VI.VI.DES ZOMERS OP DE NOORDZEE,Beynen schreef mij in den tijd dat hij het volk warm poogde te maken voor zijn ideaal: „Telkens ontmoet ik jonge officieren en minderen, waarfeu sacréin zit voor alles wat in ons vak kloek en grootsch is te vinden, doch ik denk er meermalen met zekeren weemoed aan, hoe die jeugdige frissche krachten door teleurstellingen en niets doen wellicht zullen verwelken. Hoe anders zou het zijn als zij, in plaats van te passagieren in Indië, avontuurlijke tochten gingen ondernemen; als zij met fier gevoel van eigenwaarde in onbekende zeeën gingen doordringen, om later met geestdrift en edelen naijver door hun kameraden en vrienden in het vaderland ontvangen te worden.” Wat Beynen wilde en door woord en daad predikte, zal verder nog duidelijker aan het licht komen, want ik moet nu het verhaal van zijn wedervaren voortzetten.Toen hij overal zijn lezingen gehouden had, werd hij geplaatst opZr. Ms.Zeehond, waarop hij met de tot bootsmansleerlingen bevorderde jongens van deWassenaar, een oefeningstocht zou maken op de Noordzee, onder bevel van den overste Guyot.Den 23sten April 1877 schreef hij aan boord van dit vaartuig:„Prins Hendrik stond mij gisteren een audiëntie toe. Ruim vijf kwartier heb ik de eer gehad metZ. K. H.te zitten praten, na alvorens het boek vanHackluyt Societyeerbiedig te hebben overhandigd. Ik heb den prins vooral gewezen op de commercieele voordeelen, welke uit tochten naar het Noorden na verloop van tijd kunnen spruiten; welk een oefeningsschool voor zeelieden de ijsvaart is, en hoe goed voor den nationalen roem.Z. K. H.sprak van het laten bouwen van een houten scheepje, en was van meening dat zulks voor geringer kosten in Zweden kon geschieden.”Den 18den Mei 1877 schreef hij aan boord vanZr. Ms.Zeehond, geankerd in ’t Haringvliet:„Wij zijn hier van morgen op de reede vertuit, om de jongens te leeren ketting klaren. De brik manoeuvreert uitstekend, en luistert bijzonder nauwgezet naar het roer. De loods drukt dit uit door te zeggen: „de brik is kittelig.” Dagelijks zien wij tallooze naamgenooten van onze kittelige, schoon bejaarde brik op de Zeehonden- en Garnalen-plaat. Zij laten ons evenwel niet genoeg naderen om een schot op hen te doen, wat zeer natuurlijk is als men bedenkt dat gelijknamige polen elkander afstooten.„We gaan naar Edinburgh, dan terug naar Hellevoet, vervolgens doen wij een Duitsche haven aan, en dan via Nieuwediep terug naar Hellevoet en dat voor goed.” En later schreef hij: „Slecht weder hebben wijnog weinig gehad. Alleen een weinig uit het Z. W. en toen ging deZeehondopmerkelijk wild te keer. Hij stopte zijn neus tot boven het vinkennet in het water en rees dan op, en dat zoo snel en krachtig, dat de bezaansboom uit de mik gelicht werd.„De schipper verklaarde dat dit niet te verwonderen was, als men bedacht: dat hij nu weer eens los raakte na 17 jaren aan de ketting gelegen te hebben.”Kruisende op de Doggersbank, schreef hij den 10den Juni:„Van daag voor acht dagen verlieten wij de reede van Hellevoet. Toen wij onder zeil gingen kwam de stuurman, met de laatste brieven van den wal bij zich, aan boord, en verbeeld u mijn verbazing, toen hij mij een aangeteekend pakje overhandigde, dat een mooie gouden ketting bevatte, met de inscriptie: Utrecht, 14 April 1877. Er was een schrijven bij van prof. Quack, waarin hij mij, namens het Utrechtsche subcomité, de ketting aanbood, als een herinnering aan mijn lezing te Utrecht. Wat mij vooral trof was de datum van 14 April, de jaardag van mijn goeden vader, en meer dan ooit riep dit mij toe, hoe ik toch al deze zaken aan zijn verstandige en zorgvuldige opvoeding in de eerste plaats te danken heb.”Toen hij op dezen oefeningstocht was, ontving hij de officieele mededeeling van de Nederl. regeering dat H. M. koningin Victoria hemthe arctic medalhad toegekend. Ik ben in de gelegenheid gesteld om te lezen wat graaf van Bijland, onze gezant te Londen, aan den minister van Buitenlandsche Zaken dienaangaande schreef:„Ik meen hier niet onvermeld te mogen laten, dat Sir Allen Young bij het overreiken van nevensgaand eereteeken met den meesten lof heeft gesproken van de vastberadenheid, de kunde en het beleid doorluitenant L. R. Koolemans Beynen voortdurend aan den dag gelegd tijdens zijn diensttijd aan boord derPandora.”Op dit eereteeken was Beynen te recht zeer fier. Het was hem een schoone herinnering aan een leerzamen, belangrijken tijd, toen hij meer dan zijn plicht deed.Het is een kleine zilveren medaille met wit satijn lint en zilveren gesp. Op den eenen kant het borstbeeld van koningin Victoria, en op den andere een schip in ’t ijs.In Juli kruisende op de Noordzee, schreef hij: „Op de Doggersbank hebben wij gevischt, zonder evenwel veel te vangen. Op 60° N. Breedte herinnerde mij de frissche koude noordenwind en het voortdurend dag zijn, de vaak opkomende nevels en de veleloomsweder aan de „Arctic Regions” en al het lief en leed, dan denk ik met zekeren heiligen eerbied aan onze lieve, brave, nu ontslapen koningin, de tijding van wier overlijden ons diep trof. Zeker heeft zij veel lief en leed gekend, maar ze heeft ook veel liefde betoond en veel leed verzacht. Moge zij bij ons volk in eerbiedige herinnering blijven. Onder den indruk der tijding schreef ik uit Edinburg een kort briefje aan Prins Alexander, die ik begreep dat deze slag ontzettend zal gevoelen, en in de hoogste mate bedroefd zal zijn, en wellicht eenigen troost kan vinden in het medegevoel van ieder die hem kent en weet hoe hartelijk hij zijn moeder lief had.„Ik vernam te Edinburgh dat er geld blijft inkomen voor de Noordpoolreis. Met hart en ziel blijf ik hopen dat ons volk op den reeds ingeslagen weg zal willen voortgaan, tot eer van koning en vaderland, en tot zijn eigen bestwil. Wat Zweden jaar in jaar uit vermag,kan Nederland toch zeker ook doen, en in het vaderland van Barents kan de geest niet uitgedoofd zijn, die eeuwen lang de Nederlandsche driekleur den weg deed wijzen op alle zeeën der aarde.”Van zijn tocht op deZeehondgaf Beynen bij mij aan huis eens aan mijn jongens, na den eten, een belangwekkende beschrijving, welke ik ’s avonds uit mijn herinnering opschreef en gelukkig bewaard heb. Ik had dien dag met hen een bezoek gebracht aanZr. Ms.opleidingsschipAdmiraal van Wassenaerte Amsterdam. De commandant, kapitein-luitenant ter zee Steffens, ging het geheele schip met ons rond; we zagen de flinke jongens exerceeren, we woonden het onderwijs bij, en verlieten het schip met groote bewondering voor een opleiding en behandeling, waardoor kloeke zeelieden gekweekt worden, die tucht, gehoorzaamheid en handigheid in hun jeugd geleerd hebben.„Weet je wat voor flinke zeelui jongens worden die durven en goed leeren?” vroeg hij aan mijn zoons, die met hem dweepten. „Dan zal ik je er eens vertellen hoe de jongens van deWassenaerhet van den zomer op zee maakten, toen ik met hen naar de haringvloot zeilde. Luister.„Het is een kalme, schoone Juni-morgen en onze oefeningsbrik drijft zachtkens, nauwelijks acht slaande op de bewegingen van het roer, over het spiegelgladde water van de Noordzee. DeZeehondbevindt zich te midden van honderden Nederlansche visschersschepen, waarvan de bemanning in de grootst mogelijke drukte bezig is met het sorteeren en kaken der gedurende den nacht gevangen haring. De krachtige, frissche zonen onzer kustdorpen werken hard door, want ze verlangen na het uitputtend werk eenige rust te genieten; evenwel houden ze toch even op, omover de verschansing naar het schoone hooggetuigde Nederlandsche schip te kijken, van welks bewegingen ze zich aanvankelijk geen rekenschap konden geven.„Voor de eenvoudige visschers was het schouwspel trouwens heerlijk schoon.„De breede, zware, sneeuwwitte zeilen—kant bijgezet—spreidden zich deftig en indrukwekkend over het sierlijk vaartuig uit, dat in de meeste stilte tusschen de vaartuigen van de visschersvloot voortglijdt.„De wimpel aan den grooten top, het geheele tuig, de netheid en orde welke overal heerschen, hebben reeds lang het oorlogschip doen kennen, waar aan boord, gedurende de morgen-inspectie welke juist gehouden wordt, de grootste stilte heerscht. Op eenmaal klinken de korte krachtige commando’s van den eersten officier en het geheele schip schijnt leven en bezieling te krijgen.„Als door onzichtbare draden bewogen, kruipen de halzen en schoten der vierkante zeilen vlug en rap naar het midden der ra’s, die dadelijk daarop—als bezwijkend voor dien onverwachten aanval—met luid geraas langs de stengen omlaag glijden.„De driehoekige stagzeilen vooruit op de boegspriet verdwijnen als door een tooverslag, op hetzelfde oogenblik dat het groote brikzeil met kluchtige deftigheid zich in lange breede plooien samenvouwt.„Een tweede commando klinkt … en meer dan 80 jonge frissche knapen, in de nette zeemansdracht der marine gekleed, enteren vlug als katten van weerszijden tegen het want op; verspreiden zich snel en stil door het geheele tuig, vatten met flinke, krachtige grepen de zware onhandelbare zeilen aan, en in minder dan twee minuten zijn allen weêr omlaag, en is geen stukje zeil meer zichtbaar. Het schip ziet ermet zijn vastgemaakte zeilen nu uit alsof het te Nieuwediep aan de kaai lag. Nu volgt de eene verrassing op de andere. De zeilen-exercitie is begonnen; het is zeilen bijzetten en opnieuw bergen; marszeilen afslaan en verwisselen, zeilen reven of beslaan.„Onder deze opwekkende, belangrijke exercitie beginnen de jonge matrozenharten al driftiger en driftiger te kloppen, de altijd bestaande naijver tusschen de jongens van den grooten top en van den vóórtop wakkert aan tot een opgewonden poging, om ook nu weêr het eerste met alles klaar te zijn. De jongens vereenzelvigen zich—zonder er zelve bewust van te zijn—geheel met de verschillende exercitiën, en indien men het bezielend commando niet matigde, dan zou de gloed, waarmede ze werken, aanstonds in wilde drift overslaan, en ze zouden hun leven er aan wagen om uit wedijver de roekelooste waagstukken te doen in het tuig.„De jonge visschers op de sloepen zien met bewondering de exercities op het oorlogschip aan, en indien nu reeds menige bejaarde visscher uitroept: „die jongens zijn flinke borsten, hoor!” als zij hen daar hoog in de lucht, als ’t ware aan hun adem zien hangen, hoeveel dieper zouden ze dan getroffen zijn, indien ze diezelfde kinderen eenige dagen geleden hadden zien werken. Het was in het begin van den oefeningstocht. De hoog opgezette zee deed de brik verschrikkelijk heen en weder slingeren, toen de jongens voor het eerst van hun leven den wind, wild en woest, met gierende vlagen door het tuig hoorden huilen. De nacht was stikdonker en het schip steunde en kraakte, alsof het bezwijken zou onder den druk van de hevig invallende buien. Toen de marszeilen één voor één dichtgereefd moesten worden, werden de oudste en sterkste jongens op dek gemonsterd, engingen ze op het commando van den kapitein het tuig in, om, denkelijk met kloppend hart, maar met de lippen op elkander vol waren mannenmoed, hun verschillende plaatsen op de ra’s te gaan innemen.„Toen ze boven op de marsra waren gekomen en elkander nauwelijks onderscheiden konden … toen de aanmoedigende stem van den commandant al sinds lang niet meer te hooren was in dien baaierd van wilde, ongekende geluiden … toen elke windvlaag werkelijk dreigde hen naar omlaag te zullen slingeren … toen een hunner sterkste makkers met een gil zijn houvast verloor en in den donkeren nacht omlaag viel—zonder zich echter ernstig te bezeeren—… toen was het meer dan mannenmoed, het was de ware bezieling, het heerlijk instinct van een oud, beroemd zeemansgeslacht, dat die kinderen over de slingerende rondhouten naar buiten deed enteren, alsof ze oude bevaren matrozen waren.„Zulke oogenblikken vormen mannen en hoe meer men er van hoort en ziet, des te meer wint de overtuiging veld bij ons, dat zulke zeemanschap gekweekt moet worden, indien wij op onze vloot die zelfdenkende, stoute, wakkere karakters willen houden, die zoo vaak den roem zijn geweest van ons volk.„Zeemanschap leert denken, handelen en opletten: geeft zelfvertrouwen en moed.„Evenals een soldaat dubbele waarde heeft, als hij deze eigenschappen heeft verkregen in tal van veldtochten, zoo krijgen de koppen opZr. Ms.schepen hun volle waarde eerst, wanneer ze op vele moeielijke reizen, van hun jeugd af zeemanschap hebben geleerd.„Van den aanvang af moeten de jongens beseffen, dat een zeeman geen werktuig maar een denkend wezen is, op wie groote verantwoordelijkheid rust,en die zichzelven en anderen redt door tegenwoordigheid van geest en vlugheid.„Een jongen, die bij harde bries een boven-bramzeil gaat vastmaken, ondervindt al dadelijk, dat hij met gezond verstand en kalm overleg vrij wat gemakkelijker slaagt, dan indien hij volgens ingeprente lessen, mannetje voor mannetje, precies naar het voorschrift handelt.„Een matroos die marsgast is en, bij het onderzeil gaan, als er wat aan hapert, onder het oploopen der marszeilen, door onmiddellijk te handelen, verdere stoornis voorkomt, begrijpt hoe hij daardoor vaak het schip vrijwaart voor een gevaarlijke botsing met een ter reede liggend vaartuig.„Een roerganger, die op een moeielijk oogenblik het roer verkeerd aan boord draait, weet dat zulk een misslag den ondergang van het schip en de bemanning ten gevolge kan hebben.„Dus komen er op zee aanhoudend en ongemerkt duizenden gevallen voor, waarin matrozen die eigenschappen ontwikkelen, welke in de marine zoo onontbeerlijk zijn, en die de flinke jongens van deWassenaerop zeilschepen moeten oefenen. Ze zijn goed onderlegd en als ze maar niet te vroeg naar Indië gaan, doch op onze zeeën geoefend worden, groeien ze op tot voortreffelijke zeelieden.„Naarmate de stoomvaart de overhand krijgt, komen er meer en meer zeesoldaten, artilleristen en machinisten in plaats van matrozen aan boord. Het gevaar hiervan is groot. Geen onjuister denkbeeld is er, dan dat op stoomschepen geoefende matrozen overbodig worden.„En in de koninklijke marine vooral zijn ze broodnoodig. Op onze kruisers, op onzelaunches, onze torpedo-booten, onze sloepen, kunnen wij zelfsminder dan ooit, zelfdenkende, vlug handelende, bedaarde, ervaren zeelieden missen.„Alles wat zeemanschap kweekt, verdient dus aanmoediging en steun. De opleiding op een schip als deWassenaer, tochten op oefenings-brikken, kruistochten van het eskader—met weinig stoomen en veel zeilen—stoute, kloeke ontdekkingstochten in verre, gedeeltelijk onbekende zeeën, dit alles verdient den steun van regeering en publiek. Dus blijft de avontuurlijke, ondernemende matrozengeest inheemsch, en de officiers, die met de jongens op de oefeningsbrik geweest zijn, erkennen, dat enkel iets aangemoedigd moet worden wat reeds bestaat. De oude geest van Janmaat is er nog, en flink en degelijk zeevolk zullen we behouden, als we in het Noorden de groote oefenschool openhouden, waar ook Michiel Adriaanszoon de Ruiter, op zijn reizen naar Groenland’s kust, dien kalmen moed en die zeemanschap ontwikkelde, welke zijn naam onsterfelijk maakten.”Dit was Beynen’s verhaal, en het had op mij zoo’n indruk gemaakt, dat ik hem een paar dagen later om nadere inlichting vroeg over die noodzakelijkheid van zeemansgeest bij jonge matrozen aan te kweeken, waarover hij steeds sprak. Reeds den volgenden dag schreef hij mij het volgende antwoord op mijn brief.A/B Z. M. Wachtschip, Amsterdam 11 Jan. 1878.Beste Vriend!Nog een paar woordjes om te zien in hoeverre ik aan je verzoek kan voldoen, door mijne meening uit te spreken en te argumenteeren, hoe noodig het is bij den tegenwoordigen toestand onzer marine zeemanschap en zeemansgeest aan te kweeken.De met zorg behandelde opleiding derWassenaerenAnna Paulownagewent van kindsbeen onze toekomstige matrozen aan het scheepsleven. ’s Zomers varen zij op kleine zeilscheepjes in de Zuiderzee en na twee jaar komen zij op ± 16-jarigen leeftijd a/b van eskaders of oefeningsschepen als de brik deZeehond.Wanneer zij nu ’t geluk hebben in dien tijd veel te varen en veel te exerceeren, dan draagt hunne eerste opleiding al dadelijk goede vruchten en op 19-jarigen leeftijd is een goed fond gelegd, waarop met succes verder kan gebouwd worden.Zij zijn gezond, sterk, vol ijver, vatbaar voor hoogere geestdrift en dikwijls bezield met een feu sacré voor hunne betrekking, dat ons de overtuiging geeft hoe met verstand en tact alles van die jongens te maken is. Nevensgaand eenvoudig fatsoenlijk briefje, tot mij gericht door een 19-jarig bootmansleerling die de brik verliet, billijkt dan ook mijns inziens bovenstaande zienswijze.Nu komt echter de tijd, dat zij voor ruim drie jaar naar Indië moeten, en hoewel zij daar hun beste, hunne heiligste krachten opofferen in ’t wezenlijk belang van ’t geliefde vaderland, toch blijft het niet te ontkennen, dat door het voortdurend varen op kleine stoomschepen die, zoo ze niet op rivieren varen, verspreid door den archipel kruisen, veel zeemanschap maarvooralenbovenalveel zeemansgeest verloren gaat.Drie kwart van onze marine nu brengt het grootste gedeelte van hun diensttijd in Indië door, verder op stoomschepen en pantserschepen in Nederland, maar slechts een klein gedeelte blijft herhaaldelijk op zeeschepen varen.Juist met ’t oog daarop is ’t wenschelijk datiedererichting gevolgd wordt, die als tegenwicht tegen het noodzakelijke doch minder leerzame dienen in Indië dienstig kan zijn om zeemanschap en zeevaartsgeest aan te kweeken en te verhoogen.Een verkenningstocht in de N. IJszee is bij uitstek geschikt om juist deze beide eigenschappen bij zeevolk aan te kweeken. Het moeielijke, het avontuurlijke, het eigenaardige van de ijsvaart vormt mannen, die lust krijgen om moeielijkheden op te zoeken en te overwinnen, en geeft hun als belooning een gepast gevoel van eigen kracht en eigenwaarde, die zeker heerlijke vruchten zal dragen, als zij op hunne posten geroepen worden om in tijd van nood, het vaderland te verdedigen.Reeds in mijn verslag van 1875 schreef ik:„Ieder zal erkennen, dat het voortdurend in gevaar verkeeren, dat deze vaart met zich brengt, voor den zeeman meer leerrijk is, dan het varen op een schip, dat, als het eens den goeden koers heeft, dagen lang kan doorleggen zonder eenig gevaar te duchten te hebben.„Niet alleen dat de zeevaarder in de ijszeeën, door het aanhoudende manoeuvreeren, gemakkelijk en vlug met zijn schip leert omgaan, maar hij zal ook snel een gevaar, waarin hij zich onverwacht bevindt, leeren overzien en daardoor dadelijk en beraden zijn maatregelen weten te kiezen, om het te ontwijken of het kalm en bedaard te doorstaan.„Mannen als Ross, Parry, M’Clure en Nelson, hebben dan ook herhaaldelijk betuigd, dat zij eerst in de met ijs bedekte zeeën hun opleiding als praktisch zeeman ontvangen hebben.„Doch wij Nederlanders hebben deze bevestiging niet in den vreemde te zoeken. Tal van onze meest stoute en onverschrokken zeevaarders zijn toch in deijszeeën gevormd; de ijszee was het oefenveld, de leerschool voor die stoute zeelieden die de eer van ons land zoo vaak op alle zeeën van den aardbol ophielden en het voorbeeld van den onsterfelijken Heemskerk, die in de armen der overwinning voor Gibraltar ’t leven laat, is voor het nageslacht nog niet verloren gegaan.„Toch zoude het verkeerd gezien zijn, om van een enkelen tocht van deWillem Barentsgroote gevolgen te verwachten om de aloude zeemansgeest en de aloude zeemanschap bij onze marine terug te krijgen.„Daartoe is het aantal menschen die er aan deel kunnen nemen veel te gering, maar wanneer onze natie het ernstig wil dat wij nog eene zeevarende natie blijven, dat wij nog werkelijk goed zeevolk blijven vormen, dan moet de reis van de „W. B.” de eerste stap zijn in eene richting, waarin onze marine zich later op grootere schaal kan gaan voortbewegen. Dan moeten daaruit voortvloeien reizen, zooals de Zweden die tegenwoordig zooveel door hunne marine doen ondernemen, n. l. wetenschappelijke reizen met oorlogschepen.„Sinds 1858 hebben de Zweden vijf expedities naar de N. IJszee ondernomen met kleine, sterk gebouwde zeilscheepjes, waarmede zij voor de wetenschap meer resultaten verkregen dan de Engelschen met hunne tochten op schepen die millioenen kostten, groote expedities met stoomschepen, die meer dan 1½ millioen pond sterling gekost hebben. Daaraan voegden zich reizen, om de zeeën, die Noorwegen en Zweden omringen, wetenschappelijk te onderzoeken, en op ’t oogenblik heeft de Zweedsche marine zich zoo krachtig in die richting voortbewogen, dat zij in dezen zomer behalve één groote wetenschappelijke poolexpeditiemet een stoomschip deVega, bemand met marine-officieren en manschappen, tegelijkertijd in de Noord-Atlantische Oceaan met het oorlogstoomschip deVöringen, een soort Challengerreis verrichten, terwijl de oorlogschepenAlfhildenGustavofKlintonder leiding van prof. Ekman eene hydrographische expeditie in de Oostzee zullen ondernemen.„In die richting kweekt de kleine Zweedsche marine lust, ambitie, ijver, zeemanschap, zeemansgeest bij haar volk en officieren aan; en dien weg moeten wij zooveel te meer trachten na te volgen, omdat onze marine, juist door onze koloniën, in ongunstige omstandigheden verkeert.„Het dienen in Indië maakt als hoog noodig tegenwicht een bewandelen van de Zweedsche richting voor ons dubbel noodzakelijk.„En nu nog een woord voor hen die beweren, dat wij in de toekomst geen matrozen meer noodig hebben, dat, waar de stoom meer en meer toepassing vindt, wij ons zeevolk door zeesoldaten kunnen doen vervangen.„In tijd van oorlog hebben wij bij onze marine noodig sterke, gezonde gestellen, die vele vermoeienissen kunnen doorstaan, vóórdat hunne geestkracht er door gebroken wordt, mannen die durven en die dadelijk en snel weten te handelen, mannen met een vasten wil en „iron nerves”, en juist deze eigenschappen worden uit duizend kleinigheden, reeds in tijd van vrede, bij menschen ontwikkeld, die veel op zee varen.„Zij leerendurven,attent zijn,kalm blijvenenhandelen,zien dat zij de bakens moeten verzetten naarmate het getij verloopt, en verwervendieeigenschappen, die vroeger deden zeggen, dat een zeeman voor alle baantjes geschikt was.„Voor alle die hoedanigheden is geen beter oefenveld dan de zee, en willen we stout ondernemend zeevolk krijgen en behouden, dan moeten wij beginnen met er geene zeesoldaten, maar wel zeematrozen van te maken.„En nu, waarde vriend, ga ik eindigen, het in ’t midden latend of dit supplement op mijn verhaal aan je jongens je duidelijk maakt wat ge begrijpen wilt.„Ge ziet er uit hoe het mijne meening is, nietalléénpoolreizen te ondernemen, maar ook reizen zooals de Zweden die doen, met de bedoeling om wetenschappelijke reizen op zeilschepen te doen ondernemen.„Maar vooral en bovenal,veel blijven varen.”Uit gesprekken met hem gevoerd, kan ik aanvullen wat hij in dezen brief schreef, opdat men wel beseffe wat zijn streven was. Indien ik vergissingen bega, door onwetendheid of doordien mijn geheugen mij in den steek laat, dan wijte men ze niet aan hem, die altijd even hartelijk en waardeerend van de Nederlandsche marine sprak, maar mij. Gedurende zijn verblijf in Indië had hij genoeg gehoord en opgemerkt om in te zien dat in enkele opzichten de ziel, hetesprit de corpsaan de marine ontbrak, dat er geen leerschool was om zich te bekwamen, geen prikkel om zich op zee te onderscheiden, geen oefenschool om met koene voorzichtigheid te leeren durven, en zich voor te bereiden tot een worsteling tegen overmacht.Instinktmatig gevoelde hij dat we noodig hadden om ons op dezelfde wijze te oefenen en te ontwikkelen als de voorvaders deden, en dat we daartoe weer moesten doen wat de marine vóór den Franschen tijd deed.Het korps zeeofficieren vóór de revolutie in 1795 was hoogst gedistingueerd, zeer beschaafd, ervaren en bekwaam. Het werd echter tijdens de revolutie door Peter Paulus ontbonden en vervangen door mannen van minder gehalte, die er zich op beroemden door de kluisgaten aan boord te zijn gekomen. Grof schelden en slaan kreeg toen den boventoon en behield dien eenige jaren. Na 1815 ontstonden er twee stroomingen in het officierskorps der marine. De uit krijgsgevangenschap van de Engelsche pontons teruggekeerde officieren brachten Engelsche uitdrukkingen en indrukken mee. De officieren daarentegen die op de Fransche vloot gediend hadden, waren in de eerste plaats militairen geworden. Zij hadden soldatesquen geest enmanoeuvres de forceop steeds ten anker liggende schepen geleerd. De Engelsche napraters hadden de meeste zeemanschap en zeemanskennis, doch de stuurman bracht het schip in zee, en de officieren waren niet meer met hart en ziel zeelui gelijk de Trompen en de Ruiters waren. Het eskader, dat we van 1818 tot ’30 in de Middellandsche zee hadden, moest dus den grond leggen voor een wedergeboren marine, maar indien we ons niet vergissen, geschiedde dit te veel in den Franschen geest, en leerde men in de eerste plaats exerceeren en manoeuvreeren, terwijl men geen zeelieden, geen „navigateurs” vormde. Toch was het een goede oefenschool. In 1830 werd het eskader teruggeroepen en tijdens den langgerekten oorlog met België kwamen de officieren op de Schelde en bleven tot 1836 binnengaats op de kanonneerbooten; wat door het eskaderleven gewonnen was, ging aldus verloren. Men trachtte dit te herwinnen door eenige schepen jaarlijks een week of wat te laten zeilen, maar men vond het te kostbaar en achtte de resultaten te gering voor het geld.De vaart op Indië rond de Kaap vormde echter zeelieden, en hun aantal nam toe nadat de adelborsten van Medemblik kwamen. Nu werd meer en meer zeemanschap verkregen, maar ging daarentegen het militair karakter weer verloren, dat de marine toch hebben moet, en dat alleen verkregen kan worden door het zeilen en manoeuvreeren van eskaders.In dien toestand was de vloot, toen de stoom nog meer verwarring kwam aanbrengen. Wat geschiedde? Het kruisen werd kostbaarder, daar de steenkolen geld kosten, en van den wind—die geen geld kost en zeelieden vormt—werd te weinig gebruik gemaakt. Ook het ontbreken eener doorloopende batterij deed kwaad. Hierbij kwam de afscheiding van koloniaal en Nederlandsch materieel, waardoor men verplicht werd het personeel der marine op passagierschepen door het Suezkanaal naar Indië te zenden, wat zelfs geen oefentocht was. Ten slotte kwam het pantseren van schepen in zwang. Nederland moest mede doen,—al blijft de zeemanschap der levende krachten allen pantsers ten slotte toch de baas—en de landverdediging door deze logge ijzeren gevaarten vorderde een bijzondere opleiding binnenslands, zoodat de militaire eischen die van den zeeman overstemden.Het varen op stoomschepen in Indië en het varen op monitors in de binnenwateren van Nederland zijn onvoldoende om De Ruiters te kweeken, meende Beynen. Hij zag dit eerst langzamerhand in, daar hij het geluk had dadelijk de expeditie naar Atjeh mede te maken, toen de marine geduldig en moedig haar lijden verdroeg voor Atjeh en op land haar eer schitterend handhaafde, wat Bogaarts aan de Oostkust in zee deed.Het was omdat hij dit alles inzag, dat hij een beweging wilde beginnen om de oude traditie der roemrijkeNederlandsche marine te doen herleven, en de oude oefenschool van zeemanschap weer op te zoeken.Hij zelf kon dit alles niet zoo zeggen, als hij naar het Noorden wees. Het zou aanmatigend geschenen hebben in zijn mond, en hoe nederig en eenvoudig hij was, weten wij, zijn vrienden, het best. Geen onverdiender, onrechtvaardiger beschuldiging werd ooit tegen iemand uitgebracht, dan die van enkelen welken hem betichtten van onnoodige drukte te maken …, wat men in de Marine gelukkig niet kan verdragen. Ik heb nooit iemand ontmoet zoo bescheiden en onzelfzuchtig als de jonge held, wiens leven ik niet kan beschrijven zonder dat telkens in mijn hart de bede opkomt, welke een hoofdofficier der marine uitte toen hij mij schreef: „Geve God, dat wij nimmer gebrek aan Beynen’s mogen hebben, als onze vloot ooit moet toonen wat zij tegen een Europeeschen vijand vermag.”Doch juist daarom wensch ik dat de les van zijn leven en streven niet verloren ga. Volgens zijn overtuiging was Indië in vele opzichten nadeelig voor die groote en heerlijke eigenschappen, welke den Hollandschen zeeman steeds kenmerkten, wiens houten bodem in tijd van gevaar het ondoordringbaar schild van zijn land placht te zijn. Verleden jaar schreef hij nog uit Indië: „Langs een kust stoomen of op een reede liggen, schijnt de meest normale positie van Nederland’s vloot in onze overzeesche koloniën te zijn, en ofschoon het goed moge wezen, dat onze oorlogschepen niet meer als in de dagen van admiraal Collingwood 21 maanden aan één stuk onder zeil blijven, zonder dat al dien tijd het anker slechts ééns in den grond mocht gaan, zoo geloof ik toch dat de tegenwoordige toestand niet gezond is.”Doch zijn aanmerkingen betroffen de reglementenen instellingen, niet de officieren. In denzelfden brief waarin hij de weinige activiteit der marine betreurt, schreef hij:„Ik moet zeggen dat ik verbaasd ben over de stipte wijze waarop de wachtluitenants van de hier op de ree van Batavia liggende oorlogschepen hun dienstplichtà coeurnemen.„Wanneer men bedenkt hoe eentonig vervelend de dagelijksche reê-dienst is—terwijl het weldra veel te duur wordt soms aan land te gaan—dan noem ik de stipte nauwgezetheid en conscientieuse ernst verbazingwekkend en schoon, waarmede de officieren maanden lang aan één stuk hun eenvoudige scheepsdiensten verrichten.„Enkele blijven maanden lang op de ten anker liggende, drijvende kazernes aan boord, zonder ooit voet aan wal te zetten, en de eerste officiers zoowel als de tweede klasses vervullen dan dagelijks nauwkeurig en oplettend de onbeduidendste scheepsdiensten, en geven het voorbeeld, waardoor het inwendige der schepen er goed blijft uitzien. Geen wonder echter dat al de officieren van het ramtorenschipKoning der Nederlandenblij waren toen zij, na zes maanden voor anker gelegen te hebben, veertien dagen in Straat Sunda gingen kruisen.”Indië trekt voortdurend heerlijke krachten uit Nederland, doch het Oosten gaat verkwistend om met de kracht uit het Noorden. Dit toont Beynen in de volgende woorden aan:„Het verdient opmerking dat de meeste hier zijnde officieren eerst kort in Indië zijn, en dit is mij een nieuw bewijs dat het tegenwoordig in zwang zijnde dienstsysteem ten minste dit voordeel heeft, dat er in Indië telkens jonge frissche krachten worden aangevoerd, die in den eersten tijd met toewijding al hunbeste krachten aan den dienst offeren, vol geestdrift voor hun vak en hun land. Hoe jammer echter dat al die nobele krachten uitsluitend ten bate komen van Indië, dat zoodoende op de meest goedkoope wijze de beste vermogens, den geest en het lichaam gebruikt van een personeel, welks opleiding aan Indië niets gekost heeft, en voor welks oefening het ook heden nog niets over heeft.”Ik maak gebruik van deze opmerkingen die Beynen, al pratende met een vriend, dus uit den mond vielen, omdat hij met hart en ziel de marine liefhad, en het hem smartte, ter wille van het dierbaar vaderland, op te merken hoevele jonge levens en frissche krachten Indië jaarlijks verslindt, zonder dat Nederland of Kolonie er door gebaat wordt. Iemand die zoo waardeert en bewondert en liefheeft als hij, die aanmerkingen maakt op „measures” maar niet op „men”, is geen vitter, en zijne opmerkingen op zoo bescheiden wijze geuit, durf ik publiek te maken, overtuigd dat ze zijne nagedachtenis niet schaden zullen, en wellicht zijn geest zullen doen voortleven.Veel van den sleur, welken hij opmerkte en betreurde, weet hij aan het feit, dat zoo weinig personen in Indië werkelijk de noodige macht bezitten om te doen en te bevelen wat ze zien dat noodig is. Niemand durft iets op eigen gezag te doen, en er zijn zulke tallooze voorschriften, dat ze als een keten alle vrijheid van handelen aan de tegenspartelende hoofden van departementen en aan de officieren benemen, zoodat zelfs de gouverneur-generaal geen verouderde kartetsen durft opruimen, zonder dat daarover met den minister te ’s Hage is gecorrespondeerd, en niet deskundige ambtenaren daarover gedurende maanden kilometers papier vullen.Dit voorbeeld, dat mij ter oore kwam, geef ik slechts om Beynen’s opmerking duidelijk te maken. Hij betreurde het voor de marine en voor de flinke officieren vol geestdrift en ijver, dat alles over zooveel schijven moet loopen, en zelfs in détails geen hervorming kan worden ingevoerd, omdat niemand de noodige macht schijnt te hebben.Om Beynen’s streven en zijn geestdrift voor het Noorden wel te begrijpen, moet men beseffen hoe hij voornamelijk een tegenwicht zocht voor het ontzenuwend dienen in Indië, ten gunste van dat personeel der marine, hetwelk hij zoo innig waardeerde. Het kon hem zoo aan het hart gaan, dat de flinke, uitstekend opgeleide jongens van deWassenaeren deAnna Paulownaal zoo spoedig voor Indië moesten geofferd worden. Eens schreef hij: „De opleidingsschepen zijn zoo uitstekend goed, maar waarom moeten die jeugdige, stelselmatig goed gevormde jongens, die dappere zeemanshartjes al dadelijk in Indië in een niet varende marine aan de vuurproef der zon onderworpen worden? In plaats van het gezonde, sterkende leven van een lange oefeningsreis in het Noordelijk halfrond, waarop dag en nacht geëxerceerd wordt, en aanhoudend de handen uit de mouw moeten gestoken worden, gaan zij nu op een stoomschip der Maatschappij Nederland als passagiers naar Indië, en dienen jaren lang in een ontzenuwend klimaat op ten anker liggende schepen of op kleine, huiselijk ingerichte stoomscheepjes. Om den tijd stuk te krijgen en de mannen tenminste bezig te houden, worden dan tableaux van werkzaamheden ontworpen, en moeten de jongens, jaren lang, dag aan dag verveeld worden met zeer elementaire theoriën over geschut, inrichting, geweer, tuig, richten enz., welke zij op het opleidingsschip veel beter gekend hebben.”Kan het misschien nut hebben hierop te wijzen, en is het mogelijk dat de opmerkingen van een jongen, bescheiden zee-officier, die zijn vaderland meer dan zich zelf beminde, aan onze Tweede Kamer aanleiding geven tot onderzoek en degelijke bespreking der belangen van onze marine?O vertegenwoordigers van Nederland, denkt aan de landsverdediging; helpt de kloeke zee-officieren zoovele heerlijke krachten voor het vaderland te bewaren; geeft desnoods een gepantserd schip minder, maar zendtZr. Ms.schepen over de oceanen; werpt de schoolmeesters-theorie over boord en geeft meer praktijk daarvoor in plaats. Dat er een einde kome voor al die jonge mannen aan het herkauwen van minder goed gekruide spijzen, en geeft hun in plaats daarvan frisschen kost en de levenwekkende zeelucht van het Noorden. Laat zeelui niet op meest ten anker liggende schepen en hier op straat of ginds door den Archipel slenteren. Laat een wetenschappelijk korps, als dat onzer zee-officieren, gelijken tred houden met hun evenknieën. Laat dehydrographende kusten van alle eilanden van den „gordel van smaragd” in kaart brengen; staat den officieren toe zich te onderscheiden in tijd van vrede; laat jaarlijks het eskader in de wateren van Azië en Europa kruisen en ontplooit de roemrijke driekleur in Oost en West ook buiten onze bezittingen. Zendt de Hollandsche zeelui naar Noordelijke en Zuidelijke IJszee; maakt hen vertrouwd op onstuimige wateren; leert de jongens in winternachten onze kust te bezeilen; maakt jonge luitenants ter zee zoo bekend met onze gronden alsof ze jonge loodsen waren; hijscht de zeilen op zeilschepen met stoomvermogen, niet op stoomschepen met zeilvermogen, en kweekt daar jonge mannen, die in plaats van in doffe onverschilligheid en gedwongen vadsigheid hofjesdienstop een Indisch wachtschip te verrichten, sterk en frisch en gezond zouden blijven, om met een schild van nobele harten Holland aan de zeezijde te beschermen in het uur van nood.Naar het Noorden dus, zeelui van Nederland; laat de stormwind die over de ijsvelden buldert uw krachten stalen, uw bezieling levendig en frisch houden. Daar vindt ge de oude beweegkracht, de stalen veerkracht die onze marine eens beroemd maakte. Het Noorden verdient nog steeds wat Nicolaas Beets het in 1834 toezong:Blondlokkige, die op den ijsberg troont,Aan de opperste as der wentelende aard verheven;Die ’t edel hoofd met sneeuw en kegels kroont;Een scepter voert, waarvoor de volken beven;Het blauwend oog vrijmoedig om u slaat,Op de onschuld trotsch, die in uw boezem zetelt,En met den blos des levens op ’t gelaat,Het Zuid beschaamt, dat zich in wellust baadt,’t Ontzenuwd lijf met zingenieting ketelt,En de ondergang in weelde en dartlend tegengaat!Van u gaan kracht en leven uit en moedEn heldendeugd, die edel en vertrouwd isAls ’t blauw metaal, dat aan uw blanken voetDen bodem spiert, waarop uw troon gebouwd is;Gezondheid vlot uw zuivre lippen af,En stroomt van u het zachtelijk Zuiden tegen,Dat, half verteerd en bukkend over ’t graf,Geen kracht meer kent dan die uw adem ’t gaf,En ’t waagt door list uw grootheid op te wegen,U, die ’t doen zwijmlen kunt door ’t draaien van uw staf!Zij strekt de handen naar uw zonen uit,Die zwijgend ’t hoofd voor haar bedwelming bukken,Vertrapt hun recht, maakt hun bezit ten buit,En juicht zich toe met keetlend hartverrukken;O, wek hen, doe hen opstaan in hun macht;Zend ze uit, gelijk een eenig man verbonden;Hard, hard hun ’t lijf, en stevig met uw krachtDe vuisten, die de greep van ’t zwaard hervonden?Gesp Noorden! gesp het stalen harnas aan!Ten strijd, ten wraak voor ’t half ontwricht Europe!Gesp, strijdbaar Noorden! gesp het stalen harnas aan!
VI.VI.DES ZOMERS OP DE NOORDZEE,Beynen schreef mij in den tijd dat hij het volk warm poogde te maken voor zijn ideaal: „Telkens ontmoet ik jonge officieren en minderen, waarfeu sacréin zit voor alles wat in ons vak kloek en grootsch is te vinden, doch ik denk er meermalen met zekeren weemoed aan, hoe die jeugdige frissche krachten door teleurstellingen en niets doen wellicht zullen verwelken. Hoe anders zou het zijn als zij, in plaats van te passagieren in Indië, avontuurlijke tochten gingen ondernemen; als zij met fier gevoel van eigenwaarde in onbekende zeeën gingen doordringen, om later met geestdrift en edelen naijver door hun kameraden en vrienden in het vaderland ontvangen te worden.” Wat Beynen wilde en door woord en daad predikte, zal verder nog duidelijker aan het licht komen, want ik moet nu het verhaal van zijn wedervaren voortzetten.Toen hij overal zijn lezingen gehouden had, werd hij geplaatst opZr. Ms.Zeehond, waarop hij met de tot bootsmansleerlingen bevorderde jongens van deWassenaar, een oefeningstocht zou maken op de Noordzee, onder bevel van den overste Guyot.Den 23sten April 1877 schreef hij aan boord van dit vaartuig:„Prins Hendrik stond mij gisteren een audiëntie toe. Ruim vijf kwartier heb ik de eer gehad metZ. K. H.te zitten praten, na alvorens het boek vanHackluyt Societyeerbiedig te hebben overhandigd. Ik heb den prins vooral gewezen op de commercieele voordeelen, welke uit tochten naar het Noorden na verloop van tijd kunnen spruiten; welk een oefeningsschool voor zeelieden de ijsvaart is, en hoe goed voor den nationalen roem.Z. K. H.sprak van het laten bouwen van een houten scheepje, en was van meening dat zulks voor geringer kosten in Zweden kon geschieden.”Den 18den Mei 1877 schreef hij aan boord vanZr. Ms.Zeehond, geankerd in ’t Haringvliet:„Wij zijn hier van morgen op de reede vertuit, om de jongens te leeren ketting klaren. De brik manoeuvreert uitstekend, en luistert bijzonder nauwgezet naar het roer. De loods drukt dit uit door te zeggen: „de brik is kittelig.” Dagelijks zien wij tallooze naamgenooten van onze kittelige, schoon bejaarde brik op de Zeehonden- en Garnalen-plaat. Zij laten ons evenwel niet genoeg naderen om een schot op hen te doen, wat zeer natuurlijk is als men bedenkt dat gelijknamige polen elkander afstooten.„We gaan naar Edinburgh, dan terug naar Hellevoet, vervolgens doen wij een Duitsche haven aan, en dan via Nieuwediep terug naar Hellevoet en dat voor goed.” En later schreef hij: „Slecht weder hebben wijnog weinig gehad. Alleen een weinig uit het Z. W. en toen ging deZeehondopmerkelijk wild te keer. Hij stopte zijn neus tot boven het vinkennet in het water en rees dan op, en dat zoo snel en krachtig, dat de bezaansboom uit de mik gelicht werd.„De schipper verklaarde dat dit niet te verwonderen was, als men bedacht: dat hij nu weer eens los raakte na 17 jaren aan de ketting gelegen te hebben.”Kruisende op de Doggersbank, schreef hij den 10den Juni:„Van daag voor acht dagen verlieten wij de reede van Hellevoet. Toen wij onder zeil gingen kwam de stuurman, met de laatste brieven van den wal bij zich, aan boord, en verbeeld u mijn verbazing, toen hij mij een aangeteekend pakje overhandigde, dat een mooie gouden ketting bevatte, met de inscriptie: Utrecht, 14 April 1877. Er was een schrijven bij van prof. Quack, waarin hij mij, namens het Utrechtsche subcomité, de ketting aanbood, als een herinnering aan mijn lezing te Utrecht. Wat mij vooral trof was de datum van 14 April, de jaardag van mijn goeden vader, en meer dan ooit riep dit mij toe, hoe ik toch al deze zaken aan zijn verstandige en zorgvuldige opvoeding in de eerste plaats te danken heb.”Toen hij op dezen oefeningstocht was, ontving hij de officieele mededeeling van de Nederl. regeering dat H. M. koningin Victoria hemthe arctic medalhad toegekend. Ik ben in de gelegenheid gesteld om te lezen wat graaf van Bijland, onze gezant te Londen, aan den minister van Buitenlandsche Zaken dienaangaande schreef:„Ik meen hier niet onvermeld te mogen laten, dat Sir Allen Young bij het overreiken van nevensgaand eereteeken met den meesten lof heeft gesproken van de vastberadenheid, de kunde en het beleid doorluitenant L. R. Koolemans Beynen voortdurend aan den dag gelegd tijdens zijn diensttijd aan boord derPandora.”Op dit eereteeken was Beynen te recht zeer fier. Het was hem een schoone herinnering aan een leerzamen, belangrijken tijd, toen hij meer dan zijn plicht deed.Het is een kleine zilveren medaille met wit satijn lint en zilveren gesp. Op den eenen kant het borstbeeld van koningin Victoria, en op den andere een schip in ’t ijs.In Juli kruisende op de Noordzee, schreef hij: „Op de Doggersbank hebben wij gevischt, zonder evenwel veel te vangen. Op 60° N. Breedte herinnerde mij de frissche koude noordenwind en het voortdurend dag zijn, de vaak opkomende nevels en de veleloomsweder aan de „Arctic Regions” en al het lief en leed, dan denk ik met zekeren heiligen eerbied aan onze lieve, brave, nu ontslapen koningin, de tijding van wier overlijden ons diep trof. Zeker heeft zij veel lief en leed gekend, maar ze heeft ook veel liefde betoond en veel leed verzacht. Moge zij bij ons volk in eerbiedige herinnering blijven. Onder den indruk der tijding schreef ik uit Edinburg een kort briefje aan Prins Alexander, die ik begreep dat deze slag ontzettend zal gevoelen, en in de hoogste mate bedroefd zal zijn, en wellicht eenigen troost kan vinden in het medegevoel van ieder die hem kent en weet hoe hartelijk hij zijn moeder lief had.„Ik vernam te Edinburgh dat er geld blijft inkomen voor de Noordpoolreis. Met hart en ziel blijf ik hopen dat ons volk op den reeds ingeslagen weg zal willen voortgaan, tot eer van koning en vaderland, en tot zijn eigen bestwil. Wat Zweden jaar in jaar uit vermag,kan Nederland toch zeker ook doen, en in het vaderland van Barents kan de geest niet uitgedoofd zijn, die eeuwen lang de Nederlandsche driekleur den weg deed wijzen op alle zeeën der aarde.”Van zijn tocht op deZeehondgaf Beynen bij mij aan huis eens aan mijn jongens, na den eten, een belangwekkende beschrijving, welke ik ’s avonds uit mijn herinnering opschreef en gelukkig bewaard heb. Ik had dien dag met hen een bezoek gebracht aanZr. Ms.opleidingsschipAdmiraal van Wassenaerte Amsterdam. De commandant, kapitein-luitenant ter zee Steffens, ging het geheele schip met ons rond; we zagen de flinke jongens exerceeren, we woonden het onderwijs bij, en verlieten het schip met groote bewondering voor een opleiding en behandeling, waardoor kloeke zeelieden gekweekt worden, die tucht, gehoorzaamheid en handigheid in hun jeugd geleerd hebben.„Weet je wat voor flinke zeelui jongens worden die durven en goed leeren?” vroeg hij aan mijn zoons, die met hem dweepten. „Dan zal ik je er eens vertellen hoe de jongens van deWassenaerhet van den zomer op zee maakten, toen ik met hen naar de haringvloot zeilde. Luister.„Het is een kalme, schoone Juni-morgen en onze oefeningsbrik drijft zachtkens, nauwelijks acht slaande op de bewegingen van het roer, over het spiegelgladde water van de Noordzee. DeZeehondbevindt zich te midden van honderden Nederlansche visschersschepen, waarvan de bemanning in de grootst mogelijke drukte bezig is met het sorteeren en kaken der gedurende den nacht gevangen haring. De krachtige, frissche zonen onzer kustdorpen werken hard door, want ze verlangen na het uitputtend werk eenige rust te genieten; evenwel houden ze toch even op, omover de verschansing naar het schoone hooggetuigde Nederlandsche schip te kijken, van welks bewegingen ze zich aanvankelijk geen rekenschap konden geven.„Voor de eenvoudige visschers was het schouwspel trouwens heerlijk schoon.„De breede, zware, sneeuwwitte zeilen—kant bijgezet—spreidden zich deftig en indrukwekkend over het sierlijk vaartuig uit, dat in de meeste stilte tusschen de vaartuigen van de visschersvloot voortglijdt.„De wimpel aan den grooten top, het geheele tuig, de netheid en orde welke overal heerschen, hebben reeds lang het oorlogschip doen kennen, waar aan boord, gedurende de morgen-inspectie welke juist gehouden wordt, de grootste stilte heerscht. Op eenmaal klinken de korte krachtige commando’s van den eersten officier en het geheele schip schijnt leven en bezieling te krijgen.„Als door onzichtbare draden bewogen, kruipen de halzen en schoten der vierkante zeilen vlug en rap naar het midden der ra’s, die dadelijk daarop—als bezwijkend voor dien onverwachten aanval—met luid geraas langs de stengen omlaag glijden.„De driehoekige stagzeilen vooruit op de boegspriet verdwijnen als door een tooverslag, op hetzelfde oogenblik dat het groote brikzeil met kluchtige deftigheid zich in lange breede plooien samenvouwt.„Een tweede commando klinkt … en meer dan 80 jonge frissche knapen, in de nette zeemansdracht der marine gekleed, enteren vlug als katten van weerszijden tegen het want op; verspreiden zich snel en stil door het geheele tuig, vatten met flinke, krachtige grepen de zware onhandelbare zeilen aan, en in minder dan twee minuten zijn allen weêr omlaag, en is geen stukje zeil meer zichtbaar. Het schip ziet ermet zijn vastgemaakte zeilen nu uit alsof het te Nieuwediep aan de kaai lag. Nu volgt de eene verrassing op de andere. De zeilen-exercitie is begonnen; het is zeilen bijzetten en opnieuw bergen; marszeilen afslaan en verwisselen, zeilen reven of beslaan.„Onder deze opwekkende, belangrijke exercitie beginnen de jonge matrozenharten al driftiger en driftiger te kloppen, de altijd bestaande naijver tusschen de jongens van den grooten top en van den vóórtop wakkert aan tot een opgewonden poging, om ook nu weêr het eerste met alles klaar te zijn. De jongens vereenzelvigen zich—zonder er zelve bewust van te zijn—geheel met de verschillende exercitiën, en indien men het bezielend commando niet matigde, dan zou de gloed, waarmede ze werken, aanstonds in wilde drift overslaan, en ze zouden hun leven er aan wagen om uit wedijver de roekelooste waagstukken te doen in het tuig.„De jonge visschers op de sloepen zien met bewondering de exercities op het oorlogschip aan, en indien nu reeds menige bejaarde visscher uitroept: „die jongens zijn flinke borsten, hoor!” als zij hen daar hoog in de lucht, als ’t ware aan hun adem zien hangen, hoeveel dieper zouden ze dan getroffen zijn, indien ze diezelfde kinderen eenige dagen geleden hadden zien werken. Het was in het begin van den oefeningstocht. De hoog opgezette zee deed de brik verschrikkelijk heen en weder slingeren, toen de jongens voor het eerst van hun leven den wind, wild en woest, met gierende vlagen door het tuig hoorden huilen. De nacht was stikdonker en het schip steunde en kraakte, alsof het bezwijken zou onder den druk van de hevig invallende buien. Toen de marszeilen één voor één dichtgereefd moesten worden, werden de oudste en sterkste jongens op dek gemonsterd, engingen ze op het commando van den kapitein het tuig in, om, denkelijk met kloppend hart, maar met de lippen op elkander vol waren mannenmoed, hun verschillende plaatsen op de ra’s te gaan innemen.„Toen ze boven op de marsra waren gekomen en elkander nauwelijks onderscheiden konden … toen de aanmoedigende stem van den commandant al sinds lang niet meer te hooren was in dien baaierd van wilde, ongekende geluiden … toen elke windvlaag werkelijk dreigde hen naar omlaag te zullen slingeren … toen een hunner sterkste makkers met een gil zijn houvast verloor en in den donkeren nacht omlaag viel—zonder zich echter ernstig te bezeeren—… toen was het meer dan mannenmoed, het was de ware bezieling, het heerlijk instinct van een oud, beroemd zeemansgeslacht, dat die kinderen over de slingerende rondhouten naar buiten deed enteren, alsof ze oude bevaren matrozen waren.„Zulke oogenblikken vormen mannen en hoe meer men er van hoort en ziet, des te meer wint de overtuiging veld bij ons, dat zulke zeemanschap gekweekt moet worden, indien wij op onze vloot die zelfdenkende, stoute, wakkere karakters willen houden, die zoo vaak den roem zijn geweest van ons volk.„Zeemanschap leert denken, handelen en opletten: geeft zelfvertrouwen en moed.„Evenals een soldaat dubbele waarde heeft, als hij deze eigenschappen heeft verkregen in tal van veldtochten, zoo krijgen de koppen opZr. Ms.schepen hun volle waarde eerst, wanneer ze op vele moeielijke reizen, van hun jeugd af zeemanschap hebben geleerd.„Van den aanvang af moeten de jongens beseffen, dat een zeeman geen werktuig maar een denkend wezen is, op wie groote verantwoordelijkheid rust,en die zichzelven en anderen redt door tegenwoordigheid van geest en vlugheid.„Een jongen, die bij harde bries een boven-bramzeil gaat vastmaken, ondervindt al dadelijk, dat hij met gezond verstand en kalm overleg vrij wat gemakkelijker slaagt, dan indien hij volgens ingeprente lessen, mannetje voor mannetje, precies naar het voorschrift handelt.„Een matroos die marsgast is en, bij het onderzeil gaan, als er wat aan hapert, onder het oploopen der marszeilen, door onmiddellijk te handelen, verdere stoornis voorkomt, begrijpt hoe hij daardoor vaak het schip vrijwaart voor een gevaarlijke botsing met een ter reede liggend vaartuig.„Een roerganger, die op een moeielijk oogenblik het roer verkeerd aan boord draait, weet dat zulk een misslag den ondergang van het schip en de bemanning ten gevolge kan hebben.„Dus komen er op zee aanhoudend en ongemerkt duizenden gevallen voor, waarin matrozen die eigenschappen ontwikkelen, welke in de marine zoo onontbeerlijk zijn, en die de flinke jongens van deWassenaerop zeilschepen moeten oefenen. Ze zijn goed onderlegd en als ze maar niet te vroeg naar Indië gaan, doch op onze zeeën geoefend worden, groeien ze op tot voortreffelijke zeelieden.„Naarmate de stoomvaart de overhand krijgt, komen er meer en meer zeesoldaten, artilleristen en machinisten in plaats van matrozen aan boord. Het gevaar hiervan is groot. Geen onjuister denkbeeld is er, dan dat op stoomschepen geoefende matrozen overbodig worden.„En in de koninklijke marine vooral zijn ze broodnoodig. Op onze kruisers, op onzelaunches, onze torpedo-booten, onze sloepen, kunnen wij zelfsminder dan ooit, zelfdenkende, vlug handelende, bedaarde, ervaren zeelieden missen.„Alles wat zeemanschap kweekt, verdient dus aanmoediging en steun. De opleiding op een schip als deWassenaer, tochten op oefenings-brikken, kruistochten van het eskader—met weinig stoomen en veel zeilen—stoute, kloeke ontdekkingstochten in verre, gedeeltelijk onbekende zeeën, dit alles verdient den steun van regeering en publiek. Dus blijft de avontuurlijke, ondernemende matrozengeest inheemsch, en de officiers, die met de jongens op de oefeningsbrik geweest zijn, erkennen, dat enkel iets aangemoedigd moet worden wat reeds bestaat. De oude geest van Janmaat is er nog, en flink en degelijk zeevolk zullen we behouden, als we in het Noorden de groote oefenschool openhouden, waar ook Michiel Adriaanszoon de Ruiter, op zijn reizen naar Groenland’s kust, dien kalmen moed en die zeemanschap ontwikkelde, welke zijn naam onsterfelijk maakten.”Dit was Beynen’s verhaal, en het had op mij zoo’n indruk gemaakt, dat ik hem een paar dagen later om nadere inlichting vroeg over die noodzakelijkheid van zeemansgeest bij jonge matrozen aan te kweeken, waarover hij steeds sprak. Reeds den volgenden dag schreef hij mij het volgende antwoord op mijn brief.A/B Z. M. Wachtschip, Amsterdam 11 Jan. 1878.Beste Vriend!Nog een paar woordjes om te zien in hoeverre ik aan je verzoek kan voldoen, door mijne meening uit te spreken en te argumenteeren, hoe noodig het is bij den tegenwoordigen toestand onzer marine zeemanschap en zeemansgeest aan te kweeken.De met zorg behandelde opleiding derWassenaerenAnna Paulownagewent van kindsbeen onze toekomstige matrozen aan het scheepsleven. ’s Zomers varen zij op kleine zeilscheepjes in de Zuiderzee en na twee jaar komen zij op ± 16-jarigen leeftijd a/b van eskaders of oefeningsschepen als de brik deZeehond.Wanneer zij nu ’t geluk hebben in dien tijd veel te varen en veel te exerceeren, dan draagt hunne eerste opleiding al dadelijk goede vruchten en op 19-jarigen leeftijd is een goed fond gelegd, waarop met succes verder kan gebouwd worden.Zij zijn gezond, sterk, vol ijver, vatbaar voor hoogere geestdrift en dikwijls bezield met een feu sacré voor hunne betrekking, dat ons de overtuiging geeft hoe met verstand en tact alles van die jongens te maken is. Nevensgaand eenvoudig fatsoenlijk briefje, tot mij gericht door een 19-jarig bootmansleerling die de brik verliet, billijkt dan ook mijns inziens bovenstaande zienswijze.Nu komt echter de tijd, dat zij voor ruim drie jaar naar Indië moeten, en hoewel zij daar hun beste, hunne heiligste krachten opofferen in ’t wezenlijk belang van ’t geliefde vaderland, toch blijft het niet te ontkennen, dat door het voortdurend varen op kleine stoomschepen die, zoo ze niet op rivieren varen, verspreid door den archipel kruisen, veel zeemanschap maarvooralenbovenalveel zeemansgeest verloren gaat.Drie kwart van onze marine nu brengt het grootste gedeelte van hun diensttijd in Indië door, verder op stoomschepen en pantserschepen in Nederland, maar slechts een klein gedeelte blijft herhaaldelijk op zeeschepen varen.Juist met ’t oog daarop is ’t wenschelijk datiedererichting gevolgd wordt, die als tegenwicht tegen het noodzakelijke doch minder leerzame dienen in Indië dienstig kan zijn om zeemanschap en zeevaartsgeest aan te kweeken en te verhoogen.Een verkenningstocht in de N. IJszee is bij uitstek geschikt om juist deze beide eigenschappen bij zeevolk aan te kweeken. Het moeielijke, het avontuurlijke, het eigenaardige van de ijsvaart vormt mannen, die lust krijgen om moeielijkheden op te zoeken en te overwinnen, en geeft hun als belooning een gepast gevoel van eigen kracht en eigenwaarde, die zeker heerlijke vruchten zal dragen, als zij op hunne posten geroepen worden om in tijd van nood, het vaderland te verdedigen.Reeds in mijn verslag van 1875 schreef ik:„Ieder zal erkennen, dat het voortdurend in gevaar verkeeren, dat deze vaart met zich brengt, voor den zeeman meer leerrijk is, dan het varen op een schip, dat, als het eens den goeden koers heeft, dagen lang kan doorleggen zonder eenig gevaar te duchten te hebben.„Niet alleen dat de zeevaarder in de ijszeeën, door het aanhoudende manoeuvreeren, gemakkelijk en vlug met zijn schip leert omgaan, maar hij zal ook snel een gevaar, waarin hij zich onverwacht bevindt, leeren overzien en daardoor dadelijk en beraden zijn maatregelen weten te kiezen, om het te ontwijken of het kalm en bedaard te doorstaan.„Mannen als Ross, Parry, M’Clure en Nelson, hebben dan ook herhaaldelijk betuigd, dat zij eerst in de met ijs bedekte zeeën hun opleiding als praktisch zeeman ontvangen hebben.„Doch wij Nederlanders hebben deze bevestiging niet in den vreemde te zoeken. Tal van onze meest stoute en onverschrokken zeevaarders zijn toch in deijszeeën gevormd; de ijszee was het oefenveld, de leerschool voor die stoute zeelieden die de eer van ons land zoo vaak op alle zeeën van den aardbol ophielden en het voorbeeld van den onsterfelijken Heemskerk, die in de armen der overwinning voor Gibraltar ’t leven laat, is voor het nageslacht nog niet verloren gegaan.„Toch zoude het verkeerd gezien zijn, om van een enkelen tocht van deWillem Barentsgroote gevolgen te verwachten om de aloude zeemansgeest en de aloude zeemanschap bij onze marine terug te krijgen.„Daartoe is het aantal menschen die er aan deel kunnen nemen veel te gering, maar wanneer onze natie het ernstig wil dat wij nog eene zeevarende natie blijven, dat wij nog werkelijk goed zeevolk blijven vormen, dan moet de reis van de „W. B.” de eerste stap zijn in eene richting, waarin onze marine zich later op grootere schaal kan gaan voortbewegen. Dan moeten daaruit voortvloeien reizen, zooals de Zweden die tegenwoordig zooveel door hunne marine doen ondernemen, n. l. wetenschappelijke reizen met oorlogschepen.„Sinds 1858 hebben de Zweden vijf expedities naar de N. IJszee ondernomen met kleine, sterk gebouwde zeilscheepjes, waarmede zij voor de wetenschap meer resultaten verkregen dan de Engelschen met hunne tochten op schepen die millioenen kostten, groote expedities met stoomschepen, die meer dan 1½ millioen pond sterling gekost hebben. Daaraan voegden zich reizen, om de zeeën, die Noorwegen en Zweden omringen, wetenschappelijk te onderzoeken, en op ’t oogenblik heeft de Zweedsche marine zich zoo krachtig in die richting voortbewogen, dat zij in dezen zomer behalve één groote wetenschappelijke poolexpeditiemet een stoomschip deVega, bemand met marine-officieren en manschappen, tegelijkertijd in de Noord-Atlantische Oceaan met het oorlogstoomschip deVöringen, een soort Challengerreis verrichten, terwijl de oorlogschepenAlfhildenGustavofKlintonder leiding van prof. Ekman eene hydrographische expeditie in de Oostzee zullen ondernemen.„In die richting kweekt de kleine Zweedsche marine lust, ambitie, ijver, zeemanschap, zeemansgeest bij haar volk en officieren aan; en dien weg moeten wij zooveel te meer trachten na te volgen, omdat onze marine, juist door onze koloniën, in ongunstige omstandigheden verkeert.„Het dienen in Indië maakt als hoog noodig tegenwicht een bewandelen van de Zweedsche richting voor ons dubbel noodzakelijk.„En nu nog een woord voor hen die beweren, dat wij in de toekomst geen matrozen meer noodig hebben, dat, waar de stoom meer en meer toepassing vindt, wij ons zeevolk door zeesoldaten kunnen doen vervangen.„In tijd van oorlog hebben wij bij onze marine noodig sterke, gezonde gestellen, die vele vermoeienissen kunnen doorstaan, vóórdat hunne geestkracht er door gebroken wordt, mannen die durven en die dadelijk en snel weten te handelen, mannen met een vasten wil en „iron nerves”, en juist deze eigenschappen worden uit duizend kleinigheden, reeds in tijd van vrede, bij menschen ontwikkeld, die veel op zee varen.„Zij leerendurven,attent zijn,kalm blijvenenhandelen,zien dat zij de bakens moeten verzetten naarmate het getij verloopt, en verwervendieeigenschappen, die vroeger deden zeggen, dat een zeeman voor alle baantjes geschikt was.„Voor alle die hoedanigheden is geen beter oefenveld dan de zee, en willen we stout ondernemend zeevolk krijgen en behouden, dan moeten wij beginnen met er geene zeesoldaten, maar wel zeematrozen van te maken.„En nu, waarde vriend, ga ik eindigen, het in ’t midden latend of dit supplement op mijn verhaal aan je jongens je duidelijk maakt wat ge begrijpen wilt.„Ge ziet er uit hoe het mijne meening is, nietalléénpoolreizen te ondernemen, maar ook reizen zooals de Zweden die doen, met de bedoeling om wetenschappelijke reizen op zeilschepen te doen ondernemen.„Maar vooral en bovenal,veel blijven varen.”Uit gesprekken met hem gevoerd, kan ik aanvullen wat hij in dezen brief schreef, opdat men wel beseffe wat zijn streven was. Indien ik vergissingen bega, door onwetendheid of doordien mijn geheugen mij in den steek laat, dan wijte men ze niet aan hem, die altijd even hartelijk en waardeerend van de Nederlandsche marine sprak, maar mij. Gedurende zijn verblijf in Indië had hij genoeg gehoord en opgemerkt om in te zien dat in enkele opzichten de ziel, hetesprit de corpsaan de marine ontbrak, dat er geen leerschool was om zich te bekwamen, geen prikkel om zich op zee te onderscheiden, geen oefenschool om met koene voorzichtigheid te leeren durven, en zich voor te bereiden tot een worsteling tegen overmacht.Instinktmatig gevoelde hij dat we noodig hadden om ons op dezelfde wijze te oefenen en te ontwikkelen als de voorvaders deden, en dat we daartoe weer moesten doen wat de marine vóór den Franschen tijd deed.Het korps zeeofficieren vóór de revolutie in 1795 was hoogst gedistingueerd, zeer beschaafd, ervaren en bekwaam. Het werd echter tijdens de revolutie door Peter Paulus ontbonden en vervangen door mannen van minder gehalte, die er zich op beroemden door de kluisgaten aan boord te zijn gekomen. Grof schelden en slaan kreeg toen den boventoon en behield dien eenige jaren. Na 1815 ontstonden er twee stroomingen in het officierskorps der marine. De uit krijgsgevangenschap van de Engelsche pontons teruggekeerde officieren brachten Engelsche uitdrukkingen en indrukken mee. De officieren daarentegen die op de Fransche vloot gediend hadden, waren in de eerste plaats militairen geworden. Zij hadden soldatesquen geest enmanoeuvres de forceop steeds ten anker liggende schepen geleerd. De Engelsche napraters hadden de meeste zeemanschap en zeemanskennis, doch de stuurman bracht het schip in zee, en de officieren waren niet meer met hart en ziel zeelui gelijk de Trompen en de Ruiters waren. Het eskader, dat we van 1818 tot ’30 in de Middellandsche zee hadden, moest dus den grond leggen voor een wedergeboren marine, maar indien we ons niet vergissen, geschiedde dit te veel in den Franschen geest, en leerde men in de eerste plaats exerceeren en manoeuvreeren, terwijl men geen zeelieden, geen „navigateurs” vormde. Toch was het een goede oefenschool. In 1830 werd het eskader teruggeroepen en tijdens den langgerekten oorlog met België kwamen de officieren op de Schelde en bleven tot 1836 binnengaats op de kanonneerbooten; wat door het eskaderleven gewonnen was, ging aldus verloren. Men trachtte dit te herwinnen door eenige schepen jaarlijks een week of wat te laten zeilen, maar men vond het te kostbaar en achtte de resultaten te gering voor het geld.De vaart op Indië rond de Kaap vormde echter zeelieden, en hun aantal nam toe nadat de adelborsten van Medemblik kwamen. Nu werd meer en meer zeemanschap verkregen, maar ging daarentegen het militair karakter weer verloren, dat de marine toch hebben moet, en dat alleen verkregen kan worden door het zeilen en manoeuvreeren van eskaders.In dien toestand was de vloot, toen de stoom nog meer verwarring kwam aanbrengen. Wat geschiedde? Het kruisen werd kostbaarder, daar de steenkolen geld kosten, en van den wind—die geen geld kost en zeelieden vormt—werd te weinig gebruik gemaakt. Ook het ontbreken eener doorloopende batterij deed kwaad. Hierbij kwam de afscheiding van koloniaal en Nederlandsch materieel, waardoor men verplicht werd het personeel der marine op passagierschepen door het Suezkanaal naar Indië te zenden, wat zelfs geen oefentocht was. Ten slotte kwam het pantseren van schepen in zwang. Nederland moest mede doen,—al blijft de zeemanschap der levende krachten allen pantsers ten slotte toch de baas—en de landverdediging door deze logge ijzeren gevaarten vorderde een bijzondere opleiding binnenslands, zoodat de militaire eischen die van den zeeman overstemden.Het varen op stoomschepen in Indië en het varen op monitors in de binnenwateren van Nederland zijn onvoldoende om De Ruiters te kweeken, meende Beynen. Hij zag dit eerst langzamerhand in, daar hij het geluk had dadelijk de expeditie naar Atjeh mede te maken, toen de marine geduldig en moedig haar lijden verdroeg voor Atjeh en op land haar eer schitterend handhaafde, wat Bogaarts aan de Oostkust in zee deed.Het was omdat hij dit alles inzag, dat hij een beweging wilde beginnen om de oude traditie der roemrijkeNederlandsche marine te doen herleven, en de oude oefenschool van zeemanschap weer op te zoeken.Hij zelf kon dit alles niet zoo zeggen, als hij naar het Noorden wees. Het zou aanmatigend geschenen hebben in zijn mond, en hoe nederig en eenvoudig hij was, weten wij, zijn vrienden, het best. Geen onverdiender, onrechtvaardiger beschuldiging werd ooit tegen iemand uitgebracht, dan die van enkelen welken hem betichtten van onnoodige drukte te maken …, wat men in de Marine gelukkig niet kan verdragen. Ik heb nooit iemand ontmoet zoo bescheiden en onzelfzuchtig als de jonge held, wiens leven ik niet kan beschrijven zonder dat telkens in mijn hart de bede opkomt, welke een hoofdofficier der marine uitte toen hij mij schreef: „Geve God, dat wij nimmer gebrek aan Beynen’s mogen hebben, als onze vloot ooit moet toonen wat zij tegen een Europeeschen vijand vermag.”Doch juist daarom wensch ik dat de les van zijn leven en streven niet verloren ga. Volgens zijn overtuiging was Indië in vele opzichten nadeelig voor die groote en heerlijke eigenschappen, welke den Hollandschen zeeman steeds kenmerkten, wiens houten bodem in tijd van gevaar het ondoordringbaar schild van zijn land placht te zijn. Verleden jaar schreef hij nog uit Indië: „Langs een kust stoomen of op een reede liggen, schijnt de meest normale positie van Nederland’s vloot in onze overzeesche koloniën te zijn, en ofschoon het goed moge wezen, dat onze oorlogschepen niet meer als in de dagen van admiraal Collingwood 21 maanden aan één stuk onder zeil blijven, zonder dat al dien tijd het anker slechts ééns in den grond mocht gaan, zoo geloof ik toch dat de tegenwoordige toestand niet gezond is.”Doch zijn aanmerkingen betroffen de reglementenen instellingen, niet de officieren. In denzelfden brief waarin hij de weinige activiteit der marine betreurt, schreef hij:„Ik moet zeggen dat ik verbaasd ben over de stipte wijze waarop de wachtluitenants van de hier op de ree van Batavia liggende oorlogschepen hun dienstplichtà coeurnemen.„Wanneer men bedenkt hoe eentonig vervelend de dagelijksche reê-dienst is—terwijl het weldra veel te duur wordt soms aan land te gaan—dan noem ik de stipte nauwgezetheid en conscientieuse ernst verbazingwekkend en schoon, waarmede de officieren maanden lang aan één stuk hun eenvoudige scheepsdiensten verrichten.„Enkele blijven maanden lang op de ten anker liggende, drijvende kazernes aan boord, zonder ooit voet aan wal te zetten, en de eerste officiers zoowel als de tweede klasses vervullen dan dagelijks nauwkeurig en oplettend de onbeduidendste scheepsdiensten, en geven het voorbeeld, waardoor het inwendige der schepen er goed blijft uitzien. Geen wonder echter dat al de officieren van het ramtorenschipKoning der Nederlandenblij waren toen zij, na zes maanden voor anker gelegen te hebben, veertien dagen in Straat Sunda gingen kruisen.”Indië trekt voortdurend heerlijke krachten uit Nederland, doch het Oosten gaat verkwistend om met de kracht uit het Noorden. Dit toont Beynen in de volgende woorden aan:„Het verdient opmerking dat de meeste hier zijnde officieren eerst kort in Indië zijn, en dit is mij een nieuw bewijs dat het tegenwoordig in zwang zijnde dienstsysteem ten minste dit voordeel heeft, dat er in Indië telkens jonge frissche krachten worden aangevoerd, die in den eersten tijd met toewijding al hunbeste krachten aan den dienst offeren, vol geestdrift voor hun vak en hun land. Hoe jammer echter dat al die nobele krachten uitsluitend ten bate komen van Indië, dat zoodoende op de meest goedkoope wijze de beste vermogens, den geest en het lichaam gebruikt van een personeel, welks opleiding aan Indië niets gekost heeft, en voor welks oefening het ook heden nog niets over heeft.”Ik maak gebruik van deze opmerkingen die Beynen, al pratende met een vriend, dus uit den mond vielen, omdat hij met hart en ziel de marine liefhad, en het hem smartte, ter wille van het dierbaar vaderland, op te merken hoevele jonge levens en frissche krachten Indië jaarlijks verslindt, zonder dat Nederland of Kolonie er door gebaat wordt. Iemand die zoo waardeert en bewondert en liefheeft als hij, die aanmerkingen maakt op „measures” maar niet op „men”, is geen vitter, en zijne opmerkingen op zoo bescheiden wijze geuit, durf ik publiek te maken, overtuigd dat ze zijne nagedachtenis niet schaden zullen, en wellicht zijn geest zullen doen voortleven.Veel van den sleur, welken hij opmerkte en betreurde, weet hij aan het feit, dat zoo weinig personen in Indië werkelijk de noodige macht bezitten om te doen en te bevelen wat ze zien dat noodig is. Niemand durft iets op eigen gezag te doen, en er zijn zulke tallooze voorschriften, dat ze als een keten alle vrijheid van handelen aan de tegenspartelende hoofden van departementen en aan de officieren benemen, zoodat zelfs de gouverneur-generaal geen verouderde kartetsen durft opruimen, zonder dat daarover met den minister te ’s Hage is gecorrespondeerd, en niet deskundige ambtenaren daarover gedurende maanden kilometers papier vullen.Dit voorbeeld, dat mij ter oore kwam, geef ik slechts om Beynen’s opmerking duidelijk te maken. Hij betreurde het voor de marine en voor de flinke officieren vol geestdrift en ijver, dat alles over zooveel schijven moet loopen, en zelfs in détails geen hervorming kan worden ingevoerd, omdat niemand de noodige macht schijnt te hebben.Om Beynen’s streven en zijn geestdrift voor het Noorden wel te begrijpen, moet men beseffen hoe hij voornamelijk een tegenwicht zocht voor het ontzenuwend dienen in Indië, ten gunste van dat personeel der marine, hetwelk hij zoo innig waardeerde. Het kon hem zoo aan het hart gaan, dat de flinke, uitstekend opgeleide jongens van deWassenaeren deAnna Paulownaal zoo spoedig voor Indië moesten geofferd worden. Eens schreef hij: „De opleidingsschepen zijn zoo uitstekend goed, maar waarom moeten die jeugdige, stelselmatig goed gevormde jongens, die dappere zeemanshartjes al dadelijk in Indië in een niet varende marine aan de vuurproef der zon onderworpen worden? In plaats van het gezonde, sterkende leven van een lange oefeningsreis in het Noordelijk halfrond, waarop dag en nacht geëxerceerd wordt, en aanhoudend de handen uit de mouw moeten gestoken worden, gaan zij nu op een stoomschip der Maatschappij Nederland als passagiers naar Indië, en dienen jaren lang in een ontzenuwend klimaat op ten anker liggende schepen of op kleine, huiselijk ingerichte stoomscheepjes. Om den tijd stuk te krijgen en de mannen tenminste bezig te houden, worden dan tableaux van werkzaamheden ontworpen, en moeten de jongens, jaren lang, dag aan dag verveeld worden met zeer elementaire theoriën over geschut, inrichting, geweer, tuig, richten enz., welke zij op het opleidingsschip veel beter gekend hebben.”Kan het misschien nut hebben hierop te wijzen, en is het mogelijk dat de opmerkingen van een jongen, bescheiden zee-officier, die zijn vaderland meer dan zich zelf beminde, aan onze Tweede Kamer aanleiding geven tot onderzoek en degelijke bespreking der belangen van onze marine?O vertegenwoordigers van Nederland, denkt aan de landsverdediging; helpt de kloeke zee-officieren zoovele heerlijke krachten voor het vaderland te bewaren; geeft desnoods een gepantserd schip minder, maar zendtZr. Ms.schepen over de oceanen; werpt de schoolmeesters-theorie over boord en geeft meer praktijk daarvoor in plaats. Dat er een einde kome voor al die jonge mannen aan het herkauwen van minder goed gekruide spijzen, en geeft hun in plaats daarvan frisschen kost en de levenwekkende zeelucht van het Noorden. Laat zeelui niet op meest ten anker liggende schepen en hier op straat of ginds door den Archipel slenteren. Laat een wetenschappelijk korps, als dat onzer zee-officieren, gelijken tred houden met hun evenknieën. Laat dehydrographende kusten van alle eilanden van den „gordel van smaragd” in kaart brengen; staat den officieren toe zich te onderscheiden in tijd van vrede; laat jaarlijks het eskader in de wateren van Azië en Europa kruisen en ontplooit de roemrijke driekleur in Oost en West ook buiten onze bezittingen. Zendt de Hollandsche zeelui naar Noordelijke en Zuidelijke IJszee; maakt hen vertrouwd op onstuimige wateren; leert de jongens in winternachten onze kust te bezeilen; maakt jonge luitenants ter zee zoo bekend met onze gronden alsof ze jonge loodsen waren; hijscht de zeilen op zeilschepen met stoomvermogen, niet op stoomschepen met zeilvermogen, en kweekt daar jonge mannen, die in plaats van in doffe onverschilligheid en gedwongen vadsigheid hofjesdienstop een Indisch wachtschip te verrichten, sterk en frisch en gezond zouden blijven, om met een schild van nobele harten Holland aan de zeezijde te beschermen in het uur van nood.Naar het Noorden dus, zeelui van Nederland; laat de stormwind die over de ijsvelden buldert uw krachten stalen, uw bezieling levendig en frisch houden. Daar vindt ge de oude beweegkracht, de stalen veerkracht die onze marine eens beroemd maakte. Het Noorden verdient nog steeds wat Nicolaas Beets het in 1834 toezong:Blondlokkige, die op den ijsberg troont,Aan de opperste as der wentelende aard verheven;Die ’t edel hoofd met sneeuw en kegels kroont;Een scepter voert, waarvoor de volken beven;Het blauwend oog vrijmoedig om u slaat,Op de onschuld trotsch, die in uw boezem zetelt,En met den blos des levens op ’t gelaat,Het Zuid beschaamt, dat zich in wellust baadt,’t Ontzenuwd lijf met zingenieting ketelt,En de ondergang in weelde en dartlend tegengaat!Van u gaan kracht en leven uit en moedEn heldendeugd, die edel en vertrouwd isAls ’t blauw metaal, dat aan uw blanken voetDen bodem spiert, waarop uw troon gebouwd is;Gezondheid vlot uw zuivre lippen af,En stroomt van u het zachtelijk Zuiden tegen,Dat, half verteerd en bukkend over ’t graf,Geen kracht meer kent dan die uw adem ’t gaf,En ’t waagt door list uw grootheid op te wegen,U, die ’t doen zwijmlen kunt door ’t draaien van uw staf!Zij strekt de handen naar uw zonen uit,Die zwijgend ’t hoofd voor haar bedwelming bukken,Vertrapt hun recht, maakt hun bezit ten buit,En juicht zich toe met keetlend hartverrukken;O, wek hen, doe hen opstaan in hun macht;Zend ze uit, gelijk een eenig man verbonden;Hard, hard hun ’t lijf, en stevig met uw krachtDe vuisten, die de greep van ’t zwaard hervonden?Gesp Noorden! gesp het stalen harnas aan!Ten strijd, ten wraak voor ’t half ontwricht Europe!Gesp, strijdbaar Noorden! gesp het stalen harnas aan!
VI.VI.DES ZOMERS OP DE NOORDZEE,
VI.
Beynen schreef mij in den tijd dat hij het volk warm poogde te maken voor zijn ideaal: „Telkens ontmoet ik jonge officieren en minderen, waarfeu sacréin zit voor alles wat in ons vak kloek en grootsch is te vinden, doch ik denk er meermalen met zekeren weemoed aan, hoe die jeugdige frissche krachten door teleurstellingen en niets doen wellicht zullen verwelken. Hoe anders zou het zijn als zij, in plaats van te passagieren in Indië, avontuurlijke tochten gingen ondernemen; als zij met fier gevoel van eigenwaarde in onbekende zeeën gingen doordringen, om later met geestdrift en edelen naijver door hun kameraden en vrienden in het vaderland ontvangen te worden.” Wat Beynen wilde en door woord en daad predikte, zal verder nog duidelijker aan het licht komen, want ik moet nu het verhaal van zijn wedervaren voortzetten.Toen hij overal zijn lezingen gehouden had, werd hij geplaatst opZr. Ms.Zeehond, waarop hij met de tot bootsmansleerlingen bevorderde jongens van deWassenaar, een oefeningstocht zou maken op de Noordzee, onder bevel van den overste Guyot.Den 23sten April 1877 schreef hij aan boord van dit vaartuig:„Prins Hendrik stond mij gisteren een audiëntie toe. Ruim vijf kwartier heb ik de eer gehad metZ. K. H.te zitten praten, na alvorens het boek vanHackluyt Societyeerbiedig te hebben overhandigd. Ik heb den prins vooral gewezen op de commercieele voordeelen, welke uit tochten naar het Noorden na verloop van tijd kunnen spruiten; welk een oefeningsschool voor zeelieden de ijsvaart is, en hoe goed voor den nationalen roem.Z. K. H.sprak van het laten bouwen van een houten scheepje, en was van meening dat zulks voor geringer kosten in Zweden kon geschieden.”Den 18den Mei 1877 schreef hij aan boord vanZr. Ms.Zeehond, geankerd in ’t Haringvliet:„Wij zijn hier van morgen op de reede vertuit, om de jongens te leeren ketting klaren. De brik manoeuvreert uitstekend, en luistert bijzonder nauwgezet naar het roer. De loods drukt dit uit door te zeggen: „de brik is kittelig.” Dagelijks zien wij tallooze naamgenooten van onze kittelige, schoon bejaarde brik op de Zeehonden- en Garnalen-plaat. Zij laten ons evenwel niet genoeg naderen om een schot op hen te doen, wat zeer natuurlijk is als men bedenkt dat gelijknamige polen elkander afstooten.„We gaan naar Edinburgh, dan terug naar Hellevoet, vervolgens doen wij een Duitsche haven aan, en dan via Nieuwediep terug naar Hellevoet en dat voor goed.” En later schreef hij: „Slecht weder hebben wijnog weinig gehad. Alleen een weinig uit het Z. W. en toen ging deZeehondopmerkelijk wild te keer. Hij stopte zijn neus tot boven het vinkennet in het water en rees dan op, en dat zoo snel en krachtig, dat de bezaansboom uit de mik gelicht werd.„De schipper verklaarde dat dit niet te verwonderen was, als men bedacht: dat hij nu weer eens los raakte na 17 jaren aan de ketting gelegen te hebben.”Kruisende op de Doggersbank, schreef hij den 10den Juni:„Van daag voor acht dagen verlieten wij de reede van Hellevoet. Toen wij onder zeil gingen kwam de stuurman, met de laatste brieven van den wal bij zich, aan boord, en verbeeld u mijn verbazing, toen hij mij een aangeteekend pakje overhandigde, dat een mooie gouden ketting bevatte, met de inscriptie: Utrecht, 14 April 1877. Er was een schrijven bij van prof. Quack, waarin hij mij, namens het Utrechtsche subcomité, de ketting aanbood, als een herinnering aan mijn lezing te Utrecht. Wat mij vooral trof was de datum van 14 April, de jaardag van mijn goeden vader, en meer dan ooit riep dit mij toe, hoe ik toch al deze zaken aan zijn verstandige en zorgvuldige opvoeding in de eerste plaats te danken heb.”Toen hij op dezen oefeningstocht was, ontving hij de officieele mededeeling van de Nederl. regeering dat H. M. koningin Victoria hemthe arctic medalhad toegekend. Ik ben in de gelegenheid gesteld om te lezen wat graaf van Bijland, onze gezant te Londen, aan den minister van Buitenlandsche Zaken dienaangaande schreef:„Ik meen hier niet onvermeld te mogen laten, dat Sir Allen Young bij het overreiken van nevensgaand eereteeken met den meesten lof heeft gesproken van de vastberadenheid, de kunde en het beleid doorluitenant L. R. Koolemans Beynen voortdurend aan den dag gelegd tijdens zijn diensttijd aan boord derPandora.”Op dit eereteeken was Beynen te recht zeer fier. Het was hem een schoone herinnering aan een leerzamen, belangrijken tijd, toen hij meer dan zijn plicht deed.Het is een kleine zilveren medaille met wit satijn lint en zilveren gesp. Op den eenen kant het borstbeeld van koningin Victoria, en op den andere een schip in ’t ijs.In Juli kruisende op de Noordzee, schreef hij: „Op de Doggersbank hebben wij gevischt, zonder evenwel veel te vangen. Op 60° N. Breedte herinnerde mij de frissche koude noordenwind en het voortdurend dag zijn, de vaak opkomende nevels en de veleloomsweder aan de „Arctic Regions” en al het lief en leed, dan denk ik met zekeren heiligen eerbied aan onze lieve, brave, nu ontslapen koningin, de tijding van wier overlijden ons diep trof. Zeker heeft zij veel lief en leed gekend, maar ze heeft ook veel liefde betoond en veel leed verzacht. Moge zij bij ons volk in eerbiedige herinnering blijven. Onder den indruk der tijding schreef ik uit Edinburg een kort briefje aan Prins Alexander, die ik begreep dat deze slag ontzettend zal gevoelen, en in de hoogste mate bedroefd zal zijn, en wellicht eenigen troost kan vinden in het medegevoel van ieder die hem kent en weet hoe hartelijk hij zijn moeder lief had.„Ik vernam te Edinburgh dat er geld blijft inkomen voor de Noordpoolreis. Met hart en ziel blijf ik hopen dat ons volk op den reeds ingeslagen weg zal willen voortgaan, tot eer van koning en vaderland, en tot zijn eigen bestwil. Wat Zweden jaar in jaar uit vermag,kan Nederland toch zeker ook doen, en in het vaderland van Barents kan de geest niet uitgedoofd zijn, die eeuwen lang de Nederlandsche driekleur den weg deed wijzen op alle zeeën der aarde.”Van zijn tocht op deZeehondgaf Beynen bij mij aan huis eens aan mijn jongens, na den eten, een belangwekkende beschrijving, welke ik ’s avonds uit mijn herinnering opschreef en gelukkig bewaard heb. Ik had dien dag met hen een bezoek gebracht aanZr. Ms.opleidingsschipAdmiraal van Wassenaerte Amsterdam. De commandant, kapitein-luitenant ter zee Steffens, ging het geheele schip met ons rond; we zagen de flinke jongens exerceeren, we woonden het onderwijs bij, en verlieten het schip met groote bewondering voor een opleiding en behandeling, waardoor kloeke zeelieden gekweekt worden, die tucht, gehoorzaamheid en handigheid in hun jeugd geleerd hebben.„Weet je wat voor flinke zeelui jongens worden die durven en goed leeren?” vroeg hij aan mijn zoons, die met hem dweepten. „Dan zal ik je er eens vertellen hoe de jongens van deWassenaerhet van den zomer op zee maakten, toen ik met hen naar de haringvloot zeilde. Luister.„Het is een kalme, schoone Juni-morgen en onze oefeningsbrik drijft zachtkens, nauwelijks acht slaande op de bewegingen van het roer, over het spiegelgladde water van de Noordzee. DeZeehondbevindt zich te midden van honderden Nederlansche visschersschepen, waarvan de bemanning in de grootst mogelijke drukte bezig is met het sorteeren en kaken der gedurende den nacht gevangen haring. De krachtige, frissche zonen onzer kustdorpen werken hard door, want ze verlangen na het uitputtend werk eenige rust te genieten; evenwel houden ze toch even op, omover de verschansing naar het schoone hooggetuigde Nederlandsche schip te kijken, van welks bewegingen ze zich aanvankelijk geen rekenschap konden geven.„Voor de eenvoudige visschers was het schouwspel trouwens heerlijk schoon.„De breede, zware, sneeuwwitte zeilen—kant bijgezet—spreidden zich deftig en indrukwekkend over het sierlijk vaartuig uit, dat in de meeste stilte tusschen de vaartuigen van de visschersvloot voortglijdt.„De wimpel aan den grooten top, het geheele tuig, de netheid en orde welke overal heerschen, hebben reeds lang het oorlogschip doen kennen, waar aan boord, gedurende de morgen-inspectie welke juist gehouden wordt, de grootste stilte heerscht. Op eenmaal klinken de korte krachtige commando’s van den eersten officier en het geheele schip schijnt leven en bezieling te krijgen.„Als door onzichtbare draden bewogen, kruipen de halzen en schoten der vierkante zeilen vlug en rap naar het midden der ra’s, die dadelijk daarop—als bezwijkend voor dien onverwachten aanval—met luid geraas langs de stengen omlaag glijden.„De driehoekige stagzeilen vooruit op de boegspriet verdwijnen als door een tooverslag, op hetzelfde oogenblik dat het groote brikzeil met kluchtige deftigheid zich in lange breede plooien samenvouwt.„Een tweede commando klinkt … en meer dan 80 jonge frissche knapen, in de nette zeemansdracht der marine gekleed, enteren vlug als katten van weerszijden tegen het want op; verspreiden zich snel en stil door het geheele tuig, vatten met flinke, krachtige grepen de zware onhandelbare zeilen aan, en in minder dan twee minuten zijn allen weêr omlaag, en is geen stukje zeil meer zichtbaar. Het schip ziet ermet zijn vastgemaakte zeilen nu uit alsof het te Nieuwediep aan de kaai lag. Nu volgt de eene verrassing op de andere. De zeilen-exercitie is begonnen; het is zeilen bijzetten en opnieuw bergen; marszeilen afslaan en verwisselen, zeilen reven of beslaan.„Onder deze opwekkende, belangrijke exercitie beginnen de jonge matrozenharten al driftiger en driftiger te kloppen, de altijd bestaande naijver tusschen de jongens van den grooten top en van den vóórtop wakkert aan tot een opgewonden poging, om ook nu weêr het eerste met alles klaar te zijn. De jongens vereenzelvigen zich—zonder er zelve bewust van te zijn—geheel met de verschillende exercitiën, en indien men het bezielend commando niet matigde, dan zou de gloed, waarmede ze werken, aanstonds in wilde drift overslaan, en ze zouden hun leven er aan wagen om uit wedijver de roekelooste waagstukken te doen in het tuig.„De jonge visschers op de sloepen zien met bewondering de exercities op het oorlogschip aan, en indien nu reeds menige bejaarde visscher uitroept: „die jongens zijn flinke borsten, hoor!” als zij hen daar hoog in de lucht, als ’t ware aan hun adem zien hangen, hoeveel dieper zouden ze dan getroffen zijn, indien ze diezelfde kinderen eenige dagen geleden hadden zien werken. Het was in het begin van den oefeningstocht. De hoog opgezette zee deed de brik verschrikkelijk heen en weder slingeren, toen de jongens voor het eerst van hun leven den wind, wild en woest, met gierende vlagen door het tuig hoorden huilen. De nacht was stikdonker en het schip steunde en kraakte, alsof het bezwijken zou onder den druk van de hevig invallende buien. Toen de marszeilen één voor één dichtgereefd moesten worden, werden de oudste en sterkste jongens op dek gemonsterd, engingen ze op het commando van den kapitein het tuig in, om, denkelijk met kloppend hart, maar met de lippen op elkander vol waren mannenmoed, hun verschillende plaatsen op de ra’s te gaan innemen.„Toen ze boven op de marsra waren gekomen en elkander nauwelijks onderscheiden konden … toen de aanmoedigende stem van den commandant al sinds lang niet meer te hooren was in dien baaierd van wilde, ongekende geluiden … toen elke windvlaag werkelijk dreigde hen naar omlaag te zullen slingeren … toen een hunner sterkste makkers met een gil zijn houvast verloor en in den donkeren nacht omlaag viel—zonder zich echter ernstig te bezeeren—… toen was het meer dan mannenmoed, het was de ware bezieling, het heerlijk instinct van een oud, beroemd zeemansgeslacht, dat die kinderen over de slingerende rondhouten naar buiten deed enteren, alsof ze oude bevaren matrozen waren.„Zulke oogenblikken vormen mannen en hoe meer men er van hoort en ziet, des te meer wint de overtuiging veld bij ons, dat zulke zeemanschap gekweekt moet worden, indien wij op onze vloot die zelfdenkende, stoute, wakkere karakters willen houden, die zoo vaak den roem zijn geweest van ons volk.„Zeemanschap leert denken, handelen en opletten: geeft zelfvertrouwen en moed.„Evenals een soldaat dubbele waarde heeft, als hij deze eigenschappen heeft verkregen in tal van veldtochten, zoo krijgen de koppen opZr. Ms.schepen hun volle waarde eerst, wanneer ze op vele moeielijke reizen, van hun jeugd af zeemanschap hebben geleerd.„Van den aanvang af moeten de jongens beseffen, dat een zeeman geen werktuig maar een denkend wezen is, op wie groote verantwoordelijkheid rust,en die zichzelven en anderen redt door tegenwoordigheid van geest en vlugheid.„Een jongen, die bij harde bries een boven-bramzeil gaat vastmaken, ondervindt al dadelijk, dat hij met gezond verstand en kalm overleg vrij wat gemakkelijker slaagt, dan indien hij volgens ingeprente lessen, mannetje voor mannetje, precies naar het voorschrift handelt.„Een matroos die marsgast is en, bij het onderzeil gaan, als er wat aan hapert, onder het oploopen der marszeilen, door onmiddellijk te handelen, verdere stoornis voorkomt, begrijpt hoe hij daardoor vaak het schip vrijwaart voor een gevaarlijke botsing met een ter reede liggend vaartuig.„Een roerganger, die op een moeielijk oogenblik het roer verkeerd aan boord draait, weet dat zulk een misslag den ondergang van het schip en de bemanning ten gevolge kan hebben.„Dus komen er op zee aanhoudend en ongemerkt duizenden gevallen voor, waarin matrozen die eigenschappen ontwikkelen, welke in de marine zoo onontbeerlijk zijn, en die de flinke jongens van deWassenaerop zeilschepen moeten oefenen. Ze zijn goed onderlegd en als ze maar niet te vroeg naar Indië gaan, doch op onze zeeën geoefend worden, groeien ze op tot voortreffelijke zeelieden.„Naarmate de stoomvaart de overhand krijgt, komen er meer en meer zeesoldaten, artilleristen en machinisten in plaats van matrozen aan boord. Het gevaar hiervan is groot. Geen onjuister denkbeeld is er, dan dat op stoomschepen geoefende matrozen overbodig worden.„En in de koninklijke marine vooral zijn ze broodnoodig. Op onze kruisers, op onzelaunches, onze torpedo-booten, onze sloepen, kunnen wij zelfsminder dan ooit, zelfdenkende, vlug handelende, bedaarde, ervaren zeelieden missen.„Alles wat zeemanschap kweekt, verdient dus aanmoediging en steun. De opleiding op een schip als deWassenaer, tochten op oefenings-brikken, kruistochten van het eskader—met weinig stoomen en veel zeilen—stoute, kloeke ontdekkingstochten in verre, gedeeltelijk onbekende zeeën, dit alles verdient den steun van regeering en publiek. Dus blijft de avontuurlijke, ondernemende matrozengeest inheemsch, en de officiers, die met de jongens op de oefeningsbrik geweest zijn, erkennen, dat enkel iets aangemoedigd moet worden wat reeds bestaat. De oude geest van Janmaat is er nog, en flink en degelijk zeevolk zullen we behouden, als we in het Noorden de groote oefenschool openhouden, waar ook Michiel Adriaanszoon de Ruiter, op zijn reizen naar Groenland’s kust, dien kalmen moed en die zeemanschap ontwikkelde, welke zijn naam onsterfelijk maakten.”Dit was Beynen’s verhaal, en het had op mij zoo’n indruk gemaakt, dat ik hem een paar dagen later om nadere inlichting vroeg over die noodzakelijkheid van zeemansgeest bij jonge matrozen aan te kweeken, waarover hij steeds sprak. Reeds den volgenden dag schreef hij mij het volgende antwoord op mijn brief.A/B Z. M. Wachtschip, Amsterdam 11 Jan. 1878.Beste Vriend!Nog een paar woordjes om te zien in hoeverre ik aan je verzoek kan voldoen, door mijne meening uit te spreken en te argumenteeren, hoe noodig het is bij den tegenwoordigen toestand onzer marine zeemanschap en zeemansgeest aan te kweeken.De met zorg behandelde opleiding derWassenaerenAnna Paulownagewent van kindsbeen onze toekomstige matrozen aan het scheepsleven. ’s Zomers varen zij op kleine zeilscheepjes in de Zuiderzee en na twee jaar komen zij op ± 16-jarigen leeftijd a/b van eskaders of oefeningsschepen als de brik deZeehond.Wanneer zij nu ’t geluk hebben in dien tijd veel te varen en veel te exerceeren, dan draagt hunne eerste opleiding al dadelijk goede vruchten en op 19-jarigen leeftijd is een goed fond gelegd, waarop met succes verder kan gebouwd worden.Zij zijn gezond, sterk, vol ijver, vatbaar voor hoogere geestdrift en dikwijls bezield met een feu sacré voor hunne betrekking, dat ons de overtuiging geeft hoe met verstand en tact alles van die jongens te maken is. Nevensgaand eenvoudig fatsoenlijk briefje, tot mij gericht door een 19-jarig bootmansleerling die de brik verliet, billijkt dan ook mijns inziens bovenstaande zienswijze.Nu komt echter de tijd, dat zij voor ruim drie jaar naar Indië moeten, en hoewel zij daar hun beste, hunne heiligste krachten opofferen in ’t wezenlijk belang van ’t geliefde vaderland, toch blijft het niet te ontkennen, dat door het voortdurend varen op kleine stoomschepen die, zoo ze niet op rivieren varen, verspreid door den archipel kruisen, veel zeemanschap maarvooralenbovenalveel zeemansgeest verloren gaat.Drie kwart van onze marine nu brengt het grootste gedeelte van hun diensttijd in Indië door, verder op stoomschepen en pantserschepen in Nederland, maar slechts een klein gedeelte blijft herhaaldelijk op zeeschepen varen.Juist met ’t oog daarop is ’t wenschelijk datiedererichting gevolgd wordt, die als tegenwicht tegen het noodzakelijke doch minder leerzame dienen in Indië dienstig kan zijn om zeemanschap en zeevaartsgeest aan te kweeken en te verhoogen.Een verkenningstocht in de N. IJszee is bij uitstek geschikt om juist deze beide eigenschappen bij zeevolk aan te kweeken. Het moeielijke, het avontuurlijke, het eigenaardige van de ijsvaart vormt mannen, die lust krijgen om moeielijkheden op te zoeken en te overwinnen, en geeft hun als belooning een gepast gevoel van eigen kracht en eigenwaarde, die zeker heerlijke vruchten zal dragen, als zij op hunne posten geroepen worden om in tijd van nood, het vaderland te verdedigen.Reeds in mijn verslag van 1875 schreef ik:„Ieder zal erkennen, dat het voortdurend in gevaar verkeeren, dat deze vaart met zich brengt, voor den zeeman meer leerrijk is, dan het varen op een schip, dat, als het eens den goeden koers heeft, dagen lang kan doorleggen zonder eenig gevaar te duchten te hebben.„Niet alleen dat de zeevaarder in de ijszeeën, door het aanhoudende manoeuvreeren, gemakkelijk en vlug met zijn schip leert omgaan, maar hij zal ook snel een gevaar, waarin hij zich onverwacht bevindt, leeren overzien en daardoor dadelijk en beraden zijn maatregelen weten te kiezen, om het te ontwijken of het kalm en bedaard te doorstaan.„Mannen als Ross, Parry, M’Clure en Nelson, hebben dan ook herhaaldelijk betuigd, dat zij eerst in de met ijs bedekte zeeën hun opleiding als praktisch zeeman ontvangen hebben.„Doch wij Nederlanders hebben deze bevestiging niet in den vreemde te zoeken. Tal van onze meest stoute en onverschrokken zeevaarders zijn toch in deijszeeën gevormd; de ijszee was het oefenveld, de leerschool voor die stoute zeelieden die de eer van ons land zoo vaak op alle zeeën van den aardbol ophielden en het voorbeeld van den onsterfelijken Heemskerk, die in de armen der overwinning voor Gibraltar ’t leven laat, is voor het nageslacht nog niet verloren gegaan.„Toch zoude het verkeerd gezien zijn, om van een enkelen tocht van deWillem Barentsgroote gevolgen te verwachten om de aloude zeemansgeest en de aloude zeemanschap bij onze marine terug te krijgen.„Daartoe is het aantal menschen die er aan deel kunnen nemen veel te gering, maar wanneer onze natie het ernstig wil dat wij nog eene zeevarende natie blijven, dat wij nog werkelijk goed zeevolk blijven vormen, dan moet de reis van de „W. B.” de eerste stap zijn in eene richting, waarin onze marine zich later op grootere schaal kan gaan voortbewegen. Dan moeten daaruit voortvloeien reizen, zooals de Zweden die tegenwoordig zooveel door hunne marine doen ondernemen, n. l. wetenschappelijke reizen met oorlogschepen.„Sinds 1858 hebben de Zweden vijf expedities naar de N. IJszee ondernomen met kleine, sterk gebouwde zeilscheepjes, waarmede zij voor de wetenschap meer resultaten verkregen dan de Engelschen met hunne tochten op schepen die millioenen kostten, groote expedities met stoomschepen, die meer dan 1½ millioen pond sterling gekost hebben. Daaraan voegden zich reizen, om de zeeën, die Noorwegen en Zweden omringen, wetenschappelijk te onderzoeken, en op ’t oogenblik heeft de Zweedsche marine zich zoo krachtig in die richting voortbewogen, dat zij in dezen zomer behalve één groote wetenschappelijke poolexpeditiemet een stoomschip deVega, bemand met marine-officieren en manschappen, tegelijkertijd in de Noord-Atlantische Oceaan met het oorlogstoomschip deVöringen, een soort Challengerreis verrichten, terwijl de oorlogschepenAlfhildenGustavofKlintonder leiding van prof. Ekman eene hydrographische expeditie in de Oostzee zullen ondernemen.„In die richting kweekt de kleine Zweedsche marine lust, ambitie, ijver, zeemanschap, zeemansgeest bij haar volk en officieren aan; en dien weg moeten wij zooveel te meer trachten na te volgen, omdat onze marine, juist door onze koloniën, in ongunstige omstandigheden verkeert.„Het dienen in Indië maakt als hoog noodig tegenwicht een bewandelen van de Zweedsche richting voor ons dubbel noodzakelijk.„En nu nog een woord voor hen die beweren, dat wij in de toekomst geen matrozen meer noodig hebben, dat, waar de stoom meer en meer toepassing vindt, wij ons zeevolk door zeesoldaten kunnen doen vervangen.„In tijd van oorlog hebben wij bij onze marine noodig sterke, gezonde gestellen, die vele vermoeienissen kunnen doorstaan, vóórdat hunne geestkracht er door gebroken wordt, mannen die durven en die dadelijk en snel weten te handelen, mannen met een vasten wil en „iron nerves”, en juist deze eigenschappen worden uit duizend kleinigheden, reeds in tijd van vrede, bij menschen ontwikkeld, die veel op zee varen.„Zij leerendurven,attent zijn,kalm blijvenenhandelen,zien dat zij de bakens moeten verzetten naarmate het getij verloopt, en verwervendieeigenschappen, die vroeger deden zeggen, dat een zeeman voor alle baantjes geschikt was.„Voor alle die hoedanigheden is geen beter oefenveld dan de zee, en willen we stout ondernemend zeevolk krijgen en behouden, dan moeten wij beginnen met er geene zeesoldaten, maar wel zeematrozen van te maken.„En nu, waarde vriend, ga ik eindigen, het in ’t midden latend of dit supplement op mijn verhaal aan je jongens je duidelijk maakt wat ge begrijpen wilt.„Ge ziet er uit hoe het mijne meening is, nietalléénpoolreizen te ondernemen, maar ook reizen zooals de Zweden die doen, met de bedoeling om wetenschappelijke reizen op zeilschepen te doen ondernemen.„Maar vooral en bovenal,veel blijven varen.”Uit gesprekken met hem gevoerd, kan ik aanvullen wat hij in dezen brief schreef, opdat men wel beseffe wat zijn streven was. Indien ik vergissingen bega, door onwetendheid of doordien mijn geheugen mij in den steek laat, dan wijte men ze niet aan hem, die altijd even hartelijk en waardeerend van de Nederlandsche marine sprak, maar mij. Gedurende zijn verblijf in Indië had hij genoeg gehoord en opgemerkt om in te zien dat in enkele opzichten de ziel, hetesprit de corpsaan de marine ontbrak, dat er geen leerschool was om zich te bekwamen, geen prikkel om zich op zee te onderscheiden, geen oefenschool om met koene voorzichtigheid te leeren durven, en zich voor te bereiden tot een worsteling tegen overmacht.Instinktmatig gevoelde hij dat we noodig hadden om ons op dezelfde wijze te oefenen en te ontwikkelen als de voorvaders deden, en dat we daartoe weer moesten doen wat de marine vóór den Franschen tijd deed.Het korps zeeofficieren vóór de revolutie in 1795 was hoogst gedistingueerd, zeer beschaafd, ervaren en bekwaam. Het werd echter tijdens de revolutie door Peter Paulus ontbonden en vervangen door mannen van minder gehalte, die er zich op beroemden door de kluisgaten aan boord te zijn gekomen. Grof schelden en slaan kreeg toen den boventoon en behield dien eenige jaren. Na 1815 ontstonden er twee stroomingen in het officierskorps der marine. De uit krijgsgevangenschap van de Engelsche pontons teruggekeerde officieren brachten Engelsche uitdrukkingen en indrukken mee. De officieren daarentegen die op de Fransche vloot gediend hadden, waren in de eerste plaats militairen geworden. Zij hadden soldatesquen geest enmanoeuvres de forceop steeds ten anker liggende schepen geleerd. De Engelsche napraters hadden de meeste zeemanschap en zeemanskennis, doch de stuurman bracht het schip in zee, en de officieren waren niet meer met hart en ziel zeelui gelijk de Trompen en de Ruiters waren. Het eskader, dat we van 1818 tot ’30 in de Middellandsche zee hadden, moest dus den grond leggen voor een wedergeboren marine, maar indien we ons niet vergissen, geschiedde dit te veel in den Franschen geest, en leerde men in de eerste plaats exerceeren en manoeuvreeren, terwijl men geen zeelieden, geen „navigateurs” vormde. Toch was het een goede oefenschool. In 1830 werd het eskader teruggeroepen en tijdens den langgerekten oorlog met België kwamen de officieren op de Schelde en bleven tot 1836 binnengaats op de kanonneerbooten; wat door het eskaderleven gewonnen was, ging aldus verloren. Men trachtte dit te herwinnen door eenige schepen jaarlijks een week of wat te laten zeilen, maar men vond het te kostbaar en achtte de resultaten te gering voor het geld.De vaart op Indië rond de Kaap vormde echter zeelieden, en hun aantal nam toe nadat de adelborsten van Medemblik kwamen. Nu werd meer en meer zeemanschap verkregen, maar ging daarentegen het militair karakter weer verloren, dat de marine toch hebben moet, en dat alleen verkregen kan worden door het zeilen en manoeuvreeren van eskaders.In dien toestand was de vloot, toen de stoom nog meer verwarring kwam aanbrengen. Wat geschiedde? Het kruisen werd kostbaarder, daar de steenkolen geld kosten, en van den wind—die geen geld kost en zeelieden vormt—werd te weinig gebruik gemaakt. Ook het ontbreken eener doorloopende batterij deed kwaad. Hierbij kwam de afscheiding van koloniaal en Nederlandsch materieel, waardoor men verplicht werd het personeel der marine op passagierschepen door het Suezkanaal naar Indië te zenden, wat zelfs geen oefentocht was. Ten slotte kwam het pantseren van schepen in zwang. Nederland moest mede doen,—al blijft de zeemanschap der levende krachten allen pantsers ten slotte toch de baas—en de landverdediging door deze logge ijzeren gevaarten vorderde een bijzondere opleiding binnenslands, zoodat de militaire eischen die van den zeeman overstemden.Het varen op stoomschepen in Indië en het varen op monitors in de binnenwateren van Nederland zijn onvoldoende om De Ruiters te kweeken, meende Beynen. Hij zag dit eerst langzamerhand in, daar hij het geluk had dadelijk de expeditie naar Atjeh mede te maken, toen de marine geduldig en moedig haar lijden verdroeg voor Atjeh en op land haar eer schitterend handhaafde, wat Bogaarts aan de Oostkust in zee deed.Het was omdat hij dit alles inzag, dat hij een beweging wilde beginnen om de oude traditie der roemrijkeNederlandsche marine te doen herleven, en de oude oefenschool van zeemanschap weer op te zoeken.Hij zelf kon dit alles niet zoo zeggen, als hij naar het Noorden wees. Het zou aanmatigend geschenen hebben in zijn mond, en hoe nederig en eenvoudig hij was, weten wij, zijn vrienden, het best. Geen onverdiender, onrechtvaardiger beschuldiging werd ooit tegen iemand uitgebracht, dan die van enkelen welken hem betichtten van onnoodige drukte te maken …, wat men in de Marine gelukkig niet kan verdragen. Ik heb nooit iemand ontmoet zoo bescheiden en onzelfzuchtig als de jonge held, wiens leven ik niet kan beschrijven zonder dat telkens in mijn hart de bede opkomt, welke een hoofdofficier der marine uitte toen hij mij schreef: „Geve God, dat wij nimmer gebrek aan Beynen’s mogen hebben, als onze vloot ooit moet toonen wat zij tegen een Europeeschen vijand vermag.”Doch juist daarom wensch ik dat de les van zijn leven en streven niet verloren ga. Volgens zijn overtuiging was Indië in vele opzichten nadeelig voor die groote en heerlijke eigenschappen, welke den Hollandschen zeeman steeds kenmerkten, wiens houten bodem in tijd van gevaar het ondoordringbaar schild van zijn land placht te zijn. Verleden jaar schreef hij nog uit Indië: „Langs een kust stoomen of op een reede liggen, schijnt de meest normale positie van Nederland’s vloot in onze overzeesche koloniën te zijn, en ofschoon het goed moge wezen, dat onze oorlogschepen niet meer als in de dagen van admiraal Collingwood 21 maanden aan één stuk onder zeil blijven, zonder dat al dien tijd het anker slechts ééns in den grond mocht gaan, zoo geloof ik toch dat de tegenwoordige toestand niet gezond is.”Doch zijn aanmerkingen betroffen de reglementenen instellingen, niet de officieren. In denzelfden brief waarin hij de weinige activiteit der marine betreurt, schreef hij:„Ik moet zeggen dat ik verbaasd ben over de stipte wijze waarop de wachtluitenants van de hier op de ree van Batavia liggende oorlogschepen hun dienstplichtà coeurnemen.„Wanneer men bedenkt hoe eentonig vervelend de dagelijksche reê-dienst is—terwijl het weldra veel te duur wordt soms aan land te gaan—dan noem ik de stipte nauwgezetheid en conscientieuse ernst verbazingwekkend en schoon, waarmede de officieren maanden lang aan één stuk hun eenvoudige scheepsdiensten verrichten.„Enkele blijven maanden lang op de ten anker liggende, drijvende kazernes aan boord, zonder ooit voet aan wal te zetten, en de eerste officiers zoowel als de tweede klasses vervullen dan dagelijks nauwkeurig en oplettend de onbeduidendste scheepsdiensten, en geven het voorbeeld, waardoor het inwendige der schepen er goed blijft uitzien. Geen wonder echter dat al de officieren van het ramtorenschipKoning der Nederlandenblij waren toen zij, na zes maanden voor anker gelegen te hebben, veertien dagen in Straat Sunda gingen kruisen.”Indië trekt voortdurend heerlijke krachten uit Nederland, doch het Oosten gaat verkwistend om met de kracht uit het Noorden. Dit toont Beynen in de volgende woorden aan:„Het verdient opmerking dat de meeste hier zijnde officieren eerst kort in Indië zijn, en dit is mij een nieuw bewijs dat het tegenwoordig in zwang zijnde dienstsysteem ten minste dit voordeel heeft, dat er in Indië telkens jonge frissche krachten worden aangevoerd, die in den eersten tijd met toewijding al hunbeste krachten aan den dienst offeren, vol geestdrift voor hun vak en hun land. Hoe jammer echter dat al die nobele krachten uitsluitend ten bate komen van Indië, dat zoodoende op de meest goedkoope wijze de beste vermogens, den geest en het lichaam gebruikt van een personeel, welks opleiding aan Indië niets gekost heeft, en voor welks oefening het ook heden nog niets over heeft.”Ik maak gebruik van deze opmerkingen die Beynen, al pratende met een vriend, dus uit den mond vielen, omdat hij met hart en ziel de marine liefhad, en het hem smartte, ter wille van het dierbaar vaderland, op te merken hoevele jonge levens en frissche krachten Indië jaarlijks verslindt, zonder dat Nederland of Kolonie er door gebaat wordt. Iemand die zoo waardeert en bewondert en liefheeft als hij, die aanmerkingen maakt op „measures” maar niet op „men”, is geen vitter, en zijne opmerkingen op zoo bescheiden wijze geuit, durf ik publiek te maken, overtuigd dat ze zijne nagedachtenis niet schaden zullen, en wellicht zijn geest zullen doen voortleven.Veel van den sleur, welken hij opmerkte en betreurde, weet hij aan het feit, dat zoo weinig personen in Indië werkelijk de noodige macht bezitten om te doen en te bevelen wat ze zien dat noodig is. Niemand durft iets op eigen gezag te doen, en er zijn zulke tallooze voorschriften, dat ze als een keten alle vrijheid van handelen aan de tegenspartelende hoofden van departementen en aan de officieren benemen, zoodat zelfs de gouverneur-generaal geen verouderde kartetsen durft opruimen, zonder dat daarover met den minister te ’s Hage is gecorrespondeerd, en niet deskundige ambtenaren daarover gedurende maanden kilometers papier vullen.Dit voorbeeld, dat mij ter oore kwam, geef ik slechts om Beynen’s opmerking duidelijk te maken. Hij betreurde het voor de marine en voor de flinke officieren vol geestdrift en ijver, dat alles over zooveel schijven moet loopen, en zelfs in détails geen hervorming kan worden ingevoerd, omdat niemand de noodige macht schijnt te hebben.Om Beynen’s streven en zijn geestdrift voor het Noorden wel te begrijpen, moet men beseffen hoe hij voornamelijk een tegenwicht zocht voor het ontzenuwend dienen in Indië, ten gunste van dat personeel der marine, hetwelk hij zoo innig waardeerde. Het kon hem zoo aan het hart gaan, dat de flinke, uitstekend opgeleide jongens van deWassenaeren deAnna Paulownaal zoo spoedig voor Indië moesten geofferd worden. Eens schreef hij: „De opleidingsschepen zijn zoo uitstekend goed, maar waarom moeten die jeugdige, stelselmatig goed gevormde jongens, die dappere zeemanshartjes al dadelijk in Indië in een niet varende marine aan de vuurproef der zon onderworpen worden? In plaats van het gezonde, sterkende leven van een lange oefeningsreis in het Noordelijk halfrond, waarop dag en nacht geëxerceerd wordt, en aanhoudend de handen uit de mouw moeten gestoken worden, gaan zij nu op een stoomschip der Maatschappij Nederland als passagiers naar Indië, en dienen jaren lang in een ontzenuwend klimaat op ten anker liggende schepen of op kleine, huiselijk ingerichte stoomscheepjes. Om den tijd stuk te krijgen en de mannen tenminste bezig te houden, worden dan tableaux van werkzaamheden ontworpen, en moeten de jongens, jaren lang, dag aan dag verveeld worden met zeer elementaire theoriën over geschut, inrichting, geweer, tuig, richten enz., welke zij op het opleidingsschip veel beter gekend hebben.”Kan het misschien nut hebben hierop te wijzen, en is het mogelijk dat de opmerkingen van een jongen, bescheiden zee-officier, die zijn vaderland meer dan zich zelf beminde, aan onze Tweede Kamer aanleiding geven tot onderzoek en degelijke bespreking der belangen van onze marine?O vertegenwoordigers van Nederland, denkt aan de landsverdediging; helpt de kloeke zee-officieren zoovele heerlijke krachten voor het vaderland te bewaren; geeft desnoods een gepantserd schip minder, maar zendtZr. Ms.schepen over de oceanen; werpt de schoolmeesters-theorie over boord en geeft meer praktijk daarvoor in plaats. Dat er een einde kome voor al die jonge mannen aan het herkauwen van minder goed gekruide spijzen, en geeft hun in plaats daarvan frisschen kost en de levenwekkende zeelucht van het Noorden. Laat zeelui niet op meest ten anker liggende schepen en hier op straat of ginds door den Archipel slenteren. Laat een wetenschappelijk korps, als dat onzer zee-officieren, gelijken tred houden met hun evenknieën. Laat dehydrographende kusten van alle eilanden van den „gordel van smaragd” in kaart brengen; staat den officieren toe zich te onderscheiden in tijd van vrede; laat jaarlijks het eskader in de wateren van Azië en Europa kruisen en ontplooit de roemrijke driekleur in Oost en West ook buiten onze bezittingen. Zendt de Hollandsche zeelui naar Noordelijke en Zuidelijke IJszee; maakt hen vertrouwd op onstuimige wateren; leert de jongens in winternachten onze kust te bezeilen; maakt jonge luitenants ter zee zoo bekend met onze gronden alsof ze jonge loodsen waren; hijscht de zeilen op zeilschepen met stoomvermogen, niet op stoomschepen met zeilvermogen, en kweekt daar jonge mannen, die in plaats van in doffe onverschilligheid en gedwongen vadsigheid hofjesdienstop een Indisch wachtschip te verrichten, sterk en frisch en gezond zouden blijven, om met een schild van nobele harten Holland aan de zeezijde te beschermen in het uur van nood.Naar het Noorden dus, zeelui van Nederland; laat de stormwind die over de ijsvelden buldert uw krachten stalen, uw bezieling levendig en frisch houden. Daar vindt ge de oude beweegkracht, de stalen veerkracht die onze marine eens beroemd maakte. Het Noorden verdient nog steeds wat Nicolaas Beets het in 1834 toezong:Blondlokkige, die op den ijsberg troont,Aan de opperste as der wentelende aard verheven;Die ’t edel hoofd met sneeuw en kegels kroont;Een scepter voert, waarvoor de volken beven;Het blauwend oog vrijmoedig om u slaat,Op de onschuld trotsch, die in uw boezem zetelt,En met den blos des levens op ’t gelaat,Het Zuid beschaamt, dat zich in wellust baadt,’t Ontzenuwd lijf met zingenieting ketelt,En de ondergang in weelde en dartlend tegengaat!Van u gaan kracht en leven uit en moedEn heldendeugd, die edel en vertrouwd isAls ’t blauw metaal, dat aan uw blanken voetDen bodem spiert, waarop uw troon gebouwd is;Gezondheid vlot uw zuivre lippen af,En stroomt van u het zachtelijk Zuiden tegen,Dat, half verteerd en bukkend over ’t graf,Geen kracht meer kent dan die uw adem ’t gaf,En ’t waagt door list uw grootheid op te wegen,U, die ’t doen zwijmlen kunt door ’t draaien van uw staf!Zij strekt de handen naar uw zonen uit,Die zwijgend ’t hoofd voor haar bedwelming bukken,Vertrapt hun recht, maakt hun bezit ten buit,En juicht zich toe met keetlend hartverrukken;O, wek hen, doe hen opstaan in hun macht;Zend ze uit, gelijk een eenig man verbonden;Hard, hard hun ’t lijf, en stevig met uw krachtDe vuisten, die de greep van ’t zwaard hervonden?Gesp Noorden! gesp het stalen harnas aan!Ten strijd, ten wraak voor ’t half ontwricht Europe!Gesp, strijdbaar Noorden! gesp het stalen harnas aan!
Beynen schreef mij in den tijd dat hij het volk warm poogde te maken voor zijn ideaal: „Telkens ontmoet ik jonge officieren en minderen, waarfeu sacréin zit voor alles wat in ons vak kloek en grootsch is te vinden, doch ik denk er meermalen met zekeren weemoed aan, hoe die jeugdige frissche krachten door teleurstellingen en niets doen wellicht zullen verwelken. Hoe anders zou het zijn als zij, in plaats van te passagieren in Indië, avontuurlijke tochten gingen ondernemen; als zij met fier gevoel van eigenwaarde in onbekende zeeën gingen doordringen, om later met geestdrift en edelen naijver door hun kameraden en vrienden in het vaderland ontvangen te worden.” Wat Beynen wilde en door woord en daad predikte, zal verder nog duidelijker aan het licht komen, want ik moet nu het verhaal van zijn wedervaren voortzetten.
Toen hij overal zijn lezingen gehouden had, werd hij geplaatst opZr. Ms.Zeehond, waarop hij met de tot bootsmansleerlingen bevorderde jongens van deWassenaar, een oefeningstocht zou maken op de Noordzee, onder bevel van den overste Guyot.
Den 23sten April 1877 schreef hij aan boord van dit vaartuig:
„Prins Hendrik stond mij gisteren een audiëntie toe. Ruim vijf kwartier heb ik de eer gehad metZ. K. H.te zitten praten, na alvorens het boek vanHackluyt Societyeerbiedig te hebben overhandigd. Ik heb den prins vooral gewezen op de commercieele voordeelen, welke uit tochten naar het Noorden na verloop van tijd kunnen spruiten; welk een oefeningsschool voor zeelieden de ijsvaart is, en hoe goed voor den nationalen roem.Z. K. H.sprak van het laten bouwen van een houten scheepje, en was van meening dat zulks voor geringer kosten in Zweden kon geschieden.”
Den 18den Mei 1877 schreef hij aan boord vanZr. Ms.Zeehond, geankerd in ’t Haringvliet:
„Wij zijn hier van morgen op de reede vertuit, om de jongens te leeren ketting klaren. De brik manoeuvreert uitstekend, en luistert bijzonder nauwgezet naar het roer. De loods drukt dit uit door te zeggen: „de brik is kittelig.” Dagelijks zien wij tallooze naamgenooten van onze kittelige, schoon bejaarde brik op de Zeehonden- en Garnalen-plaat. Zij laten ons evenwel niet genoeg naderen om een schot op hen te doen, wat zeer natuurlijk is als men bedenkt dat gelijknamige polen elkander afstooten.
„We gaan naar Edinburgh, dan terug naar Hellevoet, vervolgens doen wij een Duitsche haven aan, en dan via Nieuwediep terug naar Hellevoet en dat voor goed.” En later schreef hij: „Slecht weder hebben wijnog weinig gehad. Alleen een weinig uit het Z. W. en toen ging deZeehondopmerkelijk wild te keer. Hij stopte zijn neus tot boven het vinkennet in het water en rees dan op, en dat zoo snel en krachtig, dat de bezaansboom uit de mik gelicht werd.
„De schipper verklaarde dat dit niet te verwonderen was, als men bedacht: dat hij nu weer eens los raakte na 17 jaren aan de ketting gelegen te hebben.”
Kruisende op de Doggersbank, schreef hij den 10den Juni:
„Van daag voor acht dagen verlieten wij de reede van Hellevoet. Toen wij onder zeil gingen kwam de stuurman, met de laatste brieven van den wal bij zich, aan boord, en verbeeld u mijn verbazing, toen hij mij een aangeteekend pakje overhandigde, dat een mooie gouden ketting bevatte, met de inscriptie: Utrecht, 14 April 1877. Er was een schrijven bij van prof. Quack, waarin hij mij, namens het Utrechtsche subcomité, de ketting aanbood, als een herinnering aan mijn lezing te Utrecht. Wat mij vooral trof was de datum van 14 April, de jaardag van mijn goeden vader, en meer dan ooit riep dit mij toe, hoe ik toch al deze zaken aan zijn verstandige en zorgvuldige opvoeding in de eerste plaats te danken heb.”
Toen hij op dezen oefeningstocht was, ontving hij de officieele mededeeling van de Nederl. regeering dat H. M. koningin Victoria hemthe arctic medalhad toegekend. Ik ben in de gelegenheid gesteld om te lezen wat graaf van Bijland, onze gezant te Londen, aan den minister van Buitenlandsche Zaken dienaangaande schreef:
„Ik meen hier niet onvermeld te mogen laten, dat Sir Allen Young bij het overreiken van nevensgaand eereteeken met den meesten lof heeft gesproken van de vastberadenheid, de kunde en het beleid doorluitenant L. R. Koolemans Beynen voortdurend aan den dag gelegd tijdens zijn diensttijd aan boord derPandora.”
Op dit eereteeken was Beynen te recht zeer fier. Het was hem een schoone herinnering aan een leerzamen, belangrijken tijd, toen hij meer dan zijn plicht deed.
Het is een kleine zilveren medaille met wit satijn lint en zilveren gesp. Op den eenen kant het borstbeeld van koningin Victoria, en op den andere een schip in ’t ijs.
In Juli kruisende op de Noordzee, schreef hij: „Op de Doggersbank hebben wij gevischt, zonder evenwel veel te vangen. Op 60° N. Breedte herinnerde mij de frissche koude noordenwind en het voortdurend dag zijn, de vaak opkomende nevels en de veleloomsweder aan de „Arctic Regions” en al het lief en leed, dan denk ik met zekeren heiligen eerbied aan onze lieve, brave, nu ontslapen koningin, de tijding van wier overlijden ons diep trof. Zeker heeft zij veel lief en leed gekend, maar ze heeft ook veel liefde betoond en veel leed verzacht. Moge zij bij ons volk in eerbiedige herinnering blijven. Onder den indruk der tijding schreef ik uit Edinburg een kort briefje aan Prins Alexander, die ik begreep dat deze slag ontzettend zal gevoelen, en in de hoogste mate bedroefd zal zijn, en wellicht eenigen troost kan vinden in het medegevoel van ieder die hem kent en weet hoe hartelijk hij zijn moeder lief had.
„Ik vernam te Edinburgh dat er geld blijft inkomen voor de Noordpoolreis. Met hart en ziel blijf ik hopen dat ons volk op den reeds ingeslagen weg zal willen voortgaan, tot eer van koning en vaderland, en tot zijn eigen bestwil. Wat Zweden jaar in jaar uit vermag,kan Nederland toch zeker ook doen, en in het vaderland van Barents kan de geest niet uitgedoofd zijn, die eeuwen lang de Nederlandsche driekleur den weg deed wijzen op alle zeeën der aarde.”
Van zijn tocht op deZeehondgaf Beynen bij mij aan huis eens aan mijn jongens, na den eten, een belangwekkende beschrijving, welke ik ’s avonds uit mijn herinnering opschreef en gelukkig bewaard heb. Ik had dien dag met hen een bezoek gebracht aanZr. Ms.opleidingsschipAdmiraal van Wassenaerte Amsterdam. De commandant, kapitein-luitenant ter zee Steffens, ging het geheele schip met ons rond; we zagen de flinke jongens exerceeren, we woonden het onderwijs bij, en verlieten het schip met groote bewondering voor een opleiding en behandeling, waardoor kloeke zeelieden gekweekt worden, die tucht, gehoorzaamheid en handigheid in hun jeugd geleerd hebben.
„Weet je wat voor flinke zeelui jongens worden die durven en goed leeren?” vroeg hij aan mijn zoons, die met hem dweepten. „Dan zal ik je er eens vertellen hoe de jongens van deWassenaerhet van den zomer op zee maakten, toen ik met hen naar de haringvloot zeilde. Luister.
„Het is een kalme, schoone Juni-morgen en onze oefeningsbrik drijft zachtkens, nauwelijks acht slaande op de bewegingen van het roer, over het spiegelgladde water van de Noordzee. DeZeehondbevindt zich te midden van honderden Nederlansche visschersschepen, waarvan de bemanning in de grootst mogelijke drukte bezig is met het sorteeren en kaken der gedurende den nacht gevangen haring. De krachtige, frissche zonen onzer kustdorpen werken hard door, want ze verlangen na het uitputtend werk eenige rust te genieten; evenwel houden ze toch even op, omover de verschansing naar het schoone hooggetuigde Nederlandsche schip te kijken, van welks bewegingen ze zich aanvankelijk geen rekenschap konden geven.
„Voor de eenvoudige visschers was het schouwspel trouwens heerlijk schoon.
„De breede, zware, sneeuwwitte zeilen—kant bijgezet—spreidden zich deftig en indrukwekkend over het sierlijk vaartuig uit, dat in de meeste stilte tusschen de vaartuigen van de visschersvloot voortglijdt.
„De wimpel aan den grooten top, het geheele tuig, de netheid en orde welke overal heerschen, hebben reeds lang het oorlogschip doen kennen, waar aan boord, gedurende de morgen-inspectie welke juist gehouden wordt, de grootste stilte heerscht. Op eenmaal klinken de korte krachtige commando’s van den eersten officier en het geheele schip schijnt leven en bezieling te krijgen.
„Als door onzichtbare draden bewogen, kruipen de halzen en schoten der vierkante zeilen vlug en rap naar het midden der ra’s, die dadelijk daarop—als bezwijkend voor dien onverwachten aanval—met luid geraas langs de stengen omlaag glijden.
„De driehoekige stagzeilen vooruit op de boegspriet verdwijnen als door een tooverslag, op hetzelfde oogenblik dat het groote brikzeil met kluchtige deftigheid zich in lange breede plooien samenvouwt.
„Een tweede commando klinkt … en meer dan 80 jonge frissche knapen, in de nette zeemansdracht der marine gekleed, enteren vlug als katten van weerszijden tegen het want op; verspreiden zich snel en stil door het geheele tuig, vatten met flinke, krachtige grepen de zware onhandelbare zeilen aan, en in minder dan twee minuten zijn allen weêr omlaag, en is geen stukje zeil meer zichtbaar. Het schip ziet ermet zijn vastgemaakte zeilen nu uit alsof het te Nieuwediep aan de kaai lag. Nu volgt de eene verrassing op de andere. De zeilen-exercitie is begonnen; het is zeilen bijzetten en opnieuw bergen; marszeilen afslaan en verwisselen, zeilen reven of beslaan.
„Onder deze opwekkende, belangrijke exercitie beginnen de jonge matrozenharten al driftiger en driftiger te kloppen, de altijd bestaande naijver tusschen de jongens van den grooten top en van den vóórtop wakkert aan tot een opgewonden poging, om ook nu weêr het eerste met alles klaar te zijn. De jongens vereenzelvigen zich—zonder er zelve bewust van te zijn—geheel met de verschillende exercitiën, en indien men het bezielend commando niet matigde, dan zou de gloed, waarmede ze werken, aanstonds in wilde drift overslaan, en ze zouden hun leven er aan wagen om uit wedijver de roekelooste waagstukken te doen in het tuig.
„De jonge visschers op de sloepen zien met bewondering de exercities op het oorlogschip aan, en indien nu reeds menige bejaarde visscher uitroept: „die jongens zijn flinke borsten, hoor!” als zij hen daar hoog in de lucht, als ’t ware aan hun adem zien hangen, hoeveel dieper zouden ze dan getroffen zijn, indien ze diezelfde kinderen eenige dagen geleden hadden zien werken. Het was in het begin van den oefeningstocht. De hoog opgezette zee deed de brik verschrikkelijk heen en weder slingeren, toen de jongens voor het eerst van hun leven den wind, wild en woest, met gierende vlagen door het tuig hoorden huilen. De nacht was stikdonker en het schip steunde en kraakte, alsof het bezwijken zou onder den druk van de hevig invallende buien. Toen de marszeilen één voor één dichtgereefd moesten worden, werden de oudste en sterkste jongens op dek gemonsterd, engingen ze op het commando van den kapitein het tuig in, om, denkelijk met kloppend hart, maar met de lippen op elkander vol waren mannenmoed, hun verschillende plaatsen op de ra’s te gaan innemen.
„Toen ze boven op de marsra waren gekomen en elkander nauwelijks onderscheiden konden … toen de aanmoedigende stem van den commandant al sinds lang niet meer te hooren was in dien baaierd van wilde, ongekende geluiden … toen elke windvlaag werkelijk dreigde hen naar omlaag te zullen slingeren … toen een hunner sterkste makkers met een gil zijn houvast verloor en in den donkeren nacht omlaag viel—zonder zich echter ernstig te bezeeren—… toen was het meer dan mannenmoed, het was de ware bezieling, het heerlijk instinct van een oud, beroemd zeemansgeslacht, dat die kinderen over de slingerende rondhouten naar buiten deed enteren, alsof ze oude bevaren matrozen waren.
„Zulke oogenblikken vormen mannen en hoe meer men er van hoort en ziet, des te meer wint de overtuiging veld bij ons, dat zulke zeemanschap gekweekt moet worden, indien wij op onze vloot die zelfdenkende, stoute, wakkere karakters willen houden, die zoo vaak den roem zijn geweest van ons volk.
„Zeemanschap leert denken, handelen en opletten: geeft zelfvertrouwen en moed.
„Evenals een soldaat dubbele waarde heeft, als hij deze eigenschappen heeft verkregen in tal van veldtochten, zoo krijgen de koppen opZr. Ms.schepen hun volle waarde eerst, wanneer ze op vele moeielijke reizen, van hun jeugd af zeemanschap hebben geleerd.
„Van den aanvang af moeten de jongens beseffen, dat een zeeman geen werktuig maar een denkend wezen is, op wie groote verantwoordelijkheid rust,en die zichzelven en anderen redt door tegenwoordigheid van geest en vlugheid.
„Een jongen, die bij harde bries een boven-bramzeil gaat vastmaken, ondervindt al dadelijk, dat hij met gezond verstand en kalm overleg vrij wat gemakkelijker slaagt, dan indien hij volgens ingeprente lessen, mannetje voor mannetje, precies naar het voorschrift handelt.
„Een matroos die marsgast is en, bij het onderzeil gaan, als er wat aan hapert, onder het oploopen der marszeilen, door onmiddellijk te handelen, verdere stoornis voorkomt, begrijpt hoe hij daardoor vaak het schip vrijwaart voor een gevaarlijke botsing met een ter reede liggend vaartuig.
„Een roerganger, die op een moeielijk oogenblik het roer verkeerd aan boord draait, weet dat zulk een misslag den ondergang van het schip en de bemanning ten gevolge kan hebben.
„Dus komen er op zee aanhoudend en ongemerkt duizenden gevallen voor, waarin matrozen die eigenschappen ontwikkelen, welke in de marine zoo onontbeerlijk zijn, en die de flinke jongens van deWassenaerop zeilschepen moeten oefenen. Ze zijn goed onderlegd en als ze maar niet te vroeg naar Indië gaan, doch op onze zeeën geoefend worden, groeien ze op tot voortreffelijke zeelieden.
„Naarmate de stoomvaart de overhand krijgt, komen er meer en meer zeesoldaten, artilleristen en machinisten in plaats van matrozen aan boord. Het gevaar hiervan is groot. Geen onjuister denkbeeld is er, dan dat op stoomschepen geoefende matrozen overbodig worden.
„En in de koninklijke marine vooral zijn ze broodnoodig. Op onze kruisers, op onzelaunches, onze torpedo-booten, onze sloepen, kunnen wij zelfsminder dan ooit, zelfdenkende, vlug handelende, bedaarde, ervaren zeelieden missen.
„Alles wat zeemanschap kweekt, verdient dus aanmoediging en steun. De opleiding op een schip als deWassenaer, tochten op oefenings-brikken, kruistochten van het eskader—met weinig stoomen en veel zeilen—stoute, kloeke ontdekkingstochten in verre, gedeeltelijk onbekende zeeën, dit alles verdient den steun van regeering en publiek. Dus blijft de avontuurlijke, ondernemende matrozengeest inheemsch, en de officiers, die met de jongens op de oefeningsbrik geweest zijn, erkennen, dat enkel iets aangemoedigd moet worden wat reeds bestaat. De oude geest van Janmaat is er nog, en flink en degelijk zeevolk zullen we behouden, als we in het Noorden de groote oefenschool openhouden, waar ook Michiel Adriaanszoon de Ruiter, op zijn reizen naar Groenland’s kust, dien kalmen moed en die zeemanschap ontwikkelde, welke zijn naam onsterfelijk maakten.”
Dit was Beynen’s verhaal, en het had op mij zoo’n indruk gemaakt, dat ik hem een paar dagen later om nadere inlichting vroeg over die noodzakelijkheid van zeemansgeest bij jonge matrozen aan te kweeken, waarover hij steeds sprak. Reeds den volgenden dag schreef hij mij het volgende antwoord op mijn brief.
A/B Z. M. Wachtschip, Amsterdam 11 Jan. 1878.Beste Vriend!Nog een paar woordjes om te zien in hoeverre ik aan je verzoek kan voldoen, door mijne meening uit te spreken en te argumenteeren, hoe noodig het is bij den tegenwoordigen toestand onzer marine zeemanschap en zeemansgeest aan te kweeken.De met zorg behandelde opleiding derWassenaerenAnna Paulownagewent van kindsbeen onze toekomstige matrozen aan het scheepsleven. ’s Zomers varen zij op kleine zeilscheepjes in de Zuiderzee en na twee jaar komen zij op ± 16-jarigen leeftijd a/b van eskaders of oefeningsschepen als de brik deZeehond.Wanneer zij nu ’t geluk hebben in dien tijd veel te varen en veel te exerceeren, dan draagt hunne eerste opleiding al dadelijk goede vruchten en op 19-jarigen leeftijd is een goed fond gelegd, waarop met succes verder kan gebouwd worden.Zij zijn gezond, sterk, vol ijver, vatbaar voor hoogere geestdrift en dikwijls bezield met een feu sacré voor hunne betrekking, dat ons de overtuiging geeft hoe met verstand en tact alles van die jongens te maken is. Nevensgaand eenvoudig fatsoenlijk briefje, tot mij gericht door een 19-jarig bootmansleerling die de brik verliet, billijkt dan ook mijns inziens bovenstaande zienswijze.Nu komt echter de tijd, dat zij voor ruim drie jaar naar Indië moeten, en hoewel zij daar hun beste, hunne heiligste krachten opofferen in ’t wezenlijk belang van ’t geliefde vaderland, toch blijft het niet te ontkennen, dat door het voortdurend varen op kleine stoomschepen die, zoo ze niet op rivieren varen, verspreid door den archipel kruisen, veel zeemanschap maarvooralenbovenalveel zeemansgeest verloren gaat.Drie kwart van onze marine nu brengt het grootste gedeelte van hun diensttijd in Indië door, verder op stoomschepen en pantserschepen in Nederland, maar slechts een klein gedeelte blijft herhaaldelijk op zeeschepen varen.Juist met ’t oog daarop is ’t wenschelijk datiedererichting gevolgd wordt, die als tegenwicht tegen het noodzakelijke doch minder leerzame dienen in Indië dienstig kan zijn om zeemanschap en zeevaartsgeest aan te kweeken en te verhoogen.Een verkenningstocht in de N. IJszee is bij uitstek geschikt om juist deze beide eigenschappen bij zeevolk aan te kweeken. Het moeielijke, het avontuurlijke, het eigenaardige van de ijsvaart vormt mannen, die lust krijgen om moeielijkheden op te zoeken en te overwinnen, en geeft hun als belooning een gepast gevoel van eigen kracht en eigenwaarde, die zeker heerlijke vruchten zal dragen, als zij op hunne posten geroepen worden om in tijd van nood, het vaderland te verdedigen.Reeds in mijn verslag van 1875 schreef ik:„Ieder zal erkennen, dat het voortdurend in gevaar verkeeren, dat deze vaart met zich brengt, voor den zeeman meer leerrijk is, dan het varen op een schip, dat, als het eens den goeden koers heeft, dagen lang kan doorleggen zonder eenig gevaar te duchten te hebben.„Niet alleen dat de zeevaarder in de ijszeeën, door het aanhoudende manoeuvreeren, gemakkelijk en vlug met zijn schip leert omgaan, maar hij zal ook snel een gevaar, waarin hij zich onverwacht bevindt, leeren overzien en daardoor dadelijk en beraden zijn maatregelen weten te kiezen, om het te ontwijken of het kalm en bedaard te doorstaan.„Mannen als Ross, Parry, M’Clure en Nelson, hebben dan ook herhaaldelijk betuigd, dat zij eerst in de met ijs bedekte zeeën hun opleiding als praktisch zeeman ontvangen hebben.„Doch wij Nederlanders hebben deze bevestiging niet in den vreemde te zoeken. Tal van onze meest stoute en onverschrokken zeevaarders zijn toch in deijszeeën gevormd; de ijszee was het oefenveld, de leerschool voor die stoute zeelieden die de eer van ons land zoo vaak op alle zeeën van den aardbol ophielden en het voorbeeld van den onsterfelijken Heemskerk, die in de armen der overwinning voor Gibraltar ’t leven laat, is voor het nageslacht nog niet verloren gegaan.„Toch zoude het verkeerd gezien zijn, om van een enkelen tocht van deWillem Barentsgroote gevolgen te verwachten om de aloude zeemansgeest en de aloude zeemanschap bij onze marine terug te krijgen.„Daartoe is het aantal menschen die er aan deel kunnen nemen veel te gering, maar wanneer onze natie het ernstig wil dat wij nog eene zeevarende natie blijven, dat wij nog werkelijk goed zeevolk blijven vormen, dan moet de reis van de „W. B.” de eerste stap zijn in eene richting, waarin onze marine zich later op grootere schaal kan gaan voortbewegen. Dan moeten daaruit voortvloeien reizen, zooals de Zweden die tegenwoordig zooveel door hunne marine doen ondernemen, n. l. wetenschappelijke reizen met oorlogschepen.„Sinds 1858 hebben de Zweden vijf expedities naar de N. IJszee ondernomen met kleine, sterk gebouwde zeilscheepjes, waarmede zij voor de wetenschap meer resultaten verkregen dan de Engelschen met hunne tochten op schepen die millioenen kostten, groote expedities met stoomschepen, die meer dan 1½ millioen pond sterling gekost hebben. Daaraan voegden zich reizen, om de zeeën, die Noorwegen en Zweden omringen, wetenschappelijk te onderzoeken, en op ’t oogenblik heeft de Zweedsche marine zich zoo krachtig in die richting voortbewogen, dat zij in dezen zomer behalve één groote wetenschappelijke poolexpeditiemet een stoomschip deVega, bemand met marine-officieren en manschappen, tegelijkertijd in de Noord-Atlantische Oceaan met het oorlogstoomschip deVöringen, een soort Challengerreis verrichten, terwijl de oorlogschepenAlfhildenGustavofKlintonder leiding van prof. Ekman eene hydrographische expeditie in de Oostzee zullen ondernemen.„In die richting kweekt de kleine Zweedsche marine lust, ambitie, ijver, zeemanschap, zeemansgeest bij haar volk en officieren aan; en dien weg moeten wij zooveel te meer trachten na te volgen, omdat onze marine, juist door onze koloniën, in ongunstige omstandigheden verkeert.„Het dienen in Indië maakt als hoog noodig tegenwicht een bewandelen van de Zweedsche richting voor ons dubbel noodzakelijk.„En nu nog een woord voor hen die beweren, dat wij in de toekomst geen matrozen meer noodig hebben, dat, waar de stoom meer en meer toepassing vindt, wij ons zeevolk door zeesoldaten kunnen doen vervangen.„In tijd van oorlog hebben wij bij onze marine noodig sterke, gezonde gestellen, die vele vermoeienissen kunnen doorstaan, vóórdat hunne geestkracht er door gebroken wordt, mannen die durven en die dadelijk en snel weten te handelen, mannen met een vasten wil en „iron nerves”, en juist deze eigenschappen worden uit duizend kleinigheden, reeds in tijd van vrede, bij menschen ontwikkeld, die veel op zee varen.„Zij leerendurven,attent zijn,kalm blijvenenhandelen,zien dat zij de bakens moeten verzetten naarmate het getij verloopt, en verwervendieeigenschappen, die vroeger deden zeggen, dat een zeeman voor alle baantjes geschikt was.„Voor alle die hoedanigheden is geen beter oefenveld dan de zee, en willen we stout ondernemend zeevolk krijgen en behouden, dan moeten wij beginnen met er geene zeesoldaten, maar wel zeematrozen van te maken.„En nu, waarde vriend, ga ik eindigen, het in ’t midden latend of dit supplement op mijn verhaal aan je jongens je duidelijk maakt wat ge begrijpen wilt.„Ge ziet er uit hoe het mijne meening is, nietalléénpoolreizen te ondernemen, maar ook reizen zooals de Zweden die doen, met de bedoeling om wetenschappelijke reizen op zeilschepen te doen ondernemen.„Maar vooral en bovenal,veel blijven varen.”
A/B Z. M. Wachtschip, Amsterdam 11 Jan. 1878.
Beste Vriend!
Nog een paar woordjes om te zien in hoeverre ik aan je verzoek kan voldoen, door mijne meening uit te spreken en te argumenteeren, hoe noodig het is bij den tegenwoordigen toestand onzer marine zeemanschap en zeemansgeest aan te kweeken.
De met zorg behandelde opleiding derWassenaerenAnna Paulownagewent van kindsbeen onze toekomstige matrozen aan het scheepsleven. ’s Zomers varen zij op kleine zeilscheepjes in de Zuiderzee en na twee jaar komen zij op ± 16-jarigen leeftijd a/b van eskaders of oefeningsschepen als de brik deZeehond.
Wanneer zij nu ’t geluk hebben in dien tijd veel te varen en veel te exerceeren, dan draagt hunne eerste opleiding al dadelijk goede vruchten en op 19-jarigen leeftijd is een goed fond gelegd, waarop met succes verder kan gebouwd worden.
Zij zijn gezond, sterk, vol ijver, vatbaar voor hoogere geestdrift en dikwijls bezield met een feu sacré voor hunne betrekking, dat ons de overtuiging geeft hoe met verstand en tact alles van die jongens te maken is. Nevensgaand eenvoudig fatsoenlijk briefje, tot mij gericht door een 19-jarig bootmansleerling die de brik verliet, billijkt dan ook mijns inziens bovenstaande zienswijze.
Nu komt echter de tijd, dat zij voor ruim drie jaar naar Indië moeten, en hoewel zij daar hun beste, hunne heiligste krachten opofferen in ’t wezenlijk belang van ’t geliefde vaderland, toch blijft het niet te ontkennen, dat door het voortdurend varen op kleine stoomschepen die, zoo ze niet op rivieren varen, verspreid door den archipel kruisen, veel zeemanschap maarvooralenbovenalveel zeemansgeest verloren gaat.
Drie kwart van onze marine nu brengt het grootste gedeelte van hun diensttijd in Indië door, verder op stoomschepen en pantserschepen in Nederland, maar slechts een klein gedeelte blijft herhaaldelijk op zeeschepen varen.
Juist met ’t oog daarop is ’t wenschelijk datiedererichting gevolgd wordt, die als tegenwicht tegen het noodzakelijke doch minder leerzame dienen in Indië dienstig kan zijn om zeemanschap en zeevaartsgeest aan te kweeken en te verhoogen.
Een verkenningstocht in de N. IJszee is bij uitstek geschikt om juist deze beide eigenschappen bij zeevolk aan te kweeken. Het moeielijke, het avontuurlijke, het eigenaardige van de ijsvaart vormt mannen, die lust krijgen om moeielijkheden op te zoeken en te overwinnen, en geeft hun als belooning een gepast gevoel van eigen kracht en eigenwaarde, die zeker heerlijke vruchten zal dragen, als zij op hunne posten geroepen worden om in tijd van nood, het vaderland te verdedigen.
Reeds in mijn verslag van 1875 schreef ik:
„Ieder zal erkennen, dat het voortdurend in gevaar verkeeren, dat deze vaart met zich brengt, voor den zeeman meer leerrijk is, dan het varen op een schip, dat, als het eens den goeden koers heeft, dagen lang kan doorleggen zonder eenig gevaar te duchten te hebben.
„Niet alleen dat de zeevaarder in de ijszeeën, door het aanhoudende manoeuvreeren, gemakkelijk en vlug met zijn schip leert omgaan, maar hij zal ook snel een gevaar, waarin hij zich onverwacht bevindt, leeren overzien en daardoor dadelijk en beraden zijn maatregelen weten te kiezen, om het te ontwijken of het kalm en bedaard te doorstaan.
„Mannen als Ross, Parry, M’Clure en Nelson, hebben dan ook herhaaldelijk betuigd, dat zij eerst in de met ijs bedekte zeeën hun opleiding als praktisch zeeman ontvangen hebben.
„Doch wij Nederlanders hebben deze bevestiging niet in den vreemde te zoeken. Tal van onze meest stoute en onverschrokken zeevaarders zijn toch in deijszeeën gevormd; de ijszee was het oefenveld, de leerschool voor die stoute zeelieden die de eer van ons land zoo vaak op alle zeeën van den aardbol ophielden en het voorbeeld van den onsterfelijken Heemskerk, die in de armen der overwinning voor Gibraltar ’t leven laat, is voor het nageslacht nog niet verloren gegaan.
„Toch zoude het verkeerd gezien zijn, om van een enkelen tocht van deWillem Barentsgroote gevolgen te verwachten om de aloude zeemansgeest en de aloude zeemanschap bij onze marine terug te krijgen.
„Daartoe is het aantal menschen die er aan deel kunnen nemen veel te gering, maar wanneer onze natie het ernstig wil dat wij nog eene zeevarende natie blijven, dat wij nog werkelijk goed zeevolk blijven vormen, dan moet de reis van de „W. B.” de eerste stap zijn in eene richting, waarin onze marine zich later op grootere schaal kan gaan voortbewegen. Dan moeten daaruit voortvloeien reizen, zooals de Zweden die tegenwoordig zooveel door hunne marine doen ondernemen, n. l. wetenschappelijke reizen met oorlogschepen.
„Sinds 1858 hebben de Zweden vijf expedities naar de N. IJszee ondernomen met kleine, sterk gebouwde zeilscheepjes, waarmede zij voor de wetenschap meer resultaten verkregen dan de Engelschen met hunne tochten op schepen die millioenen kostten, groote expedities met stoomschepen, die meer dan 1½ millioen pond sterling gekost hebben. Daaraan voegden zich reizen, om de zeeën, die Noorwegen en Zweden omringen, wetenschappelijk te onderzoeken, en op ’t oogenblik heeft de Zweedsche marine zich zoo krachtig in die richting voortbewogen, dat zij in dezen zomer behalve één groote wetenschappelijke poolexpeditiemet een stoomschip deVega, bemand met marine-officieren en manschappen, tegelijkertijd in de Noord-Atlantische Oceaan met het oorlogstoomschip deVöringen, een soort Challengerreis verrichten, terwijl de oorlogschepenAlfhildenGustavofKlintonder leiding van prof. Ekman eene hydrographische expeditie in de Oostzee zullen ondernemen.
„In die richting kweekt de kleine Zweedsche marine lust, ambitie, ijver, zeemanschap, zeemansgeest bij haar volk en officieren aan; en dien weg moeten wij zooveel te meer trachten na te volgen, omdat onze marine, juist door onze koloniën, in ongunstige omstandigheden verkeert.
„Het dienen in Indië maakt als hoog noodig tegenwicht een bewandelen van de Zweedsche richting voor ons dubbel noodzakelijk.
„En nu nog een woord voor hen die beweren, dat wij in de toekomst geen matrozen meer noodig hebben, dat, waar de stoom meer en meer toepassing vindt, wij ons zeevolk door zeesoldaten kunnen doen vervangen.
„In tijd van oorlog hebben wij bij onze marine noodig sterke, gezonde gestellen, die vele vermoeienissen kunnen doorstaan, vóórdat hunne geestkracht er door gebroken wordt, mannen die durven en die dadelijk en snel weten te handelen, mannen met een vasten wil en „iron nerves”, en juist deze eigenschappen worden uit duizend kleinigheden, reeds in tijd van vrede, bij menschen ontwikkeld, die veel op zee varen.
„Zij leerendurven,attent zijn,kalm blijvenenhandelen,zien dat zij de bakens moeten verzetten naarmate het getij verloopt, en verwervendieeigenschappen, die vroeger deden zeggen, dat een zeeman voor alle baantjes geschikt was.
„Voor alle die hoedanigheden is geen beter oefenveld dan de zee, en willen we stout ondernemend zeevolk krijgen en behouden, dan moeten wij beginnen met er geene zeesoldaten, maar wel zeematrozen van te maken.
„En nu, waarde vriend, ga ik eindigen, het in ’t midden latend of dit supplement op mijn verhaal aan je jongens je duidelijk maakt wat ge begrijpen wilt.
„Ge ziet er uit hoe het mijne meening is, nietalléénpoolreizen te ondernemen, maar ook reizen zooals de Zweden die doen, met de bedoeling om wetenschappelijke reizen op zeilschepen te doen ondernemen.
„Maar vooral en bovenal,veel blijven varen.”
Uit gesprekken met hem gevoerd, kan ik aanvullen wat hij in dezen brief schreef, opdat men wel beseffe wat zijn streven was. Indien ik vergissingen bega, door onwetendheid of doordien mijn geheugen mij in den steek laat, dan wijte men ze niet aan hem, die altijd even hartelijk en waardeerend van de Nederlandsche marine sprak, maar mij. Gedurende zijn verblijf in Indië had hij genoeg gehoord en opgemerkt om in te zien dat in enkele opzichten de ziel, hetesprit de corpsaan de marine ontbrak, dat er geen leerschool was om zich te bekwamen, geen prikkel om zich op zee te onderscheiden, geen oefenschool om met koene voorzichtigheid te leeren durven, en zich voor te bereiden tot een worsteling tegen overmacht.
Instinktmatig gevoelde hij dat we noodig hadden om ons op dezelfde wijze te oefenen en te ontwikkelen als de voorvaders deden, en dat we daartoe weer moesten doen wat de marine vóór den Franschen tijd deed.
Het korps zeeofficieren vóór de revolutie in 1795 was hoogst gedistingueerd, zeer beschaafd, ervaren en bekwaam. Het werd echter tijdens de revolutie door Peter Paulus ontbonden en vervangen door mannen van minder gehalte, die er zich op beroemden door de kluisgaten aan boord te zijn gekomen. Grof schelden en slaan kreeg toen den boventoon en behield dien eenige jaren. Na 1815 ontstonden er twee stroomingen in het officierskorps der marine. De uit krijgsgevangenschap van de Engelsche pontons teruggekeerde officieren brachten Engelsche uitdrukkingen en indrukken mee. De officieren daarentegen die op de Fransche vloot gediend hadden, waren in de eerste plaats militairen geworden. Zij hadden soldatesquen geest enmanoeuvres de forceop steeds ten anker liggende schepen geleerd. De Engelsche napraters hadden de meeste zeemanschap en zeemanskennis, doch de stuurman bracht het schip in zee, en de officieren waren niet meer met hart en ziel zeelui gelijk de Trompen en de Ruiters waren. Het eskader, dat we van 1818 tot ’30 in de Middellandsche zee hadden, moest dus den grond leggen voor een wedergeboren marine, maar indien we ons niet vergissen, geschiedde dit te veel in den Franschen geest, en leerde men in de eerste plaats exerceeren en manoeuvreeren, terwijl men geen zeelieden, geen „navigateurs” vormde. Toch was het een goede oefenschool. In 1830 werd het eskader teruggeroepen en tijdens den langgerekten oorlog met België kwamen de officieren op de Schelde en bleven tot 1836 binnengaats op de kanonneerbooten; wat door het eskaderleven gewonnen was, ging aldus verloren. Men trachtte dit te herwinnen door eenige schepen jaarlijks een week of wat te laten zeilen, maar men vond het te kostbaar en achtte de resultaten te gering voor het geld.
De vaart op Indië rond de Kaap vormde echter zeelieden, en hun aantal nam toe nadat de adelborsten van Medemblik kwamen. Nu werd meer en meer zeemanschap verkregen, maar ging daarentegen het militair karakter weer verloren, dat de marine toch hebben moet, en dat alleen verkregen kan worden door het zeilen en manoeuvreeren van eskaders.
In dien toestand was de vloot, toen de stoom nog meer verwarring kwam aanbrengen. Wat geschiedde? Het kruisen werd kostbaarder, daar de steenkolen geld kosten, en van den wind—die geen geld kost en zeelieden vormt—werd te weinig gebruik gemaakt. Ook het ontbreken eener doorloopende batterij deed kwaad. Hierbij kwam de afscheiding van koloniaal en Nederlandsch materieel, waardoor men verplicht werd het personeel der marine op passagierschepen door het Suezkanaal naar Indië te zenden, wat zelfs geen oefentocht was. Ten slotte kwam het pantseren van schepen in zwang. Nederland moest mede doen,—al blijft de zeemanschap der levende krachten allen pantsers ten slotte toch de baas—en de landverdediging door deze logge ijzeren gevaarten vorderde een bijzondere opleiding binnenslands, zoodat de militaire eischen die van den zeeman overstemden.
Het varen op stoomschepen in Indië en het varen op monitors in de binnenwateren van Nederland zijn onvoldoende om De Ruiters te kweeken, meende Beynen. Hij zag dit eerst langzamerhand in, daar hij het geluk had dadelijk de expeditie naar Atjeh mede te maken, toen de marine geduldig en moedig haar lijden verdroeg voor Atjeh en op land haar eer schitterend handhaafde, wat Bogaarts aan de Oostkust in zee deed.
Het was omdat hij dit alles inzag, dat hij een beweging wilde beginnen om de oude traditie der roemrijkeNederlandsche marine te doen herleven, en de oude oefenschool van zeemanschap weer op te zoeken.
Hij zelf kon dit alles niet zoo zeggen, als hij naar het Noorden wees. Het zou aanmatigend geschenen hebben in zijn mond, en hoe nederig en eenvoudig hij was, weten wij, zijn vrienden, het best. Geen onverdiender, onrechtvaardiger beschuldiging werd ooit tegen iemand uitgebracht, dan die van enkelen welken hem betichtten van onnoodige drukte te maken …, wat men in de Marine gelukkig niet kan verdragen. Ik heb nooit iemand ontmoet zoo bescheiden en onzelfzuchtig als de jonge held, wiens leven ik niet kan beschrijven zonder dat telkens in mijn hart de bede opkomt, welke een hoofdofficier der marine uitte toen hij mij schreef: „Geve God, dat wij nimmer gebrek aan Beynen’s mogen hebben, als onze vloot ooit moet toonen wat zij tegen een Europeeschen vijand vermag.”
Doch juist daarom wensch ik dat de les van zijn leven en streven niet verloren ga. Volgens zijn overtuiging was Indië in vele opzichten nadeelig voor die groote en heerlijke eigenschappen, welke den Hollandschen zeeman steeds kenmerkten, wiens houten bodem in tijd van gevaar het ondoordringbaar schild van zijn land placht te zijn. Verleden jaar schreef hij nog uit Indië: „Langs een kust stoomen of op een reede liggen, schijnt de meest normale positie van Nederland’s vloot in onze overzeesche koloniën te zijn, en ofschoon het goed moge wezen, dat onze oorlogschepen niet meer als in de dagen van admiraal Collingwood 21 maanden aan één stuk onder zeil blijven, zonder dat al dien tijd het anker slechts ééns in den grond mocht gaan, zoo geloof ik toch dat de tegenwoordige toestand niet gezond is.”
Doch zijn aanmerkingen betroffen de reglementenen instellingen, niet de officieren. In denzelfden brief waarin hij de weinige activiteit der marine betreurt, schreef hij:
„Ik moet zeggen dat ik verbaasd ben over de stipte wijze waarop de wachtluitenants van de hier op de ree van Batavia liggende oorlogschepen hun dienstplichtà coeurnemen.
„Wanneer men bedenkt hoe eentonig vervelend de dagelijksche reê-dienst is—terwijl het weldra veel te duur wordt soms aan land te gaan—dan noem ik de stipte nauwgezetheid en conscientieuse ernst verbazingwekkend en schoon, waarmede de officieren maanden lang aan één stuk hun eenvoudige scheepsdiensten verrichten.
„Enkele blijven maanden lang op de ten anker liggende, drijvende kazernes aan boord, zonder ooit voet aan wal te zetten, en de eerste officiers zoowel als de tweede klasses vervullen dan dagelijks nauwkeurig en oplettend de onbeduidendste scheepsdiensten, en geven het voorbeeld, waardoor het inwendige der schepen er goed blijft uitzien. Geen wonder echter dat al de officieren van het ramtorenschipKoning der Nederlandenblij waren toen zij, na zes maanden voor anker gelegen te hebben, veertien dagen in Straat Sunda gingen kruisen.”
Indië trekt voortdurend heerlijke krachten uit Nederland, doch het Oosten gaat verkwistend om met de kracht uit het Noorden. Dit toont Beynen in de volgende woorden aan:
„Het verdient opmerking dat de meeste hier zijnde officieren eerst kort in Indië zijn, en dit is mij een nieuw bewijs dat het tegenwoordig in zwang zijnde dienstsysteem ten minste dit voordeel heeft, dat er in Indië telkens jonge frissche krachten worden aangevoerd, die in den eersten tijd met toewijding al hunbeste krachten aan den dienst offeren, vol geestdrift voor hun vak en hun land. Hoe jammer echter dat al die nobele krachten uitsluitend ten bate komen van Indië, dat zoodoende op de meest goedkoope wijze de beste vermogens, den geest en het lichaam gebruikt van een personeel, welks opleiding aan Indië niets gekost heeft, en voor welks oefening het ook heden nog niets over heeft.”
Ik maak gebruik van deze opmerkingen die Beynen, al pratende met een vriend, dus uit den mond vielen, omdat hij met hart en ziel de marine liefhad, en het hem smartte, ter wille van het dierbaar vaderland, op te merken hoevele jonge levens en frissche krachten Indië jaarlijks verslindt, zonder dat Nederland of Kolonie er door gebaat wordt. Iemand die zoo waardeert en bewondert en liefheeft als hij, die aanmerkingen maakt op „measures” maar niet op „men”, is geen vitter, en zijne opmerkingen op zoo bescheiden wijze geuit, durf ik publiek te maken, overtuigd dat ze zijne nagedachtenis niet schaden zullen, en wellicht zijn geest zullen doen voortleven.
Veel van den sleur, welken hij opmerkte en betreurde, weet hij aan het feit, dat zoo weinig personen in Indië werkelijk de noodige macht bezitten om te doen en te bevelen wat ze zien dat noodig is. Niemand durft iets op eigen gezag te doen, en er zijn zulke tallooze voorschriften, dat ze als een keten alle vrijheid van handelen aan de tegenspartelende hoofden van departementen en aan de officieren benemen, zoodat zelfs de gouverneur-generaal geen verouderde kartetsen durft opruimen, zonder dat daarover met den minister te ’s Hage is gecorrespondeerd, en niet deskundige ambtenaren daarover gedurende maanden kilometers papier vullen.
Dit voorbeeld, dat mij ter oore kwam, geef ik slechts om Beynen’s opmerking duidelijk te maken. Hij betreurde het voor de marine en voor de flinke officieren vol geestdrift en ijver, dat alles over zooveel schijven moet loopen, en zelfs in détails geen hervorming kan worden ingevoerd, omdat niemand de noodige macht schijnt te hebben.
Om Beynen’s streven en zijn geestdrift voor het Noorden wel te begrijpen, moet men beseffen hoe hij voornamelijk een tegenwicht zocht voor het ontzenuwend dienen in Indië, ten gunste van dat personeel der marine, hetwelk hij zoo innig waardeerde. Het kon hem zoo aan het hart gaan, dat de flinke, uitstekend opgeleide jongens van deWassenaeren deAnna Paulownaal zoo spoedig voor Indië moesten geofferd worden. Eens schreef hij: „De opleidingsschepen zijn zoo uitstekend goed, maar waarom moeten die jeugdige, stelselmatig goed gevormde jongens, die dappere zeemanshartjes al dadelijk in Indië in een niet varende marine aan de vuurproef der zon onderworpen worden? In plaats van het gezonde, sterkende leven van een lange oefeningsreis in het Noordelijk halfrond, waarop dag en nacht geëxerceerd wordt, en aanhoudend de handen uit de mouw moeten gestoken worden, gaan zij nu op een stoomschip der Maatschappij Nederland als passagiers naar Indië, en dienen jaren lang in een ontzenuwend klimaat op ten anker liggende schepen of op kleine, huiselijk ingerichte stoomscheepjes. Om den tijd stuk te krijgen en de mannen tenminste bezig te houden, worden dan tableaux van werkzaamheden ontworpen, en moeten de jongens, jaren lang, dag aan dag verveeld worden met zeer elementaire theoriën over geschut, inrichting, geweer, tuig, richten enz., welke zij op het opleidingsschip veel beter gekend hebben.”
Kan het misschien nut hebben hierop te wijzen, en is het mogelijk dat de opmerkingen van een jongen, bescheiden zee-officier, die zijn vaderland meer dan zich zelf beminde, aan onze Tweede Kamer aanleiding geven tot onderzoek en degelijke bespreking der belangen van onze marine?
O vertegenwoordigers van Nederland, denkt aan de landsverdediging; helpt de kloeke zee-officieren zoovele heerlijke krachten voor het vaderland te bewaren; geeft desnoods een gepantserd schip minder, maar zendtZr. Ms.schepen over de oceanen; werpt de schoolmeesters-theorie over boord en geeft meer praktijk daarvoor in plaats. Dat er een einde kome voor al die jonge mannen aan het herkauwen van minder goed gekruide spijzen, en geeft hun in plaats daarvan frisschen kost en de levenwekkende zeelucht van het Noorden. Laat zeelui niet op meest ten anker liggende schepen en hier op straat of ginds door den Archipel slenteren. Laat een wetenschappelijk korps, als dat onzer zee-officieren, gelijken tred houden met hun evenknieën. Laat dehydrographende kusten van alle eilanden van den „gordel van smaragd” in kaart brengen; staat den officieren toe zich te onderscheiden in tijd van vrede; laat jaarlijks het eskader in de wateren van Azië en Europa kruisen en ontplooit de roemrijke driekleur in Oost en West ook buiten onze bezittingen. Zendt de Hollandsche zeelui naar Noordelijke en Zuidelijke IJszee; maakt hen vertrouwd op onstuimige wateren; leert de jongens in winternachten onze kust te bezeilen; maakt jonge luitenants ter zee zoo bekend met onze gronden alsof ze jonge loodsen waren; hijscht de zeilen op zeilschepen met stoomvermogen, niet op stoomschepen met zeilvermogen, en kweekt daar jonge mannen, die in plaats van in doffe onverschilligheid en gedwongen vadsigheid hofjesdienstop een Indisch wachtschip te verrichten, sterk en frisch en gezond zouden blijven, om met een schild van nobele harten Holland aan de zeezijde te beschermen in het uur van nood.
Naar het Noorden dus, zeelui van Nederland; laat de stormwind die over de ijsvelden buldert uw krachten stalen, uw bezieling levendig en frisch houden. Daar vindt ge de oude beweegkracht, de stalen veerkracht die onze marine eens beroemd maakte. Het Noorden verdient nog steeds wat Nicolaas Beets het in 1834 toezong:
Blondlokkige, die op den ijsberg troont,Aan de opperste as der wentelende aard verheven;Die ’t edel hoofd met sneeuw en kegels kroont;Een scepter voert, waarvoor de volken beven;Het blauwend oog vrijmoedig om u slaat,Op de onschuld trotsch, die in uw boezem zetelt,En met den blos des levens op ’t gelaat,Het Zuid beschaamt, dat zich in wellust baadt,’t Ontzenuwd lijf met zingenieting ketelt,En de ondergang in weelde en dartlend tegengaat!Van u gaan kracht en leven uit en moedEn heldendeugd, die edel en vertrouwd isAls ’t blauw metaal, dat aan uw blanken voetDen bodem spiert, waarop uw troon gebouwd is;Gezondheid vlot uw zuivre lippen af,En stroomt van u het zachtelijk Zuiden tegen,Dat, half verteerd en bukkend over ’t graf,Geen kracht meer kent dan die uw adem ’t gaf,En ’t waagt door list uw grootheid op te wegen,U, die ’t doen zwijmlen kunt door ’t draaien van uw staf!Zij strekt de handen naar uw zonen uit,Die zwijgend ’t hoofd voor haar bedwelming bukken,Vertrapt hun recht, maakt hun bezit ten buit,En juicht zich toe met keetlend hartverrukken;O, wek hen, doe hen opstaan in hun macht;Zend ze uit, gelijk een eenig man verbonden;Hard, hard hun ’t lijf, en stevig met uw krachtDe vuisten, die de greep van ’t zwaard hervonden?Gesp Noorden! gesp het stalen harnas aan!Ten strijd, ten wraak voor ’t half ontwricht Europe!Gesp, strijdbaar Noorden! gesp het stalen harnas aan!
Blondlokkige, die op den ijsberg troont,Aan de opperste as der wentelende aard verheven;Die ’t edel hoofd met sneeuw en kegels kroont;Een scepter voert, waarvoor de volken beven;Het blauwend oog vrijmoedig om u slaat,Op de onschuld trotsch, die in uw boezem zetelt,En met den blos des levens op ’t gelaat,Het Zuid beschaamt, dat zich in wellust baadt,’t Ontzenuwd lijf met zingenieting ketelt,En de ondergang in weelde en dartlend tegengaat!
Blondlokkige, die op den ijsberg troont,
Aan de opperste as der wentelende aard verheven;
Die ’t edel hoofd met sneeuw en kegels kroont;
Een scepter voert, waarvoor de volken beven;
Het blauwend oog vrijmoedig om u slaat,
Op de onschuld trotsch, die in uw boezem zetelt,
En met den blos des levens op ’t gelaat,
Het Zuid beschaamt, dat zich in wellust baadt,
’t Ontzenuwd lijf met zingenieting ketelt,
En de ondergang in weelde en dartlend tegengaat!
Van u gaan kracht en leven uit en moedEn heldendeugd, die edel en vertrouwd isAls ’t blauw metaal, dat aan uw blanken voetDen bodem spiert, waarop uw troon gebouwd is;Gezondheid vlot uw zuivre lippen af,En stroomt van u het zachtelijk Zuiden tegen,Dat, half verteerd en bukkend over ’t graf,Geen kracht meer kent dan die uw adem ’t gaf,En ’t waagt door list uw grootheid op te wegen,U, die ’t doen zwijmlen kunt door ’t draaien van uw staf!
Van u gaan kracht en leven uit en moed
En heldendeugd, die edel en vertrouwd is
Als ’t blauw metaal, dat aan uw blanken voet
Den bodem spiert, waarop uw troon gebouwd is;
Gezondheid vlot uw zuivre lippen af,
En stroomt van u het zachtelijk Zuiden tegen,
Dat, half verteerd en bukkend over ’t graf,
Geen kracht meer kent dan die uw adem ’t gaf,
En ’t waagt door list uw grootheid op te wegen,
U, die ’t doen zwijmlen kunt door ’t draaien van uw staf!
Zij strekt de handen naar uw zonen uit,Die zwijgend ’t hoofd voor haar bedwelming bukken,Vertrapt hun recht, maakt hun bezit ten buit,En juicht zich toe met keetlend hartverrukken;O, wek hen, doe hen opstaan in hun macht;Zend ze uit, gelijk een eenig man verbonden;Hard, hard hun ’t lijf, en stevig met uw krachtDe vuisten, die de greep van ’t zwaard hervonden?
Zij strekt de handen naar uw zonen uit,
Die zwijgend ’t hoofd voor haar bedwelming bukken,
Vertrapt hun recht, maakt hun bezit ten buit,
En juicht zich toe met keetlend hartverrukken;
O, wek hen, doe hen opstaan in hun macht;
Zend ze uit, gelijk een eenig man verbonden;
Hard, hard hun ’t lijf, en stevig met uw kracht
De vuisten, die de greep van ’t zwaard hervonden?
Gesp Noorden! gesp het stalen harnas aan!Ten strijd, ten wraak voor ’t half ontwricht Europe!Gesp, strijdbaar Noorden! gesp het stalen harnas aan!
Gesp Noorden! gesp het stalen harnas aan!
Ten strijd, ten wraak voor ’t half ontwricht Europe!
Gesp, strijdbaar Noorden! gesp het stalen harnas aan!