recht liet wedervaren en enkel voor begrafenis, voor een aantal missen en jaarlijksche diensten, alsmede voor een donatie ten gunste van de meid en van het klooster der non die Tante verpleegd had, eene bepaalde, door de erfgenamen nog al hoog gevonden som afzonderde. Al het overige mocht in vijf verdeeld en, na afrekening der onkosten, zou er voor ieder nog wel tusschen de twaalf en dertien duizend frank overblijven.

Cordúla voelde zich gestild, verzoend, gerustgesteld, te meer daar nu van zelf aan het verblijf van Leontine wel een eind zou komen. Er was reeds naar haar vader getelegrafeerd om de begrafenis bij te wonen en Leontientje's erfdeel in ontvangst te nemen. Ook Belzemien en Coben schenen eensklaps gekalmeerd, door de eene emotie van de andere bevrijd; en alleen Standje verkeerde nog aldoor in een gejaagden, opgewonden toestand. Het leek wel of er plotseling een ommekeer had plaats gehad in het gemoed van Standje. Hij lachte noch schertste meer; hij liep ernstig en bekommerd en toch doelloos met gebogen hoofd en saamgefronste wenkbrauwen heen en weer, als in diepe, ingewikkelde gepeinzen. Eindelijk scheen hij een moedig, vast besluit te nemen; en 's avonds, voor de begrafenis en de komst van Leontientje's vader, verzocht hij 't meisje om een wandelingetje in de maan over den stillen boomgaard, en vroeg het haar ineens, ontembaar, met angstig-draaiende oogen en van knellende ontroering hikkende stem:

—Leontientsje... Leontientsje... 'k vind ou zeu scheune... 'k ben zot van ou... wilt-e mee mij treiwen?"

Leontientje, denkend dat hij, zooals altijd, schertsen wilde, barstte in een klinkenden schaterlach uit.

—O, nonkel, nonkel! nonkel!" gichelde zij.—Maar zij zag in 't bleeke manelicht den verwilderden glans van zijn oogen en hoorde zijn hikkend, sissend ademhalen; en plots werd zij ernstig en bijna bang.

—Moar nonkel toch! nonkel toch!" hernam zij, zachter.

—'k Ben zot van ou! 'k zoe mijn leven veur ou loaten! Als ge wilt, 't wordt hier loater amoal 't ouë!" herhaalde hij smorend, opgewonden.—Zeg, Leontientsje, wilt-e? wilt-e?—-En hartstochtelijk greep hij haar hand.

Huiverend wrong ze die langzaam los, trad een paar schreden achteruit:

—Ha moar, nonkel toch, wa peist-e! 'k 'n ben moar 'n kind, en gij..."

—Joa joa, 'k weet 't wel, en ik ben oud!" viel hij haar driftig in de rede...—Moar 't es gelijk, ik zie ou geirne, sedert dien achternoen in 't Zonneputsen ben ik zot van ou geworden! O, Leontientsjen, as 't ou b'lieft, as 't ou b'lieft moak mij gelukkig! Mijn leven es hier zeu droevig! 'k 'n hè nog noeit gien uur oprecht plezier g' had in mijn leven!"

Hij snikte 't uit, zwak en flauw als een klein kind. Al het jarenlang verkropte wee van zijn kleurloos oud-vrijgezellen-leven stormde als een zee van woestheid in hem op, hij vergat den afstand en de jaren, zijn onverbruikte jeugdkrachten eischten bevrediging, hij klaagde en kreunde en zuchtte en smeekte, in een ontembaren, tragischmachteloozen, folterenden aandrang van eindelijk willen-genieten en gelukkig zijn. Hij vatte weer haar hand en knelde die onstuimig in de zijne, haar smoorlijk naar zich toe halend; en plotseling omsloeg hij met zijn arm haar middel, prangde haar woest tegen zich aan, poogde op haar frisschen mond een gulzig-sidderenden zoen te drukken.

—Ge 'n meug nie, nonkel! Ge 'n meug niet! Ge 'n meug niet! Als ge mij nie los 'n loat, goa 'k roepen!" griezelde zij, met geweld het hoofd afwendend en zich krachtig uit zijn knelling ontworstelend.

Eensklaps bedaarde hij, tot de koele, nuchtere werkelijkheid teruggeroepen. Als lam zakten zijn armen neer en een huivering doorschudde heel zijn lichaam.

—Pardon, Leontientsje," zuchtte hij met gebroken stem. "Pardon, g-hêt gelijk, 'k 'n ben nie wijs geweest. Wilt-e mij pardonneeren en vergeten? 'K zal veurtaan mijn verstand gebruiken en ou nie mier lastig vallen; 'k beloof het ou." En met stil-triestige oogen keek hij haar in den zachten maneschijn weer aan.

Zij glimlachte en stak hem, zonder wrok, de hand ter verzoening toe.

Sprakeloos, hij nog gansch ontroerd en bevend, kwamen zij in huis terug....

't Was uit. Tante lag diep in de aarde begraven, het geld was verdeeld en de "tieprie", die, ruim een week te voren, Leontientje aan het kleine station had afgehaald, stond, met Bruuntje naast het paard, voor den drempel van het woonhuis klaar om haar, met haar vader nu, weer weg te brengen.

Het koffertje werd opgeladen, Leontientje's vader,—een voor zijn leeftijd er bizonder jong en flink uitziende man met frissche kleur en blonde haren—nam van de ooms en van Cordúla afscheid.

—Allons, merci encore, et au revoir, au revoir; et promettez-moi tous de venir un beau jour à Paris, n'est-ce pas?" zei hij, om de beurt Coben, Cordúla en Belzemien omhelzend.

—Owie, owie, peud-êder," glimlachte Belzemien met fijn knippende oogjes.

—Ma tante, mon oncle Belzemien, mon oncle Coben, merci bien, mille fois merci, et à plus tard, n'est-ce pas, à Paris?" herhaalde ook Leontientje, beurtelings Cordúla en haar ooms een laatste maal omhelzend.

—Owie, owie, owie," stotterden de broers, haast niet in staat het frissche meisje bij dat laatste afscheid los te laten.

Zij raakten eindelijk in den "tieprie", waar reeds Standje met de teugels in de hand te wachten zat, en onder nog maar steeds herhaalde groeten en vaarwel-gewuif, reden zij weg.

Wat was het dood en stil in Standje's hart, zoo dood en stil nu als op 't vlak eentonig land, dat na de laatste helder-schitterende zonnedagen, eensklaps grijs en dof en stroef geworden was, onder een zwaar-bewolkten grijzen hemel! Er scheen geen kleur noch vreugd meer in de atmosfeer en 't was zelfs kil geworden, alsof de nog maar pas vervlogen, gure winter, weer in aantocht was. Standje, op 't smal bankje tusschen Leontientje en haar vader in elkaar gedrongen, zat te bibberen...

Daar kwamen zij aan 't kleine station, en Standje kreeg het dadelijk weer druk met Bello, die voor 't gedruisch der treinen en 't getoeter der seinhorens schichtigde.

—Hou hou, Bello! hou hou, Belleken!" ging het telkens opnieuw, bij ieder ongewoon geluid dat 't beest deed trippelen. En 't laatste afscheid, terwijl de trein reeds snuivend aanraasde, gebeurde midden in een ergerend geharrewar: Standje, de eene hand aan den teugel, kon nauwelijks met de andere Leontientje omstrengelen, en zijn adieu-kus, waarvoor zij zelve nu, als 't ware in een plotse opwelling van goedig medelijden, haar frissche lippen ter ontfermende ontvangst naar de zijne uitstak, ging scheef, onder een sarrend en belachelijk "hou, hou, Bello, hou hou!" half op haar mond, half op haar zachte wang verloren.

't Was uit... en droevig uit... zooals een schoone uitgebloeide lente!—De trein reed ruischend met haar weg—hou hou, Belleken, hou hou!—en door de onbedwingbaar-opwellende tranen welke plotseling zijn blik verduisterden, zag Standje haar een allerlaatste maal, in haar verrukkelijke jeugd en frissche schoonheid, glimlachend door het neergelaten raampje met haar zakdoek naar hem toewuiven, wuiven... wuiven... wuiven... tot het witwapperend doekje een klein, wervelend stipje werd,... het laatste trilgewiek van een blank vogeltje.... een wegflonkerend sterretje,... dat eensklaps om een bocht der spoorbaan, voor altijd aan de bekoring van zijn oog verdween...

Verleden week, terwijl ik niet slapen kon, dacht ik eensklaps aan Soarelke Meule... Ik zag hem vóór mij, zooals ik hem in leven gekend heb: kort, zwaar, scheefgeschouderd, met ingedrongen hals en kromme beenen; met hoekige, vooruitstekende kinnebak en brutale, groote oogen, waarvan het eene rond en strak je aankeek, terwijl het ander, scheel en bloeddoorstriemd, sterk naar buiten afdwaalde...

Het werd al spoedig een obsessie van mijn geest en de herinneringen Kwamen toegestroomd.

Stille avondwandelingen in den maneschijn, langs eenzame kronkelwegen tusschen hooge korenvelden; wazig-doorschijnende nachten vol tintelende sterren, gezang van nachtegalen in de donkere boomen, bleeke huisjes met gesloten blinden, als in geheimzinnige bespiegeling verzonken; en ginds, bij den ouden, grijzen molen, die, met het geraamte van zijn vier gekruiste, naakte wieleen op den berg te droomen stond, het vaste en gezellig groepje, dat er eiken avond bij mooi weer tegen den grauwen gevel van het molenhuis gehurkt, naar de verhalen van Soarelke Meule te luisteren zat.

Wat wist hij veel en wat kon hij eigenaardig en grappig vertellen!—Kort en gehort kwamen met barre blikken van zijn woeste oogen, alsof hij aldoor over alles verontwaardigd was, de dikwijls krasse woorden uit zijn barschen mond gestooten. Doch het was slechts een schijn-kwaadaardigheid, en de brutaalste en heftigste beweringen hadden steeds bij hem een ondertoon van leukheid die tot lachen wekte en waarover hij ook trouwens gaarne medelachte.—Hij was een ruwe filosoof en voelde helder-sarcastisch het ware en juiste der dingen. Zijn scherpe geest was vrij van alle vooroordeelen. Onbewust-natuurlijk, zonder moeite drong hij dadelijk tot den grond der dingen door.

Vooral de jongelingen uit de buurt schaarden zich gaarne om hem heen en konden uren lang naar hem zitten luisteren.—Zij zaten daar, onder den ouden molen, een donker troepje van een acht-of tiental, vaag-nevelig gehuld in den damp hunner pijpen, waarvan de brandstipjes soms roodend gloeiden in de duisternis; en zij maakten Soarelke aan den gang, en praatten met hem mee en lachten, om hem goed leuk en ondeugend te stemmen.

—Toe, Soarelke, vertel ons nog ne kier 't bezoek van ijngel Gabriël op oarde! Woar was da euk dat hij hem op de weireld liet vallen? Was da niet te Poeke, in 't Luizegevecht?

Zij deden of ze 't zich niet goed meer herinnerden om het hem nog eens te hooren vertellen en Soarelke liet zich vangen en weerlegde. met zijn ruwe, korte, barsche stem:

—In 't Muizenhol was 't, hè 'k ulder gezeid, dwoasheufden die-ge zijt; in 't Muizenhol, tusschen Vijnck en Oarseele!

—En hoe kwam da, Soarelke! Hoe en wannier es da gebeurd?

—Da was ons Hiere die hem uit den Hemel zond, om e-kier te kijken hoe dat 't hier op de weireld gijnk," orakelde Soarelke.

—Joa moar, hoe? Ala, toe, Soarelke, vertelt-e-kier.

En Soarelke, moegeplaagd, klopte zijn pijpje uit, kuchte eens, bromde wat en vertelde eindelijk, met zijn kort-hakkende, bruuske stem:

"Ons Hiere zat op zijnen treun in den Hemel mee den ijngel Gabriël aan zijn voeten. Den ijngel zat op den ondersten trap te sloapen, mee zijn vleeren toe.

"Gabriël, zegt ons Hier azeu al mee ne kier tegen hem, 't dijnke mij dat-e gij hier nie veel uit 'n voert, e-woar, jongen?

De ijngel wor wakker en schudt zijn vleeren:

"Wat es er ten ouën dienst, ons Hiere?" vroagt hij.

"Weet-e wat dat-e gij doet, jongen, zegt ons Hiere: Trek ne kier ou beste geiwene vleeren aan en lont ou op de weireld zijnken om te zien wat dat er ginter gebeurt. K'en hè doar in doanig lank nie mier van g'heurd en 't 'n zoe mij nie verwonderen da ze mij doar 'n beetse begonnen te vergeten. Ge moet er mee 't volk wa klappen en informeeren of er nog almets van mij gesproken wordt."

Goed.—Zeu gezeid, zeu gedoan. Den ijngel Gabriël trekt zijn beste geiwene vleeren aan, ons Hiere zendt hem 'n wolke, hij schiet er hem op en hij kom neer op d'eirde, tusschen Vijnck en Oarseele, aan 't Muizenhol!

—Aan 't Muizenhol! Es 't woarachtig aan 't Muizenhol dat hij neere gevallen es, Soarelke? giechelen de jonge kerels.

—Aan 't Muizenhol! Zeu woar of da 'k hier zitte, en op 'n wolke! Moar zwijg ne kier en loat mij veurt vertellen.

—Goed. Hij loat hem dus neere zijnken aan 't Muizenhol en valt er te midden in de kirmesse. 't Was doar 'n leute, en 'n lachen en zijngen, en 'n eten en drijnken, en 'n dansen en sprijngen mee 't jonk vreiwevolk! en den ijngel Gabriël, die da nog noeit van zijn leven nie gezien 'n ha en hem heule doagen aan de voeten van ons Hiere zat t'embeteeren, begint euk van plezier te lachen en te sprijngen, en hij danst mij doar verdeeke in de ronde mee, mee zijn geiwene vleeren aan!

—Mee zijn geiwene vleeren aan! Es 't oprech woar, Soarelke?

—Mee zijn geiwene vleeren aan! En te midden van 't jonk Vreiwevolk...! Moar,... 't begost oavend te worden, en ons Hiere, die kwoad wierd omda zijnen ijngel te lang wigbleef, zond hem ne weerlucht uit den Hemel, dat hij seffens weere moest noar boven komen.

—En Gabriël wig, zille! de lucht in!—-Sente-Pieter stond al uit te kijken. mee zijn sleuters in d'hand, geried om den Hemel te sluiten. "'K peize da ge zil wel gekomen zijn, keirel; woar hè-je gij zeu lank gezeten?" vroag Sente-Pieter hem in 't binnenvliegen. Moar den ijngel 'n hoa zelfs gienen tijd om t' antwoorden hij schiet hem rechte noar den treun van onzen lieven Hiere, die nog altijd van colère zat te weerluchten, en hij loat hem veur de trappen op zijn kniëns vallen en zegt:

"Pardon, lieven Hiere. 'K 'n wiste niet dat 't al zeu loate was!"

"'K geleuve da g'ou ginter geamezeerd hèt!" zegt onze lieven Hiere, die eindelijk uitschiedt van weerluchten, als hij zijnen ijngel ziet.

"Joa ik, lieven Hiere, 'k hè mij doar oprecht goe geämezeerd: 'k zoe liegen als ik anders sprak," zegt den ijngel Gabriël.

"En woarmee? Wa was er doar nou zeu amezant?" vroagt onze lieven Hiere, die d'r nog altijd 'n beetse vies-gezind uitzag.

"Ooo, doar 'n hè'je gij gien gedacht van, lieven Hiere!" zegt den ijngel Gabriël. "'K hè mij loaten neere valle tusschen Vijnck en Oarseele, aan 't Muizenhol, en 't 'n hè mij niet gespeten, zille!'t Was doar kirmesse, en plezier en dansen, en eten en drijnken, en sprijngen en leute moaken mee 't jonk vreiwevolk, enfin, de gelukkigste meinschen die ge peinzen keunt."

"En vroegen ze noar mij niet? Wierd er van mij doar nie geklapt?" vroeg onze lieven Hiere.

"Giene meinsch die van ou gesproken hèt, lieven Hiere," zei ijngel Gabriël. "'T 'n wierd het doar van nie anders geklapt of van de leute. Ala ge 'n keun nie geleuven hoe kontent en hoe gelukkig dat die meinschen ginter zijn!"

Onze lieven Hiere 'n zei gien woord mier. 't Dacht den ijngel Gabriël dat hij stijf kwoad zat. Hij begost nog ne kier of twieë te weerluchten en te donderen. Toens deed hij den ijngel Gabriël tieken dat hij moest zijn ander vleeren aan doen, goan eten en goan sloapen.

—Goed!—'n Week of viere doarnoar zat den ijngel Gabriël weere mee zijn vleeren toe aan de voeten van onze lieven Hiere zijnen treun te sloapen. Ons Hiere moakt hem wakker.

"Jongen, zegt hij, doe ou geiwene vleeren aan, schiet ou nog ne kier op d'eirde en kom mij zeggen wat dat er ginter noù gebeurt. En deze kier 'n moet ou nie hoasten, zille. Informeer moar goed en blijf zeu lange wig of dat 't neudig es.

Den ijngel trekt zijn beste vleeren aan, onze lieven Hiere zendt hem 'n wolke en hij komt er mee op d'eirde, aan 't Muizenhol!

—Nôg ne kier aan 't Muizenhol, Soarelke?

—Nôg ne kier aan 't Muizenhol, op 'n wolke!—Goed.—Den ijngel kijkt rond, moar hij 'n zie niemand. Hij goat in d'hirbirge woar dat hij de kier te veuren mee 't jonk vreiwevolk gesprongen en gedanst ha; moar,... in ploatse van meziek en dans, 'n heurt hij nie anders of schriemen en kloagen. Hij goa wig, komt in 'n ander hirbirge, goa noar 'n boerenhof, in wirkmanshuizekes, moar,... woar dat hij euk komt, overal, in ploatse van lachen, en dansen, en drijnken, es 't zuchten en kloagen en schriemen! De meinschen komen van alle kanten noar hem toegeleupen en ze smieken en vallen op ulder kniens veur hem, en dat hij toch dit bij ons Hiere zoe doen, en dat hij toch dàt aan ons Hiere zoe vroagen; enfin, doar 'n was gien beetse plezier mier op de weireld; en d'ieste wolke die veurbij drijft schiet er hij hem boven op en komt er weere mee in den Hemel.

"Kijk, kijk, kijk! ge zijt doar zeu geiwe weere! Hèt ou van deze kier nie g'amezeerd. dan?" vroagt Sente-Pieter, die al grittende mee zijn sleuters aan de peurte stoat.

"Nien ik, zille," zegt den ijngel; en mee zijn vleeren toe trekt hij al druipsteirtende noar den treun van onze lieven Hiere.

"Ha, jongen, g'hèt opgepast van deze kier," zegt onze lieven Hiere. "Hewèl hoe ès 't ginter nou? Wordt er nog altijd van mij nie geklapt?"

"Joa 't, zille, lieven Hiere, 't wor zéker van ou geklapt! Ze 'n klappen van nie anders mier," zegt al zuchtende den ijngel Gabriël. "'t Es stanvastig: "Och Hier! alhier" en "och Hier! aldoar!" En zuchten en schriemen en kloagen! en nievers gien beetste leute mier! 't Regent heule godsche doagen op de weireld, 't es er koud en donker; de boeren hén de koeploag in ulder stallen, ulderen oest es verhoageld en ulder eirdappels zijn aan 't vurten! Z' onsteken kissen veur ou en ze doen beevoarten en ze zitten van den uchtijnk tot den oavend in uldere kirkeboek te lezen! Enfin, 't es droevig om t'heuren en te zien! 'K ben d'r van wiggeleupen!..."

Onze lieven Hiere zat 'n momentsje te peizen, mee zijn sluinkerhand aan zijn veurheufd en zijn rechterhand aan zijn langen grijzen board.

"'t Es goed," zei hij eindelijk, "'k geleuve da ze genoeg gestraft zijn en da ze mij nou zeu lichte nie mier 'n zille vergeten.—Weet-e wat dat-e gij doet, jongen: Goa zeg gij aan den heiligen Antonius dat hij de wolken wigjoagt en dat hij weere de zonne doe blijnken."

Gedempt gelach steeg op uit 't donker, neergehurkt groepje langs den gevel van het molenhuis, en even glommen schel de gloeistipjes der pijpen, alsof zij ook wel in de leuke vroolijkheid mededeelden.—Omheen was 't wonderzacht en stil en in den somberblauwen hemelkoepel flonkerden al de schoone, gouden sterren. Het was een nacht vol stemming en vol wijding. Geluidloos fladderden de grauwe vledermuizen heen en weer en onbewegelijk stond daar de verweerde houten molen in vage zilverschemering op zijn berg te droomen. Eentonig en aanhoudend kriepte ergens in het gras een krekel. Op een verre hoeve blafte hol een waakhond en uit den onzichtbaren kerktoren galmden melancholisch-langzaam tien heldere slagen. Onmiddellijk daarop luidde de nachtrust in en de kerktorens der omliggende dorpen antwoordden, van verre en van nabij, elk met hun eigen klank en rythme, die waren als de diepe stemmen van hun innigst zieleleven. Toen droomde weer de heilige stilte onder het twinkelend geflonker der miljoenen sterren, en iemand uit het donker groepje taalde:

—Toe, Soarelke, nog 'n vertellingsken. 't Es toch te scheun weer om noar bedde te goan.

En Soarelke, na eventjes gekucht en wat gebromd te hebben, klopte de asch uit zijn pijpje, en begon met een ander verhaal...

De sluitboomen worden dwars over den weg bij 't kleine station gesloten. Een trein komt aan. Ik stap van mijn rijwiel en blijf even wachten.

Het stationsgebouwtje is van rooden steen met witte randjes. Het is lang en vrij laag, plat neergehurkt als 't ware naast het dubbele railspoor. Aan beide uiteinden, dichtbij het bruin omheiningshek, schitteren twee miniatuurbloementuintjes.

Links van den steenweg, bij den sluitboom, staat een herbergje. Rechts van den steenweg, bij den sluitboom, staat een tweede herbergje. En, aan de overzijde van de spoorlijn, die den weg doorkruist staan, rechts en links, dichtbij den sluitboom, nog twee herbergjes.

't Is alles. Geen andere gebouwen in die eenzaamheid. Alom de stille, groene of bruine herfstvelden; en, in 't verschiet, de rood-en goud-getinte hooge boomenkruinen, waaruit de fijne, grijze naald van het dorpstorentje opschiet.

Daar komt de trein.—Slechts enkele reizigers staan wachtend op 't perron, en de chef, met zijn rood petje op, komt buiten. Ook op den drempel van een der herbergjes dicht bij de sluitboomen komt een vrouw even kijken, vergezeld van een klein zwart hondje, dat op drie pooten loopt. Eerst denk ik dat het zijn vierde pootje ingetrokken houdt, zooals hondjes wel doen; doch neen, het heeft er slechts drie. Het vierde is niets dan een korte, zwarte stomp.

Dit schijnt het beestje trouwens niet erg in zijn bewegingen te belemmeren. Het dartelt vlug en wakker rond, hoewel hinkend, en zoekt en snuffelt, et tilt ook af en toe het stompje op, bij heg of boom.

Knarsend op zijn remmen heeft de trein vóór het stationsgebouw stil gehouden. Reizigers stijgen in, andere stappen uit, een fluitje gilt en het gevaarte rijdt verder, terwijl de sluitboomen weer worden opgehaald.

Langzaam schrijd ik over de rails, kijk den wegstoomenden trein nog even na, stijg op mijn rijwiel en begin te trappen.—Maar,... het lijkt wel of ik niet vooruit kan! Mijn voeten bewegen heel langzaam en mijn geest, strak in zichzelf gekeerd, is halsstarrig met iets bezig,... ja, met dat hondje, dat klein, zwart hondje daar, scheef-huppelend op drie pootjes, bij 't klein herbergje.

Hoe zou het aan dat ongeluk gekomen zijn?... Afgeslagen? Afgereden? Onder den trein, misschien? O!... daar begint alweer de obsessie!—Nog langzamer bewegen de trappers; ik houd stil; ik stap af. Wat is dat weer kinderachtig-onnoozel en flauw, die obsessie! Wat kan het mij toch schelen hoe of dat hondje zijn vierden poot verloren heeft? En hoe en waarom zal ik daar ook naar informeeren? En wat zal die vrouw van 't herbergje van mij wel denken, als ik daarvoor terugkom?—Maar,... er is niets aan te doen, anders ben ik er weer den heelen dag mee bezig. Ik keer mij om, en, half boos en half beschaamd over mijzelf, rijd ik terug, recht naar het herbergje.

De glazen portaaldeur staat er nog open, maar,... geen mensch in het schemerig, ongezellig gelagkamertje...

—Es 'r iemand? roep ik, meteen op de schenktafel kloppend.

Door een tochtende, half openstaande achterdeur, komt op zijn drie pootjes naar mij toegehinkt... het hondje.

—Ha, Moortje, zeg ik. En ik wenk het bij mij en klop het streelend over zijn glad-glanzend rugje, en bevoel even zijn stompepootje.

Het hondje schijnt dat niets naar te vinden.

Het strijkt de spitse oortjes in zijn hals, en wringt en kronkelt zich, en strekt het stompje naar mij uit, terwijl het mij snugger aankijkt, met zijn heldere, wakkere, bruine oogjes.

Daar komt de vrouw.

—'n Pijntsje bier, bezinne.

Het glas wordt mij gebracht.

—Scheun weer, e-woar, meniere?

—Joa 't doanig scheun weere.

Ik proef even van 't bier, dat akelijk zuur smaakt, en weet niets meer te zeggen. Mijn blik verlaat geen seconde het hondje.

—Da es 'n keirelken, e-woar, meniere? zegt de vrouw, mijn aandacht merkend.—Spijtig dat 't zijn peutsen afgereên es!

Ha! daar is de aanleiding!

—Hoe es da gekomen? haast ik mij te vragen.

—Onder 't konveui gezeten, meniere. Da es nou al onzen derden die kapot gereên wordt. De twie ieste woaren in moes. Den dezen is gelukkig nog mee drei peuten noar huis gekomen. Moar ge'n keen nie geleuven, meniere, wat dat er hier al deur die treins kapot gereên wordt! Kiekens, honden, katten, en onlangs nog da schrikkelijk ongeluk mee die twie wirkmeinschen! G' hèt doar toch van g'heurd, meniere? En de vrouw, die razend praatziek blijkt te zijn, vertelde mij een akelige en ingewikkelde geschiedenis van twee arbeiders, die, op een vroegen mistochtend, door den trein aan stukken werden geslingerd.

't Is vreemd: het raakt me niet. Ik luister nauwelijks en de afschuwelijkheid van de gebeurtenis dringt niet tot mij door. Ik denk alleen aan het verminkte hondje en aan 't gevaar dat al die kleine hondjes bij die groote treinen loopen.—Nu weet ik het, en wat de praterige vrouw mij verder ook vertelt, boezemt mij geen belangstelling meer in.

Ik neem mijn rijwiel en vlieg heen.—Maar nu, (en dat is mijn voortdurende, onnoozele obsessie en als 't ware mijn straf) nu kan ik nergens meer een eenzaam stationsgebouwtje zien, met bloempjes aan den zijkant en een weg die kruist over de rails, of daar komt onvermijdelijk in mijn geest een klein, zwart hondje op drie pootjes bij gehinkt; een hondje dat mij eigenwijs en snugger aankijkt, en, met zijn stompje wringend, even snuffelend bij een boomstam of een heg gaat staan en dan weer in het schemerig herbergje verdwijnt, waar de fatale kracht van de verbeelding mij telkens weer dwingt het bij de praterige vrouw te volgen.

Theofielke Schandevel en Deeske Wildeborst waren twee oude, onafscheidbare vrienden. Theofielke diende als knecht bij een molenaar en Deeske als knecht bij een boer. Zij waren ongeveer van gelijken leeftijd—een jaar of veertig—maar zeer verschillend van uiterlijk.

Theofielke was lang en mager, met uitgeholde borstkas, met hooge, beenderige schouders, schrale, stokkerige beenen en slungelige, doorzakkende knieën. Deeske was kort, gezet, fiksrecht, met een naar voren puntend buikje en een dik, rond speknekje. Alle twee droegen een vollen, bruinen baard: die van Theofielke was hard en rasperig, die van Deeske zacht en kroezend. Theofielke zag ietwat bleek van gelaatskleur. Deeske frisch-rozekleurig.

Beiden moeten zij de gansche week hard werken: Theofielke wit-bestoven van het meel als een groote, bleeke meikever; Deeske grauw en vuil, met gore kleeren, als een echte aardewroeter.

Van op zijn molen, tusschen de snorrende raderen, ontwaarde Theofielke in 't verschiet, half verborgen in het loover van den boomgaard, de spitse, grijze stroodaken der boerderij waar Deeske werkte. Van op zijn akkerland, waar hij ploeg en paarden mende, zag Deeske in de verte het drukke wentelen van de molenwieken, die hem soms grappig voorkwamen als Theofielke's eigen lange, slungelige armen, waarmede hij zijn zondagsvriend naar zich scheen toe te wenken.

Zoo voelden zij elkaar slechts van heel verre, gedurende de gansche, lange, zware arbeidsweek. Maar 's zondags, dadelijk na de vroegmis, troffen zij elkander, onder 't drinken van het eerste borreltje, in 't herbergje vlak naast de kerk "Den Dubbelen Arend" aan; en van dat oogenblik verlieten zij elkaar niet meer, den heelen dag.

Alle twee zaten zij sinds jaren dik in schulden. Er was bijna geen herberg in het dorp waar zij niet debet stonden en waar zij, zonder contant geld, nog drank konden bekomen. Ook bij hun respectieve bazen waren zij maanden ver in voorschot en kregen zij slechts iedere week één frank, waarmede zij den zondag moesten zien door te brengen.

Eén frank! Slechts tien "dreupelkes" jenever of tien "pijntsjes" bier, en toch altijd zulken grooten dorst! Soms was 't al vóór den middag op, en dan zaten ze daar zoo ongelukkig bij het laatste leege glaasje, wel eens uren lang geduldig wachtend op de mogelijke komst van een of andere goede ziel, die misschien nog eens trakteeren zou. Gelukte dat niet, dan bleven ze tóch maar zitten, omdat ze anders niet wisten wat uit te voeren en dat de dag, buiten de herberg om, toch zoo vervelend en ellendig lang was.

Eens op een vroegen zondag-ochtend, kwam Theofielke's baas met een vriendelijk gestemd gezicht naar hem toe. Er was hard gewerkt, de gansche week en de baas, over Theofielke tevreden, wilde hem nu eens een extra-belooning geven. Tusschen zijn vingers hield hij een vijffrankstuk, dat hij even aan Theofielke liet zien; en hij zei:

"Kijk, Theofiel, omda ge van dees weeke goe gewerkt hèt. en niettegenstoande da ge mij nog veele schuldig zijt, goa 'k ou ne cadeau doen. Hier es 'n vijffrankstuk da 'k al weken lank in mijn bezit hè zonder da 'k het kwijt kan geroaken. 't Es goed en zuiver zelver, moar 't es van 'n vremd land woarvan dat de stikken hier nie geldig 'n zijn. Niemand 'n wil het aanveirden. Ge meug het hèn. Doet er mee wat ge wilt en neemt er veuren da ge krijgen keunt."

En hij gaf het stuk aan Theofielke.

Theofielke, in gedachten verzonken, stond het stuk langdurig te Bekijken...

Het was een mooi, blinkend stuk, net zoo mooi en zelfs mooier als veel andere; en Theofielke schudde 't hoofd en vroeg zich af waarom nu juist dàt stuk niet deugen zou, terwijl toch al die andere, die immers ook maar zilver waren, wèl deugden. Hij woog het in zijn hand en keerde 't om; hij zag aan de eene zij, het afbeeldsel van een gehelmde vrouw die hem bizonder schoon leek, en aan de ommezij een hoorn, waaruit ook nog een heele overvloed van soortgelijke schoone stukken scheen te stroomen. Het leek hem grievend-onrechtvaardig dat dat alles niets-beteekenend en waardeloos zou wezen; en plotseling ontstond in hem een plan, dat hem van innige pret deed glimlachen, terwijl hij haastig 't glinsterende, groote stuk in een binnenzak verborg.

Anderhalf uur later, na afloop van de eerste mis, zat hij, met Deeske Wildeborst in den "Dubbelen Arend", onder 't gebruikelijk genieten van het eerste borreltje, geheimzinnig en gewichtig te beraadslagen.

Deeske was het oogenblikkelijk met hem eens: dat mooie stuk moest en zou hun een langen, vollen dag van pret en uitspanning bezorgen. Doch zij mochten er niet mee beginnen op het dorp, waar zij te zeer berucht waren. Zij moesten 't gaan beproeven in een van de omliggende gemeenten, waar men hen nog zoo goed niet kende.

Met leuke pret-oogen dronken zij hun borrels leeg, bestelden er twee versche; en, met het overige van den gewonen zondagschen frank, die nu wel aan één stuk op mocht, kochten zij sigaren. Een sigaar, in plaats van een pijp, dat stond goed en wekte vertrouwen, meende Deeske.

Toen trokken zij er op los.

Het was een frissche, droge, heldere, windige herfst-morgen. Zij stapten ijverig door, Deeske fiksrecht, met hooggekleurde, bolle wangetjes en vlugge, kleine pasjes, in een gelijkmatige, kort-gekadanseerde slingering van zijn twee korte armpjes, alsof hij zonder eenige inspanning over een volkomen effen pad voortschoof; Theofielke daarentegen slof en slungelig, met scheef-rekkende schouders en sleepstruikelende, ongelijke schreden, alsof hij telkens weer door waden en door plassen heen moest stappen. De gele bladeren stoven dwarrelend uit de boomenkruinen, en de landouwen lagen kaal en kil, met hier en daar slechts, tusschen de bruine, omgeploegde akkers, de fel-groene., malsche tintelvlekken van het jouge rapenloof. Droef krasten benden omzwervende kraaien; en, langs den eenzamen steenweg dien zij thans volgden, ontmoetten de twee vrienden enkel nu en dan een op zijn zondags-best gekleeden boer, die pijprookend naar zijn hofstede terugging, of een boerin met bonte bloem-en-linten-muts en klapperenden, zwarten mantel, die, worstelend tegen den fellen wind, zich haastte om nog de tweede mis te halen. Reeds, in 't verschiet, vertoonde 't dorpje, waar zij heen gingen, zijn spits kerktorentje boven de toppen van de verre boomen; en daar zij, bij een kruisweg, vlak langs een herbergje voorbij moesten, werd de verzoeking hun te sterk, en, na een korte, even aarzelende beraadslaging, trokken zij er binnen.

Zij waren daar in zoover op gunstig terrein, dat zij er wel geen drank zouden gekregen hebben zonder eerst hun centen te vertoonen, maar althans niet vreezen moesten er wegens achterstallige schuld te worden uitgescholden. Er was trouwens geen enkele klant in het kleine gelagkamertje; alleen de herbergierster, die achter haar schenktafel glazen stond om te spoelen.

—Twie dreupels, vreiwken, bestelde Theofielke, met een gewichtig air aan een tafeltje naast Deeske plaats nemend.

De vrouw, een half-afgedroogd bierglas roerloos in de hand, keek hem even vaag wantrouwend aan.

—Twie dreupels, herhaalde zij langzaam, met matte twijfelstem, als om zich den tijd tot nadenken te gunnen... Maar Theofielke haalde met een los gebaar het vijffrankstuk uit zijn binnenzak te voorschijn en liet het royaal over het tafeltje klinken: en dadelijk spoedde de vrouw zich met haar jeneverflesch naar den kelder. Deeske stak een versche sigaar op en trok een oolijk oogje naar Theofielke, die in dien tusschentijd het stuk al gauw weer weggemoffeld had.

—Santus! zei de vrouw uit den kelder bovenkomend en hun de glaasjes op een presenteerblad toereikend. En eensklaps gul en vriendelijk gestemd, begon zij een praatje over 't weer.

De beide vrienden antwoordden niet veel. Zij genoten van hun sigaartje en hun borreltje; en, toen het uit was, bestelden zij er nog een. Deeske's bolle wangetjes begonnen te glimmen, zijn oogen glinsterden heel leuk en innig, vol korte, kleine vlammetjes, alsof er, diep in hem, iets heel bizonder prettigs omging; en ook Theofielke's doorgaans bleeke, grauwachtige gelaatskleur, verlevendigde zich met een frissche, roze, warme tint. Die borreltjes smaakten dan ook zoo heerlijk lekker in de kouwe vroegte, dat zij, na het tweede, elkaar eens even ondervragend aankeken, en er waarachtig nóg eentje bestelden.

Toen nam Theofielke met een kalm, ernstig gebaar, het stuk weer uit zijn zak, en legde 't op de tafel.

—As 't ou blieft, vreiwken. Keunt-e mij weere geven?

De vrouw kwam dadelijk naar hem toe, de rechterhand onder haar schort, al vast klein geld puttend. Zij haalde er 'n heel greepje te voorschijn en met haar linkerhand nam zij 't vijffrankstuk op, en bekeek het even. Deeske en Theofielke staarden onverschillig door het raampje naar buiten, den kronkeligen landweg in.

—Ha joa moar, verdeeke! da stik 'n deug niet! hoorden zij de vrouw met ontstelde stem eensklaps zeggen. —Watte! riep Theofielke, zich verbaasd omkeerend.

—Ha ba nien 't verdeeke! herhaalde de vrouw met nadruk.—Kijk ne kier hier! En zij ging naar een groot plakkaat, dat aan den muur hing, en waar al de vijffrankstukken,—de gangbare en de niet gangbare—zooals bijna in iedere landelijke herberg, op afgebeeld stonden.

Deeske en Theofielke richtten zich op en kwamen naast haar staan.

—Joa moar, kijk ne.kier goed, dat 'n es toch nie meugelijk! verzekerde Theofielke.

—Joa, toetoet, kijk, hier zie, hier zie! riep driftig de vrouw, met haar vinger op een van de afgebeelde stukken wijzend. Zie-ie wel, 't es percies 't zelfde en 't stoa onder de slechte, mee die kop van veuren en mee dien heurn langs achter. Nim nim, 'k 'n wil 't niet; ge moet mij ander geld gêen! En zij gaf het stuk terug aan Theofielke, die het kalm weer in zijn zak stopte.

—Ha, sakerdeeke! En 'k hè 't gisteren in de post ontvangen! beweerde hij enkel.

—Tuttuttut, 'k 'n hè doar amoal niets mee te moaken! Betoal mij mee ander geld, zeg ik ou! antwoordde de vrouw korzelig wordend.

—Ha, nondedomme! kreet Theofielke, zich ook eensklaps boos veinzend. 'K zeg ou dat 't goed es!

—En 'k zegge 'k ik ou dat 't slecht es en da ge mij moet ander geld geên! gilde de vrouw.

—We 'n hèn gien ander! bekende Theofielke.

De vrouw stond even als verslagen.

—O! gie sloebers! O, gie bedriegers! begon zij eensklaps, wit van woede, te krijschen.—Ala! hier buiten! En van den achternoene zend ik mijne man noar de sandurms! O! dat hij nou moar thuis 'n woare! Gie sloebers! Gie leulijke sloebers, die ge zijt!

Heel leuk en kalm stapten Deeske en Theofielke door het glazen portaaltje naar buiten en zetten hun weg verder voort.

—Hawèl! wat dijnkt ou? Zoên we leute hèn vandoage! lachte Theofielke.

Deeske, de koontjes vurig-rood en de kleine oogjes oolijk schitterend, moest het van dolle pret even uitschateren. Of ze leute zouden hebben met dat valsche stuk! En proestend trok hij Theofielke mee, en weer liepen zij gezellig naast elkaar, de een met zijn kleine, korte, fiksche pasjes, de ander met zijn lange, loomtrekkende slungelbeenen, naar het naburig dorp.

Daar, bij den ingang, waar ze even, rechts en links, bij twee kleine boompjes, stilhielden, hadden zij nog eens een korte beraadslaging.

—We 'n meugen nie àl te ziere drijnken; we zoên te gauwe zat worden, meende Deeske.

Theofielke, die al tamelijk aangeschoten was, vond dat ze maar door moesten drinken, zoo lang en zoo veel zij konden. Het zou van zelf wel ophouden als ze genoeg hadden, en wie weet wanneer ze nog eens zulk een kansje kregen! Morgen-ochtend vroeg begon alweer de lange, saaie arbeidsweek. En ongegeneerd stapten zij maar binnen in denGroenen Jageren bestelden nogmaals elk een borretje, terwijl Theofielke eventjes 't vijffrankstuk over de schenktafel liet rinkelen.

Toen het op betalen aankwam, gaf de baas onmiddellijk het stuk aan Theofielke terug.

—Nie goed, zei hij. En toen ook hier Theofielke, de diepste verwondering veinzende, beweerde dat hij 't stuk in 't postkantoor ontvangen had en dus zelf bedrogen was geweest, maakte de man zich geenszins boos en haalde slechts zijn schouders op voor het geval, tevreden met de belofte, dat zij hem nog in den loop der week het verschuldigde zouden komen brengen, zoodra zij 't slechte stuk bij den postmeester tegen een ander hadden ingeruild.

Zoo liepen zij, steeds met het zelfde stuk dat niemand wilde, ongeveer een tiental herbergen af. Zij deden als gewone, kalme, welgestelde dorpsburgers of boeren, hielden een praatje met de menschen, speelden een partijtje met de dobbelsteenen of de kaarten, en slechts een af en toe hevig opstormende roes van bijna uitbarstende jool en wassende dronkenschap maakte 't hun lastig om er eenigszins hun ernst en fatsoen bij te behouden. In alle plaatsen werden zij, bij 't eerste klinken van het mooie zilverstuk, onmiddellijk bediend, maar hier en daar toch hadden soms, bij het afrekenen, ondanks hun krasse brutaliteit, minder aangename scènes plaats en wel het ergst in de afspanning: hetVliegende Paard, waar zij op vertrouwen van het mooie stuk ook flink gegeten hadden. Er was daar iets van drie en half frank te betalen; de baas schold en vloekte geweldig; en daar zij, meer en meer brutaal geworden door het aanhoudend welslagen van hun schurkenstreek en aangehitst ook door den drank, uitdagend tegenstribbelden en lawaaiden, werden zij plotseling, door man en vrouw en knecht, met een pak slaag op straat gegooid.

Theofielke, woedend, wilde weer de herberg binnen om den boel kapot te slaan, maar Deeske, die zich wel 't gevaar bewust werd, en nog andere plannen in het hoofd had, hield hem kalmpjes sussend tegen en kreeg hem eindelijk, niet zonder moeite, met zich mee.

Het werd dan ook hoog tijd. De dorpelingen, door den baas uit hetVliegende Paardopgeruid, kregen het spelletje in de gaten en begonnen dreigend saam te troepen en te jouwen; en 't lukte nog maar heel precies dat de twee vrienden, met invallende schemering, zonder ergere ongevallen uit het vreemde dorp ontkwamen.

—Einde goed, alles goed! orakelde Deeske, toen zij ten slotte, na een poosje geducht door stappen, veilig in het open veld kwamen. -—Moar nou opgepast! 't fijnste moe nog komen!

Nu zij stevig gegeten hadden, was de wild-opstormende roes van dronkenschap goed onderdrukt en was het hun ook mogelijk kalmpjes te redeneeren hoe ze den leuken dag prettig zouden eindigen.

—Loat ons bij Veel-Hoar goan en de dieë mag 't vijffrankstik hoûen, stelde Deeske voor.

Ietwat onthutst keek Theofielke op.

—Bij Veel-Hoar! Om wat te doene? vroeg hij eindelijk.

—Hà! dà es euk 'n goeie! lachte Deeske. Woarveuren goan de knechtejongens bij VeelHoar?

Theofielke begreep en een glimlach van verrukte jool kwam op zijn slungelige tronie.

—Verdeeke, joa w'! riep hij. En elk zijnen toer! Ala, seffens lotse trekken, en wie 't langst hêt iest?

Hij boog zich naar den grond, raapte twee ongelijke takjes op, frommelde ze wat door elkaar, hield ze in zijn gesloten vuist, Deeske voor.

Maar hij had het heel onhandig gedaan; Deeske merkte al dadelijk waar 't langste stak, en, na een schim van weifeling, welk van beide hij wel trekken zou, haalde hij, met een snel rukje, het goede te voorschijn.

—O, gien deugniet! 'k Geleuve da ge 't gezien hadt! riep Theofielke achterdochtig.

—Gien kwestie van! loog vrijpostig Deeske.

Veel-Hoar, aldus bijgenaamd om haar weelderigen, zwarten haarbos en haar dikke, donkere wenkbrauwen, was alom in 't dorp en in 't omliggende bekend als de zeer toegankelijke troosteres van het mannelijk lijden. 't Ging heel eenvoudig en 't tarief was billijk; men kwam in 't kroegje waar ze met haar moeder woonde, men trakteerde wat, men profiteerde van het oogenblik waarop de oude eventjes den rug gekeerd had om te vragen: "Euphrasie, (dat was haar voornaam) Euphrasie, zoe 'k ou nie ne kier keune spreken?"... en dadelijk werd men, zonder overbodige uitleggingen, langs een gangetje door Veel-Hoar in een achterkamertje gebracht, waar gelegenheid was om het zaakje verder af te handelen. Men bleef niet te lang, vooral niet 's zondags wanneer Veel-Hoar het druk had; men betaalde één frank, twee frank, zoowat naar vermogen; Veel-Hoar liet je door een achterdeurtje en een tuintje buiten en verder was geen haan die er naar kraaide. De beide vrienden waren lange jaren trouwe klanten van Veel-Hoar geweest, maar ongelukkiglijk hadden zij ook dit artikel niet altijd contant kunnen betalen, en sinds maanden werd het pretje hun beslist geweigerd. Nu echter hadden zij weer eens een prachtige kans, die zij niet mochten laten ontsnappen.

Na een tamelijk langen omweg, ten einde het landelijk herbergje te vermijden, waar zij 's ochtends voor het eerst de werking van het stuk beproefd hadden en waar nu wel eenigszins gevaar voor hen kon schuilen, kwamen zij weer in hun dorpje aan. Intusschen was het donker-avond geworden en de lantarens brandden in de eenzame straten.

Het krotje van Veel-Hoar stond wat ten uitkante, vlak naast een boerderijtje, waarvan de door een heg omsloten boomgaard op den straatkant uitkwam. Dicht bij die heg, in de zwarte schaduw der overhangende boomkruinen, hielden zij zich, onzichtbaar voor de schaarsche voorbijgangers, een poosje wachtend en luisterend gedoken.

Geen beweging noch geluid in het aangrenzend kroegje. Alles bleef doodstil. Het oogenblik was gunstig.

Deeske echoof even naar het raampje toe, reikhalsde, trachtte te kijken door een spleet van het gordijntje.

—Kom, loat het ons moar reschieren, fluisterde hij tot Theofielke.

En vastberaden openden zij het laag portaaldeurtje en traden binnen.

—Elk ne goên oavend...

Een korte stilte van teleurstelling. Links van de deur, in den hoek, bij een tafeltje, zat toch een kerel, een gluiperige boerekinkel, dien Deeske van buiten door de spleet van het gordijntje niet had kunnen zien. Veel-Hoar, forsch en zwart, met langen neus en rood-gevlamde koonen, stond fiks rechtop achter de schenktafel, bezig met glazen omspoelen, en bij de klok zat op een stoel de oude moeder, suffigduttend in elkaar gezakt.

—Kijk, kijk! Wie da we doar hén! riep Veel-Hoar, half spottend, half uitdagend.—We zóen wel geld gêen om ulder te zien!

Deeske Wildeborst en Theofielke Schandevel hielden zich even heel kalm en ernstig, alsof ze de spottende toespeling niet begrepen. "Elk ne gôen oavend," herhaalden zij enkel nog eens. Langzaam, deftig, gewichtig bijna, gingen zij ook plaats nemen aan een tafeltje, schuins tegenover den boerekinkel, en Theofielke bestelde bedaard "twie pijntsjes bier", terwijl hij het vijffrankstuk even over 't tafelblad liet rinkelen.

Veel-Hoar keek met verbaasde oogen op en zelfs de oude moeder werd door het verleidend geluid even wakker.

—G'hè 't zitten vandoage, geleuf ik! kon Veel-Hoar niet nalaten uit te roepen.

—Ha, w'hèn toch watte! meende Theofielke, met een trotsch gebaar het stuk weer in zijn zak verstoppend.

Fluks, terwijl ze een der glazen volschonk, berekende Veel-Hoar, dat beiden haar 'n paar keer schuldig stonden.—Vijf frank! dat kwam zoo wat uit. Dat stuk moest ze hebben! Haar oogen glinsterden.

—Pakt euk'n pijntsjen, en gec moeder euk eentsjen, zei Deeske royaal, toen ze met het presenteerblad bij hen kwam. Veel-Hoar vulde nog twee glazen bij en er werd aangeklonken. Scheef zat Deeske naar den boerekinkel om te loeren of hij nog geen beweging maakte om op te stappen. Er kwam een korte stilte. De beide vrienden staken versche sigaren op en staarden den lichtblauwen, naar de gore zoldering krinkelenden rook even na, in gedempte woorden ernstig pratend.

Ook al sigaren! dacht Veel-Hoar, meer en meer verwonderd. 't Is zeker, er moet met hen iets gebeurd zijn. En korzelig begon ze ook den boerenlummel aan te kijken, die maar geen toebereidselen maakte om op te stappen.

De glazen waren leeg.

—Nóg vier pijntsjem, Euphrasie, en 'n spel koarten, bestelde Theofielke met doodkalme stem, alsof zij nu eens vast van plan waren daar nog een heele poos te blijven.

Langzaam stond de boerepummel op.

—Euphrasie, hoorden de twee vrienden hem met lijzige fluisterstem beginnen..., en hij probeerde met Veel-Hoar het welbekende, heimelijk praatje aan te knoopen, dat zij ditmaal echter dadelijk, kortaf, op boozen toon bijna, afhakte:

—Joa moar, Sies, vandoag 'n hè 'k gienen tijd, zille; ge moet nen andere kier komen.

Teleurgesteld, met een valschen blik naar Theofielke en naar Deeske, droop de pummel af.

—Wa mient die loeder wel dan! riep Veel-Hoar kwaadaardig de deur achter hem dichtsmakkend.

Dadelijk, zonder een oogenblik tijd te verliezen, was Deeske, met een vluggen wenk naar Theofielke, nu ook opgestaan.

—Euphrasie, 'k zoe ou wel e-kier wa moete zeggen, fluisterde hij de geijkte vraag.—Theofielke, den rug naar hen gekeerd, hield intusschen de oude, suffe moeder aan de praat.

—Joa moar, hoe zit dat? Hé-je gij èùk geld? vroeg zonder omwegen Veel-Hoar.

—Theofielke zal ou vijf fran gêen, beloofde Deeske.

—Joa moar, en gij?

—Hij hè 't geld, lijk of ge gezien hèt. Hij zal betoalen veur ons alle twieë.

—Hoe, veur alle twieë?

—Wel joa, w'hèn lotse getrokken. Ik há 't langste.

—O gie nondedzju! riep Veel-Hoar even aarzelend.

—Ala toe toe, ge 'n zijt toch gien klein kind! schimpte Deeske, reeds in 't gangetje.

Veel-Hoar keek even naar Theofielke en haar moeder om. Toen sloop ze weg, Deeske achterna...

—Pst! pst! floot stilletjes Deeske, na een poosje weer in 't gangetje verschijnend.

Theofielke keerde zich om, kwam langzaam naar hem toe.

—Ala, hoast ou, zille, 'k zal aan d' achterdeure wachten.

—Goed, zei Theofielke. En op zijn beurt verdween hij in het Gangetje...

Eenige oogenblikken daarna liepen ze beiden met haastige schreden door het somber tuintje weg.

—Hè ze 't? Hè-j'heur 't stik geloaten? vroeg Deeske onder 't vluchten.

—Joa z', zille! Moar hoast ou nou!

Zij kwamen weer op straat, schichtig wegscherend met vlugge passen in de donkere schaduw van den boomgaard, en reeds waanden ze zich in veiligheid, toen plotseling de voordeur van het kroegje open vloog en Veel-Hoar midden op de straat gesprongen kwam, razend, scheldend, schreeuwend, als om de heele buurt er bij elkaar te troepen.

—Stille! Kruipt in d'hoage! fluisterde Deeske, met geweld Theofielke neerduwend en zelf in 't donkere der heg zich weghurkend. Deuren werden opengerukt, belletjes klingelden, verwarde stemmen galmden, vlugge passen kwamen in het donker aangerend.

—O! die sloebers! die smeirlappen! die dieven! Z'hèn mij 'n slecht stik van vijffran gegeên! hoorden zij Veel-Hoar woedend gillen. 'K zal noar de policie goan! 't 'n Es verdome giene eens weird! Doar! Doar! Sloebers! dieven!... En plotseling werd het stuk rinkelend over de keien in de straat gekeild.

Deeske, die vóor Theofielke zat, zag het even in de duisternis zilverflitsen en als een steen kwam het, met een korten plof, tegen zijn broekspijp aangeslagen. Hij greep het op, hield het in zijn dichte vuist gekneld, boorde met de drukking van zijn rug een gat door de haag, kroop er in weg en trok er Theofielke insgelijks doorheen.

—Toe nou! toe nou! Leupen, zille! Anders krijgen we op ons smoel! riep hij dof.

—'t Es spijtig van da stik, loat het ons iest zoeken, 't kan nog dienen, fluiserde Theofielke.

—Zij-je zot dan! Heurt! Ze zijn doar! Ze zoên ons deudsloan! Ala toe, wig, wig!

Dwars over den boomgaard, hollend en struikelend, kwamen zij voor een tweede heg, boorden er insgelijks door, en waren weer in 't open veld. Zonder te verademen, achtervolgd door het razend getier van Veel-Hoar, dat hoe langer hoe heftiger in de rumoerige straat opklonk, liepen zij over omgeploegde akkers, door rapenloof en bieten, en kwamen eindelijk op den breeden weg terecht. Daar hielden zij even stil en schaterden er hun dolle pret wild uit.

—Veur azeu nen dag gaf 'k wel zes moanden van mijn leven! juichte Deeske.

—Moar es da toch nie spijtig da we 't stik niet weer 'n hèn! jammerde Theofielke.—We zoên d'r nog ne kier kennen mee uitgoan.

—Bah! 't gien dat we g'had hèn, hèn we toch g'had, troostte Deeske.—Wie weet wat dat er loater nog gebeurt? Meschien geeft ouën boas ou nog wel e-kier azeu 'n stik.

Hij haalde zijn laatste sigaar uit en stak die genoeglijk-smakkend aan. Het vlammetje verlichtte leuk zijn oolijk-knippende oogjes, zijn bruinen kroezelbaard en zijn rood-glimmende koontjes. Hij voelde zich zoo echt prettig gestemd en welgedaan. Hij blies het lichtje uit en weer stapten zij gezellig in het duister naast elkaar: de groote trekbeenend en slungelend als liep hij op een hobbelbed van keien, de kleine effen-rythmisch schuivend in de gekadanseerde slingering van zijn korte armpjes, als gleed hij, roeiend overeindstaande, in een onzichtbaar schuitje voort.

Daar stond de oude, grijze molen met zijn naakt-gekruiste wieken, en ginder verre lag de groote, sombere hoeve, zwaar ingesluimerd in den dompigen nacht. Zij moesten afscheid nemen. Morgen begon alweer de lange, saaie arbeidsweek.

—Allo, Dees, sloap wel, zille; en tot zondag hè? zei Theofielke.

—Sloap wel, Teefiel, en tot zondag! antwoordde Deeske.

En smakelijk dampend verdween hij met zijn korte, kleine, vlugge pasjes in het donkerstille van het eenzaam veld.


Back to IndexNext