IX.

IX.IX.IN ’T WESTIJS.„Er is niets dat meer opwekkend is dan eene zeewacht aan boord van een handig zeilscheepje te midden van veel ijs,”—zeide Beynen in zijn verslag, en als wij ons den fieren jongen zeeman weer voor oogen willen stellen, dan hebben wij die woorden slechts te herhalen. Zij kenschetsten hem.DeBarentshad bewesten Spitsbergen het ijs den 11den Juni het eerst gezien. „’s Nachts op de hondenwacht ontdekte men eindelijk werkelijk het eerste zilverwit gekleurde drijfijs,” schreef hij, „en spoedig was deWillem Barentser aan alle kanten door omgeven. De officieren waren, om een ruimer blik te hebben, boven in ’t tuig geklommen en beschouwden stilzwijgend het vreemde en grootsche natuurtooneel.„Daar lag dan nu die groote, breede, machtige ijsstroom vóór hen, die jaar in jaar uit onafgebrokenlangs de oostkust van Groenland het ijs uit het Poolbekken wegvoert in onafzienbare velden van éénjarig ijs, die over eene uitgestrektheid van mijlen zóó effen en vlak zijn dat de Nederlandsche walvischvaarders daaraan den naam van veldijs gaven, waaraan zij deden denken.„Die groote velden worden echter niet eerder aangetroffen dan nadat men een eind weegs door schollen en vlaarden is heengedrongen, die ontstaan door den hevigen strijd welken de onstuimige zee met den ijsrand voert, wat de officieren in ’t kraaiennest dan ook spoedig met eigen oogen aanschouwden.„De lucht staat buiig en de telkens invallende sterke windstooten zweepen de met spoed toesnellende golven met ongekende kracht tegen het weerstandbiedende ijs, dat zich al meer en meer tot een dichte massa samenpakt.„De strijd tusschen den machtigen oceaan en het zware ijs is ontzagwekkend grootsch. De wind jaagt de zeeën het ijs te gemoet en met eentonig gelijkmatige snelheid volgt de eene golfslag op den ander en breekt met donderend geweld op de weerstand biedende ijsmassa’s, die hij met schuim overdekt.„Meestal slaagt hij er in die ijsmassa’sneêrte drukken en er zich zegevierend over heen te werpen, maar somtijds spotten de saamgepakte ijsrotsen met zijne vruchtelooze woede en doen hem in een wolk van spattend schuim in zichzelf terug zinken.„De zee schijnt in oproer en strijd verwoed tegen de uit het noorden komende ijsvelden, die zich mijlen en mijlen ver uitstrekken. Het kampveld wordt steeds grooter en grooter, en naarmate de oceaan met machtige hamerslagen het ijs naar het westen terugdrijft laat hij een breeden band van schuim en ijs achter, die weldra over eene groote oppervlakte dezee bedekt. In den aanvang is het voordeel aan de zijde van de met kracht aanrollende zeeën. Zij beuken de schollen en schotsen op en over en tegen elkander, splijten ze in tallooze ijsblokken, die zich tegen elkander afronden, en bestoken onvermoeid den machtigen vijand, in wiens gelederen zij steeds dieper en dieper binnendringen. Maar het ijs trekt zich alleen terug om dichter ineengeschoven de aanvallen van den oceaan te beter te kunnen weerstaan en dekt zich aan de zeezijde door een breeden band van kleine harde ijsbrokken, die de woede der aanschietende zeeën geleidelijk breken en de kracht van den golfslag aanmerkelijk verminderen. Hoe wild de zee ook kookt en klotst, de trage onoverzienbare ijsdam blijft ten laatste overwinnaar en zou zich dan ook zeker verder uitbreiden, ware het niet dat het ijs, onderling krijgvoerend, zijne eigene reusachtige krachten verspilde. Want is de strijd, dien het ijs met de golven voert zwaar, hij heeft niets te beduiden vergeleken met de worsteling van het ijs onderling, als de velden door stormwinden tegen elkaar ingedreven, opgestuwd en verbrijzeld worden …„Zoo ver het oog uit het kraaiennest reikte, zag men nu niets dan met sneeuw bedekt ijs, en verder water en lucht.„Overal heerschte de grootste rust en het kleine schoenertje geleek, in dit koude wintertafereel, op een laatst achtergebleven vogel, die door zijn gezellen verlaten is.„Inderdaad, met de gedachten aan het gejoel en het bedrijvig leven dat te midden van die nu stille, doode ijsmassa heerschte, toen hier jaarlijks honderden schepen onder de geliefde driekleur heenvoeren en tienduizend zeelieden er hun mannelijk bedrijf uitoefenden, moest deWillem Barentshet voorkomenvan eene achtergeblevene hebben; maar de bemanning a/b derWillem Barents, die in de toekomst blikte en dacht hoe ook de oude Barents hier eenmaal eenzaam langs het West-ijs gevaren had en later jaarlijks gevolgd werd door vloten van schepen onder Nederlandsche vlag, zij beschouwde het schoenertje als den vogel, die in de lente het eerst terugkeert, als depionierdie den weg baant voor de geheele vlucht welke volgen zal, en de oude broedplaatsen voor ons volkswelvaren weder zal komen innemen, om er andermaal stoutheid en onverschrokkenheid, wijs beleid en koene voorzichtigheid te vergaderen.„Dit gevoel, dat de geheele bemanning bezielde, spreidde een bekoorlijken gloed over het stemmige wintergezicht en deed met vernieuwden lust en ijver de taak vervolgen, die haar was opgelegd. Wind en zee waren gaan liggen en boden eene prachtige gelegenheid aan om in de onmiddellijke nabijheid van het ijs eene eerste looding op diep water te verrichten. Deze gaf eene diepte van 1210 vaâm aan, terwijl het lood, eene grijze, witachtige klei bovenbracht, die doorDr.Sluyter microscopisch onderzocht, geen sporen van dierlijk leven bleek te bevatten.„Nauwelijks was de waarneming verricht of een zacht zuchtje uit hetZ. W.deed denken aan het vele dat er nog gedaan moest worden, zoodat het niet lang duurde of de zeilen werden weder ontrold en van den snel toenemenden wind gebruik gemaakt om den tocht snel te vervolgen.”Verbood de instructie den kommandant van deBarentsom in het Westijs door te dringen, zoo had hij daarentegen de opdracht om de bewegingen van het ijs in het Noorden van de Barentszee gade te slaan. Tien dagen lang (van 1 tot 10 Augustus)bewoog deBarentszich in het pakijs van die voor Nederland zoo gedenkwaardige zee, en ik geloof te mogen verzekeren dat deze tien dagen de gelukkigste van Beynen’s leven zijn geweest. Hij kon er met zulk een geestdrift van spreken dat ik hem eens, toen hij bij mij logeerde, geen rust liet of hij moest van zijn zeewachten in het ijs iets vertellen, dat ik dan uit zijn mond zou opschrijven. Hij vertelde toen het volgende van een zijner wachten boven in den mast, dat in deGidsvan April 1879 werd opgenomen.

IX.IX.IN ’T WESTIJS.„Er is niets dat meer opwekkend is dan eene zeewacht aan boord van een handig zeilscheepje te midden van veel ijs,”—zeide Beynen in zijn verslag, en als wij ons den fieren jongen zeeman weer voor oogen willen stellen, dan hebben wij die woorden slechts te herhalen. Zij kenschetsten hem.DeBarentshad bewesten Spitsbergen het ijs den 11den Juni het eerst gezien. „’s Nachts op de hondenwacht ontdekte men eindelijk werkelijk het eerste zilverwit gekleurde drijfijs,” schreef hij, „en spoedig was deWillem Barentser aan alle kanten door omgeven. De officieren waren, om een ruimer blik te hebben, boven in ’t tuig geklommen en beschouwden stilzwijgend het vreemde en grootsche natuurtooneel.„Daar lag dan nu die groote, breede, machtige ijsstroom vóór hen, die jaar in jaar uit onafgebrokenlangs de oostkust van Groenland het ijs uit het Poolbekken wegvoert in onafzienbare velden van éénjarig ijs, die over eene uitgestrektheid van mijlen zóó effen en vlak zijn dat de Nederlandsche walvischvaarders daaraan den naam van veldijs gaven, waaraan zij deden denken.„Die groote velden worden echter niet eerder aangetroffen dan nadat men een eind weegs door schollen en vlaarden is heengedrongen, die ontstaan door den hevigen strijd welken de onstuimige zee met den ijsrand voert, wat de officieren in ’t kraaiennest dan ook spoedig met eigen oogen aanschouwden.„De lucht staat buiig en de telkens invallende sterke windstooten zweepen de met spoed toesnellende golven met ongekende kracht tegen het weerstandbiedende ijs, dat zich al meer en meer tot een dichte massa samenpakt.„De strijd tusschen den machtigen oceaan en het zware ijs is ontzagwekkend grootsch. De wind jaagt de zeeën het ijs te gemoet en met eentonig gelijkmatige snelheid volgt de eene golfslag op den ander en breekt met donderend geweld op de weerstand biedende ijsmassa’s, die hij met schuim overdekt.„Meestal slaagt hij er in die ijsmassa’sneêrte drukken en er zich zegevierend over heen te werpen, maar somtijds spotten de saamgepakte ijsrotsen met zijne vruchtelooze woede en doen hem in een wolk van spattend schuim in zichzelf terug zinken.„De zee schijnt in oproer en strijd verwoed tegen de uit het noorden komende ijsvelden, die zich mijlen en mijlen ver uitstrekken. Het kampveld wordt steeds grooter en grooter, en naarmate de oceaan met machtige hamerslagen het ijs naar het westen terugdrijft laat hij een breeden band van schuim en ijs achter, die weldra over eene groote oppervlakte dezee bedekt. In den aanvang is het voordeel aan de zijde van de met kracht aanrollende zeeën. Zij beuken de schollen en schotsen op en over en tegen elkander, splijten ze in tallooze ijsblokken, die zich tegen elkander afronden, en bestoken onvermoeid den machtigen vijand, in wiens gelederen zij steeds dieper en dieper binnendringen. Maar het ijs trekt zich alleen terug om dichter ineengeschoven de aanvallen van den oceaan te beter te kunnen weerstaan en dekt zich aan de zeezijde door een breeden band van kleine harde ijsbrokken, die de woede der aanschietende zeeën geleidelijk breken en de kracht van den golfslag aanmerkelijk verminderen. Hoe wild de zee ook kookt en klotst, de trage onoverzienbare ijsdam blijft ten laatste overwinnaar en zou zich dan ook zeker verder uitbreiden, ware het niet dat het ijs, onderling krijgvoerend, zijne eigene reusachtige krachten verspilde. Want is de strijd, dien het ijs met de golven voert zwaar, hij heeft niets te beduiden vergeleken met de worsteling van het ijs onderling, als de velden door stormwinden tegen elkaar ingedreven, opgestuwd en verbrijzeld worden …„Zoo ver het oog uit het kraaiennest reikte, zag men nu niets dan met sneeuw bedekt ijs, en verder water en lucht.„Overal heerschte de grootste rust en het kleine schoenertje geleek, in dit koude wintertafereel, op een laatst achtergebleven vogel, die door zijn gezellen verlaten is.„Inderdaad, met de gedachten aan het gejoel en het bedrijvig leven dat te midden van die nu stille, doode ijsmassa heerschte, toen hier jaarlijks honderden schepen onder de geliefde driekleur heenvoeren en tienduizend zeelieden er hun mannelijk bedrijf uitoefenden, moest deWillem Barentshet voorkomenvan eene achtergeblevene hebben; maar de bemanning a/b derWillem Barents, die in de toekomst blikte en dacht hoe ook de oude Barents hier eenmaal eenzaam langs het West-ijs gevaren had en later jaarlijks gevolgd werd door vloten van schepen onder Nederlandsche vlag, zij beschouwde het schoenertje als den vogel, die in de lente het eerst terugkeert, als depionierdie den weg baant voor de geheele vlucht welke volgen zal, en de oude broedplaatsen voor ons volkswelvaren weder zal komen innemen, om er andermaal stoutheid en onverschrokkenheid, wijs beleid en koene voorzichtigheid te vergaderen.„Dit gevoel, dat de geheele bemanning bezielde, spreidde een bekoorlijken gloed over het stemmige wintergezicht en deed met vernieuwden lust en ijver de taak vervolgen, die haar was opgelegd. Wind en zee waren gaan liggen en boden eene prachtige gelegenheid aan om in de onmiddellijke nabijheid van het ijs eene eerste looding op diep water te verrichten. Deze gaf eene diepte van 1210 vaâm aan, terwijl het lood, eene grijze, witachtige klei bovenbracht, die doorDr.Sluyter microscopisch onderzocht, geen sporen van dierlijk leven bleek te bevatten.„Nauwelijks was de waarneming verricht of een zacht zuchtje uit hetZ. W.deed denken aan het vele dat er nog gedaan moest worden, zoodat het niet lang duurde of de zeilen werden weder ontrold en van den snel toenemenden wind gebruik gemaakt om den tocht snel te vervolgen.”Verbood de instructie den kommandant van deBarentsom in het Westijs door te dringen, zoo had hij daarentegen de opdracht om de bewegingen van het ijs in het Noorden van de Barentszee gade te slaan. Tien dagen lang (van 1 tot 10 Augustus)bewoog deBarentszich in het pakijs van die voor Nederland zoo gedenkwaardige zee, en ik geloof te mogen verzekeren dat deze tien dagen de gelukkigste van Beynen’s leven zijn geweest. Hij kon er met zulk een geestdrift van spreken dat ik hem eens, toen hij bij mij logeerde, geen rust liet of hij moest van zijn zeewachten in het ijs iets vertellen, dat ik dan uit zijn mond zou opschrijven. Hij vertelde toen het volgende van een zijner wachten boven in den mast, dat in deGidsvan April 1879 werd opgenomen.

IX.IX.IN ’T WESTIJS.

IX.

„Er is niets dat meer opwekkend is dan eene zeewacht aan boord van een handig zeilscheepje te midden van veel ijs,”—zeide Beynen in zijn verslag, en als wij ons den fieren jongen zeeman weer voor oogen willen stellen, dan hebben wij die woorden slechts te herhalen. Zij kenschetsten hem.DeBarentshad bewesten Spitsbergen het ijs den 11den Juni het eerst gezien. „’s Nachts op de hondenwacht ontdekte men eindelijk werkelijk het eerste zilverwit gekleurde drijfijs,” schreef hij, „en spoedig was deWillem Barentser aan alle kanten door omgeven. De officieren waren, om een ruimer blik te hebben, boven in ’t tuig geklommen en beschouwden stilzwijgend het vreemde en grootsche natuurtooneel.„Daar lag dan nu die groote, breede, machtige ijsstroom vóór hen, die jaar in jaar uit onafgebrokenlangs de oostkust van Groenland het ijs uit het Poolbekken wegvoert in onafzienbare velden van éénjarig ijs, die over eene uitgestrektheid van mijlen zóó effen en vlak zijn dat de Nederlandsche walvischvaarders daaraan den naam van veldijs gaven, waaraan zij deden denken.„Die groote velden worden echter niet eerder aangetroffen dan nadat men een eind weegs door schollen en vlaarden is heengedrongen, die ontstaan door den hevigen strijd welken de onstuimige zee met den ijsrand voert, wat de officieren in ’t kraaiennest dan ook spoedig met eigen oogen aanschouwden.„De lucht staat buiig en de telkens invallende sterke windstooten zweepen de met spoed toesnellende golven met ongekende kracht tegen het weerstandbiedende ijs, dat zich al meer en meer tot een dichte massa samenpakt.„De strijd tusschen den machtigen oceaan en het zware ijs is ontzagwekkend grootsch. De wind jaagt de zeeën het ijs te gemoet en met eentonig gelijkmatige snelheid volgt de eene golfslag op den ander en breekt met donderend geweld op de weerstand biedende ijsmassa’s, die hij met schuim overdekt.„Meestal slaagt hij er in die ijsmassa’sneêrte drukken en er zich zegevierend over heen te werpen, maar somtijds spotten de saamgepakte ijsrotsen met zijne vruchtelooze woede en doen hem in een wolk van spattend schuim in zichzelf terug zinken.„De zee schijnt in oproer en strijd verwoed tegen de uit het noorden komende ijsvelden, die zich mijlen en mijlen ver uitstrekken. Het kampveld wordt steeds grooter en grooter, en naarmate de oceaan met machtige hamerslagen het ijs naar het westen terugdrijft laat hij een breeden band van schuim en ijs achter, die weldra over eene groote oppervlakte dezee bedekt. In den aanvang is het voordeel aan de zijde van de met kracht aanrollende zeeën. Zij beuken de schollen en schotsen op en over en tegen elkander, splijten ze in tallooze ijsblokken, die zich tegen elkander afronden, en bestoken onvermoeid den machtigen vijand, in wiens gelederen zij steeds dieper en dieper binnendringen. Maar het ijs trekt zich alleen terug om dichter ineengeschoven de aanvallen van den oceaan te beter te kunnen weerstaan en dekt zich aan de zeezijde door een breeden band van kleine harde ijsbrokken, die de woede der aanschietende zeeën geleidelijk breken en de kracht van den golfslag aanmerkelijk verminderen. Hoe wild de zee ook kookt en klotst, de trage onoverzienbare ijsdam blijft ten laatste overwinnaar en zou zich dan ook zeker verder uitbreiden, ware het niet dat het ijs, onderling krijgvoerend, zijne eigene reusachtige krachten verspilde. Want is de strijd, dien het ijs met de golven voert zwaar, hij heeft niets te beduiden vergeleken met de worsteling van het ijs onderling, als de velden door stormwinden tegen elkaar ingedreven, opgestuwd en verbrijzeld worden …„Zoo ver het oog uit het kraaiennest reikte, zag men nu niets dan met sneeuw bedekt ijs, en verder water en lucht.„Overal heerschte de grootste rust en het kleine schoenertje geleek, in dit koude wintertafereel, op een laatst achtergebleven vogel, die door zijn gezellen verlaten is.„Inderdaad, met de gedachten aan het gejoel en het bedrijvig leven dat te midden van die nu stille, doode ijsmassa heerschte, toen hier jaarlijks honderden schepen onder de geliefde driekleur heenvoeren en tienduizend zeelieden er hun mannelijk bedrijf uitoefenden, moest deWillem Barentshet voorkomenvan eene achtergeblevene hebben; maar de bemanning a/b derWillem Barents, die in de toekomst blikte en dacht hoe ook de oude Barents hier eenmaal eenzaam langs het West-ijs gevaren had en later jaarlijks gevolgd werd door vloten van schepen onder Nederlandsche vlag, zij beschouwde het schoenertje als den vogel, die in de lente het eerst terugkeert, als depionierdie den weg baant voor de geheele vlucht welke volgen zal, en de oude broedplaatsen voor ons volkswelvaren weder zal komen innemen, om er andermaal stoutheid en onverschrokkenheid, wijs beleid en koene voorzichtigheid te vergaderen.„Dit gevoel, dat de geheele bemanning bezielde, spreidde een bekoorlijken gloed over het stemmige wintergezicht en deed met vernieuwden lust en ijver de taak vervolgen, die haar was opgelegd. Wind en zee waren gaan liggen en boden eene prachtige gelegenheid aan om in de onmiddellijke nabijheid van het ijs eene eerste looding op diep water te verrichten. Deze gaf eene diepte van 1210 vaâm aan, terwijl het lood, eene grijze, witachtige klei bovenbracht, die doorDr.Sluyter microscopisch onderzocht, geen sporen van dierlijk leven bleek te bevatten.„Nauwelijks was de waarneming verricht of een zacht zuchtje uit hetZ. W.deed denken aan het vele dat er nog gedaan moest worden, zoodat het niet lang duurde of de zeilen werden weder ontrold en van den snel toenemenden wind gebruik gemaakt om den tocht snel te vervolgen.”Verbood de instructie den kommandant van deBarentsom in het Westijs door te dringen, zoo had hij daarentegen de opdracht om de bewegingen van het ijs in het Noorden van de Barentszee gade te slaan. Tien dagen lang (van 1 tot 10 Augustus)bewoog deBarentszich in het pakijs van die voor Nederland zoo gedenkwaardige zee, en ik geloof te mogen verzekeren dat deze tien dagen de gelukkigste van Beynen’s leven zijn geweest. Hij kon er met zulk een geestdrift van spreken dat ik hem eens, toen hij bij mij logeerde, geen rust liet of hij moest van zijn zeewachten in het ijs iets vertellen, dat ik dan uit zijn mond zou opschrijven. Hij vertelde toen het volgende van een zijner wachten boven in den mast, dat in deGidsvan April 1879 werd opgenomen.

„Er is niets dat meer opwekkend is dan eene zeewacht aan boord van een handig zeilscheepje te midden van veel ijs,”—zeide Beynen in zijn verslag, en als wij ons den fieren jongen zeeman weer voor oogen willen stellen, dan hebben wij die woorden slechts te herhalen. Zij kenschetsten hem.

DeBarentshad bewesten Spitsbergen het ijs den 11den Juni het eerst gezien. „’s Nachts op de hondenwacht ontdekte men eindelijk werkelijk het eerste zilverwit gekleurde drijfijs,” schreef hij, „en spoedig was deWillem Barentser aan alle kanten door omgeven. De officieren waren, om een ruimer blik te hebben, boven in ’t tuig geklommen en beschouwden stilzwijgend het vreemde en grootsche natuurtooneel.

„Daar lag dan nu die groote, breede, machtige ijsstroom vóór hen, die jaar in jaar uit onafgebrokenlangs de oostkust van Groenland het ijs uit het Poolbekken wegvoert in onafzienbare velden van éénjarig ijs, die over eene uitgestrektheid van mijlen zóó effen en vlak zijn dat de Nederlandsche walvischvaarders daaraan den naam van veldijs gaven, waaraan zij deden denken.

„Die groote velden worden echter niet eerder aangetroffen dan nadat men een eind weegs door schollen en vlaarden is heengedrongen, die ontstaan door den hevigen strijd welken de onstuimige zee met den ijsrand voert, wat de officieren in ’t kraaiennest dan ook spoedig met eigen oogen aanschouwden.

„De lucht staat buiig en de telkens invallende sterke windstooten zweepen de met spoed toesnellende golven met ongekende kracht tegen het weerstandbiedende ijs, dat zich al meer en meer tot een dichte massa samenpakt.

„De strijd tusschen den machtigen oceaan en het zware ijs is ontzagwekkend grootsch. De wind jaagt de zeeën het ijs te gemoet en met eentonig gelijkmatige snelheid volgt de eene golfslag op den ander en breekt met donderend geweld op de weerstand biedende ijsmassa’s, die hij met schuim overdekt.

„Meestal slaagt hij er in die ijsmassa’sneêrte drukken en er zich zegevierend over heen te werpen, maar somtijds spotten de saamgepakte ijsrotsen met zijne vruchtelooze woede en doen hem in een wolk van spattend schuim in zichzelf terug zinken.

„De zee schijnt in oproer en strijd verwoed tegen de uit het noorden komende ijsvelden, die zich mijlen en mijlen ver uitstrekken. Het kampveld wordt steeds grooter en grooter, en naarmate de oceaan met machtige hamerslagen het ijs naar het westen terugdrijft laat hij een breeden band van schuim en ijs achter, die weldra over eene groote oppervlakte dezee bedekt. In den aanvang is het voordeel aan de zijde van de met kracht aanrollende zeeën. Zij beuken de schollen en schotsen op en over en tegen elkander, splijten ze in tallooze ijsblokken, die zich tegen elkander afronden, en bestoken onvermoeid den machtigen vijand, in wiens gelederen zij steeds dieper en dieper binnendringen. Maar het ijs trekt zich alleen terug om dichter ineengeschoven de aanvallen van den oceaan te beter te kunnen weerstaan en dekt zich aan de zeezijde door een breeden band van kleine harde ijsbrokken, die de woede der aanschietende zeeën geleidelijk breken en de kracht van den golfslag aanmerkelijk verminderen. Hoe wild de zee ook kookt en klotst, de trage onoverzienbare ijsdam blijft ten laatste overwinnaar en zou zich dan ook zeker verder uitbreiden, ware het niet dat het ijs, onderling krijgvoerend, zijne eigene reusachtige krachten verspilde. Want is de strijd, dien het ijs met de golven voert zwaar, hij heeft niets te beduiden vergeleken met de worsteling van het ijs onderling, als de velden door stormwinden tegen elkaar ingedreven, opgestuwd en verbrijzeld worden …

„Zoo ver het oog uit het kraaiennest reikte, zag men nu niets dan met sneeuw bedekt ijs, en verder water en lucht.

„Overal heerschte de grootste rust en het kleine schoenertje geleek, in dit koude wintertafereel, op een laatst achtergebleven vogel, die door zijn gezellen verlaten is.

„Inderdaad, met de gedachten aan het gejoel en het bedrijvig leven dat te midden van die nu stille, doode ijsmassa heerschte, toen hier jaarlijks honderden schepen onder de geliefde driekleur heenvoeren en tienduizend zeelieden er hun mannelijk bedrijf uitoefenden, moest deWillem Barentshet voorkomenvan eene achtergeblevene hebben; maar de bemanning a/b derWillem Barents, die in de toekomst blikte en dacht hoe ook de oude Barents hier eenmaal eenzaam langs het West-ijs gevaren had en later jaarlijks gevolgd werd door vloten van schepen onder Nederlandsche vlag, zij beschouwde het schoenertje als den vogel, die in de lente het eerst terugkeert, als depionierdie den weg baant voor de geheele vlucht welke volgen zal, en de oude broedplaatsen voor ons volkswelvaren weder zal komen innemen, om er andermaal stoutheid en onverschrokkenheid, wijs beleid en koene voorzichtigheid te vergaderen.

„Dit gevoel, dat de geheele bemanning bezielde, spreidde een bekoorlijken gloed over het stemmige wintergezicht en deed met vernieuwden lust en ijver de taak vervolgen, die haar was opgelegd. Wind en zee waren gaan liggen en boden eene prachtige gelegenheid aan om in de onmiddellijke nabijheid van het ijs eene eerste looding op diep water te verrichten. Deze gaf eene diepte van 1210 vaâm aan, terwijl het lood, eene grijze, witachtige klei bovenbracht, die doorDr.Sluyter microscopisch onderzocht, geen sporen van dierlijk leven bleek te bevatten.

„Nauwelijks was de waarneming verricht of een zacht zuchtje uit hetZ. W.deed denken aan het vele dat er nog gedaan moest worden, zoodat het niet lang duurde of de zeilen werden weder ontrold en van den snel toenemenden wind gebruik gemaakt om den tocht snel te vervolgen.”

Verbood de instructie den kommandant van deBarentsom in het Westijs door te dringen, zoo had hij daarentegen de opdracht om de bewegingen van het ijs in het Noorden van de Barentszee gade te slaan. Tien dagen lang (van 1 tot 10 Augustus)bewoog deBarentszich in het pakijs van die voor Nederland zoo gedenkwaardige zee, en ik geloof te mogen verzekeren dat deze tien dagen de gelukkigste van Beynen’s leven zijn geweest. Hij kon er met zulk een geestdrift van spreken dat ik hem eens, toen hij bij mij logeerde, geen rust liet of hij moest van zijn zeewachten in het ijs iets vertellen, dat ik dan uit zijn mond zou opschrijven. Hij vertelde toen het volgende van een zijner wachten boven in den mast, dat in deGidsvan April 1879 werd opgenomen.


Back to IndexNext