De opkomende zon bestraalde met een rooden gloed de glinsterende gletschers, die van de hooge steile gebergten van Groenland’s Westkust in de zee nederdalen. Tallooze ijsbergen dreven op het donkere water van de zee van Baffin, waardoor de kleine stoomboot dePandorain den zomer van 1875 zich een weg baande. Indrukwekkend was de kalmte en rust der natuur; men hoorde slechts een zacht geluid als van een verre branding, wanneer de golfjes, welke de schroef van dePandorain de IJszee woelde, onder de uitgeholde randen van de kristallen ijsvelden krulden en kabbelden tegen de blinkende kanten der ijsschotsen.Op het dek van het schip ging Beynen heen en weder. Hij stevende voor het eerst naar het Noorden, onder den roemvollen poolvaarder Sir Allen Young, die reeds twintig jaar geleden, aan boord van deFoxgepoogd had den Noordwestelijken doortocht te vinden en door het ijs langs het Noorden van Amerika, van de eene wereldzee in de andere te komen.DePandora, die zeil kon voeren en daartoe barkstuig had, was den 28sten Juli straat Davis ingezeild en kliefde den volgenden ochtend hare met schuim bedekte golven. „Trillend onder den druk harer zeilen scheen zij als bezield met diezelfde wilde vervoering, welke ons eigen hart zoo hoorbaar deed kloppen,” schreef Beynen, de verrukking herdenkende van zijn eerste zeilen te midden van het Noordsche drijfijs.„’t Was een heerlijke ochtend. Aan stuurboord van ons hulde de opkomende zon de hooge besneeuwde bergtoppen met hun diepe donkere schaduwen in een rooden gloed, waartegen ’t zilverwitte drijfijs grillig afstak, en rondom ons in alle richtingen werd de gewone eentonigheid der zee aangenaam afgebroken door die kristallenijsmassa’s, waarmede zij als bezaaid scheen, en die, naderbij gekomen, de meest fantastische vormen en gedaanten vertoonden.„De met schuim bedekte zee wierp zich al joelend en juichend in de diep uitgeholde gleuven dier lichtblauw gekleurde schotsen, die ze reeds als haar gewisse prooi beschouwde, daar zij ze langzaam en als het ware spelend naar ’t zoele Zuiden dreef. ’t Zilverwit van deze doorzichtige gevaarten werd aangenaam afgewisseld door ’t lichtgroen en helderblauw, dat zich diep in hun binnenste verschool, doch nu helder uitblonk, beschenen door de vriendelijke stralen der opkomende zon.”Deze woorden van Beynen doen ons iets gevoelen van de frissche geestdrift, waarmede hij de IJszee het eerst binnenzeilde.Het was eenige dagen na dezen schoonen ochtend,dat hij op het dek heen en weder ging, terwijl dePandorabij windstilte langs Groenland noordwaarts stoomde. Met bewondering zag hij op naar de steile kust van Groenland, welke gedurende den korten zomer van het Noorden, door haar weêrgalooze schoonheid en door de machtige vormen van haar fiere hoogten de harten treft der moedige zeelieden, die naar de IJszee varen. Groenland’s kust is een gebroken getande lijn van hooge, woeste bergen, die steil oprijzen uit het water, en hun zware, met gletschers bedekte zijden schier loodrecht meer dan 3000 voet omhoog heffen. Op deze bergen tooveren zon en dampkring de meest zonderlinge, ongestadige lichtspiegelingen, de zeldzaamste mengelingen van tinten en kleuren, gelijk Mac Gahan, Beynen’s reisgezel en vriend, in zijn aantrekkelijk boekUnder the Northern Lightsschoon beschreven heeft. Een dunne nevelsluier omhangt in breede en doorzichtige plooien de bergwanden, als wilde hij hun koude, ruwe naaktheid aan het oog onttrekken; doch tevens vangt dit reusachtige toovernet van mist en nevel het zonlicht op; het houdt de zonnestralen gevangen in zijn mazen, en dit net der Noordsche feeën hecht zich nu, als door liefkoozende streelende handen hun omgeslagen, aan de stroeve, stugge, woeste bergen, op welke de ijskoning troont, en omringt hun toppen met een lichtend waas, een stralend vlies van lichtrood en van purper, dat bijna onmerkbaar zich vermengt met den ongestadigen bleekgelen flikkerschijn der gletschers langs der bergen zijden. Scherpe, blinkende ijsnaalden ziet men hier en daar uit den dunnen nevel opwaarts rijzen, stralende in de middernachtszon. Zij zijn bergtoppen, de hoogste golven van die machtige zee van ijs, vier duizend voet diep, welke Groenland overweldigd heeft.Dit groote vasteland is in werkelijkheid niets dan een reusachtige diepe gletscher, door een rand van bergen omzoomd, welke de kustlijn vormt. De woestenij van ijs, welke door honderd voet breede kloven in elke richting doorsneden wordt, is onbegaanbaar en door geen menschenvoet betreden; doch zoo men de geheimzinnige hoogvlakte eens bestijgen kon, en hier en daar een hoogte, een heuveltje gewaar werd, zou men tot zijn verwondering ontdekken, dat die onbeteekenende verhevenheden de toppen zijn van hooge bergen, die boven de ontzaglijke ijsoverstrooming, welke de dalen gevuld heeft, uitsteken.Zoo Zwitserland duizende malen grooter ware en ijs tusschen de bergen wierd gegoten, totdat slechts de hoogste toppen er uitstaken, zou het er uitzien gelijk Groenland.Toch was dat groote vasteland eens vruchtbaar, groen en overdekt met bloesem en struiken en weelderigen plantengroei. Men vindt er groote bosschen van verkoolde boomen, en de versteende overblijfselen van dieren, die slechts in een warm klimaat kunnen bestaan. InLancasters Soundhaalt men uit de diepten van het koude water versteende koraal en sponsen op, en de steile bergkust van het door ijs overstroomde Groenland ontleent zeker een deel van den machtigen indruk, dien ze maakt, aan haar geheimzinnig verleden, aan de wonderen, grooter dan die der Duizend-en-ééne Nacht, welke de wetenschap ons weet te verhalen van het hooge Noorden.Maar het was niet aan deze wonderen dat de jonge Hollandsche zeeofficier dacht, die heen en weer ging op het dek van het kleine schip, dat in de donkere wateren van de zee van Baffin langs Groenland’s Westkust stevende, om te pogen den noordwestelijken doortocht naar Amerika te vinden, en in één zomerom den Noord van Southampton naar San Francisco te stoomen.De omgeving stemt hem wel tot nadenken, doch niet aan Groenland’s, maar aan Nederland’s verleden dacht hij. Met een diep weemoedig gevoel herdacht hij die vervlogen tijden, toen Holland’s driekleur ook in deze wateren nog het sterkst vertegenwoordigd was, toen vloten van meer dan honderd zeilen, met stoute ondernemende zeelieden bemand, uit deze nu verlaten zeeën jaarlijks schatten wisten op te halen voor ’t jong gemeenebest.En er was aanleiding voor die gedachten.Hij was te Upernavik aan wal geweest, de laatste Deensche nederzetting onder de Eskimo’s, die op een met mos bedekte, langzaam naar het water afhellende heuvelenrij gelegen is, welke van alle zijden door hooge, steile, kale bergwanden wordt ingesloten. Het dorp bestaat uit zeven houten huisjes, loodsen en voorraadschuren, en uit enkele Eskimo-hutten van steen en aardzoden opgetrokken.Onze Hollandsche zeeofficier was door de Eskimo’s op de welwillendste, meest gastvrije wijze ontvangen, en tot zijn niet geringe verbazing had hij bespeurd dat zij de herinnering aan de vroegere veelvuldige bezoeken onzer voorvaderen nog in hun taal bewaren.Ze hebben toch voor „de blanke mannen” in het algemeen slechts ééne uitdrukking, namelijk:Kabloena, doch voor Hollanders hebben zij den afzonderlijken naam vanArpanjak,d.i.mensch die den walvisch doodt.Op beide tochten landde Beynen te Upernavik, en telkens las hij de grootste verwondering en belangstelling op de gelaatstrekken der Eskimo’s, wanneer men hun mededeelde dat hij eenArpanjakwas. Hij werd bekeken en in oogenschouw genomen doorgroot en klein, en als hij langs de hutten ging, vertelden de ouders aan de kinderen: „Daar gaat deArpanjak!” Men sprak hem toe onder dien vreemdklinkenden naam, en trachtte hem door gebaren en teekenen aan ’t verstand te brengen, dat andere Eskimo’s, die nu reeds lang ter ruste waren gelegd in den bevroren grond van Groenland, hun hadden verteld, dat zij van hunne ouders veel van de Arpanjaks gehoord hadden.Een stokoud man kwam zelfs uitsluitend aan boord om hem te vertellen, hoe de vader van zijn moeder een schip van denArpanjakgezien had, dat om den Noord ging, en dat vóór hun tijd een groot aantal der schepen van de Arpanjaks jaarlijks Groenland’s haven binnenliep.Vóór het vertrek derPandorakwam een jonge Eskimo, die van den priester een weinig schrijven had geleerd, den Hollandschen officier op het Engelsche schip vragen om enkele Hollandsche woorden op papier neêr te schrijven, en met de meest mogelijke belangstelling sloegen de andere Eskimo’s luitenant Beynen gade, toen hij „Arpanjaks” voor hen schreef.Later kwam een andere Eskimo aan boord en haalde, toen hij in de kajuit was toegelaten, uit eenige oude zeehondenvellen zeer geheimzinnig eene ouderwetsche matrozentabaksdoos voor den dag, welke hij aan luitenant Beynen overhandigde, zeggende: „Arpanjak!”Tot zijn verwondering las Beynen op de doos: „’t Gezelschap van de jonge vrouw is de jongman zelden moê.” Boven deze woorden was een afbeelding van een schip, dat zeilreê lag, terwijl op het strand een zeeman van zijn liefje afscheid nam. Deze doos, welke van de 17de eeuw dagteekent, was niet lang geleden in een oud Eskimografgevonden. Waarschijnlijk was zij als een groote schat te gelijk met den eigenaar begraven. Al deze bijzonderheden en de verhalen, hem op den tweeden tocht door den tolk Christie—een Eskimo—gedaan, gaven Beynen de vaste overtuiging, dat het verhaal der stoute tochten van onze voorvaderen als een traditie van een vroegeren heldentijd onder de Eskimo’s bewaard is gebleven, en dat de tochten van den „Arpanjak” door de vaders aan de kinderen verhaald worden in den langen winternacht, welken zij, gelijk wij weten, door vertellingen pogen te verkorten.Is het wonder, dat die heldenvereering der Eskimo’s voor den Arpanjak een onuitwischbaren indruk maakte op den jongen Hollandschen zeeofficier, die onder Engelsche vlag Eskimo’s aan boord ontving?En die indruk werd zelfs dieper en dieper, naarmate hij meer van het Noorden zag, en overal de meest afgelegen baaien, kapen en eilanden door Hollandsche namen vond aangeduid.Vol stemmen is het Noorden toch voor volken, die sinds eeuwen hier de zee bevaren. De IJszee, steeds veranderend van vorm, doch steeds dezelfde, wekt een ernstig gevoel bij hen, voor wie zij een getuige is, die van vorige eeuwen spreekt, daar zij de voetstappen bewaart der kloeke mannen van het voorgeslacht. Roerende herinneringen aan het machtig verleden zijn niet slechts „het behouden Huis” op Nova Zembla; niet slechts de vele plaatsen op Spitsbergen en Mayeneiland, waar Hollandsche ontdekkers en walvischvaarders op hunne avontuurlijke tochten plachten te verwijlen, maar ook de kusten van Groenland en bovenal de zwarte kruisen met verweerde grafschriften, welke zoo in het Oosten als Westen der IJszee nog op den huidigen dag getuigen dat Hollandsche matrozen daar het leven lieten.Hoezeer de streken die hij bezocht dezen indruk maakten op Beynen, kan blijken uit den volgenden brief, dien hij den 6den Augustus aan boord van dePandoraschreef:„Van nacht ben ik voor het eerst den poolcirkel gepasseerd. Ik vind het aangenaam te bespeuren dat ik hier aan boord van nut ben en zoodoende mijn tol betaal voor het aan boord zijn. De dokter zegt dat men mijclevervindt; maar ik kan niet nalaten op te merken, wat de Engelschen dan wel zeggen zouden van zoo vele onzer Hollandsche zeeofficieren, die vrij wat meer weten.„Men heeft mij vereerd met den naamOld Tromp, naar onzen grooten admiraal, die in Engeland nog zeer geëerbiedigd is, maar Mac Gahan, de correspondent vanthe Herald,1die om de reis te beschrijven mede gaat en een alleraangenaamst mensch is, heeft voorgesteld mijYoung Trompte noemen, omdat ik de jongste aan boord en dus genoodzaakt ben, volgens luitenant Lilingston, om als de gezondheid eener dame wordt gedronken, op te staan en in haar naam te danken.„Mac Gahan geeft mij elken dag een uur les in hetEngelsch. Ik leer hier honderde dingen, die mij naderhand bijzonder te pas zullen komen.„Eer ik eindig, moet mij nog een zaak van het hart. Ik heb uit gesprekken aan boord opgemerkt, dat onze oorlog met Atjeh in Engeland den eerbied voor ons vaderland niet heeft vergroot. Men is niet voldoende bekend met hetgeen gedaan is, en oordeelt dat wij niet genoeg geestkracht getoond hebben.„Het is een sobere belooning voor zoo vele vroolijk verdragen ontberingen en den waarachtig betoonden heldenmoed van onze dappere soldaten.„Ik begrijp nu echter tevens beter dan voorheen hoe waar de woorden zijn, door Petermann geschreven: „Ik weet niet welke inzichten men betreffende deze zaken in Engeland huldigt, maar wel weet ik nu zeker, dat voor ons buitenlanders de daden en werkzaamheden van noordpoolvaarders en ontdekkers als sir James Ross en Dr. Livingstone onze achting voor Groot-Brittannië veel meer hebben doen toenemen, dan hun tocht naar Koemassie tegen de negers, welke millioenen thalers gekost heeft.„’t Is geloof ik juist opgemerkt. Naarmate ik meer hoor en lees wat men in den vreemde denkt, word ik ook meer doordrongen van de overtuiging, dat het van het grootste belang en voordeel voor ons vaderland zou zijn, om zijn oude plaats te hernemen te midden van al de vreemde zeevaarders, die jaar in jaar uit roem vergaren voor hun geboortegrond in het hooge Noorden.„Al moge Nederland niet meer als voorheen een der invloedrijkste landen van Europa zijn, daarom kan het toch in den vreemde evenzeer geëerd worden als in die oude tijden, toen de beschaafde wereld metklimmende bewondering de Hollandsche schepen stevenen zag langs de verste stranden.„De minister Gladstone zeide eens dat niets voor een maritieme mogendheid van meer belang is, vooral in tijd van vrede, dan alles wat zeelieden aanmoedigt tot het doen van koene daden en stoute waagstukken, die den handelsgeest met nieuw leven bezielen en de nationale geestdrift opwekken.„Is dit in het algemeen waar voor zeevarende mogendheden, hoeveel te meer is dit dan niet van toepassing op ons geliefd vaderland!„Hoe meer men in de vele schoone bladzijden van ons zeewezen den zilveren draad volgt, die ten allen tijde daardoor heen is geweven door nautische ondernemingszucht, hoe meer men het betreurt, dat in de laatste jaren dit voor ons vaderland zoo roemvolle terrein tevergeefs gewacht heeft op Nederlandsche arbeiders.„Zou Nederland zich langer onthouden? Nederland, dat zijn nationale grootheid bijna uitsluitend te danken heeft aan zijn zeelui; dat gewoon was zijn zonen den weg te zien wijzen over alle zeeën van den aardbol; dat reeds eeuwen geleden de wimpels heeft zien wederkeeren, die vroolijk gewapperd hadden langs tot nu toe niet weergevonden kusten? Zou Nederland, dat alles vergetende, kalm blijven toezien hoe die verre stranden één voor één doorvreemdezeevaarders wierden teruggevonden? kalm blijven verdragen dat de daar achtergelaten reliquieën doorvreemdeschepen in hunne havens wierden binnengebracht; zou het mogelijk zijn dat Nederlanders niet bloosden als ze hoorden dat de graven hunner groote zeevaarders in het hooge Noorden slechts doorvreemdekleuren wierden gegroet?„Zou dit mogelijk zijn? Zou Nederland werkelijk deeenige maritieme mogendheid zijn, die achterbleef, waar Engeland, Amerika, Rusland, Zweden, Noorwegen, Oostenrijk, ja zelfs Duitschland in een edelen wedstrijd voorgaan, om den sluier op te lichten, waarachter nog zoo veel voor de wetenschap verborgen bleef?„Wat heeft Duitschland gedaan?—Niettegenstaande het in de laatste jaren drie groote oorlogen te voeren had, en het volgens Petermann noch schepen, noch geld bezat en particuliere krachten het moesten doen, zijn er toch drie expedities naar het Noorden gezonden. Zou Nederland het kalm blijven aanzien, dat die machtige nabuur meer en meer den roem verduistert, die ons vaderland zich voorheen op zoo waardige wijze en ten koste van zoo vele dure offers verworven heeft? En dat nog wel terwijl er zoo weinig noodig is om dit te verhoeden? Ik zegweinig, want nog is de gouden aureool, door onze brave voorvaders voor de Nederlandsche driekleur gewonnen, niet verbleekt. Nog sluimert er in den vreemde (zooals ik hier dagelijks kan ondervinden) de eerbied voor onze groote mannen, en er is slechts weinig noodig om alle natiën weer met lof te doen gewagen van onzen alouden ondernemingsgeest.„Nieuwe tochten zullen zelfvertrouwen geven aan ons volkeneerbied wekken bij onze buren. Schatten worden er jaarlijks besteed, om onze onafhankelijkheid te waarborgen door forten en kanonnen. Dit is onontbeerlijk, doch niettemin is er iets nog sterker dan forten en vertrouwenswaardiger dan inundatiën, en dat is het gevoel van achting en eerbied, dat wij voor ons volk wekken in Europa, door aan de spits te gaan op wetenschappelijk gebied, door kloeke tochten van ontdekking en nasporing.„Om in ’t leven te blijven, moeten wij getrouw zijnaan onze traditiën en als weleer ons behoud zoeken op de zilte baren, die onze kust besproeien. En dit vermogen wij. Wij bezitten tal van hoogst bekwame zeeofficieren en flinke degelijke zeelui. Men geve hun slechts de gelegenheid, en ik ben er van overtuigd dat onze vaderlandsche zangen weer spoedig weerklinken zullen langs de verste stranden.”Slechts zelden is het zulk liefelijk weder in de poolstreken als op dien heerlijken ochtend toenBeynenhet eerst de IJszee binnenzeilde.DePandorahad telkens met zwaren mist en storm te kampen. Na Upernavik verlaten te hebben was Sir Allen Young dwars door Melville-baai—dat oord der verschrikking voor de walvischvaarders, die er ontelbare schepen in het ijs verloren—naar de Carey-eilanden gezeild, waar hij vruchteloos naar een steenhoop zocht, welke brieven van de Engelsche expeditie onder kapitein Nares kon bevatten. Van deze eilanden, die in Smith Sound liggen, werd westwaarts gekoersd door Lancaster Sound en Barrow-straat, ten einde langs Prince of Wales-land om de Zuid den westelijken doortocht te vinden. Het was een hachelijke tocht, want het was reeds laat in het seizoen, en de onafzienbare ijsmassa kon, zoodra de wind omliep, het schip tegen den wal plat drukken. Als een blindeman kon dePandoraenkel als het ware op den tast doorgaan, want ze ging langs onbekende kusten, op welke ze ieder oogenblik kon vastgezet worden, en nu en dan zag men, gelijk Beynen dit beschreef, „een spookachtige glimp van de benauwende ijsmassa aan stuurboordzijde, die de bemanning telkens aan haar gevaarlijken toestand herinnerde.”In Peel-Sound gekomen, doorkliefde dePandorawateren voorheen door geen ander schip bezocht, dan wellicht door de verongelukteErebusenTerror. De kusten waren eens, tijdens een sledetocht, door Sir James Ross in kaart gebracht. De compassen waren in die streek volkomen onbruikbaar, en men berekende den waren koers, dien het schip voorlag, door met den sextant den boog te meten tusschen een voorwerp recht vooruit en de zon, wier richting gevonden werd in tabellen der Engelsche admiraliteit, welke de ware richting der zon voor elk uur van den dag in de poolstreken aangeven.Indien het mogelijk ware geweest tot Ballot-straat door te dringen, zou veel gewonnen zijn, doch de wind bleef tegen, zelfs overdag begon zich het jonge ijs te vormen—het was reeds den 3den September,—en zoo men dePandoraniet wilde laten vastvriezen en overwinteren in Peel-Sound, wat tot niets gediend zou hebben, moest men terugkeeren, juist nu de doortocht oogenschijnlijk binnen het bereik van kapitein Young gelegen had. „Toen dan ook het schip ieder oogenblik gevaar liep in het ijs beklemd te geraken, besloot onze kapitein tot den terugtocht,” schreef Beynen. „Hij was innig teleurgesteld, en wij waren het niet minder. Het waren prachtige avonden geweest, waarop wij de ondergaande zon bespied hadden, als zij de toppen der met sneeuw bedekte bergen in een schitterend scharlaken rood kleed hulde en haar laatste stralen, van achter een bergrug, lange, grillige schaduwen liet werpen op het onafzienbare ijsveld der la Roquette-eilanden.„Geen rimpeltje vertoonde zich dan op de donkere spiegelgladde oppervlakte derSound. Het water door zijn eigen maaksel als het ware in boeien geslagen, zwoegende onder den zich zelf opgelegden last, lag vermoeid stil in zijn ijzeren kluisters; enwaar de zon, in zacht purperen luister, de duizend grillig uitstekende oneffenheden van die onbewegelijke ijsmassa bescheen, verbeeldde men zich aan den zoom te staan van een onmetelijk kerkhof, waarboven de wit marmeren grafzuilen zich in grooten getale verdrongen, allen gehuld in dat geheimzinnig phantastisch licht van de plechtig stille schemeruren der poolwereld.„Maar nu waren wij op onzen terugtocht en het bleek spoedig dat het daarvoor hoog tijd was. Onder dicht gereefde marszeilen liep dePandoraPeel-Sound weer uit, en passeerde op den avond van 4 September Limestone-eiland. Nauwelijks waren wij er voorbij, of wij zagen aan bakboord een uitgestrekt ijsveld aankomen, dat dreigde het schip den terugtocht af te snijden.„Daar kapitein Young tusschen de sneeuwdriften door echter een smal open vaarwater tegen het landijs aan meende te zien, besloot hij te trachten daarvan dadelijk gebruik te maken en kaap Rinnell te bereiken voor het naderend ijs hem zou insluiten, daar een storm uit het N. W. het ijsveld snel naar de kust dreef.„Het was de eenige kans, die ons overbleef, wilden wij niet den geheelen winter in Peel-Sound opgesloten blijven, en daar de duisternis snel begon te vallen, werd er zoo hard mogelijk gestoomd.„Het was een verschrikkelijke nacht; de wind wakkerde aan tot een hevigen storm, vergezeld van hagel en sneeuwjachten, en dePandorabaande zich slechts met groote moeite een weg, terwijl we den witten glans van het ons insluitend ijs aan de eene zijde, en de hooge met sneeuw bedekte kust dicht bij ons aan de andere hadden. Slechts een enkele maal gedurende dezen stormachtigen nacht vertoonde zichaan den hemel een ster, die den man aan het wiel een vast punt verschafte om op te sturen. Bij het toenemen van den wind daalde de thermometer tot 18° Fahr. en het schuim der zee, als het over het dek spatte, bleef er als ijs op liggen. Te middernacht lag de sneeuw een voet hoog op het dek, terwijl het uitzicht bijna onmogelijk werd door de warrelende sneeuwjacht, welke door den hevigen wind uit de plooien der zeilen gedreven werd. Zoo had dePandoratot drie uur haar weg vervolgd, toen wij plotseling een ijsveld recht voor ons zagen, en wel zoo dicht, dat wij door het roer te boord te leggen er slechts even vrij van liepen. Gelukkig trok de nevel bij tijds een weinig op, en nam de kommandant waar, dat dePandorain de onmiddellijke nabijheid was van kaap Rinnell, die, gedeeltelijk met sneeuw bedekt, zich in de nachtelijke duisternis spookachtig voordeed. Slechts voor een enkel oogenblik deed zich deze verschijning aan ons oog voor; het volgende oogenblik heerschte weer de diepste duisternis. Zoo bleef dePandoradrie angstige uren aan den wind liggen, toen het weer opklaarde en van top eenige beweging in het ijs werd waargenomen, waardoor wij de zwakste plaats er van gewaar werden. Oogenblikkelijk werd het schip in die richting verder gestuurd, en het slaagde er in, meerder zeil voerende en met volle kracht stoomende, door de zwakste plaats van het ijs heen te breken, en het open vaarwater van Barrow-straat te bereiken.„Onder dichtgereefde marszeils stoof dePandoranu, voortgestuwd door stormweêr uit het W. N. W. door Barrow-straat en Lancaster Sound, zonder eenig ijs meer te zien, ofschoon daarom gedurende de donkere nachten niet minder goed moest uitgezien worden. Het is in zulk weêr ongeloofelijk moeielijk een slechtsweinig boven water uitstekende ijsmassa te onderscheiden van de wit gekrulde toppen der golven, terwijl een aanzeiling van zulk een vaak diep onder water uitstekende ijs-schol de noodlottigste gevolgen voor schip en bemanning kan na zich slepen.„Den 7den September was dePandoraweer in het open North-water, en besloot kapitein Young nog eenmaal een poging aan te wenden om eenig spoor van de gouvernementsschepen te vinden, door opnieuw de Carey-eilanden te onderzoeken.„Nooit te voren hadden ontdekkingsschepen op deze hooge breedte zoo laat in het jaar de zee nog bevaren. Vóór den 5den September hadden zij steeds hun winterkwartieren weder betrokken. En de noodzakelijkheid hiervan toonde het schip zelf spoedig aan. Onze kommandant had dan ook de voorzorg genomen alle zeilen dicht te reven, en dit was ook goed, want nu waren zij volkomen onhandelbaar.„Want en stagen waren geheel met ijs bezet; de romp van het schip was één ijsklomp, de zeeën vielen, als zij over de verschansing kwamen, als ijs op het dek neêr, zoodat men slechts met veel moeite over het beweeglijke, gladde dek kon voortkomen, en de zeilen waren zoo stijf als een plank geworden, zoodatb.v.het neerhalen van den kluiver een niet op te lossen vraagstuk was. En dan bovendien zwaar weêr uit hetN. N. W., vergezeld van hevige sneeuwstormen, en een hooge, korte, moeielijke zee.”Het moedige waagstuk van kapitein Allen Young om nauwelijks uit het ijs gered, nogmaals om den Noord te gaan en, tegen den storm in, Smith-Sound in te stoomen werd beloond. Op het zuidoostelijkste der Carey-eilanden werd een cairn, eene steenhoop ontdekt, welke er niet was bij het vroeger bezoek. Vrijwilligers werden gevraagd om aan wal te gaan,wat zeer gevaarlijk was, want het stormde, de branding was fel, en de rotsklippen steil. Luitenant Lilingston en Beynen boden zich aan. De top, welke 170 meters hoog was, werd slechts met de grootste inspanning door hen bereikt, daar zij telkens tot aan de heupen in de broze sneeuw zakten en teruggleden. De koude noordenwind, die over en langs dien top huilde, deed hun kleeren tot een vasten sneeuwklomp bevriezen, doch zij volhardden, en vonden boven in de cairn een tinnen koker, waarin een verzegeld pakket, dat aan de Engelsche admiraliteit was geadresseerd.Nu werd de steven gewend, en liep dePandoravoor den storm weg om de Zuid en kwam reeds den 19den September te Disco. Daar moest het ontdekkingsjacht vier dagen blijven wegens noodweer, en had Beynen gelegenheid het leven der Eskimo’s te leeren kennen, waarvan hij in zijn verslag een aanschouwelijke beschrijving gaf.Door N. W. stormen voortgejaagd, liep dePandorareeds den 16den October te Portsmouth binnen.In het vaderland teruggekeerd, werd Beynen op non-activiteit gesteld en schreef hij voor den minister het verslag van de reis, dat het volgende jaar door het Aardrijkskundig Genootschap werd uitgegeven, en waaraan ik een en ander ontleende. Het verslag eindigt met de volgende kenschetsende woorden: „Wel is het jammer, dat in ons vaderland de schoone ondernemingstochten naar het hooge Noorden tot het verledene behooren. Onze vroegere poolreizen waren toch van groot belang, niet alleen voor de wetenschap, maar ook vooral als een uitstekende leerschool voor die stoute zeelieden, die de eer van ons land zoo vaak op alle zeeën van den aardbol ophielden. Zouden hedendaagsche poolreizen die voordeelen niet meer bezitten?„En is het dan niet in het belang der zeevarende natiën om zulke ondernemingen te steunen en aan te moedigen, der wetenschap tot gewin, den handel tot voordeel, en zich zelven tot roem en eer?”Toen dit verslag gereed was, werd hij geplaatst op het wachtschip te Hellevoetsluis, waar hij den 1sten Januari 1876 aan boord kwam. Hij bleef hier aan het werk, om zich meer en meer te bekwamen voor tochten naar het Noorden. Hij schreef den 12den Januari:„Ik bestudeer op het oogenblik meteorologie uit het boek van prof. Mohn, dat in het Duitsch vertaald, werkelijk prachtig is. Nu en dan, als ik iets lees dat mij van belang voorkomt om te weten en te onthouden, schrijf ik het over. Ik vertaalde dezer dagen ook eene lezing van luitenant Weyprecht, in Gratz gehouden, welke inderdaad zeer belangrijk is. Ook heb ik mij op de hoogte gesteld van het plan van den voor Parijs gesneuvelden franschen zeeofficier Gustave Lambert. Het spijt mij dat ik er de overtuiging door gekregen heb, dat hij niet voldoende op de hoogte der Noordpoolzaak was, en ik geloof dan ook dat zijn roemvolle dood hem behoed heeft voor tal van teleurstellingen. Zijn onbekendheid met de ijsnavigatie brengt hem tot geheel verkeerde conclusies. Hij geloofto.a.aan een open Poolzee, ontstaande: „d’après les lois de l’insolation”!De brieven raadplegende door hem geschreven in de enkele weken, welke hij in het vaderland doorbracht eer hij op nieuw naar het Noorden ging, werd ik getroffen door al hetgeen hij in dien tijd gelezen en bewerkt heeft, om op het gebied der Noordsche aardrijkskunde zich te huis te gevoelen. Tevens bestudeerde hij meteorologie, daar hij met het doen van weerkundige waarnemingen zou belast worden op dePandora; hij poogde uit professor Tyndall’s boekiets van de formatie van gletschers te leeren, en hij was verdiept in een Duitsch werk van Erman over het aardmagnetisme.In de maand Mei ging hij weder, met ’s konings toestemming, op het verzoek door Sir Allen Young aan den minister van marine gericht, naar Engeland, en zeilde hij den 31sten dier maand voor den tweeden keer met dePandoranaar de IJszee.Bij het begin der reis schreef hij aan boord van het ontdekkingsvaartuigo.a.het volgende aan kolonel Jansen:„Ik voel zoo vaak hoe oneindig veel ik mis, hoe weinig ik weet, en bij herhaling is het verlangen bij mij opgekomen, dat, van den beginne af, aan oudere meer ervaren en kundiger handen de plicht om dit alles te doen ware toevertrouwd. Ik had dan met mijne geringe krachten kunnen helpen en steunen, maar zou dan in het tweede gelid gestaan hebben en dus op eene plaats welke mij beter voegde. Zeer vaak is dit gevoel zoo sterk geweest dat ik er mij verdrietig door voelde. Dit zal nog wel dikwijls het geval zijn, en ik kan dat bewustzijn alleen weren door zoo hard te werken als ik maar vermag. Ter wille van het groote belang der zaak voor ons geliefd vaderland hoop ik mij vast te houden aan uw raad, om ook in deze zelfbeheersching te oefenen.„Maar welk een heerlijke taak dan ook, te mogen medewerken om den ouden sluimerenden heldengeest van ons volk te doen herleven! Dit is een leven waard van teleurstellingen en zorg, en zeker, die zullen in overvloed op dien weg te vinden zijn. Maar ik hoop den moed te hebben om met waarachtige toewijding, met volkomene zelfverloochening en vooral zonder denkbeeld van eigenbaat, met mijne geringe krachten voor dat doel te werken. En toch dit is niet gemakkelijk,want zulk een plicht, ernstig aanvaard, eischt vaak dat men wat ons innig lief is prijsgeeft en opoffert!… Alles moet men echter over hebben voor een doel dat—eens bereikt—tot roem en eer zal strekken van koning en vaderland. Moge dan ook deze nieuwe reis op het vreemde ontdekkingsschip een heerlijke leerschool zijn voor mij, die vruchten draagt voor mijn geheele volgende loopbaan.„Eén ding is zeker, dat ik onder alle omstandigheden als een waar Nederlandsch zeeman mijn plicht stipt hoop te vervullen, en mij door geen gevaren, ontberingen en moeielijkheden zal laten afschrikken in zeeën, die voorheen getuigen zijn geweest van zoo menige kloeke daad onzer stoute voorvaders!”Beynen diende weder onder Sir Allen Young, den eigenaar van het schip, doch er was een nieuwe eerste officier aan boord, genaamd Arbuthnot. Luitenant Pirie deed de reis op nieuw mede, en luitenant Alois von Becker, van de Oostenrijksche marine. Dr. Hörner en de heer Grant, die als vrijwilliger en photograaf medeging, waren de verdere officieren.De reis ging voorspoedig totdat dePandorain straat Davis was gekomen. „Reeds verheugden wij ons in ’t vooruitzicht van binnen enkele dagen Disco te bereiken,” schreef hij, „toen de wind naar het noorden draaiend ons tegen liep.„Tien dagen achtereen moest dePandoranu opwerken. Meestal was het helder zonnig weder, doch iederen avond tegen 10 uur, als de zon haar kracht verloor, koelde de atmosfeer dermate af, dat de vastgehouden waterdamp zich als een dicht floers om dePandorahulde, hetgeen het uitkijken zeer moeielijk maakte.„Het waren kille onaangename nachtwachten,waarin het hard woei. Door de korte, moeielijke zeeën slingerde het scheepje zoo hevig, dat men zich voortdurend aan iets moest vasthouden om op het dek staande te kunnen blijven, en wanneer men in die positie gedurende vier uren, met een kouden noordenwind in ’t aangezicht, onafgebroken staat te turen in den dichten nevel, waaruit telkens in de onmiddellijke nabijheid van het schip reusachtige ijsbergen als spookgestalten opdoemen, dan laat het zich begrijpen dat de wacht ons onder zulke omstandigheden dubbel lang schijnt.„Den 29sten Juni bij het aanbreken van den dag verkenden wij het eerste land in het oosten en sedert werden de met sneeuw bedekte toppen van Groenland bij helder weêr niet meer uit het oog verloren.”Toen zij den 6den Juli Disco-eiland naderden, en dePandora, voor het eerst sinds zij Engeland verliet, stoom opmaakte om onder lij van het hooge bergland te kunnen vorderen, schreef Beynen het volgende aan kolonel Jansen:„Op de hondenwacht passeerde luitenant Pirie het eerste drijfijs en toen ik te 4 uur ’s ochtends de wacht van hem overnam, zag ik dat het ijs telkens in hoeveelheid en omvang vermeerderde. Ik nam de gewone maatregelen: liet van top uitkijken in welke richting de zee er het meest vrij van ijs uitzag, minderde zeil, liet de brassen over en weêr achter de hand klaar leggen, en toen ik de overtuiging had gekregen dat het meer dan enkele losse (van het land gedreven) ijsschotsen waren, liet ik kapitein Young waarschuwen. De zee was spoedig geheel er meê bedekt, en de oude, grillig uitgegroeide en verweerde ijsmassa’s lieten ons weldra niet den minsten twijfel, of we waren in een door zwaren wind uit het land gedreven stroom Spitsbergen-ijs geraakt.„We koersten derhalve om de West, ten einde er zoo spoedig mogelijk uit te zijn, waarin we, na drie uur vechtens met het ijs, slaagden. Op sommige plaatsen waren de dreigend hooge schotsen zoo dicht op elkander gepakt, dat een botsing niet te vermijden was. Dan werd de zwakste plaats uitgekozen voor den aanval, en de dichtgereefde marszeilen—de eenige die wij voerden—werden bovendien nog opgegord om de vaart te verminderen en de aanraking zoo zacht mogelijk te doen plaats hebben, opdat de ijsschotsen tijd en gelegenheid mochten vinden aan weêrszijden uit te wijken …„Het is nu de avond van 6 Juli, om negen uur. Ik kom zooeven van de wacht en zit in mijn eigen kleine hut om mij een weinig met u te onderhouden. We hebben prachtig weder. Een stijve bries uit het W. N. W. doet dePandoramet een 6 mijls vaart tegen de witgetopte golven oploopen. De lucht is helder blauw, en de zon, welke ons zelfs te middernacht niet verlaat, veroorzaakt de heerlijkste tinten, de meest phantastische schaduwlijnen op de vele groote ijsbergen, welke ons aan alle zijden omringen. Tal van vogels volgen al spelend ons kielwater en hier en daar blaast een walvisch vergenoegd een straal water in de lucht.„Ik ging omlaag om mijn gevoel te uiten. Het geheele schouwspel stemde mij tot nadenken, want wij zijn thans opvoor Nederlandersklassieken grond. Aan stuurboord van ons liggen de Visch- en Honden-eilanden, en recht vooruit verrijst duidelijk het zwarte land van Disco boven den horizon. Wij zijn aan den ingang vanDiscofjorden al die eilanden, baaien en kapen zijn eenmaal getuigen geweest van de koene daden onzer oude zeevaarders. In die tijden, toen de Hollandsche vlag ook aan deze zijde van denPoolcirkel nog de meest geëerde, meest gevreesde en zeker talrijkst vertegenwoordigde was, had men jaren dat meer dan 150 schepen in deze wateren rondkruisten. Welk een levendigheid en vertier in deze nu zoo doodsche en verlaten zeeën! Het is daarom met een bijna droevig en zeker weemoedig gevoel, dat ik die roemrijke dagen herdenk, nu ik onder Engelsche vlag die klassieke wateren bezeil … Zou het voorspoedige Holland van onze dagen niet meer in staat zijn tot wat het weleer in ongunstiger omstandigheden vermocht?„O! mocht er weer nieuwe ondernemingszucht in het dierbare vaderland komen: moge het voorbeeld van Venetië het tot waarschuwing strekken.”Uit de merkwaardige kolenmijnen van Kudliseat vulde dePandorahaar voorraad met 50.000 kilo aan. De officieren hieuwen de steenkool uit de rots in groote stukken die dan naar beneden rolden op het strand, van waar zij door de matrozen aan boord gebracht werden. Tot tweemalen toe werden de werkzaamheden een eind verplaatst, schreef Beynen, omdat de kool aldaar gemakkelijker te bekomen was; het zware werk werd door officieren en manschappen met lust en ijver verricht. En een nagenoeg onafgebroken arbeid van ’s morgens 5 tot ’s avonds 8 uur is onder gewone omstandigheden voldoende om een mensch naar rust te doen verlangen!Maar aan boord derPandorakende men geen vermoeienis! Beynen schreef: „Het vreemde van het voortdurend dag zijn, dat zoo lang men er niet aan gewend is, zich tegen geregelde slaaptijden verzet, deed zich ook nu gevoelen; in plaats dat de vermoeide ledematen rust namen, leverde het onafgebroken geweervuur, dat ’s nachts de eenden en andere vogelsuit hun slaap deed opschrikken, op nieuw een bewijs, dat het gezonde Noordsche klimaat het menschelijk gestel als het ware weet te verstalen.„Den 14 Juli ’s avonds met kapitein Young op Disco-eiland jagende, stieten wij onverwachts op een klein Eskimo-kamp.„Het bestond uit twee zomertenten, die aan den voet van een steilen bergwand waren opgeslagen.„Vijf of zes kayaks waren op ’t strand gehaald en een familie van 12 Eskimo’s hield zich met verschillende huiselijke werkzaamheden bezig. Terwijl een oude vrouw het zeehondenvleesch voor den maaltijd bereidde, arbeidden de mannelijke Eskimo’s aan het herstellen van eenige kayaks, terwijl de vrouwelijke familieleden zich onledig hielden met het verwerken van gedroogde huiden. Stil en kalm werd dit alles verricht, en slechts nu en dan, wanneer een der Eskimo’s met een goeden buit van de jacht terugkeerde, ontstond er eenige drukte en beweging. Het was een vreemd, schilderachtig geheel, dat kleine rustige Eskimo-kamp, en volop genoten wij het heerlijk schoone natuurtooneel met zijne eigenaardige stoffeering. Verderop waren de stilte en kalmte, die alom heerschten, indrukwekkend, en slechts nu en dan werden deze afgebroken door het klagend geschreeuw van de rustelooze zeemeeuw of het zachte geluid als van verre branding, dat de golfjes aan onzen voet veroorzaakten, als zij zich stoeiend en spelend onder den uitgeholden rand eener kristallen ijsmassa krulden.„De tusschen de rotsen gesmolten sneeuw, die zich als een zilveren draad door een bed van donkergroen mos slingerde, vloot statig en langzaam naar het kale strand, waar zij zich een opening lekte door den ijsklomp, die haar het bereiken der zee scheen tewillen betwisten. De zon, die laag aan den hemel zich traag langs den noordelijken horizon voortbewoog, vergulde nog maar alleen de wit besneeuwde kruinen der hooge bergtoppen, waardoor het zwarte land van Disco een nog donkerder en grimmiger tint dan gewoonlijk verkreeg. En wanneer men voor een oogenblik heên staarde over het spiegelgladde watervlak, dan werd het oog geheimzinnig geboeid door de gletschers en bergtoppen van Groenland’s westkust, die door luchtspiegeling in duizend grillige gedaanten vervormd, ons den indruk gaven alsof moeder natuur met onze stille verrukking den spot wilde drijven.„Die heerlijk schoone natuurtooneelen in straat Waaigat, zoo geheel verschillend van wat men in andere hemelstreken ontmoet, zullen dan ook voor allen die ze mochten aanschouwen, onvergetelijk blijven, en geheel daarvan vervuld keeren wij naar dePandoraterug.„Nadat de Eskimo’s die ons bij het kolen laden behulpzaam geweest waren, behoorlijk betaald en bovendien nog met verschillende geschenken overladen waren, werd de reis verder voortgezet. Met ruim 170 ton steenkolen aan boord, stoomde dePandoralangzaam om de Noord.”Toen dePandoraden 22sten Juli de gevreesde Melville-baai naderde, bleek het een slecht ijsjaar te zijn. Zoover Beynen uit het kraaiennest zien kon, strekten zich, ten noorden van het schip, in alle richtingen de zoo beruchte ijsschollen en velden van Melville-baai uit. Aanschouwelijk heeft hij beschreven hoe dePandorain het ijs bezet geraakte en door het kloek besluit van kapitein Young gered werd.„De wind woei den 26sten Juli uit het zuidwesten, dus uit den ongunstigsten hoek, daar hij dan al hetijs der baai in elkaâr schuivende den doortocht zeer bezwaarlijk maakt. Toch scheen in den beginne alles zeer voorspoedig te zullen gaan.„Door een zonnigen zomerdag begunstigd, te midden eener indrukwekkend schoone omgeving, liep dePandoramet alle vierkante zeilen bij tusschen de fantastische ijsbergen door, waarvan er meer dan honderd in zicht waren en die, door de ruwe heuvelachtige ijsvelden vereenigd, met deze een verbond schenen te hebben gesloten, om haar het verder doordringen te beletten. Maar ongedeerd volgde ons klein schip, door de tegenstelling nietiger en kleiner dan ooit, den kalmen, donkeren waterweg, die zich als een slang tusschen de glinsterende ijsgevaarten kronkelde, terwijl deze in vorm en gedaante de meest verschillende zaken voorstelden. Nu eens vertoonde zich aan ons oog een hoog oploopend amphitheater, dat terug deed denken aan de Grieksche spelen, dan weer een oude ingestorte ruïne met nog enkele opstaande Gothische gewelven. Statige zuilen en kunstige pyramiden werden afgewisseld door sterke kasteelen en puntige dorpstorens, die in wit marmer uitgehouwen meesterstukken van architectuur vormden.„’s Middags echter wakkerde de wind meer en meer aan, zoodat weldra alleen de dichtgereefde marszeilen konden bijgehouden worden. Toch liep dePandoranog vijf of zes mijl, maar ook de ijsvelden zeilden zeer snel en begonnen de grenzen van het bevaarbare water, voor ons uit, al meer en meer te beperken.„’s Avonds te 5 uur kwam er bovendien nog een zware mist opzetten en te 6 uur was deze zoo dik, dat onze gezichteinder tot den verbazend grooten afstand van nauwelijks honderd meter werd beperkt. Het zijn vooral deze onophoudelijk voorkomende noordsche nevels die de ijsvaart zoo moeielijk engevaarlijk maken, en wanneer zij plotseling al het schoone van de omringende natuur achter een dicht omhulsel verbergen, is de indruk telkens weer even onaangenaam. De tegenstelling is dan ook zoo groot. Het eene oogenblik een lieve zonneschijn, die leven en kleur aan alles bijzet, en ’t volgende een grauwe akelige mist, die den vroolijksten aan boord tot droefgeestigheid stemt. Enkele malen even snel wegtrekkend als hij onverwachts gekomen is, houdt hij soms dagen achter elkaar aan. Gewoonlijk hangt hij laag op ’t water, zoodat de blauwe lucht voortdurend zichtbaar blijft.„Voor een ieder onaangenaam, is zulk weer voor den gezagvoerder, die de verantwoordelijkheid welke op hem rust gevoelt, een ware beproeving. Het onbekende vertoont zich dan aan hem in al zijn verschrikkingen. Was het te voren reeds moeielijk tusschen de uitgestrekte ijsmassa’s door te sturen, nu men de bewegingen daarvan niet meer nauwkeurig volgen kon, werd het varen steeds bezwaarlijker! Ook nu weer ondervonden wij al het moeielijke van zulk een toestand.„De vaart werd zooveel mogelijk verminderd, doch met de laagscheepsche zeilen alléén bij, liep het scheepje toch nog 3 mijl. Zooveel mogelijk werd om de noordwest gekoerst, doch het spreekt van zelf, dat men daar ieder oogenblik van moest afwijken om de ijsbergen en ijsvelden te ontwijken, die al dichter en dichter schenen samen te pakken. Tot acht uur ’s avonds ging dit nog redelijk goed, doch toen blonk door den nevel heen de glans van scholijs ons van alle kanten tegen.„Gelukkig had kapitein Young order gegeven de vuren aan te steken en stoom op te houden, zoodat wij met behulp daarvan snel konden afhouden. Hetschip lag noordoost voor en de wind, die zuidelijk was, kwam dus aan stuurboord in.„De ra’s rond te brassen, en de schoten der langscheepsche zeilen over te redderen was ’t werk van een oogenblik.„Naarmate dePandoraden zoom van ’t ijsveld volgde, doemden achtereenvolgens verschillende ijsbergen op, die den rand er van omgaven. Spoedig bleek, dat wij te midden van een dichte groep dier reusachtige gevaarten waren geraakt, die ons door den nevel heen van alle kanten grimmig aanstaarden.„De bevelen, door kapitein Young met kalmte gegeven, werden echter flink en oogenblikkelijk uitgevoerd en zonder te aarzelen stuurde onze onverschrokken gezagvoerder de kleinePandoratusschen enkele dezer gevaarlijke massa’s door, zoodat zij spoedig in een veiliger omgeving weêr langzaam om de noordwest liep. Een oogenblik scheen de toestand nu gunstiger te zullen worden. Het water werd meer open. Tal van „rotches,”2die de nabijheid van land verraadden, vlogen overal rond en voor meer dan een uur was er, voor zoover de nevel toeliet te oordeelen, geen ijs te zien.„Reeds begonnen wij ons te vleien spoedig kaap York en het open „Northwater” te zullen bereiken, toen wij in den vroegen morgen van den 23sten op nieuw uitgestrekte ijsvelden ontmoetten. Gelukkig werd daarin een breede opening ontwaard en meer dan een uur volgde dePandorain een noordelijke richting dit kronkelend wak. Toen sloten zich de ijsmassa’s echter dermate, dat een andere weg moestgezocht worden en zoo koersten wij eerst west en later meer zuidwaarts, toen uit het kraaiennest het bericht klonk, dat verder voortgaan onmogelijk was. Zoodra kapitein Young zich hiervan overtuigd had, besloot hij zoo spoedig mogelijk uit dit bedriegelijke wak terug te keeren.„Juist door in een soortgelijk geval te willen afwachten tot het ijs zich verder zoude openen, was deFoxin 1858 voor den geheelen winter in Melvillebaai vastgeraakt. Dadelijk werd order gegeven om over stag te gaan, de zeilen werden geborgen en onder stoom beproefden wij denzelfden weg terug te sturen. Dit bleek echter spoedig volkomen onmogelijk. De wind, die sterk doorstond, hield de geheele ijsmassa in een voortdurende beweging, waardoor de positie van de ijsvelden onderling zoodanig gewijzigd werd, dat het ondoenlijk bleek den eens afgelegden weg terug te vinden.„In alle richtingen vertoonden zich nu breede, veelbelovende openingen, doch de dichte nevel maakte het volstrekt onmogelijk te beslissen, welke weg het best naar meer open water voeren zoude. DePandorabevond zich in een waar labyrinth van ijs. Bij herhaling moest zij, om van het eene wak in het andere door te dringen, zich door ijstongen van 40 tot 50 meter breedte heênbreken. De openingen sloten zich vaak weer zoodra zij er doorheên was en niet voor den middag drie uur slaagden wij er in, haar in betrekkelijk open water aan een ijsschol te ankeren.„Kapitein Young besloot nu het optrekken van den nevel af te wachten, van welke gelegenheid een ieder aan boord gebruik maakte, om eenige uren rust te gaan nemen. Gedurende den nacht sneeuwde het hard, en toen den volgenden morgen de lucht opklaarde, bleek het dat dePandorain een grooten, geheeldoor ijs ingesloten waterpoel lag. Daar uit ’t kraaiennest over het ijs heen echter meer water gezien werd, besloot de gezagvoerder onverwijld te beproeven zich daarheen een doortocht te banen. Hij koos daartoe een opening, die tusschen twee ijsvelden door de kortste en beste gelegenheid scheen aan te bieden.„Onder zeil en stoom werd dePandoratusschen de ijsvelden ingedreven. Deze bleken echter grooter weerstandsvermogen te bezitten dan wij hen (te oordeelen naar de vele wakken en poelen, die hen in alle richtingen doorkruisten) op het oog hadden toegekend, en weldra was het ten eenenmale onmogelijk er verder in door te dringen.„Daar het echter scheen, alsof de schotsen zich langzaam van elkaar schoven, hoopte kapitein Young, dat deze beweging ons spoedig in staat zou stellen het open water te bereiken.„DePandorableef dus liggen waar zij was, doch dit werd haar ongeluk, want in weinige minuten had het altijd bewegelijke ijs haar van alle zijden dermate ingesloten, dat het onmogelijk was (zelfs met de machines volle kracht slaande) haar in ’t minst te bewegen.„Het ijs omringde het schip nu al meer en meer en voerde het in een noordelijke richting gevankelijk met zich mede. DePandorawas in het ijs bezet.„IJsbergen en ijsvelden worden door wind en stroom altijd voortbewogen en daar gene veel meer diepgang hebben dan deze, verplaatsen zij zich langzamer. Wanneer nu de zware massieve ijsberg door het veel lichtere ijsveld wordt ingehaald, scheurt dit in alle richtingen.„Is een schip in een omgeving van ijsbergen tusschen de ijsschollen bezet, dan verkeert het bijgevolgvoortdurend in gevaar tegen zoo’n berg aangedreven en te pletter gedrukt te worden.„Tegenover deze verbazende natuurkrachten vermag de zeeman niets; geen menschelijke middelen zijn dan in staat het schip te redden.„In zulk een toestand was dePandoranu geraakt. Juist waren wij te één uur met ons eten begonnen, toen het scheepje een geweldige ijsdrukking onderging, die alle deelen er van deed steunen en kraken. Dadelijk snelden wij naar dek en zagen daar dat de ijsschotsen door drie groote ijsbergen in hun vaart gestuit tegen het schip begonnen op te kruien. Naarmate het schip de ijsbergen naderde, werden de drukkingen heviger en veelvuldiger.„Groote zware ijsmassa’s stapelden zich tegen den achtersteven op, vulden den schroefkoker en kruiden aan bakboord bij het groot spant tot over de verschansing.„Het schip uit het water geperst en over stuurboord geworpen, werd in dezen hulpeloozen toestand rechtstreeks in de richting der ijsbergen gedreven.„Het ijs door een stijve bries uit ’t zuiden opgestuwd, sloot zich meer en meer. De weinige waterpoelen, die uit ’t kraaiennest ’s morgens hier en daar zichtbaar waren, verdwenen de een na den ander, en weldra was de oppervlakte der zee herschapen in een uitgestrekt onafzienbaar ijsveld; Melville-baai was in den waren zin des woords „een ijszee.”„Intusschen werd de afstand tusschen het schip en de vreeselijke gevaarten steeds kleiner en kleiner. De grootste was nog slechts 200 meters verwijderd en ieder hield zich overtuigd, dat zoo er geen wonder geschiedde, dePandoratusschen de ijsbergen en de tegen haar opkruiende ijsschollen te pletter zou gedrukt worden. Toch werden alle pogingen aangewend,om het schip weer vlot te krijgen, doch hoewel wij met bijl en moker de door middel van buskruit opgescheurde ijsmassa’s trachtten weg te werken en alle krachten inspanden om met behulp van rondas en spil het schip in eene dus ontstane opening te krijgen, moesten wij toch eindigen met alle verdere pogingen om dePandorain beweging te brengen op te geven.„Al het mogelijke was beproefd, doch ons schip was en bleef onwrikbaar in het ijs bezet. Intusschen naderden wij de ijsbergen steeds meer en meer en werd het gevaar dreigender.„Te drie uur gaf kapitein Young bevel alle maatregelen te nemen om op het laatste oogenblik behoorlijk gereed te zijn, het schip met booten en ijssleden te verlaten.„Nadat een ieder zich den zeildoeken ransel (waarin het hoogst noodige naar een bepaald model zoo doelmatig mogelijk gepakt was) op den rug had gebonden, werden de ijssleden voor de hand gezet en de booten met instrumenten, wapens en provisiën gevuld.„Tot 6 uur ’s avonds bleef deze angstige onzekerheid omtrent het behoud van het schip voortduren, maar toen dreef dePandoramet de schotsen ongedeerd tusschen de ijsbergen door, ofschoon zij een daarvan, die hoog boven haar tuig uit stak, zóó nabij passeerde, dat men van het kluifhout zonder moeite er op had kunnen overspringen.„’s Nachts te 12 uur brak het ijs van zelf rondom het schip op. DePandorarechtte zich en lag weldra weêr vlot in een klein wak in ’t ijs, dat aan lij van de ijsbergen ontstaan was en in de taal der Engelsche walvischvaarders „an open hole” wordt genoemd.„De Eskimo-tolk Christie, met zijn kajak hierin rondroeiende, had het geluk onzen eersten zeehondte schieten. Daar wij reeds lang gewenscht hadden versch vleesch te bezitten, was dit voor ons een belangrijke gebeurtenis, en groot was dus aller teleurstelling, toen wij den volgenden morgen ontwaarden dat onze onverzadelijke Eskimo-honden zich gedurende den nacht van den buit hadden meester gemaakt.„Enkele malen kon men onder ’t ijs duidelijk een westelijke deining bespeuren, wat als een zeker teeken beschouwd werd, dat veel open water in die richting aanwezig was. Het was merkwaardig om de wijze gade te slaan, waarop het groote donkere ijsveld aan stuurboord van ons een langzaam golvende beweging aannam.„De ongeduldige spanning aan boord was nu zoo groot, dat, hoewel de mist ons belette open water te zien, wij toch beproefden ons door stoom een doortocht te banen, hetwelk echter spoedig bleek ondoenlijk te zijn, en daar de kommandant vreesde, dat de schroef door onze half wanhopige pogingen zou breken, werden ze weldra gestaakt.„’s Nachts van den 27sten Juli de wacht hebbende, had ik het geluk een ijsbeer te schieten, die ons op eenmaal een goede hoeveelheid versch vleesch verschafte. Van achter een ijsberg te voorschijn tredend, beschreef hij ronde kringen om het schip.„Nu eens dichter bijkomende en dan weêr verder afgaande, stond hij ieder oogenblik stil om de lucht in te snuiven, en werd dan telkens verleid meer te naderen, door den scherpen reuk van bedorven zeehondenvleesch, dat in ’t want hing en bestemd was tot voedsel voor de honden.„Het was doodstil op dek; het wachtvolk was omlaag; de honden sliepen en er geschiedde niets dat hem kon doen verschrikken. Niet vóór hij tot op 50 passen afstand van het schip gekomen was, ontvinghij een schot in den kop, waardoor hij eerst recht opsprong en daarna achterover op zijn rug rolde.„Ziende dat hij nog trachtte zich op te richten, liep ik over het ijs naar hem toe, doch had het ongeluk, terwijl ik mijn geweer onder het voortgaan weder laadde, tusschen twee der ijsvelden in het water te vallen. Gelukkig kwam ik er met een koud nat pak af en miste den welkomen buit niet, daar de onderofficier der wacht toesnelde en den beer doodschoot.„In den laten avond vlogen steeds duizenden en duizenden rotges in een noordwestelijke richting over het schip heen, om den volgenden morgen in tegenovergestelde richting terug te komen.„Hun vlucht was echter, zooals kapitein Young opmerkte, veel te hoog om hoop te geven dat er open water dicht bij was, en hoofdschuddend herhaalde hij: „When birds fly so high as that, they surely have to make a long way.” („Als vogels zoo hoog vliegen hebben ze een langen afstand voor zich.”)„Sinds den 22sten Juli was het steeds mistig geweest, zoodat geen observaties hadden kunnen genomen worden, doch in den voormiddag klaarde het weer gelukkig op en bleek uit de gedane waarnemingen dat dePandoraeen goed eind om de noord tot midden in Melville-baai gedreven was. In alle richtingen lag het ijs dicht aaneengesloten, zoodat uit het kraaiennest nergens water gezien werd.„Toen de nevel optrok, ontrolden zich voor onze oogen de zoo beroemde schoone natuurtafereelen, die Melville-baai meer dan eenige andere plaats in het hooge noorden den zeevaarder aanbiedt.„De hooge besneeuwde kust van Groenland met haar talrijke gletschers werd nu op nieuw zichtbaar en de onafzienbare heuvelachtige ijsvlakten, overal afgebroken door prachtige ijsbergen, vormden door de zonbeschenen een heerlijk grootsch schouwspel. Het was bladstil en dePandoralag als ’t ware ingesluimerd in haar kleinen waterpoel.„Bood het natuurtooneel ons in hooge mate veel te genieten aan, de gedachte aan den toestand waarin ons schip verkeerde was alles behalve opwekkend. Kalm en rustig en onbewegelijk als nu die onafzienbare ijsvlakte zich aan ons oog voordeed, sluimerden daarin de ontzettende natuurkrachten, die als zij door een storm werden wakker geschud, ons scheepje van alle kanten zouden aangrijpen. Misschien zouden wij er in slagen aan al deze gevaren te ontsnappen en het open North-water te bereiken, maar even goed bestond de kans, dat wij in het ijs gevangen bleven en daarmede machteloos om de zuid werden gevoerd, of dat dePandora, evenals deHansaen zoo menig ander schip, in den strijd met den onverbiddelijken vijand naar de diepte ging. Dan zouden wij ons in de booten moeten trachten te redden, doch ook dit bleef in hooge mate een gevaarlijke en onzekere onderneming.„Evenwel het zou ons laatste redmiddel zijn, en dien ten gevolge werden dan ook alle maatregelen genomen en de provisie en benoodigdheden van de booten voor de hand gezet. Er werd bepaald dat de booten een maand proviand zouden innemen en dat men voor het verder voedsel op de geweren zou moeten vertrouwen.„Wij hadden het voorbeeld van Barents en van de Oostenrijksche en Amerikaansche expeditiën voor ons om de mogelijkheid van zulk een tocht in booten buiten allen twijfel te stellen.„Op den 28sten Juli liep de wind, die tot nu toe in ’t zuiden als vastgenageld had gezeten, naar het O.N.O. en het was alleropmerkelijkst om de verandering gadete slaan, die daardoor onmiddellijk in de ijsmassa werd te weeg gebracht. Er was een algemeene drift in een westelijke richting te bespeuren en op tallooze plaatsen werden open wakken zichtbaar.„Kapitein Young liet nu stoom opmaken, ten einde van de eerste gelegenheid, die zich aanbood om te ontsnappen, gebruik te kunnen maken. Ons geduld werd echter op een lange proef gesteld, want niet voor ’s avonds 6 uur bood zich die gelegenheid aan. In dien tusschentijd evenwel dreven wij snel in een westelijke richting naar open water, dat zeer duidelijk van top zichtbaar was, en ook toen bestond er gevaar, dat dePandora, door het scholijs machteloos weggevoerd, tegen een der tallooze ijsbergen gezet werd, in welk geval zij onherroepelijk verloren zou zijn.„Er waren verschillende bergen rondom ons, die alle aan den grond geraakt, onwrikbaar op hun plaatsen blijvend, het scholijs, dat tegen hen aandreef, opspleten en in stukken scheurden. Daar de opgebroken ijsvelden zich op eenigen afstand verder eerst weer te zamen voegden, vormde zich beneden ’s winds van zoo’n ijsberg steeds een soort open wak. Door buitengewoon geluk begunstigd, ontkwamen wij echter ook nu weder aan deze gevaren en slaagden er te 6 uur in, onder zeil en stoom, de schol, die ons zoo lang gevangen had gehouden, te verbreken en in een uitgestrekt open wak meer westwaarts van ons door te dringen. Dit was echter niet gemakkelijk geschied en ieder aan boord had de handen vol gehad.„Kapitein Young bestuurde het schip uit het kraaiennest, en de zwakste plaatsen uitkiezende, ramde hij bij herhaling de ijsmassa’s, die hem het verder doordringen beletten. Wanneer het schip achteruit stoomde om meer vaart te kunnen schieten, werden de losse stukken, die door den vorigen stoot van de ijsscholwaren afgebroken, door de manschap op de schotsen met haak en puntstokken telkens uit den weg geruimd.„Op deze wijze slaagden wij er in, ons langzaam een weg door de ijsmassa te banen, doch ver konden wij het niet brengen. Te half acht ’s avonds waren wij genoodzaakt onze pogingen te staken en ons op nieuw aan een ijsschol te ankeren.„Wij waren nu evenwel uit de gevaarlijke omgeving, waarin wij zoo lang vertoefd hadden en dreven met de geheele ijsmassa mee om de west en dus gelukkig uit de baai. De wind begon nu echter op te steken en het werd een barre nacht. Er woei een zware storm, die vergezeld ging van hevige sneeuwvlagen. Het schip, dat snel in een noordwestelijke richting dreef, verkeerde ’s morgens te half vier uur op nieuw in gevaar van tegen een ijsberg aangedreven te worden. Als gewoonlijk was het zeer mistig, en toen wij dezen reus van ijs machteloos te gemoet gevoerd werden, was ieder in gespannen verwachting wat ons lot zoude zijn. Wij naderden snel en zeker, maar het ijsveld bleek bijzonder sterk te zijn. Het brak slechts gedeeltelijk op en diende dePandoradus als stootkussen, zoodat zij ongedeerd langs den berg heenschuurde.„In den morgen van den 29sten Juli liep de wind naar het oost-zuid-oosten en wij dreven met een twee mijls vaart om de W. N. W. Van top was het open water nu zeer duidelijk te zien en toen te 12 uur het zoo welkome geluid der branding op den zoom van den ijsdam werd gehoord, besloot kapitein Young nogmaals te beproeven het te bereiken.„Op nieuw liep dePandoraonder stoom en zeil tegen de zwakste plaatsen van het ijs in, maar na twee uur worstelens waren wij slechts één scheepslengte verder gekomen. Mistroostig werd toen de verderepoging opgegeven en op nieuw de oude lijdelijke houding aangenomen. Langzaam bleven wij nu naar het open water toedrijven en te 6 uur konden wij van het dek den rand van den ijsdam duidelijk zien. Deze vertoonde zich als een rechte lijn, die zich noordwest en zuidoost uitstrekte en volkomen een kustlijn geleek.„Vreezende dat de wind weêr naar ’t zuiden terug zou loopen, liet kapitein Young ’s avonds te acht uur nogmaals een ernstige poging aanwenden om de banden, die ons gevangen hielden, te verbreken. Alle zeilen werden bijgezet en met volle kracht werd gestoomd; even als de vorige keeren vorderden wij eerst ongelooflijk langzaam, maar toen dePandoraeenmaal vaart schoot ging het veel beter.„Na ruim een uur het ijs letterlijk geramd te hebben en ijsmassa’s van vier voet dikte, die haar den weg versperden, zonder dat zij merkbaar haar vaart vertraagde, te hebben doorgebroken, naderde zij den rand van het ijs. Het ging nu hoe langer hoe beter, daar de sterke deining de geheele massa hier in een golvende beweging bracht, waardoor het ijs zich merkbaar opende en groote schollen, die met kracht tegen elkaar geworpen werden, in kleinere stukken braken.„Kapitein Young, die de bewegingen van het schip uit het kraaiennest bestuurde, wist snel en beraden de juiste openingen te kiezen. Eindelijk lag nog slechts een groot zwaar ijsveld als laatste hinderpaal voor ons.„Met een viermijls vaart schoot dePandoraer recht op aan, en met haar volle gewicht er op neerdalend, scheurde zij de schots in tweeën en doorkliefde weldra onder een driewerf „hurrah for Captain Young!” het donkergroene water van de Baffinsbaai. Dit driewerf hoerah voor den bekwamen gezagvoerder, waarmede de bemanning dit feit begroette, was het hartelijkste dat ik mij herinner ooit gehoord te hebben,en geen wonder, want terwijl wij machteloos in het ijs ronddreven, stond het lot derFoxons steeds voor oogen, en voor niemand onzer was het nutteloos doorbrengen van een poolwinter in den gevaarlijken ijsdam een aanlokkelijk denkbeeld.„Het einde van den ijsdam bestond uit losse, bijna afgeronde ijsbrokken, die door de deining in een hooge golvende beweging werd gebracht. Met ontelbare zwermen vlogen de rotges hier langs den rand van het ijs, blijkbaar omdat zij er gemakkelijk hun voedsel konden vinden. Het werd ons nu duidelijk, dat wij hen hierheen iederen avond hadden zien vliegen; later in den nacht keerden zij dan weêr met voedsel voor hun jongen naar het land terug.„Na gedurende zulk een geruimen tijd onbewegelijk te hebben gelegen, was het een vreemde gewaarwording, nu op eenmaal door een hooge noordwestelijke deining zoo hevig geslingerd te worden, dat de booten op de davids gesjord en de deuren op de haken gezet moesten worden.„In den morgen van den 31sten Juli liepen wij zoo dicht als het ijs toeliet, bij mistig weêr, langs kaap York en kaap Dudley Digges, en reeds was dePandoraWolstenholme eiland genaderd, toen een opkomende storm uit het zuidoosten haar noodzaakte onverwijld aan den wind te gaan liggen. De wind bleef de eerste uren steeds toenemend in kracht, zoodat er weldra een werkelijke orkaan woei.„Daar de ijsbergen en het vele scholijs ons beletten onder de hooge kust bescherming te zoeken, lag dePandorade volgende 24 uren onder haar dichtgereefde stormzeilen bij, terwijl het opgezweepte schuim der zee en de onafgebroken sneeuwjacht het uitzien naar land en ijsbergen allermoeielijkst maakten. Ten einde een botsing met deze gevaarten te voorkomen,moesten wij ieder oogenblik afhouden. De hooge moeielijke zee, die dan dwars inkwam, waschte voortdurend over het dek en sloeg een der beste booten geheel in stukken.
De opkomende zon bestraalde met een rooden gloed de glinsterende gletschers, die van de hooge steile gebergten van Groenland’s Westkust in de zee nederdalen. Tallooze ijsbergen dreven op het donkere water van de zee van Baffin, waardoor de kleine stoomboot dePandorain den zomer van 1875 zich een weg baande. Indrukwekkend was de kalmte en rust der natuur; men hoorde slechts een zacht geluid als van een verre branding, wanneer de golfjes, welke de schroef van dePandorain de IJszee woelde, onder de uitgeholde randen van de kristallen ijsvelden krulden en kabbelden tegen de blinkende kanten der ijsschotsen.Op het dek van het schip ging Beynen heen en weder. Hij stevende voor het eerst naar het Noorden, onder den roemvollen poolvaarder Sir Allen Young, die reeds twintig jaar geleden, aan boord van deFoxgepoogd had den Noordwestelijken doortocht te vinden en door het ijs langs het Noorden van Amerika, van de eene wereldzee in de andere te komen.DePandora, die zeil kon voeren en daartoe barkstuig had, was den 28sten Juli straat Davis ingezeild en kliefde den volgenden ochtend hare met schuim bedekte golven. „Trillend onder den druk harer zeilen scheen zij als bezield met diezelfde wilde vervoering, welke ons eigen hart zoo hoorbaar deed kloppen,” schreef Beynen, de verrukking herdenkende van zijn eerste zeilen te midden van het Noordsche drijfijs.„’t Was een heerlijke ochtend. Aan stuurboord van ons hulde de opkomende zon de hooge besneeuwde bergtoppen met hun diepe donkere schaduwen in een rooden gloed, waartegen ’t zilverwitte drijfijs grillig afstak, en rondom ons in alle richtingen werd de gewone eentonigheid der zee aangenaam afgebroken door die kristallenijsmassa’s, waarmede zij als bezaaid scheen, en die, naderbij gekomen, de meest fantastische vormen en gedaanten vertoonden.„De met schuim bedekte zee wierp zich al joelend en juichend in de diep uitgeholde gleuven dier lichtblauw gekleurde schotsen, die ze reeds als haar gewisse prooi beschouwde, daar zij ze langzaam en als het ware spelend naar ’t zoele Zuiden dreef. ’t Zilverwit van deze doorzichtige gevaarten werd aangenaam afgewisseld door ’t lichtgroen en helderblauw, dat zich diep in hun binnenste verschool, doch nu helder uitblonk, beschenen door de vriendelijke stralen der opkomende zon.”Deze woorden van Beynen doen ons iets gevoelen van de frissche geestdrift, waarmede hij de IJszee het eerst binnenzeilde.Het was eenige dagen na dezen schoonen ochtend,dat hij op het dek heen en weder ging, terwijl dePandorabij windstilte langs Groenland noordwaarts stoomde. Met bewondering zag hij op naar de steile kust van Groenland, welke gedurende den korten zomer van het Noorden, door haar weêrgalooze schoonheid en door de machtige vormen van haar fiere hoogten de harten treft der moedige zeelieden, die naar de IJszee varen. Groenland’s kust is een gebroken getande lijn van hooge, woeste bergen, die steil oprijzen uit het water, en hun zware, met gletschers bedekte zijden schier loodrecht meer dan 3000 voet omhoog heffen. Op deze bergen tooveren zon en dampkring de meest zonderlinge, ongestadige lichtspiegelingen, de zeldzaamste mengelingen van tinten en kleuren, gelijk Mac Gahan, Beynen’s reisgezel en vriend, in zijn aantrekkelijk boekUnder the Northern Lightsschoon beschreven heeft. Een dunne nevelsluier omhangt in breede en doorzichtige plooien de bergwanden, als wilde hij hun koude, ruwe naaktheid aan het oog onttrekken; doch tevens vangt dit reusachtige toovernet van mist en nevel het zonlicht op; het houdt de zonnestralen gevangen in zijn mazen, en dit net der Noordsche feeën hecht zich nu, als door liefkoozende streelende handen hun omgeslagen, aan de stroeve, stugge, woeste bergen, op welke de ijskoning troont, en omringt hun toppen met een lichtend waas, een stralend vlies van lichtrood en van purper, dat bijna onmerkbaar zich vermengt met den ongestadigen bleekgelen flikkerschijn der gletschers langs der bergen zijden. Scherpe, blinkende ijsnaalden ziet men hier en daar uit den dunnen nevel opwaarts rijzen, stralende in de middernachtszon. Zij zijn bergtoppen, de hoogste golven van die machtige zee van ijs, vier duizend voet diep, welke Groenland overweldigd heeft.Dit groote vasteland is in werkelijkheid niets dan een reusachtige diepe gletscher, door een rand van bergen omzoomd, welke de kustlijn vormt. De woestenij van ijs, welke door honderd voet breede kloven in elke richting doorsneden wordt, is onbegaanbaar en door geen menschenvoet betreden; doch zoo men de geheimzinnige hoogvlakte eens bestijgen kon, en hier en daar een hoogte, een heuveltje gewaar werd, zou men tot zijn verwondering ontdekken, dat die onbeteekenende verhevenheden de toppen zijn van hooge bergen, die boven de ontzaglijke ijsoverstrooming, welke de dalen gevuld heeft, uitsteken.Zoo Zwitserland duizende malen grooter ware en ijs tusschen de bergen wierd gegoten, totdat slechts de hoogste toppen er uitstaken, zou het er uitzien gelijk Groenland.Toch was dat groote vasteland eens vruchtbaar, groen en overdekt met bloesem en struiken en weelderigen plantengroei. Men vindt er groote bosschen van verkoolde boomen, en de versteende overblijfselen van dieren, die slechts in een warm klimaat kunnen bestaan. InLancasters Soundhaalt men uit de diepten van het koude water versteende koraal en sponsen op, en de steile bergkust van het door ijs overstroomde Groenland ontleent zeker een deel van den machtigen indruk, dien ze maakt, aan haar geheimzinnig verleden, aan de wonderen, grooter dan die der Duizend-en-ééne Nacht, welke de wetenschap ons weet te verhalen van het hooge Noorden.Maar het was niet aan deze wonderen dat de jonge Hollandsche zeeofficier dacht, die heen en weer ging op het dek van het kleine schip, dat in de donkere wateren van de zee van Baffin langs Groenland’s Westkust stevende, om te pogen den noordwestelijken doortocht naar Amerika te vinden, en in één zomerom den Noord van Southampton naar San Francisco te stoomen.De omgeving stemt hem wel tot nadenken, doch niet aan Groenland’s, maar aan Nederland’s verleden dacht hij. Met een diep weemoedig gevoel herdacht hij die vervlogen tijden, toen Holland’s driekleur ook in deze wateren nog het sterkst vertegenwoordigd was, toen vloten van meer dan honderd zeilen, met stoute ondernemende zeelieden bemand, uit deze nu verlaten zeeën jaarlijks schatten wisten op te halen voor ’t jong gemeenebest.En er was aanleiding voor die gedachten.Hij was te Upernavik aan wal geweest, de laatste Deensche nederzetting onder de Eskimo’s, die op een met mos bedekte, langzaam naar het water afhellende heuvelenrij gelegen is, welke van alle zijden door hooge, steile, kale bergwanden wordt ingesloten. Het dorp bestaat uit zeven houten huisjes, loodsen en voorraadschuren, en uit enkele Eskimo-hutten van steen en aardzoden opgetrokken.Onze Hollandsche zeeofficier was door de Eskimo’s op de welwillendste, meest gastvrije wijze ontvangen, en tot zijn niet geringe verbazing had hij bespeurd dat zij de herinnering aan de vroegere veelvuldige bezoeken onzer voorvaderen nog in hun taal bewaren.Ze hebben toch voor „de blanke mannen” in het algemeen slechts ééne uitdrukking, namelijk:Kabloena, doch voor Hollanders hebben zij den afzonderlijken naam vanArpanjak,d.i.mensch die den walvisch doodt.Op beide tochten landde Beynen te Upernavik, en telkens las hij de grootste verwondering en belangstelling op de gelaatstrekken der Eskimo’s, wanneer men hun mededeelde dat hij eenArpanjakwas. Hij werd bekeken en in oogenschouw genomen doorgroot en klein, en als hij langs de hutten ging, vertelden de ouders aan de kinderen: „Daar gaat deArpanjak!” Men sprak hem toe onder dien vreemdklinkenden naam, en trachtte hem door gebaren en teekenen aan ’t verstand te brengen, dat andere Eskimo’s, die nu reeds lang ter ruste waren gelegd in den bevroren grond van Groenland, hun hadden verteld, dat zij van hunne ouders veel van de Arpanjaks gehoord hadden.Een stokoud man kwam zelfs uitsluitend aan boord om hem te vertellen, hoe de vader van zijn moeder een schip van denArpanjakgezien had, dat om den Noord ging, en dat vóór hun tijd een groot aantal der schepen van de Arpanjaks jaarlijks Groenland’s haven binnenliep.Vóór het vertrek derPandorakwam een jonge Eskimo, die van den priester een weinig schrijven had geleerd, den Hollandschen officier op het Engelsche schip vragen om enkele Hollandsche woorden op papier neêr te schrijven, en met de meest mogelijke belangstelling sloegen de andere Eskimo’s luitenant Beynen gade, toen hij „Arpanjaks” voor hen schreef.Later kwam een andere Eskimo aan boord en haalde, toen hij in de kajuit was toegelaten, uit eenige oude zeehondenvellen zeer geheimzinnig eene ouderwetsche matrozentabaksdoos voor den dag, welke hij aan luitenant Beynen overhandigde, zeggende: „Arpanjak!”Tot zijn verwondering las Beynen op de doos: „’t Gezelschap van de jonge vrouw is de jongman zelden moê.” Boven deze woorden was een afbeelding van een schip, dat zeilreê lag, terwijl op het strand een zeeman van zijn liefje afscheid nam. Deze doos, welke van de 17de eeuw dagteekent, was niet lang geleden in een oud Eskimografgevonden. Waarschijnlijk was zij als een groote schat te gelijk met den eigenaar begraven. Al deze bijzonderheden en de verhalen, hem op den tweeden tocht door den tolk Christie—een Eskimo—gedaan, gaven Beynen de vaste overtuiging, dat het verhaal der stoute tochten van onze voorvaderen als een traditie van een vroegeren heldentijd onder de Eskimo’s bewaard is gebleven, en dat de tochten van den „Arpanjak” door de vaders aan de kinderen verhaald worden in den langen winternacht, welken zij, gelijk wij weten, door vertellingen pogen te verkorten.Is het wonder, dat die heldenvereering der Eskimo’s voor den Arpanjak een onuitwischbaren indruk maakte op den jongen Hollandschen zeeofficier, die onder Engelsche vlag Eskimo’s aan boord ontving?En die indruk werd zelfs dieper en dieper, naarmate hij meer van het Noorden zag, en overal de meest afgelegen baaien, kapen en eilanden door Hollandsche namen vond aangeduid.Vol stemmen is het Noorden toch voor volken, die sinds eeuwen hier de zee bevaren. De IJszee, steeds veranderend van vorm, doch steeds dezelfde, wekt een ernstig gevoel bij hen, voor wie zij een getuige is, die van vorige eeuwen spreekt, daar zij de voetstappen bewaart der kloeke mannen van het voorgeslacht. Roerende herinneringen aan het machtig verleden zijn niet slechts „het behouden Huis” op Nova Zembla; niet slechts de vele plaatsen op Spitsbergen en Mayeneiland, waar Hollandsche ontdekkers en walvischvaarders op hunne avontuurlijke tochten plachten te verwijlen, maar ook de kusten van Groenland en bovenal de zwarte kruisen met verweerde grafschriften, welke zoo in het Oosten als Westen der IJszee nog op den huidigen dag getuigen dat Hollandsche matrozen daar het leven lieten.Hoezeer de streken die hij bezocht dezen indruk maakten op Beynen, kan blijken uit den volgenden brief, dien hij den 6den Augustus aan boord van dePandoraschreef:„Van nacht ben ik voor het eerst den poolcirkel gepasseerd. Ik vind het aangenaam te bespeuren dat ik hier aan boord van nut ben en zoodoende mijn tol betaal voor het aan boord zijn. De dokter zegt dat men mijclevervindt; maar ik kan niet nalaten op te merken, wat de Engelschen dan wel zeggen zouden van zoo vele onzer Hollandsche zeeofficieren, die vrij wat meer weten.„Men heeft mij vereerd met den naamOld Tromp, naar onzen grooten admiraal, die in Engeland nog zeer geëerbiedigd is, maar Mac Gahan, de correspondent vanthe Herald,1die om de reis te beschrijven mede gaat en een alleraangenaamst mensch is, heeft voorgesteld mijYoung Trompte noemen, omdat ik de jongste aan boord en dus genoodzaakt ben, volgens luitenant Lilingston, om als de gezondheid eener dame wordt gedronken, op te staan en in haar naam te danken.„Mac Gahan geeft mij elken dag een uur les in hetEngelsch. Ik leer hier honderde dingen, die mij naderhand bijzonder te pas zullen komen.„Eer ik eindig, moet mij nog een zaak van het hart. Ik heb uit gesprekken aan boord opgemerkt, dat onze oorlog met Atjeh in Engeland den eerbied voor ons vaderland niet heeft vergroot. Men is niet voldoende bekend met hetgeen gedaan is, en oordeelt dat wij niet genoeg geestkracht getoond hebben.„Het is een sobere belooning voor zoo vele vroolijk verdragen ontberingen en den waarachtig betoonden heldenmoed van onze dappere soldaten.„Ik begrijp nu echter tevens beter dan voorheen hoe waar de woorden zijn, door Petermann geschreven: „Ik weet niet welke inzichten men betreffende deze zaken in Engeland huldigt, maar wel weet ik nu zeker, dat voor ons buitenlanders de daden en werkzaamheden van noordpoolvaarders en ontdekkers als sir James Ross en Dr. Livingstone onze achting voor Groot-Brittannië veel meer hebben doen toenemen, dan hun tocht naar Koemassie tegen de negers, welke millioenen thalers gekost heeft.„’t Is geloof ik juist opgemerkt. Naarmate ik meer hoor en lees wat men in den vreemde denkt, word ik ook meer doordrongen van de overtuiging, dat het van het grootste belang en voordeel voor ons vaderland zou zijn, om zijn oude plaats te hernemen te midden van al de vreemde zeevaarders, die jaar in jaar uit roem vergaren voor hun geboortegrond in het hooge Noorden.„Al moge Nederland niet meer als voorheen een der invloedrijkste landen van Europa zijn, daarom kan het toch in den vreemde evenzeer geëerd worden als in die oude tijden, toen de beschaafde wereld metklimmende bewondering de Hollandsche schepen stevenen zag langs de verste stranden.„De minister Gladstone zeide eens dat niets voor een maritieme mogendheid van meer belang is, vooral in tijd van vrede, dan alles wat zeelieden aanmoedigt tot het doen van koene daden en stoute waagstukken, die den handelsgeest met nieuw leven bezielen en de nationale geestdrift opwekken.„Is dit in het algemeen waar voor zeevarende mogendheden, hoeveel te meer is dit dan niet van toepassing op ons geliefd vaderland!„Hoe meer men in de vele schoone bladzijden van ons zeewezen den zilveren draad volgt, die ten allen tijde daardoor heen is geweven door nautische ondernemingszucht, hoe meer men het betreurt, dat in de laatste jaren dit voor ons vaderland zoo roemvolle terrein tevergeefs gewacht heeft op Nederlandsche arbeiders.„Zou Nederland zich langer onthouden? Nederland, dat zijn nationale grootheid bijna uitsluitend te danken heeft aan zijn zeelui; dat gewoon was zijn zonen den weg te zien wijzen over alle zeeën van den aardbol; dat reeds eeuwen geleden de wimpels heeft zien wederkeeren, die vroolijk gewapperd hadden langs tot nu toe niet weergevonden kusten? Zou Nederland, dat alles vergetende, kalm blijven toezien hoe die verre stranden één voor één doorvreemdezeevaarders wierden teruggevonden? kalm blijven verdragen dat de daar achtergelaten reliquieën doorvreemdeschepen in hunne havens wierden binnengebracht; zou het mogelijk zijn dat Nederlanders niet bloosden als ze hoorden dat de graven hunner groote zeevaarders in het hooge Noorden slechts doorvreemdekleuren wierden gegroet?„Zou dit mogelijk zijn? Zou Nederland werkelijk deeenige maritieme mogendheid zijn, die achterbleef, waar Engeland, Amerika, Rusland, Zweden, Noorwegen, Oostenrijk, ja zelfs Duitschland in een edelen wedstrijd voorgaan, om den sluier op te lichten, waarachter nog zoo veel voor de wetenschap verborgen bleef?„Wat heeft Duitschland gedaan?—Niettegenstaande het in de laatste jaren drie groote oorlogen te voeren had, en het volgens Petermann noch schepen, noch geld bezat en particuliere krachten het moesten doen, zijn er toch drie expedities naar het Noorden gezonden. Zou Nederland het kalm blijven aanzien, dat die machtige nabuur meer en meer den roem verduistert, die ons vaderland zich voorheen op zoo waardige wijze en ten koste van zoo vele dure offers verworven heeft? En dat nog wel terwijl er zoo weinig noodig is om dit te verhoeden? Ik zegweinig, want nog is de gouden aureool, door onze brave voorvaders voor de Nederlandsche driekleur gewonnen, niet verbleekt. Nog sluimert er in den vreemde (zooals ik hier dagelijks kan ondervinden) de eerbied voor onze groote mannen, en er is slechts weinig noodig om alle natiën weer met lof te doen gewagen van onzen alouden ondernemingsgeest.„Nieuwe tochten zullen zelfvertrouwen geven aan ons volkeneerbied wekken bij onze buren. Schatten worden er jaarlijks besteed, om onze onafhankelijkheid te waarborgen door forten en kanonnen. Dit is onontbeerlijk, doch niettemin is er iets nog sterker dan forten en vertrouwenswaardiger dan inundatiën, en dat is het gevoel van achting en eerbied, dat wij voor ons volk wekken in Europa, door aan de spits te gaan op wetenschappelijk gebied, door kloeke tochten van ontdekking en nasporing.„Om in ’t leven te blijven, moeten wij getrouw zijnaan onze traditiën en als weleer ons behoud zoeken op de zilte baren, die onze kust besproeien. En dit vermogen wij. Wij bezitten tal van hoogst bekwame zeeofficieren en flinke degelijke zeelui. Men geve hun slechts de gelegenheid, en ik ben er van overtuigd dat onze vaderlandsche zangen weer spoedig weerklinken zullen langs de verste stranden.”Slechts zelden is het zulk liefelijk weder in de poolstreken als op dien heerlijken ochtend toenBeynenhet eerst de IJszee binnenzeilde.DePandorahad telkens met zwaren mist en storm te kampen. Na Upernavik verlaten te hebben was Sir Allen Young dwars door Melville-baai—dat oord der verschrikking voor de walvischvaarders, die er ontelbare schepen in het ijs verloren—naar de Carey-eilanden gezeild, waar hij vruchteloos naar een steenhoop zocht, welke brieven van de Engelsche expeditie onder kapitein Nares kon bevatten. Van deze eilanden, die in Smith Sound liggen, werd westwaarts gekoersd door Lancaster Sound en Barrow-straat, ten einde langs Prince of Wales-land om de Zuid den westelijken doortocht te vinden. Het was een hachelijke tocht, want het was reeds laat in het seizoen, en de onafzienbare ijsmassa kon, zoodra de wind omliep, het schip tegen den wal plat drukken. Als een blindeman kon dePandoraenkel als het ware op den tast doorgaan, want ze ging langs onbekende kusten, op welke ze ieder oogenblik kon vastgezet worden, en nu en dan zag men, gelijk Beynen dit beschreef, „een spookachtige glimp van de benauwende ijsmassa aan stuurboordzijde, die de bemanning telkens aan haar gevaarlijken toestand herinnerde.”In Peel-Sound gekomen, doorkliefde dePandorawateren voorheen door geen ander schip bezocht, dan wellicht door de verongelukteErebusenTerror. De kusten waren eens, tijdens een sledetocht, door Sir James Ross in kaart gebracht. De compassen waren in die streek volkomen onbruikbaar, en men berekende den waren koers, dien het schip voorlag, door met den sextant den boog te meten tusschen een voorwerp recht vooruit en de zon, wier richting gevonden werd in tabellen der Engelsche admiraliteit, welke de ware richting der zon voor elk uur van den dag in de poolstreken aangeven.Indien het mogelijk ware geweest tot Ballot-straat door te dringen, zou veel gewonnen zijn, doch de wind bleef tegen, zelfs overdag begon zich het jonge ijs te vormen—het was reeds den 3den September,—en zoo men dePandoraniet wilde laten vastvriezen en overwinteren in Peel-Sound, wat tot niets gediend zou hebben, moest men terugkeeren, juist nu de doortocht oogenschijnlijk binnen het bereik van kapitein Young gelegen had. „Toen dan ook het schip ieder oogenblik gevaar liep in het ijs beklemd te geraken, besloot onze kapitein tot den terugtocht,” schreef Beynen. „Hij was innig teleurgesteld, en wij waren het niet minder. Het waren prachtige avonden geweest, waarop wij de ondergaande zon bespied hadden, als zij de toppen der met sneeuw bedekte bergen in een schitterend scharlaken rood kleed hulde en haar laatste stralen, van achter een bergrug, lange, grillige schaduwen liet werpen op het onafzienbare ijsveld der la Roquette-eilanden.„Geen rimpeltje vertoonde zich dan op de donkere spiegelgladde oppervlakte derSound. Het water door zijn eigen maaksel als het ware in boeien geslagen, zwoegende onder den zich zelf opgelegden last, lag vermoeid stil in zijn ijzeren kluisters; enwaar de zon, in zacht purperen luister, de duizend grillig uitstekende oneffenheden van die onbewegelijke ijsmassa bescheen, verbeeldde men zich aan den zoom te staan van een onmetelijk kerkhof, waarboven de wit marmeren grafzuilen zich in grooten getale verdrongen, allen gehuld in dat geheimzinnig phantastisch licht van de plechtig stille schemeruren der poolwereld.„Maar nu waren wij op onzen terugtocht en het bleek spoedig dat het daarvoor hoog tijd was. Onder dicht gereefde marszeilen liep dePandoraPeel-Sound weer uit, en passeerde op den avond van 4 September Limestone-eiland. Nauwelijks waren wij er voorbij, of wij zagen aan bakboord een uitgestrekt ijsveld aankomen, dat dreigde het schip den terugtocht af te snijden.„Daar kapitein Young tusschen de sneeuwdriften door echter een smal open vaarwater tegen het landijs aan meende te zien, besloot hij te trachten daarvan dadelijk gebruik te maken en kaap Rinnell te bereiken voor het naderend ijs hem zou insluiten, daar een storm uit het N. W. het ijsveld snel naar de kust dreef.„Het was de eenige kans, die ons overbleef, wilden wij niet den geheelen winter in Peel-Sound opgesloten blijven, en daar de duisternis snel begon te vallen, werd er zoo hard mogelijk gestoomd.„Het was een verschrikkelijke nacht; de wind wakkerde aan tot een hevigen storm, vergezeld van hagel en sneeuwjachten, en dePandorabaande zich slechts met groote moeite een weg, terwijl we den witten glans van het ons insluitend ijs aan de eene zijde, en de hooge met sneeuw bedekte kust dicht bij ons aan de andere hadden. Slechts een enkele maal gedurende dezen stormachtigen nacht vertoonde zichaan den hemel een ster, die den man aan het wiel een vast punt verschafte om op te sturen. Bij het toenemen van den wind daalde de thermometer tot 18° Fahr. en het schuim der zee, als het over het dek spatte, bleef er als ijs op liggen. Te middernacht lag de sneeuw een voet hoog op het dek, terwijl het uitzicht bijna onmogelijk werd door de warrelende sneeuwjacht, welke door den hevigen wind uit de plooien der zeilen gedreven werd. Zoo had dePandoratot drie uur haar weg vervolgd, toen wij plotseling een ijsveld recht voor ons zagen, en wel zoo dicht, dat wij door het roer te boord te leggen er slechts even vrij van liepen. Gelukkig trok de nevel bij tijds een weinig op, en nam de kommandant waar, dat dePandorain de onmiddellijke nabijheid was van kaap Rinnell, die, gedeeltelijk met sneeuw bedekt, zich in de nachtelijke duisternis spookachtig voordeed. Slechts voor een enkel oogenblik deed zich deze verschijning aan ons oog voor; het volgende oogenblik heerschte weer de diepste duisternis. Zoo bleef dePandoradrie angstige uren aan den wind liggen, toen het weer opklaarde en van top eenige beweging in het ijs werd waargenomen, waardoor wij de zwakste plaats er van gewaar werden. Oogenblikkelijk werd het schip in die richting verder gestuurd, en het slaagde er in, meerder zeil voerende en met volle kracht stoomende, door de zwakste plaats van het ijs heen te breken, en het open vaarwater van Barrow-straat te bereiken.„Onder dichtgereefde marszeils stoof dePandoranu, voortgestuwd door stormweêr uit het W. N. W. door Barrow-straat en Lancaster Sound, zonder eenig ijs meer te zien, ofschoon daarom gedurende de donkere nachten niet minder goed moest uitgezien worden. Het is in zulk weêr ongeloofelijk moeielijk een slechtsweinig boven water uitstekende ijsmassa te onderscheiden van de wit gekrulde toppen der golven, terwijl een aanzeiling van zulk een vaak diep onder water uitstekende ijs-schol de noodlottigste gevolgen voor schip en bemanning kan na zich slepen.„Den 7den September was dePandoraweer in het open North-water, en besloot kapitein Young nog eenmaal een poging aan te wenden om eenig spoor van de gouvernementsschepen te vinden, door opnieuw de Carey-eilanden te onderzoeken.„Nooit te voren hadden ontdekkingsschepen op deze hooge breedte zoo laat in het jaar de zee nog bevaren. Vóór den 5den September hadden zij steeds hun winterkwartieren weder betrokken. En de noodzakelijkheid hiervan toonde het schip zelf spoedig aan. Onze kommandant had dan ook de voorzorg genomen alle zeilen dicht te reven, en dit was ook goed, want nu waren zij volkomen onhandelbaar.„Want en stagen waren geheel met ijs bezet; de romp van het schip was één ijsklomp, de zeeën vielen, als zij over de verschansing kwamen, als ijs op het dek neêr, zoodat men slechts met veel moeite over het beweeglijke, gladde dek kon voortkomen, en de zeilen waren zoo stijf als een plank geworden, zoodatb.v.het neerhalen van den kluiver een niet op te lossen vraagstuk was. En dan bovendien zwaar weêr uit hetN. N. W., vergezeld van hevige sneeuwstormen, en een hooge, korte, moeielijke zee.”Het moedige waagstuk van kapitein Allen Young om nauwelijks uit het ijs gered, nogmaals om den Noord te gaan en, tegen den storm in, Smith-Sound in te stoomen werd beloond. Op het zuidoostelijkste der Carey-eilanden werd een cairn, eene steenhoop ontdekt, welke er niet was bij het vroeger bezoek. Vrijwilligers werden gevraagd om aan wal te gaan,wat zeer gevaarlijk was, want het stormde, de branding was fel, en de rotsklippen steil. Luitenant Lilingston en Beynen boden zich aan. De top, welke 170 meters hoog was, werd slechts met de grootste inspanning door hen bereikt, daar zij telkens tot aan de heupen in de broze sneeuw zakten en teruggleden. De koude noordenwind, die over en langs dien top huilde, deed hun kleeren tot een vasten sneeuwklomp bevriezen, doch zij volhardden, en vonden boven in de cairn een tinnen koker, waarin een verzegeld pakket, dat aan de Engelsche admiraliteit was geadresseerd.Nu werd de steven gewend, en liep dePandoravoor den storm weg om de Zuid en kwam reeds den 19den September te Disco. Daar moest het ontdekkingsjacht vier dagen blijven wegens noodweer, en had Beynen gelegenheid het leven der Eskimo’s te leeren kennen, waarvan hij in zijn verslag een aanschouwelijke beschrijving gaf.Door N. W. stormen voortgejaagd, liep dePandorareeds den 16den October te Portsmouth binnen.In het vaderland teruggekeerd, werd Beynen op non-activiteit gesteld en schreef hij voor den minister het verslag van de reis, dat het volgende jaar door het Aardrijkskundig Genootschap werd uitgegeven, en waaraan ik een en ander ontleende. Het verslag eindigt met de volgende kenschetsende woorden: „Wel is het jammer, dat in ons vaderland de schoone ondernemingstochten naar het hooge Noorden tot het verledene behooren. Onze vroegere poolreizen waren toch van groot belang, niet alleen voor de wetenschap, maar ook vooral als een uitstekende leerschool voor die stoute zeelieden, die de eer van ons land zoo vaak op alle zeeën van den aardbol ophielden. Zouden hedendaagsche poolreizen die voordeelen niet meer bezitten?„En is het dan niet in het belang der zeevarende natiën om zulke ondernemingen te steunen en aan te moedigen, der wetenschap tot gewin, den handel tot voordeel, en zich zelven tot roem en eer?”Toen dit verslag gereed was, werd hij geplaatst op het wachtschip te Hellevoetsluis, waar hij den 1sten Januari 1876 aan boord kwam. Hij bleef hier aan het werk, om zich meer en meer te bekwamen voor tochten naar het Noorden. Hij schreef den 12den Januari:„Ik bestudeer op het oogenblik meteorologie uit het boek van prof. Mohn, dat in het Duitsch vertaald, werkelijk prachtig is. Nu en dan, als ik iets lees dat mij van belang voorkomt om te weten en te onthouden, schrijf ik het over. Ik vertaalde dezer dagen ook eene lezing van luitenant Weyprecht, in Gratz gehouden, welke inderdaad zeer belangrijk is. Ook heb ik mij op de hoogte gesteld van het plan van den voor Parijs gesneuvelden franschen zeeofficier Gustave Lambert. Het spijt mij dat ik er de overtuiging door gekregen heb, dat hij niet voldoende op de hoogte der Noordpoolzaak was, en ik geloof dan ook dat zijn roemvolle dood hem behoed heeft voor tal van teleurstellingen. Zijn onbekendheid met de ijsnavigatie brengt hem tot geheel verkeerde conclusies. Hij geloofto.a.aan een open Poolzee, ontstaande: „d’après les lois de l’insolation”!De brieven raadplegende door hem geschreven in de enkele weken, welke hij in het vaderland doorbracht eer hij op nieuw naar het Noorden ging, werd ik getroffen door al hetgeen hij in dien tijd gelezen en bewerkt heeft, om op het gebied der Noordsche aardrijkskunde zich te huis te gevoelen. Tevens bestudeerde hij meteorologie, daar hij met het doen van weerkundige waarnemingen zou belast worden op dePandora; hij poogde uit professor Tyndall’s boekiets van de formatie van gletschers te leeren, en hij was verdiept in een Duitsch werk van Erman over het aardmagnetisme.In de maand Mei ging hij weder, met ’s konings toestemming, op het verzoek door Sir Allen Young aan den minister van marine gericht, naar Engeland, en zeilde hij den 31sten dier maand voor den tweeden keer met dePandoranaar de IJszee.Bij het begin der reis schreef hij aan boord van het ontdekkingsvaartuigo.a.het volgende aan kolonel Jansen:„Ik voel zoo vaak hoe oneindig veel ik mis, hoe weinig ik weet, en bij herhaling is het verlangen bij mij opgekomen, dat, van den beginne af, aan oudere meer ervaren en kundiger handen de plicht om dit alles te doen ware toevertrouwd. Ik had dan met mijne geringe krachten kunnen helpen en steunen, maar zou dan in het tweede gelid gestaan hebben en dus op eene plaats welke mij beter voegde. Zeer vaak is dit gevoel zoo sterk geweest dat ik er mij verdrietig door voelde. Dit zal nog wel dikwijls het geval zijn, en ik kan dat bewustzijn alleen weren door zoo hard te werken als ik maar vermag. Ter wille van het groote belang der zaak voor ons geliefd vaderland hoop ik mij vast te houden aan uw raad, om ook in deze zelfbeheersching te oefenen.„Maar welk een heerlijke taak dan ook, te mogen medewerken om den ouden sluimerenden heldengeest van ons volk te doen herleven! Dit is een leven waard van teleurstellingen en zorg, en zeker, die zullen in overvloed op dien weg te vinden zijn. Maar ik hoop den moed te hebben om met waarachtige toewijding, met volkomene zelfverloochening en vooral zonder denkbeeld van eigenbaat, met mijne geringe krachten voor dat doel te werken. En toch dit is niet gemakkelijk,want zulk een plicht, ernstig aanvaard, eischt vaak dat men wat ons innig lief is prijsgeeft en opoffert!… Alles moet men echter over hebben voor een doel dat—eens bereikt—tot roem en eer zal strekken van koning en vaderland. Moge dan ook deze nieuwe reis op het vreemde ontdekkingsschip een heerlijke leerschool zijn voor mij, die vruchten draagt voor mijn geheele volgende loopbaan.„Eén ding is zeker, dat ik onder alle omstandigheden als een waar Nederlandsch zeeman mijn plicht stipt hoop te vervullen, en mij door geen gevaren, ontberingen en moeielijkheden zal laten afschrikken in zeeën, die voorheen getuigen zijn geweest van zoo menige kloeke daad onzer stoute voorvaders!”Beynen diende weder onder Sir Allen Young, den eigenaar van het schip, doch er was een nieuwe eerste officier aan boord, genaamd Arbuthnot. Luitenant Pirie deed de reis op nieuw mede, en luitenant Alois von Becker, van de Oostenrijksche marine. Dr. Hörner en de heer Grant, die als vrijwilliger en photograaf medeging, waren de verdere officieren.De reis ging voorspoedig totdat dePandorain straat Davis was gekomen. „Reeds verheugden wij ons in ’t vooruitzicht van binnen enkele dagen Disco te bereiken,” schreef hij, „toen de wind naar het noorden draaiend ons tegen liep.„Tien dagen achtereen moest dePandoranu opwerken. Meestal was het helder zonnig weder, doch iederen avond tegen 10 uur, als de zon haar kracht verloor, koelde de atmosfeer dermate af, dat de vastgehouden waterdamp zich als een dicht floers om dePandorahulde, hetgeen het uitkijken zeer moeielijk maakte.„Het waren kille onaangename nachtwachten,waarin het hard woei. Door de korte, moeielijke zeeën slingerde het scheepje zoo hevig, dat men zich voortdurend aan iets moest vasthouden om op het dek staande te kunnen blijven, en wanneer men in die positie gedurende vier uren, met een kouden noordenwind in ’t aangezicht, onafgebroken staat te turen in den dichten nevel, waaruit telkens in de onmiddellijke nabijheid van het schip reusachtige ijsbergen als spookgestalten opdoemen, dan laat het zich begrijpen dat de wacht ons onder zulke omstandigheden dubbel lang schijnt.„Den 29sten Juni bij het aanbreken van den dag verkenden wij het eerste land in het oosten en sedert werden de met sneeuw bedekte toppen van Groenland bij helder weêr niet meer uit het oog verloren.”Toen zij den 6den Juli Disco-eiland naderden, en dePandora, voor het eerst sinds zij Engeland verliet, stoom opmaakte om onder lij van het hooge bergland te kunnen vorderen, schreef Beynen het volgende aan kolonel Jansen:„Op de hondenwacht passeerde luitenant Pirie het eerste drijfijs en toen ik te 4 uur ’s ochtends de wacht van hem overnam, zag ik dat het ijs telkens in hoeveelheid en omvang vermeerderde. Ik nam de gewone maatregelen: liet van top uitkijken in welke richting de zee er het meest vrij van ijs uitzag, minderde zeil, liet de brassen over en weêr achter de hand klaar leggen, en toen ik de overtuiging had gekregen dat het meer dan enkele losse (van het land gedreven) ijsschotsen waren, liet ik kapitein Young waarschuwen. De zee was spoedig geheel er meê bedekt, en de oude, grillig uitgegroeide en verweerde ijsmassa’s lieten ons weldra niet den minsten twijfel, of we waren in een door zwaren wind uit het land gedreven stroom Spitsbergen-ijs geraakt.„We koersten derhalve om de West, ten einde er zoo spoedig mogelijk uit te zijn, waarin we, na drie uur vechtens met het ijs, slaagden. Op sommige plaatsen waren de dreigend hooge schotsen zoo dicht op elkander gepakt, dat een botsing niet te vermijden was. Dan werd de zwakste plaats uitgekozen voor den aanval, en de dichtgereefde marszeilen—de eenige die wij voerden—werden bovendien nog opgegord om de vaart te verminderen en de aanraking zoo zacht mogelijk te doen plaats hebben, opdat de ijsschotsen tijd en gelegenheid mochten vinden aan weêrszijden uit te wijken …„Het is nu de avond van 6 Juli, om negen uur. Ik kom zooeven van de wacht en zit in mijn eigen kleine hut om mij een weinig met u te onderhouden. We hebben prachtig weder. Een stijve bries uit het W. N. W. doet dePandoramet een 6 mijls vaart tegen de witgetopte golven oploopen. De lucht is helder blauw, en de zon, welke ons zelfs te middernacht niet verlaat, veroorzaakt de heerlijkste tinten, de meest phantastische schaduwlijnen op de vele groote ijsbergen, welke ons aan alle zijden omringen. Tal van vogels volgen al spelend ons kielwater en hier en daar blaast een walvisch vergenoegd een straal water in de lucht.„Ik ging omlaag om mijn gevoel te uiten. Het geheele schouwspel stemde mij tot nadenken, want wij zijn thans opvoor Nederlandersklassieken grond. Aan stuurboord van ons liggen de Visch- en Honden-eilanden, en recht vooruit verrijst duidelijk het zwarte land van Disco boven den horizon. Wij zijn aan den ingang vanDiscofjorden al die eilanden, baaien en kapen zijn eenmaal getuigen geweest van de koene daden onzer oude zeevaarders. In die tijden, toen de Hollandsche vlag ook aan deze zijde van denPoolcirkel nog de meest geëerde, meest gevreesde en zeker talrijkst vertegenwoordigde was, had men jaren dat meer dan 150 schepen in deze wateren rondkruisten. Welk een levendigheid en vertier in deze nu zoo doodsche en verlaten zeeën! Het is daarom met een bijna droevig en zeker weemoedig gevoel, dat ik die roemrijke dagen herdenk, nu ik onder Engelsche vlag die klassieke wateren bezeil … Zou het voorspoedige Holland van onze dagen niet meer in staat zijn tot wat het weleer in ongunstiger omstandigheden vermocht?„O! mocht er weer nieuwe ondernemingszucht in het dierbare vaderland komen: moge het voorbeeld van Venetië het tot waarschuwing strekken.”Uit de merkwaardige kolenmijnen van Kudliseat vulde dePandorahaar voorraad met 50.000 kilo aan. De officieren hieuwen de steenkool uit de rots in groote stukken die dan naar beneden rolden op het strand, van waar zij door de matrozen aan boord gebracht werden. Tot tweemalen toe werden de werkzaamheden een eind verplaatst, schreef Beynen, omdat de kool aldaar gemakkelijker te bekomen was; het zware werk werd door officieren en manschappen met lust en ijver verricht. En een nagenoeg onafgebroken arbeid van ’s morgens 5 tot ’s avonds 8 uur is onder gewone omstandigheden voldoende om een mensch naar rust te doen verlangen!Maar aan boord derPandorakende men geen vermoeienis! Beynen schreef: „Het vreemde van het voortdurend dag zijn, dat zoo lang men er niet aan gewend is, zich tegen geregelde slaaptijden verzet, deed zich ook nu gevoelen; in plaats dat de vermoeide ledematen rust namen, leverde het onafgebroken geweervuur, dat ’s nachts de eenden en andere vogelsuit hun slaap deed opschrikken, op nieuw een bewijs, dat het gezonde Noordsche klimaat het menschelijk gestel als het ware weet te verstalen.„Den 14 Juli ’s avonds met kapitein Young op Disco-eiland jagende, stieten wij onverwachts op een klein Eskimo-kamp.„Het bestond uit twee zomertenten, die aan den voet van een steilen bergwand waren opgeslagen.„Vijf of zes kayaks waren op ’t strand gehaald en een familie van 12 Eskimo’s hield zich met verschillende huiselijke werkzaamheden bezig. Terwijl een oude vrouw het zeehondenvleesch voor den maaltijd bereidde, arbeidden de mannelijke Eskimo’s aan het herstellen van eenige kayaks, terwijl de vrouwelijke familieleden zich onledig hielden met het verwerken van gedroogde huiden. Stil en kalm werd dit alles verricht, en slechts nu en dan, wanneer een der Eskimo’s met een goeden buit van de jacht terugkeerde, ontstond er eenige drukte en beweging. Het was een vreemd, schilderachtig geheel, dat kleine rustige Eskimo-kamp, en volop genoten wij het heerlijk schoone natuurtooneel met zijne eigenaardige stoffeering. Verderop waren de stilte en kalmte, die alom heerschten, indrukwekkend, en slechts nu en dan werden deze afgebroken door het klagend geschreeuw van de rustelooze zeemeeuw of het zachte geluid als van verre branding, dat de golfjes aan onzen voet veroorzaakten, als zij zich stoeiend en spelend onder den uitgeholden rand eener kristallen ijsmassa krulden.„De tusschen de rotsen gesmolten sneeuw, die zich als een zilveren draad door een bed van donkergroen mos slingerde, vloot statig en langzaam naar het kale strand, waar zij zich een opening lekte door den ijsklomp, die haar het bereiken der zee scheen tewillen betwisten. De zon, die laag aan den hemel zich traag langs den noordelijken horizon voortbewoog, vergulde nog maar alleen de wit besneeuwde kruinen der hooge bergtoppen, waardoor het zwarte land van Disco een nog donkerder en grimmiger tint dan gewoonlijk verkreeg. En wanneer men voor een oogenblik heên staarde over het spiegelgladde watervlak, dan werd het oog geheimzinnig geboeid door de gletschers en bergtoppen van Groenland’s westkust, die door luchtspiegeling in duizend grillige gedaanten vervormd, ons den indruk gaven alsof moeder natuur met onze stille verrukking den spot wilde drijven.„Die heerlijk schoone natuurtooneelen in straat Waaigat, zoo geheel verschillend van wat men in andere hemelstreken ontmoet, zullen dan ook voor allen die ze mochten aanschouwen, onvergetelijk blijven, en geheel daarvan vervuld keeren wij naar dePandoraterug.„Nadat de Eskimo’s die ons bij het kolen laden behulpzaam geweest waren, behoorlijk betaald en bovendien nog met verschillende geschenken overladen waren, werd de reis verder voortgezet. Met ruim 170 ton steenkolen aan boord, stoomde dePandoralangzaam om de Noord.”Toen dePandoraden 22sten Juli de gevreesde Melville-baai naderde, bleek het een slecht ijsjaar te zijn. Zoover Beynen uit het kraaiennest zien kon, strekten zich, ten noorden van het schip, in alle richtingen de zoo beruchte ijsschollen en velden van Melville-baai uit. Aanschouwelijk heeft hij beschreven hoe dePandorain het ijs bezet geraakte en door het kloek besluit van kapitein Young gered werd.„De wind woei den 26sten Juli uit het zuidwesten, dus uit den ongunstigsten hoek, daar hij dan al hetijs der baai in elkaâr schuivende den doortocht zeer bezwaarlijk maakt. Toch scheen in den beginne alles zeer voorspoedig te zullen gaan.„Door een zonnigen zomerdag begunstigd, te midden eener indrukwekkend schoone omgeving, liep dePandoramet alle vierkante zeilen bij tusschen de fantastische ijsbergen door, waarvan er meer dan honderd in zicht waren en die, door de ruwe heuvelachtige ijsvelden vereenigd, met deze een verbond schenen te hebben gesloten, om haar het verder doordringen te beletten. Maar ongedeerd volgde ons klein schip, door de tegenstelling nietiger en kleiner dan ooit, den kalmen, donkeren waterweg, die zich als een slang tusschen de glinsterende ijsgevaarten kronkelde, terwijl deze in vorm en gedaante de meest verschillende zaken voorstelden. Nu eens vertoonde zich aan ons oog een hoog oploopend amphitheater, dat terug deed denken aan de Grieksche spelen, dan weer een oude ingestorte ruïne met nog enkele opstaande Gothische gewelven. Statige zuilen en kunstige pyramiden werden afgewisseld door sterke kasteelen en puntige dorpstorens, die in wit marmer uitgehouwen meesterstukken van architectuur vormden.„’s Middags echter wakkerde de wind meer en meer aan, zoodat weldra alleen de dichtgereefde marszeilen konden bijgehouden worden. Toch liep dePandoranog vijf of zes mijl, maar ook de ijsvelden zeilden zeer snel en begonnen de grenzen van het bevaarbare water, voor ons uit, al meer en meer te beperken.„’s Avonds te 5 uur kwam er bovendien nog een zware mist opzetten en te 6 uur was deze zoo dik, dat onze gezichteinder tot den verbazend grooten afstand van nauwelijks honderd meter werd beperkt. Het zijn vooral deze onophoudelijk voorkomende noordsche nevels die de ijsvaart zoo moeielijk engevaarlijk maken, en wanneer zij plotseling al het schoone van de omringende natuur achter een dicht omhulsel verbergen, is de indruk telkens weer even onaangenaam. De tegenstelling is dan ook zoo groot. Het eene oogenblik een lieve zonneschijn, die leven en kleur aan alles bijzet, en ’t volgende een grauwe akelige mist, die den vroolijksten aan boord tot droefgeestigheid stemt. Enkele malen even snel wegtrekkend als hij onverwachts gekomen is, houdt hij soms dagen achter elkaar aan. Gewoonlijk hangt hij laag op ’t water, zoodat de blauwe lucht voortdurend zichtbaar blijft.„Voor een ieder onaangenaam, is zulk weer voor den gezagvoerder, die de verantwoordelijkheid welke op hem rust gevoelt, een ware beproeving. Het onbekende vertoont zich dan aan hem in al zijn verschrikkingen. Was het te voren reeds moeielijk tusschen de uitgestrekte ijsmassa’s door te sturen, nu men de bewegingen daarvan niet meer nauwkeurig volgen kon, werd het varen steeds bezwaarlijker! Ook nu weer ondervonden wij al het moeielijke van zulk een toestand.„De vaart werd zooveel mogelijk verminderd, doch met de laagscheepsche zeilen alléén bij, liep het scheepje toch nog 3 mijl. Zooveel mogelijk werd om de noordwest gekoerst, doch het spreekt van zelf, dat men daar ieder oogenblik van moest afwijken om de ijsbergen en ijsvelden te ontwijken, die al dichter en dichter schenen samen te pakken. Tot acht uur ’s avonds ging dit nog redelijk goed, doch toen blonk door den nevel heen de glans van scholijs ons van alle kanten tegen.„Gelukkig had kapitein Young order gegeven de vuren aan te steken en stoom op te houden, zoodat wij met behulp daarvan snel konden afhouden. Hetschip lag noordoost voor en de wind, die zuidelijk was, kwam dus aan stuurboord in.„De ra’s rond te brassen, en de schoten der langscheepsche zeilen over te redderen was ’t werk van een oogenblik.„Naarmate dePandoraden zoom van ’t ijsveld volgde, doemden achtereenvolgens verschillende ijsbergen op, die den rand er van omgaven. Spoedig bleek, dat wij te midden van een dichte groep dier reusachtige gevaarten waren geraakt, die ons door den nevel heen van alle kanten grimmig aanstaarden.„De bevelen, door kapitein Young met kalmte gegeven, werden echter flink en oogenblikkelijk uitgevoerd en zonder te aarzelen stuurde onze onverschrokken gezagvoerder de kleinePandoratusschen enkele dezer gevaarlijke massa’s door, zoodat zij spoedig in een veiliger omgeving weêr langzaam om de noordwest liep. Een oogenblik scheen de toestand nu gunstiger te zullen worden. Het water werd meer open. Tal van „rotches,”2die de nabijheid van land verraadden, vlogen overal rond en voor meer dan een uur was er, voor zoover de nevel toeliet te oordeelen, geen ijs te zien.„Reeds begonnen wij ons te vleien spoedig kaap York en het open „Northwater” te zullen bereiken, toen wij in den vroegen morgen van den 23sten op nieuw uitgestrekte ijsvelden ontmoetten. Gelukkig werd daarin een breede opening ontwaard en meer dan een uur volgde dePandorain een noordelijke richting dit kronkelend wak. Toen sloten zich de ijsmassa’s echter dermate, dat een andere weg moestgezocht worden en zoo koersten wij eerst west en later meer zuidwaarts, toen uit het kraaiennest het bericht klonk, dat verder voortgaan onmogelijk was. Zoodra kapitein Young zich hiervan overtuigd had, besloot hij zoo spoedig mogelijk uit dit bedriegelijke wak terug te keeren.„Juist door in een soortgelijk geval te willen afwachten tot het ijs zich verder zoude openen, was deFoxin 1858 voor den geheelen winter in Melvillebaai vastgeraakt. Dadelijk werd order gegeven om over stag te gaan, de zeilen werden geborgen en onder stoom beproefden wij denzelfden weg terug te sturen. Dit bleek echter spoedig volkomen onmogelijk. De wind, die sterk doorstond, hield de geheele ijsmassa in een voortdurende beweging, waardoor de positie van de ijsvelden onderling zoodanig gewijzigd werd, dat het ondoenlijk bleek den eens afgelegden weg terug te vinden.„In alle richtingen vertoonden zich nu breede, veelbelovende openingen, doch de dichte nevel maakte het volstrekt onmogelijk te beslissen, welke weg het best naar meer open water voeren zoude. DePandorabevond zich in een waar labyrinth van ijs. Bij herhaling moest zij, om van het eene wak in het andere door te dringen, zich door ijstongen van 40 tot 50 meter breedte heênbreken. De openingen sloten zich vaak weer zoodra zij er doorheên was en niet voor den middag drie uur slaagden wij er in, haar in betrekkelijk open water aan een ijsschol te ankeren.„Kapitein Young besloot nu het optrekken van den nevel af te wachten, van welke gelegenheid een ieder aan boord gebruik maakte, om eenige uren rust te gaan nemen. Gedurende den nacht sneeuwde het hard, en toen den volgenden morgen de lucht opklaarde, bleek het dat dePandorain een grooten, geheeldoor ijs ingesloten waterpoel lag. Daar uit ’t kraaiennest over het ijs heen echter meer water gezien werd, besloot de gezagvoerder onverwijld te beproeven zich daarheen een doortocht te banen. Hij koos daartoe een opening, die tusschen twee ijsvelden door de kortste en beste gelegenheid scheen aan te bieden.„Onder zeil en stoom werd dePandoratusschen de ijsvelden ingedreven. Deze bleken echter grooter weerstandsvermogen te bezitten dan wij hen (te oordeelen naar de vele wakken en poelen, die hen in alle richtingen doorkruisten) op het oog hadden toegekend, en weldra was het ten eenenmale onmogelijk er verder in door te dringen.„Daar het echter scheen, alsof de schotsen zich langzaam van elkaar schoven, hoopte kapitein Young, dat deze beweging ons spoedig in staat zou stellen het open water te bereiken.„DePandorableef dus liggen waar zij was, doch dit werd haar ongeluk, want in weinige minuten had het altijd bewegelijke ijs haar van alle zijden dermate ingesloten, dat het onmogelijk was (zelfs met de machines volle kracht slaande) haar in ’t minst te bewegen.„Het ijs omringde het schip nu al meer en meer en voerde het in een noordelijke richting gevankelijk met zich mede. DePandorawas in het ijs bezet.„IJsbergen en ijsvelden worden door wind en stroom altijd voortbewogen en daar gene veel meer diepgang hebben dan deze, verplaatsen zij zich langzamer. Wanneer nu de zware massieve ijsberg door het veel lichtere ijsveld wordt ingehaald, scheurt dit in alle richtingen.„Is een schip in een omgeving van ijsbergen tusschen de ijsschollen bezet, dan verkeert het bijgevolgvoortdurend in gevaar tegen zoo’n berg aangedreven en te pletter gedrukt te worden.„Tegenover deze verbazende natuurkrachten vermag de zeeman niets; geen menschelijke middelen zijn dan in staat het schip te redden.„In zulk een toestand was dePandoranu geraakt. Juist waren wij te één uur met ons eten begonnen, toen het scheepje een geweldige ijsdrukking onderging, die alle deelen er van deed steunen en kraken. Dadelijk snelden wij naar dek en zagen daar dat de ijsschotsen door drie groote ijsbergen in hun vaart gestuit tegen het schip begonnen op te kruien. Naarmate het schip de ijsbergen naderde, werden de drukkingen heviger en veelvuldiger.„Groote zware ijsmassa’s stapelden zich tegen den achtersteven op, vulden den schroefkoker en kruiden aan bakboord bij het groot spant tot over de verschansing.„Het schip uit het water geperst en over stuurboord geworpen, werd in dezen hulpeloozen toestand rechtstreeks in de richting der ijsbergen gedreven.„Het ijs door een stijve bries uit ’t zuiden opgestuwd, sloot zich meer en meer. De weinige waterpoelen, die uit ’t kraaiennest ’s morgens hier en daar zichtbaar waren, verdwenen de een na den ander, en weldra was de oppervlakte der zee herschapen in een uitgestrekt onafzienbaar ijsveld; Melville-baai was in den waren zin des woords „een ijszee.”„Intusschen werd de afstand tusschen het schip en de vreeselijke gevaarten steeds kleiner en kleiner. De grootste was nog slechts 200 meters verwijderd en ieder hield zich overtuigd, dat zoo er geen wonder geschiedde, dePandoratusschen de ijsbergen en de tegen haar opkruiende ijsschollen te pletter zou gedrukt worden. Toch werden alle pogingen aangewend,om het schip weer vlot te krijgen, doch hoewel wij met bijl en moker de door middel van buskruit opgescheurde ijsmassa’s trachtten weg te werken en alle krachten inspanden om met behulp van rondas en spil het schip in eene dus ontstane opening te krijgen, moesten wij toch eindigen met alle verdere pogingen om dePandorain beweging te brengen op te geven.„Al het mogelijke was beproefd, doch ons schip was en bleef onwrikbaar in het ijs bezet. Intusschen naderden wij de ijsbergen steeds meer en meer en werd het gevaar dreigender.„Te drie uur gaf kapitein Young bevel alle maatregelen te nemen om op het laatste oogenblik behoorlijk gereed te zijn, het schip met booten en ijssleden te verlaten.„Nadat een ieder zich den zeildoeken ransel (waarin het hoogst noodige naar een bepaald model zoo doelmatig mogelijk gepakt was) op den rug had gebonden, werden de ijssleden voor de hand gezet en de booten met instrumenten, wapens en provisiën gevuld.„Tot 6 uur ’s avonds bleef deze angstige onzekerheid omtrent het behoud van het schip voortduren, maar toen dreef dePandoramet de schotsen ongedeerd tusschen de ijsbergen door, ofschoon zij een daarvan, die hoog boven haar tuig uit stak, zóó nabij passeerde, dat men van het kluifhout zonder moeite er op had kunnen overspringen.„’s Nachts te 12 uur brak het ijs van zelf rondom het schip op. DePandorarechtte zich en lag weldra weêr vlot in een klein wak in ’t ijs, dat aan lij van de ijsbergen ontstaan was en in de taal der Engelsche walvischvaarders „an open hole” wordt genoemd.„De Eskimo-tolk Christie, met zijn kajak hierin rondroeiende, had het geluk onzen eersten zeehondte schieten. Daar wij reeds lang gewenscht hadden versch vleesch te bezitten, was dit voor ons een belangrijke gebeurtenis, en groot was dus aller teleurstelling, toen wij den volgenden morgen ontwaarden dat onze onverzadelijke Eskimo-honden zich gedurende den nacht van den buit hadden meester gemaakt.„Enkele malen kon men onder ’t ijs duidelijk een westelijke deining bespeuren, wat als een zeker teeken beschouwd werd, dat veel open water in die richting aanwezig was. Het was merkwaardig om de wijze gade te slaan, waarop het groote donkere ijsveld aan stuurboord van ons een langzaam golvende beweging aannam.„De ongeduldige spanning aan boord was nu zoo groot, dat, hoewel de mist ons belette open water te zien, wij toch beproefden ons door stoom een doortocht te banen, hetwelk echter spoedig bleek ondoenlijk te zijn, en daar de kommandant vreesde, dat de schroef door onze half wanhopige pogingen zou breken, werden ze weldra gestaakt.„’s Nachts van den 27sten Juli de wacht hebbende, had ik het geluk een ijsbeer te schieten, die ons op eenmaal een goede hoeveelheid versch vleesch verschafte. Van achter een ijsberg te voorschijn tredend, beschreef hij ronde kringen om het schip.„Nu eens dichter bijkomende en dan weêr verder afgaande, stond hij ieder oogenblik stil om de lucht in te snuiven, en werd dan telkens verleid meer te naderen, door den scherpen reuk van bedorven zeehondenvleesch, dat in ’t want hing en bestemd was tot voedsel voor de honden.„Het was doodstil op dek; het wachtvolk was omlaag; de honden sliepen en er geschiedde niets dat hem kon doen verschrikken. Niet vóór hij tot op 50 passen afstand van het schip gekomen was, ontvinghij een schot in den kop, waardoor hij eerst recht opsprong en daarna achterover op zijn rug rolde.„Ziende dat hij nog trachtte zich op te richten, liep ik over het ijs naar hem toe, doch had het ongeluk, terwijl ik mijn geweer onder het voortgaan weder laadde, tusschen twee der ijsvelden in het water te vallen. Gelukkig kwam ik er met een koud nat pak af en miste den welkomen buit niet, daar de onderofficier der wacht toesnelde en den beer doodschoot.„In den laten avond vlogen steeds duizenden en duizenden rotges in een noordwestelijke richting over het schip heen, om den volgenden morgen in tegenovergestelde richting terug te komen.„Hun vlucht was echter, zooals kapitein Young opmerkte, veel te hoog om hoop te geven dat er open water dicht bij was, en hoofdschuddend herhaalde hij: „When birds fly so high as that, they surely have to make a long way.” („Als vogels zoo hoog vliegen hebben ze een langen afstand voor zich.”)„Sinds den 22sten Juli was het steeds mistig geweest, zoodat geen observaties hadden kunnen genomen worden, doch in den voormiddag klaarde het weer gelukkig op en bleek uit de gedane waarnemingen dat dePandoraeen goed eind om de noord tot midden in Melville-baai gedreven was. In alle richtingen lag het ijs dicht aaneengesloten, zoodat uit het kraaiennest nergens water gezien werd.„Toen de nevel optrok, ontrolden zich voor onze oogen de zoo beroemde schoone natuurtafereelen, die Melville-baai meer dan eenige andere plaats in het hooge noorden den zeevaarder aanbiedt.„De hooge besneeuwde kust van Groenland met haar talrijke gletschers werd nu op nieuw zichtbaar en de onafzienbare heuvelachtige ijsvlakten, overal afgebroken door prachtige ijsbergen, vormden door de zonbeschenen een heerlijk grootsch schouwspel. Het was bladstil en dePandoralag als ’t ware ingesluimerd in haar kleinen waterpoel.„Bood het natuurtooneel ons in hooge mate veel te genieten aan, de gedachte aan den toestand waarin ons schip verkeerde was alles behalve opwekkend. Kalm en rustig en onbewegelijk als nu die onafzienbare ijsvlakte zich aan ons oog voordeed, sluimerden daarin de ontzettende natuurkrachten, die als zij door een storm werden wakker geschud, ons scheepje van alle kanten zouden aangrijpen. Misschien zouden wij er in slagen aan al deze gevaren te ontsnappen en het open North-water te bereiken, maar even goed bestond de kans, dat wij in het ijs gevangen bleven en daarmede machteloos om de zuid werden gevoerd, of dat dePandora, evenals deHansaen zoo menig ander schip, in den strijd met den onverbiddelijken vijand naar de diepte ging. Dan zouden wij ons in de booten moeten trachten te redden, doch ook dit bleef in hooge mate een gevaarlijke en onzekere onderneming.„Evenwel het zou ons laatste redmiddel zijn, en dien ten gevolge werden dan ook alle maatregelen genomen en de provisie en benoodigdheden van de booten voor de hand gezet. Er werd bepaald dat de booten een maand proviand zouden innemen en dat men voor het verder voedsel op de geweren zou moeten vertrouwen.„Wij hadden het voorbeeld van Barents en van de Oostenrijksche en Amerikaansche expeditiën voor ons om de mogelijkheid van zulk een tocht in booten buiten allen twijfel te stellen.„Op den 28sten Juli liep de wind, die tot nu toe in ’t zuiden als vastgenageld had gezeten, naar het O.N.O. en het was alleropmerkelijkst om de verandering gadete slaan, die daardoor onmiddellijk in de ijsmassa werd te weeg gebracht. Er was een algemeene drift in een westelijke richting te bespeuren en op tallooze plaatsen werden open wakken zichtbaar.„Kapitein Young liet nu stoom opmaken, ten einde van de eerste gelegenheid, die zich aanbood om te ontsnappen, gebruik te kunnen maken. Ons geduld werd echter op een lange proef gesteld, want niet voor ’s avonds 6 uur bood zich die gelegenheid aan. In dien tusschentijd evenwel dreven wij snel in een westelijke richting naar open water, dat zeer duidelijk van top zichtbaar was, en ook toen bestond er gevaar, dat dePandora, door het scholijs machteloos weggevoerd, tegen een der tallooze ijsbergen gezet werd, in welk geval zij onherroepelijk verloren zou zijn.„Er waren verschillende bergen rondom ons, die alle aan den grond geraakt, onwrikbaar op hun plaatsen blijvend, het scholijs, dat tegen hen aandreef, opspleten en in stukken scheurden. Daar de opgebroken ijsvelden zich op eenigen afstand verder eerst weer te zamen voegden, vormde zich beneden ’s winds van zoo’n ijsberg steeds een soort open wak. Door buitengewoon geluk begunstigd, ontkwamen wij echter ook nu weder aan deze gevaren en slaagden er te 6 uur in, onder zeil en stoom, de schol, die ons zoo lang gevangen had gehouden, te verbreken en in een uitgestrekt open wak meer westwaarts van ons door te dringen. Dit was echter niet gemakkelijk geschied en ieder aan boord had de handen vol gehad.„Kapitein Young bestuurde het schip uit het kraaiennest, en de zwakste plaatsen uitkiezende, ramde hij bij herhaling de ijsmassa’s, die hem het verder doordringen beletten. Wanneer het schip achteruit stoomde om meer vaart te kunnen schieten, werden de losse stukken, die door den vorigen stoot van de ijsscholwaren afgebroken, door de manschap op de schotsen met haak en puntstokken telkens uit den weg geruimd.„Op deze wijze slaagden wij er in, ons langzaam een weg door de ijsmassa te banen, doch ver konden wij het niet brengen. Te half acht ’s avonds waren wij genoodzaakt onze pogingen te staken en ons op nieuw aan een ijsschol te ankeren.„Wij waren nu evenwel uit de gevaarlijke omgeving, waarin wij zoo lang vertoefd hadden en dreven met de geheele ijsmassa mee om de west en dus gelukkig uit de baai. De wind begon nu echter op te steken en het werd een barre nacht. Er woei een zware storm, die vergezeld ging van hevige sneeuwvlagen. Het schip, dat snel in een noordwestelijke richting dreef, verkeerde ’s morgens te half vier uur op nieuw in gevaar van tegen een ijsberg aangedreven te worden. Als gewoonlijk was het zeer mistig, en toen wij dezen reus van ijs machteloos te gemoet gevoerd werden, was ieder in gespannen verwachting wat ons lot zoude zijn. Wij naderden snel en zeker, maar het ijsveld bleek bijzonder sterk te zijn. Het brak slechts gedeeltelijk op en diende dePandoradus als stootkussen, zoodat zij ongedeerd langs den berg heenschuurde.„In den morgen van den 29sten Juli liep de wind naar het oost-zuid-oosten en wij dreven met een twee mijls vaart om de W. N. W. Van top was het open water nu zeer duidelijk te zien en toen te 12 uur het zoo welkome geluid der branding op den zoom van den ijsdam werd gehoord, besloot kapitein Young nogmaals te beproeven het te bereiken.„Op nieuw liep dePandoraonder stoom en zeil tegen de zwakste plaatsen van het ijs in, maar na twee uur worstelens waren wij slechts één scheepslengte verder gekomen. Mistroostig werd toen de verderepoging opgegeven en op nieuw de oude lijdelijke houding aangenomen. Langzaam bleven wij nu naar het open water toedrijven en te 6 uur konden wij van het dek den rand van den ijsdam duidelijk zien. Deze vertoonde zich als een rechte lijn, die zich noordwest en zuidoost uitstrekte en volkomen een kustlijn geleek.„Vreezende dat de wind weêr naar ’t zuiden terug zou loopen, liet kapitein Young ’s avonds te acht uur nogmaals een ernstige poging aanwenden om de banden, die ons gevangen hielden, te verbreken. Alle zeilen werden bijgezet en met volle kracht werd gestoomd; even als de vorige keeren vorderden wij eerst ongelooflijk langzaam, maar toen dePandoraeenmaal vaart schoot ging het veel beter.„Na ruim een uur het ijs letterlijk geramd te hebben en ijsmassa’s van vier voet dikte, die haar den weg versperden, zonder dat zij merkbaar haar vaart vertraagde, te hebben doorgebroken, naderde zij den rand van het ijs. Het ging nu hoe langer hoe beter, daar de sterke deining de geheele massa hier in een golvende beweging bracht, waardoor het ijs zich merkbaar opende en groote schollen, die met kracht tegen elkaar geworpen werden, in kleinere stukken braken.„Kapitein Young, die de bewegingen van het schip uit het kraaiennest bestuurde, wist snel en beraden de juiste openingen te kiezen. Eindelijk lag nog slechts een groot zwaar ijsveld als laatste hinderpaal voor ons.„Met een viermijls vaart schoot dePandoraer recht op aan, en met haar volle gewicht er op neerdalend, scheurde zij de schots in tweeën en doorkliefde weldra onder een driewerf „hurrah for Captain Young!” het donkergroene water van de Baffinsbaai. Dit driewerf hoerah voor den bekwamen gezagvoerder, waarmede de bemanning dit feit begroette, was het hartelijkste dat ik mij herinner ooit gehoord te hebben,en geen wonder, want terwijl wij machteloos in het ijs ronddreven, stond het lot derFoxons steeds voor oogen, en voor niemand onzer was het nutteloos doorbrengen van een poolwinter in den gevaarlijken ijsdam een aanlokkelijk denkbeeld.„Het einde van den ijsdam bestond uit losse, bijna afgeronde ijsbrokken, die door de deining in een hooge golvende beweging werd gebracht. Met ontelbare zwermen vlogen de rotges hier langs den rand van het ijs, blijkbaar omdat zij er gemakkelijk hun voedsel konden vinden. Het werd ons nu duidelijk, dat wij hen hierheen iederen avond hadden zien vliegen; later in den nacht keerden zij dan weêr met voedsel voor hun jongen naar het land terug.„Na gedurende zulk een geruimen tijd onbewegelijk te hebben gelegen, was het een vreemde gewaarwording, nu op eenmaal door een hooge noordwestelijke deining zoo hevig geslingerd te worden, dat de booten op de davids gesjord en de deuren op de haken gezet moesten worden.„In den morgen van den 31sten Juli liepen wij zoo dicht als het ijs toeliet, bij mistig weêr, langs kaap York en kaap Dudley Digges, en reeds was dePandoraWolstenholme eiland genaderd, toen een opkomende storm uit het zuidoosten haar noodzaakte onverwijld aan den wind te gaan liggen. De wind bleef de eerste uren steeds toenemend in kracht, zoodat er weldra een werkelijke orkaan woei.„Daar de ijsbergen en het vele scholijs ons beletten onder de hooge kust bescherming te zoeken, lag dePandorade volgende 24 uren onder haar dichtgereefde stormzeilen bij, terwijl het opgezweepte schuim der zee en de onafgebroken sneeuwjacht het uitzien naar land en ijsbergen allermoeielijkst maakten. Ten einde een botsing met deze gevaarten te voorkomen,moesten wij ieder oogenblik afhouden. De hooge moeielijke zee, die dan dwars inkwam, waschte voortdurend over het dek en sloeg een der beste booten geheel in stukken.
De opkomende zon bestraalde met een rooden gloed de glinsterende gletschers, die van de hooge steile gebergten van Groenland’s Westkust in de zee nederdalen. Tallooze ijsbergen dreven op het donkere water van de zee van Baffin, waardoor de kleine stoomboot dePandorain den zomer van 1875 zich een weg baande. Indrukwekkend was de kalmte en rust der natuur; men hoorde slechts een zacht geluid als van een verre branding, wanneer de golfjes, welke de schroef van dePandorain de IJszee woelde, onder de uitgeholde randen van de kristallen ijsvelden krulden en kabbelden tegen de blinkende kanten der ijsschotsen.Op het dek van het schip ging Beynen heen en weder. Hij stevende voor het eerst naar het Noorden, onder den roemvollen poolvaarder Sir Allen Young, die reeds twintig jaar geleden, aan boord van deFoxgepoogd had den Noordwestelijken doortocht te vinden en door het ijs langs het Noorden van Amerika, van de eene wereldzee in de andere te komen.DePandora, die zeil kon voeren en daartoe barkstuig had, was den 28sten Juli straat Davis ingezeild en kliefde den volgenden ochtend hare met schuim bedekte golven. „Trillend onder den druk harer zeilen scheen zij als bezield met diezelfde wilde vervoering, welke ons eigen hart zoo hoorbaar deed kloppen,” schreef Beynen, de verrukking herdenkende van zijn eerste zeilen te midden van het Noordsche drijfijs.„’t Was een heerlijke ochtend. Aan stuurboord van ons hulde de opkomende zon de hooge besneeuwde bergtoppen met hun diepe donkere schaduwen in een rooden gloed, waartegen ’t zilverwitte drijfijs grillig afstak, en rondom ons in alle richtingen werd de gewone eentonigheid der zee aangenaam afgebroken door die kristallenijsmassa’s, waarmede zij als bezaaid scheen, en die, naderbij gekomen, de meest fantastische vormen en gedaanten vertoonden.„De met schuim bedekte zee wierp zich al joelend en juichend in de diep uitgeholde gleuven dier lichtblauw gekleurde schotsen, die ze reeds als haar gewisse prooi beschouwde, daar zij ze langzaam en als het ware spelend naar ’t zoele Zuiden dreef. ’t Zilverwit van deze doorzichtige gevaarten werd aangenaam afgewisseld door ’t lichtgroen en helderblauw, dat zich diep in hun binnenste verschool, doch nu helder uitblonk, beschenen door de vriendelijke stralen der opkomende zon.”Deze woorden van Beynen doen ons iets gevoelen van de frissche geestdrift, waarmede hij de IJszee het eerst binnenzeilde.Het was eenige dagen na dezen schoonen ochtend,dat hij op het dek heen en weder ging, terwijl dePandorabij windstilte langs Groenland noordwaarts stoomde. Met bewondering zag hij op naar de steile kust van Groenland, welke gedurende den korten zomer van het Noorden, door haar weêrgalooze schoonheid en door de machtige vormen van haar fiere hoogten de harten treft der moedige zeelieden, die naar de IJszee varen. Groenland’s kust is een gebroken getande lijn van hooge, woeste bergen, die steil oprijzen uit het water, en hun zware, met gletschers bedekte zijden schier loodrecht meer dan 3000 voet omhoog heffen. Op deze bergen tooveren zon en dampkring de meest zonderlinge, ongestadige lichtspiegelingen, de zeldzaamste mengelingen van tinten en kleuren, gelijk Mac Gahan, Beynen’s reisgezel en vriend, in zijn aantrekkelijk boekUnder the Northern Lightsschoon beschreven heeft. Een dunne nevelsluier omhangt in breede en doorzichtige plooien de bergwanden, als wilde hij hun koude, ruwe naaktheid aan het oog onttrekken; doch tevens vangt dit reusachtige toovernet van mist en nevel het zonlicht op; het houdt de zonnestralen gevangen in zijn mazen, en dit net der Noordsche feeën hecht zich nu, als door liefkoozende streelende handen hun omgeslagen, aan de stroeve, stugge, woeste bergen, op welke de ijskoning troont, en omringt hun toppen met een lichtend waas, een stralend vlies van lichtrood en van purper, dat bijna onmerkbaar zich vermengt met den ongestadigen bleekgelen flikkerschijn der gletschers langs der bergen zijden. Scherpe, blinkende ijsnaalden ziet men hier en daar uit den dunnen nevel opwaarts rijzen, stralende in de middernachtszon. Zij zijn bergtoppen, de hoogste golven van die machtige zee van ijs, vier duizend voet diep, welke Groenland overweldigd heeft.Dit groote vasteland is in werkelijkheid niets dan een reusachtige diepe gletscher, door een rand van bergen omzoomd, welke de kustlijn vormt. De woestenij van ijs, welke door honderd voet breede kloven in elke richting doorsneden wordt, is onbegaanbaar en door geen menschenvoet betreden; doch zoo men de geheimzinnige hoogvlakte eens bestijgen kon, en hier en daar een hoogte, een heuveltje gewaar werd, zou men tot zijn verwondering ontdekken, dat die onbeteekenende verhevenheden de toppen zijn van hooge bergen, die boven de ontzaglijke ijsoverstrooming, welke de dalen gevuld heeft, uitsteken.Zoo Zwitserland duizende malen grooter ware en ijs tusschen de bergen wierd gegoten, totdat slechts de hoogste toppen er uitstaken, zou het er uitzien gelijk Groenland.Toch was dat groote vasteland eens vruchtbaar, groen en overdekt met bloesem en struiken en weelderigen plantengroei. Men vindt er groote bosschen van verkoolde boomen, en de versteende overblijfselen van dieren, die slechts in een warm klimaat kunnen bestaan. InLancasters Soundhaalt men uit de diepten van het koude water versteende koraal en sponsen op, en de steile bergkust van het door ijs overstroomde Groenland ontleent zeker een deel van den machtigen indruk, dien ze maakt, aan haar geheimzinnig verleden, aan de wonderen, grooter dan die der Duizend-en-ééne Nacht, welke de wetenschap ons weet te verhalen van het hooge Noorden.Maar het was niet aan deze wonderen dat de jonge Hollandsche zeeofficier dacht, die heen en weer ging op het dek van het kleine schip, dat in de donkere wateren van de zee van Baffin langs Groenland’s Westkust stevende, om te pogen den noordwestelijken doortocht naar Amerika te vinden, en in één zomerom den Noord van Southampton naar San Francisco te stoomen.De omgeving stemt hem wel tot nadenken, doch niet aan Groenland’s, maar aan Nederland’s verleden dacht hij. Met een diep weemoedig gevoel herdacht hij die vervlogen tijden, toen Holland’s driekleur ook in deze wateren nog het sterkst vertegenwoordigd was, toen vloten van meer dan honderd zeilen, met stoute ondernemende zeelieden bemand, uit deze nu verlaten zeeën jaarlijks schatten wisten op te halen voor ’t jong gemeenebest.En er was aanleiding voor die gedachten.Hij was te Upernavik aan wal geweest, de laatste Deensche nederzetting onder de Eskimo’s, die op een met mos bedekte, langzaam naar het water afhellende heuvelenrij gelegen is, welke van alle zijden door hooge, steile, kale bergwanden wordt ingesloten. Het dorp bestaat uit zeven houten huisjes, loodsen en voorraadschuren, en uit enkele Eskimo-hutten van steen en aardzoden opgetrokken.Onze Hollandsche zeeofficier was door de Eskimo’s op de welwillendste, meest gastvrije wijze ontvangen, en tot zijn niet geringe verbazing had hij bespeurd dat zij de herinnering aan de vroegere veelvuldige bezoeken onzer voorvaderen nog in hun taal bewaren.Ze hebben toch voor „de blanke mannen” in het algemeen slechts ééne uitdrukking, namelijk:Kabloena, doch voor Hollanders hebben zij den afzonderlijken naam vanArpanjak,d.i.mensch die den walvisch doodt.Op beide tochten landde Beynen te Upernavik, en telkens las hij de grootste verwondering en belangstelling op de gelaatstrekken der Eskimo’s, wanneer men hun mededeelde dat hij eenArpanjakwas. Hij werd bekeken en in oogenschouw genomen doorgroot en klein, en als hij langs de hutten ging, vertelden de ouders aan de kinderen: „Daar gaat deArpanjak!” Men sprak hem toe onder dien vreemdklinkenden naam, en trachtte hem door gebaren en teekenen aan ’t verstand te brengen, dat andere Eskimo’s, die nu reeds lang ter ruste waren gelegd in den bevroren grond van Groenland, hun hadden verteld, dat zij van hunne ouders veel van de Arpanjaks gehoord hadden.Een stokoud man kwam zelfs uitsluitend aan boord om hem te vertellen, hoe de vader van zijn moeder een schip van denArpanjakgezien had, dat om den Noord ging, en dat vóór hun tijd een groot aantal der schepen van de Arpanjaks jaarlijks Groenland’s haven binnenliep.Vóór het vertrek derPandorakwam een jonge Eskimo, die van den priester een weinig schrijven had geleerd, den Hollandschen officier op het Engelsche schip vragen om enkele Hollandsche woorden op papier neêr te schrijven, en met de meest mogelijke belangstelling sloegen de andere Eskimo’s luitenant Beynen gade, toen hij „Arpanjaks” voor hen schreef.Later kwam een andere Eskimo aan boord en haalde, toen hij in de kajuit was toegelaten, uit eenige oude zeehondenvellen zeer geheimzinnig eene ouderwetsche matrozentabaksdoos voor den dag, welke hij aan luitenant Beynen overhandigde, zeggende: „Arpanjak!”Tot zijn verwondering las Beynen op de doos: „’t Gezelschap van de jonge vrouw is de jongman zelden moê.” Boven deze woorden was een afbeelding van een schip, dat zeilreê lag, terwijl op het strand een zeeman van zijn liefje afscheid nam. Deze doos, welke van de 17de eeuw dagteekent, was niet lang geleden in een oud Eskimografgevonden. Waarschijnlijk was zij als een groote schat te gelijk met den eigenaar begraven. Al deze bijzonderheden en de verhalen, hem op den tweeden tocht door den tolk Christie—een Eskimo—gedaan, gaven Beynen de vaste overtuiging, dat het verhaal der stoute tochten van onze voorvaderen als een traditie van een vroegeren heldentijd onder de Eskimo’s bewaard is gebleven, en dat de tochten van den „Arpanjak” door de vaders aan de kinderen verhaald worden in den langen winternacht, welken zij, gelijk wij weten, door vertellingen pogen te verkorten.Is het wonder, dat die heldenvereering der Eskimo’s voor den Arpanjak een onuitwischbaren indruk maakte op den jongen Hollandschen zeeofficier, die onder Engelsche vlag Eskimo’s aan boord ontving?En die indruk werd zelfs dieper en dieper, naarmate hij meer van het Noorden zag, en overal de meest afgelegen baaien, kapen en eilanden door Hollandsche namen vond aangeduid.Vol stemmen is het Noorden toch voor volken, die sinds eeuwen hier de zee bevaren. De IJszee, steeds veranderend van vorm, doch steeds dezelfde, wekt een ernstig gevoel bij hen, voor wie zij een getuige is, die van vorige eeuwen spreekt, daar zij de voetstappen bewaart der kloeke mannen van het voorgeslacht. Roerende herinneringen aan het machtig verleden zijn niet slechts „het behouden Huis” op Nova Zembla; niet slechts de vele plaatsen op Spitsbergen en Mayeneiland, waar Hollandsche ontdekkers en walvischvaarders op hunne avontuurlijke tochten plachten te verwijlen, maar ook de kusten van Groenland en bovenal de zwarte kruisen met verweerde grafschriften, welke zoo in het Oosten als Westen der IJszee nog op den huidigen dag getuigen dat Hollandsche matrozen daar het leven lieten.Hoezeer de streken die hij bezocht dezen indruk maakten op Beynen, kan blijken uit den volgenden brief, dien hij den 6den Augustus aan boord van dePandoraschreef:„Van nacht ben ik voor het eerst den poolcirkel gepasseerd. Ik vind het aangenaam te bespeuren dat ik hier aan boord van nut ben en zoodoende mijn tol betaal voor het aan boord zijn. De dokter zegt dat men mijclevervindt; maar ik kan niet nalaten op te merken, wat de Engelschen dan wel zeggen zouden van zoo vele onzer Hollandsche zeeofficieren, die vrij wat meer weten.„Men heeft mij vereerd met den naamOld Tromp, naar onzen grooten admiraal, die in Engeland nog zeer geëerbiedigd is, maar Mac Gahan, de correspondent vanthe Herald,1die om de reis te beschrijven mede gaat en een alleraangenaamst mensch is, heeft voorgesteld mijYoung Trompte noemen, omdat ik de jongste aan boord en dus genoodzaakt ben, volgens luitenant Lilingston, om als de gezondheid eener dame wordt gedronken, op te staan en in haar naam te danken.„Mac Gahan geeft mij elken dag een uur les in hetEngelsch. Ik leer hier honderde dingen, die mij naderhand bijzonder te pas zullen komen.„Eer ik eindig, moet mij nog een zaak van het hart. Ik heb uit gesprekken aan boord opgemerkt, dat onze oorlog met Atjeh in Engeland den eerbied voor ons vaderland niet heeft vergroot. Men is niet voldoende bekend met hetgeen gedaan is, en oordeelt dat wij niet genoeg geestkracht getoond hebben.„Het is een sobere belooning voor zoo vele vroolijk verdragen ontberingen en den waarachtig betoonden heldenmoed van onze dappere soldaten.„Ik begrijp nu echter tevens beter dan voorheen hoe waar de woorden zijn, door Petermann geschreven: „Ik weet niet welke inzichten men betreffende deze zaken in Engeland huldigt, maar wel weet ik nu zeker, dat voor ons buitenlanders de daden en werkzaamheden van noordpoolvaarders en ontdekkers als sir James Ross en Dr. Livingstone onze achting voor Groot-Brittannië veel meer hebben doen toenemen, dan hun tocht naar Koemassie tegen de negers, welke millioenen thalers gekost heeft.„’t Is geloof ik juist opgemerkt. Naarmate ik meer hoor en lees wat men in den vreemde denkt, word ik ook meer doordrongen van de overtuiging, dat het van het grootste belang en voordeel voor ons vaderland zou zijn, om zijn oude plaats te hernemen te midden van al de vreemde zeevaarders, die jaar in jaar uit roem vergaren voor hun geboortegrond in het hooge Noorden.„Al moge Nederland niet meer als voorheen een der invloedrijkste landen van Europa zijn, daarom kan het toch in den vreemde evenzeer geëerd worden als in die oude tijden, toen de beschaafde wereld metklimmende bewondering de Hollandsche schepen stevenen zag langs de verste stranden.„De minister Gladstone zeide eens dat niets voor een maritieme mogendheid van meer belang is, vooral in tijd van vrede, dan alles wat zeelieden aanmoedigt tot het doen van koene daden en stoute waagstukken, die den handelsgeest met nieuw leven bezielen en de nationale geestdrift opwekken.„Is dit in het algemeen waar voor zeevarende mogendheden, hoeveel te meer is dit dan niet van toepassing op ons geliefd vaderland!„Hoe meer men in de vele schoone bladzijden van ons zeewezen den zilveren draad volgt, die ten allen tijde daardoor heen is geweven door nautische ondernemingszucht, hoe meer men het betreurt, dat in de laatste jaren dit voor ons vaderland zoo roemvolle terrein tevergeefs gewacht heeft op Nederlandsche arbeiders.„Zou Nederland zich langer onthouden? Nederland, dat zijn nationale grootheid bijna uitsluitend te danken heeft aan zijn zeelui; dat gewoon was zijn zonen den weg te zien wijzen over alle zeeën van den aardbol; dat reeds eeuwen geleden de wimpels heeft zien wederkeeren, die vroolijk gewapperd hadden langs tot nu toe niet weergevonden kusten? Zou Nederland, dat alles vergetende, kalm blijven toezien hoe die verre stranden één voor één doorvreemdezeevaarders wierden teruggevonden? kalm blijven verdragen dat de daar achtergelaten reliquieën doorvreemdeschepen in hunne havens wierden binnengebracht; zou het mogelijk zijn dat Nederlanders niet bloosden als ze hoorden dat de graven hunner groote zeevaarders in het hooge Noorden slechts doorvreemdekleuren wierden gegroet?„Zou dit mogelijk zijn? Zou Nederland werkelijk deeenige maritieme mogendheid zijn, die achterbleef, waar Engeland, Amerika, Rusland, Zweden, Noorwegen, Oostenrijk, ja zelfs Duitschland in een edelen wedstrijd voorgaan, om den sluier op te lichten, waarachter nog zoo veel voor de wetenschap verborgen bleef?„Wat heeft Duitschland gedaan?—Niettegenstaande het in de laatste jaren drie groote oorlogen te voeren had, en het volgens Petermann noch schepen, noch geld bezat en particuliere krachten het moesten doen, zijn er toch drie expedities naar het Noorden gezonden. Zou Nederland het kalm blijven aanzien, dat die machtige nabuur meer en meer den roem verduistert, die ons vaderland zich voorheen op zoo waardige wijze en ten koste van zoo vele dure offers verworven heeft? En dat nog wel terwijl er zoo weinig noodig is om dit te verhoeden? Ik zegweinig, want nog is de gouden aureool, door onze brave voorvaders voor de Nederlandsche driekleur gewonnen, niet verbleekt. Nog sluimert er in den vreemde (zooals ik hier dagelijks kan ondervinden) de eerbied voor onze groote mannen, en er is slechts weinig noodig om alle natiën weer met lof te doen gewagen van onzen alouden ondernemingsgeest.„Nieuwe tochten zullen zelfvertrouwen geven aan ons volkeneerbied wekken bij onze buren. Schatten worden er jaarlijks besteed, om onze onafhankelijkheid te waarborgen door forten en kanonnen. Dit is onontbeerlijk, doch niettemin is er iets nog sterker dan forten en vertrouwenswaardiger dan inundatiën, en dat is het gevoel van achting en eerbied, dat wij voor ons volk wekken in Europa, door aan de spits te gaan op wetenschappelijk gebied, door kloeke tochten van ontdekking en nasporing.„Om in ’t leven te blijven, moeten wij getrouw zijnaan onze traditiën en als weleer ons behoud zoeken op de zilte baren, die onze kust besproeien. En dit vermogen wij. Wij bezitten tal van hoogst bekwame zeeofficieren en flinke degelijke zeelui. Men geve hun slechts de gelegenheid, en ik ben er van overtuigd dat onze vaderlandsche zangen weer spoedig weerklinken zullen langs de verste stranden.”Slechts zelden is het zulk liefelijk weder in de poolstreken als op dien heerlijken ochtend toenBeynenhet eerst de IJszee binnenzeilde.DePandorahad telkens met zwaren mist en storm te kampen. Na Upernavik verlaten te hebben was Sir Allen Young dwars door Melville-baai—dat oord der verschrikking voor de walvischvaarders, die er ontelbare schepen in het ijs verloren—naar de Carey-eilanden gezeild, waar hij vruchteloos naar een steenhoop zocht, welke brieven van de Engelsche expeditie onder kapitein Nares kon bevatten. Van deze eilanden, die in Smith Sound liggen, werd westwaarts gekoersd door Lancaster Sound en Barrow-straat, ten einde langs Prince of Wales-land om de Zuid den westelijken doortocht te vinden. Het was een hachelijke tocht, want het was reeds laat in het seizoen, en de onafzienbare ijsmassa kon, zoodra de wind omliep, het schip tegen den wal plat drukken. Als een blindeman kon dePandoraenkel als het ware op den tast doorgaan, want ze ging langs onbekende kusten, op welke ze ieder oogenblik kon vastgezet worden, en nu en dan zag men, gelijk Beynen dit beschreef, „een spookachtige glimp van de benauwende ijsmassa aan stuurboordzijde, die de bemanning telkens aan haar gevaarlijken toestand herinnerde.”In Peel-Sound gekomen, doorkliefde dePandorawateren voorheen door geen ander schip bezocht, dan wellicht door de verongelukteErebusenTerror. De kusten waren eens, tijdens een sledetocht, door Sir James Ross in kaart gebracht. De compassen waren in die streek volkomen onbruikbaar, en men berekende den waren koers, dien het schip voorlag, door met den sextant den boog te meten tusschen een voorwerp recht vooruit en de zon, wier richting gevonden werd in tabellen der Engelsche admiraliteit, welke de ware richting der zon voor elk uur van den dag in de poolstreken aangeven.Indien het mogelijk ware geweest tot Ballot-straat door te dringen, zou veel gewonnen zijn, doch de wind bleef tegen, zelfs overdag begon zich het jonge ijs te vormen—het was reeds den 3den September,—en zoo men dePandoraniet wilde laten vastvriezen en overwinteren in Peel-Sound, wat tot niets gediend zou hebben, moest men terugkeeren, juist nu de doortocht oogenschijnlijk binnen het bereik van kapitein Young gelegen had. „Toen dan ook het schip ieder oogenblik gevaar liep in het ijs beklemd te geraken, besloot onze kapitein tot den terugtocht,” schreef Beynen. „Hij was innig teleurgesteld, en wij waren het niet minder. Het waren prachtige avonden geweest, waarop wij de ondergaande zon bespied hadden, als zij de toppen der met sneeuw bedekte bergen in een schitterend scharlaken rood kleed hulde en haar laatste stralen, van achter een bergrug, lange, grillige schaduwen liet werpen op het onafzienbare ijsveld der la Roquette-eilanden.„Geen rimpeltje vertoonde zich dan op de donkere spiegelgladde oppervlakte derSound. Het water door zijn eigen maaksel als het ware in boeien geslagen, zwoegende onder den zich zelf opgelegden last, lag vermoeid stil in zijn ijzeren kluisters; enwaar de zon, in zacht purperen luister, de duizend grillig uitstekende oneffenheden van die onbewegelijke ijsmassa bescheen, verbeeldde men zich aan den zoom te staan van een onmetelijk kerkhof, waarboven de wit marmeren grafzuilen zich in grooten getale verdrongen, allen gehuld in dat geheimzinnig phantastisch licht van de plechtig stille schemeruren der poolwereld.„Maar nu waren wij op onzen terugtocht en het bleek spoedig dat het daarvoor hoog tijd was. Onder dicht gereefde marszeilen liep dePandoraPeel-Sound weer uit, en passeerde op den avond van 4 September Limestone-eiland. Nauwelijks waren wij er voorbij, of wij zagen aan bakboord een uitgestrekt ijsveld aankomen, dat dreigde het schip den terugtocht af te snijden.„Daar kapitein Young tusschen de sneeuwdriften door echter een smal open vaarwater tegen het landijs aan meende te zien, besloot hij te trachten daarvan dadelijk gebruik te maken en kaap Rinnell te bereiken voor het naderend ijs hem zou insluiten, daar een storm uit het N. W. het ijsveld snel naar de kust dreef.„Het was de eenige kans, die ons overbleef, wilden wij niet den geheelen winter in Peel-Sound opgesloten blijven, en daar de duisternis snel begon te vallen, werd er zoo hard mogelijk gestoomd.„Het was een verschrikkelijke nacht; de wind wakkerde aan tot een hevigen storm, vergezeld van hagel en sneeuwjachten, en dePandorabaande zich slechts met groote moeite een weg, terwijl we den witten glans van het ons insluitend ijs aan de eene zijde, en de hooge met sneeuw bedekte kust dicht bij ons aan de andere hadden. Slechts een enkele maal gedurende dezen stormachtigen nacht vertoonde zichaan den hemel een ster, die den man aan het wiel een vast punt verschafte om op te sturen. Bij het toenemen van den wind daalde de thermometer tot 18° Fahr. en het schuim der zee, als het over het dek spatte, bleef er als ijs op liggen. Te middernacht lag de sneeuw een voet hoog op het dek, terwijl het uitzicht bijna onmogelijk werd door de warrelende sneeuwjacht, welke door den hevigen wind uit de plooien der zeilen gedreven werd. Zoo had dePandoratot drie uur haar weg vervolgd, toen wij plotseling een ijsveld recht voor ons zagen, en wel zoo dicht, dat wij door het roer te boord te leggen er slechts even vrij van liepen. Gelukkig trok de nevel bij tijds een weinig op, en nam de kommandant waar, dat dePandorain de onmiddellijke nabijheid was van kaap Rinnell, die, gedeeltelijk met sneeuw bedekt, zich in de nachtelijke duisternis spookachtig voordeed. Slechts voor een enkel oogenblik deed zich deze verschijning aan ons oog voor; het volgende oogenblik heerschte weer de diepste duisternis. Zoo bleef dePandoradrie angstige uren aan den wind liggen, toen het weer opklaarde en van top eenige beweging in het ijs werd waargenomen, waardoor wij de zwakste plaats er van gewaar werden. Oogenblikkelijk werd het schip in die richting verder gestuurd, en het slaagde er in, meerder zeil voerende en met volle kracht stoomende, door de zwakste plaats van het ijs heen te breken, en het open vaarwater van Barrow-straat te bereiken.„Onder dichtgereefde marszeils stoof dePandoranu, voortgestuwd door stormweêr uit het W. N. W. door Barrow-straat en Lancaster Sound, zonder eenig ijs meer te zien, ofschoon daarom gedurende de donkere nachten niet minder goed moest uitgezien worden. Het is in zulk weêr ongeloofelijk moeielijk een slechtsweinig boven water uitstekende ijsmassa te onderscheiden van de wit gekrulde toppen der golven, terwijl een aanzeiling van zulk een vaak diep onder water uitstekende ijs-schol de noodlottigste gevolgen voor schip en bemanning kan na zich slepen.„Den 7den September was dePandoraweer in het open North-water, en besloot kapitein Young nog eenmaal een poging aan te wenden om eenig spoor van de gouvernementsschepen te vinden, door opnieuw de Carey-eilanden te onderzoeken.„Nooit te voren hadden ontdekkingsschepen op deze hooge breedte zoo laat in het jaar de zee nog bevaren. Vóór den 5den September hadden zij steeds hun winterkwartieren weder betrokken. En de noodzakelijkheid hiervan toonde het schip zelf spoedig aan. Onze kommandant had dan ook de voorzorg genomen alle zeilen dicht te reven, en dit was ook goed, want nu waren zij volkomen onhandelbaar.„Want en stagen waren geheel met ijs bezet; de romp van het schip was één ijsklomp, de zeeën vielen, als zij over de verschansing kwamen, als ijs op het dek neêr, zoodat men slechts met veel moeite over het beweeglijke, gladde dek kon voortkomen, en de zeilen waren zoo stijf als een plank geworden, zoodatb.v.het neerhalen van den kluiver een niet op te lossen vraagstuk was. En dan bovendien zwaar weêr uit hetN. N. W., vergezeld van hevige sneeuwstormen, en een hooge, korte, moeielijke zee.”Het moedige waagstuk van kapitein Allen Young om nauwelijks uit het ijs gered, nogmaals om den Noord te gaan en, tegen den storm in, Smith-Sound in te stoomen werd beloond. Op het zuidoostelijkste der Carey-eilanden werd een cairn, eene steenhoop ontdekt, welke er niet was bij het vroeger bezoek. Vrijwilligers werden gevraagd om aan wal te gaan,wat zeer gevaarlijk was, want het stormde, de branding was fel, en de rotsklippen steil. Luitenant Lilingston en Beynen boden zich aan. De top, welke 170 meters hoog was, werd slechts met de grootste inspanning door hen bereikt, daar zij telkens tot aan de heupen in de broze sneeuw zakten en teruggleden. De koude noordenwind, die over en langs dien top huilde, deed hun kleeren tot een vasten sneeuwklomp bevriezen, doch zij volhardden, en vonden boven in de cairn een tinnen koker, waarin een verzegeld pakket, dat aan de Engelsche admiraliteit was geadresseerd.Nu werd de steven gewend, en liep dePandoravoor den storm weg om de Zuid en kwam reeds den 19den September te Disco. Daar moest het ontdekkingsjacht vier dagen blijven wegens noodweer, en had Beynen gelegenheid het leven der Eskimo’s te leeren kennen, waarvan hij in zijn verslag een aanschouwelijke beschrijving gaf.Door N. W. stormen voortgejaagd, liep dePandorareeds den 16den October te Portsmouth binnen.In het vaderland teruggekeerd, werd Beynen op non-activiteit gesteld en schreef hij voor den minister het verslag van de reis, dat het volgende jaar door het Aardrijkskundig Genootschap werd uitgegeven, en waaraan ik een en ander ontleende. Het verslag eindigt met de volgende kenschetsende woorden: „Wel is het jammer, dat in ons vaderland de schoone ondernemingstochten naar het hooge Noorden tot het verledene behooren. Onze vroegere poolreizen waren toch van groot belang, niet alleen voor de wetenschap, maar ook vooral als een uitstekende leerschool voor die stoute zeelieden, die de eer van ons land zoo vaak op alle zeeën van den aardbol ophielden. Zouden hedendaagsche poolreizen die voordeelen niet meer bezitten?„En is het dan niet in het belang der zeevarende natiën om zulke ondernemingen te steunen en aan te moedigen, der wetenschap tot gewin, den handel tot voordeel, en zich zelven tot roem en eer?”Toen dit verslag gereed was, werd hij geplaatst op het wachtschip te Hellevoetsluis, waar hij den 1sten Januari 1876 aan boord kwam. Hij bleef hier aan het werk, om zich meer en meer te bekwamen voor tochten naar het Noorden. Hij schreef den 12den Januari:„Ik bestudeer op het oogenblik meteorologie uit het boek van prof. Mohn, dat in het Duitsch vertaald, werkelijk prachtig is. Nu en dan, als ik iets lees dat mij van belang voorkomt om te weten en te onthouden, schrijf ik het over. Ik vertaalde dezer dagen ook eene lezing van luitenant Weyprecht, in Gratz gehouden, welke inderdaad zeer belangrijk is. Ook heb ik mij op de hoogte gesteld van het plan van den voor Parijs gesneuvelden franschen zeeofficier Gustave Lambert. Het spijt mij dat ik er de overtuiging door gekregen heb, dat hij niet voldoende op de hoogte der Noordpoolzaak was, en ik geloof dan ook dat zijn roemvolle dood hem behoed heeft voor tal van teleurstellingen. Zijn onbekendheid met de ijsnavigatie brengt hem tot geheel verkeerde conclusies. Hij geloofto.a.aan een open Poolzee, ontstaande: „d’après les lois de l’insolation”!De brieven raadplegende door hem geschreven in de enkele weken, welke hij in het vaderland doorbracht eer hij op nieuw naar het Noorden ging, werd ik getroffen door al hetgeen hij in dien tijd gelezen en bewerkt heeft, om op het gebied der Noordsche aardrijkskunde zich te huis te gevoelen. Tevens bestudeerde hij meteorologie, daar hij met het doen van weerkundige waarnemingen zou belast worden op dePandora; hij poogde uit professor Tyndall’s boekiets van de formatie van gletschers te leeren, en hij was verdiept in een Duitsch werk van Erman over het aardmagnetisme.In de maand Mei ging hij weder, met ’s konings toestemming, op het verzoek door Sir Allen Young aan den minister van marine gericht, naar Engeland, en zeilde hij den 31sten dier maand voor den tweeden keer met dePandoranaar de IJszee.Bij het begin der reis schreef hij aan boord van het ontdekkingsvaartuigo.a.het volgende aan kolonel Jansen:„Ik voel zoo vaak hoe oneindig veel ik mis, hoe weinig ik weet, en bij herhaling is het verlangen bij mij opgekomen, dat, van den beginne af, aan oudere meer ervaren en kundiger handen de plicht om dit alles te doen ware toevertrouwd. Ik had dan met mijne geringe krachten kunnen helpen en steunen, maar zou dan in het tweede gelid gestaan hebben en dus op eene plaats welke mij beter voegde. Zeer vaak is dit gevoel zoo sterk geweest dat ik er mij verdrietig door voelde. Dit zal nog wel dikwijls het geval zijn, en ik kan dat bewustzijn alleen weren door zoo hard te werken als ik maar vermag. Ter wille van het groote belang der zaak voor ons geliefd vaderland hoop ik mij vast te houden aan uw raad, om ook in deze zelfbeheersching te oefenen.„Maar welk een heerlijke taak dan ook, te mogen medewerken om den ouden sluimerenden heldengeest van ons volk te doen herleven! Dit is een leven waard van teleurstellingen en zorg, en zeker, die zullen in overvloed op dien weg te vinden zijn. Maar ik hoop den moed te hebben om met waarachtige toewijding, met volkomene zelfverloochening en vooral zonder denkbeeld van eigenbaat, met mijne geringe krachten voor dat doel te werken. En toch dit is niet gemakkelijk,want zulk een plicht, ernstig aanvaard, eischt vaak dat men wat ons innig lief is prijsgeeft en opoffert!… Alles moet men echter over hebben voor een doel dat—eens bereikt—tot roem en eer zal strekken van koning en vaderland. Moge dan ook deze nieuwe reis op het vreemde ontdekkingsschip een heerlijke leerschool zijn voor mij, die vruchten draagt voor mijn geheele volgende loopbaan.„Eén ding is zeker, dat ik onder alle omstandigheden als een waar Nederlandsch zeeman mijn plicht stipt hoop te vervullen, en mij door geen gevaren, ontberingen en moeielijkheden zal laten afschrikken in zeeën, die voorheen getuigen zijn geweest van zoo menige kloeke daad onzer stoute voorvaders!”Beynen diende weder onder Sir Allen Young, den eigenaar van het schip, doch er was een nieuwe eerste officier aan boord, genaamd Arbuthnot. Luitenant Pirie deed de reis op nieuw mede, en luitenant Alois von Becker, van de Oostenrijksche marine. Dr. Hörner en de heer Grant, die als vrijwilliger en photograaf medeging, waren de verdere officieren.De reis ging voorspoedig totdat dePandorain straat Davis was gekomen. „Reeds verheugden wij ons in ’t vooruitzicht van binnen enkele dagen Disco te bereiken,” schreef hij, „toen de wind naar het noorden draaiend ons tegen liep.„Tien dagen achtereen moest dePandoranu opwerken. Meestal was het helder zonnig weder, doch iederen avond tegen 10 uur, als de zon haar kracht verloor, koelde de atmosfeer dermate af, dat de vastgehouden waterdamp zich als een dicht floers om dePandorahulde, hetgeen het uitkijken zeer moeielijk maakte.„Het waren kille onaangename nachtwachten,waarin het hard woei. Door de korte, moeielijke zeeën slingerde het scheepje zoo hevig, dat men zich voortdurend aan iets moest vasthouden om op het dek staande te kunnen blijven, en wanneer men in die positie gedurende vier uren, met een kouden noordenwind in ’t aangezicht, onafgebroken staat te turen in den dichten nevel, waaruit telkens in de onmiddellijke nabijheid van het schip reusachtige ijsbergen als spookgestalten opdoemen, dan laat het zich begrijpen dat de wacht ons onder zulke omstandigheden dubbel lang schijnt.„Den 29sten Juni bij het aanbreken van den dag verkenden wij het eerste land in het oosten en sedert werden de met sneeuw bedekte toppen van Groenland bij helder weêr niet meer uit het oog verloren.”Toen zij den 6den Juli Disco-eiland naderden, en dePandora, voor het eerst sinds zij Engeland verliet, stoom opmaakte om onder lij van het hooge bergland te kunnen vorderen, schreef Beynen het volgende aan kolonel Jansen:„Op de hondenwacht passeerde luitenant Pirie het eerste drijfijs en toen ik te 4 uur ’s ochtends de wacht van hem overnam, zag ik dat het ijs telkens in hoeveelheid en omvang vermeerderde. Ik nam de gewone maatregelen: liet van top uitkijken in welke richting de zee er het meest vrij van ijs uitzag, minderde zeil, liet de brassen over en weêr achter de hand klaar leggen, en toen ik de overtuiging had gekregen dat het meer dan enkele losse (van het land gedreven) ijsschotsen waren, liet ik kapitein Young waarschuwen. De zee was spoedig geheel er meê bedekt, en de oude, grillig uitgegroeide en verweerde ijsmassa’s lieten ons weldra niet den minsten twijfel, of we waren in een door zwaren wind uit het land gedreven stroom Spitsbergen-ijs geraakt.„We koersten derhalve om de West, ten einde er zoo spoedig mogelijk uit te zijn, waarin we, na drie uur vechtens met het ijs, slaagden. Op sommige plaatsen waren de dreigend hooge schotsen zoo dicht op elkander gepakt, dat een botsing niet te vermijden was. Dan werd de zwakste plaats uitgekozen voor den aanval, en de dichtgereefde marszeilen—de eenige die wij voerden—werden bovendien nog opgegord om de vaart te verminderen en de aanraking zoo zacht mogelijk te doen plaats hebben, opdat de ijsschotsen tijd en gelegenheid mochten vinden aan weêrszijden uit te wijken …„Het is nu de avond van 6 Juli, om negen uur. Ik kom zooeven van de wacht en zit in mijn eigen kleine hut om mij een weinig met u te onderhouden. We hebben prachtig weder. Een stijve bries uit het W. N. W. doet dePandoramet een 6 mijls vaart tegen de witgetopte golven oploopen. De lucht is helder blauw, en de zon, welke ons zelfs te middernacht niet verlaat, veroorzaakt de heerlijkste tinten, de meest phantastische schaduwlijnen op de vele groote ijsbergen, welke ons aan alle zijden omringen. Tal van vogels volgen al spelend ons kielwater en hier en daar blaast een walvisch vergenoegd een straal water in de lucht.„Ik ging omlaag om mijn gevoel te uiten. Het geheele schouwspel stemde mij tot nadenken, want wij zijn thans opvoor Nederlandersklassieken grond. Aan stuurboord van ons liggen de Visch- en Honden-eilanden, en recht vooruit verrijst duidelijk het zwarte land van Disco boven den horizon. Wij zijn aan den ingang vanDiscofjorden al die eilanden, baaien en kapen zijn eenmaal getuigen geweest van de koene daden onzer oude zeevaarders. In die tijden, toen de Hollandsche vlag ook aan deze zijde van denPoolcirkel nog de meest geëerde, meest gevreesde en zeker talrijkst vertegenwoordigde was, had men jaren dat meer dan 150 schepen in deze wateren rondkruisten. Welk een levendigheid en vertier in deze nu zoo doodsche en verlaten zeeën! Het is daarom met een bijna droevig en zeker weemoedig gevoel, dat ik die roemrijke dagen herdenk, nu ik onder Engelsche vlag die klassieke wateren bezeil … Zou het voorspoedige Holland van onze dagen niet meer in staat zijn tot wat het weleer in ongunstiger omstandigheden vermocht?„O! mocht er weer nieuwe ondernemingszucht in het dierbare vaderland komen: moge het voorbeeld van Venetië het tot waarschuwing strekken.”Uit de merkwaardige kolenmijnen van Kudliseat vulde dePandorahaar voorraad met 50.000 kilo aan. De officieren hieuwen de steenkool uit de rots in groote stukken die dan naar beneden rolden op het strand, van waar zij door de matrozen aan boord gebracht werden. Tot tweemalen toe werden de werkzaamheden een eind verplaatst, schreef Beynen, omdat de kool aldaar gemakkelijker te bekomen was; het zware werk werd door officieren en manschappen met lust en ijver verricht. En een nagenoeg onafgebroken arbeid van ’s morgens 5 tot ’s avonds 8 uur is onder gewone omstandigheden voldoende om een mensch naar rust te doen verlangen!Maar aan boord derPandorakende men geen vermoeienis! Beynen schreef: „Het vreemde van het voortdurend dag zijn, dat zoo lang men er niet aan gewend is, zich tegen geregelde slaaptijden verzet, deed zich ook nu gevoelen; in plaats dat de vermoeide ledematen rust namen, leverde het onafgebroken geweervuur, dat ’s nachts de eenden en andere vogelsuit hun slaap deed opschrikken, op nieuw een bewijs, dat het gezonde Noordsche klimaat het menschelijk gestel als het ware weet te verstalen.„Den 14 Juli ’s avonds met kapitein Young op Disco-eiland jagende, stieten wij onverwachts op een klein Eskimo-kamp.„Het bestond uit twee zomertenten, die aan den voet van een steilen bergwand waren opgeslagen.„Vijf of zes kayaks waren op ’t strand gehaald en een familie van 12 Eskimo’s hield zich met verschillende huiselijke werkzaamheden bezig. Terwijl een oude vrouw het zeehondenvleesch voor den maaltijd bereidde, arbeidden de mannelijke Eskimo’s aan het herstellen van eenige kayaks, terwijl de vrouwelijke familieleden zich onledig hielden met het verwerken van gedroogde huiden. Stil en kalm werd dit alles verricht, en slechts nu en dan, wanneer een der Eskimo’s met een goeden buit van de jacht terugkeerde, ontstond er eenige drukte en beweging. Het was een vreemd, schilderachtig geheel, dat kleine rustige Eskimo-kamp, en volop genoten wij het heerlijk schoone natuurtooneel met zijne eigenaardige stoffeering. Verderop waren de stilte en kalmte, die alom heerschten, indrukwekkend, en slechts nu en dan werden deze afgebroken door het klagend geschreeuw van de rustelooze zeemeeuw of het zachte geluid als van verre branding, dat de golfjes aan onzen voet veroorzaakten, als zij zich stoeiend en spelend onder den uitgeholden rand eener kristallen ijsmassa krulden.„De tusschen de rotsen gesmolten sneeuw, die zich als een zilveren draad door een bed van donkergroen mos slingerde, vloot statig en langzaam naar het kale strand, waar zij zich een opening lekte door den ijsklomp, die haar het bereiken der zee scheen tewillen betwisten. De zon, die laag aan den hemel zich traag langs den noordelijken horizon voortbewoog, vergulde nog maar alleen de wit besneeuwde kruinen der hooge bergtoppen, waardoor het zwarte land van Disco een nog donkerder en grimmiger tint dan gewoonlijk verkreeg. En wanneer men voor een oogenblik heên staarde over het spiegelgladde watervlak, dan werd het oog geheimzinnig geboeid door de gletschers en bergtoppen van Groenland’s westkust, die door luchtspiegeling in duizend grillige gedaanten vervormd, ons den indruk gaven alsof moeder natuur met onze stille verrukking den spot wilde drijven.„Die heerlijk schoone natuurtooneelen in straat Waaigat, zoo geheel verschillend van wat men in andere hemelstreken ontmoet, zullen dan ook voor allen die ze mochten aanschouwen, onvergetelijk blijven, en geheel daarvan vervuld keeren wij naar dePandoraterug.„Nadat de Eskimo’s die ons bij het kolen laden behulpzaam geweest waren, behoorlijk betaald en bovendien nog met verschillende geschenken overladen waren, werd de reis verder voortgezet. Met ruim 170 ton steenkolen aan boord, stoomde dePandoralangzaam om de Noord.”Toen dePandoraden 22sten Juli de gevreesde Melville-baai naderde, bleek het een slecht ijsjaar te zijn. Zoover Beynen uit het kraaiennest zien kon, strekten zich, ten noorden van het schip, in alle richtingen de zoo beruchte ijsschollen en velden van Melville-baai uit. Aanschouwelijk heeft hij beschreven hoe dePandorain het ijs bezet geraakte en door het kloek besluit van kapitein Young gered werd.„De wind woei den 26sten Juli uit het zuidwesten, dus uit den ongunstigsten hoek, daar hij dan al hetijs der baai in elkaâr schuivende den doortocht zeer bezwaarlijk maakt. Toch scheen in den beginne alles zeer voorspoedig te zullen gaan.„Door een zonnigen zomerdag begunstigd, te midden eener indrukwekkend schoone omgeving, liep dePandoramet alle vierkante zeilen bij tusschen de fantastische ijsbergen door, waarvan er meer dan honderd in zicht waren en die, door de ruwe heuvelachtige ijsvelden vereenigd, met deze een verbond schenen te hebben gesloten, om haar het verder doordringen te beletten. Maar ongedeerd volgde ons klein schip, door de tegenstelling nietiger en kleiner dan ooit, den kalmen, donkeren waterweg, die zich als een slang tusschen de glinsterende ijsgevaarten kronkelde, terwijl deze in vorm en gedaante de meest verschillende zaken voorstelden. Nu eens vertoonde zich aan ons oog een hoog oploopend amphitheater, dat terug deed denken aan de Grieksche spelen, dan weer een oude ingestorte ruïne met nog enkele opstaande Gothische gewelven. Statige zuilen en kunstige pyramiden werden afgewisseld door sterke kasteelen en puntige dorpstorens, die in wit marmer uitgehouwen meesterstukken van architectuur vormden.„’s Middags echter wakkerde de wind meer en meer aan, zoodat weldra alleen de dichtgereefde marszeilen konden bijgehouden worden. Toch liep dePandoranog vijf of zes mijl, maar ook de ijsvelden zeilden zeer snel en begonnen de grenzen van het bevaarbare water, voor ons uit, al meer en meer te beperken.„’s Avonds te 5 uur kwam er bovendien nog een zware mist opzetten en te 6 uur was deze zoo dik, dat onze gezichteinder tot den verbazend grooten afstand van nauwelijks honderd meter werd beperkt. Het zijn vooral deze onophoudelijk voorkomende noordsche nevels die de ijsvaart zoo moeielijk engevaarlijk maken, en wanneer zij plotseling al het schoone van de omringende natuur achter een dicht omhulsel verbergen, is de indruk telkens weer even onaangenaam. De tegenstelling is dan ook zoo groot. Het eene oogenblik een lieve zonneschijn, die leven en kleur aan alles bijzet, en ’t volgende een grauwe akelige mist, die den vroolijksten aan boord tot droefgeestigheid stemt. Enkele malen even snel wegtrekkend als hij onverwachts gekomen is, houdt hij soms dagen achter elkaar aan. Gewoonlijk hangt hij laag op ’t water, zoodat de blauwe lucht voortdurend zichtbaar blijft.„Voor een ieder onaangenaam, is zulk weer voor den gezagvoerder, die de verantwoordelijkheid welke op hem rust gevoelt, een ware beproeving. Het onbekende vertoont zich dan aan hem in al zijn verschrikkingen. Was het te voren reeds moeielijk tusschen de uitgestrekte ijsmassa’s door te sturen, nu men de bewegingen daarvan niet meer nauwkeurig volgen kon, werd het varen steeds bezwaarlijker! Ook nu weer ondervonden wij al het moeielijke van zulk een toestand.„De vaart werd zooveel mogelijk verminderd, doch met de laagscheepsche zeilen alléén bij, liep het scheepje toch nog 3 mijl. Zooveel mogelijk werd om de noordwest gekoerst, doch het spreekt van zelf, dat men daar ieder oogenblik van moest afwijken om de ijsbergen en ijsvelden te ontwijken, die al dichter en dichter schenen samen te pakken. Tot acht uur ’s avonds ging dit nog redelijk goed, doch toen blonk door den nevel heen de glans van scholijs ons van alle kanten tegen.„Gelukkig had kapitein Young order gegeven de vuren aan te steken en stoom op te houden, zoodat wij met behulp daarvan snel konden afhouden. Hetschip lag noordoost voor en de wind, die zuidelijk was, kwam dus aan stuurboord in.„De ra’s rond te brassen, en de schoten der langscheepsche zeilen over te redderen was ’t werk van een oogenblik.„Naarmate dePandoraden zoom van ’t ijsveld volgde, doemden achtereenvolgens verschillende ijsbergen op, die den rand er van omgaven. Spoedig bleek, dat wij te midden van een dichte groep dier reusachtige gevaarten waren geraakt, die ons door den nevel heen van alle kanten grimmig aanstaarden.„De bevelen, door kapitein Young met kalmte gegeven, werden echter flink en oogenblikkelijk uitgevoerd en zonder te aarzelen stuurde onze onverschrokken gezagvoerder de kleinePandoratusschen enkele dezer gevaarlijke massa’s door, zoodat zij spoedig in een veiliger omgeving weêr langzaam om de noordwest liep. Een oogenblik scheen de toestand nu gunstiger te zullen worden. Het water werd meer open. Tal van „rotches,”2die de nabijheid van land verraadden, vlogen overal rond en voor meer dan een uur was er, voor zoover de nevel toeliet te oordeelen, geen ijs te zien.„Reeds begonnen wij ons te vleien spoedig kaap York en het open „Northwater” te zullen bereiken, toen wij in den vroegen morgen van den 23sten op nieuw uitgestrekte ijsvelden ontmoetten. Gelukkig werd daarin een breede opening ontwaard en meer dan een uur volgde dePandorain een noordelijke richting dit kronkelend wak. Toen sloten zich de ijsmassa’s echter dermate, dat een andere weg moestgezocht worden en zoo koersten wij eerst west en later meer zuidwaarts, toen uit het kraaiennest het bericht klonk, dat verder voortgaan onmogelijk was. Zoodra kapitein Young zich hiervan overtuigd had, besloot hij zoo spoedig mogelijk uit dit bedriegelijke wak terug te keeren.„Juist door in een soortgelijk geval te willen afwachten tot het ijs zich verder zoude openen, was deFoxin 1858 voor den geheelen winter in Melvillebaai vastgeraakt. Dadelijk werd order gegeven om over stag te gaan, de zeilen werden geborgen en onder stoom beproefden wij denzelfden weg terug te sturen. Dit bleek echter spoedig volkomen onmogelijk. De wind, die sterk doorstond, hield de geheele ijsmassa in een voortdurende beweging, waardoor de positie van de ijsvelden onderling zoodanig gewijzigd werd, dat het ondoenlijk bleek den eens afgelegden weg terug te vinden.„In alle richtingen vertoonden zich nu breede, veelbelovende openingen, doch de dichte nevel maakte het volstrekt onmogelijk te beslissen, welke weg het best naar meer open water voeren zoude. DePandorabevond zich in een waar labyrinth van ijs. Bij herhaling moest zij, om van het eene wak in het andere door te dringen, zich door ijstongen van 40 tot 50 meter breedte heênbreken. De openingen sloten zich vaak weer zoodra zij er doorheên was en niet voor den middag drie uur slaagden wij er in, haar in betrekkelijk open water aan een ijsschol te ankeren.„Kapitein Young besloot nu het optrekken van den nevel af te wachten, van welke gelegenheid een ieder aan boord gebruik maakte, om eenige uren rust te gaan nemen. Gedurende den nacht sneeuwde het hard, en toen den volgenden morgen de lucht opklaarde, bleek het dat dePandorain een grooten, geheeldoor ijs ingesloten waterpoel lag. Daar uit ’t kraaiennest over het ijs heen echter meer water gezien werd, besloot de gezagvoerder onverwijld te beproeven zich daarheen een doortocht te banen. Hij koos daartoe een opening, die tusschen twee ijsvelden door de kortste en beste gelegenheid scheen aan te bieden.„Onder zeil en stoom werd dePandoratusschen de ijsvelden ingedreven. Deze bleken echter grooter weerstandsvermogen te bezitten dan wij hen (te oordeelen naar de vele wakken en poelen, die hen in alle richtingen doorkruisten) op het oog hadden toegekend, en weldra was het ten eenenmale onmogelijk er verder in door te dringen.„Daar het echter scheen, alsof de schotsen zich langzaam van elkaar schoven, hoopte kapitein Young, dat deze beweging ons spoedig in staat zou stellen het open water te bereiken.„DePandorableef dus liggen waar zij was, doch dit werd haar ongeluk, want in weinige minuten had het altijd bewegelijke ijs haar van alle zijden dermate ingesloten, dat het onmogelijk was (zelfs met de machines volle kracht slaande) haar in ’t minst te bewegen.„Het ijs omringde het schip nu al meer en meer en voerde het in een noordelijke richting gevankelijk met zich mede. DePandorawas in het ijs bezet.„IJsbergen en ijsvelden worden door wind en stroom altijd voortbewogen en daar gene veel meer diepgang hebben dan deze, verplaatsen zij zich langzamer. Wanneer nu de zware massieve ijsberg door het veel lichtere ijsveld wordt ingehaald, scheurt dit in alle richtingen.„Is een schip in een omgeving van ijsbergen tusschen de ijsschollen bezet, dan verkeert het bijgevolgvoortdurend in gevaar tegen zoo’n berg aangedreven en te pletter gedrukt te worden.„Tegenover deze verbazende natuurkrachten vermag de zeeman niets; geen menschelijke middelen zijn dan in staat het schip te redden.„In zulk een toestand was dePandoranu geraakt. Juist waren wij te één uur met ons eten begonnen, toen het scheepje een geweldige ijsdrukking onderging, die alle deelen er van deed steunen en kraken. Dadelijk snelden wij naar dek en zagen daar dat de ijsschotsen door drie groote ijsbergen in hun vaart gestuit tegen het schip begonnen op te kruien. Naarmate het schip de ijsbergen naderde, werden de drukkingen heviger en veelvuldiger.„Groote zware ijsmassa’s stapelden zich tegen den achtersteven op, vulden den schroefkoker en kruiden aan bakboord bij het groot spant tot over de verschansing.„Het schip uit het water geperst en over stuurboord geworpen, werd in dezen hulpeloozen toestand rechtstreeks in de richting der ijsbergen gedreven.„Het ijs door een stijve bries uit ’t zuiden opgestuwd, sloot zich meer en meer. De weinige waterpoelen, die uit ’t kraaiennest ’s morgens hier en daar zichtbaar waren, verdwenen de een na den ander, en weldra was de oppervlakte der zee herschapen in een uitgestrekt onafzienbaar ijsveld; Melville-baai was in den waren zin des woords „een ijszee.”„Intusschen werd de afstand tusschen het schip en de vreeselijke gevaarten steeds kleiner en kleiner. De grootste was nog slechts 200 meters verwijderd en ieder hield zich overtuigd, dat zoo er geen wonder geschiedde, dePandoratusschen de ijsbergen en de tegen haar opkruiende ijsschollen te pletter zou gedrukt worden. Toch werden alle pogingen aangewend,om het schip weer vlot te krijgen, doch hoewel wij met bijl en moker de door middel van buskruit opgescheurde ijsmassa’s trachtten weg te werken en alle krachten inspanden om met behulp van rondas en spil het schip in eene dus ontstane opening te krijgen, moesten wij toch eindigen met alle verdere pogingen om dePandorain beweging te brengen op te geven.„Al het mogelijke was beproefd, doch ons schip was en bleef onwrikbaar in het ijs bezet. Intusschen naderden wij de ijsbergen steeds meer en meer en werd het gevaar dreigender.„Te drie uur gaf kapitein Young bevel alle maatregelen te nemen om op het laatste oogenblik behoorlijk gereed te zijn, het schip met booten en ijssleden te verlaten.„Nadat een ieder zich den zeildoeken ransel (waarin het hoogst noodige naar een bepaald model zoo doelmatig mogelijk gepakt was) op den rug had gebonden, werden de ijssleden voor de hand gezet en de booten met instrumenten, wapens en provisiën gevuld.„Tot 6 uur ’s avonds bleef deze angstige onzekerheid omtrent het behoud van het schip voortduren, maar toen dreef dePandoramet de schotsen ongedeerd tusschen de ijsbergen door, ofschoon zij een daarvan, die hoog boven haar tuig uit stak, zóó nabij passeerde, dat men van het kluifhout zonder moeite er op had kunnen overspringen.„’s Nachts te 12 uur brak het ijs van zelf rondom het schip op. DePandorarechtte zich en lag weldra weêr vlot in een klein wak in ’t ijs, dat aan lij van de ijsbergen ontstaan was en in de taal der Engelsche walvischvaarders „an open hole” wordt genoemd.„De Eskimo-tolk Christie, met zijn kajak hierin rondroeiende, had het geluk onzen eersten zeehondte schieten. Daar wij reeds lang gewenscht hadden versch vleesch te bezitten, was dit voor ons een belangrijke gebeurtenis, en groot was dus aller teleurstelling, toen wij den volgenden morgen ontwaarden dat onze onverzadelijke Eskimo-honden zich gedurende den nacht van den buit hadden meester gemaakt.„Enkele malen kon men onder ’t ijs duidelijk een westelijke deining bespeuren, wat als een zeker teeken beschouwd werd, dat veel open water in die richting aanwezig was. Het was merkwaardig om de wijze gade te slaan, waarop het groote donkere ijsveld aan stuurboord van ons een langzaam golvende beweging aannam.„De ongeduldige spanning aan boord was nu zoo groot, dat, hoewel de mist ons belette open water te zien, wij toch beproefden ons door stoom een doortocht te banen, hetwelk echter spoedig bleek ondoenlijk te zijn, en daar de kommandant vreesde, dat de schroef door onze half wanhopige pogingen zou breken, werden ze weldra gestaakt.„’s Nachts van den 27sten Juli de wacht hebbende, had ik het geluk een ijsbeer te schieten, die ons op eenmaal een goede hoeveelheid versch vleesch verschafte. Van achter een ijsberg te voorschijn tredend, beschreef hij ronde kringen om het schip.„Nu eens dichter bijkomende en dan weêr verder afgaande, stond hij ieder oogenblik stil om de lucht in te snuiven, en werd dan telkens verleid meer te naderen, door den scherpen reuk van bedorven zeehondenvleesch, dat in ’t want hing en bestemd was tot voedsel voor de honden.„Het was doodstil op dek; het wachtvolk was omlaag; de honden sliepen en er geschiedde niets dat hem kon doen verschrikken. Niet vóór hij tot op 50 passen afstand van het schip gekomen was, ontvinghij een schot in den kop, waardoor hij eerst recht opsprong en daarna achterover op zijn rug rolde.„Ziende dat hij nog trachtte zich op te richten, liep ik over het ijs naar hem toe, doch had het ongeluk, terwijl ik mijn geweer onder het voortgaan weder laadde, tusschen twee der ijsvelden in het water te vallen. Gelukkig kwam ik er met een koud nat pak af en miste den welkomen buit niet, daar de onderofficier der wacht toesnelde en den beer doodschoot.„In den laten avond vlogen steeds duizenden en duizenden rotges in een noordwestelijke richting over het schip heen, om den volgenden morgen in tegenovergestelde richting terug te komen.„Hun vlucht was echter, zooals kapitein Young opmerkte, veel te hoog om hoop te geven dat er open water dicht bij was, en hoofdschuddend herhaalde hij: „When birds fly so high as that, they surely have to make a long way.” („Als vogels zoo hoog vliegen hebben ze een langen afstand voor zich.”)„Sinds den 22sten Juli was het steeds mistig geweest, zoodat geen observaties hadden kunnen genomen worden, doch in den voormiddag klaarde het weer gelukkig op en bleek uit de gedane waarnemingen dat dePandoraeen goed eind om de noord tot midden in Melville-baai gedreven was. In alle richtingen lag het ijs dicht aaneengesloten, zoodat uit het kraaiennest nergens water gezien werd.„Toen de nevel optrok, ontrolden zich voor onze oogen de zoo beroemde schoone natuurtafereelen, die Melville-baai meer dan eenige andere plaats in het hooge noorden den zeevaarder aanbiedt.„De hooge besneeuwde kust van Groenland met haar talrijke gletschers werd nu op nieuw zichtbaar en de onafzienbare heuvelachtige ijsvlakten, overal afgebroken door prachtige ijsbergen, vormden door de zonbeschenen een heerlijk grootsch schouwspel. Het was bladstil en dePandoralag als ’t ware ingesluimerd in haar kleinen waterpoel.„Bood het natuurtooneel ons in hooge mate veel te genieten aan, de gedachte aan den toestand waarin ons schip verkeerde was alles behalve opwekkend. Kalm en rustig en onbewegelijk als nu die onafzienbare ijsvlakte zich aan ons oog voordeed, sluimerden daarin de ontzettende natuurkrachten, die als zij door een storm werden wakker geschud, ons scheepje van alle kanten zouden aangrijpen. Misschien zouden wij er in slagen aan al deze gevaren te ontsnappen en het open North-water te bereiken, maar even goed bestond de kans, dat wij in het ijs gevangen bleven en daarmede machteloos om de zuid werden gevoerd, of dat dePandora, evenals deHansaen zoo menig ander schip, in den strijd met den onverbiddelijken vijand naar de diepte ging. Dan zouden wij ons in de booten moeten trachten te redden, doch ook dit bleef in hooge mate een gevaarlijke en onzekere onderneming.„Evenwel het zou ons laatste redmiddel zijn, en dien ten gevolge werden dan ook alle maatregelen genomen en de provisie en benoodigdheden van de booten voor de hand gezet. Er werd bepaald dat de booten een maand proviand zouden innemen en dat men voor het verder voedsel op de geweren zou moeten vertrouwen.„Wij hadden het voorbeeld van Barents en van de Oostenrijksche en Amerikaansche expeditiën voor ons om de mogelijkheid van zulk een tocht in booten buiten allen twijfel te stellen.„Op den 28sten Juli liep de wind, die tot nu toe in ’t zuiden als vastgenageld had gezeten, naar het O.N.O. en het was alleropmerkelijkst om de verandering gadete slaan, die daardoor onmiddellijk in de ijsmassa werd te weeg gebracht. Er was een algemeene drift in een westelijke richting te bespeuren en op tallooze plaatsen werden open wakken zichtbaar.„Kapitein Young liet nu stoom opmaken, ten einde van de eerste gelegenheid, die zich aanbood om te ontsnappen, gebruik te kunnen maken. Ons geduld werd echter op een lange proef gesteld, want niet voor ’s avonds 6 uur bood zich die gelegenheid aan. In dien tusschentijd evenwel dreven wij snel in een westelijke richting naar open water, dat zeer duidelijk van top zichtbaar was, en ook toen bestond er gevaar, dat dePandora, door het scholijs machteloos weggevoerd, tegen een der tallooze ijsbergen gezet werd, in welk geval zij onherroepelijk verloren zou zijn.„Er waren verschillende bergen rondom ons, die alle aan den grond geraakt, onwrikbaar op hun plaatsen blijvend, het scholijs, dat tegen hen aandreef, opspleten en in stukken scheurden. Daar de opgebroken ijsvelden zich op eenigen afstand verder eerst weer te zamen voegden, vormde zich beneden ’s winds van zoo’n ijsberg steeds een soort open wak. Door buitengewoon geluk begunstigd, ontkwamen wij echter ook nu weder aan deze gevaren en slaagden er te 6 uur in, onder zeil en stoom, de schol, die ons zoo lang gevangen had gehouden, te verbreken en in een uitgestrekt open wak meer westwaarts van ons door te dringen. Dit was echter niet gemakkelijk geschied en ieder aan boord had de handen vol gehad.„Kapitein Young bestuurde het schip uit het kraaiennest, en de zwakste plaatsen uitkiezende, ramde hij bij herhaling de ijsmassa’s, die hem het verder doordringen beletten. Wanneer het schip achteruit stoomde om meer vaart te kunnen schieten, werden de losse stukken, die door den vorigen stoot van de ijsscholwaren afgebroken, door de manschap op de schotsen met haak en puntstokken telkens uit den weg geruimd.„Op deze wijze slaagden wij er in, ons langzaam een weg door de ijsmassa te banen, doch ver konden wij het niet brengen. Te half acht ’s avonds waren wij genoodzaakt onze pogingen te staken en ons op nieuw aan een ijsschol te ankeren.„Wij waren nu evenwel uit de gevaarlijke omgeving, waarin wij zoo lang vertoefd hadden en dreven met de geheele ijsmassa mee om de west en dus gelukkig uit de baai. De wind begon nu echter op te steken en het werd een barre nacht. Er woei een zware storm, die vergezeld ging van hevige sneeuwvlagen. Het schip, dat snel in een noordwestelijke richting dreef, verkeerde ’s morgens te half vier uur op nieuw in gevaar van tegen een ijsberg aangedreven te worden. Als gewoonlijk was het zeer mistig, en toen wij dezen reus van ijs machteloos te gemoet gevoerd werden, was ieder in gespannen verwachting wat ons lot zoude zijn. Wij naderden snel en zeker, maar het ijsveld bleek bijzonder sterk te zijn. Het brak slechts gedeeltelijk op en diende dePandoradus als stootkussen, zoodat zij ongedeerd langs den berg heenschuurde.„In den morgen van den 29sten Juli liep de wind naar het oost-zuid-oosten en wij dreven met een twee mijls vaart om de W. N. W. Van top was het open water nu zeer duidelijk te zien en toen te 12 uur het zoo welkome geluid der branding op den zoom van den ijsdam werd gehoord, besloot kapitein Young nogmaals te beproeven het te bereiken.„Op nieuw liep dePandoraonder stoom en zeil tegen de zwakste plaatsen van het ijs in, maar na twee uur worstelens waren wij slechts één scheepslengte verder gekomen. Mistroostig werd toen de verderepoging opgegeven en op nieuw de oude lijdelijke houding aangenomen. Langzaam bleven wij nu naar het open water toedrijven en te 6 uur konden wij van het dek den rand van den ijsdam duidelijk zien. Deze vertoonde zich als een rechte lijn, die zich noordwest en zuidoost uitstrekte en volkomen een kustlijn geleek.„Vreezende dat de wind weêr naar ’t zuiden terug zou loopen, liet kapitein Young ’s avonds te acht uur nogmaals een ernstige poging aanwenden om de banden, die ons gevangen hielden, te verbreken. Alle zeilen werden bijgezet en met volle kracht werd gestoomd; even als de vorige keeren vorderden wij eerst ongelooflijk langzaam, maar toen dePandoraeenmaal vaart schoot ging het veel beter.„Na ruim een uur het ijs letterlijk geramd te hebben en ijsmassa’s van vier voet dikte, die haar den weg versperden, zonder dat zij merkbaar haar vaart vertraagde, te hebben doorgebroken, naderde zij den rand van het ijs. Het ging nu hoe langer hoe beter, daar de sterke deining de geheele massa hier in een golvende beweging bracht, waardoor het ijs zich merkbaar opende en groote schollen, die met kracht tegen elkaar geworpen werden, in kleinere stukken braken.„Kapitein Young, die de bewegingen van het schip uit het kraaiennest bestuurde, wist snel en beraden de juiste openingen te kiezen. Eindelijk lag nog slechts een groot zwaar ijsveld als laatste hinderpaal voor ons.„Met een viermijls vaart schoot dePandoraer recht op aan, en met haar volle gewicht er op neerdalend, scheurde zij de schots in tweeën en doorkliefde weldra onder een driewerf „hurrah for Captain Young!” het donkergroene water van de Baffinsbaai. Dit driewerf hoerah voor den bekwamen gezagvoerder, waarmede de bemanning dit feit begroette, was het hartelijkste dat ik mij herinner ooit gehoord te hebben,en geen wonder, want terwijl wij machteloos in het ijs ronddreven, stond het lot derFoxons steeds voor oogen, en voor niemand onzer was het nutteloos doorbrengen van een poolwinter in den gevaarlijken ijsdam een aanlokkelijk denkbeeld.„Het einde van den ijsdam bestond uit losse, bijna afgeronde ijsbrokken, die door de deining in een hooge golvende beweging werd gebracht. Met ontelbare zwermen vlogen de rotges hier langs den rand van het ijs, blijkbaar omdat zij er gemakkelijk hun voedsel konden vinden. Het werd ons nu duidelijk, dat wij hen hierheen iederen avond hadden zien vliegen; later in den nacht keerden zij dan weêr met voedsel voor hun jongen naar het land terug.„Na gedurende zulk een geruimen tijd onbewegelijk te hebben gelegen, was het een vreemde gewaarwording, nu op eenmaal door een hooge noordwestelijke deining zoo hevig geslingerd te worden, dat de booten op de davids gesjord en de deuren op de haken gezet moesten worden.„In den morgen van den 31sten Juli liepen wij zoo dicht als het ijs toeliet, bij mistig weêr, langs kaap York en kaap Dudley Digges, en reeds was dePandoraWolstenholme eiland genaderd, toen een opkomende storm uit het zuidoosten haar noodzaakte onverwijld aan den wind te gaan liggen. De wind bleef de eerste uren steeds toenemend in kracht, zoodat er weldra een werkelijke orkaan woei.„Daar de ijsbergen en het vele scholijs ons beletten onder de hooge kust bescherming te zoeken, lag dePandorade volgende 24 uren onder haar dichtgereefde stormzeilen bij, terwijl het opgezweepte schuim der zee en de onafgebroken sneeuwjacht het uitzien naar land en ijsbergen allermoeielijkst maakten. Ten einde een botsing met deze gevaarten te voorkomen,moesten wij ieder oogenblik afhouden. De hooge moeielijke zee, die dan dwars inkwam, waschte voortdurend over het dek en sloeg een der beste booten geheel in stukken.
De opkomende zon bestraalde met een rooden gloed de glinsterende gletschers, die van de hooge steile gebergten van Groenland’s Westkust in de zee nederdalen. Tallooze ijsbergen dreven op het donkere water van de zee van Baffin, waardoor de kleine stoomboot dePandorain den zomer van 1875 zich een weg baande. Indrukwekkend was de kalmte en rust der natuur; men hoorde slechts een zacht geluid als van een verre branding, wanneer de golfjes, welke de schroef van dePandorain de IJszee woelde, onder de uitgeholde randen van de kristallen ijsvelden krulden en kabbelden tegen de blinkende kanten der ijsschotsen.
Op het dek van het schip ging Beynen heen en weder. Hij stevende voor het eerst naar het Noorden, onder den roemvollen poolvaarder Sir Allen Young, die reeds twintig jaar geleden, aan boord van deFoxgepoogd had den Noordwestelijken doortocht te vinden en door het ijs langs het Noorden van Amerika, van de eene wereldzee in de andere te komen.
DePandora, die zeil kon voeren en daartoe barkstuig had, was den 28sten Juli straat Davis ingezeild en kliefde den volgenden ochtend hare met schuim bedekte golven. „Trillend onder den druk harer zeilen scheen zij als bezield met diezelfde wilde vervoering, welke ons eigen hart zoo hoorbaar deed kloppen,” schreef Beynen, de verrukking herdenkende van zijn eerste zeilen te midden van het Noordsche drijfijs.
„’t Was een heerlijke ochtend. Aan stuurboord van ons hulde de opkomende zon de hooge besneeuwde bergtoppen met hun diepe donkere schaduwen in een rooden gloed, waartegen ’t zilverwitte drijfijs grillig afstak, en rondom ons in alle richtingen werd de gewone eentonigheid der zee aangenaam afgebroken door die kristallenijsmassa’s, waarmede zij als bezaaid scheen, en die, naderbij gekomen, de meest fantastische vormen en gedaanten vertoonden.
„De met schuim bedekte zee wierp zich al joelend en juichend in de diep uitgeholde gleuven dier lichtblauw gekleurde schotsen, die ze reeds als haar gewisse prooi beschouwde, daar zij ze langzaam en als het ware spelend naar ’t zoele Zuiden dreef. ’t Zilverwit van deze doorzichtige gevaarten werd aangenaam afgewisseld door ’t lichtgroen en helderblauw, dat zich diep in hun binnenste verschool, doch nu helder uitblonk, beschenen door de vriendelijke stralen der opkomende zon.”
Deze woorden van Beynen doen ons iets gevoelen van de frissche geestdrift, waarmede hij de IJszee het eerst binnenzeilde.
Het was eenige dagen na dezen schoonen ochtend,dat hij op het dek heen en weder ging, terwijl dePandorabij windstilte langs Groenland noordwaarts stoomde. Met bewondering zag hij op naar de steile kust van Groenland, welke gedurende den korten zomer van het Noorden, door haar weêrgalooze schoonheid en door de machtige vormen van haar fiere hoogten de harten treft der moedige zeelieden, die naar de IJszee varen. Groenland’s kust is een gebroken getande lijn van hooge, woeste bergen, die steil oprijzen uit het water, en hun zware, met gletschers bedekte zijden schier loodrecht meer dan 3000 voet omhoog heffen. Op deze bergen tooveren zon en dampkring de meest zonderlinge, ongestadige lichtspiegelingen, de zeldzaamste mengelingen van tinten en kleuren, gelijk Mac Gahan, Beynen’s reisgezel en vriend, in zijn aantrekkelijk boekUnder the Northern Lightsschoon beschreven heeft. Een dunne nevelsluier omhangt in breede en doorzichtige plooien de bergwanden, als wilde hij hun koude, ruwe naaktheid aan het oog onttrekken; doch tevens vangt dit reusachtige toovernet van mist en nevel het zonlicht op; het houdt de zonnestralen gevangen in zijn mazen, en dit net der Noordsche feeën hecht zich nu, als door liefkoozende streelende handen hun omgeslagen, aan de stroeve, stugge, woeste bergen, op welke de ijskoning troont, en omringt hun toppen met een lichtend waas, een stralend vlies van lichtrood en van purper, dat bijna onmerkbaar zich vermengt met den ongestadigen bleekgelen flikkerschijn der gletschers langs der bergen zijden. Scherpe, blinkende ijsnaalden ziet men hier en daar uit den dunnen nevel opwaarts rijzen, stralende in de middernachtszon. Zij zijn bergtoppen, de hoogste golven van die machtige zee van ijs, vier duizend voet diep, welke Groenland overweldigd heeft.
Dit groote vasteland is in werkelijkheid niets dan een reusachtige diepe gletscher, door een rand van bergen omzoomd, welke de kustlijn vormt. De woestenij van ijs, welke door honderd voet breede kloven in elke richting doorsneden wordt, is onbegaanbaar en door geen menschenvoet betreden; doch zoo men de geheimzinnige hoogvlakte eens bestijgen kon, en hier en daar een hoogte, een heuveltje gewaar werd, zou men tot zijn verwondering ontdekken, dat die onbeteekenende verhevenheden de toppen zijn van hooge bergen, die boven de ontzaglijke ijsoverstrooming, welke de dalen gevuld heeft, uitsteken.
Zoo Zwitserland duizende malen grooter ware en ijs tusschen de bergen wierd gegoten, totdat slechts de hoogste toppen er uitstaken, zou het er uitzien gelijk Groenland.
Toch was dat groote vasteland eens vruchtbaar, groen en overdekt met bloesem en struiken en weelderigen plantengroei. Men vindt er groote bosschen van verkoolde boomen, en de versteende overblijfselen van dieren, die slechts in een warm klimaat kunnen bestaan. InLancasters Soundhaalt men uit de diepten van het koude water versteende koraal en sponsen op, en de steile bergkust van het door ijs overstroomde Groenland ontleent zeker een deel van den machtigen indruk, dien ze maakt, aan haar geheimzinnig verleden, aan de wonderen, grooter dan die der Duizend-en-ééne Nacht, welke de wetenschap ons weet te verhalen van het hooge Noorden.
Maar het was niet aan deze wonderen dat de jonge Hollandsche zeeofficier dacht, die heen en weer ging op het dek van het kleine schip, dat in de donkere wateren van de zee van Baffin langs Groenland’s Westkust stevende, om te pogen den noordwestelijken doortocht naar Amerika te vinden, en in één zomerom den Noord van Southampton naar San Francisco te stoomen.
De omgeving stemt hem wel tot nadenken, doch niet aan Groenland’s, maar aan Nederland’s verleden dacht hij. Met een diep weemoedig gevoel herdacht hij die vervlogen tijden, toen Holland’s driekleur ook in deze wateren nog het sterkst vertegenwoordigd was, toen vloten van meer dan honderd zeilen, met stoute ondernemende zeelieden bemand, uit deze nu verlaten zeeën jaarlijks schatten wisten op te halen voor ’t jong gemeenebest.
En er was aanleiding voor die gedachten.
Hij was te Upernavik aan wal geweest, de laatste Deensche nederzetting onder de Eskimo’s, die op een met mos bedekte, langzaam naar het water afhellende heuvelenrij gelegen is, welke van alle zijden door hooge, steile, kale bergwanden wordt ingesloten. Het dorp bestaat uit zeven houten huisjes, loodsen en voorraadschuren, en uit enkele Eskimo-hutten van steen en aardzoden opgetrokken.
Onze Hollandsche zeeofficier was door de Eskimo’s op de welwillendste, meest gastvrije wijze ontvangen, en tot zijn niet geringe verbazing had hij bespeurd dat zij de herinnering aan de vroegere veelvuldige bezoeken onzer voorvaderen nog in hun taal bewaren.
Ze hebben toch voor „de blanke mannen” in het algemeen slechts ééne uitdrukking, namelijk:Kabloena, doch voor Hollanders hebben zij den afzonderlijken naam vanArpanjak,d.i.mensch die den walvisch doodt.
Op beide tochten landde Beynen te Upernavik, en telkens las hij de grootste verwondering en belangstelling op de gelaatstrekken der Eskimo’s, wanneer men hun mededeelde dat hij eenArpanjakwas. Hij werd bekeken en in oogenschouw genomen doorgroot en klein, en als hij langs de hutten ging, vertelden de ouders aan de kinderen: „Daar gaat deArpanjak!” Men sprak hem toe onder dien vreemdklinkenden naam, en trachtte hem door gebaren en teekenen aan ’t verstand te brengen, dat andere Eskimo’s, die nu reeds lang ter ruste waren gelegd in den bevroren grond van Groenland, hun hadden verteld, dat zij van hunne ouders veel van de Arpanjaks gehoord hadden.
Een stokoud man kwam zelfs uitsluitend aan boord om hem te vertellen, hoe de vader van zijn moeder een schip van denArpanjakgezien had, dat om den Noord ging, en dat vóór hun tijd een groot aantal der schepen van de Arpanjaks jaarlijks Groenland’s haven binnenliep.
Vóór het vertrek derPandorakwam een jonge Eskimo, die van den priester een weinig schrijven had geleerd, den Hollandschen officier op het Engelsche schip vragen om enkele Hollandsche woorden op papier neêr te schrijven, en met de meest mogelijke belangstelling sloegen de andere Eskimo’s luitenant Beynen gade, toen hij „Arpanjaks” voor hen schreef.
Later kwam een andere Eskimo aan boord en haalde, toen hij in de kajuit was toegelaten, uit eenige oude zeehondenvellen zeer geheimzinnig eene ouderwetsche matrozentabaksdoos voor den dag, welke hij aan luitenant Beynen overhandigde, zeggende: „Arpanjak!”
Tot zijn verwondering las Beynen op de doos: „’t Gezelschap van de jonge vrouw is de jongman zelden moê.” Boven deze woorden was een afbeelding van een schip, dat zeilreê lag, terwijl op het strand een zeeman van zijn liefje afscheid nam. Deze doos, welke van de 17de eeuw dagteekent, was niet lang geleden in een oud Eskimografgevonden. Waarschijnlijk was zij als een groote schat te gelijk met den eigenaar begraven. Al deze bijzonderheden en de verhalen, hem op den tweeden tocht door den tolk Christie—een Eskimo—gedaan, gaven Beynen de vaste overtuiging, dat het verhaal der stoute tochten van onze voorvaderen als een traditie van een vroegeren heldentijd onder de Eskimo’s bewaard is gebleven, en dat de tochten van den „Arpanjak” door de vaders aan de kinderen verhaald worden in den langen winternacht, welken zij, gelijk wij weten, door vertellingen pogen te verkorten.
Is het wonder, dat die heldenvereering der Eskimo’s voor den Arpanjak een onuitwischbaren indruk maakte op den jongen Hollandschen zeeofficier, die onder Engelsche vlag Eskimo’s aan boord ontving?
En die indruk werd zelfs dieper en dieper, naarmate hij meer van het Noorden zag, en overal de meest afgelegen baaien, kapen en eilanden door Hollandsche namen vond aangeduid.
Vol stemmen is het Noorden toch voor volken, die sinds eeuwen hier de zee bevaren. De IJszee, steeds veranderend van vorm, doch steeds dezelfde, wekt een ernstig gevoel bij hen, voor wie zij een getuige is, die van vorige eeuwen spreekt, daar zij de voetstappen bewaart der kloeke mannen van het voorgeslacht. Roerende herinneringen aan het machtig verleden zijn niet slechts „het behouden Huis” op Nova Zembla; niet slechts de vele plaatsen op Spitsbergen en Mayeneiland, waar Hollandsche ontdekkers en walvischvaarders op hunne avontuurlijke tochten plachten te verwijlen, maar ook de kusten van Groenland en bovenal de zwarte kruisen met verweerde grafschriften, welke zoo in het Oosten als Westen der IJszee nog op den huidigen dag getuigen dat Hollandsche matrozen daar het leven lieten.
Hoezeer de streken die hij bezocht dezen indruk maakten op Beynen, kan blijken uit den volgenden brief, dien hij den 6den Augustus aan boord van dePandoraschreef:
„Van nacht ben ik voor het eerst den poolcirkel gepasseerd. Ik vind het aangenaam te bespeuren dat ik hier aan boord van nut ben en zoodoende mijn tol betaal voor het aan boord zijn. De dokter zegt dat men mijclevervindt; maar ik kan niet nalaten op te merken, wat de Engelschen dan wel zeggen zouden van zoo vele onzer Hollandsche zeeofficieren, die vrij wat meer weten.
„Men heeft mij vereerd met den naamOld Tromp, naar onzen grooten admiraal, die in Engeland nog zeer geëerbiedigd is, maar Mac Gahan, de correspondent vanthe Herald,1die om de reis te beschrijven mede gaat en een alleraangenaamst mensch is, heeft voorgesteld mijYoung Trompte noemen, omdat ik de jongste aan boord en dus genoodzaakt ben, volgens luitenant Lilingston, om als de gezondheid eener dame wordt gedronken, op te staan en in haar naam te danken.
„Mac Gahan geeft mij elken dag een uur les in hetEngelsch. Ik leer hier honderde dingen, die mij naderhand bijzonder te pas zullen komen.
„Eer ik eindig, moet mij nog een zaak van het hart. Ik heb uit gesprekken aan boord opgemerkt, dat onze oorlog met Atjeh in Engeland den eerbied voor ons vaderland niet heeft vergroot. Men is niet voldoende bekend met hetgeen gedaan is, en oordeelt dat wij niet genoeg geestkracht getoond hebben.
„Het is een sobere belooning voor zoo vele vroolijk verdragen ontberingen en den waarachtig betoonden heldenmoed van onze dappere soldaten.
„Ik begrijp nu echter tevens beter dan voorheen hoe waar de woorden zijn, door Petermann geschreven: „Ik weet niet welke inzichten men betreffende deze zaken in Engeland huldigt, maar wel weet ik nu zeker, dat voor ons buitenlanders de daden en werkzaamheden van noordpoolvaarders en ontdekkers als sir James Ross en Dr. Livingstone onze achting voor Groot-Brittannië veel meer hebben doen toenemen, dan hun tocht naar Koemassie tegen de negers, welke millioenen thalers gekost heeft.
„’t Is geloof ik juist opgemerkt. Naarmate ik meer hoor en lees wat men in den vreemde denkt, word ik ook meer doordrongen van de overtuiging, dat het van het grootste belang en voordeel voor ons vaderland zou zijn, om zijn oude plaats te hernemen te midden van al de vreemde zeevaarders, die jaar in jaar uit roem vergaren voor hun geboortegrond in het hooge Noorden.
„Al moge Nederland niet meer als voorheen een der invloedrijkste landen van Europa zijn, daarom kan het toch in den vreemde evenzeer geëerd worden als in die oude tijden, toen de beschaafde wereld metklimmende bewondering de Hollandsche schepen stevenen zag langs de verste stranden.
„De minister Gladstone zeide eens dat niets voor een maritieme mogendheid van meer belang is, vooral in tijd van vrede, dan alles wat zeelieden aanmoedigt tot het doen van koene daden en stoute waagstukken, die den handelsgeest met nieuw leven bezielen en de nationale geestdrift opwekken.
„Is dit in het algemeen waar voor zeevarende mogendheden, hoeveel te meer is dit dan niet van toepassing op ons geliefd vaderland!
„Hoe meer men in de vele schoone bladzijden van ons zeewezen den zilveren draad volgt, die ten allen tijde daardoor heen is geweven door nautische ondernemingszucht, hoe meer men het betreurt, dat in de laatste jaren dit voor ons vaderland zoo roemvolle terrein tevergeefs gewacht heeft op Nederlandsche arbeiders.
„Zou Nederland zich langer onthouden? Nederland, dat zijn nationale grootheid bijna uitsluitend te danken heeft aan zijn zeelui; dat gewoon was zijn zonen den weg te zien wijzen over alle zeeën van den aardbol; dat reeds eeuwen geleden de wimpels heeft zien wederkeeren, die vroolijk gewapperd hadden langs tot nu toe niet weergevonden kusten? Zou Nederland, dat alles vergetende, kalm blijven toezien hoe die verre stranden één voor één doorvreemdezeevaarders wierden teruggevonden? kalm blijven verdragen dat de daar achtergelaten reliquieën doorvreemdeschepen in hunne havens wierden binnengebracht; zou het mogelijk zijn dat Nederlanders niet bloosden als ze hoorden dat de graven hunner groote zeevaarders in het hooge Noorden slechts doorvreemdekleuren wierden gegroet?
„Zou dit mogelijk zijn? Zou Nederland werkelijk deeenige maritieme mogendheid zijn, die achterbleef, waar Engeland, Amerika, Rusland, Zweden, Noorwegen, Oostenrijk, ja zelfs Duitschland in een edelen wedstrijd voorgaan, om den sluier op te lichten, waarachter nog zoo veel voor de wetenschap verborgen bleef?
„Wat heeft Duitschland gedaan?—Niettegenstaande het in de laatste jaren drie groote oorlogen te voeren had, en het volgens Petermann noch schepen, noch geld bezat en particuliere krachten het moesten doen, zijn er toch drie expedities naar het Noorden gezonden. Zou Nederland het kalm blijven aanzien, dat die machtige nabuur meer en meer den roem verduistert, die ons vaderland zich voorheen op zoo waardige wijze en ten koste van zoo vele dure offers verworven heeft? En dat nog wel terwijl er zoo weinig noodig is om dit te verhoeden? Ik zegweinig, want nog is de gouden aureool, door onze brave voorvaders voor de Nederlandsche driekleur gewonnen, niet verbleekt. Nog sluimert er in den vreemde (zooals ik hier dagelijks kan ondervinden) de eerbied voor onze groote mannen, en er is slechts weinig noodig om alle natiën weer met lof te doen gewagen van onzen alouden ondernemingsgeest.
„Nieuwe tochten zullen zelfvertrouwen geven aan ons volkeneerbied wekken bij onze buren. Schatten worden er jaarlijks besteed, om onze onafhankelijkheid te waarborgen door forten en kanonnen. Dit is onontbeerlijk, doch niettemin is er iets nog sterker dan forten en vertrouwenswaardiger dan inundatiën, en dat is het gevoel van achting en eerbied, dat wij voor ons volk wekken in Europa, door aan de spits te gaan op wetenschappelijk gebied, door kloeke tochten van ontdekking en nasporing.
„Om in ’t leven te blijven, moeten wij getrouw zijnaan onze traditiën en als weleer ons behoud zoeken op de zilte baren, die onze kust besproeien. En dit vermogen wij. Wij bezitten tal van hoogst bekwame zeeofficieren en flinke degelijke zeelui. Men geve hun slechts de gelegenheid, en ik ben er van overtuigd dat onze vaderlandsche zangen weer spoedig weerklinken zullen langs de verste stranden.”
Slechts zelden is het zulk liefelijk weder in de poolstreken als op dien heerlijken ochtend toenBeynenhet eerst de IJszee binnenzeilde.
DePandorahad telkens met zwaren mist en storm te kampen. Na Upernavik verlaten te hebben was Sir Allen Young dwars door Melville-baai—dat oord der verschrikking voor de walvischvaarders, die er ontelbare schepen in het ijs verloren—naar de Carey-eilanden gezeild, waar hij vruchteloos naar een steenhoop zocht, welke brieven van de Engelsche expeditie onder kapitein Nares kon bevatten. Van deze eilanden, die in Smith Sound liggen, werd westwaarts gekoersd door Lancaster Sound en Barrow-straat, ten einde langs Prince of Wales-land om de Zuid den westelijken doortocht te vinden. Het was een hachelijke tocht, want het was reeds laat in het seizoen, en de onafzienbare ijsmassa kon, zoodra de wind omliep, het schip tegen den wal plat drukken. Als een blindeman kon dePandoraenkel als het ware op den tast doorgaan, want ze ging langs onbekende kusten, op welke ze ieder oogenblik kon vastgezet worden, en nu en dan zag men, gelijk Beynen dit beschreef, „een spookachtige glimp van de benauwende ijsmassa aan stuurboordzijde, die de bemanning telkens aan haar gevaarlijken toestand herinnerde.”
In Peel-Sound gekomen, doorkliefde dePandorawateren voorheen door geen ander schip bezocht, dan wellicht door de verongelukteErebusenTerror. De kusten waren eens, tijdens een sledetocht, door Sir James Ross in kaart gebracht. De compassen waren in die streek volkomen onbruikbaar, en men berekende den waren koers, dien het schip voorlag, door met den sextant den boog te meten tusschen een voorwerp recht vooruit en de zon, wier richting gevonden werd in tabellen der Engelsche admiraliteit, welke de ware richting der zon voor elk uur van den dag in de poolstreken aangeven.
Indien het mogelijk ware geweest tot Ballot-straat door te dringen, zou veel gewonnen zijn, doch de wind bleef tegen, zelfs overdag begon zich het jonge ijs te vormen—het was reeds den 3den September,—en zoo men dePandoraniet wilde laten vastvriezen en overwinteren in Peel-Sound, wat tot niets gediend zou hebben, moest men terugkeeren, juist nu de doortocht oogenschijnlijk binnen het bereik van kapitein Young gelegen had. „Toen dan ook het schip ieder oogenblik gevaar liep in het ijs beklemd te geraken, besloot onze kapitein tot den terugtocht,” schreef Beynen. „Hij was innig teleurgesteld, en wij waren het niet minder. Het waren prachtige avonden geweest, waarop wij de ondergaande zon bespied hadden, als zij de toppen der met sneeuw bedekte bergen in een schitterend scharlaken rood kleed hulde en haar laatste stralen, van achter een bergrug, lange, grillige schaduwen liet werpen op het onafzienbare ijsveld der la Roquette-eilanden.
„Geen rimpeltje vertoonde zich dan op de donkere spiegelgladde oppervlakte derSound. Het water door zijn eigen maaksel als het ware in boeien geslagen, zwoegende onder den zich zelf opgelegden last, lag vermoeid stil in zijn ijzeren kluisters; enwaar de zon, in zacht purperen luister, de duizend grillig uitstekende oneffenheden van die onbewegelijke ijsmassa bescheen, verbeeldde men zich aan den zoom te staan van een onmetelijk kerkhof, waarboven de wit marmeren grafzuilen zich in grooten getale verdrongen, allen gehuld in dat geheimzinnig phantastisch licht van de plechtig stille schemeruren der poolwereld.
„Maar nu waren wij op onzen terugtocht en het bleek spoedig dat het daarvoor hoog tijd was. Onder dicht gereefde marszeilen liep dePandoraPeel-Sound weer uit, en passeerde op den avond van 4 September Limestone-eiland. Nauwelijks waren wij er voorbij, of wij zagen aan bakboord een uitgestrekt ijsveld aankomen, dat dreigde het schip den terugtocht af te snijden.
„Daar kapitein Young tusschen de sneeuwdriften door echter een smal open vaarwater tegen het landijs aan meende te zien, besloot hij te trachten daarvan dadelijk gebruik te maken en kaap Rinnell te bereiken voor het naderend ijs hem zou insluiten, daar een storm uit het N. W. het ijsveld snel naar de kust dreef.
„Het was de eenige kans, die ons overbleef, wilden wij niet den geheelen winter in Peel-Sound opgesloten blijven, en daar de duisternis snel begon te vallen, werd er zoo hard mogelijk gestoomd.
„Het was een verschrikkelijke nacht; de wind wakkerde aan tot een hevigen storm, vergezeld van hagel en sneeuwjachten, en dePandorabaande zich slechts met groote moeite een weg, terwijl we den witten glans van het ons insluitend ijs aan de eene zijde, en de hooge met sneeuw bedekte kust dicht bij ons aan de andere hadden. Slechts een enkele maal gedurende dezen stormachtigen nacht vertoonde zichaan den hemel een ster, die den man aan het wiel een vast punt verschafte om op te sturen. Bij het toenemen van den wind daalde de thermometer tot 18° Fahr. en het schuim der zee, als het over het dek spatte, bleef er als ijs op liggen. Te middernacht lag de sneeuw een voet hoog op het dek, terwijl het uitzicht bijna onmogelijk werd door de warrelende sneeuwjacht, welke door den hevigen wind uit de plooien der zeilen gedreven werd. Zoo had dePandoratot drie uur haar weg vervolgd, toen wij plotseling een ijsveld recht voor ons zagen, en wel zoo dicht, dat wij door het roer te boord te leggen er slechts even vrij van liepen. Gelukkig trok de nevel bij tijds een weinig op, en nam de kommandant waar, dat dePandorain de onmiddellijke nabijheid was van kaap Rinnell, die, gedeeltelijk met sneeuw bedekt, zich in de nachtelijke duisternis spookachtig voordeed. Slechts voor een enkel oogenblik deed zich deze verschijning aan ons oog voor; het volgende oogenblik heerschte weer de diepste duisternis. Zoo bleef dePandoradrie angstige uren aan den wind liggen, toen het weer opklaarde en van top eenige beweging in het ijs werd waargenomen, waardoor wij de zwakste plaats er van gewaar werden. Oogenblikkelijk werd het schip in die richting verder gestuurd, en het slaagde er in, meerder zeil voerende en met volle kracht stoomende, door de zwakste plaats van het ijs heen te breken, en het open vaarwater van Barrow-straat te bereiken.
„Onder dichtgereefde marszeils stoof dePandoranu, voortgestuwd door stormweêr uit het W. N. W. door Barrow-straat en Lancaster Sound, zonder eenig ijs meer te zien, ofschoon daarom gedurende de donkere nachten niet minder goed moest uitgezien worden. Het is in zulk weêr ongeloofelijk moeielijk een slechtsweinig boven water uitstekende ijsmassa te onderscheiden van de wit gekrulde toppen der golven, terwijl een aanzeiling van zulk een vaak diep onder water uitstekende ijs-schol de noodlottigste gevolgen voor schip en bemanning kan na zich slepen.
„Den 7den September was dePandoraweer in het open North-water, en besloot kapitein Young nog eenmaal een poging aan te wenden om eenig spoor van de gouvernementsschepen te vinden, door opnieuw de Carey-eilanden te onderzoeken.
„Nooit te voren hadden ontdekkingsschepen op deze hooge breedte zoo laat in het jaar de zee nog bevaren. Vóór den 5den September hadden zij steeds hun winterkwartieren weder betrokken. En de noodzakelijkheid hiervan toonde het schip zelf spoedig aan. Onze kommandant had dan ook de voorzorg genomen alle zeilen dicht te reven, en dit was ook goed, want nu waren zij volkomen onhandelbaar.
„Want en stagen waren geheel met ijs bezet; de romp van het schip was één ijsklomp, de zeeën vielen, als zij over de verschansing kwamen, als ijs op het dek neêr, zoodat men slechts met veel moeite over het beweeglijke, gladde dek kon voortkomen, en de zeilen waren zoo stijf als een plank geworden, zoodatb.v.het neerhalen van den kluiver een niet op te lossen vraagstuk was. En dan bovendien zwaar weêr uit hetN. N. W., vergezeld van hevige sneeuwstormen, en een hooge, korte, moeielijke zee.”
Het moedige waagstuk van kapitein Allen Young om nauwelijks uit het ijs gered, nogmaals om den Noord te gaan en, tegen den storm in, Smith-Sound in te stoomen werd beloond. Op het zuidoostelijkste der Carey-eilanden werd een cairn, eene steenhoop ontdekt, welke er niet was bij het vroeger bezoek. Vrijwilligers werden gevraagd om aan wal te gaan,wat zeer gevaarlijk was, want het stormde, de branding was fel, en de rotsklippen steil. Luitenant Lilingston en Beynen boden zich aan. De top, welke 170 meters hoog was, werd slechts met de grootste inspanning door hen bereikt, daar zij telkens tot aan de heupen in de broze sneeuw zakten en teruggleden. De koude noordenwind, die over en langs dien top huilde, deed hun kleeren tot een vasten sneeuwklomp bevriezen, doch zij volhardden, en vonden boven in de cairn een tinnen koker, waarin een verzegeld pakket, dat aan de Engelsche admiraliteit was geadresseerd.
Nu werd de steven gewend, en liep dePandoravoor den storm weg om de Zuid en kwam reeds den 19den September te Disco. Daar moest het ontdekkingsjacht vier dagen blijven wegens noodweer, en had Beynen gelegenheid het leven der Eskimo’s te leeren kennen, waarvan hij in zijn verslag een aanschouwelijke beschrijving gaf.
Door N. W. stormen voortgejaagd, liep dePandorareeds den 16den October te Portsmouth binnen.
In het vaderland teruggekeerd, werd Beynen op non-activiteit gesteld en schreef hij voor den minister het verslag van de reis, dat het volgende jaar door het Aardrijkskundig Genootschap werd uitgegeven, en waaraan ik een en ander ontleende. Het verslag eindigt met de volgende kenschetsende woorden: „Wel is het jammer, dat in ons vaderland de schoone ondernemingstochten naar het hooge Noorden tot het verledene behooren. Onze vroegere poolreizen waren toch van groot belang, niet alleen voor de wetenschap, maar ook vooral als een uitstekende leerschool voor die stoute zeelieden, die de eer van ons land zoo vaak op alle zeeën van den aardbol ophielden. Zouden hedendaagsche poolreizen die voordeelen niet meer bezitten?
„En is het dan niet in het belang der zeevarende natiën om zulke ondernemingen te steunen en aan te moedigen, der wetenschap tot gewin, den handel tot voordeel, en zich zelven tot roem en eer?”
Toen dit verslag gereed was, werd hij geplaatst op het wachtschip te Hellevoetsluis, waar hij den 1sten Januari 1876 aan boord kwam. Hij bleef hier aan het werk, om zich meer en meer te bekwamen voor tochten naar het Noorden. Hij schreef den 12den Januari:
„Ik bestudeer op het oogenblik meteorologie uit het boek van prof. Mohn, dat in het Duitsch vertaald, werkelijk prachtig is. Nu en dan, als ik iets lees dat mij van belang voorkomt om te weten en te onthouden, schrijf ik het over. Ik vertaalde dezer dagen ook eene lezing van luitenant Weyprecht, in Gratz gehouden, welke inderdaad zeer belangrijk is. Ook heb ik mij op de hoogte gesteld van het plan van den voor Parijs gesneuvelden franschen zeeofficier Gustave Lambert. Het spijt mij dat ik er de overtuiging door gekregen heb, dat hij niet voldoende op de hoogte der Noordpoolzaak was, en ik geloof dan ook dat zijn roemvolle dood hem behoed heeft voor tal van teleurstellingen. Zijn onbekendheid met de ijsnavigatie brengt hem tot geheel verkeerde conclusies. Hij geloofto.a.aan een open Poolzee, ontstaande: „d’après les lois de l’insolation”!
De brieven raadplegende door hem geschreven in de enkele weken, welke hij in het vaderland doorbracht eer hij op nieuw naar het Noorden ging, werd ik getroffen door al hetgeen hij in dien tijd gelezen en bewerkt heeft, om op het gebied der Noordsche aardrijkskunde zich te huis te gevoelen. Tevens bestudeerde hij meteorologie, daar hij met het doen van weerkundige waarnemingen zou belast worden op dePandora; hij poogde uit professor Tyndall’s boekiets van de formatie van gletschers te leeren, en hij was verdiept in een Duitsch werk van Erman over het aardmagnetisme.
In de maand Mei ging hij weder, met ’s konings toestemming, op het verzoek door Sir Allen Young aan den minister van marine gericht, naar Engeland, en zeilde hij den 31sten dier maand voor den tweeden keer met dePandoranaar de IJszee.
Bij het begin der reis schreef hij aan boord van het ontdekkingsvaartuigo.a.het volgende aan kolonel Jansen:
„Ik voel zoo vaak hoe oneindig veel ik mis, hoe weinig ik weet, en bij herhaling is het verlangen bij mij opgekomen, dat, van den beginne af, aan oudere meer ervaren en kundiger handen de plicht om dit alles te doen ware toevertrouwd. Ik had dan met mijne geringe krachten kunnen helpen en steunen, maar zou dan in het tweede gelid gestaan hebben en dus op eene plaats welke mij beter voegde. Zeer vaak is dit gevoel zoo sterk geweest dat ik er mij verdrietig door voelde. Dit zal nog wel dikwijls het geval zijn, en ik kan dat bewustzijn alleen weren door zoo hard te werken als ik maar vermag. Ter wille van het groote belang der zaak voor ons geliefd vaderland hoop ik mij vast te houden aan uw raad, om ook in deze zelfbeheersching te oefenen.
„Maar welk een heerlijke taak dan ook, te mogen medewerken om den ouden sluimerenden heldengeest van ons volk te doen herleven! Dit is een leven waard van teleurstellingen en zorg, en zeker, die zullen in overvloed op dien weg te vinden zijn. Maar ik hoop den moed te hebben om met waarachtige toewijding, met volkomene zelfverloochening en vooral zonder denkbeeld van eigenbaat, met mijne geringe krachten voor dat doel te werken. En toch dit is niet gemakkelijk,want zulk een plicht, ernstig aanvaard, eischt vaak dat men wat ons innig lief is prijsgeeft en opoffert!… Alles moet men echter over hebben voor een doel dat—eens bereikt—tot roem en eer zal strekken van koning en vaderland. Moge dan ook deze nieuwe reis op het vreemde ontdekkingsschip een heerlijke leerschool zijn voor mij, die vruchten draagt voor mijn geheele volgende loopbaan.
„Eén ding is zeker, dat ik onder alle omstandigheden als een waar Nederlandsch zeeman mijn plicht stipt hoop te vervullen, en mij door geen gevaren, ontberingen en moeielijkheden zal laten afschrikken in zeeën, die voorheen getuigen zijn geweest van zoo menige kloeke daad onzer stoute voorvaders!”
Beynen diende weder onder Sir Allen Young, den eigenaar van het schip, doch er was een nieuwe eerste officier aan boord, genaamd Arbuthnot. Luitenant Pirie deed de reis op nieuw mede, en luitenant Alois von Becker, van de Oostenrijksche marine. Dr. Hörner en de heer Grant, die als vrijwilliger en photograaf medeging, waren de verdere officieren.
De reis ging voorspoedig totdat dePandorain straat Davis was gekomen. „Reeds verheugden wij ons in ’t vooruitzicht van binnen enkele dagen Disco te bereiken,” schreef hij, „toen de wind naar het noorden draaiend ons tegen liep.
„Tien dagen achtereen moest dePandoranu opwerken. Meestal was het helder zonnig weder, doch iederen avond tegen 10 uur, als de zon haar kracht verloor, koelde de atmosfeer dermate af, dat de vastgehouden waterdamp zich als een dicht floers om dePandorahulde, hetgeen het uitkijken zeer moeielijk maakte.
„Het waren kille onaangename nachtwachten,waarin het hard woei. Door de korte, moeielijke zeeën slingerde het scheepje zoo hevig, dat men zich voortdurend aan iets moest vasthouden om op het dek staande te kunnen blijven, en wanneer men in die positie gedurende vier uren, met een kouden noordenwind in ’t aangezicht, onafgebroken staat te turen in den dichten nevel, waaruit telkens in de onmiddellijke nabijheid van het schip reusachtige ijsbergen als spookgestalten opdoemen, dan laat het zich begrijpen dat de wacht ons onder zulke omstandigheden dubbel lang schijnt.
„Den 29sten Juni bij het aanbreken van den dag verkenden wij het eerste land in het oosten en sedert werden de met sneeuw bedekte toppen van Groenland bij helder weêr niet meer uit het oog verloren.”
Toen zij den 6den Juli Disco-eiland naderden, en dePandora, voor het eerst sinds zij Engeland verliet, stoom opmaakte om onder lij van het hooge bergland te kunnen vorderen, schreef Beynen het volgende aan kolonel Jansen:
„Op de hondenwacht passeerde luitenant Pirie het eerste drijfijs en toen ik te 4 uur ’s ochtends de wacht van hem overnam, zag ik dat het ijs telkens in hoeveelheid en omvang vermeerderde. Ik nam de gewone maatregelen: liet van top uitkijken in welke richting de zee er het meest vrij van ijs uitzag, minderde zeil, liet de brassen over en weêr achter de hand klaar leggen, en toen ik de overtuiging had gekregen dat het meer dan enkele losse (van het land gedreven) ijsschotsen waren, liet ik kapitein Young waarschuwen. De zee was spoedig geheel er meê bedekt, en de oude, grillig uitgegroeide en verweerde ijsmassa’s lieten ons weldra niet den minsten twijfel, of we waren in een door zwaren wind uit het land gedreven stroom Spitsbergen-ijs geraakt.
„We koersten derhalve om de West, ten einde er zoo spoedig mogelijk uit te zijn, waarin we, na drie uur vechtens met het ijs, slaagden. Op sommige plaatsen waren de dreigend hooge schotsen zoo dicht op elkander gepakt, dat een botsing niet te vermijden was. Dan werd de zwakste plaats uitgekozen voor den aanval, en de dichtgereefde marszeilen—de eenige die wij voerden—werden bovendien nog opgegord om de vaart te verminderen en de aanraking zoo zacht mogelijk te doen plaats hebben, opdat de ijsschotsen tijd en gelegenheid mochten vinden aan weêrszijden uit te wijken …
„Het is nu de avond van 6 Juli, om negen uur. Ik kom zooeven van de wacht en zit in mijn eigen kleine hut om mij een weinig met u te onderhouden. We hebben prachtig weder. Een stijve bries uit het W. N. W. doet dePandoramet een 6 mijls vaart tegen de witgetopte golven oploopen. De lucht is helder blauw, en de zon, welke ons zelfs te middernacht niet verlaat, veroorzaakt de heerlijkste tinten, de meest phantastische schaduwlijnen op de vele groote ijsbergen, welke ons aan alle zijden omringen. Tal van vogels volgen al spelend ons kielwater en hier en daar blaast een walvisch vergenoegd een straal water in de lucht.
„Ik ging omlaag om mijn gevoel te uiten. Het geheele schouwspel stemde mij tot nadenken, want wij zijn thans opvoor Nederlandersklassieken grond. Aan stuurboord van ons liggen de Visch- en Honden-eilanden, en recht vooruit verrijst duidelijk het zwarte land van Disco boven den horizon. Wij zijn aan den ingang vanDiscofjorden al die eilanden, baaien en kapen zijn eenmaal getuigen geweest van de koene daden onzer oude zeevaarders. In die tijden, toen de Hollandsche vlag ook aan deze zijde van denPoolcirkel nog de meest geëerde, meest gevreesde en zeker talrijkst vertegenwoordigde was, had men jaren dat meer dan 150 schepen in deze wateren rondkruisten. Welk een levendigheid en vertier in deze nu zoo doodsche en verlaten zeeën! Het is daarom met een bijna droevig en zeker weemoedig gevoel, dat ik die roemrijke dagen herdenk, nu ik onder Engelsche vlag die klassieke wateren bezeil … Zou het voorspoedige Holland van onze dagen niet meer in staat zijn tot wat het weleer in ongunstiger omstandigheden vermocht?
„O! mocht er weer nieuwe ondernemingszucht in het dierbare vaderland komen: moge het voorbeeld van Venetië het tot waarschuwing strekken.”
Uit de merkwaardige kolenmijnen van Kudliseat vulde dePandorahaar voorraad met 50.000 kilo aan. De officieren hieuwen de steenkool uit de rots in groote stukken die dan naar beneden rolden op het strand, van waar zij door de matrozen aan boord gebracht werden. Tot tweemalen toe werden de werkzaamheden een eind verplaatst, schreef Beynen, omdat de kool aldaar gemakkelijker te bekomen was; het zware werk werd door officieren en manschappen met lust en ijver verricht. En een nagenoeg onafgebroken arbeid van ’s morgens 5 tot ’s avonds 8 uur is onder gewone omstandigheden voldoende om een mensch naar rust te doen verlangen!
Maar aan boord derPandorakende men geen vermoeienis! Beynen schreef: „Het vreemde van het voortdurend dag zijn, dat zoo lang men er niet aan gewend is, zich tegen geregelde slaaptijden verzet, deed zich ook nu gevoelen; in plaats dat de vermoeide ledematen rust namen, leverde het onafgebroken geweervuur, dat ’s nachts de eenden en andere vogelsuit hun slaap deed opschrikken, op nieuw een bewijs, dat het gezonde Noordsche klimaat het menschelijk gestel als het ware weet te verstalen.
„Den 14 Juli ’s avonds met kapitein Young op Disco-eiland jagende, stieten wij onverwachts op een klein Eskimo-kamp.
„Het bestond uit twee zomertenten, die aan den voet van een steilen bergwand waren opgeslagen.
„Vijf of zes kayaks waren op ’t strand gehaald en een familie van 12 Eskimo’s hield zich met verschillende huiselijke werkzaamheden bezig. Terwijl een oude vrouw het zeehondenvleesch voor den maaltijd bereidde, arbeidden de mannelijke Eskimo’s aan het herstellen van eenige kayaks, terwijl de vrouwelijke familieleden zich onledig hielden met het verwerken van gedroogde huiden. Stil en kalm werd dit alles verricht, en slechts nu en dan, wanneer een der Eskimo’s met een goeden buit van de jacht terugkeerde, ontstond er eenige drukte en beweging. Het was een vreemd, schilderachtig geheel, dat kleine rustige Eskimo-kamp, en volop genoten wij het heerlijk schoone natuurtooneel met zijne eigenaardige stoffeering. Verderop waren de stilte en kalmte, die alom heerschten, indrukwekkend, en slechts nu en dan werden deze afgebroken door het klagend geschreeuw van de rustelooze zeemeeuw of het zachte geluid als van verre branding, dat de golfjes aan onzen voet veroorzaakten, als zij zich stoeiend en spelend onder den uitgeholden rand eener kristallen ijsmassa krulden.
„De tusschen de rotsen gesmolten sneeuw, die zich als een zilveren draad door een bed van donkergroen mos slingerde, vloot statig en langzaam naar het kale strand, waar zij zich een opening lekte door den ijsklomp, die haar het bereiken der zee scheen tewillen betwisten. De zon, die laag aan den hemel zich traag langs den noordelijken horizon voortbewoog, vergulde nog maar alleen de wit besneeuwde kruinen der hooge bergtoppen, waardoor het zwarte land van Disco een nog donkerder en grimmiger tint dan gewoonlijk verkreeg. En wanneer men voor een oogenblik heên staarde over het spiegelgladde watervlak, dan werd het oog geheimzinnig geboeid door de gletschers en bergtoppen van Groenland’s westkust, die door luchtspiegeling in duizend grillige gedaanten vervormd, ons den indruk gaven alsof moeder natuur met onze stille verrukking den spot wilde drijven.
„Die heerlijk schoone natuurtooneelen in straat Waaigat, zoo geheel verschillend van wat men in andere hemelstreken ontmoet, zullen dan ook voor allen die ze mochten aanschouwen, onvergetelijk blijven, en geheel daarvan vervuld keeren wij naar dePandoraterug.
„Nadat de Eskimo’s die ons bij het kolen laden behulpzaam geweest waren, behoorlijk betaald en bovendien nog met verschillende geschenken overladen waren, werd de reis verder voortgezet. Met ruim 170 ton steenkolen aan boord, stoomde dePandoralangzaam om de Noord.”
Toen dePandoraden 22sten Juli de gevreesde Melville-baai naderde, bleek het een slecht ijsjaar te zijn. Zoover Beynen uit het kraaiennest zien kon, strekten zich, ten noorden van het schip, in alle richtingen de zoo beruchte ijsschollen en velden van Melville-baai uit. Aanschouwelijk heeft hij beschreven hoe dePandorain het ijs bezet geraakte en door het kloek besluit van kapitein Young gered werd.
„De wind woei den 26sten Juli uit het zuidwesten, dus uit den ongunstigsten hoek, daar hij dan al hetijs der baai in elkaâr schuivende den doortocht zeer bezwaarlijk maakt. Toch scheen in den beginne alles zeer voorspoedig te zullen gaan.
„Door een zonnigen zomerdag begunstigd, te midden eener indrukwekkend schoone omgeving, liep dePandoramet alle vierkante zeilen bij tusschen de fantastische ijsbergen door, waarvan er meer dan honderd in zicht waren en die, door de ruwe heuvelachtige ijsvelden vereenigd, met deze een verbond schenen te hebben gesloten, om haar het verder doordringen te beletten. Maar ongedeerd volgde ons klein schip, door de tegenstelling nietiger en kleiner dan ooit, den kalmen, donkeren waterweg, die zich als een slang tusschen de glinsterende ijsgevaarten kronkelde, terwijl deze in vorm en gedaante de meest verschillende zaken voorstelden. Nu eens vertoonde zich aan ons oog een hoog oploopend amphitheater, dat terug deed denken aan de Grieksche spelen, dan weer een oude ingestorte ruïne met nog enkele opstaande Gothische gewelven. Statige zuilen en kunstige pyramiden werden afgewisseld door sterke kasteelen en puntige dorpstorens, die in wit marmer uitgehouwen meesterstukken van architectuur vormden.
„’s Middags echter wakkerde de wind meer en meer aan, zoodat weldra alleen de dichtgereefde marszeilen konden bijgehouden worden. Toch liep dePandoranog vijf of zes mijl, maar ook de ijsvelden zeilden zeer snel en begonnen de grenzen van het bevaarbare water, voor ons uit, al meer en meer te beperken.
„’s Avonds te 5 uur kwam er bovendien nog een zware mist opzetten en te 6 uur was deze zoo dik, dat onze gezichteinder tot den verbazend grooten afstand van nauwelijks honderd meter werd beperkt. Het zijn vooral deze onophoudelijk voorkomende noordsche nevels die de ijsvaart zoo moeielijk engevaarlijk maken, en wanneer zij plotseling al het schoone van de omringende natuur achter een dicht omhulsel verbergen, is de indruk telkens weer even onaangenaam. De tegenstelling is dan ook zoo groot. Het eene oogenblik een lieve zonneschijn, die leven en kleur aan alles bijzet, en ’t volgende een grauwe akelige mist, die den vroolijksten aan boord tot droefgeestigheid stemt. Enkele malen even snel wegtrekkend als hij onverwachts gekomen is, houdt hij soms dagen achter elkaar aan. Gewoonlijk hangt hij laag op ’t water, zoodat de blauwe lucht voortdurend zichtbaar blijft.
„Voor een ieder onaangenaam, is zulk weer voor den gezagvoerder, die de verantwoordelijkheid welke op hem rust gevoelt, een ware beproeving. Het onbekende vertoont zich dan aan hem in al zijn verschrikkingen. Was het te voren reeds moeielijk tusschen de uitgestrekte ijsmassa’s door te sturen, nu men de bewegingen daarvan niet meer nauwkeurig volgen kon, werd het varen steeds bezwaarlijker! Ook nu weer ondervonden wij al het moeielijke van zulk een toestand.
„De vaart werd zooveel mogelijk verminderd, doch met de laagscheepsche zeilen alléén bij, liep het scheepje toch nog 3 mijl. Zooveel mogelijk werd om de noordwest gekoerst, doch het spreekt van zelf, dat men daar ieder oogenblik van moest afwijken om de ijsbergen en ijsvelden te ontwijken, die al dichter en dichter schenen samen te pakken. Tot acht uur ’s avonds ging dit nog redelijk goed, doch toen blonk door den nevel heen de glans van scholijs ons van alle kanten tegen.
„Gelukkig had kapitein Young order gegeven de vuren aan te steken en stoom op te houden, zoodat wij met behulp daarvan snel konden afhouden. Hetschip lag noordoost voor en de wind, die zuidelijk was, kwam dus aan stuurboord in.
„De ra’s rond te brassen, en de schoten der langscheepsche zeilen over te redderen was ’t werk van een oogenblik.
„Naarmate dePandoraden zoom van ’t ijsveld volgde, doemden achtereenvolgens verschillende ijsbergen op, die den rand er van omgaven. Spoedig bleek, dat wij te midden van een dichte groep dier reusachtige gevaarten waren geraakt, die ons door den nevel heen van alle kanten grimmig aanstaarden.
„De bevelen, door kapitein Young met kalmte gegeven, werden echter flink en oogenblikkelijk uitgevoerd en zonder te aarzelen stuurde onze onverschrokken gezagvoerder de kleinePandoratusschen enkele dezer gevaarlijke massa’s door, zoodat zij spoedig in een veiliger omgeving weêr langzaam om de noordwest liep. Een oogenblik scheen de toestand nu gunstiger te zullen worden. Het water werd meer open. Tal van „rotches,”2die de nabijheid van land verraadden, vlogen overal rond en voor meer dan een uur was er, voor zoover de nevel toeliet te oordeelen, geen ijs te zien.
„Reeds begonnen wij ons te vleien spoedig kaap York en het open „Northwater” te zullen bereiken, toen wij in den vroegen morgen van den 23sten op nieuw uitgestrekte ijsvelden ontmoetten. Gelukkig werd daarin een breede opening ontwaard en meer dan een uur volgde dePandorain een noordelijke richting dit kronkelend wak. Toen sloten zich de ijsmassa’s echter dermate, dat een andere weg moestgezocht worden en zoo koersten wij eerst west en later meer zuidwaarts, toen uit het kraaiennest het bericht klonk, dat verder voortgaan onmogelijk was. Zoodra kapitein Young zich hiervan overtuigd had, besloot hij zoo spoedig mogelijk uit dit bedriegelijke wak terug te keeren.
„Juist door in een soortgelijk geval te willen afwachten tot het ijs zich verder zoude openen, was deFoxin 1858 voor den geheelen winter in Melvillebaai vastgeraakt. Dadelijk werd order gegeven om over stag te gaan, de zeilen werden geborgen en onder stoom beproefden wij denzelfden weg terug te sturen. Dit bleek echter spoedig volkomen onmogelijk. De wind, die sterk doorstond, hield de geheele ijsmassa in een voortdurende beweging, waardoor de positie van de ijsvelden onderling zoodanig gewijzigd werd, dat het ondoenlijk bleek den eens afgelegden weg terug te vinden.
„In alle richtingen vertoonden zich nu breede, veelbelovende openingen, doch de dichte nevel maakte het volstrekt onmogelijk te beslissen, welke weg het best naar meer open water voeren zoude. DePandorabevond zich in een waar labyrinth van ijs. Bij herhaling moest zij, om van het eene wak in het andere door te dringen, zich door ijstongen van 40 tot 50 meter breedte heênbreken. De openingen sloten zich vaak weer zoodra zij er doorheên was en niet voor den middag drie uur slaagden wij er in, haar in betrekkelijk open water aan een ijsschol te ankeren.
„Kapitein Young besloot nu het optrekken van den nevel af te wachten, van welke gelegenheid een ieder aan boord gebruik maakte, om eenige uren rust te gaan nemen. Gedurende den nacht sneeuwde het hard, en toen den volgenden morgen de lucht opklaarde, bleek het dat dePandorain een grooten, geheeldoor ijs ingesloten waterpoel lag. Daar uit ’t kraaiennest over het ijs heen echter meer water gezien werd, besloot de gezagvoerder onverwijld te beproeven zich daarheen een doortocht te banen. Hij koos daartoe een opening, die tusschen twee ijsvelden door de kortste en beste gelegenheid scheen aan te bieden.
„Onder zeil en stoom werd dePandoratusschen de ijsvelden ingedreven. Deze bleken echter grooter weerstandsvermogen te bezitten dan wij hen (te oordeelen naar de vele wakken en poelen, die hen in alle richtingen doorkruisten) op het oog hadden toegekend, en weldra was het ten eenenmale onmogelijk er verder in door te dringen.
„Daar het echter scheen, alsof de schotsen zich langzaam van elkaar schoven, hoopte kapitein Young, dat deze beweging ons spoedig in staat zou stellen het open water te bereiken.
„DePandorableef dus liggen waar zij was, doch dit werd haar ongeluk, want in weinige minuten had het altijd bewegelijke ijs haar van alle zijden dermate ingesloten, dat het onmogelijk was (zelfs met de machines volle kracht slaande) haar in ’t minst te bewegen.
„Het ijs omringde het schip nu al meer en meer en voerde het in een noordelijke richting gevankelijk met zich mede. DePandorawas in het ijs bezet.
„IJsbergen en ijsvelden worden door wind en stroom altijd voortbewogen en daar gene veel meer diepgang hebben dan deze, verplaatsen zij zich langzamer. Wanneer nu de zware massieve ijsberg door het veel lichtere ijsveld wordt ingehaald, scheurt dit in alle richtingen.
„Is een schip in een omgeving van ijsbergen tusschen de ijsschollen bezet, dan verkeert het bijgevolgvoortdurend in gevaar tegen zoo’n berg aangedreven en te pletter gedrukt te worden.
„Tegenover deze verbazende natuurkrachten vermag de zeeman niets; geen menschelijke middelen zijn dan in staat het schip te redden.
„In zulk een toestand was dePandoranu geraakt. Juist waren wij te één uur met ons eten begonnen, toen het scheepje een geweldige ijsdrukking onderging, die alle deelen er van deed steunen en kraken. Dadelijk snelden wij naar dek en zagen daar dat de ijsschotsen door drie groote ijsbergen in hun vaart gestuit tegen het schip begonnen op te kruien. Naarmate het schip de ijsbergen naderde, werden de drukkingen heviger en veelvuldiger.
„Groote zware ijsmassa’s stapelden zich tegen den achtersteven op, vulden den schroefkoker en kruiden aan bakboord bij het groot spant tot over de verschansing.
„Het schip uit het water geperst en over stuurboord geworpen, werd in dezen hulpeloozen toestand rechtstreeks in de richting der ijsbergen gedreven.
„Het ijs door een stijve bries uit ’t zuiden opgestuwd, sloot zich meer en meer. De weinige waterpoelen, die uit ’t kraaiennest ’s morgens hier en daar zichtbaar waren, verdwenen de een na den ander, en weldra was de oppervlakte der zee herschapen in een uitgestrekt onafzienbaar ijsveld; Melville-baai was in den waren zin des woords „een ijszee.”
„Intusschen werd de afstand tusschen het schip en de vreeselijke gevaarten steeds kleiner en kleiner. De grootste was nog slechts 200 meters verwijderd en ieder hield zich overtuigd, dat zoo er geen wonder geschiedde, dePandoratusschen de ijsbergen en de tegen haar opkruiende ijsschollen te pletter zou gedrukt worden. Toch werden alle pogingen aangewend,om het schip weer vlot te krijgen, doch hoewel wij met bijl en moker de door middel van buskruit opgescheurde ijsmassa’s trachtten weg te werken en alle krachten inspanden om met behulp van rondas en spil het schip in eene dus ontstane opening te krijgen, moesten wij toch eindigen met alle verdere pogingen om dePandorain beweging te brengen op te geven.
„Al het mogelijke was beproefd, doch ons schip was en bleef onwrikbaar in het ijs bezet. Intusschen naderden wij de ijsbergen steeds meer en meer en werd het gevaar dreigender.
„Te drie uur gaf kapitein Young bevel alle maatregelen te nemen om op het laatste oogenblik behoorlijk gereed te zijn, het schip met booten en ijssleden te verlaten.
„Nadat een ieder zich den zeildoeken ransel (waarin het hoogst noodige naar een bepaald model zoo doelmatig mogelijk gepakt was) op den rug had gebonden, werden de ijssleden voor de hand gezet en de booten met instrumenten, wapens en provisiën gevuld.
„Tot 6 uur ’s avonds bleef deze angstige onzekerheid omtrent het behoud van het schip voortduren, maar toen dreef dePandoramet de schotsen ongedeerd tusschen de ijsbergen door, ofschoon zij een daarvan, die hoog boven haar tuig uit stak, zóó nabij passeerde, dat men van het kluifhout zonder moeite er op had kunnen overspringen.
„’s Nachts te 12 uur brak het ijs van zelf rondom het schip op. DePandorarechtte zich en lag weldra weêr vlot in een klein wak in ’t ijs, dat aan lij van de ijsbergen ontstaan was en in de taal der Engelsche walvischvaarders „an open hole” wordt genoemd.
„De Eskimo-tolk Christie, met zijn kajak hierin rondroeiende, had het geluk onzen eersten zeehondte schieten. Daar wij reeds lang gewenscht hadden versch vleesch te bezitten, was dit voor ons een belangrijke gebeurtenis, en groot was dus aller teleurstelling, toen wij den volgenden morgen ontwaarden dat onze onverzadelijke Eskimo-honden zich gedurende den nacht van den buit hadden meester gemaakt.
„Enkele malen kon men onder ’t ijs duidelijk een westelijke deining bespeuren, wat als een zeker teeken beschouwd werd, dat veel open water in die richting aanwezig was. Het was merkwaardig om de wijze gade te slaan, waarop het groote donkere ijsveld aan stuurboord van ons een langzaam golvende beweging aannam.
„De ongeduldige spanning aan boord was nu zoo groot, dat, hoewel de mist ons belette open water te zien, wij toch beproefden ons door stoom een doortocht te banen, hetwelk echter spoedig bleek ondoenlijk te zijn, en daar de kommandant vreesde, dat de schroef door onze half wanhopige pogingen zou breken, werden ze weldra gestaakt.
„’s Nachts van den 27sten Juli de wacht hebbende, had ik het geluk een ijsbeer te schieten, die ons op eenmaal een goede hoeveelheid versch vleesch verschafte. Van achter een ijsberg te voorschijn tredend, beschreef hij ronde kringen om het schip.
„Nu eens dichter bijkomende en dan weêr verder afgaande, stond hij ieder oogenblik stil om de lucht in te snuiven, en werd dan telkens verleid meer te naderen, door den scherpen reuk van bedorven zeehondenvleesch, dat in ’t want hing en bestemd was tot voedsel voor de honden.
„Het was doodstil op dek; het wachtvolk was omlaag; de honden sliepen en er geschiedde niets dat hem kon doen verschrikken. Niet vóór hij tot op 50 passen afstand van het schip gekomen was, ontvinghij een schot in den kop, waardoor hij eerst recht opsprong en daarna achterover op zijn rug rolde.
„Ziende dat hij nog trachtte zich op te richten, liep ik over het ijs naar hem toe, doch had het ongeluk, terwijl ik mijn geweer onder het voortgaan weder laadde, tusschen twee der ijsvelden in het water te vallen. Gelukkig kwam ik er met een koud nat pak af en miste den welkomen buit niet, daar de onderofficier der wacht toesnelde en den beer doodschoot.
„In den laten avond vlogen steeds duizenden en duizenden rotges in een noordwestelijke richting over het schip heen, om den volgenden morgen in tegenovergestelde richting terug te komen.
„Hun vlucht was echter, zooals kapitein Young opmerkte, veel te hoog om hoop te geven dat er open water dicht bij was, en hoofdschuddend herhaalde hij: „When birds fly so high as that, they surely have to make a long way.” („Als vogels zoo hoog vliegen hebben ze een langen afstand voor zich.”)
„Sinds den 22sten Juli was het steeds mistig geweest, zoodat geen observaties hadden kunnen genomen worden, doch in den voormiddag klaarde het weer gelukkig op en bleek uit de gedane waarnemingen dat dePandoraeen goed eind om de noord tot midden in Melville-baai gedreven was. In alle richtingen lag het ijs dicht aaneengesloten, zoodat uit het kraaiennest nergens water gezien werd.
„Toen de nevel optrok, ontrolden zich voor onze oogen de zoo beroemde schoone natuurtafereelen, die Melville-baai meer dan eenige andere plaats in het hooge noorden den zeevaarder aanbiedt.
„De hooge besneeuwde kust van Groenland met haar talrijke gletschers werd nu op nieuw zichtbaar en de onafzienbare heuvelachtige ijsvlakten, overal afgebroken door prachtige ijsbergen, vormden door de zonbeschenen een heerlijk grootsch schouwspel. Het was bladstil en dePandoralag als ’t ware ingesluimerd in haar kleinen waterpoel.
„Bood het natuurtooneel ons in hooge mate veel te genieten aan, de gedachte aan den toestand waarin ons schip verkeerde was alles behalve opwekkend. Kalm en rustig en onbewegelijk als nu die onafzienbare ijsvlakte zich aan ons oog voordeed, sluimerden daarin de ontzettende natuurkrachten, die als zij door een storm werden wakker geschud, ons scheepje van alle kanten zouden aangrijpen. Misschien zouden wij er in slagen aan al deze gevaren te ontsnappen en het open North-water te bereiken, maar even goed bestond de kans, dat wij in het ijs gevangen bleven en daarmede machteloos om de zuid werden gevoerd, of dat dePandora, evenals deHansaen zoo menig ander schip, in den strijd met den onverbiddelijken vijand naar de diepte ging. Dan zouden wij ons in de booten moeten trachten te redden, doch ook dit bleef in hooge mate een gevaarlijke en onzekere onderneming.
„Evenwel het zou ons laatste redmiddel zijn, en dien ten gevolge werden dan ook alle maatregelen genomen en de provisie en benoodigdheden van de booten voor de hand gezet. Er werd bepaald dat de booten een maand proviand zouden innemen en dat men voor het verder voedsel op de geweren zou moeten vertrouwen.
„Wij hadden het voorbeeld van Barents en van de Oostenrijksche en Amerikaansche expeditiën voor ons om de mogelijkheid van zulk een tocht in booten buiten allen twijfel te stellen.
„Op den 28sten Juli liep de wind, die tot nu toe in ’t zuiden als vastgenageld had gezeten, naar het O.N.O. en het was alleropmerkelijkst om de verandering gadete slaan, die daardoor onmiddellijk in de ijsmassa werd te weeg gebracht. Er was een algemeene drift in een westelijke richting te bespeuren en op tallooze plaatsen werden open wakken zichtbaar.
„Kapitein Young liet nu stoom opmaken, ten einde van de eerste gelegenheid, die zich aanbood om te ontsnappen, gebruik te kunnen maken. Ons geduld werd echter op een lange proef gesteld, want niet voor ’s avonds 6 uur bood zich die gelegenheid aan. In dien tusschentijd evenwel dreven wij snel in een westelijke richting naar open water, dat zeer duidelijk van top zichtbaar was, en ook toen bestond er gevaar, dat dePandora, door het scholijs machteloos weggevoerd, tegen een der tallooze ijsbergen gezet werd, in welk geval zij onherroepelijk verloren zou zijn.
„Er waren verschillende bergen rondom ons, die alle aan den grond geraakt, onwrikbaar op hun plaatsen blijvend, het scholijs, dat tegen hen aandreef, opspleten en in stukken scheurden. Daar de opgebroken ijsvelden zich op eenigen afstand verder eerst weer te zamen voegden, vormde zich beneden ’s winds van zoo’n ijsberg steeds een soort open wak. Door buitengewoon geluk begunstigd, ontkwamen wij echter ook nu weder aan deze gevaren en slaagden er te 6 uur in, onder zeil en stoom, de schol, die ons zoo lang gevangen had gehouden, te verbreken en in een uitgestrekt open wak meer westwaarts van ons door te dringen. Dit was echter niet gemakkelijk geschied en ieder aan boord had de handen vol gehad.
„Kapitein Young bestuurde het schip uit het kraaiennest, en de zwakste plaatsen uitkiezende, ramde hij bij herhaling de ijsmassa’s, die hem het verder doordringen beletten. Wanneer het schip achteruit stoomde om meer vaart te kunnen schieten, werden de losse stukken, die door den vorigen stoot van de ijsscholwaren afgebroken, door de manschap op de schotsen met haak en puntstokken telkens uit den weg geruimd.
„Op deze wijze slaagden wij er in, ons langzaam een weg door de ijsmassa te banen, doch ver konden wij het niet brengen. Te half acht ’s avonds waren wij genoodzaakt onze pogingen te staken en ons op nieuw aan een ijsschol te ankeren.
„Wij waren nu evenwel uit de gevaarlijke omgeving, waarin wij zoo lang vertoefd hadden en dreven met de geheele ijsmassa mee om de west en dus gelukkig uit de baai. De wind begon nu echter op te steken en het werd een barre nacht. Er woei een zware storm, die vergezeld ging van hevige sneeuwvlagen. Het schip, dat snel in een noordwestelijke richting dreef, verkeerde ’s morgens te half vier uur op nieuw in gevaar van tegen een ijsberg aangedreven te worden. Als gewoonlijk was het zeer mistig, en toen wij dezen reus van ijs machteloos te gemoet gevoerd werden, was ieder in gespannen verwachting wat ons lot zoude zijn. Wij naderden snel en zeker, maar het ijsveld bleek bijzonder sterk te zijn. Het brak slechts gedeeltelijk op en diende dePandoradus als stootkussen, zoodat zij ongedeerd langs den berg heenschuurde.
„In den morgen van den 29sten Juli liep de wind naar het oost-zuid-oosten en wij dreven met een twee mijls vaart om de W. N. W. Van top was het open water nu zeer duidelijk te zien en toen te 12 uur het zoo welkome geluid der branding op den zoom van den ijsdam werd gehoord, besloot kapitein Young nogmaals te beproeven het te bereiken.
„Op nieuw liep dePandoraonder stoom en zeil tegen de zwakste plaatsen van het ijs in, maar na twee uur worstelens waren wij slechts één scheepslengte verder gekomen. Mistroostig werd toen de verderepoging opgegeven en op nieuw de oude lijdelijke houding aangenomen. Langzaam bleven wij nu naar het open water toedrijven en te 6 uur konden wij van het dek den rand van den ijsdam duidelijk zien. Deze vertoonde zich als een rechte lijn, die zich noordwest en zuidoost uitstrekte en volkomen een kustlijn geleek.
„Vreezende dat de wind weêr naar ’t zuiden terug zou loopen, liet kapitein Young ’s avonds te acht uur nogmaals een ernstige poging aanwenden om de banden, die ons gevangen hielden, te verbreken. Alle zeilen werden bijgezet en met volle kracht werd gestoomd; even als de vorige keeren vorderden wij eerst ongelooflijk langzaam, maar toen dePandoraeenmaal vaart schoot ging het veel beter.
„Na ruim een uur het ijs letterlijk geramd te hebben en ijsmassa’s van vier voet dikte, die haar den weg versperden, zonder dat zij merkbaar haar vaart vertraagde, te hebben doorgebroken, naderde zij den rand van het ijs. Het ging nu hoe langer hoe beter, daar de sterke deining de geheele massa hier in een golvende beweging bracht, waardoor het ijs zich merkbaar opende en groote schollen, die met kracht tegen elkaar geworpen werden, in kleinere stukken braken.
„Kapitein Young, die de bewegingen van het schip uit het kraaiennest bestuurde, wist snel en beraden de juiste openingen te kiezen. Eindelijk lag nog slechts een groot zwaar ijsveld als laatste hinderpaal voor ons.
„Met een viermijls vaart schoot dePandoraer recht op aan, en met haar volle gewicht er op neerdalend, scheurde zij de schots in tweeën en doorkliefde weldra onder een driewerf „hurrah for Captain Young!” het donkergroene water van de Baffinsbaai. Dit driewerf hoerah voor den bekwamen gezagvoerder, waarmede de bemanning dit feit begroette, was het hartelijkste dat ik mij herinner ooit gehoord te hebben,en geen wonder, want terwijl wij machteloos in het ijs ronddreven, stond het lot derFoxons steeds voor oogen, en voor niemand onzer was het nutteloos doorbrengen van een poolwinter in den gevaarlijken ijsdam een aanlokkelijk denkbeeld.
„Het einde van den ijsdam bestond uit losse, bijna afgeronde ijsbrokken, die door de deining in een hooge golvende beweging werd gebracht. Met ontelbare zwermen vlogen de rotges hier langs den rand van het ijs, blijkbaar omdat zij er gemakkelijk hun voedsel konden vinden. Het werd ons nu duidelijk, dat wij hen hierheen iederen avond hadden zien vliegen; later in den nacht keerden zij dan weêr met voedsel voor hun jongen naar het land terug.
„Na gedurende zulk een geruimen tijd onbewegelijk te hebben gelegen, was het een vreemde gewaarwording, nu op eenmaal door een hooge noordwestelijke deining zoo hevig geslingerd te worden, dat de booten op de davids gesjord en de deuren op de haken gezet moesten worden.
„In den morgen van den 31sten Juli liepen wij zoo dicht als het ijs toeliet, bij mistig weêr, langs kaap York en kaap Dudley Digges, en reeds was dePandoraWolstenholme eiland genaderd, toen een opkomende storm uit het zuidoosten haar noodzaakte onverwijld aan den wind te gaan liggen. De wind bleef de eerste uren steeds toenemend in kracht, zoodat er weldra een werkelijke orkaan woei.
„Daar de ijsbergen en het vele scholijs ons beletten onder de hooge kust bescherming te zoeken, lag dePandorade volgende 24 uren onder haar dichtgereefde stormzeilen bij, terwijl het opgezweepte schuim der zee en de onafgebroken sneeuwjacht het uitzien naar land en ijsbergen allermoeielijkst maakten. Ten einde een botsing met deze gevaarten te voorkomen,moesten wij ieder oogenblik afhouden. De hooge moeielijke zee, die dan dwars inkwam, waschte voortdurend over het dek en sloeg een der beste booten geheel in stukken.