X.X.IN ’T KRAAIENNEST.„Mijnheer! ’t is kwart voor twaalven!”Die woorden, enkele keeren herhaald, doen den officier, die de hondenwacht krijgt, ontwaken. Hij opent de oogen, en, zich plotseling omkeerend, kijkt hij den matroos die hem wekte aan en zegt:„Veel ijs?”„Ja mijnheer, heel veel.”„Mistig of helder?”„Op ’t oogenblik helder, mijnheer.”„Zwaarder ijs dan om acht uur?”„De schollen worden grooter, mijnheer.”„Dank je,” en met een door langdurige ervaring geleerd wipje staat de officier, die de wacht zal krijgen, naast zijn kooi, en zoekt op een vrij rommelig dek zijn zeelaarzen op, die met zijn muts en pijjakker het tenue in weinige oogenblikken voltooien.1Terwijl hij nu den barometer, die dicht bij zijn kooi hangt, gaat aflezen, luistert hij onderwijl met aandacht naar hetgeen er op dek voorvalt, nieuwsgierig te weten hoe hij, aan dek gekomen, den toestand vinden zal. Als doffe, van zeer ver komende klanken, bereiken hem de kommando’s waarmede de officier der wacht het schip uit het kraaiennest bestuurt, en hij tracht uit de elkaar snel volgende bevelen op te maken wat er op ’t dek plaats grijpt.„Loeven, loeven! Bakboord aan boord het roer! Voorschoten afvieren,” klinkt het van boven, en aan het wilde rukken en slaan van den stagzeilschoot begrijpt de officier omlaag dat het schip hoog aan den wind schiet, waarschijnlijk om nog juist even vrij te loopen van een ijstong, die gerond moet worden.„Schoten weêr aankorten. Op je roer!” en een oogenblik later klinkt luider en scherper: „Achterschoot afvieren, piek neêr.”Haastige, driftige stappen op het achterdek volgen, men hoort halen en trekken, en dan volgt op eens eene algemeene stilte.In afwachting van den stoot tegen het ijs, welke hij denkt dat volgen zal, grijpt de officier, die juist de kajuitstrap op wilde gaan, nog haastig eenige glazen van tafel, doch zijn kameraad daar boven hanteerde het schip daartoe te goed; er volgt niet de minste stoot en alleen een kraken en krassen van het ijs aan bakboord tegen het dubbelhuid verkondigt den officier omlaag dat het kritieke punt voorbij en de ijstong, zonder er tegen op te loopen, gerond is.„Bij den wind weêr,” klinkt het nu vroolijk uit het kraaiennest, en een oogenblik daarna: „Klaar om te wenden,” enz., enz.De aflosser is op het dek gekomen, en vóór hij bovenin de ton de wacht gaat overnemen, kijkt hij met aandacht en belangstelling rond.De vlag waait, want deWillem Barentsis in het ijs! en dan moet de oude driekleur altijd wapperen. De vlag brengt geluk aan, zeide men aan boord. De wind is bewesten het noorden.Alle bijdewindzeilen staan bij, behalve de gaf-topzeilen. In alle richtingen (zoover men tenminste van het lage scheepsdek kan oordeelen) is de zee met stroomen zwaar drijfijs bedekt.De bovenlucht is klaar en helder, maar boven de kim verheft zich een dikke wolkenlaag, die de zoo welkome middernachtszon vernedert tot een fletse, vlokkige lichtschijf, wier randen doezelig en schier niet te onderkennen zijn.Het schip koerst om de West, en men behoeft niet naar de zon of het kompas te kijken om zich omtrent het noorden en zuiden te oriënteeren, want de helle ijsglans aan stuurboord en de waterlucht aan bakboord duiden in voldoende mate die windstreken aan.Met den langen kijker achter op den rug gehangen, gaat het nu vlug het loefwant in en weldra geven de twee officieren in de vrij beperkte ruimte boven in het kraaiennest elkaar de wacht over.De één, die naar de kooi gaat, is bijzonder opgewekt en vroolijk—de ander heeft nog niet wat hij noemt „stoom op”.De één, die telkens nog een kommando naar omlaag praait, is zeer bespraakt—de ander vergenoegt zich met een zwijgende rol.„Veel ijs, als je ziet. Een mooie wacht gehad. ’t Scheepje is erg handig onder dit tuig. Toch scheelde het bitter weinig of ik had het op het ijs gezet. Heb je het omlaag gehoord? Zeker wel; nu ’t ging met een aanloopje, ik had er bepaald schik in.”„Wat is je koers?”„Noordwest, maar west ten noorden is het hoogste wat ik leggen kon. ’t Waait een flinke bries, doch de lucht blijft goed staan.” Daarna volgen eenige opgewekte verhalen van eene wending die bijna mislukte juist op den rand van een zwaren ijsstroom en van „het doorslippen” tusschen twee verbazend groote schollen, welke verhalen door den wachtkrijger stilzwijgend worden aangehoord, waarop de officier, die naar kooi gaat, op eens zijn hoofd buiten het kraaiennest steekt en naar omlaag praait: „acht glazen”, om daarna tot den zwijgenden kameraad te zeggen: „Nou, je hebt hem. Aangename wacht!”„Dank je! wel te rusten!” en de ton bevat nog slechts één persoon.Blijkbaar heeft de officier der wacht eenigen tijd noodig om het boven in het kraaiennest, waar het flink vriest, naar den zin te krijgen; de eerste oogenblikken worden de kommando’s dan ook schier instinctmatig gegeven, maar de noodzakelijkheid om met alle aandacht de bewegingen van schip en ijs te volgen, brengt hem spoedig volkomen tot de werkelijkheid terug; ze drijft hem den slaap uit de oogen, en na weinige oogenblikken heeft hij zich met geheel zijn hart weer aan het manoeuvreeren met het scheepje gewijd.De lange kijker wordt uitgehaald en met aandacht het te betreden kampveld in oogenschouw genomen, waarvan hij door niets gestoord of afgetrokken wordt. Het wachtvolk omlaag rookt, nieuwsgierig over de verschansing kijkend, het eerste pijpje, en de doodsche stilte alom wordt slechts afgebroken door het schelle geschreeuw van een „lestris parasitica”, die, op buit belust, nu en dan boven de ton heenzweeft.Nadat het terrein goed is opgenomen, begint eerst recht de eigenlijke ijsvaart.In de eerste plaats komt het er nu op aan om met den langen kijker de ligging der ijsmassa’s en de bewegingen daarvan aandachtig op te nemen, om dadelijk daarna het punt aan den verren horizon te kunnen vaststellen, dat men na twee of drie uren varens bereiken wil.Is dit punt eenmaal gekozen, dan begint men reeds dadelijk te beproeven het schip zoodanig door de steeds van plaats en vorm veranderende ijsmassa’s te werken, dat men, zonder in een der wakken of lanen vast te loopen, op het einde der wacht het schip gebracht heeft op de vastgestelde plaats.Men moet nu snel beoordeelen welke openingen men al dan niet met het schip durft ingaan, en in welke ijslanen men de minste kans heeft opgesloten te worden.Het geheel vrijsturen van de ijsstroomen en schotsen op de plaats zelve waar men zeilt, wordt bijzaak, want de officier die er zich op toelegt om keurig netjes tusschen de omliggende schotsen heen te sturen, verliest licht de bewegingen van het ijs in de verte uit het oog en loopt steeds gevaar zich in het ijs vast te werken.Voor een zeilscheepje is het van het grootste belang zooveel mogelijk loef te houden, en hoewel het natuurlijk weinig kunst is om nimmer tegen het ijs aan te loopen, zoolang men maar voortdurend af wil houden, moet de officier der wacht er steeds naar streven, om zoo weinig mogelijk van het behaalde voordeel weder prijs te geven, en in de richting te blijven. Steeds tracht hij dien doortocht te bereiken, al is hij nog zoo klein, waardoor hij het minste in loef verliest.Het is met de ijsvaart als met de menschen; begint men eenmaal eene te overkomen moeielijkheid den rug in plaats van de borst toe te keer en, dan is de strijd tusschen gaan of blijven, tusschen wijken of kampen reeds half beslist.In de ijsvaart heeft de moedige veel vóór, omdat hij geduld weet te oefenen en met kalmte het dreigendste gevaar in de oogen weet te zien, om daarna onmiddellijk te beproeven er zoo veel mogelijk zijn voordeel mede te doen.Toch hebben juist die aanhoudende gevaren een eigenaardigen prikkel voor den zeeman; hij is met hart en ziel bij het werk, en zoo is dan ook te verklaren dat de officier in ’t kraaiennest derWillem Barentsniet eens bemerkt heeft, dat er iemand bezig is in het want naar boven te klimmen.Op eens komt het hem echter vóór, alsof de streng schudde, en even uit de ton omlaag blikkend, wordt hij zijn wachtgenoot Grant gewaar, die, met een koffieketeltje om den hals gebonden, zijn best doet naar boven te enteren.Grant is geen zeeman en blijkbaar heeft hij dan ook al zijne krachten noodig om zich in het vrij slappe want vast te houden, en als hij slechts langzaam vordert, springt een der matrozen hem achterna, bereikt hem in enkele seconden en biedt hem aan, het voor den officier der wacht bestemde keteltje warme koffie naar boven te brengen.„No! no! Certainly not,” geeft Grant hem ten antwoord en ofschoon hij zich nog hechter vastklemt, omdat zijn gedienstige vriend het want nog meer doet schudden, dan toen hij er maar alléén in stond, wil hij van geen hulp weten, en stijgt langzaam maar zeker al hooger en hooger, tot hij eindelijk de ton heeft bereikt en den wachthebbenden officier de koffie overreikt, welke met zooveel moeite omhoog is gebracht.„’t Is heel vriendelijk van je, Grant! dank je wel zeer! wacht, laat ik je eens helpen,” en gedeeltelijk uit de ton klimmend, maakt de officier der wachttijdelijk ruimte voor zijn vriend, die een oogenblik later, nog naar zijn adem hijgend van het klauteren, veilig en wel naast hem staat.Het vaarwater is nu vrij ruim, waarvan onmiddellijk gebruik moet gemaakt worden om de koffie te drinken terwijl ze nog heet is, en zonder dat er een woord bij wordt gesproken, ontdooit de officier de beide handen aan het warme keteltje en haalt Grant uit zijne zakken een kopje en een lepeltje voor den dag, waarbij hij nog spoedig een met suiker gevuld blikken busje voegt. Om beurten wordt het kopje geledigd, en terwijl beiden zich dus warmen, hebben wij gelegenheid met Mr. Grant nader kennis te maken.W. J. A. Grant is een jong vermogend Engelsch grondbezitter, wiens familie sedert jaren in Devonshire nabij Exeter woont.Hij is acht-en-twintig jaar oud, heeft te Oxford gestudeerd en had reeds het grootste gedeelte van Europa bereisd toen hij in 1876 als amateur-photograaf de pool-expeditie met dePandoraonder Sir Allen Young naar Smith Sound mede maakte.In Engeland teruggekeerd maakten zijne uitstekend geslaagde photographieën van een tot dien tijd nagenoeg geheel onbekend deel van onzen aardbol alom grooten opgang, enthe Society of the Photographic Expositionte Londen vereerde den veelbelovenden artist haren bronzen eerepenning. Van alle kanten aangemoedigd op den roemvol ingeslagen weg te volharden, zag Mr. Grant naar eene gelegenheid uit, nogmaals een pool-expeditie mede te maken, en toen nu deWillem Barentsin Holland werd uitgerust, bood hij geheel belangeloos het Nederlandsche Comité aan op eigen kosten de reis mede te maken, welk welwillend aanbod natuurlijk met groote ingenomenheid werd aangenomen, waarop hij in Mei1878 naar Amsterdam kwam, tegelijk met al zijne photographische toestellen en benoodigdheden, die eene gezamenlijke waarde van ± 700 gulden vertegenwoordigden. Zonder het een oogenblik te betreuren afstand gedaan te hebben van het gemakkelijk en aangenaam leven op zijne goederen in Devonshire, maakte Mr. Grant zich aan boord derWillem Barentsspoedig geheel thuis en was weldra aan boord, zoowel vóór als achter den mast, gezien en geëerd.Hij had de slechtste slaapplaats, vlak bij de altijd rookende kombuis, moest iederen nacht van 12 tot 4 aan dek de wacht meê maken, verstond zelden een woord van wat er rondom hem gesproken werd en was nochtans een der vroolijkste, gezelligsteshipmates.Trouwens al deze onaangenaamheden hadden niets te beduiden, als men ze vergeleek bij de dagen dat hij als photograaf moest optreden, en als snel opkomende buien of dichte sneeuwjachten hem teleurstelling op teleurstelling berokkenden.Photographeeren in de IJszee is dan ook inderdaad het wanhopendste werk, dat men zich kan voorstellen.Zelden is er zon en bijna voortdurend mist, en is men eindelijk met veel moeite met den toestel op een ijsschots afgezet, dan blijkt het eerst recht, hoe bewegelijk de geheele ijsmassa in werkelijkheid is.Vaak valt een sneeuwbui juist in als de „plate” gereed is, of blijken de lenzen nat en vochtig te zijn precies op ’t oogenblik, dat na lang wachten de zon voor slechts enkele minuten doorkomt. Daarbij scherpe, koude winden, onzekere gemeenschap met het schip, gevaar voor ijsberen of plotseling opkomenden mist, enz., enz.; maar Grant liet zich door niets afschrikken en was dag en nacht in de weer, zoodraer maar de minste kans bestond, eenige photographieën te kunnen nemen.Lag deWillem Barentsergens onder den wal ten anker, dan was hij dadelijk aan land en ieder aan boord bewonderde hem oprecht, als hij, steeds ongewapend, overladen met pakjes en toestellen (die te zamen 18 kilo wogen), dag in dag uit, geheel alléén, de steilste punten beklom of tegen de gevaarlijkste hellingen opklauterde, „to choose his picture,” zooals hij dat uitdrukte.Meermalen na vier uren onafgebroken klimmen, bleek al die moeite voor niets geweest te zijn, namelijk als tot zijn diepe teleurstelling een dikke mist kwam opzetten voor hij geheel klaar was om de schoone photographie te nemen.„’s Nachts was hij dan doorgaans werkzaam in zijn „donkere kamer,” en als men bedenkt dat iedere „dry-plate-exposure” hem vijf kwartier aan één stuk bezighield, zal men kunnen begrijpen, dat hij gewoonlijk met het aanbreken van den dag ternauwernood klaar was gekomen met zijn werk van den vorigen dag; maar nauwelijks was er weder een zonnetje zichtbaar, of men zag hem belast en beladen met stille trom van boord slippen, om, niettegenstaande koude, mist, regen en wind, met hetzelfdefeu sacréen met onverklaarbare taaiheid, nieuwe teleurstelling te gemoet te gaan.Grant is in elk opzicht een artist; hij leeft voor zijn kunst, waarin hij om zoo te zeggen geheel opgaat, en volop geniet hij, wanneer hij de schoonheden van moeder natuur mag bewonderen.Zoo blikt hij ook nu in stilzwijgende opgetogenheid uit het kraaiennest voor zich uit naar de onafzienbare ijsmassa’s, die in alle richtingen het scheepje omringen, en zijn ziel met een gevoel van ernst en eerbied vervullen.Men voelt zich zoo klein in die schier grenzenlooze woestenij van glinsterende ijsmassa’s, waartusschen zich het ranke schoenertje schijnbaar zoo rustig voortbeweegt, terwijl de officier der wacht met ingespannen aandacht de kronkelende wakken en lanen uitkiest waarlangs hij zijn koers het beste kan vervolgen.Den in de ijsvaart oningewijden zou de geheele omgeving een ondoorgrondelijk doolhof toeschijnen, waar hij zich noode in waagde, maar voor hem, die zich langzamerhand aan die toestanden gewend heeft, ziet alles er geheel anders uit, en hij beaamt het volkomen wat Mr. Grant zich half fluisterend ontvallen laat, dat de ijsvaart toch een goede leerschool voor zeevolk is.„Ja zeker, Grant!” klinkt het antwoord van zijn vriend, „ja zeker is de ijsvaart nuttig tot vorming van flink en doortastend zeevolk; daar kunnen ten minste onze Hollandsche geschiedboeken ruimschoots van gewagen.”De zee hier, als zij spreken kon, zoude dit met menig schitterend verhaal kunnen staven, en wij hebben de oude reisverhalen onzer Groenlandvaarders maar open te slaan, om er op iedere bladzijde uit te leeren, hoe die voortdurende worsteling op leven en dood met de natuur de edelste eigenschappen van ons zeevolk ontwikkelde en het louterde tot brave, rechtschapen, godvreezende harten, die goed en bloed veil hadden voor de rechten en belangen van het geliefde vaderland.Het zoogenaamde West-ijs is dan ook het kampveld geweest, waar onze voorvaderen te midden van sneeuw, storm en nevels, van ijspersing en ijsgang, die uitstekende eigenschappen aankweekten, die hen tot den huidigen dag zoo wereldberoemd hebben gemaakt.Wanneer men bedenkt dat er jaarlijks meer dan 200 Groenlandvaarders onze havens verlieten met een bemanning van 40–60 koppen, dan blijkt daaruit hoe er jaarlijks gemiddeld een 10.000 matrozen alléén aan die vaart deelnamen, waardoor het begrijpelijk wordt dat men de talrijke vloten van De Ruyter en Tromp steeds met flink zeevolk bemand in zee kon sturen, hoe groot de verliezen van de vorige jaren ook geweest waren.Het is wáár, jaarlijks ontvielen der vloot enkele schepen, die door het ijs vernield werden, maar de overige wisten door de voordeelige visscherij schatten van onder het ijs te halen en oefenden onverschrokken een bedrijf uit, dat naar omstandigheden meer of minder inspanning en ervaring, maar in alle gevallen de grootste koelbloedigheid en kalmte eischte.Door de ijsvaart werd het zeevolk gehard, kordaat, geoefend. Men repareerde schip en tuig te midden van hagel en sneeuwjacht en leerde een schip thuis brengen, al was het in zinkenden toestand. En dat dit met de grootste moeite gepaard ging, wanneer het schip, laat in het jaar geheel lek uit het ijs geraakt, slechts door aanhoudend pompen kon boven water worden gehouden, lezen wij in menig reisverhaal.De bemanning was dan vermoeid, de victualie nagenoeg verbruikt en het eenige middel om schip en lijf te redden bestond in het stout voor wind en zee blijven weglenzen tot aan de Hollandsche kust toe. Tegen harde noorden- en noord-oosten-winden naar Noorwegen op te werken, kon en wilde de gezagvoerder nooit doen.Het journaal van commandeur Freeke Pieters, die in 1769 met het schipde Vrouw Marianaar Groenland stevende, en eerst na aan tal van gevaren te zijn ontkomen, den 16den November op de breedte van JanMayen-eiland uit het ijs kwam, verhaalt zulk een ernstig ongeval met een ongekunstelden eenvoud, die ons inderdaad treft.„18 Nov. Kregen veel water in het schip, ik moest aan het volk veel goede woorden geven, om haar aan ’t pompen te krijgen, dewijl zij zeer zwak en hongerig waren en sommigen hun vingers bevroren.„28 Nov. Vliegende storm uit ’t N. N. W., donker weêr. Des morgens en wederom des avonds kwam het volk bij mij en zeide dat ik land moest zoeken of haar meer te eten geven.„Tot het eerste kon ik niet resolveeren en het laatste had ik niet en zeide daarom:„Wij zijn God zij dank uit bezetting in ruime zee; wij hebben nog voor 5 dagen victualie, gij hebt u zoo lang beholpen, hebt toch geduld”; maar zij antwoordden: „Wij kunnen alles in twee dagen wel opeten. Wilt gij noch tot het een, noch tot het ander resolveeren, zoo gaan wij met alle man ter kooi.”„Geeft gij niet om uw leven?” zeide ik, „zoo maakt mij dan alle zeilen maar vast, en wij zullen ’t dan op Gods genade laten drijven.”„Woensdag 29 Nov. Het volk kwam bij den kok en dwong hem hun 4 lokjes gort en 4 lokjes erwten meer te koken.„Zaterdag 25 December werd het weêr wat beter, wij namen één rif uit ieder marszeil; het volk kwam met alle man bij mij en zeide: „Nu is al het eten op, zullen wij nu van honger sterven?”„Ik zeide: „Gij hebt dezen morgen al gegeten; wij hebben nog erwten voor vandaag en morgen, wie zorgt voor den derden dag? Wij zullen binnenkort wel een of ander schip ontmoeten. Houdt moed en geduld.”„Zij vertrokken van mij zeer ontevreden, het weêr werd wat beter. Wij zagen voormiddags een hoeker,hijschten onzen vlag tot een sjouw, klaagden onzen nood en verzochten hem om wat victualie! Het water stond zeer hol, onze sloep ging toch van boord en wij kregen 4 vaten hard brood, 1 zak gort, 1 ton zoutevisch, ½ vat bier.„Ik liet terstond het volk een glas bier en een stuk hard brood ronddeelen. Het was aandoenlijk te zien met welken smaak en vergenoeging zij dat gebruikten. Zetten alle zeilen bij en zagen den volgenden morgen de Vaderlandsche kust.”Wat leerde het zeevolk hunne eigen krachten kennen en er op vertrouwen!Wat oefende men zich onophoudelijk in het overwinnen van schier onoverkomelijke gevaren!Wat verwierf men zich een schat van het voor den zeeman zoo onmisbaar zelfvertrouwen!Was het wonder, dat de ijszeetochten in die dagen populair waren, zoo zelfs dat de traditiën daarvan nog heden ten dage in onze kustplaatsen voortleven.Het binnenvallen der Groenlandsche vloot was een nationale feestdag; men had die vaart lief; met belangstelling volgde men hen die er aan deel namen; en in tal van zeemansliederen werd diemoeielijkemaar opwekkende vischvangst bezongen.Al pratende en vertellende is de wacht aangenaam opgeschoten en Grant zoude zeker nog meer vernomen hebben, als de officier der wacht niet eensklaps stil had gehouden en onaangenaam verrast om zich heen had getuurd.De geheele omgeving schijnt onduidelijker en doffer te worden; de zon verdwijnt geheel en al, en met teleurstelling ziet de officier van de wacht dat de reden daarvan te zoeken is in een mistbank, die, als een lichtgrijze massa komende opzetten, hem weldra alle uitzicht beneemt.Eerst verdwijnt het ijs langs den horizon, daarna de verst verwijderde stroomen en lanen in het ijs, dan zelfs de schotsen in de onmiddellijke omgeving en eindelijk ziet men nog slechts een grauwe dampige kom water, vlak rond het scheepje, Mr. Grant heeft zich al reeds omlaag begeven.Er moet snel zeil en vaart geminderd, dubbel scherp uitgekeken en met alle aandacht naar branding geluisterd worden, in welke omstandigheid de officier van de wacht zich wel eens betrapt dat hij boven in de ton van de kille natte kou staat te klappertanden.Gelukkig is het drie uur geworden, wanneer hij bijdraaien en looden moet, en met genoegen maakt hij van die gelegenheid gebruik om de ton te verlaten en op het dek die werkzaamheden te gaan leiden.De 150 vaam moeten met de hand ingehaald worden en het kille nat, dat met de lijn boven komt, loopt langs de verkleumde vingers in de hemdsmouwen tot op het lichaam, zoodat een ieder blij is als het lood met den daaraan bevestigden thermometer weder binnen boord is en men (op zijn schippers) de armen tegen het lijf heeft warm geslagen.Gelukkig trok de mist weder even snel op, als hij onverwachts verscheen. De zeilen worden geheschen, de weg vervolgd, en als ’s morgens te vier uur de wachtdoener in het kraaiennest door zijn opvolger wordt afgelost, is de officier die naar kooi gaat weder even bespraakt en vroolijk, als de wachtkrijger dof en stilzwijgend is.”1In het ijs of in het kustwater ontkleeden de wachtdoende officieren bij het naar kooi gaan zich nimmer.↑
X.X.IN ’T KRAAIENNEST.„Mijnheer! ’t is kwart voor twaalven!”Die woorden, enkele keeren herhaald, doen den officier, die de hondenwacht krijgt, ontwaken. Hij opent de oogen, en, zich plotseling omkeerend, kijkt hij den matroos die hem wekte aan en zegt:„Veel ijs?”„Ja mijnheer, heel veel.”„Mistig of helder?”„Op ’t oogenblik helder, mijnheer.”„Zwaarder ijs dan om acht uur?”„De schollen worden grooter, mijnheer.”„Dank je,” en met een door langdurige ervaring geleerd wipje staat de officier, die de wacht zal krijgen, naast zijn kooi, en zoekt op een vrij rommelig dek zijn zeelaarzen op, die met zijn muts en pijjakker het tenue in weinige oogenblikken voltooien.1Terwijl hij nu den barometer, die dicht bij zijn kooi hangt, gaat aflezen, luistert hij onderwijl met aandacht naar hetgeen er op dek voorvalt, nieuwsgierig te weten hoe hij, aan dek gekomen, den toestand vinden zal. Als doffe, van zeer ver komende klanken, bereiken hem de kommando’s waarmede de officier der wacht het schip uit het kraaiennest bestuurt, en hij tracht uit de elkaar snel volgende bevelen op te maken wat er op ’t dek plaats grijpt.„Loeven, loeven! Bakboord aan boord het roer! Voorschoten afvieren,” klinkt het van boven, en aan het wilde rukken en slaan van den stagzeilschoot begrijpt de officier omlaag dat het schip hoog aan den wind schiet, waarschijnlijk om nog juist even vrij te loopen van een ijstong, die gerond moet worden.„Schoten weêr aankorten. Op je roer!” en een oogenblik later klinkt luider en scherper: „Achterschoot afvieren, piek neêr.”Haastige, driftige stappen op het achterdek volgen, men hoort halen en trekken, en dan volgt op eens eene algemeene stilte.In afwachting van den stoot tegen het ijs, welke hij denkt dat volgen zal, grijpt de officier, die juist de kajuitstrap op wilde gaan, nog haastig eenige glazen van tafel, doch zijn kameraad daar boven hanteerde het schip daartoe te goed; er volgt niet de minste stoot en alleen een kraken en krassen van het ijs aan bakboord tegen het dubbelhuid verkondigt den officier omlaag dat het kritieke punt voorbij en de ijstong, zonder er tegen op te loopen, gerond is.„Bij den wind weêr,” klinkt het nu vroolijk uit het kraaiennest, en een oogenblik daarna: „Klaar om te wenden,” enz., enz.De aflosser is op het dek gekomen, en vóór hij bovenin de ton de wacht gaat overnemen, kijkt hij met aandacht en belangstelling rond.De vlag waait, want deWillem Barentsis in het ijs! en dan moet de oude driekleur altijd wapperen. De vlag brengt geluk aan, zeide men aan boord. De wind is bewesten het noorden.Alle bijdewindzeilen staan bij, behalve de gaf-topzeilen. In alle richtingen (zoover men tenminste van het lage scheepsdek kan oordeelen) is de zee met stroomen zwaar drijfijs bedekt.De bovenlucht is klaar en helder, maar boven de kim verheft zich een dikke wolkenlaag, die de zoo welkome middernachtszon vernedert tot een fletse, vlokkige lichtschijf, wier randen doezelig en schier niet te onderkennen zijn.Het schip koerst om de West, en men behoeft niet naar de zon of het kompas te kijken om zich omtrent het noorden en zuiden te oriënteeren, want de helle ijsglans aan stuurboord en de waterlucht aan bakboord duiden in voldoende mate die windstreken aan.Met den langen kijker achter op den rug gehangen, gaat het nu vlug het loefwant in en weldra geven de twee officieren in de vrij beperkte ruimte boven in het kraaiennest elkaar de wacht over.De één, die naar de kooi gaat, is bijzonder opgewekt en vroolijk—de ander heeft nog niet wat hij noemt „stoom op”.De één, die telkens nog een kommando naar omlaag praait, is zeer bespraakt—de ander vergenoegt zich met een zwijgende rol.„Veel ijs, als je ziet. Een mooie wacht gehad. ’t Scheepje is erg handig onder dit tuig. Toch scheelde het bitter weinig of ik had het op het ijs gezet. Heb je het omlaag gehoord? Zeker wel; nu ’t ging met een aanloopje, ik had er bepaald schik in.”„Wat is je koers?”„Noordwest, maar west ten noorden is het hoogste wat ik leggen kon. ’t Waait een flinke bries, doch de lucht blijft goed staan.” Daarna volgen eenige opgewekte verhalen van eene wending die bijna mislukte juist op den rand van een zwaren ijsstroom en van „het doorslippen” tusschen twee verbazend groote schollen, welke verhalen door den wachtkrijger stilzwijgend worden aangehoord, waarop de officier, die naar kooi gaat, op eens zijn hoofd buiten het kraaiennest steekt en naar omlaag praait: „acht glazen”, om daarna tot den zwijgenden kameraad te zeggen: „Nou, je hebt hem. Aangename wacht!”„Dank je! wel te rusten!” en de ton bevat nog slechts één persoon.Blijkbaar heeft de officier der wacht eenigen tijd noodig om het boven in het kraaiennest, waar het flink vriest, naar den zin te krijgen; de eerste oogenblikken worden de kommando’s dan ook schier instinctmatig gegeven, maar de noodzakelijkheid om met alle aandacht de bewegingen van schip en ijs te volgen, brengt hem spoedig volkomen tot de werkelijkheid terug; ze drijft hem den slaap uit de oogen, en na weinige oogenblikken heeft hij zich met geheel zijn hart weer aan het manoeuvreeren met het scheepje gewijd.De lange kijker wordt uitgehaald en met aandacht het te betreden kampveld in oogenschouw genomen, waarvan hij door niets gestoord of afgetrokken wordt. Het wachtvolk omlaag rookt, nieuwsgierig over de verschansing kijkend, het eerste pijpje, en de doodsche stilte alom wordt slechts afgebroken door het schelle geschreeuw van een „lestris parasitica”, die, op buit belust, nu en dan boven de ton heenzweeft.Nadat het terrein goed is opgenomen, begint eerst recht de eigenlijke ijsvaart.In de eerste plaats komt het er nu op aan om met den langen kijker de ligging der ijsmassa’s en de bewegingen daarvan aandachtig op te nemen, om dadelijk daarna het punt aan den verren horizon te kunnen vaststellen, dat men na twee of drie uren varens bereiken wil.Is dit punt eenmaal gekozen, dan begint men reeds dadelijk te beproeven het schip zoodanig door de steeds van plaats en vorm veranderende ijsmassa’s te werken, dat men, zonder in een der wakken of lanen vast te loopen, op het einde der wacht het schip gebracht heeft op de vastgestelde plaats.Men moet nu snel beoordeelen welke openingen men al dan niet met het schip durft ingaan, en in welke ijslanen men de minste kans heeft opgesloten te worden.Het geheel vrijsturen van de ijsstroomen en schotsen op de plaats zelve waar men zeilt, wordt bijzaak, want de officier die er zich op toelegt om keurig netjes tusschen de omliggende schotsen heen te sturen, verliest licht de bewegingen van het ijs in de verte uit het oog en loopt steeds gevaar zich in het ijs vast te werken.Voor een zeilscheepje is het van het grootste belang zooveel mogelijk loef te houden, en hoewel het natuurlijk weinig kunst is om nimmer tegen het ijs aan te loopen, zoolang men maar voortdurend af wil houden, moet de officier der wacht er steeds naar streven, om zoo weinig mogelijk van het behaalde voordeel weder prijs te geven, en in de richting te blijven. Steeds tracht hij dien doortocht te bereiken, al is hij nog zoo klein, waardoor hij het minste in loef verliest.Het is met de ijsvaart als met de menschen; begint men eenmaal eene te overkomen moeielijkheid den rug in plaats van de borst toe te keer en, dan is de strijd tusschen gaan of blijven, tusschen wijken of kampen reeds half beslist.In de ijsvaart heeft de moedige veel vóór, omdat hij geduld weet te oefenen en met kalmte het dreigendste gevaar in de oogen weet te zien, om daarna onmiddellijk te beproeven er zoo veel mogelijk zijn voordeel mede te doen.Toch hebben juist die aanhoudende gevaren een eigenaardigen prikkel voor den zeeman; hij is met hart en ziel bij het werk, en zoo is dan ook te verklaren dat de officier in ’t kraaiennest derWillem Barentsniet eens bemerkt heeft, dat er iemand bezig is in het want naar boven te klimmen.Op eens komt het hem echter vóór, alsof de streng schudde, en even uit de ton omlaag blikkend, wordt hij zijn wachtgenoot Grant gewaar, die, met een koffieketeltje om den hals gebonden, zijn best doet naar boven te enteren.Grant is geen zeeman en blijkbaar heeft hij dan ook al zijne krachten noodig om zich in het vrij slappe want vast te houden, en als hij slechts langzaam vordert, springt een der matrozen hem achterna, bereikt hem in enkele seconden en biedt hem aan, het voor den officier der wacht bestemde keteltje warme koffie naar boven te brengen.„No! no! Certainly not,” geeft Grant hem ten antwoord en ofschoon hij zich nog hechter vastklemt, omdat zijn gedienstige vriend het want nog meer doet schudden, dan toen hij er maar alléén in stond, wil hij van geen hulp weten, en stijgt langzaam maar zeker al hooger en hooger, tot hij eindelijk de ton heeft bereikt en den wachthebbenden officier de koffie overreikt, welke met zooveel moeite omhoog is gebracht.„’t Is heel vriendelijk van je, Grant! dank je wel zeer! wacht, laat ik je eens helpen,” en gedeeltelijk uit de ton klimmend, maakt de officier der wachttijdelijk ruimte voor zijn vriend, die een oogenblik later, nog naar zijn adem hijgend van het klauteren, veilig en wel naast hem staat.Het vaarwater is nu vrij ruim, waarvan onmiddellijk gebruik moet gemaakt worden om de koffie te drinken terwijl ze nog heet is, en zonder dat er een woord bij wordt gesproken, ontdooit de officier de beide handen aan het warme keteltje en haalt Grant uit zijne zakken een kopje en een lepeltje voor den dag, waarbij hij nog spoedig een met suiker gevuld blikken busje voegt. Om beurten wordt het kopje geledigd, en terwijl beiden zich dus warmen, hebben wij gelegenheid met Mr. Grant nader kennis te maken.W. J. A. Grant is een jong vermogend Engelsch grondbezitter, wiens familie sedert jaren in Devonshire nabij Exeter woont.Hij is acht-en-twintig jaar oud, heeft te Oxford gestudeerd en had reeds het grootste gedeelte van Europa bereisd toen hij in 1876 als amateur-photograaf de pool-expeditie met dePandoraonder Sir Allen Young naar Smith Sound mede maakte.In Engeland teruggekeerd maakten zijne uitstekend geslaagde photographieën van een tot dien tijd nagenoeg geheel onbekend deel van onzen aardbol alom grooten opgang, enthe Society of the Photographic Expositionte Londen vereerde den veelbelovenden artist haren bronzen eerepenning. Van alle kanten aangemoedigd op den roemvol ingeslagen weg te volharden, zag Mr. Grant naar eene gelegenheid uit, nogmaals een pool-expeditie mede te maken, en toen nu deWillem Barentsin Holland werd uitgerust, bood hij geheel belangeloos het Nederlandsche Comité aan op eigen kosten de reis mede te maken, welk welwillend aanbod natuurlijk met groote ingenomenheid werd aangenomen, waarop hij in Mei1878 naar Amsterdam kwam, tegelijk met al zijne photographische toestellen en benoodigdheden, die eene gezamenlijke waarde van ± 700 gulden vertegenwoordigden. Zonder het een oogenblik te betreuren afstand gedaan te hebben van het gemakkelijk en aangenaam leven op zijne goederen in Devonshire, maakte Mr. Grant zich aan boord derWillem Barentsspoedig geheel thuis en was weldra aan boord, zoowel vóór als achter den mast, gezien en geëerd.Hij had de slechtste slaapplaats, vlak bij de altijd rookende kombuis, moest iederen nacht van 12 tot 4 aan dek de wacht meê maken, verstond zelden een woord van wat er rondom hem gesproken werd en was nochtans een der vroolijkste, gezelligsteshipmates.Trouwens al deze onaangenaamheden hadden niets te beduiden, als men ze vergeleek bij de dagen dat hij als photograaf moest optreden, en als snel opkomende buien of dichte sneeuwjachten hem teleurstelling op teleurstelling berokkenden.Photographeeren in de IJszee is dan ook inderdaad het wanhopendste werk, dat men zich kan voorstellen.Zelden is er zon en bijna voortdurend mist, en is men eindelijk met veel moeite met den toestel op een ijsschots afgezet, dan blijkt het eerst recht, hoe bewegelijk de geheele ijsmassa in werkelijkheid is.Vaak valt een sneeuwbui juist in als de „plate” gereed is, of blijken de lenzen nat en vochtig te zijn precies op ’t oogenblik, dat na lang wachten de zon voor slechts enkele minuten doorkomt. Daarbij scherpe, koude winden, onzekere gemeenschap met het schip, gevaar voor ijsberen of plotseling opkomenden mist, enz., enz.; maar Grant liet zich door niets afschrikken en was dag en nacht in de weer, zoodraer maar de minste kans bestond, eenige photographieën te kunnen nemen.Lag deWillem Barentsergens onder den wal ten anker, dan was hij dadelijk aan land en ieder aan boord bewonderde hem oprecht, als hij, steeds ongewapend, overladen met pakjes en toestellen (die te zamen 18 kilo wogen), dag in dag uit, geheel alléén, de steilste punten beklom of tegen de gevaarlijkste hellingen opklauterde, „to choose his picture,” zooals hij dat uitdrukte.Meermalen na vier uren onafgebroken klimmen, bleek al die moeite voor niets geweest te zijn, namelijk als tot zijn diepe teleurstelling een dikke mist kwam opzetten voor hij geheel klaar was om de schoone photographie te nemen.„’s Nachts was hij dan doorgaans werkzaam in zijn „donkere kamer,” en als men bedenkt dat iedere „dry-plate-exposure” hem vijf kwartier aan één stuk bezighield, zal men kunnen begrijpen, dat hij gewoonlijk met het aanbreken van den dag ternauwernood klaar was gekomen met zijn werk van den vorigen dag; maar nauwelijks was er weder een zonnetje zichtbaar, of men zag hem belast en beladen met stille trom van boord slippen, om, niettegenstaande koude, mist, regen en wind, met hetzelfdefeu sacréen met onverklaarbare taaiheid, nieuwe teleurstelling te gemoet te gaan.Grant is in elk opzicht een artist; hij leeft voor zijn kunst, waarin hij om zoo te zeggen geheel opgaat, en volop geniet hij, wanneer hij de schoonheden van moeder natuur mag bewonderen.Zoo blikt hij ook nu in stilzwijgende opgetogenheid uit het kraaiennest voor zich uit naar de onafzienbare ijsmassa’s, die in alle richtingen het scheepje omringen, en zijn ziel met een gevoel van ernst en eerbied vervullen.Men voelt zich zoo klein in die schier grenzenlooze woestenij van glinsterende ijsmassa’s, waartusschen zich het ranke schoenertje schijnbaar zoo rustig voortbeweegt, terwijl de officier der wacht met ingespannen aandacht de kronkelende wakken en lanen uitkiest waarlangs hij zijn koers het beste kan vervolgen.Den in de ijsvaart oningewijden zou de geheele omgeving een ondoorgrondelijk doolhof toeschijnen, waar hij zich noode in waagde, maar voor hem, die zich langzamerhand aan die toestanden gewend heeft, ziet alles er geheel anders uit, en hij beaamt het volkomen wat Mr. Grant zich half fluisterend ontvallen laat, dat de ijsvaart toch een goede leerschool voor zeevolk is.„Ja zeker, Grant!” klinkt het antwoord van zijn vriend, „ja zeker is de ijsvaart nuttig tot vorming van flink en doortastend zeevolk; daar kunnen ten minste onze Hollandsche geschiedboeken ruimschoots van gewagen.”De zee hier, als zij spreken kon, zoude dit met menig schitterend verhaal kunnen staven, en wij hebben de oude reisverhalen onzer Groenlandvaarders maar open te slaan, om er op iedere bladzijde uit te leeren, hoe die voortdurende worsteling op leven en dood met de natuur de edelste eigenschappen van ons zeevolk ontwikkelde en het louterde tot brave, rechtschapen, godvreezende harten, die goed en bloed veil hadden voor de rechten en belangen van het geliefde vaderland.Het zoogenaamde West-ijs is dan ook het kampveld geweest, waar onze voorvaderen te midden van sneeuw, storm en nevels, van ijspersing en ijsgang, die uitstekende eigenschappen aankweekten, die hen tot den huidigen dag zoo wereldberoemd hebben gemaakt.Wanneer men bedenkt dat er jaarlijks meer dan 200 Groenlandvaarders onze havens verlieten met een bemanning van 40–60 koppen, dan blijkt daaruit hoe er jaarlijks gemiddeld een 10.000 matrozen alléén aan die vaart deelnamen, waardoor het begrijpelijk wordt dat men de talrijke vloten van De Ruyter en Tromp steeds met flink zeevolk bemand in zee kon sturen, hoe groot de verliezen van de vorige jaren ook geweest waren.Het is wáár, jaarlijks ontvielen der vloot enkele schepen, die door het ijs vernield werden, maar de overige wisten door de voordeelige visscherij schatten van onder het ijs te halen en oefenden onverschrokken een bedrijf uit, dat naar omstandigheden meer of minder inspanning en ervaring, maar in alle gevallen de grootste koelbloedigheid en kalmte eischte.Door de ijsvaart werd het zeevolk gehard, kordaat, geoefend. Men repareerde schip en tuig te midden van hagel en sneeuwjacht en leerde een schip thuis brengen, al was het in zinkenden toestand. En dat dit met de grootste moeite gepaard ging, wanneer het schip, laat in het jaar geheel lek uit het ijs geraakt, slechts door aanhoudend pompen kon boven water worden gehouden, lezen wij in menig reisverhaal.De bemanning was dan vermoeid, de victualie nagenoeg verbruikt en het eenige middel om schip en lijf te redden bestond in het stout voor wind en zee blijven weglenzen tot aan de Hollandsche kust toe. Tegen harde noorden- en noord-oosten-winden naar Noorwegen op te werken, kon en wilde de gezagvoerder nooit doen.Het journaal van commandeur Freeke Pieters, die in 1769 met het schipde Vrouw Marianaar Groenland stevende, en eerst na aan tal van gevaren te zijn ontkomen, den 16den November op de breedte van JanMayen-eiland uit het ijs kwam, verhaalt zulk een ernstig ongeval met een ongekunstelden eenvoud, die ons inderdaad treft.„18 Nov. Kregen veel water in het schip, ik moest aan het volk veel goede woorden geven, om haar aan ’t pompen te krijgen, dewijl zij zeer zwak en hongerig waren en sommigen hun vingers bevroren.„28 Nov. Vliegende storm uit ’t N. N. W., donker weêr. Des morgens en wederom des avonds kwam het volk bij mij en zeide dat ik land moest zoeken of haar meer te eten geven.„Tot het eerste kon ik niet resolveeren en het laatste had ik niet en zeide daarom:„Wij zijn God zij dank uit bezetting in ruime zee; wij hebben nog voor 5 dagen victualie, gij hebt u zoo lang beholpen, hebt toch geduld”; maar zij antwoordden: „Wij kunnen alles in twee dagen wel opeten. Wilt gij noch tot het een, noch tot het ander resolveeren, zoo gaan wij met alle man ter kooi.”„Geeft gij niet om uw leven?” zeide ik, „zoo maakt mij dan alle zeilen maar vast, en wij zullen ’t dan op Gods genade laten drijven.”„Woensdag 29 Nov. Het volk kwam bij den kok en dwong hem hun 4 lokjes gort en 4 lokjes erwten meer te koken.„Zaterdag 25 December werd het weêr wat beter, wij namen één rif uit ieder marszeil; het volk kwam met alle man bij mij en zeide: „Nu is al het eten op, zullen wij nu van honger sterven?”„Ik zeide: „Gij hebt dezen morgen al gegeten; wij hebben nog erwten voor vandaag en morgen, wie zorgt voor den derden dag? Wij zullen binnenkort wel een of ander schip ontmoeten. Houdt moed en geduld.”„Zij vertrokken van mij zeer ontevreden, het weêr werd wat beter. Wij zagen voormiddags een hoeker,hijschten onzen vlag tot een sjouw, klaagden onzen nood en verzochten hem om wat victualie! Het water stond zeer hol, onze sloep ging toch van boord en wij kregen 4 vaten hard brood, 1 zak gort, 1 ton zoutevisch, ½ vat bier.„Ik liet terstond het volk een glas bier en een stuk hard brood ronddeelen. Het was aandoenlijk te zien met welken smaak en vergenoeging zij dat gebruikten. Zetten alle zeilen bij en zagen den volgenden morgen de Vaderlandsche kust.”Wat leerde het zeevolk hunne eigen krachten kennen en er op vertrouwen!Wat oefende men zich onophoudelijk in het overwinnen van schier onoverkomelijke gevaren!Wat verwierf men zich een schat van het voor den zeeman zoo onmisbaar zelfvertrouwen!Was het wonder, dat de ijszeetochten in die dagen populair waren, zoo zelfs dat de traditiën daarvan nog heden ten dage in onze kustplaatsen voortleven.Het binnenvallen der Groenlandsche vloot was een nationale feestdag; men had die vaart lief; met belangstelling volgde men hen die er aan deel namen; en in tal van zeemansliederen werd diemoeielijkemaar opwekkende vischvangst bezongen.Al pratende en vertellende is de wacht aangenaam opgeschoten en Grant zoude zeker nog meer vernomen hebben, als de officier der wacht niet eensklaps stil had gehouden en onaangenaam verrast om zich heen had getuurd.De geheele omgeving schijnt onduidelijker en doffer te worden; de zon verdwijnt geheel en al, en met teleurstelling ziet de officier van de wacht dat de reden daarvan te zoeken is in een mistbank, die, als een lichtgrijze massa komende opzetten, hem weldra alle uitzicht beneemt.Eerst verdwijnt het ijs langs den horizon, daarna de verst verwijderde stroomen en lanen in het ijs, dan zelfs de schotsen in de onmiddellijke omgeving en eindelijk ziet men nog slechts een grauwe dampige kom water, vlak rond het scheepje, Mr. Grant heeft zich al reeds omlaag begeven.Er moet snel zeil en vaart geminderd, dubbel scherp uitgekeken en met alle aandacht naar branding geluisterd worden, in welke omstandigheid de officier van de wacht zich wel eens betrapt dat hij boven in de ton van de kille natte kou staat te klappertanden.Gelukkig is het drie uur geworden, wanneer hij bijdraaien en looden moet, en met genoegen maakt hij van die gelegenheid gebruik om de ton te verlaten en op het dek die werkzaamheden te gaan leiden.De 150 vaam moeten met de hand ingehaald worden en het kille nat, dat met de lijn boven komt, loopt langs de verkleumde vingers in de hemdsmouwen tot op het lichaam, zoodat een ieder blij is als het lood met den daaraan bevestigden thermometer weder binnen boord is en men (op zijn schippers) de armen tegen het lijf heeft warm geslagen.Gelukkig trok de mist weder even snel op, als hij onverwachts verscheen. De zeilen worden geheschen, de weg vervolgd, en als ’s morgens te vier uur de wachtdoener in het kraaiennest door zijn opvolger wordt afgelost, is de officier die naar kooi gaat weder even bespraakt en vroolijk, als de wachtkrijger dof en stilzwijgend is.”1In het ijs of in het kustwater ontkleeden de wachtdoende officieren bij het naar kooi gaan zich nimmer.↑
X.X.IN ’T KRAAIENNEST.
X.
„Mijnheer! ’t is kwart voor twaalven!”Die woorden, enkele keeren herhaald, doen den officier, die de hondenwacht krijgt, ontwaken. Hij opent de oogen, en, zich plotseling omkeerend, kijkt hij den matroos die hem wekte aan en zegt:„Veel ijs?”„Ja mijnheer, heel veel.”„Mistig of helder?”„Op ’t oogenblik helder, mijnheer.”„Zwaarder ijs dan om acht uur?”„De schollen worden grooter, mijnheer.”„Dank je,” en met een door langdurige ervaring geleerd wipje staat de officier, die de wacht zal krijgen, naast zijn kooi, en zoekt op een vrij rommelig dek zijn zeelaarzen op, die met zijn muts en pijjakker het tenue in weinige oogenblikken voltooien.1Terwijl hij nu den barometer, die dicht bij zijn kooi hangt, gaat aflezen, luistert hij onderwijl met aandacht naar hetgeen er op dek voorvalt, nieuwsgierig te weten hoe hij, aan dek gekomen, den toestand vinden zal. Als doffe, van zeer ver komende klanken, bereiken hem de kommando’s waarmede de officier der wacht het schip uit het kraaiennest bestuurt, en hij tracht uit de elkaar snel volgende bevelen op te maken wat er op ’t dek plaats grijpt.„Loeven, loeven! Bakboord aan boord het roer! Voorschoten afvieren,” klinkt het van boven, en aan het wilde rukken en slaan van den stagzeilschoot begrijpt de officier omlaag dat het schip hoog aan den wind schiet, waarschijnlijk om nog juist even vrij te loopen van een ijstong, die gerond moet worden.„Schoten weêr aankorten. Op je roer!” en een oogenblik later klinkt luider en scherper: „Achterschoot afvieren, piek neêr.”Haastige, driftige stappen op het achterdek volgen, men hoort halen en trekken, en dan volgt op eens eene algemeene stilte.In afwachting van den stoot tegen het ijs, welke hij denkt dat volgen zal, grijpt de officier, die juist de kajuitstrap op wilde gaan, nog haastig eenige glazen van tafel, doch zijn kameraad daar boven hanteerde het schip daartoe te goed; er volgt niet de minste stoot en alleen een kraken en krassen van het ijs aan bakboord tegen het dubbelhuid verkondigt den officier omlaag dat het kritieke punt voorbij en de ijstong, zonder er tegen op te loopen, gerond is.„Bij den wind weêr,” klinkt het nu vroolijk uit het kraaiennest, en een oogenblik daarna: „Klaar om te wenden,” enz., enz.De aflosser is op het dek gekomen, en vóór hij bovenin de ton de wacht gaat overnemen, kijkt hij met aandacht en belangstelling rond.De vlag waait, want deWillem Barentsis in het ijs! en dan moet de oude driekleur altijd wapperen. De vlag brengt geluk aan, zeide men aan boord. De wind is bewesten het noorden.Alle bijdewindzeilen staan bij, behalve de gaf-topzeilen. In alle richtingen (zoover men tenminste van het lage scheepsdek kan oordeelen) is de zee met stroomen zwaar drijfijs bedekt.De bovenlucht is klaar en helder, maar boven de kim verheft zich een dikke wolkenlaag, die de zoo welkome middernachtszon vernedert tot een fletse, vlokkige lichtschijf, wier randen doezelig en schier niet te onderkennen zijn.Het schip koerst om de West, en men behoeft niet naar de zon of het kompas te kijken om zich omtrent het noorden en zuiden te oriënteeren, want de helle ijsglans aan stuurboord en de waterlucht aan bakboord duiden in voldoende mate die windstreken aan.Met den langen kijker achter op den rug gehangen, gaat het nu vlug het loefwant in en weldra geven de twee officieren in de vrij beperkte ruimte boven in het kraaiennest elkaar de wacht over.De één, die naar de kooi gaat, is bijzonder opgewekt en vroolijk—de ander heeft nog niet wat hij noemt „stoom op”.De één, die telkens nog een kommando naar omlaag praait, is zeer bespraakt—de ander vergenoegt zich met een zwijgende rol.„Veel ijs, als je ziet. Een mooie wacht gehad. ’t Scheepje is erg handig onder dit tuig. Toch scheelde het bitter weinig of ik had het op het ijs gezet. Heb je het omlaag gehoord? Zeker wel; nu ’t ging met een aanloopje, ik had er bepaald schik in.”„Wat is je koers?”„Noordwest, maar west ten noorden is het hoogste wat ik leggen kon. ’t Waait een flinke bries, doch de lucht blijft goed staan.” Daarna volgen eenige opgewekte verhalen van eene wending die bijna mislukte juist op den rand van een zwaren ijsstroom en van „het doorslippen” tusschen twee verbazend groote schollen, welke verhalen door den wachtkrijger stilzwijgend worden aangehoord, waarop de officier, die naar kooi gaat, op eens zijn hoofd buiten het kraaiennest steekt en naar omlaag praait: „acht glazen”, om daarna tot den zwijgenden kameraad te zeggen: „Nou, je hebt hem. Aangename wacht!”„Dank je! wel te rusten!” en de ton bevat nog slechts één persoon.Blijkbaar heeft de officier der wacht eenigen tijd noodig om het boven in het kraaiennest, waar het flink vriest, naar den zin te krijgen; de eerste oogenblikken worden de kommando’s dan ook schier instinctmatig gegeven, maar de noodzakelijkheid om met alle aandacht de bewegingen van schip en ijs te volgen, brengt hem spoedig volkomen tot de werkelijkheid terug; ze drijft hem den slaap uit de oogen, en na weinige oogenblikken heeft hij zich met geheel zijn hart weer aan het manoeuvreeren met het scheepje gewijd.De lange kijker wordt uitgehaald en met aandacht het te betreden kampveld in oogenschouw genomen, waarvan hij door niets gestoord of afgetrokken wordt. Het wachtvolk omlaag rookt, nieuwsgierig over de verschansing kijkend, het eerste pijpje, en de doodsche stilte alom wordt slechts afgebroken door het schelle geschreeuw van een „lestris parasitica”, die, op buit belust, nu en dan boven de ton heenzweeft.Nadat het terrein goed is opgenomen, begint eerst recht de eigenlijke ijsvaart.In de eerste plaats komt het er nu op aan om met den langen kijker de ligging der ijsmassa’s en de bewegingen daarvan aandachtig op te nemen, om dadelijk daarna het punt aan den verren horizon te kunnen vaststellen, dat men na twee of drie uren varens bereiken wil.Is dit punt eenmaal gekozen, dan begint men reeds dadelijk te beproeven het schip zoodanig door de steeds van plaats en vorm veranderende ijsmassa’s te werken, dat men, zonder in een der wakken of lanen vast te loopen, op het einde der wacht het schip gebracht heeft op de vastgestelde plaats.Men moet nu snel beoordeelen welke openingen men al dan niet met het schip durft ingaan, en in welke ijslanen men de minste kans heeft opgesloten te worden.Het geheel vrijsturen van de ijsstroomen en schotsen op de plaats zelve waar men zeilt, wordt bijzaak, want de officier die er zich op toelegt om keurig netjes tusschen de omliggende schotsen heen te sturen, verliest licht de bewegingen van het ijs in de verte uit het oog en loopt steeds gevaar zich in het ijs vast te werken.Voor een zeilscheepje is het van het grootste belang zooveel mogelijk loef te houden, en hoewel het natuurlijk weinig kunst is om nimmer tegen het ijs aan te loopen, zoolang men maar voortdurend af wil houden, moet de officier der wacht er steeds naar streven, om zoo weinig mogelijk van het behaalde voordeel weder prijs te geven, en in de richting te blijven. Steeds tracht hij dien doortocht te bereiken, al is hij nog zoo klein, waardoor hij het minste in loef verliest.Het is met de ijsvaart als met de menschen; begint men eenmaal eene te overkomen moeielijkheid den rug in plaats van de borst toe te keer en, dan is de strijd tusschen gaan of blijven, tusschen wijken of kampen reeds half beslist.In de ijsvaart heeft de moedige veel vóór, omdat hij geduld weet te oefenen en met kalmte het dreigendste gevaar in de oogen weet te zien, om daarna onmiddellijk te beproeven er zoo veel mogelijk zijn voordeel mede te doen.Toch hebben juist die aanhoudende gevaren een eigenaardigen prikkel voor den zeeman; hij is met hart en ziel bij het werk, en zoo is dan ook te verklaren dat de officier in ’t kraaiennest derWillem Barentsniet eens bemerkt heeft, dat er iemand bezig is in het want naar boven te klimmen.Op eens komt het hem echter vóór, alsof de streng schudde, en even uit de ton omlaag blikkend, wordt hij zijn wachtgenoot Grant gewaar, die, met een koffieketeltje om den hals gebonden, zijn best doet naar boven te enteren.Grant is geen zeeman en blijkbaar heeft hij dan ook al zijne krachten noodig om zich in het vrij slappe want vast te houden, en als hij slechts langzaam vordert, springt een der matrozen hem achterna, bereikt hem in enkele seconden en biedt hem aan, het voor den officier der wacht bestemde keteltje warme koffie naar boven te brengen.„No! no! Certainly not,” geeft Grant hem ten antwoord en ofschoon hij zich nog hechter vastklemt, omdat zijn gedienstige vriend het want nog meer doet schudden, dan toen hij er maar alléén in stond, wil hij van geen hulp weten, en stijgt langzaam maar zeker al hooger en hooger, tot hij eindelijk de ton heeft bereikt en den wachthebbenden officier de koffie overreikt, welke met zooveel moeite omhoog is gebracht.„’t Is heel vriendelijk van je, Grant! dank je wel zeer! wacht, laat ik je eens helpen,” en gedeeltelijk uit de ton klimmend, maakt de officier der wachttijdelijk ruimte voor zijn vriend, die een oogenblik later, nog naar zijn adem hijgend van het klauteren, veilig en wel naast hem staat.Het vaarwater is nu vrij ruim, waarvan onmiddellijk gebruik moet gemaakt worden om de koffie te drinken terwijl ze nog heet is, en zonder dat er een woord bij wordt gesproken, ontdooit de officier de beide handen aan het warme keteltje en haalt Grant uit zijne zakken een kopje en een lepeltje voor den dag, waarbij hij nog spoedig een met suiker gevuld blikken busje voegt. Om beurten wordt het kopje geledigd, en terwijl beiden zich dus warmen, hebben wij gelegenheid met Mr. Grant nader kennis te maken.W. J. A. Grant is een jong vermogend Engelsch grondbezitter, wiens familie sedert jaren in Devonshire nabij Exeter woont.Hij is acht-en-twintig jaar oud, heeft te Oxford gestudeerd en had reeds het grootste gedeelte van Europa bereisd toen hij in 1876 als amateur-photograaf de pool-expeditie met dePandoraonder Sir Allen Young naar Smith Sound mede maakte.In Engeland teruggekeerd maakten zijne uitstekend geslaagde photographieën van een tot dien tijd nagenoeg geheel onbekend deel van onzen aardbol alom grooten opgang, enthe Society of the Photographic Expositionte Londen vereerde den veelbelovenden artist haren bronzen eerepenning. Van alle kanten aangemoedigd op den roemvol ingeslagen weg te volharden, zag Mr. Grant naar eene gelegenheid uit, nogmaals een pool-expeditie mede te maken, en toen nu deWillem Barentsin Holland werd uitgerust, bood hij geheel belangeloos het Nederlandsche Comité aan op eigen kosten de reis mede te maken, welk welwillend aanbod natuurlijk met groote ingenomenheid werd aangenomen, waarop hij in Mei1878 naar Amsterdam kwam, tegelijk met al zijne photographische toestellen en benoodigdheden, die eene gezamenlijke waarde van ± 700 gulden vertegenwoordigden. Zonder het een oogenblik te betreuren afstand gedaan te hebben van het gemakkelijk en aangenaam leven op zijne goederen in Devonshire, maakte Mr. Grant zich aan boord derWillem Barentsspoedig geheel thuis en was weldra aan boord, zoowel vóór als achter den mast, gezien en geëerd.Hij had de slechtste slaapplaats, vlak bij de altijd rookende kombuis, moest iederen nacht van 12 tot 4 aan dek de wacht meê maken, verstond zelden een woord van wat er rondom hem gesproken werd en was nochtans een der vroolijkste, gezelligsteshipmates.Trouwens al deze onaangenaamheden hadden niets te beduiden, als men ze vergeleek bij de dagen dat hij als photograaf moest optreden, en als snel opkomende buien of dichte sneeuwjachten hem teleurstelling op teleurstelling berokkenden.Photographeeren in de IJszee is dan ook inderdaad het wanhopendste werk, dat men zich kan voorstellen.Zelden is er zon en bijna voortdurend mist, en is men eindelijk met veel moeite met den toestel op een ijsschots afgezet, dan blijkt het eerst recht, hoe bewegelijk de geheele ijsmassa in werkelijkheid is.Vaak valt een sneeuwbui juist in als de „plate” gereed is, of blijken de lenzen nat en vochtig te zijn precies op ’t oogenblik, dat na lang wachten de zon voor slechts enkele minuten doorkomt. Daarbij scherpe, koude winden, onzekere gemeenschap met het schip, gevaar voor ijsberen of plotseling opkomenden mist, enz., enz.; maar Grant liet zich door niets afschrikken en was dag en nacht in de weer, zoodraer maar de minste kans bestond, eenige photographieën te kunnen nemen.Lag deWillem Barentsergens onder den wal ten anker, dan was hij dadelijk aan land en ieder aan boord bewonderde hem oprecht, als hij, steeds ongewapend, overladen met pakjes en toestellen (die te zamen 18 kilo wogen), dag in dag uit, geheel alléén, de steilste punten beklom of tegen de gevaarlijkste hellingen opklauterde, „to choose his picture,” zooals hij dat uitdrukte.Meermalen na vier uren onafgebroken klimmen, bleek al die moeite voor niets geweest te zijn, namelijk als tot zijn diepe teleurstelling een dikke mist kwam opzetten voor hij geheel klaar was om de schoone photographie te nemen.„’s Nachts was hij dan doorgaans werkzaam in zijn „donkere kamer,” en als men bedenkt dat iedere „dry-plate-exposure” hem vijf kwartier aan één stuk bezighield, zal men kunnen begrijpen, dat hij gewoonlijk met het aanbreken van den dag ternauwernood klaar was gekomen met zijn werk van den vorigen dag; maar nauwelijks was er weder een zonnetje zichtbaar, of men zag hem belast en beladen met stille trom van boord slippen, om, niettegenstaande koude, mist, regen en wind, met hetzelfdefeu sacréen met onverklaarbare taaiheid, nieuwe teleurstelling te gemoet te gaan.Grant is in elk opzicht een artist; hij leeft voor zijn kunst, waarin hij om zoo te zeggen geheel opgaat, en volop geniet hij, wanneer hij de schoonheden van moeder natuur mag bewonderen.Zoo blikt hij ook nu in stilzwijgende opgetogenheid uit het kraaiennest voor zich uit naar de onafzienbare ijsmassa’s, die in alle richtingen het scheepje omringen, en zijn ziel met een gevoel van ernst en eerbied vervullen.Men voelt zich zoo klein in die schier grenzenlooze woestenij van glinsterende ijsmassa’s, waartusschen zich het ranke schoenertje schijnbaar zoo rustig voortbeweegt, terwijl de officier der wacht met ingespannen aandacht de kronkelende wakken en lanen uitkiest waarlangs hij zijn koers het beste kan vervolgen.Den in de ijsvaart oningewijden zou de geheele omgeving een ondoorgrondelijk doolhof toeschijnen, waar hij zich noode in waagde, maar voor hem, die zich langzamerhand aan die toestanden gewend heeft, ziet alles er geheel anders uit, en hij beaamt het volkomen wat Mr. Grant zich half fluisterend ontvallen laat, dat de ijsvaart toch een goede leerschool voor zeevolk is.„Ja zeker, Grant!” klinkt het antwoord van zijn vriend, „ja zeker is de ijsvaart nuttig tot vorming van flink en doortastend zeevolk; daar kunnen ten minste onze Hollandsche geschiedboeken ruimschoots van gewagen.”De zee hier, als zij spreken kon, zoude dit met menig schitterend verhaal kunnen staven, en wij hebben de oude reisverhalen onzer Groenlandvaarders maar open te slaan, om er op iedere bladzijde uit te leeren, hoe die voortdurende worsteling op leven en dood met de natuur de edelste eigenschappen van ons zeevolk ontwikkelde en het louterde tot brave, rechtschapen, godvreezende harten, die goed en bloed veil hadden voor de rechten en belangen van het geliefde vaderland.Het zoogenaamde West-ijs is dan ook het kampveld geweest, waar onze voorvaderen te midden van sneeuw, storm en nevels, van ijspersing en ijsgang, die uitstekende eigenschappen aankweekten, die hen tot den huidigen dag zoo wereldberoemd hebben gemaakt.Wanneer men bedenkt dat er jaarlijks meer dan 200 Groenlandvaarders onze havens verlieten met een bemanning van 40–60 koppen, dan blijkt daaruit hoe er jaarlijks gemiddeld een 10.000 matrozen alléén aan die vaart deelnamen, waardoor het begrijpelijk wordt dat men de talrijke vloten van De Ruyter en Tromp steeds met flink zeevolk bemand in zee kon sturen, hoe groot de verliezen van de vorige jaren ook geweest waren.Het is wáár, jaarlijks ontvielen der vloot enkele schepen, die door het ijs vernield werden, maar de overige wisten door de voordeelige visscherij schatten van onder het ijs te halen en oefenden onverschrokken een bedrijf uit, dat naar omstandigheden meer of minder inspanning en ervaring, maar in alle gevallen de grootste koelbloedigheid en kalmte eischte.Door de ijsvaart werd het zeevolk gehard, kordaat, geoefend. Men repareerde schip en tuig te midden van hagel en sneeuwjacht en leerde een schip thuis brengen, al was het in zinkenden toestand. En dat dit met de grootste moeite gepaard ging, wanneer het schip, laat in het jaar geheel lek uit het ijs geraakt, slechts door aanhoudend pompen kon boven water worden gehouden, lezen wij in menig reisverhaal.De bemanning was dan vermoeid, de victualie nagenoeg verbruikt en het eenige middel om schip en lijf te redden bestond in het stout voor wind en zee blijven weglenzen tot aan de Hollandsche kust toe. Tegen harde noorden- en noord-oosten-winden naar Noorwegen op te werken, kon en wilde de gezagvoerder nooit doen.Het journaal van commandeur Freeke Pieters, die in 1769 met het schipde Vrouw Marianaar Groenland stevende, en eerst na aan tal van gevaren te zijn ontkomen, den 16den November op de breedte van JanMayen-eiland uit het ijs kwam, verhaalt zulk een ernstig ongeval met een ongekunstelden eenvoud, die ons inderdaad treft.„18 Nov. Kregen veel water in het schip, ik moest aan het volk veel goede woorden geven, om haar aan ’t pompen te krijgen, dewijl zij zeer zwak en hongerig waren en sommigen hun vingers bevroren.„28 Nov. Vliegende storm uit ’t N. N. W., donker weêr. Des morgens en wederom des avonds kwam het volk bij mij en zeide dat ik land moest zoeken of haar meer te eten geven.„Tot het eerste kon ik niet resolveeren en het laatste had ik niet en zeide daarom:„Wij zijn God zij dank uit bezetting in ruime zee; wij hebben nog voor 5 dagen victualie, gij hebt u zoo lang beholpen, hebt toch geduld”; maar zij antwoordden: „Wij kunnen alles in twee dagen wel opeten. Wilt gij noch tot het een, noch tot het ander resolveeren, zoo gaan wij met alle man ter kooi.”„Geeft gij niet om uw leven?” zeide ik, „zoo maakt mij dan alle zeilen maar vast, en wij zullen ’t dan op Gods genade laten drijven.”„Woensdag 29 Nov. Het volk kwam bij den kok en dwong hem hun 4 lokjes gort en 4 lokjes erwten meer te koken.„Zaterdag 25 December werd het weêr wat beter, wij namen één rif uit ieder marszeil; het volk kwam met alle man bij mij en zeide: „Nu is al het eten op, zullen wij nu van honger sterven?”„Ik zeide: „Gij hebt dezen morgen al gegeten; wij hebben nog erwten voor vandaag en morgen, wie zorgt voor den derden dag? Wij zullen binnenkort wel een of ander schip ontmoeten. Houdt moed en geduld.”„Zij vertrokken van mij zeer ontevreden, het weêr werd wat beter. Wij zagen voormiddags een hoeker,hijschten onzen vlag tot een sjouw, klaagden onzen nood en verzochten hem om wat victualie! Het water stond zeer hol, onze sloep ging toch van boord en wij kregen 4 vaten hard brood, 1 zak gort, 1 ton zoutevisch, ½ vat bier.„Ik liet terstond het volk een glas bier en een stuk hard brood ronddeelen. Het was aandoenlijk te zien met welken smaak en vergenoeging zij dat gebruikten. Zetten alle zeilen bij en zagen den volgenden morgen de Vaderlandsche kust.”Wat leerde het zeevolk hunne eigen krachten kennen en er op vertrouwen!Wat oefende men zich onophoudelijk in het overwinnen van schier onoverkomelijke gevaren!Wat verwierf men zich een schat van het voor den zeeman zoo onmisbaar zelfvertrouwen!Was het wonder, dat de ijszeetochten in die dagen populair waren, zoo zelfs dat de traditiën daarvan nog heden ten dage in onze kustplaatsen voortleven.Het binnenvallen der Groenlandsche vloot was een nationale feestdag; men had die vaart lief; met belangstelling volgde men hen die er aan deel namen; en in tal van zeemansliederen werd diemoeielijkemaar opwekkende vischvangst bezongen.Al pratende en vertellende is de wacht aangenaam opgeschoten en Grant zoude zeker nog meer vernomen hebben, als de officier der wacht niet eensklaps stil had gehouden en onaangenaam verrast om zich heen had getuurd.De geheele omgeving schijnt onduidelijker en doffer te worden; de zon verdwijnt geheel en al, en met teleurstelling ziet de officier van de wacht dat de reden daarvan te zoeken is in een mistbank, die, als een lichtgrijze massa komende opzetten, hem weldra alle uitzicht beneemt.Eerst verdwijnt het ijs langs den horizon, daarna de verst verwijderde stroomen en lanen in het ijs, dan zelfs de schotsen in de onmiddellijke omgeving en eindelijk ziet men nog slechts een grauwe dampige kom water, vlak rond het scheepje, Mr. Grant heeft zich al reeds omlaag begeven.Er moet snel zeil en vaart geminderd, dubbel scherp uitgekeken en met alle aandacht naar branding geluisterd worden, in welke omstandigheid de officier van de wacht zich wel eens betrapt dat hij boven in de ton van de kille natte kou staat te klappertanden.Gelukkig is het drie uur geworden, wanneer hij bijdraaien en looden moet, en met genoegen maakt hij van die gelegenheid gebruik om de ton te verlaten en op het dek die werkzaamheden te gaan leiden.De 150 vaam moeten met de hand ingehaald worden en het kille nat, dat met de lijn boven komt, loopt langs de verkleumde vingers in de hemdsmouwen tot op het lichaam, zoodat een ieder blij is als het lood met den daaraan bevestigden thermometer weder binnen boord is en men (op zijn schippers) de armen tegen het lijf heeft warm geslagen.Gelukkig trok de mist weder even snel op, als hij onverwachts verscheen. De zeilen worden geheschen, de weg vervolgd, en als ’s morgens te vier uur de wachtdoener in het kraaiennest door zijn opvolger wordt afgelost, is de officier die naar kooi gaat weder even bespraakt en vroolijk, als de wachtkrijger dof en stilzwijgend is.”
„Mijnheer! ’t is kwart voor twaalven!”
Die woorden, enkele keeren herhaald, doen den officier, die de hondenwacht krijgt, ontwaken. Hij opent de oogen, en, zich plotseling omkeerend, kijkt hij den matroos die hem wekte aan en zegt:
„Veel ijs?”
„Ja mijnheer, heel veel.”
„Mistig of helder?”
„Op ’t oogenblik helder, mijnheer.”
„Zwaarder ijs dan om acht uur?”
„De schollen worden grooter, mijnheer.”
„Dank je,” en met een door langdurige ervaring geleerd wipje staat de officier, die de wacht zal krijgen, naast zijn kooi, en zoekt op een vrij rommelig dek zijn zeelaarzen op, die met zijn muts en pijjakker het tenue in weinige oogenblikken voltooien.1
Terwijl hij nu den barometer, die dicht bij zijn kooi hangt, gaat aflezen, luistert hij onderwijl met aandacht naar hetgeen er op dek voorvalt, nieuwsgierig te weten hoe hij, aan dek gekomen, den toestand vinden zal. Als doffe, van zeer ver komende klanken, bereiken hem de kommando’s waarmede de officier der wacht het schip uit het kraaiennest bestuurt, en hij tracht uit de elkaar snel volgende bevelen op te maken wat er op ’t dek plaats grijpt.
„Loeven, loeven! Bakboord aan boord het roer! Voorschoten afvieren,” klinkt het van boven, en aan het wilde rukken en slaan van den stagzeilschoot begrijpt de officier omlaag dat het schip hoog aan den wind schiet, waarschijnlijk om nog juist even vrij te loopen van een ijstong, die gerond moet worden.
„Schoten weêr aankorten. Op je roer!” en een oogenblik later klinkt luider en scherper: „Achterschoot afvieren, piek neêr.”
Haastige, driftige stappen op het achterdek volgen, men hoort halen en trekken, en dan volgt op eens eene algemeene stilte.
In afwachting van den stoot tegen het ijs, welke hij denkt dat volgen zal, grijpt de officier, die juist de kajuitstrap op wilde gaan, nog haastig eenige glazen van tafel, doch zijn kameraad daar boven hanteerde het schip daartoe te goed; er volgt niet de minste stoot en alleen een kraken en krassen van het ijs aan bakboord tegen het dubbelhuid verkondigt den officier omlaag dat het kritieke punt voorbij en de ijstong, zonder er tegen op te loopen, gerond is.
„Bij den wind weêr,” klinkt het nu vroolijk uit het kraaiennest, en een oogenblik daarna: „Klaar om te wenden,” enz., enz.
De aflosser is op het dek gekomen, en vóór hij bovenin de ton de wacht gaat overnemen, kijkt hij met aandacht en belangstelling rond.
De vlag waait, want deWillem Barentsis in het ijs! en dan moet de oude driekleur altijd wapperen. De vlag brengt geluk aan, zeide men aan boord. De wind is bewesten het noorden.
Alle bijdewindzeilen staan bij, behalve de gaf-topzeilen. In alle richtingen (zoover men tenminste van het lage scheepsdek kan oordeelen) is de zee met stroomen zwaar drijfijs bedekt.
De bovenlucht is klaar en helder, maar boven de kim verheft zich een dikke wolkenlaag, die de zoo welkome middernachtszon vernedert tot een fletse, vlokkige lichtschijf, wier randen doezelig en schier niet te onderkennen zijn.
Het schip koerst om de West, en men behoeft niet naar de zon of het kompas te kijken om zich omtrent het noorden en zuiden te oriënteeren, want de helle ijsglans aan stuurboord en de waterlucht aan bakboord duiden in voldoende mate die windstreken aan.
Met den langen kijker achter op den rug gehangen, gaat het nu vlug het loefwant in en weldra geven de twee officieren in de vrij beperkte ruimte boven in het kraaiennest elkaar de wacht over.
De één, die naar de kooi gaat, is bijzonder opgewekt en vroolijk—de ander heeft nog niet wat hij noemt „stoom op”.
De één, die telkens nog een kommando naar omlaag praait, is zeer bespraakt—de ander vergenoegt zich met een zwijgende rol.
„Veel ijs, als je ziet. Een mooie wacht gehad. ’t Scheepje is erg handig onder dit tuig. Toch scheelde het bitter weinig of ik had het op het ijs gezet. Heb je het omlaag gehoord? Zeker wel; nu ’t ging met een aanloopje, ik had er bepaald schik in.”
„Wat is je koers?”
„Noordwest, maar west ten noorden is het hoogste wat ik leggen kon. ’t Waait een flinke bries, doch de lucht blijft goed staan.” Daarna volgen eenige opgewekte verhalen van eene wending die bijna mislukte juist op den rand van een zwaren ijsstroom en van „het doorslippen” tusschen twee verbazend groote schollen, welke verhalen door den wachtkrijger stilzwijgend worden aangehoord, waarop de officier, die naar kooi gaat, op eens zijn hoofd buiten het kraaiennest steekt en naar omlaag praait: „acht glazen”, om daarna tot den zwijgenden kameraad te zeggen: „Nou, je hebt hem. Aangename wacht!”
„Dank je! wel te rusten!” en de ton bevat nog slechts één persoon.
Blijkbaar heeft de officier der wacht eenigen tijd noodig om het boven in het kraaiennest, waar het flink vriest, naar den zin te krijgen; de eerste oogenblikken worden de kommando’s dan ook schier instinctmatig gegeven, maar de noodzakelijkheid om met alle aandacht de bewegingen van schip en ijs te volgen, brengt hem spoedig volkomen tot de werkelijkheid terug; ze drijft hem den slaap uit de oogen, en na weinige oogenblikken heeft hij zich met geheel zijn hart weer aan het manoeuvreeren met het scheepje gewijd.
De lange kijker wordt uitgehaald en met aandacht het te betreden kampveld in oogenschouw genomen, waarvan hij door niets gestoord of afgetrokken wordt. Het wachtvolk omlaag rookt, nieuwsgierig over de verschansing kijkend, het eerste pijpje, en de doodsche stilte alom wordt slechts afgebroken door het schelle geschreeuw van een „lestris parasitica”, die, op buit belust, nu en dan boven de ton heenzweeft.
Nadat het terrein goed is opgenomen, begint eerst recht de eigenlijke ijsvaart.
In de eerste plaats komt het er nu op aan om met den langen kijker de ligging der ijsmassa’s en de bewegingen daarvan aandachtig op te nemen, om dadelijk daarna het punt aan den verren horizon te kunnen vaststellen, dat men na twee of drie uren varens bereiken wil.
Is dit punt eenmaal gekozen, dan begint men reeds dadelijk te beproeven het schip zoodanig door de steeds van plaats en vorm veranderende ijsmassa’s te werken, dat men, zonder in een der wakken of lanen vast te loopen, op het einde der wacht het schip gebracht heeft op de vastgestelde plaats.
Men moet nu snel beoordeelen welke openingen men al dan niet met het schip durft ingaan, en in welke ijslanen men de minste kans heeft opgesloten te worden.
Het geheel vrijsturen van de ijsstroomen en schotsen op de plaats zelve waar men zeilt, wordt bijzaak, want de officier die er zich op toelegt om keurig netjes tusschen de omliggende schotsen heen te sturen, verliest licht de bewegingen van het ijs in de verte uit het oog en loopt steeds gevaar zich in het ijs vast te werken.
Voor een zeilscheepje is het van het grootste belang zooveel mogelijk loef te houden, en hoewel het natuurlijk weinig kunst is om nimmer tegen het ijs aan te loopen, zoolang men maar voortdurend af wil houden, moet de officier der wacht er steeds naar streven, om zoo weinig mogelijk van het behaalde voordeel weder prijs te geven, en in de richting te blijven. Steeds tracht hij dien doortocht te bereiken, al is hij nog zoo klein, waardoor hij het minste in loef verliest.
Het is met de ijsvaart als met de menschen; begint men eenmaal eene te overkomen moeielijkheid den rug in plaats van de borst toe te keer en, dan is de strijd tusschen gaan of blijven, tusschen wijken of kampen reeds half beslist.
In de ijsvaart heeft de moedige veel vóór, omdat hij geduld weet te oefenen en met kalmte het dreigendste gevaar in de oogen weet te zien, om daarna onmiddellijk te beproeven er zoo veel mogelijk zijn voordeel mede te doen.
Toch hebben juist die aanhoudende gevaren een eigenaardigen prikkel voor den zeeman; hij is met hart en ziel bij het werk, en zoo is dan ook te verklaren dat de officier in ’t kraaiennest derWillem Barentsniet eens bemerkt heeft, dat er iemand bezig is in het want naar boven te klimmen.
Op eens komt het hem echter vóór, alsof de streng schudde, en even uit de ton omlaag blikkend, wordt hij zijn wachtgenoot Grant gewaar, die, met een koffieketeltje om den hals gebonden, zijn best doet naar boven te enteren.
Grant is geen zeeman en blijkbaar heeft hij dan ook al zijne krachten noodig om zich in het vrij slappe want vast te houden, en als hij slechts langzaam vordert, springt een der matrozen hem achterna, bereikt hem in enkele seconden en biedt hem aan, het voor den officier der wacht bestemde keteltje warme koffie naar boven te brengen.
„No! no! Certainly not,” geeft Grant hem ten antwoord en ofschoon hij zich nog hechter vastklemt, omdat zijn gedienstige vriend het want nog meer doet schudden, dan toen hij er maar alléén in stond, wil hij van geen hulp weten, en stijgt langzaam maar zeker al hooger en hooger, tot hij eindelijk de ton heeft bereikt en den wachthebbenden officier de koffie overreikt, welke met zooveel moeite omhoog is gebracht.
„’t Is heel vriendelijk van je, Grant! dank je wel zeer! wacht, laat ik je eens helpen,” en gedeeltelijk uit de ton klimmend, maakt de officier der wachttijdelijk ruimte voor zijn vriend, die een oogenblik later, nog naar zijn adem hijgend van het klauteren, veilig en wel naast hem staat.
Het vaarwater is nu vrij ruim, waarvan onmiddellijk gebruik moet gemaakt worden om de koffie te drinken terwijl ze nog heet is, en zonder dat er een woord bij wordt gesproken, ontdooit de officier de beide handen aan het warme keteltje en haalt Grant uit zijne zakken een kopje en een lepeltje voor den dag, waarbij hij nog spoedig een met suiker gevuld blikken busje voegt. Om beurten wordt het kopje geledigd, en terwijl beiden zich dus warmen, hebben wij gelegenheid met Mr. Grant nader kennis te maken.
W. J. A. Grant is een jong vermogend Engelsch grondbezitter, wiens familie sedert jaren in Devonshire nabij Exeter woont.
Hij is acht-en-twintig jaar oud, heeft te Oxford gestudeerd en had reeds het grootste gedeelte van Europa bereisd toen hij in 1876 als amateur-photograaf de pool-expeditie met dePandoraonder Sir Allen Young naar Smith Sound mede maakte.
In Engeland teruggekeerd maakten zijne uitstekend geslaagde photographieën van een tot dien tijd nagenoeg geheel onbekend deel van onzen aardbol alom grooten opgang, enthe Society of the Photographic Expositionte Londen vereerde den veelbelovenden artist haren bronzen eerepenning. Van alle kanten aangemoedigd op den roemvol ingeslagen weg te volharden, zag Mr. Grant naar eene gelegenheid uit, nogmaals een pool-expeditie mede te maken, en toen nu deWillem Barentsin Holland werd uitgerust, bood hij geheel belangeloos het Nederlandsche Comité aan op eigen kosten de reis mede te maken, welk welwillend aanbod natuurlijk met groote ingenomenheid werd aangenomen, waarop hij in Mei1878 naar Amsterdam kwam, tegelijk met al zijne photographische toestellen en benoodigdheden, die eene gezamenlijke waarde van ± 700 gulden vertegenwoordigden. Zonder het een oogenblik te betreuren afstand gedaan te hebben van het gemakkelijk en aangenaam leven op zijne goederen in Devonshire, maakte Mr. Grant zich aan boord derWillem Barentsspoedig geheel thuis en was weldra aan boord, zoowel vóór als achter den mast, gezien en geëerd.
Hij had de slechtste slaapplaats, vlak bij de altijd rookende kombuis, moest iederen nacht van 12 tot 4 aan dek de wacht meê maken, verstond zelden een woord van wat er rondom hem gesproken werd en was nochtans een der vroolijkste, gezelligsteshipmates.
Trouwens al deze onaangenaamheden hadden niets te beduiden, als men ze vergeleek bij de dagen dat hij als photograaf moest optreden, en als snel opkomende buien of dichte sneeuwjachten hem teleurstelling op teleurstelling berokkenden.
Photographeeren in de IJszee is dan ook inderdaad het wanhopendste werk, dat men zich kan voorstellen.
Zelden is er zon en bijna voortdurend mist, en is men eindelijk met veel moeite met den toestel op een ijsschots afgezet, dan blijkt het eerst recht, hoe bewegelijk de geheele ijsmassa in werkelijkheid is.
Vaak valt een sneeuwbui juist in als de „plate” gereed is, of blijken de lenzen nat en vochtig te zijn precies op ’t oogenblik, dat na lang wachten de zon voor slechts enkele minuten doorkomt. Daarbij scherpe, koude winden, onzekere gemeenschap met het schip, gevaar voor ijsberen of plotseling opkomenden mist, enz., enz.; maar Grant liet zich door niets afschrikken en was dag en nacht in de weer, zoodraer maar de minste kans bestond, eenige photographieën te kunnen nemen.
Lag deWillem Barentsergens onder den wal ten anker, dan was hij dadelijk aan land en ieder aan boord bewonderde hem oprecht, als hij, steeds ongewapend, overladen met pakjes en toestellen (die te zamen 18 kilo wogen), dag in dag uit, geheel alléén, de steilste punten beklom of tegen de gevaarlijkste hellingen opklauterde, „to choose his picture,” zooals hij dat uitdrukte.
Meermalen na vier uren onafgebroken klimmen, bleek al die moeite voor niets geweest te zijn, namelijk als tot zijn diepe teleurstelling een dikke mist kwam opzetten voor hij geheel klaar was om de schoone photographie te nemen.
„’s Nachts was hij dan doorgaans werkzaam in zijn „donkere kamer,” en als men bedenkt dat iedere „dry-plate-exposure” hem vijf kwartier aan één stuk bezighield, zal men kunnen begrijpen, dat hij gewoonlijk met het aanbreken van den dag ternauwernood klaar was gekomen met zijn werk van den vorigen dag; maar nauwelijks was er weder een zonnetje zichtbaar, of men zag hem belast en beladen met stille trom van boord slippen, om, niettegenstaande koude, mist, regen en wind, met hetzelfdefeu sacréen met onverklaarbare taaiheid, nieuwe teleurstelling te gemoet te gaan.
Grant is in elk opzicht een artist; hij leeft voor zijn kunst, waarin hij om zoo te zeggen geheel opgaat, en volop geniet hij, wanneer hij de schoonheden van moeder natuur mag bewonderen.
Zoo blikt hij ook nu in stilzwijgende opgetogenheid uit het kraaiennest voor zich uit naar de onafzienbare ijsmassa’s, die in alle richtingen het scheepje omringen, en zijn ziel met een gevoel van ernst en eerbied vervullen.
Men voelt zich zoo klein in die schier grenzenlooze woestenij van glinsterende ijsmassa’s, waartusschen zich het ranke schoenertje schijnbaar zoo rustig voortbeweegt, terwijl de officier der wacht met ingespannen aandacht de kronkelende wakken en lanen uitkiest waarlangs hij zijn koers het beste kan vervolgen.
Den in de ijsvaart oningewijden zou de geheele omgeving een ondoorgrondelijk doolhof toeschijnen, waar hij zich noode in waagde, maar voor hem, die zich langzamerhand aan die toestanden gewend heeft, ziet alles er geheel anders uit, en hij beaamt het volkomen wat Mr. Grant zich half fluisterend ontvallen laat, dat de ijsvaart toch een goede leerschool voor zeevolk is.
„Ja zeker, Grant!” klinkt het antwoord van zijn vriend, „ja zeker is de ijsvaart nuttig tot vorming van flink en doortastend zeevolk; daar kunnen ten minste onze Hollandsche geschiedboeken ruimschoots van gewagen.”
De zee hier, als zij spreken kon, zoude dit met menig schitterend verhaal kunnen staven, en wij hebben de oude reisverhalen onzer Groenlandvaarders maar open te slaan, om er op iedere bladzijde uit te leeren, hoe die voortdurende worsteling op leven en dood met de natuur de edelste eigenschappen van ons zeevolk ontwikkelde en het louterde tot brave, rechtschapen, godvreezende harten, die goed en bloed veil hadden voor de rechten en belangen van het geliefde vaderland.
Het zoogenaamde West-ijs is dan ook het kampveld geweest, waar onze voorvaderen te midden van sneeuw, storm en nevels, van ijspersing en ijsgang, die uitstekende eigenschappen aankweekten, die hen tot den huidigen dag zoo wereldberoemd hebben gemaakt.
Wanneer men bedenkt dat er jaarlijks meer dan 200 Groenlandvaarders onze havens verlieten met een bemanning van 40–60 koppen, dan blijkt daaruit hoe er jaarlijks gemiddeld een 10.000 matrozen alléén aan die vaart deelnamen, waardoor het begrijpelijk wordt dat men de talrijke vloten van De Ruyter en Tromp steeds met flink zeevolk bemand in zee kon sturen, hoe groot de verliezen van de vorige jaren ook geweest waren.
Het is wáár, jaarlijks ontvielen der vloot enkele schepen, die door het ijs vernield werden, maar de overige wisten door de voordeelige visscherij schatten van onder het ijs te halen en oefenden onverschrokken een bedrijf uit, dat naar omstandigheden meer of minder inspanning en ervaring, maar in alle gevallen de grootste koelbloedigheid en kalmte eischte.
Door de ijsvaart werd het zeevolk gehard, kordaat, geoefend. Men repareerde schip en tuig te midden van hagel en sneeuwjacht en leerde een schip thuis brengen, al was het in zinkenden toestand. En dat dit met de grootste moeite gepaard ging, wanneer het schip, laat in het jaar geheel lek uit het ijs geraakt, slechts door aanhoudend pompen kon boven water worden gehouden, lezen wij in menig reisverhaal.
De bemanning was dan vermoeid, de victualie nagenoeg verbruikt en het eenige middel om schip en lijf te redden bestond in het stout voor wind en zee blijven weglenzen tot aan de Hollandsche kust toe. Tegen harde noorden- en noord-oosten-winden naar Noorwegen op te werken, kon en wilde de gezagvoerder nooit doen.
Het journaal van commandeur Freeke Pieters, die in 1769 met het schipde Vrouw Marianaar Groenland stevende, en eerst na aan tal van gevaren te zijn ontkomen, den 16den November op de breedte van JanMayen-eiland uit het ijs kwam, verhaalt zulk een ernstig ongeval met een ongekunstelden eenvoud, die ons inderdaad treft.
„18 Nov. Kregen veel water in het schip, ik moest aan het volk veel goede woorden geven, om haar aan ’t pompen te krijgen, dewijl zij zeer zwak en hongerig waren en sommigen hun vingers bevroren.
„28 Nov. Vliegende storm uit ’t N. N. W., donker weêr. Des morgens en wederom des avonds kwam het volk bij mij en zeide dat ik land moest zoeken of haar meer te eten geven.
„Tot het eerste kon ik niet resolveeren en het laatste had ik niet en zeide daarom:
„Wij zijn God zij dank uit bezetting in ruime zee; wij hebben nog voor 5 dagen victualie, gij hebt u zoo lang beholpen, hebt toch geduld”; maar zij antwoordden: „Wij kunnen alles in twee dagen wel opeten. Wilt gij noch tot het een, noch tot het ander resolveeren, zoo gaan wij met alle man ter kooi.”
„Geeft gij niet om uw leven?” zeide ik, „zoo maakt mij dan alle zeilen maar vast, en wij zullen ’t dan op Gods genade laten drijven.”
„Woensdag 29 Nov. Het volk kwam bij den kok en dwong hem hun 4 lokjes gort en 4 lokjes erwten meer te koken.
„Zaterdag 25 December werd het weêr wat beter, wij namen één rif uit ieder marszeil; het volk kwam met alle man bij mij en zeide: „Nu is al het eten op, zullen wij nu van honger sterven?”
„Ik zeide: „Gij hebt dezen morgen al gegeten; wij hebben nog erwten voor vandaag en morgen, wie zorgt voor den derden dag? Wij zullen binnenkort wel een of ander schip ontmoeten. Houdt moed en geduld.”
„Zij vertrokken van mij zeer ontevreden, het weêr werd wat beter. Wij zagen voormiddags een hoeker,hijschten onzen vlag tot een sjouw, klaagden onzen nood en verzochten hem om wat victualie! Het water stond zeer hol, onze sloep ging toch van boord en wij kregen 4 vaten hard brood, 1 zak gort, 1 ton zoutevisch, ½ vat bier.
„Ik liet terstond het volk een glas bier en een stuk hard brood ronddeelen. Het was aandoenlijk te zien met welken smaak en vergenoeging zij dat gebruikten. Zetten alle zeilen bij en zagen den volgenden morgen de Vaderlandsche kust.”
Wat leerde het zeevolk hunne eigen krachten kennen en er op vertrouwen!
Wat oefende men zich onophoudelijk in het overwinnen van schier onoverkomelijke gevaren!
Wat verwierf men zich een schat van het voor den zeeman zoo onmisbaar zelfvertrouwen!
Was het wonder, dat de ijszeetochten in die dagen populair waren, zoo zelfs dat de traditiën daarvan nog heden ten dage in onze kustplaatsen voortleven.
Het binnenvallen der Groenlandsche vloot was een nationale feestdag; men had die vaart lief; met belangstelling volgde men hen die er aan deel namen; en in tal van zeemansliederen werd diemoeielijkemaar opwekkende vischvangst bezongen.
Al pratende en vertellende is de wacht aangenaam opgeschoten en Grant zoude zeker nog meer vernomen hebben, als de officier der wacht niet eensklaps stil had gehouden en onaangenaam verrast om zich heen had getuurd.
De geheele omgeving schijnt onduidelijker en doffer te worden; de zon verdwijnt geheel en al, en met teleurstelling ziet de officier van de wacht dat de reden daarvan te zoeken is in een mistbank, die, als een lichtgrijze massa komende opzetten, hem weldra alle uitzicht beneemt.
Eerst verdwijnt het ijs langs den horizon, daarna de verst verwijderde stroomen en lanen in het ijs, dan zelfs de schotsen in de onmiddellijke omgeving en eindelijk ziet men nog slechts een grauwe dampige kom water, vlak rond het scheepje, Mr. Grant heeft zich al reeds omlaag begeven.
Er moet snel zeil en vaart geminderd, dubbel scherp uitgekeken en met alle aandacht naar branding geluisterd worden, in welke omstandigheid de officier van de wacht zich wel eens betrapt dat hij boven in de ton van de kille natte kou staat te klappertanden.
Gelukkig is het drie uur geworden, wanneer hij bijdraaien en looden moet, en met genoegen maakt hij van die gelegenheid gebruik om de ton te verlaten en op het dek die werkzaamheden te gaan leiden.
De 150 vaam moeten met de hand ingehaald worden en het kille nat, dat met de lijn boven komt, loopt langs de verkleumde vingers in de hemdsmouwen tot op het lichaam, zoodat een ieder blij is als het lood met den daaraan bevestigden thermometer weder binnen boord is en men (op zijn schippers) de armen tegen het lijf heeft warm geslagen.
Gelukkig trok de mist weder even snel op, als hij onverwachts verscheen. De zeilen worden geheschen, de weg vervolgd, en als ’s morgens te vier uur de wachtdoener in het kraaiennest door zijn opvolger wordt afgelost, is de officier die naar kooi gaat weder even bespraakt en vroolijk, als de wachtkrijger dof en stilzwijgend is.”
1In het ijs of in het kustwater ontkleeden de wachtdoende officieren bij het naar kooi gaan zich nimmer.↑
1In het ijs of in het kustwater ontkleeden de wachtdoende officieren bij het naar kooi gaan zich nimmer.↑
1In het ijs of in het kustwater ontkleeden de wachtdoende officieren bij het naar kooi gaan zich nimmer.↑