VII.VII.OP DE WILLEM BARENTS.Men weet thans aan welk vaderlandslievend streven de beweging om naar het Noorden te gaan te danken is. Beynen was reeds een jaar lang met dat plan behebt geweest en had naar eene gelegenheid gezocht om er mede voor den dag te komen, toen de slotwoorden van de brochure van Jhr. Mr. J. K. J. de Jonge (op bladz.99medegedeeld) hem onder de oogen kwamen en deden besluiten eene poging te wagen om het Aardrijkskundig Genootschap te bewegen, een tocht naar het Noorden onder Nederlandsche vlag op het getouw te zetten. Hij hield daartoe, den 17den Febr. 1877, op een vergadering van het Aardrijkskundig Genootschap te ’s Hage een wetenschappelijke voordracht, doch het bestuur oordeelde dat—voor het genootschap althans—de tijd daartoe nog niet was aangebroken. Daarom beslotende heeren Jhr. Mr. J. K. J. de Jonge, O. baron van Wassenaer van Catwijck, J. D. Fransen van de Putte en de staatsraad M. H. Jansen hiertoe een poging aan te wenden. Reeds den volgenden dag, 18 Februari, deden ze een beroep op ons volk tot medewerking, en door Beynen opgewekt, brachten tal van sub-commissiën ƒ 45.000 bijeen om een schoener te bouwen en naar de IJszee te zenden. „Algemeen werd belangstelling getoond voor kloeke vaderlandsche zeetochten,” gelijk Beynen het uitdrukte. Jhr. Mr. M. J. Beelaerts van Blokland werd secretaris van het comité; de hoogleeraren Buys Ballot en P. J. Veth traden toe als lid en het plan werd gevormd om in den zomer van 1878 een eersten verkenningstocht naar de Noordelijke IJszee te ondernemen met een sterk zeilscheepje.„De grootste moeielijkheid, die men te overwinnen had om de IJszeevaart weder populair te maken,” schreef Beynen in een zijner verslagen, „bestond in de bijna algemeene onbekendheid met het ware doel en nut dier Noordsche tochten en ’t was dan ook duidelijk, dat, zoolang onbekendheid of verkeerde denkbeelden dienaangaande bestonden, men moeielijk instemming of sympathie kon verwachten of hoop behoefde te voeden dat de jarenlange onverschilligheid voor soortgelijke reizen op eenmaal vervangen zoude worden door eene warme ingenomenheid, die van alle kanten groote geldelijke bijdragen zou doen toevloeien, noodig om een geheel voor de IJsvaart geschikt stoomschip te doen uitrusten.„Dat er evenwel hier en daar warme sympathie bestond, was gelukkig te duidelijk om niet met gerustheid de toekomst te gemoet te doen zien, en juist om deze sympathie algemeener en van meer blijvenden aard te doen worden, toonden eenige leden der Vergaderingde wenschelijkheid aan, de voorkeur te geven aan een korten zomertocht tot proef en, zoo men hoopte, tot voorbereiding van volgende ondernemingen naar het hooge Noorden, die, werden zij onvoorbereid ondernomen, bij minder gunstigen afloop, den bij ons volk herboren lust tot stoute reizen wellicht weder voor goed vernietigen zou. Zij beweerden dat, wilden onderzoekingen van het Noordpoolbekken voor ons vaderland ooit weder van groot belang worden, wilde men daardoor werkelijk weder evenals vroeger de edelste eigenschappen van ons zeevolk ontwikkelen en zuiverend en versterkend op onzen nationalen volksgeest werken, de stappen in die richting geen uitvloeisel moesten zijn van het drijven van enkele personen, maar moesten voortkomen uit den wil des volks, dat er prijs op moest stellen de Nederlandsche zeelieden te zien deelnemen aan de wetenschappelijke onderzoekingen van schier alle zeevarende natiën op het gebied van den Oceaan en aan ontdekkingsreizen, waarvan zij zich te lang reeds onthouden hadden.”Nadat in het begin van November, op een vergadering door Sir Allen Young bijgewoond, een beslissing omtrent het uitzenden van deWillem Barentsgenomen was, werden de luitenant ter zee 1ste klasse A. de Bruyne—die tot kommandant verkozen was—en luitenant L. R. Koolemans Beynen overgeplaatst van de instructie-brik deZeehondnaarZr. Ms.Wachtschip te Amsterdam, om toezicht te houden op den aanbouw en de uitrusting van het schoenertje dat op de werf der heeren Meursing en Huygens gebouwd werd, en waaraan de mannen ’s avonds bij lamplicht werkten om het toch maar bij tijds gereed te krijgen.„Dank zij der bekwame leiding van den heer Huygens,” schreef Beynen, „werd zelfs aan de kleinste onderdeelen de meest mogelijke zorg gewijd, en toendan ook op den 6den April, ten aanschouwe van een groot aantal belangstellenden, deWillem Barentsvan stapel liep en onder een driewerf hoerah voor het eerst het water kliefde, werd algemeen door deskundigen erkend, dat het een voor zijn taak uitmuntend berekend scheepje beloofde te zijn. Een ander gunstig teeken was de toenemende belangstelling, die zich niet alleen uitte door het snel stijgen der vrijwillige bijdragen, door het inkomen van talrijke kostbare geschenken in natura, maar vooral door de vele personen, die van heinde en verre naar Amsterdam kwamen om het in aanbouw zijnde scheepje te bezichtigen. Bevaren zeevolk bood zich dagelijks aan om de reis mede te maken, waardoor een goede keuze kon gedaan worden, en zooveel mogelijk werden matrozen aangenomen, die veel op kleine scheepjes hadden gediend.” Met luitenant de Bruyne en luitenant Jhr. H. M. Speelman1—dieo.a.de magnetische waarnemingen zouverrichten—werkte Beynen den geheelen winter, om zich zooveel mogelijk te bekwamen voor de ijsvaart,o.a.door de dagboeken en kaarten der oude Nederl. zeevaarders te raadplegen.Bij het begin van het nieuwe jaar schreef hij mij: „Ik hoop dat alles goed zal gaan en ik de verwachtingen, welke kolonel Jansen van mij koestert, niet zal beschamen. Hij heeft zoo veel voor ons vaderland gedaan, en met jeugdige ijver en lust wijst hij ons nog den weg, dien wij te gaan hebben in het welbegrepen belang van koning en vaderland. Moge ik er iets toe bijdragen om het zeewezen terug te brengen op een pad, helaas! te lang verlaten, waarop het alleen die zelfde innerlijke kracht, denzelfden edelen geest, dezelfde heilige toewijding kan terug vinden, die ons vaderland eens zoo groot hebben gemaakt.”Kolonel Jansen stelde voor het comité de instructie, welke aan den commandant van deBarentswerd medegegeven voor dezen proeftocht. Hij zeide in de toelichting tot deze duidelijke, zaakkundige instructie o. a.:„Wil men het doel bereiken om de Barents-zee tot eene oefenschool voor onze zeelieden te maken, dan behoort men met kalme bedaardheid, gematigdheid en beleid de eerste schreden op het veld van onderzoek te zetten, op den eersten tocht zich binnen de grenzen van het gemakkelijk bereikbare te beperken en daarna, bij toenemende kennis en ervaring, jaar op jaar bij gunstige omstandigheden zich in een lastiger en moeielijker te bereiken gebied te begeven.„Wanneer een vaartuig jaarlijks in Mei uitzeilt en regelmatig in October binnenkomt, zal de overtuiging algemeen ingang vinden, dat met beleid, voorzichtigheid en zeemanschap de Barents-zee ook thans even als vroeger bevaren kan worden, zonder dat het met groote rampen gepaard gaat en dan eerst mag de hoop gevoed worden, dat die zee eene blijvende oefenschool voor onze zeelieden zal worden, waarvoor men steeds bereid zal zijn geld te geven.”Den 2den Mei 1878 schreef Beynen:„Onze dagen beginnen op te korten en deWillem Barentszal spoedig zee kiezen.„Ik beschouw dit als een hoogst ernstige, hoogst heilige zaak, en ik dank God voor den zegen dat ik tot de opvarenden mag behooren. DeWillem Barentsgaat naar het Noorden; naar de zeeën door onze voorvaderen vaak zoo stout en roemvol bevaren; naar het oefenveld van zoo vele uitstekende zeelieden. ’t Is een groot geluk voor ons allen, en met ernst, moed, berusting zie ik de toekomst te gemoet.”Zondagmiddag, 5 Mei, wierp deBarentsde trossen los van de rijkswerf te Amsterdam, en werd ze naar IJmuiden gesleept, en de roemrijke oude hoofdstad bracht haar zeelieden een indrukwekkenden afscheidsgroet.Nooit heb ik belangwekkender schouwspel gezien, dan het met schepen en booten bedekte IJ op dezen verrukkelijken Meidag aanbood.Men werd in een dankbare feestelijke stemming gebracht, als men die heerlijke geestdrift en belangstelling zag, en gevoelde, dat in honderden jonge harten nu wellicht het verlangen geboren werd, om later ook op zee te gaan varen en eveneens den roem van Neêrland’s vlag fier te handhaven. Toen we midden inhet IJ waren en terugblikten naar den halven cirkelboog der hoofdstad, konden wij eerst goed zien, dat half Amsterdam was uitgeloopen, om deWillem Barentsuitgeleide te doen en te begroeten.Op de hooge torens der stad daalden de vlaggen driemaal, om het Poolschip te salueeren; Amsterdam groette zijn zeevaarders en wenschte hun behouden reis, en driemalen daalde de standaard van deWillem Barentsom voor dien hoffelijken afscheidsgroet te danken.Op de duinen stonden honderden om het goede schip een vaarwel toe te wuiven. En met hen staarden duizende vaderlanders dien dag naar zee, en wenschten behouden reis aan het schip op die zeeën,Waar ’t vlottend schuim van vroeger kielen,(Het spoor van Neêrlands waterwielen)Het pad wijst naar het tooveroord.’t Woei een flinke bries uit het Oosten en met één rif in koersde het scheepje met een vijf mijls vaart om de Noord-west.In zijn uitvoerig verslag van deze reis heeft Beynen haar trouw en duidelijk beschreven.Mij schreef hij den 11den Juli uit de Noordelijke IJszee:„Er bestaat kans met een Zweedsch stoomschip eenige regelen naar het vaderland te verzenden, en ik gevoel behoefte daarvan in de eerste plaats gebruik te maken, om een oogenblik met je te gaan praten, opdat gij in het vaderland een der eersten zoudt zijn, die mocht vernemen dat tot op dezen dag deWillem Barentsgelukkig en voorspoedig de Noordelijke IJszee bevaren heeft en dat de geliefde driekleur 14 dagen lang stout en fier gewapperd heeft in de voorieder Nederlander zoo historierijke kustwateren van het gure barre Spitsbergen. De goede gelukster, welke de oude vlag zoo vaak op alle zeeën beschenen heeft, is ook zeer blijkbaar met ons geweest. Ge zult van kolonel Jansen een uitvoerige beschrijving ontvangen van ons wedervaren, maar een dingwilenmoetik u zeggen, en dat is hoe gelukkig wij allen aan boord van deWillem Barentszijn, en hoe voorspoedig tot dusverre zoowel het wetenschappelijk als het nautisch werk hier aan boord steeds is uitgevallen. Wij hebben moeielijke dagen gehad, maar met ware voldoening mag ieder er op terug zien.„Gehard en sterk als een pooltocht een mensch maakt, zijn wij vol veêrkrachtig verlangen om de moeielijkheden, welke ons in de Nova-Zembla-wateren wachten, te gaan opzoeken.„Wat stel ik er mij vaak een genoegen van voor om je al onze avonturen en wederwaardigheden, bij den huiselijken haard, rustig na den eten te zitten vertellen.„Het is werkelijkwaar, op mijn ruwe nachtwachten verbeeld ik mij meermalen weer de walsmuziek te hooren en je kinderen te zien dansen en springen, en die muziek van ’t huishouden van den vriend klinkt den zeeman in hoogst aangename harmonie met de hard doorslaande windvlagen. Telkens als ik de portretjes van uw kinderen ophaal en bekijk, denk ik aan dien gezelligen avond van den 3den Mei, toen ik te midden van al die verbazende drukte der laatste dagen voor het uitzeilen, nog eens zoo rustig en aangenaam met u ben geweest.„Wat was het verschil in het begin groot! Dat leven in Amsterdam met al zijn gemakken en genoegens, en toen op eens, tijdens donkere nachten, met vier man wachtvolk bij harden wind en stortregens denieuwe en nog zoo stijve zeilen reven. Toch zou ik beide levens niet willen ruilen! Als ik kiezen moest tusschen het altijd in Amsterdam zijn en het altijd blijven varen, dan koos ik zonder mij te bedenken het laatste. Het eenvoudige gezonde zeemansleven heeft zoo verbazend veel voor, vooral als men, zooals wij, aangenaam en gezellig onder elkander is. Ook onder de bemanning zijn goede stevige kerels, in de eerste plaats onze beide Marker visschers.„Mij komt het vaak voor of in hen nog dezelfde groote eigenschappen schuilen, welke ons zeevolk bezielden in de 17de eeuw. Bedaard, schrander, ijverig, eenvoudig, en daarbij geestig en gevat. Beiden zijn verbazend sterk, iets wat, zooals gij begrijpen kunt, nog al vaak te pas komt, en de jongste, die het nooit moede is te halen en te trekken, heeft dan ook om zijn gewilligheid en kracht den bijnaam gekregen van het „hand-stoomliertje.”„Wat staan zij verbaasd over alles wat zij hier zien. Verbeeld je bij voorbeeld hun verwondering, toen ik hen midden in het ijs op een eilandje bracht waar duizende ganzen, die daar hun broedplaats hadden, voor hunne voeten opvlogen, en wij in enkele minuten zoovele versche eieren verzamelden, als wij maar met eenige mogelijkheid bergen konden. Zakken, tasschen, zeelaarzen, alles werd met eieren volgepakt, en als iemand struikelde en viel, dan had men een „omelette au marin.”„Vooral ook met het plaatsen van den grafsteen op het oude verlaten kerkhof van Amsterdam-eiland waren de beide Markers zeer ingenomen, en ik moet trouwens zelf ook erkennen dat ik zelden zulk een ernstigen, aangenamen plicht vervuld heb. Het was slecht weer geweest en bijZeeuwschen-uitkijkhadden we onder den hoogen wal voor anker gelegen.Wat lag het scheepje dien nacht rustig in dat hoekje, achter al die hooge trotsche bergmassa’s! Buiten op zee hoorde men het loeien van den storm en het bekende geluid der harde windstooten en aan boord heerschte de grootste stilte, slechts afgebroken door den eentonigen zachten voetstap van den wachthebbenden matroos op het dik besneeuwde dek.„Honderden stormmeeuwen, den strijd op zee moede, hadden zich in eene dichte massa aan lij van het scheepje neêrgevleid, om in ’t vlakke water aldaar uit te rusten van de al te zware rukwinden daar buiten. Het sneeuwde onafgebroken, waardoor zelfs de steilste bergwanden met sneeuw werden bekleed en de geheele omgeving een heerlijk grootsch wintergezicht aanbood.„Toen het weer na een paar dagen beter werd, koersten wij naar Amsterdam-eiland.2„’t Was een heerlijke avond, en nog eenmaal deed de barre gure noordkust zich op haar vriendelijkst voor. Maar het leven en de bedrijvigheid van vroeger waren nu vervangen door het vroolijk geklapwiek der tallooze ijsduifjes, papegaaibekken en lommen, die aan ’t anders zoo gure natuurtooneel iets opgewekts en levendigs gaven.„Recht vooruit lagen het eiland Vogelenzang en „het eiland met de kloof,” waar Barents tijdens zijn derde reis het eerste land maakte en Spitsbergen Nieuwland doopte. Daar bezuiden lag „de Zeeuwsche Uitkijk,” waar die uit Middelburg en Veere reeds in 1617 hunne traankokerij oprichtten, toen de machtige Kamer van Amsterdam hun het verblijf op Amsterdam-eiland nog niet ontzegde.„Lang duurde dit heerlijk schouwspel niet, wantkort daarop wikkelde de geheele kust zich in haren grauwen avondnevel, die, zich tot ver op zee uitbreidend, het deWillem Barentsmoeielijk maakte haar weg naar Amsterdam-eiland te vervolgen. Als ’t ware geblinddoekt, koerste men, scherp uitkijk houdend en goed naar branding uitluisterend, benoorden het eiland Vogelzang om, passeerde den noordelijksten hoek er van op ongeveer 7 kabellengten en zeilde met een gereefde marszeilkoelte langs de Oostkust van Amsterdam-eiland de Hollandsche baai binnen.„Het woei zelfs zoo hard, dat vóór men ten anker kon komen, nog het voorschoenerzeil moest gestreken en 2 reven in ’t achterzeil gestoken worden, waarna deWillem Barents, in een zware bui, dicht bij de overblijfselen der oude traankokerijen van Smeerenburg weldra het anker liet vallen. Onbekend met het vaarwater, was deWillem Barentsten gevolge den harden wind bijna te ver de straat, die Amsterdam-eiland van het Deensche eiland scheidt, binnen geloopen, want nauwelijks waren de zeilen gestreken en lag het schip op den wind gezwaaid, of van alle kanten werden rondom ons klippen ontdekt, waarvan de grootste (waarop, volgens een oud Hollandsch kaartje, het schip deOliphanteens gezeten had) slechts enkele meters aan bakboord achteruit boven water uitstak.„Zoodra het schip veilig en wel ten anker lag, gingen de officieren en manschappen naar den wal om het oude Smeerenburg te bezoeken.„Wat waren er van die eenmaal zoo druk bezochte levendige plaats, weinig sporen meer overgebleven! Wat was die vlakte doodsch en verlaten, waar eens jaren lang zulk een vroolijk gewoel had geheerscht!„Had men zich voorgesteld, nog veel van het oudeSmeerenburg terug te vinden, dan zou de teleurstelling groot geweest zijn.„Voor ’t kale en verlaten strand lag alléén het Nederlandsch schoenertje ten anker en door sneeuwjacht en mist slechts gedeeltelijk zichtbaar, maakte de lage, vlakke kust, „omtrent een kleine musquetschoot breed,” een zeer doodschen indruk.„De achtergrond bestond uit hooge, donkere bergmassa’s waardoor het eentonig strand er nog vlakker en onbeduidender uitzag dan het inderdaad was.„De voormalige plaatsen der 7 Kamers (die van Amsterdam, Rotterdam, Middelburg, Vlissingen, Enkhuizen, Delft en Hoorn) waren evenwel nog goed te herkennen aan de overblijfselen der cirkelvormige muurtjes, waar de traanketels blijkbaar op gerust hadden.„Men stelle zich verder voor: een wit besneeuwde vlakte, waarvan alléén dicht aan den waterkant de sneeuw is ontdooid, en die smalle strook gronds bezaaid met gebroken roode dakpannen, Hollandsch puin, verbazend groote stukken walvischbeen, sloepriemen, half vergaan touw, en hier en daar enkele graven, dan heeft men een weinig aanlokkelijk, doch vrij juist begrip van wat er van die weleer zoo druk bezochte plaats is overgebleven.„Het kerkhof aan ’t noordelijk uiteinde van het strand was zoo mogelijk nog treuriger; de meeste kisten waren opengebroken, de grafkruisen omgewaaid en doodshoofden en beenderen lagen alom verspreid.„Niet zonder moeite vermocht men eenige grafkruisen te ontcijferen, waarop stond:Hier ligt begravenJan Fred. Meyrot vanPruysen, is in den Heer gerust, den 19denJuli op het schipEvenwicht, commandeurCornelis Dek, 1778.of:Hier leijt begravenUurjaen Klaesz Kromonvan Son…of:Hier leijt begravenHendrijk Selden vanGestack, is gestorven schipFrouw AnnaKommand.Derk Driewes, 1742.enz., enz.„De kisten werden met de halfvergane deksels weder dichtgetimmerd, de kruisen op nieuw opgericht en den volgenden dag, op het hoogste punt van den grafheuvel te midden der graven, een groote steenhoop gebouwd, waartegen met eenige helling de uit het vaderland meêgebrachte steen werd geplaatst, waarop te lezen stond:†In Memoriam.Spitsbergen of Nieu-landontdekttot 79° 30′ n. Breedtedoor de Hollanders.Hier overwinterden 1633–34Jacob Seegersz en zes anderen.Hier overwinterden en stierven 1634–1635Andries Jansz. van Middelburgenzes anderen.„Laat in den avond even vóór middernacht, werd door de geheele bemanning een laatst bezoek aan deze plaats gebracht, bij welke gelegenheid de kommandant in korte woorden het navolgende zeide:„Mannen! door het oprichten van dezen steen vervullen wij een wensch van de Nederlandsche natie, die hier op deze oude begraafplaats van reeds lang gestorven„Vaderlandsche zeelui,” een kennelijk huldeblijk wil plaatsen, ter herinnering aan de koene daden en den kloeken ondernemingsgeest onzer onverschrokken zeevaarders. Eeuwen heeft hun asch hier reeds gerust en als wij rond ons kijken, blijkt dat van vele dier graven nog slechts weinig is overgebleven, maar wat niet vergaan is en wat niet zal vergaan zoolang Hollands vlag nog fier op alle zeeën waait, dat is de achting en eerbied waarmede hun nakomelingen de herinnering in eere houden aan die mannen, die eeuwen geleden zooveel gedaan hebben voor de eer en welvaart van ’t geliefde Vaderland.”„Het was een vreemd schouwspel, die 14 gezonde, levenslustige zeelieden op die doodsche grafheuvel van lang gestorven, vaderlandsche zeelieden, daar op dat verre, vreemde strand, druk aan het werk te zien om een taak der liefde te vervullen, en ik kan je verzekeren, dat—zoo er ook al in Nederland personen bestaan die er mede spotten—er geen onder die 14 mannen was, die niet ernstig onder den indruk was van het werk dat verricht werd.„Onwillekeurig dacht ik aan je warm betoog, hoe uit die door ons geplaatstesteeneneenkrachtkan uitgaan, welke het volk opwekt, en hartelijk en innig hopende dat wij het samen zullen mogen beleven, dat die kracht het geliefde vaderland eenmaal tot zegen worden zal, blijf ik, vertrouwend op de toekomst, uw liefhebbende vriend, die u thans uit de Noordelijke IJszee den beloofden langen brief toezendt.”Indien wij nu deBarentsnog even vergezellen „in den mist” en „in het ijs,” dan krijgen we een duidelijk denkbeeld van den eersten tocht van dit roemrijk scheepje.1Het bevel over de expeditie was opgedragen aan den luitenant t/z. 1eklasse A. de Bruyne, wien als officieren waren toegevoegd de luitenants t/z. 2eklasse L. R. Koolemans Beynen en Jhr. H. M. Speelman, welke laatste de magnetische waarnemingen zou verrichten. Dr. Sluijter, die reeds in 1876 zoölogische onderzoekingen in de Noordzee hielp doen, maakte de reis als natuurkundige mede, terwijl Dr. P. J. Hymans van Anrooy, officier van gezondheid van het Indische leger, zich als geneesheer bij de expeditie aansloot. Van het belangelooze aanbod van een jeugdige Engelschman, den heer W. J. A. Grant, met wien Beynen op dePandoragediend had, een amateur-photograaf, die aangeboden had de reis vrijwillig mede te maken en alle photografische toestellen en benoodigdheden voor de expeditie mede te brengen en bij terugkomst alle clichés aan ’t comité af te staan, werd met ingenomenheid gebruik gemaakt. De bootsman B. Witteveen, de timmerman E. F. Vogelaar en de kok J. de Bruyn behoorden tot het personeel der Koninklijke Nederlandsche Marine en de rest derbemanning bestond uit twee matrozen van het loodswezen te Vlissingen, B. G. Baljé en J. Kamermans, uit twee visschers van Marken, J. Roos en A. de Waart, en een tonnenlegger uit ’t Nieuwediep, D. de Wit.↑2Hier en daar vul ik zijn brief aan met zijn verslag.↑
VII.VII.OP DE WILLEM BARENTS.Men weet thans aan welk vaderlandslievend streven de beweging om naar het Noorden te gaan te danken is. Beynen was reeds een jaar lang met dat plan behebt geweest en had naar eene gelegenheid gezocht om er mede voor den dag te komen, toen de slotwoorden van de brochure van Jhr. Mr. J. K. J. de Jonge (op bladz.99medegedeeld) hem onder de oogen kwamen en deden besluiten eene poging te wagen om het Aardrijkskundig Genootschap te bewegen, een tocht naar het Noorden onder Nederlandsche vlag op het getouw te zetten. Hij hield daartoe, den 17den Febr. 1877, op een vergadering van het Aardrijkskundig Genootschap te ’s Hage een wetenschappelijke voordracht, doch het bestuur oordeelde dat—voor het genootschap althans—de tijd daartoe nog niet was aangebroken. Daarom beslotende heeren Jhr. Mr. J. K. J. de Jonge, O. baron van Wassenaer van Catwijck, J. D. Fransen van de Putte en de staatsraad M. H. Jansen hiertoe een poging aan te wenden. Reeds den volgenden dag, 18 Februari, deden ze een beroep op ons volk tot medewerking, en door Beynen opgewekt, brachten tal van sub-commissiën ƒ 45.000 bijeen om een schoener te bouwen en naar de IJszee te zenden. „Algemeen werd belangstelling getoond voor kloeke vaderlandsche zeetochten,” gelijk Beynen het uitdrukte. Jhr. Mr. M. J. Beelaerts van Blokland werd secretaris van het comité; de hoogleeraren Buys Ballot en P. J. Veth traden toe als lid en het plan werd gevormd om in den zomer van 1878 een eersten verkenningstocht naar de Noordelijke IJszee te ondernemen met een sterk zeilscheepje.„De grootste moeielijkheid, die men te overwinnen had om de IJszeevaart weder populair te maken,” schreef Beynen in een zijner verslagen, „bestond in de bijna algemeene onbekendheid met het ware doel en nut dier Noordsche tochten en ’t was dan ook duidelijk, dat, zoolang onbekendheid of verkeerde denkbeelden dienaangaande bestonden, men moeielijk instemming of sympathie kon verwachten of hoop behoefde te voeden dat de jarenlange onverschilligheid voor soortgelijke reizen op eenmaal vervangen zoude worden door eene warme ingenomenheid, die van alle kanten groote geldelijke bijdragen zou doen toevloeien, noodig om een geheel voor de IJsvaart geschikt stoomschip te doen uitrusten.„Dat er evenwel hier en daar warme sympathie bestond, was gelukkig te duidelijk om niet met gerustheid de toekomst te gemoet te doen zien, en juist om deze sympathie algemeener en van meer blijvenden aard te doen worden, toonden eenige leden der Vergaderingde wenschelijkheid aan, de voorkeur te geven aan een korten zomertocht tot proef en, zoo men hoopte, tot voorbereiding van volgende ondernemingen naar het hooge Noorden, die, werden zij onvoorbereid ondernomen, bij minder gunstigen afloop, den bij ons volk herboren lust tot stoute reizen wellicht weder voor goed vernietigen zou. Zij beweerden dat, wilden onderzoekingen van het Noordpoolbekken voor ons vaderland ooit weder van groot belang worden, wilde men daardoor werkelijk weder evenals vroeger de edelste eigenschappen van ons zeevolk ontwikkelen en zuiverend en versterkend op onzen nationalen volksgeest werken, de stappen in die richting geen uitvloeisel moesten zijn van het drijven van enkele personen, maar moesten voortkomen uit den wil des volks, dat er prijs op moest stellen de Nederlandsche zeelieden te zien deelnemen aan de wetenschappelijke onderzoekingen van schier alle zeevarende natiën op het gebied van den Oceaan en aan ontdekkingsreizen, waarvan zij zich te lang reeds onthouden hadden.”Nadat in het begin van November, op een vergadering door Sir Allen Young bijgewoond, een beslissing omtrent het uitzenden van deWillem Barentsgenomen was, werden de luitenant ter zee 1ste klasse A. de Bruyne—die tot kommandant verkozen was—en luitenant L. R. Koolemans Beynen overgeplaatst van de instructie-brik deZeehondnaarZr. Ms.Wachtschip te Amsterdam, om toezicht te houden op den aanbouw en de uitrusting van het schoenertje dat op de werf der heeren Meursing en Huygens gebouwd werd, en waaraan de mannen ’s avonds bij lamplicht werkten om het toch maar bij tijds gereed te krijgen.„Dank zij der bekwame leiding van den heer Huygens,” schreef Beynen, „werd zelfs aan de kleinste onderdeelen de meest mogelijke zorg gewijd, en toendan ook op den 6den April, ten aanschouwe van een groot aantal belangstellenden, deWillem Barentsvan stapel liep en onder een driewerf hoerah voor het eerst het water kliefde, werd algemeen door deskundigen erkend, dat het een voor zijn taak uitmuntend berekend scheepje beloofde te zijn. Een ander gunstig teeken was de toenemende belangstelling, die zich niet alleen uitte door het snel stijgen der vrijwillige bijdragen, door het inkomen van talrijke kostbare geschenken in natura, maar vooral door de vele personen, die van heinde en verre naar Amsterdam kwamen om het in aanbouw zijnde scheepje te bezichtigen. Bevaren zeevolk bood zich dagelijks aan om de reis mede te maken, waardoor een goede keuze kon gedaan worden, en zooveel mogelijk werden matrozen aangenomen, die veel op kleine scheepjes hadden gediend.” Met luitenant de Bruyne en luitenant Jhr. H. M. Speelman1—dieo.a.de magnetische waarnemingen zouverrichten—werkte Beynen den geheelen winter, om zich zooveel mogelijk te bekwamen voor de ijsvaart,o.a.door de dagboeken en kaarten der oude Nederl. zeevaarders te raadplegen.Bij het begin van het nieuwe jaar schreef hij mij: „Ik hoop dat alles goed zal gaan en ik de verwachtingen, welke kolonel Jansen van mij koestert, niet zal beschamen. Hij heeft zoo veel voor ons vaderland gedaan, en met jeugdige ijver en lust wijst hij ons nog den weg, dien wij te gaan hebben in het welbegrepen belang van koning en vaderland. Moge ik er iets toe bijdragen om het zeewezen terug te brengen op een pad, helaas! te lang verlaten, waarop het alleen die zelfde innerlijke kracht, denzelfden edelen geest, dezelfde heilige toewijding kan terug vinden, die ons vaderland eens zoo groot hebben gemaakt.”Kolonel Jansen stelde voor het comité de instructie, welke aan den commandant van deBarentswerd medegegeven voor dezen proeftocht. Hij zeide in de toelichting tot deze duidelijke, zaakkundige instructie o. a.:„Wil men het doel bereiken om de Barents-zee tot eene oefenschool voor onze zeelieden te maken, dan behoort men met kalme bedaardheid, gematigdheid en beleid de eerste schreden op het veld van onderzoek te zetten, op den eersten tocht zich binnen de grenzen van het gemakkelijk bereikbare te beperken en daarna, bij toenemende kennis en ervaring, jaar op jaar bij gunstige omstandigheden zich in een lastiger en moeielijker te bereiken gebied te begeven.„Wanneer een vaartuig jaarlijks in Mei uitzeilt en regelmatig in October binnenkomt, zal de overtuiging algemeen ingang vinden, dat met beleid, voorzichtigheid en zeemanschap de Barents-zee ook thans even als vroeger bevaren kan worden, zonder dat het met groote rampen gepaard gaat en dan eerst mag de hoop gevoed worden, dat die zee eene blijvende oefenschool voor onze zeelieden zal worden, waarvoor men steeds bereid zal zijn geld te geven.”Den 2den Mei 1878 schreef Beynen:„Onze dagen beginnen op te korten en deWillem Barentszal spoedig zee kiezen.„Ik beschouw dit als een hoogst ernstige, hoogst heilige zaak, en ik dank God voor den zegen dat ik tot de opvarenden mag behooren. DeWillem Barentsgaat naar het Noorden; naar de zeeën door onze voorvaderen vaak zoo stout en roemvol bevaren; naar het oefenveld van zoo vele uitstekende zeelieden. ’t Is een groot geluk voor ons allen, en met ernst, moed, berusting zie ik de toekomst te gemoet.”Zondagmiddag, 5 Mei, wierp deBarentsde trossen los van de rijkswerf te Amsterdam, en werd ze naar IJmuiden gesleept, en de roemrijke oude hoofdstad bracht haar zeelieden een indrukwekkenden afscheidsgroet.Nooit heb ik belangwekkender schouwspel gezien, dan het met schepen en booten bedekte IJ op dezen verrukkelijken Meidag aanbood.Men werd in een dankbare feestelijke stemming gebracht, als men die heerlijke geestdrift en belangstelling zag, en gevoelde, dat in honderden jonge harten nu wellicht het verlangen geboren werd, om later ook op zee te gaan varen en eveneens den roem van Neêrland’s vlag fier te handhaven. Toen we midden inhet IJ waren en terugblikten naar den halven cirkelboog der hoofdstad, konden wij eerst goed zien, dat half Amsterdam was uitgeloopen, om deWillem Barentsuitgeleide te doen en te begroeten.Op de hooge torens der stad daalden de vlaggen driemaal, om het Poolschip te salueeren; Amsterdam groette zijn zeevaarders en wenschte hun behouden reis, en driemalen daalde de standaard van deWillem Barentsom voor dien hoffelijken afscheidsgroet te danken.Op de duinen stonden honderden om het goede schip een vaarwel toe te wuiven. En met hen staarden duizende vaderlanders dien dag naar zee, en wenschten behouden reis aan het schip op die zeeën,Waar ’t vlottend schuim van vroeger kielen,(Het spoor van Neêrlands waterwielen)Het pad wijst naar het tooveroord.’t Woei een flinke bries uit het Oosten en met één rif in koersde het scheepje met een vijf mijls vaart om de Noord-west.In zijn uitvoerig verslag van deze reis heeft Beynen haar trouw en duidelijk beschreven.Mij schreef hij den 11den Juli uit de Noordelijke IJszee:„Er bestaat kans met een Zweedsch stoomschip eenige regelen naar het vaderland te verzenden, en ik gevoel behoefte daarvan in de eerste plaats gebruik te maken, om een oogenblik met je te gaan praten, opdat gij in het vaderland een der eersten zoudt zijn, die mocht vernemen dat tot op dezen dag deWillem Barentsgelukkig en voorspoedig de Noordelijke IJszee bevaren heeft en dat de geliefde driekleur 14 dagen lang stout en fier gewapperd heeft in de voorieder Nederlander zoo historierijke kustwateren van het gure barre Spitsbergen. De goede gelukster, welke de oude vlag zoo vaak op alle zeeën beschenen heeft, is ook zeer blijkbaar met ons geweest. Ge zult van kolonel Jansen een uitvoerige beschrijving ontvangen van ons wedervaren, maar een dingwilenmoetik u zeggen, en dat is hoe gelukkig wij allen aan boord van deWillem Barentszijn, en hoe voorspoedig tot dusverre zoowel het wetenschappelijk als het nautisch werk hier aan boord steeds is uitgevallen. Wij hebben moeielijke dagen gehad, maar met ware voldoening mag ieder er op terug zien.„Gehard en sterk als een pooltocht een mensch maakt, zijn wij vol veêrkrachtig verlangen om de moeielijkheden, welke ons in de Nova-Zembla-wateren wachten, te gaan opzoeken.„Wat stel ik er mij vaak een genoegen van voor om je al onze avonturen en wederwaardigheden, bij den huiselijken haard, rustig na den eten te zitten vertellen.„Het is werkelijkwaar, op mijn ruwe nachtwachten verbeeld ik mij meermalen weer de walsmuziek te hooren en je kinderen te zien dansen en springen, en die muziek van ’t huishouden van den vriend klinkt den zeeman in hoogst aangename harmonie met de hard doorslaande windvlagen. Telkens als ik de portretjes van uw kinderen ophaal en bekijk, denk ik aan dien gezelligen avond van den 3den Mei, toen ik te midden van al die verbazende drukte der laatste dagen voor het uitzeilen, nog eens zoo rustig en aangenaam met u ben geweest.„Wat was het verschil in het begin groot! Dat leven in Amsterdam met al zijn gemakken en genoegens, en toen op eens, tijdens donkere nachten, met vier man wachtvolk bij harden wind en stortregens denieuwe en nog zoo stijve zeilen reven. Toch zou ik beide levens niet willen ruilen! Als ik kiezen moest tusschen het altijd in Amsterdam zijn en het altijd blijven varen, dan koos ik zonder mij te bedenken het laatste. Het eenvoudige gezonde zeemansleven heeft zoo verbazend veel voor, vooral als men, zooals wij, aangenaam en gezellig onder elkander is. Ook onder de bemanning zijn goede stevige kerels, in de eerste plaats onze beide Marker visschers.„Mij komt het vaak voor of in hen nog dezelfde groote eigenschappen schuilen, welke ons zeevolk bezielden in de 17de eeuw. Bedaard, schrander, ijverig, eenvoudig, en daarbij geestig en gevat. Beiden zijn verbazend sterk, iets wat, zooals gij begrijpen kunt, nog al vaak te pas komt, en de jongste, die het nooit moede is te halen en te trekken, heeft dan ook om zijn gewilligheid en kracht den bijnaam gekregen van het „hand-stoomliertje.”„Wat staan zij verbaasd over alles wat zij hier zien. Verbeeld je bij voorbeeld hun verwondering, toen ik hen midden in het ijs op een eilandje bracht waar duizende ganzen, die daar hun broedplaats hadden, voor hunne voeten opvlogen, en wij in enkele minuten zoovele versche eieren verzamelden, als wij maar met eenige mogelijkheid bergen konden. Zakken, tasschen, zeelaarzen, alles werd met eieren volgepakt, en als iemand struikelde en viel, dan had men een „omelette au marin.”„Vooral ook met het plaatsen van den grafsteen op het oude verlaten kerkhof van Amsterdam-eiland waren de beide Markers zeer ingenomen, en ik moet trouwens zelf ook erkennen dat ik zelden zulk een ernstigen, aangenamen plicht vervuld heb. Het was slecht weer geweest en bijZeeuwschen-uitkijkhadden we onder den hoogen wal voor anker gelegen.Wat lag het scheepje dien nacht rustig in dat hoekje, achter al die hooge trotsche bergmassa’s! Buiten op zee hoorde men het loeien van den storm en het bekende geluid der harde windstooten en aan boord heerschte de grootste stilte, slechts afgebroken door den eentonigen zachten voetstap van den wachthebbenden matroos op het dik besneeuwde dek.„Honderden stormmeeuwen, den strijd op zee moede, hadden zich in eene dichte massa aan lij van het scheepje neêrgevleid, om in ’t vlakke water aldaar uit te rusten van de al te zware rukwinden daar buiten. Het sneeuwde onafgebroken, waardoor zelfs de steilste bergwanden met sneeuw werden bekleed en de geheele omgeving een heerlijk grootsch wintergezicht aanbood.„Toen het weer na een paar dagen beter werd, koersten wij naar Amsterdam-eiland.2„’t Was een heerlijke avond, en nog eenmaal deed de barre gure noordkust zich op haar vriendelijkst voor. Maar het leven en de bedrijvigheid van vroeger waren nu vervangen door het vroolijk geklapwiek der tallooze ijsduifjes, papegaaibekken en lommen, die aan ’t anders zoo gure natuurtooneel iets opgewekts en levendigs gaven.„Recht vooruit lagen het eiland Vogelenzang en „het eiland met de kloof,” waar Barents tijdens zijn derde reis het eerste land maakte en Spitsbergen Nieuwland doopte. Daar bezuiden lag „de Zeeuwsche Uitkijk,” waar die uit Middelburg en Veere reeds in 1617 hunne traankokerij oprichtten, toen de machtige Kamer van Amsterdam hun het verblijf op Amsterdam-eiland nog niet ontzegde.„Lang duurde dit heerlijk schouwspel niet, wantkort daarop wikkelde de geheele kust zich in haren grauwen avondnevel, die, zich tot ver op zee uitbreidend, het deWillem Barentsmoeielijk maakte haar weg naar Amsterdam-eiland te vervolgen. Als ’t ware geblinddoekt, koerste men, scherp uitkijk houdend en goed naar branding uitluisterend, benoorden het eiland Vogelzang om, passeerde den noordelijksten hoek er van op ongeveer 7 kabellengten en zeilde met een gereefde marszeilkoelte langs de Oostkust van Amsterdam-eiland de Hollandsche baai binnen.„Het woei zelfs zoo hard, dat vóór men ten anker kon komen, nog het voorschoenerzeil moest gestreken en 2 reven in ’t achterzeil gestoken worden, waarna deWillem Barents, in een zware bui, dicht bij de overblijfselen der oude traankokerijen van Smeerenburg weldra het anker liet vallen. Onbekend met het vaarwater, was deWillem Barentsten gevolge den harden wind bijna te ver de straat, die Amsterdam-eiland van het Deensche eiland scheidt, binnen geloopen, want nauwelijks waren de zeilen gestreken en lag het schip op den wind gezwaaid, of van alle kanten werden rondom ons klippen ontdekt, waarvan de grootste (waarop, volgens een oud Hollandsch kaartje, het schip deOliphanteens gezeten had) slechts enkele meters aan bakboord achteruit boven water uitstak.„Zoodra het schip veilig en wel ten anker lag, gingen de officieren en manschappen naar den wal om het oude Smeerenburg te bezoeken.„Wat waren er van die eenmaal zoo druk bezochte levendige plaats, weinig sporen meer overgebleven! Wat was die vlakte doodsch en verlaten, waar eens jaren lang zulk een vroolijk gewoel had geheerscht!„Had men zich voorgesteld, nog veel van het oudeSmeerenburg terug te vinden, dan zou de teleurstelling groot geweest zijn.„Voor ’t kale en verlaten strand lag alléén het Nederlandsch schoenertje ten anker en door sneeuwjacht en mist slechts gedeeltelijk zichtbaar, maakte de lage, vlakke kust, „omtrent een kleine musquetschoot breed,” een zeer doodschen indruk.„De achtergrond bestond uit hooge, donkere bergmassa’s waardoor het eentonig strand er nog vlakker en onbeduidender uitzag dan het inderdaad was.„De voormalige plaatsen der 7 Kamers (die van Amsterdam, Rotterdam, Middelburg, Vlissingen, Enkhuizen, Delft en Hoorn) waren evenwel nog goed te herkennen aan de overblijfselen der cirkelvormige muurtjes, waar de traanketels blijkbaar op gerust hadden.„Men stelle zich verder voor: een wit besneeuwde vlakte, waarvan alléén dicht aan den waterkant de sneeuw is ontdooid, en die smalle strook gronds bezaaid met gebroken roode dakpannen, Hollandsch puin, verbazend groote stukken walvischbeen, sloepriemen, half vergaan touw, en hier en daar enkele graven, dan heeft men een weinig aanlokkelijk, doch vrij juist begrip van wat er van die weleer zoo druk bezochte plaats is overgebleven.„Het kerkhof aan ’t noordelijk uiteinde van het strand was zoo mogelijk nog treuriger; de meeste kisten waren opengebroken, de grafkruisen omgewaaid en doodshoofden en beenderen lagen alom verspreid.„Niet zonder moeite vermocht men eenige grafkruisen te ontcijferen, waarop stond:Hier ligt begravenJan Fred. Meyrot vanPruysen, is in den Heer gerust, den 19denJuli op het schipEvenwicht, commandeurCornelis Dek, 1778.of:Hier leijt begravenUurjaen Klaesz Kromonvan Son…of:Hier leijt begravenHendrijk Selden vanGestack, is gestorven schipFrouw AnnaKommand.Derk Driewes, 1742.enz., enz.„De kisten werden met de halfvergane deksels weder dichtgetimmerd, de kruisen op nieuw opgericht en den volgenden dag, op het hoogste punt van den grafheuvel te midden der graven, een groote steenhoop gebouwd, waartegen met eenige helling de uit het vaderland meêgebrachte steen werd geplaatst, waarop te lezen stond:†In Memoriam.Spitsbergen of Nieu-landontdekttot 79° 30′ n. Breedtedoor de Hollanders.Hier overwinterden 1633–34Jacob Seegersz en zes anderen.Hier overwinterden en stierven 1634–1635Andries Jansz. van Middelburgenzes anderen.„Laat in den avond even vóór middernacht, werd door de geheele bemanning een laatst bezoek aan deze plaats gebracht, bij welke gelegenheid de kommandant in korte woorden het navolgende zeide:„Mannen! door het oprichten van dezen steen vervullen wij een wensch van de Nederlandsche natie, die hier op deze oude begraafplaats van reeds lang gestorven„Vaderlandsche zeelui,” een kennelijk huldeblijk wil plaatsen, ter herinnering aan de koene daden en den kloeken ondernemingsgeest onzer onverschrokken zeevaarders. Eeuwen heeft hun asch hier reeds gerust en als wij rond ons kijken, blijkt dat van vele dier graven nog slechts weinig is overgebleven, maar wat niet vergaan is en wat niet zal vergaan zoolang Hollands vlag nog fier op alle zeeën waait, dat is de achting en eerbied waarmede hun nakomelingen de herinnering in eere houden aan die mannen, die eeuwen geleden zooveel gedaan hebben voor de eer en welvaart van ’t geliefde Vaderland.”„Het was een vreemd schouwspel, die 14 gezonde, levenslustige zeelieden op die doodsche grafheuvel van lang gestorven, vaderlandsche zeelieden, daar op dat verre, vreemde strand, druk aan het werk te zien om een taak der liefde te vervullen, en ik kan je verzekeren, dat—zoo er ook al in Nederland personen bestaan die er mede spotten—er geen onder die 14 mannen was, die niet ernstig onder den indruk was van het werk dat verricht werd.„Onwillekeurig dacht ik aan je warm betoog, hoe uit die door ons geplaatstesteeneneenkrachtkan uitgaan, welke het volk opwekt, en hartelijk en innig hopende dat wij het samen zullen mogen beleven, dat die kracht het geliefde vaderland eenmaal tot zegen worden zal, blijf ik, vertrouwend op de toekomst, uw liefhebbende vriend, die u thans uit de Noordelijke IJszee den beloofden langen brief toezendt.”Indien wij nu deBarentsnog even vergezellen „in den mist” en „in het ijs,” dan krijgen we een duidelijk denkbeeld van den eersten tocht van dit roemrijk scheepje.1Het bevel over de expeditie was opgedragen aan den luitenant t/z. 1eklasse A. de Bruyne, wien als officieren waren toegevoegd de luitenants t/z. 2eklasse L. R. Koolemans Beynen en Jhr. H. M. Speelman, welke laatste de magnetische waarnemingen zou verrichten. Dr. Sluijter, die reeds in 1876 zoölogische onderzoekingen in de Noordzee hielp doen, maakte de reis als natuurkundige mede, terwijl Dr. P. J. Hymans van Anrooy, officier van gezondheid van het Indische leger, zich als geneesheer bij de expeditie aansloot. Van het belangelooze aanbod van een jeugdige Engelschman, den heer W. J. A. Grant, met wien Beynen op dePandoragediend had, een amateur-photograaf, die aangeboden had de reis vrijwillig mede te maken en alle photografische toestellen en benoodigdheden voor de expeditie mede te brengen en bij terugkomst alle clichés aan ’t comité af te staan, werd met ingenomenheid gebruik gemaakt. De bootsman B. Witteveen, de timmerman E. F. Vogelaar en de kok J. de Bruyn behoorden tot het personeel der Koninklijke Nederlandsche Marine en de rest derbemanning bestond uit twee matrozen van het loodswezen te Vlissingen, B. G. Baljé en J. Kamermans, uit twee visschers van Marken, J. Roos en A. de Waart, en een tonnenlegger uit ’t Nieuwediep, D. de Wit.↑2Hier en daar vul ik zijn brief aan met zijn verslag.↑
VII.VII.OP DE WILLEM BARENTS.
VII.
Men weet thans aan welk vaderlandslievend streven de beweging om naar het Noorden te gaan te danken is. Beynen was reeds een jaar lang met dat plan behebt geweest en had naar eene gelegenheid gezocht om er mede voor den dag te komen, toen de slotwoorden van de brochure van Jhr. Mr. J. K. J. de Jonge (op bladz.99medegedeeld) hem onder de oogen kwamen en deden besluiten eene poging te wagen om het Aardrijkskundig Genootschap te bewegen, een tocht naar het Noorden onder Nederlandsche vlag op het getouw te zetten. Hij hield daartoe, den 17den Febr. 1877, op een vergadering van het Aardrijkskundig Genootschap te ’s Hage een wetenschappelijke voordracht, doch het bestuur oordeelde dat—voor het genootschap althans—de tijd daartoe nog niet was aangebroken. Daarom beslotende heeren Jhr. Mr. J. K. J. de Jonge, O. baron van Wassenaer van Catwijck, J. D. Fransen van de Putte en de staatsraad M. H. Jansen hiertoe een poging aan te wenden. Reeds den volgenden dag, 18 Februari, deden ze een beroep op ons volk tot medewerking, en door Beynen opgewekt, brachten tal van sub-commissiën ƒ 45.000 bijeen om een schoener te bouwen en naar de IJszee te zenden. „Algemeen werd belangstelling getoond voor kloeke vaderlandsche zeetochten,” gelijk Beynen het uitdrukte. Jhr. Mr. M. J. Beelaerts van Blokland werd secretaris van het comité; de hoogleeraren Buys Ballot en P. J. Veth traden toe als lid en het plan werd gevormd om in den zomer van 1878 een eersten verkenningstocht naar de Noordelijke IJszee te ondernemen met een sterk zeilscheepje.„De grootste moeielijkheid, die men te overwinnen had om de IJszeevaart weder populair te maken,” schreef Beynen in een zijner verslagen, „bestond in de bijna algemeene onbekendheid met het ware doel en nut dier Noordsche tochten en ’t was dan ook duidelijk, dat, zoolang onbekendheid of verkeerde denkbeelden dienaangaande bestonden, men moeielijk instemming of sympathie kon verwachten of hoop behoefde te voeden dat de jarenlange onverschilligheid voor soortgelijke reizen op eenmaal vervangen zoude worden door eene warme ingenomenheid, die van alle kanten groote geldelijke bijdragen zou doen toevloeien, noodig om een geheel voor de IJsvaart geschikt stoomschip te doen uitrusten.„Dat er evenwel hier en daar warme sympathie bestond, was gelukkig te duidelijk om niet met gerustheid de toekomst te gemoet te doen zien, en juist om deze sympathie algemeener en van meer blijvenden aard te doen worden, toonden eenige leden der Vergaderingde wenschelijkheid aan, de voorkeur te geven aan een korten zomertocht tot proef en, zoo men hoopte, tot voorbereiding van volgende ondernemingen naar het hooge Noorden, die, werden zij onvoorbereid ondernomen, bij minder gunstigen afloop, den bij ons volk herboren lust tot stoute reizen wellicht weder voor goed vernietigen zou. Zij beweerden dat, wilden onderzoekingen van het Noordpoolbekken voor ons vaderland ooit weder van groot belang worden, wilde men daardoor werkelijk weder evenals vroeger de edelste eigenschappen van ons zeevolk ontwikkelen en zuiverend en versterkend op onzen nationalen volksgeest werken, de stappen in die richting geen uitvloeisel moesten zijn van het drijven van enkele personen, maar moesten voortkomen uit den wil des volks, dat er prijs op moest stellen de Nederlandsche zeelieden te zien deelnemen aan de wetenschappelijke onderzoekingen van schier alle zeevarende natiën op het gebied van den Oceaan en aan ontdekkingsreizen, waarvan zij zich te lang reeds onthouden hadden.”Nadat in het begin van November, op een vergadering door Sir Allen Young bijgewoond, een beslissing omtrent het uitzenden van deWillem Barentsgenomen was, werden de luitenant ter zee 1ste klasse A. de Bruyne—die tot kommandant verkozen was—en luitenant L. R. Koolemans Beynen overgeplaatst van de instructie-brik deZeehondnaarZr. Ms.Wachtschip te Amsterdam, om toezicht te houden op den aanbouw en de uitrusting van het schoenertje dat op de werf der heeren Meursing en Huygens gebouwd werd, en waaraan de mannen ’s avonds bij lamplicht werkten om het toch maar bij tijds gereed te krijgen.„Dank zij der bekwame leiding van den heer Huygens,” schreef Beynen, „werd zelfs aan de kleinste onderdeelen de meest mogelijke zorg gewijd, en toendan ook op den 6den April, ten aanschouwe van een groot aantal belangstellenden, deWillem Barentsvan stapel liep en onder een driewerf hoerah voor het eerst het water kliefde, werd algemeen door deskundigen erkend, dat het een voor zijn taak uitmuntend berekend scheepje beloofde te zijn. Een ander gunstig teeken was de toenemende belangstelling, die zich niet alleen uitte door het snel stijgen der vrijwillige bijdragen, door het inkomen van talrijke kostbare geschenken in natura, maar vooral door de vele personen, die van heinde en verre naar Amsterdam kwamen om het in aanbouw zijnde scheepje te bezichtigen. Bevaren zeevolk bood zich dagelijks aan om de reis mede te maken, waardoor een goede keuze kon gedaan worden, en zooveel mogelijk werden matrozen aangenomen, die veel op kleine scheepjes hadden gediend.” Met luitenant de Bruyne en luitenant Jhr. H. M. Speelman1—dieo.a.de magnetische waarnemingen zouverrichten—werkte Beynen den geheelen winter, om zich zooveel mogelijk te bekwamen voor de ijsvaart,o.a.door de dagboeken en kaarten der oude Nederl. zeevaarders te raadplegen.Bij het begin van het nieuwe jaar schreef hij mij: „Ik hoop dat alles goed zal gaan en ik de verwachtingen, welke kolonel Jansen van mij koestert, niet zal beschamen. Hij heeft zoo veel voor ons vaderland gedaan, en met jeugdige ijver en lust wijst hij ons nog den weg, dien wij te gaan hebben in het welbegrepen belang van koning en vaderland. Moge ik er iets toe bijdragen om het zeewezen terug te brengen op een pad, helaas! te lang verlaten, waarop het alleen die zelfde innerlijke kracht, denzelfden edelen geest, dezelfde heilige toewijding kan terug vinden, die ons vaderland eens zoo groot hebben gemaakt.”Kolonel Jansen stelde voor het comité de instructie, welke aan den commandant van deBarentswerd medegegeven voor dezen proeftocht. Hij zeide in de toelichting tot deze duidelijke, zaakkundige instructie o. a.:„Wil men het doel bereiken om de Barents-zee tot eene oefenschool voor onze zeelieden te maken, dan behoort men met kalme bedaardheid, gematigdheid en beleid de eerste schreden op het veld van onderzoek te zetten, op den eersten tocht zich binnen de grenzen van het gemakkelijk bereikbare te beperken en daarna, bij toenemende kennis en ervaring, jaar op jaar bij gunstige omstandigheden zich in een lastiger en moeielijker te bereiken gebied te begeven.„Wanneer een vaartuig jaarlijks in Mei uitzeilt en regelmatig in October binnenkomt, zal de overtuiging algemeen ingang vinden, dat met beleid, voorzichtigheid en zeemanschap de Barents-zee ook thans even als vroeger bevaren kan worden, zonder dat het met groote rampen gepaard gaat en dan eerst mag de hoop gevoed worden, dat die zee eene blijvende oefenschool voor onze zeelieden zal worden, waarvoor men steeds bereid zal zijn geld te geven.”Den 2den Mei 1878 schreef Beynen:„Onze dagen beginnen op te korten en deWillem Barentszal spoedig zee kiezen.„Ik beschouw dit als een hoogst ernstige, hoogst heilige zaak, en ik dank God voor den zegen dat ik tot de opvarenden mag behooren. DeWillem Barentsgaat naar het Noorden; naar de zeeën door onze voorvaderen vaak zoo stout en roemvol bevaren; naar het oefenveld van zoo vele uitstekende zeelieden. ’t Is een groot geluk voor ons allen, en met ernst, moed, berusting zie ik de toekomst te gemoet.”Zondagmiddag, 5 Mei, wierp deBarentsde trossen los van de rijkswerf te Amsterdam, en werd ze naar IJmuiden gesleept, en de roemrijke oude hoofdstad bracht haar zeelieden een indrukwekkenden afscheidsgroet.Nooit heb ik belangwekkender schouwspel gezien, dan het met schepen en booten bedekte IJ op dezen verrukkelijken Meidag aanbood.Men werd in een dankbare feestelijke stemming gebracht, als men die heerlijke geestdrift en belangstelling zag, en gevoelde, dat in honderden jonge harten nu wellicht het verlangen geboren werd, om later ook op zee te gaan varen en eveneens den roem van Neêrland’s vlag fier te handhaven. Toen we midden inhet IJ waren en terugblikten naar den halven cirkelboog der hoofdstad, konden wij eerst goed zien, dat half Amsterdam was uitgeloopen, om deWillem Barentsuitgeleide te doen en te begroeten.Op de hooge torens der stad daalden de vlaggen driemaal, om het Poolschip te salueeren; Amsterdam groette zijn zeevaarders en wenschte hun behouden reis, en driemalen daalde de standaard van deWillem Barentsom voor dien hoffelijken afscheidsgroet te danken.Op de duinen stonden honderden om het goede schip een vaarwel toe te wuiven. En met hen staarden duizende vaderlanders dien dag naar zee, en wenschten behouden reis aan het schip op die zeeën,Waar ’t vlottend schuim van vroeger kielen,(Het spoor van Neêrlands waterwielen)Het pad wijst naar het tooveroord.’t Woei een flinke bries uit het Oosten en met één rif in koersde het scheepje met een vijf mijls vaart om de Noord-west.In zijn uitvoerig verslag van deze reis heeft Beynen haar trouw en duidelijk beschreven.Mij schreef hij den 11den Juli uit de Noordelijke IJszee:„Er bestaat kans met een Zweedsch stoomschip eenige regelen naar het vaderland te verzenden, en ik gevoel behoefte daarvan in de eerste plaats gebruik te maken, om een oogenblik met je te gaan praten, opdat gij in het vaderland een der eersten zoudt zijn, die mocht vernemen dat tot op dezen dag deWillem Barentsgelukkig en voorspoedig de Noordelijke IJszee bevaren heeft en dat de geliefde driekleur 14 dagen lang stout en fier gewapperd heeft in de voorieder Nederlander zoo historierijke kustwateren van het gure barre Spitsbergen. De goede gelukster, welke de oude vlag zoo vaak op alle zeeën beschenen heeft, is ook zeer blijkbaar met ons geweest. Ge zult van kolonel Jansen een uitvoerige beschrijving ontvangen van ons wedervaren, maar een dingwilenmoetik u zeggen, en dat is hoe gelukkig wij allen aan boord van deWillem Barentszijn, en hoe voorspoedig tot dusverre zoowel het wetenschappelijk als het nautisch werk hier aan boord steeds is uitgevallen. Wij hebben moeielijke dagen gehad, maar met ware voldoening mag ieder er op terug zien.„Gehard en sterk als een pooltocht een mensch maakt, zijn wij vol veêrkrachtig verlangen om de moeielijkheden, welke ons in de Nova-Zembla-wateren wachten, te gaan opzoeken.„Wat stel ik er mij vaak een genoegen van voor om je al onze avonturen en wederwaardigheden, bij den huiselijken haard, rustig na den eten te zitten vertellen.„Het is werkelijkwaar, op mijn ruwe nachtwachten verbeeld ik mij meermalen weer de walsmuziek te hooren en je kinderen te zien dansen en springen, en die muziek van ’t huishouden van den vriend klinkt den zeeman in hoogst aangename harmonie met de hard doorslaande windvlagen. Telkens als ik de portretjes van uw kinderen ophaal en bekijk, denk ik aan dien gezelligen avond van den 3den Mei, toen ik te midden van al die verbazende drukte der laatste dagen voor het uitzeilen, nog eens zoo rustig en aangenaam met u ben geweest.„Wat was het verschil in het begin groot! Dat leven in Amsterdam met al zijn gemakken en genoegens, en toen op eens, tijdens donkere nachten, met vier man wachtvolk bij harden wind en stortregens denieuwe en nog zoo stijve zeilen reven. Toch zou ik beide levens niet willen ruilen! Als ik kiezen moest tusschen het altijd in Amsterdam zijn en het altijd blijven varen, dan koos ik zonder mij te bedenken het laatste. Het eenvoudige gezonde zeemansleven heeft zoo verbazend veel voor, vooral als men, zooals wij, aangenaam en gezellig onder elkander is. Ook onder de bemanning zijn goede stevige kerels, in de eerste plaats onze beide Marker visschers.„Mij komt het vaak voor of in hen nog dezelfde groote eigenschappen schuilen, welke ons zeevolk bezielden in de 17de eeuw. Bedaard, schrander, ijverig, eenvoudig, en daarbij geestig en gevat. Beiden zijn verbazend sterk, iets wat, zooals gij begrijpen kunt, nog al vaak te pas komt, en de jongste, die het nooit moede is te halen en te trekken, heeft dan ook om zijn gewilligheid en kracht den bijnaam gekregen van het „hand-stoomliertje.”„Wat staan zij verbaasd over alles wat zij hier zien. Verbeeld je bij voorbeeld hun verwondering, toen ik hen midden in het ijs op een eilandje bracht waar duizende ganzen, die daar hun broedplaats hadden, voor hunne voeten opvlogen, en wij in enkele minuten zoovele versche eieren verzamelden, als wij maar met eenige mogelijkheid bergen konden. Zakken, tasschen, zeelaarzen, alles werd met eieren volgepakt, en als iemand struikelde en viel, dan had men een „omelette au marin.”„Vooral ook met het plaatsen van den grafsteen op het oude verlaten kerkhof van Amsterdam-eiland waren de beide Markers zeer ingenomen, en ik moet trouwens zelf ook erkennen dat ik zelden zulk een ernstigen, aangenamen plicht vervuld heb. Het was slecht weer geweest en bijZeeuwschen-uitkijkhadden we onder den hoogen wal voor anker gelegen.Wat lag het scheepje dien nacht rustig in dat hoekje, achter al die hooge trotsche bergmassa’s! Buiten op zee hoorde men het loeien van den storm en het bekende geluid der harde windstooten en aan boord heerschte de grootste stilte, slechts afgebroken door den eentonigen zachten voetstap van den wachthebbenden matroos op het dik besneeuwde dek.„Honderden stormmeeuwen, den strijd op zee moede, hadden zich in eene dichte massa aan lij van het scheepje neêrgevleid, om in ’t vlakke water aldaar uit te rusten van de al te zware rukwinden daar buiten. Het sneeuwde onafgebroken, waardoor zelfs de steilste bergwanden met sneeuw werden bekleed en de geheele omgeving een heerlijk grootsch wintergezicht aanbood.„Toen het weer na een paar dagen beter werd, koersten wij naar Amsterdam-eiland.2„’t Was een heerlijke avond, en nog eenmaal deed de barre gure noordkust zich op haar vriendelijkst voor. Maar het leven en de bedrijvigheid van vroeger waren nu vervangen door het vroolijk geklapwiek der tallooze ijsduifjes, papegaaibekken en lommen, die aan ’t anders zoo gure natuurtooneel iets opgewekts en levendigs gaven.„Recht vooruit lagen het eiland Vogelenzang en „het eiland met de kloof,” waar Barents tijdens zijn derde reis het eerste land maakte en Spitsbergen Nieuwland doopte. Daar bezuiden lag „de Zeeuwsche Uitkijk,” waar die uit Middelburg en Veere reeds in 1617 hunne traankokerij oprichtten, toen de machtige Kamer van Amsterdam hun het verblijf op Amsterdam-eiland nog niet ontzegde.„Lang duurde dit heerlijk schouwspel niet, wantkort daarop wikkelde de geheele kust zich in haren grauwen avondnevel, die, zich tot ver op zee uitbreidend, het deWillem Barentsmoeielijk maakte haar weg naar Amsterdam-eiland te vervolgen. Als ’t ware geblinddoekt, koerste men, scherp uitkijk houdend en goed naar branding uitluisterend, benoorden het eiland Vogelzang om, passeerde den noordelijksten hoek er van op ongeveer 7 kabellengten en zeilde met een gereefde marszeilkoelte langs de Oostkust van Amsterdam-eiland de Hollandsche baai binnen.„Het woei zelfs zoo hard, dat vóór men ten anker kon komen, nog het voorschoenerzeil moest gestreken en 2 reven in ’t achterzeil gestoken worden, waarna deWillem Barents, in een zware bui, dicht bij de overblijfselen der oude traankokerijen van Smeerenburg weldra het anker liet vallen. Onbekend met het vaarwater, was deWillem Barentsten gevolge den harden wind bijna te ver de straat, die Amsterdam-eiland van het Deensche eiland scheidt, binnen geloopen, want nauwelijks waren de zeilen gestreken en lag het schip op den wind gezwaaid, of van alle kanten werden rondom ons klippen ontdekt, waarvan de grootste (waarop, volgens een oud Hollandsch kaartje, het schip deOliphanteens gezeten had) slechts enkele meters aan bakboord achteruit boven water uitstak.„Zoodra het schip veilig en wel ten anker lag, gingen de officieren en manschappen naar den wal om het oude Smeerenburg te bezoeken.„Wat waren er van die eenmaal zoo druk bezochte levendige plaats, weinig sporen meer overgebleven! Wat was die vlakte doodsch en verlaten, waar eens jaren lang zulk een vroolijk gewoel had geheerscht!„Had men zich voorgesteld, nog veel van het oudeSmeerenburg terug te vinden, dan zou de teleurstelling groot geweest zijn.„Voor ’t kale en verlaten strand lag alléén het Nederlandsch schoenertje ten anker en door sneeuwjacht en mist slechts gedeeltelijk zichtbaar, maakte de lage, vlakke kust, „omtrent een kleine musquetschoot breed,” een zeer doodschen indruk.„De achtergrond bestond uit hooge, donkere bergmassa’s waardoor het eentonig strand er nog vlakker en onbeduidender uitzag dan het inderdaad was.„De voormalige plaatsen der 7 Kamers (die van Amsterdam, Rotterdam, Middelburg, Vlissingen, Enkhuizen, Delft en Hoorn) waren evenwel nog goed te herkennen aan de overblijfselen der cirkelvormige muurtjes, waar de traanketels blijkbaar op gerust hadden.„Men stelle zich verder voor: een wit besneeuwde vlakte, waarvan alléén dicht aan den waterkant de sneeuw is ontdooid, en die smalle strook gronds bezaaid met gebroken roode dakpannen, Hollandsch puin, verbazend groote stukken walvischbeen, sloepriemen, half vergaan touw, en hier en daar enkele graven, dan heeft men een weinig aanlokkelijk, doch vrij juist begrip van wat er van die weleer zoo druk bezochte plaats is overgebleven.„Het kerkhof aan ’t noordelijk uiteinde van het strand was zoo mogelijk nog treuriger; de meeste kisten waren opengebroken, de grafkruisen omgewaaid en doodshoofden en beenderen lagen alom verspreid.„Niet zonder moeite vermocht men eenige grafkruisen te ontcijferen, waarop stond:Hier ligt begravenJan Fred. Meyrot vanPruysen, is in den Heer gerust, den 19denJuli op het schipEvenwicht, commandeurCornelis Dek, 1778.of:Hier leijt begravenUurjaen Klaesz Kromonvan Son…of:Hier leijt begravenHendrijk Selden vanGestack, is gestorven schipFrouw AnnaKommand.Derk Driewes, 1742.enz., enz.„De kisten werden met de halfvergane deksels weder dichtgetimmerd, de kruisen op nieuw opgericht en den volgenden dag, op het hoogste punt van den grafheuvel te midden der graven, een groote steenhoop gebouwd, waartegen met eenige helling de uit het vaderland meêgebrachte steen werd geplaatst, waarop te lezen stond:†In Memoriam.Spitsbergen of Nieu-landontdekttot 79° 30′ n. Breedtedoor de Hollanders.Hier overwinterden 1633–34Jacob Seegersz en zes anderen.Hier overwinterden en stierven 1634–1635Andries Jansz. van Middelburgenzes anderen.„Laat in den avond even vóór middernacht, werd door de geheele bemanning een laatst bezoek aan deze plaats gebracht, bij welke gelegenheid de kommandant in korte woorden het navolgende zeide:„Mannen! door het oprichten van dezen steen vervullen wij een wensch van de Nederlandsche natie, die hier op deze oude begraafplaats van reeds lang gestorven„Vaderlandsche zeelui,” een kennelijk huldeblijk wil plaatsen, ter herinnering aan de koene daden en den kloeken ondernemingsgeest onzer onverschrokken zeevaarders. Eeuwen heeft hun asch hier reeds gerust en als wij rond ons kijken, blijkt dat van vele dier graven nog slechts weinig is overgebleven, maar wat niet vergaan is en wat niet zal vergaan zoolang Hollands vlag nog fier op alle zeeën waait, dat is de achting en eerbied waarmede hun nakomelingen de herinnering in eere houden aan die mannen, die eeuwen geleden zooveel gedaan hebben voor de eer en welvaart van ’t geliefde Vaderland.”„Het was een vreemd schouwspel, die 14 gezonde, levenslustige zeelieden op die doodsche grafheuvel van lang gestorven, vaderlandsche zeelieden, daar op dat verre, vreemde strand, druk aan het werk te zien om een taak der liefde te vervullen, en ik kan je verzekeren, dat—zoo er ook al in Nederland personen bestaan die er mede spotten—er geen onder die 14 mannen was, die niet ernstig onder den indruk was van het werk dat verricht werd.„Onwillekeurig dacht ik aan je warm betoog, hoe uit die door ons geplaatstesteeneneenkrachtkan uitgaan, welke het volk opwekt, en hartelijk en innig hopende dat wij het samen zullen mogen beleven, dat die kracht het geliefde vaderland eenmaal tot zegen worden zal, blijf ik, vertrouwend op de toekomst, uw liefhebbende vriend, die u thans uit de Noordelijke IJszee den beloofden langen brief toezendt.”Indien wij nu deBarentsnog even vergezellen „in den mist” en „in het ijs,” dan krijgen we een duidelijk denkbeeld van den eersten tocht van dit roemrijk scheepje.
Men weet thans aan welk vaderlandslievend streven de beweging om naar het Noorden te gaan te danken is. Beynen was reeds een jaar lang met dat plan behebt geweest en had naar eene gelegenheid gezocht om er mede voor den dag te komen, toen de slotwoorden van de brochure van Jhr. Mr. J. K. J. de Jonge (op bladz.99medegedeeld) hem onder de oogen kwamen en deden besluiten eene poging te wagen om het Aardrijkskundig Genootschap te bewegen, een tocht naar het Noorden onder Nederlandsche vlag op het getouw te zetten. Hij hield daartoe, den 17den Febr. 1877, op een vergadering van het Aardrijkskundig Genootschap te ’s Hage een wetenschappelijke voordracht, doch het bestuur oordeelde dat—voor het genootschap althans—de tijd daartoe nog niet was aangebroken. Daarom beslotende heeren Jhr. Mr. J. K. J. de Jonge, O. baron van Wassenaer van Catwijck, J. D. Fransen van de Putte en de staatsraad M. H. Jansen hiertoe een poging aan te wenden. Reeds den volgenden dag, 18 Februari, deden ze een beroep op ons volk tot medewerking, en door Beynen opgewekt, brachten tal van sub-commissiën ƒ 45.000 bijeen om een schoener te bouwen en naar de IJszee te zenden. „Algemeen werd belangstelling getoond voor kloeke vaderlandsche zeetochten,” gelijk Beynen het uitdrukte. Jhr. Mr. M. J. Beelaerts van Blokland werd secretaris van het comité; de hoogleeraren Buys Ballot en P. J. Veth traden toe als lid en het plan werd gevormd om in den zomer van 1878 een eersten verkenningstocht naar de Noordelijke IJszee te ondernemen met een sterk zeilscheepje.
„De grootste moeielijkheid, die men te overwinnen had om de IJszeevaart weder populair te maken,” schreef Beynen in een zijner verslagen, „bestond in de bijna algemeene onbekendheid met het ware doel en nut dier Noordsche tochten en ’t was dan ook duidelijk, dat, zoolang onbekendheid of verkeerde denkbeelden dienaangaande bestonden, men moeielijk instemming of sympathie kon verwachten of hoop behoefde te voeden dat de jarenlange onverschilligheid voor soortgelijke reizen op eenmaal vervangen zoude worden door eene warme ingenomenheid, die van alle kanten groote geldelijke bijdragen zou doen toevloeien, noodig om een geheel voor de IJsvaart geschikt stoomschip te doen uitrusten.
„Dat er evenwel hier en daar warme sympathie bestond, was gelukkig te duidelijk om niet met gerustheid de toekomst te gemoet te doen zien, en juist om deze sympathie algemeener en van meer blijvenden aard te doen worden, toonden eenige leden der Vergaderingde wenschelijkheid aan, de voorkeur te geven aan een korten zomertocht tot proef en, zoo men hoopte, tot voorbereiding van volgende ondernemingen naar het hooge Noorden, die, werden zij onvoorbereid ondernomen, bij minder gunstigen afloop, den bij ons volk herboren lust tot stoute reizen wellicht weder voor goed vernietigen zou. Zij beweerden dat, wilden onderzoekingen van het Noordpoolbekken voor ons vaderland ooit weder van groot belang worden, wilde men daardoor werkelijk weder evenals vroeger de edelste eigenschappen van ons zeevolk ontwikkelen en zuiverend en versterkend op onzen nationalen volksgeest werken, de stappen in die richting geen uitvloeisel moesten zijn van het drijven van enkele personen, maar moesten voortkomen uit den wil des volks, dat er prijs op moest stellen de Nederlandsche zeelieden te zien deelnemen aan de wetenschappelijke onderzoekingen van schier alle zeevarende natiën op het gebied van den Oceaan en aan ontdekkingsreizen, waarvan zij zich te lang reeds onthouden hadden.”
Nadat in het begin van November, op een vergadering door Sir Allen Young bijgewoond, een beslissing omtrent het uitzenden van deWillem Barentsgenomen was, werden de luitenant ter zee 1ste klasse A. de Bruyne—die tot kommandant verkozen was—en luitenant L. R. Koolemans Beynen overgeplaatst van de instructie-brik deZeehondnaarZr. Ms.Wachtschip te Amsterdam, om toezicht te houden op den aanbouw en de uitrusting van het schoenertje dat op de werf der heeren Meursing en Huygens gebouwd werd, en waaraan de mannen ’s avonds bij lamplicht werkten om het toch maar bij tijds gereed te krijgen.
„Dank zij der bekwame leiding van den heer Huygens,” schreef Beynen, „werd zelfs aan de kleinste onderdeelen de meest mogelijke zorg gewijd, en toendan ook op den 6den April, ten aanschouwe van een groot aantal belangstellenden, deWillem Barentsvan stapel liep en onder een driewerf hoerah voor het eerst het water kliefde, werd algemeen door deskundigen erkend, dat het een voor zijn taak uitmuntend berekend scheepje beloofde te zijn. Een ander gunstig teeken was de toenemende belangstelling, die zich niet alleen uitte door het snel stijgen der vrijwillige bijdragen, door het inkomen van talrijke kostbare geschenken in natura, maar vooral door de vele personen, die van heinde en verre naar Amsterdam kwamen om het in aanbouw zijnde scheepje te bezichtigen. Bevaren zeevolk bood zich dagelijks aan om de reis mede te maken, waardoor een goede keuze kon gedaan worden, en zooveel mogelijk werden matrozen aangenomen, die veel op kleine scheepjes hadden gediend.” Met luitenant de Bruyne en luitenant Jhr. H. M. Speelman1—dieo.a.de magnetische waarnemingen zouverrichten—werkte Beynen den geheelen winter, om zich zooveel mogelijk te bekwamen voor de ijsvaart,o.a.door de dagboeken en kaarten der oude Nederl. zeevaarders te raadplegen.
Bij het begin van het nieuwe jaar schreef hij mij: „Ik hoop dat alles goed zal gaan en ik de verwachtingen, welke kolonel Jansen van mij koestert, niet zal beschamen. Hij heeft zoo veel voor ons vaderland gedaan, en met jeugdige ijver en lust wijst hij ons nog den weg, dien wij te gaan hebben in het welbegrepen belang van koning en vaderland. Moge ik er iets toe bijdragen om het zeewezen terug te brengen op een pad, helaas! te lang verlaten, waarop het alleen die zelfde innerlijke kracht, denzelfden edelen geest, dezelfde heilige toewijding kan terug vinden, die ons vaderland eens zoo groot hebben gemaakt.”
Kolonel Jansen stelde voor het comité de instructie, welke aan den commandant van deBarentswerd medegegeven voor dezen proeftocht. Hij zeide in de toelichting tot deze duidelijke, zaakkundige instructie o. a.:
„Wil men het doel bereiken om de Barents-zee tot eene oefenschool voor onze zeelieden te maken, dan behoort men met kalme bedaardheid, gematigdheid en beleid de eerste schreden op het veld van onderzoek te zetten, op den eersten tocht zich binnen de grenzen van het gemakkelijk bereikbare te beperken en daarna, bij toenemende kennis en ervaring, jaar op jaar bij gunstige omstandigheden zich in een lastiger en moeielijker te bereiken gebied te begeven.
„Wanneer een vaartuig jaarlijks in Mei uitzeilt en regelmatig in October binnenkomt, zal de overtuiging algemeen ingang vinden, dat met beleid, voorzichtigheid en zeemanschap de Barents-zee ook thans even als vroeger bevaren kan worden, zonder dat het met groote rampen gepaard gaat en dan eerst mag de hoop gevoed worden, dat die zee eene blijvende oefenschool voor onze zeelieden zal worden, waarvoor men steeds bereid zal zijn geld te geven.”
Den 2den Mei 1878 schreef Beynen:
„Onze dagen beginnen op te korten en deWillem Barentszal spoedig zee kiezen.
„Ik beschouw dit als een hoogst ernstige, hoogst heilige zaak, en ik dank God voor den zegen dat ik tot de opvarenden mag behooren. DeWillem Barentsgaat naar het Noorden; naar de zeeën door onze voorvaderen vaak zoo stout en roemvol bevaren; naar het oefenveld van zoo vele uitstekende zeelieden. ’t Is een groot geluk voor ons allen, en met ernst, moed, berusting zie ik de toekomst te gemoet.”
Zondagmiddag, 5 Mei, wierp deBarentsde trossen los van de rijkswerf te Amsterdam, en werd ze naar IJmuiden gesleept, en de roemrijke oude hoofdstad bracht haar zeelieden een indrukwekkenden afscheidsgroet.
Nooit heb ik belangwekkender schouwspel gezien, dan het met schepen en booten bedekte IJ op dezen verrukkelijken Meidag aanbood.
Men werd in een dankbare feestelijke stemming gebracht, als men die heerlijke geestdrift en belangstelling zag, en gevoelde, dat in honderden jonge harten nu wellicht het verlangen geboren werd, om later ook op zee te gaan varen en eveneens den roem van Neêrland’s vlag fier te handhaven. Toen we midden inhet IJ waren en terugblikten naar den halven cirkelboog der hoofdstad, konden wij eerst goed zien, dat half Amsterdam was uitgeloopen, om deWillem Barentsuitgeleide te doen en te begroeten.
Op de hooge torens der stad daalden de vlaggen driemaal, om het Poolschip te salueeren; Amsterdam groette zijn zeevaarders en wenschte hun behouden reis, en driemalen daalde de standaard van deWillem Barentsom voor dien hoffelijken afscheidsgroet te danken.
Op de duinen stonden honderden om het goede schip een vaarwel toe te wuiven. En met hen staarden duizende vaderlanders dien dag naar zee, en wenschten behouden reis aan het schip op die zeeën,
Waar ’t vlottend schuim van vroeger kielen,(Het spoor van Neêrlands waterwielen)Het pad wijst naar het tooveroord.
Waar ’t vlottend schuim van vroeger kielen,
(Het spoor van Neêrlands waterwielen)
Het pad wijst naar het tooveroord.
’t Woei een flinke bries uit het Oosten en met één rif in koersde het scheepje met een vijf mijls vaart om de Noord-west.
In zijn uitvoerig verslag van deze reis heeft Beynen haar trouw en duidelijk beschreven.
Mij schreef hij den 11den Juli uit de Noordelijke IJszee:
„Er bestaat kans met een Zweedsch stoomschip eenige regelen naar het vaderland te verzenden, en ik gevoel behoefte daarvan in de eerste plaats gebruik te maken, om een oogenblik met je te gaan praten, opdat gij in het vaderland een der eersten zoudt zijn, die mocht vernemen dat tot op dezen dag deWillem Barentsgelukkig en voorspoedig de Noordelijke IJszee bevaren heeft en dat de geliefde driekleur 14 dagen lang stout en fier gewapperd heeft in de voorieder Nederlander zoo historierijke kustwateren van het gure barre Spitsbergen. De goede gelukster, welke de oude vlag zoo vaak op alle zeeën beschenen heeft, is ook zeer blijkbaar met ons geweest. Ge zult van kolonel Jansen een uitvoerige beschrijving ontvangen van ons wedervaren, maar een dingwilenmoetik u zeggen, en dat is hoe gelukkig wij allen aan boord van deWillem Barentszijn, en hoe voorspoedig tot dusverre zoowel het wetenschappelijk als het nautisch werk hier aan boord steeds is uitgevallen. Wij hebben moeielijke dagen gehad, maar met ware voldoening mag ieder er op terug zien.
„Gehard en sterk als een pooltocht een mensch maakt, zijn wij vol veêrkrachtig verlangen om de moeielijkheden, welke ons in de Nova-Zembla-wateren wachten, te gaan opzoeken.
„Wat stel ik er mij vaak een genoegen van voor om je al onze avonturen en wederwaardigheden, bij den huiselijken haard, rustig na den eten te zitten vertellen.
„Het is werkelijkwaar, op mijn ruwe nachtwachten verbeeld ik mij meermalen weer de walsmuziek te hooren en je kinderen te zien dansen en springen, en die muziek van ’t huishouden van den vriend klinkt den zeeman in hoogst aangename harmonie met de hard doorslaande windvlagen. Telkens als ik de portretjes van uw kinderen ophaal en bekijk, denk ik aan dien gezelligen avond van den 3den Mei, toen ik te midden van al die verbazende drukte der laatste dagen voor het uitzeilen, nog eens zoo rustig en aangenaam met u ben geweest.
„Wat was het verschil in het begin groot! Dat leven in Amsterdam met al zijn gemakken en genoegens, en toen op eens, tijdens donkere nachten, met vier man wachtvolk bij harden wind en stortregens denieuwe en nog zoo stijve zeilen reven. Toch zou ik beide levens niet willen ruilen! Als ik kiezen moest tusschen het altijd in Amsterdam zijn en het altijd blijven varen, dan koos ik zonder mij te bedenken het laatste. Het eenvoudige gezonde zeemansleven heeft zoo verbazend veel voor, vooral als men, zooals wij, aangenaam en gezellig onder elkander is. Ook onder de bemanning zijn goede stevige kerels, in de eerste plaats onze beide Marker visschers.
„Mij komt het vaak voor of in hen nog dezelfde groote eigenschappen schuilen, welke ons zeevolk bezielden in de 17de eeuw. Bedaard, schrander, ijverig, eenvoudig, en daarbij geestig en gevat. Beiden zijn verbazend sterk, iets wat, zooals gij begrijpen kunt, nog al vaak te pas komt, en de jongste, die het nooit moede is te halen en te trekken, heeft dan ook om zijn gewilligheid en kracht den bijnaam gekregen van het „hand-stoomliertje.”
„Wat staan zij verbaasd over alles wat zij hier zien. Verbeeld je bij voorbeeld hun verwondering, toen ik hen midden in het ijs op een eilandje bracht waar duizende ganzen, die daar hun broedplaats hadden, voor hunne voeten opvlogen, en wij in enkele minuten zoovele versche eieren verzamelden, als wij maar met eenige mogelijkheid bergen konden. Zakken, tasschen, zeelaarzen, alles werd met eieren volgepakt, en als iemand struikelde en viel, dan had men een „omelette au marin.”
„Vooral ook met het plaatsen van den grafsteen op het oude verlaten kerkhof van Amsterdam-eiland waren de beide Markers zeer ingenomen, en ik moet trouwens zelf ook erkennen dat ik zelden zulk een ernstigen, aangenamen plicht vervuld heb. Het was slecht weer geweest en bijZeeuwschen-uitkijkhadden we onder den hoogen wal voor anker gelegen.Wat lag het scheepje dien nacht rustig in dat hoekje, achter al die hooge trotsche bergmassa’s! Buiten op zee hoorde men het loeien van den storm en het bekende geluid der harde windstooten en aan boord heerschte de grootste stilte, slechts afgebroken door den eentonigen zachten voetstap van den wachthebbenden matroos op het dik besneeuwde dek.
„Honderden stormmeeuwen, den strijd op zee moede, hadden zich in eene dichte massa aan lij van het scheepje neêrgevleid, om in ’t vlakke water aldaar uit te rusten van de al te zware rukwinden daar buiten. Het sneeuwde onafgebroken, waardoor zelfs de steilste bergwanden met sneeuw werden bekleed en de geheele omgeving een heerlijk grootsch wintergezicht aanbood.
„Toen het weer na een paar dagen beter werd, koersten wij naar Amsterdam-eiland.2
„’t Was een heerlijke avond, en nog eenmaal deed de barre gure noordkust zich op haar vriendelijkst voor. Maar het leven en de bedrijvigheid van vroeger waren nu vervangen door het vroolijk geklapwiek der tallooze ijsduifjes, papegaaibekken en lommen, die aan ’t anders zoo gure natuurtooneel iets opgewekts en levendigs gaven.
„Recht vooruit lagen het eiland Vogelenzang en „het eiland met de kloof,” waar Barents tijdens zijn derde reis het eerste land maakte en Spitsbergen Nieuwland doopte. Daar bezuiden lag „de Zeeuwsche Uitkijk,” waar die uit Middelburg en Veere reeds in 1617 hunne traankokerij oprichtten, toen de machtige Kamer van Amsterdam hun het verblijf op Amsterdam-eiland nog niet ontzegde.
„Lang duurde dit heerlijk schouwspel niet, wantkort daarop wikkelde de geheele kust zich in haren grauwen avondnevel, die, zich tot ver op zee uitbreidend, het deWillem Barentsmoeielijk maakte haar weg naar Amsterdam-eiland te vervolgen. Als ’t ware geblinddoekt, koerste men, scherp uitkijk houdend en goed naar branding uitluisterend, benoorden het eiland Vogelzang om, passeerde den noordelijksten hoek er van op ongeveer 7 kabellengten en zeilde met een gereefde marszeilkoelte langs de Oostkust van Amsterdam-eiland de Hollandsche baai binnen.
„Het woei zelfs zoo hard, dat vóór men ten anker kon komen, nog het voorschoenerzeil moest gestreken en 2 reven in ’t achterzeil gestoken worden, waarna deWillem Barents, in een zware bui, dicht bij de overblijfselen der oude traankokerijen van Smeerenburg weldra het anker liet vallen. Onbekend met het vaarwater, was deWillem Barentsten gevolge den harden wind bijna te ver de straat, die Amsterdam-eiland van het Deensche eiland scheidt, binnen geloopen, want nauwelijks waren de zeilen gestreken en lag het schip op den wind gezwaaid, of van alle kanten werden rondom ons klippen ontdekt, waarvan de grootste (waarop, volgens een oud Hollandsch kaartje, het schip deOliphanteens gezeten had) slechts enkele meters aan bakboord achteruit boven water uitstak.
„Zoodra het schip veilig en wel ten anker lag, gingen de officieren en manschappen naar den wal om het oude Smeerenburg te bezoeken.
„Wat waren er van die eenmaal zoo druk bezochte levendige plaats, weinig sporen meer overgebleven! Wat was die vlakte doodsch en verlaten, waar eens jaren lang zulk een vroolijk gewoel had geheerscht!
„Had men zich voorgesteld, nog veel van het oudeSmeerenburg terug te vinden, dan zou de teleurstelling groot geweest zijn.
„Voor ’t kale en verlaten strand lag alléén het Nederlandsch schoenertje ten anker en door sneeuwjacht en mist slechts gedeeltelijk zichtbaar, maakte de lage, vlakke kust, „omtrent een kleine musquetschoot breed,” een zeer doodschen indruk.
„De achtergrond bestond uit hooge, donkere bergmassa’s waardoor het eentonig strand er nog vlakker en onbeduidender uitzag dan het inderdaad was.
„De voormalige plaatsen der 7 Kamers (die van Amsterdam, Rotterdam, Middelburg, Vlissingen, Enkhuizen, Delft en Hoorn) waren evenwel nog goed te herkennen aan de overblijfselen der cirkelvormige muurtjes, waar de traanketels blijkbaar op gerust hadden.
„Men stelle zich verder voor: een wit besneeuwde vlakte, waarvan alléén dicht aan den waterkant de sneeuw is ontdooid, en die smalle strook gronds bezaaid met gebroken roode dakpannen, Hollandsch puin, verbazend groote stukken walvischbeen, sloepriemen, half vergaan touw, en hier en daar enkele graven, dan heeft men een weinig aanlokkelijk, doch vrij juist begrip van wat er van die weleer zoo druk bezochte plaats is overgebleven.
„Het kerkhof aan ’t noordelijk uiteinde van het strand was zoo mogelijk nog treuriger; de meeste kisten waren opengebroken, de grafkruisen omgewaaid en doodshoofden en beenderen lagen alom verspreid.
„Niet zonder moeite vermocht men eenige grafkruisen te ontcijferen, waarop stond:
Hier ligt begravenJan Fred. Meyrot vanPruysen, is in den Heer gerust, den 19denJuli op het schipEvenwicht, commandeurCornelis Dek, 1778.
Hier ligt begravenJan Fred. Meyrot vanPruysen, is in den Heer gerust, den 19denJuli op het schipEvenwicht, commandeurCornelis Dek, 1778.
of:
Hier leijt begravenUurjaen Klaesz Kromonvan Son…
Hier leijt begravenUurjaen Klaesz Kromonvan Son…
of:
Hier leijt begravenHendrijk Selden vanGestack, is gestorven schipFrouw AnnaKommand.Derk Driewes, 1742.enz., enz.
Hier leijt begravenHendrijk Selden vanGestack, is gestorven schipFrouw AnnaKommand.Derk Driewes, 1742.enz., enz.
„De kisten werden met de halfvergane deksels weder dichtgetimmerd, de kruisen op nieuw opgericht en den volgenden dag, op het hoogste punt van den grafheuvel te midden der graven, een groote steenhoop gebouwd, waartegen met eenige helling de uit het vaderland meêgebrachte steen werd geplaatst, waarop te lezen stond:
†In Memoriam.Spitsbergen of Nieu-landontdekttot 79° 30′ n. Breedtedoor de Hollanders.Hier overwinterden 1633–34Jacob Seegersz en zes anderen.Hier overwinterden en stierven 1634–1635Andries Jansz. van Middelburgenzes anderen.
†
In Memoriam.Spitsbergen of Nieu-landontdekttot 79° 30′ n. Breedtedoor de Hollanders.Hier overwinterden 1633–34Jacob Seegersz en zes anderen.Hier overwinterden en stierven 1634–1635Andries Jansz. van Middelburgenzes anderen.
„Laat in den avond even vóór middernacht, werd door de geheele bemanning een laatst bezoek aan deze plaats gebracht, bij welke gelegenheid de kommandant in korte woorden het navolgende zeide:
„Mannen! door het oprichten van dezen steen vervullen wij een wensch van de Nederlandsche natie, die hier op deze oude begraafplaats van reeds lang gestorven„Vaderlandsche zeelui,” een kennelijk huldeblijk wil plaatsen, ter herinnering aan de koene daden en den kloeken ondernemingsgeest onzer onverschrokken zeevaarders. Eeuwen heeft hun asch hier reeds gerust en als wij rond ons kijken, blijkt dat van vele dier graven nog slechts weinig is overgebleven, maar wat niet vergaan is en wat niet zal vergaan zoolang Hollands vlag nog fier op alle zeeën waait, dat is de achting en eerbied waarmede hun nakomelingen de herinnering in eere houden aan die mannen, die eeuwen geleden zooveel gedaan hebben voor de eer en welvaart van ’t geliefde Vaderland.”
„Het was een vreemd schouwspel, die 14 gezonde, levenslustige zeelieden op die doodsche grafheuvel van lang gestorven, vaderlandsche zeelieden, daar op dat verre, vreemde strand, druk aan het werk te zien om een taak der liefde te vervullen, en ik kan je verzekeren, dat—zoo er ook al in Nederland personen bestaan die er mede spotten—er geen onder die 14 mannen was, die niet ernstig onder den indruk was van het werk dat verricht werd.
„Onwillekeurig dacht ik aan je warm betoog, hoe uit die door ons geplaatstesteeneneenkrachtkan uitgaan, welke het volk opwekt, en hartelijk en innig hopende dat wij het samen zullen mogen beleven, dat die kracht het geliefde vaderland eenmaal tot zegen worden zal, blijf ik, vertrouwend op de toekomst, uw liefhebbende vriend, die u thans uit de Noordelijke IJszee den beloofden langen brief toezendt.”
Indien wij nu deBarentsnog even vergezellen „in den mist” en „in het ijs,” dan krijgen we een duidelijk denkbeeld van den eersten tocht van dit roemrijk scheepje.
1Het bevel over de expeditie was opgedragen aan den luitenant t/z. 1eklasse A. de Bruyne, wien als officieren waren toegevoegd de luitenants t/z. 2eklasse L. R. Koolemans Beynen en Jhr. H. M. Speelman, welke laatste de magnetische waarnemingen zou verrichten. Dr. Sluijter, die reeds in 1876 zoölogische onderzoekingen in de Noordzee hielp doen, maakte de reis als natuurkundige mede, terwijl Dr. P. J. Hymans van Anrooy, officier van gezondheid van het Indische leger, zich als geneesheer bij de expeditie aansloot. Van het belangelooze aanbod van een jeugdige Engelschman, den heer W. J. A. Grant, met wien Beynen op dePandoragediend had, een amateur-photograaf, die aangeboden had de reis vrijwillig mede te maken en alle photografische toestellen en benoodigdheden voor de expeditie mede te brengen en bij terugkomst alle clichés aan ’t comité af te staan, werd met ingenomenheid gebruik gemaakt. De bootsman B. Witteveen, de timmerman E. F. Vogelaar en de kok J. de Bruyn behoorden tot het personeel der Koninklijke Nederlandsche Marine en de rest derbemanning bestond uit twee matrozen van het loodswezen te Vlissingen, B. G. Baljé en J. Kamermans, uit twee visschers van Marken, J. Roos en A. de Waart, en een tonnenlegger uit ’t Nieuwediep, D. de Wit.↑2Hier en daar vul ik zijn brief aan met zijn verslag.↑
1Het bevel over de expeditie was opgedragen aan den luitenant t/z. 1eklasse A. de Bruyne, wien als officieren waren toegevoegd de luitenants t/z. 2eklasse L. R. Koolemans Beynen en Jhr. H. M. Speelman, welke laatste de magnetische waarnemingen zou verrichten. Dr. Sluijter, die reeds in 1876 zoölogische onderzoekingen in de Noordzee hielp doen, maakte de reis als natuurkundige mede, terwijl Dr. P. J. Hymans van Anrooy, officier van gezondheid van het Indische leger, zich als geneesheer bij de expeditie aansloot. Van het belangelooze aanbod van een jeugdige Engelschman, den heer W. J. A. Grant, met wien Beynen op dePandoragediend had, een amateur-photograaf, die aangeboden had de reis vrijwillig mede te maken en alle photografische toestellen en benoodigdheden voor de expeditie mede te brengen en bij terugkomst alle clichés aan ’t comité af te staan, werd met ingenomenheid gebruik gemaakt. De bootsman B. Witteveen, de timmerman E. F. Vogelaar en de kok J. de Bruyn behoorden tot het personeel der Koninklijke Nederlandsche Marine en de rest derbemanning bestond uit twee matrozen van het loodswezen te Vlissingen, B. G. Baljé en J. Kamermans, uit twee visschers van Marken, J. Roos en A. de Waart, en een tonnenlegger uit ’t Nieuwediep, D. de Wit.↑2Hier en daar vul ik zijn brief aan met zijn verslag.↑
1Het bevel over de expeditie was opgedragen aan den luitenant t/z. 1eklasse A. de Bruyne, wien als officieren waren toegevoegd de luitenants t/z. 2eklasse L. R. Koolemans Beynen en Jhr. H. M. Speelman, welke laatste de magnetische waarnemingen zou verrichten. Dr. Sluijter, die reeds in 1876 zoölogische onderzoekingen in de Noordzee hielp doen, maakte de reis als natuurkundige mede, terwijl Dr. P. J. Hymans van Anrooy, officier van gezondheid van het Indische leger, zich als geneesheer bij de expeditie aansloot. Van het belangelooze aanbod van een jeugdige Engelschman, den heer W. J. A. Grant, met wien Beynen op dePandoragediend had, een amateur-photograaf, die aangeboden had de reis vrijwillig mede te maken en alle photografische toestellen en benoodigdheden voor de expeditie mede te brengen en bij terugkomst alle clichés aan ’t comité af te staan, werd met ingenomenheid gebruik gemaakt. De bootsman B. Witteveen, de timmerman E. F. Vogelaar en de kok J. de Bruyn behoorden tot het personeel der Koninklijke Nederlandsche Marine en de rest derbemanning bestond uit twee matrozen van het loodswezen te Vlissingen, B. G. Baljé en J. Kamermans, uit twee visschers van Marken, J. Roos en A. de Waart, en een tonnenlegger uit ’t Nieuwediep, D. de Wit.↑
2Hier en daar vul ik zijn brief aan met zijn verslag.↑