XI.

XI.XI.IN ’T OOSTIJS.„Het hierbovenstaande schetst eene wacht in het ijs aan boord van deWillem Barents, van de aangenaamste soort,” zeide Beynen.„Lastiger zoude het zijn, de gewaarwordingen terug te geven die ons bezielden, gedurende de oogenblikken dat deWillem Barentszich niet dan met groote moeite door de bij harden wind opgestuwde ijsmassa’s voortbewoog en het wit besneeuwde schoenertje te vergeefs naar een uitweg scheen te zullen zoeken.” Uit zijn verslag kent men den gevaarlijken toestand waarin het schip toen verkeerde.„Alles was goed gegaan,” schreef hij, „tot 6 uur, toen de nevel zeer onverwacht optrok en het uit het kraaiennest bleek, dat deWillem Barentsrondom in zwaar ijs zat. In het Oosten hing een scherporanjekleurige ijsgloed en van Oost tot Zuid tot Z. Z. W. zag men duidelijk een zwaar „pack” zonder een enkele opening. Alleen in ’t N. O., Z. W. en Westen hingen donkere waterluchten, maar in het Noorden was ook veel en zwaar ijs. Het is duidelijk dat het gezicht hiervan ieder zeer onaangenaam verraste, maar daar er gehandeld moest worden, werd bijgedraaid en met alle aandacht met den langen kijker het ijs in alle richtingen nauwkeurig opgenomen, waarop de kommandant besloot te trachten in eene oostelijke richting loef te houden, hopende dat de wind zou noordelijken en het schip zoodoende de gelegenheid geven om den zoom van dit ijs om de Z. O. door te breken. Dit in eene Z. W. richting te beproeven, scheen minder raadzaam, daar men ondervonden had dat het ijs om de West dichter lag en zwaarder was dan het ijs om de Oost, terwijl de oostenwind bovendien steeds meer ijs om de West dreef, zoodat het dáár moest opstoppen en het schip, in die richting koersend, dus als ’t ware met groote vaart in een val liep, waar het later misschien moeielijk uit zou kunnen komen. Daarom besloot de kommandant te beproeven in eene oostelijke richting loef te houden en dus om de Oost te blijven opwerken. De omstandigheid dat in dit gedeelte der Barents-Zee de generale strooming van het ijs om de Z. W. loopt, wijst dan ook op een Z. oostelijken koers om er uit te komen. Dit was echter gemakkelijker gezegd dan gedaan. Het wak, waarin deWillem Barentszich nu bevond, lag vol verspreide schotsen, waarvoor men telkens moest afhouden en dus loef prijs geven. Daarenboven nam het wak snel in omvang af, zoodat weldra om de drie minuten moest gewend worden, wilde het schip nog de eenige opening bereiken, die uitgang naar meer water beloofde, en zelfs dit bleek weldra onmogelijk te zijn. Telkens door schotsen belemmerd, konhet scheepje geen oogenblik vaart schieten. Niettegenstaande hetneêrhalender stagzeilen voor iedere wending en het afduwen tegen ijs met alle krachtsinspanning van het vier man tellende wachtvolk, weigerde toch nagenoeg iedere wending. Blijkbaar ging dit werk de krachten van het moedig scheepsvolk te boven en steeds meer en meer raakte het scheepje in het net van schollen en ijshoogten verward. ’t Mocht al een kwartier langer of korter duren, men moest eindigen met door het ijs ingesloten te worden. Het kon niet missen dat dit zou gebeuren, als ten minste de wind zoo staan bleef.„Ook werd de ijsblink in het O. en Z. O. steeds meer helder, terwijl daarentegen de lucht in het Z. W. er steeds gunstiger uit ging zien. Inderdaad, zoo op het oog te oordeelen, zou men niet zeggen dat het ijs zich aldaar meer en meer ophoopte, zooals men aanvankelijk vreesde. Er hingen veelbelovende waterluchten, ja over het meest verwijderde ijs was met den kijker zelfs onmiskenbaar water te zien en toen de mogelijkheid zich eenmaal aan den kommandant opdrong, dat de sterk doorstaande wind wellicht aan lij eene opening zou breken, waardoor het schip voor den wind er waarschijnlijk met groote snelheid uit kon loopen, werd met vernieuwden moed aan dit denkbeeld vastgehouden en besloot de kommandant dadelijk dien weg te beproeven.„Den geheelen voormiddag drong deWillem Barents, met den breefok bij, nagenoeg vóór den wind om de Z. W. Van top beloofde die richting ’t meeste water en in het kraaiennest werd scherp uitgekeken om, die richting volgend, van ’t eene wak in ’t andere door te dringen. Lt. Speelman, die de wacht had, stond in de ton het schip te besturen. Ook nu had men vele voor- en tegenspoeden. Nu eens scheen ermeer en meer water te komen, dan weder bleef men stilzwijgend overal op ijs staren. Te 11 uur begon het te sneeuwen en toen te 12 uur de zon weder eens doorkwam, bleek het dat aan verder doordringen niet meer te denken viel. DeWillem Barentsbevond zich in het midden van een door zeer zwaar ijs gevormde baai, waarvan de naar het Oosten gekeerde opening meer en meer door het ijs, dat om de West dreef, werd opgestopt. Alleen in het Zuiden liepen wakken en lanen in het „pack” een heel eind om de Zuid, maar daar zij, van top te zien, niet naar open water voerden, was het dus volgens een der eerste stelregels der ijsvaart (never enter promising leads or lanes in the pack without seeing open water beyond) niet raadzaam in die richting zich met het schip in den onafzienbaren ijsdam te wagen.„Gelukkig noordelijkte de wind meer en meer, waarop de kommandant besloot af te wachten tot hij bewesten het Noorden was geloopen, om dan langs denzelfden weg, dien hij gekomen was, te beproeven door het ijs terug te keeren en weder Oost te maken. In afwachting daarvan zou met het schip op en neer worden gehouden, wat wel is waar vermoeiend voor de bemanning was, doch het ongerust worden bij het scheepsvolk zou beletten (keep your ship moving as long as possible).„Zoo hield men op den achtermiddag het schip vlot in een groot door ijs gevormd wak, waarin het aan de loefzijde op en neer hield, telkens voor losdrijvende schotsen afhoudende. Bij toenemenden wind werd een rif in de beide schoenerzeilen gestoken. Te 4 uur kreeg de kommandant de wacht en nam zijn plaats boven in de ton weder in. De wind, die N. t. W. was, wakkerde sterk aan, en zoodra die in eene oostelijke richting in het ijs eene opening brak, drong de kapitein er met hetschip dadelijk in door en had, toen hij de wacht aan luitenant Speelman overgaf, reeds twee mijlen Oost gemaakt. Reeds te half tien ’s avonds was het duidelijk dat het schip uit het zware westelijk ijs in het lichtere oostelijke ijs was gekomen en begon Speelman dan ook weder te gelijk O. en Z. te maken, en bij het doorkomen van enkele zware buien uit ’t N. N. W. vloog deWillem Barentsweldra den zuidelijken ijsrand te gemoet. Voortgezweept door een zwaren storm uit ’t N. N. W. laveerde ons schip bij dikke sneeuwjacht door zeer verspreid drijfijs heen, en te 8 uur ’s morgens had de kommandant het laatste ijs achter zich gelaten.„We hadden het moeielijk genoeg gehad.„De krachtig doorkomende windstooten schoven het ijs steeds dichter en dichter inéén, totdat het ten laatste zoo goed als onmogelijk scheen ooit weder het open water te zullen bereiken.„Onze flinke kommandant de Bruyne kwam in die dagen maar zelden omlaag; eene aanhoudende dikke mist maakte de onzekerheid nog grooter, en naarmate de bemanning meer uitgeput geraakte, moest de vertrouwen inboezemende bedaardheid van den gezagvoerder toenemen, hoe afgemat, uitgeput en hopeloos hij zich zelf ook gevoelde.„Rustige kalmte en bedaarde doortasting waren alléén bij machte een zoo gemakkelijk te beganen misslag te voorkomen en schip en bemanning weder veilig in de open zee terug te brengen.„Dagen van spanning, vol zorgen en toewijding, vol moed en geloof, welk een heerlijken indruk hebt gij in ons gemoed achtergelaten!„Nimmer zal de herinnering aan die dagen bij ons worden uitgewischt, en innig hopen wij dat Neerlands driekleur nog meermalen fier zal ontplooid worden ooklangs die kusten en stranden door onze voorvaderen ontdekt.„De reis derWillem Barentswas een eerste welgeslaagde schrede op een van ouds door Nederlandsche zeelieden roemvol betreden pad.„Moge zij door velen gevolgd worden!„Reeds nu heeft deze bescheiden poging om den roemvollen naam van ons zeevolk niet te doen tanen, overal in den vreemde gunstig gewerkt; met belangstelling werden de verrichtingen gevolgd en met ingenomenheid werd de uitslag vernomen.„Op nieuw bieden zich officieren en matrozen aan om hunne beste krachten te wijden aan de eer en de belangen van het Nederlandsche zeewezen. Moge het vaderlandsche publiek door een ruime geldelijke bijdrage toonen, dat het dit waardeert en op prijs stelt.„Geen groote ontdekkingen, geen groote poolexpeditiën, maar een met volharding voortgezet wetenschappelijk onderzoek van de zee, die den naam draagt van een onzer grootste zeevaarders.”

XI.XI.IN ’T OOSTIJS.„Het hierbovenstaande schetst eene wacht in het ijs aan boord van deWillem Barents, van de aangenaamste soort,” zeide Beynen.„Lastiger zoude het zijn, de gewaarwordingen terug te geven die ons bezielden, gedurende de oogenblikken dat deWillem Barentszich niet dan met groote moeite door de bij harden wind opgestuwde ijsmassa’s voortbewoog en het wit besneeuwde schoenertje te vergeefs naar een uitweg scheen te zullen zoeken.” Uit zijn verslag kent men den gevaarlijken toestand waarin het schip toen verkeerde.„Alles was goed gegaan,” schreef hij, „tot 6 uur, toen de nevel zeer onverwacht optrok en het uit het kraaiennest bleek, dat deWillem Barentsrondom in zwaar ijs zat. In het Oosten hing een scherporanjekleurige ijsgloed en van Oost tot Zuid tot Z. Z. W. zag men duidelijk een zwaar „pack” zonder een enkele opening. Alleen in ’t N. O., Z. W. en Westen hingen donkere waterluchten, maar in het Noorden was ook veel en zwaar ijs. Het is duidelijk dat het gezicht hiervan ieder zeer onaangenaam verraste, maar daar er gehandeld moest worden, werd bijgedraaid en met alle aandacht met den langen kijker het ijs in alle richtingen nauwkeurig opgenomen, waarop de kommandant besloot te trachten in eene oostelijke richting loef te houden, hopende dat de wind zou noordelijken en het schip zoodoende de gelegenheid geven om den zoom van dit ijs om de Z. O. door te breken. Dit in eene Z. W. richting te beproeven, scheen minder raadzaam, daar men ondervonden had dat het ijs om de West dichter lag en zwaarder was dan het ijs om de Oost, terwijl de oostenwind bovendien steeds meer ijs om de West dreef, zoodat het dáár moest opstoppen en het schip, in die richting koersend, dus als ’t ware met groote vaart in een val liep, waar het later misschien moeielijk uit zou kunnen komen. Daarom besloot de kommandant te beproeven in eene oostelijke richting loef te houden en dus om de Oost te blijven opwerken. De omstandigheid dat in dit gedeelte der Barents-Zee de generale strooming van het ijs om de Z. W. loopt, wijst dan ook op een Z. oostelijken koers om er uit te komen. Dit was echter gemakkelijker gezegd dan gedaan. Het wak, waarin deWillem Barentszich nu bevond, lag vol verspreide schotsen, waarvoor men telkens moest afhouden en dus loef prijs geven. Daarenboven nam het wak snel in omvang af, zoodat weldra om de drie minuten moest gewend worden, wilde het schip nog de eenige opening bereiken, die uitgang naar meer water beloofde, en zelfs dit bleek weldra onmogelijk te zijn. Telkens door schotsen belemmerd, konhet scheepje geen oogenblik vaart schieten. Niettegenstaande hetneêrhalender stagzeilen voor iedere wending en het afduwen tegen ijs met alle krachtsinspanning van het vier man tellende wachtvolk, weigerde toch nagenoeg iedere wending. Blijkbaar ging dit werk de krachten van het moedig scheepsvolk te boven en steeds meer en meer raakte het scheepje in het net van schollen en ijshoogten verward. ’t Mocht al een kwartier langer of korter duren, men moest eindigen met door het ijs ingesloten te worden. Het kon niet missen dat dit zou gebeuren, als ten minste de wind zoo staan bleef.„Ook werd de ijsblink in het O. en Z. O. steeds meer helder, terwijl daarentegen de lucht in het Z. W. er steeds gunstiger uit ging zien. Inderdaad, zoo op het oog te oordeelen, zou men niet zeggen dat het ijs zich aldaar meer en meer ophoopte, zooals men aanvankelijk vreesde. Er hingen veelbelovende waterluchten, ja over het meest verwijderde ijs was met den kijker zelfs onmiskenbaar water te zien en toen de mogelijkheid zich eenmaal aan den kommandant opdrong, dat de sterk doorstaande wind wellicht aan lij eene opening zou breken, waardoor het schip voor den wind er waarschijnlijk met groote snelheid uit kon loopen, werd met vernieuwden moed aan dit denkbeeld vastgehouden en besloot de kommandant dadelijk dien weg te beproeven.„Den geheelen voormiddag drong deWillem Barents, met den breefok bij, nagenoeg vóór den wind om de Z. W. Van top beloofde die richting ’t meeste water en in het kraaiennest werd scherp uitgekeken om, die richting volgend, van ’t eene wak in ’t andere door te dringen. Lt. Speelman, die de wacht had, stond in de ton het schip te besturen. Ook nu had men vele voor- en tegenspoeden. Nu eens scheen ermeer en meer water te komen, dan weder bleef men stilzwijgend overal op ijs staren. Te 11 uur begon het te sneeuwen en toen te 12 uur de zon weder eens doorkwam, bleek het dat aan verder doordringen niet meer te denken viel. DeWillem Barentsbevond zich in het midden van een door zeer zwaar ijs gevormde baai, waarvan de naar het Oosten gekeerde opening meer en meer door het ijs, dat om de West dreef, werd opgestopt. Alleen in het Zuiden liepen wakken en lanen in het „pack” een heel eind om de Zuid, maar daar zij, van top te zien, niet naar open water voerden, was het dus volgens een der eerste stelregels der ijsvaart (never enter promising leads or lanes in the pack without seeing open water beyond) niet raadzaam in die richting zich met het schip in den onafzienbaren ijsdam te wagen.„Gelukkig noordelijkte de wind meer en meer, waarop de kommandant besloot af te wachten tot hij bewesten het Noorden was geloopen, om dan langs denzelfden weg, dien hij gekomen was, te beproeven door het ijs terug te keeren en weder Oost te maken. In afwachting daarvan zou met het schip op en neer worden gehouden, wat wel is waar vermoeiend voor de bemanning was, doch het ongerust worden bij het scheepsvolk zou beletten (keep your ship moving as long as possible).„Zoo hield men op den achtermiddag het schip vlot in een groot door ijs gevormd wak, waarin het aan de loefzijde op en neer hield, telkens voor losdrijvende schotsen afhoudende. Bij toenemenden wind werd een rif in de beide schoenerzeilen gestoken. Te 4 uur kreeg de kommandant de wacht en nam zijn plaats boven in de ton weder in. De wind, die N. t. W. was, wakkerde sterk aan, en zoodra die in eene oostelijke richting in het ijs eene opening brak, drong de kapitein er met hetschip dadelijk in door en had, toen hij de wacht aan luitenant Speelman overgaf, reeds twee mijlen Oost gemaakt. Reeds te half tien ’s avonds was het duidelijk dat het schip uit het zware westelijk ijs in het lichtere oostelijke ijs was gekomen en begon Speelman dan ook weder te gelijk O. en Z. te maken, en bij het doorkomen van enkele zware buien uit ’t N. N. W. vloog deWillem Barentsweldra den zuidelijken ijsrand te gemoet. Voortgezweept door een zwaren storm uit ’t N. N. W. laveerde ons schip bij dikke sneeuwjacht door zeer verspreid drijfijs heen, en te 8 uur ’s morgens had de kommandant het laatste ijs achter zich gelaten.„We hadden het moeielijk genoeg gehad.„De krachtig doorkomende windstooten schoven het ijs steeds dichter en dichter inéén, totdat het ten laatste zoo goed als onmogelijk scheen ooit weder het open water te zullen bereiken.„Onze flinke kommandant de Bruyne kwam in die dagen maar zelden omlaag; eene aanhoudende dikke mist maakte de onzekerheid nog grooter, en naarmate de bemanning meer uitgeput geraakte, moest de vertrouwen inboezemende bedaardheid van den gezagvoerder toenemen, hoe afgemat, uitgeput en hopeloos hij zich zelf ook gevoelde.„Rustige kalmte en bedaarde doortasting waren alléén bij machte een zoo gemakkelijk te beganen misslag te voorkomen en schip en bemanning weder veilig in de open zee terug te brengen.„Dagen van spanning, vol zorgen en toewijding, vol moed en geloof, welk een heerlijken indruk hebt gij in ons gemoed achtergelaten!„Nimmer zal de herinnering aan die dagen bij ons worden uitgewischt, en innig hopen wij dat Neerlands driekleur nog meermalen fier zal ontplooid worden ooklangs die kusten en stranden door onze voorvaderen ontdekt.„De reis derWillem Barentswas een eerste welgeslaagde schrede op een van ouds door Nederlandsche zeelieden roemvol betreden pad.„Moge zij door velen gevolgd worden!„Reeds nu heeft deze bescheiden poging om den roemvollen naam van ons zeevolk niet te doen tanen, overal in den vreemde gunstig gewerkt; met belangstelling werden de verrichtingen gevolgd en met ingenomenheid werd de uitslag vernomen.„Op nieuw bieden zich officieren en matrozen aan om hunne beste krachten te wijden aan de eer en de belangen van het Nederlandsche zeewezen. Moge het vaderlandsche publiek door een ruime geldelijke bijdrage toonen, dat het dit waardeert en op prijs stelt.„Geen groote ontdekkingen, geen groote poolexpeditiën, maar een met volharding voortgezet wetenschappelijk onderzoek van de zee, die den naam draagt van een onzer grootste zeevaarders.”

XI.XI.IN ’T OOSTIJS.

XI.

„Het hierbovenstaande schetst eene wacht in het ijs aan boord van deWillem Barents, van de aangenaamste soort,” zeide Beynen.„Lastiger zoude het zijn, de gewaarwordingen terug te geven die ons bezielden, gedurende de oogenblikken dat deWillem Barentszich niet dan met groote moeite door de bij harden wind opgestuwde ijsmassa’s voortbewoog en het wit besneeuwde schoenertje te vergeefs naar een uitweg scheen te zullen zoeken.” Uit zijn verslag kent men den gevaarlijken toestand waarin het schip toen verkeerde.„Alles was goed gegaan,” schreef hij, „tot 6 uur, toen de nevel zeer onverwacht optrok en het uit het kraaiennest bleek, dat deWillem Barentsrondom in zwaar ijs zat. In het Oosten hing een scherporanjekleurige ijsgloed en van Oost tot Zuid tot Z. Z. W. zag men duidelijk een zwaar „pack” zonder een enkele opening. Alleen in ’t N. O., Z. W. en Westen hingen donkere waterluchten, maar in het Noorden was ook veel en zwaar ijs. Het is duidelijk dat het gezicht hiervan ieder zeer onaangenaam verraste, maar daar er gehandeld moest worden, werd bijgedraaid en met alle aandacht met den langen kijker het ijs in alle richtingen nauwkeurig opgenomen, waarop de kommandant besloot te trachten in eene oostelijke richting loef te houden, hopende dat de wind zou noordelijken en het schip zoodoende de gelegenheid geven om den zoom van dit ijs om de Z. O. door te breken. Dit in eene Z. W. richting te beproeven, scheen minder raadzaam, daar men ondervonden had dat het ijs om de West dichter lag en zwaarder was dan het ijs om de Oost, terwijl de oostenwind bovendien steeds meer ijs om de West dreef, zoodat het dáár moest opstoppen en het schip, in die richting koersend, dus als ’t ware met groote vaart in een val liep, waar het later misschien moeielijk uit zou kunnen komen. Daarom besloot de kommandant te beproeven in eene oostelijke richting loef te houden en dus om de Oost te blijven opwerken. De omstandigheid dat in dit gedeelte der Barents-Zee de generale strooming van het ijs om de Z. W. loopt, wijst dan ook op een Z. oostelijken koers om er uit te komen. Dit was echter gemakkelijker gezegd dan gedaan. Het wak, waarin deWillem Barentszich nu bevond, lag vol verspreide schotsen, waarvoor men telkens moest afhouden en dus loef prijs geven. Daarenboven nam het wak snel in omvang af, zoodat weldra om de drie minuten moest gewend worden, wilde het schip nog de eenige opening bereiken, die uitgang naar meer water beloofde, en zelfs dit bleek weldra onmogelijk te zijn. Telkens door schotsen belemmerd, konhet scheepje geen oogenblik vaart schieten. Niettegenstaande hetneêrhalender stagzeilen voor iedere wending en het afduwen tegen ijs met alle krachtsinspanning van het vier man tellende wachtvolk, weigerde toch nagenoeg iedere wending. Blijkbaar ging dit werk de krachten van het moedig scheepsvolk te boven en steeds meer en meer raakte het scheepje in het net van schollen en ijshoogten verward. ’t Mocht al een kwartier langer of korter duren, men moest eindigen met door het ijs ingesloten te worden. Het kon niet missen dat dit zou gebeuren, als ten minste de wind zoo staan bleef.„Ook werd de ijsblink in het O. en Z. O. steeds meer helder, terwijl daarentegen de lucht in het Z. W. er steeds gunstiger uit ging zien. Inderdaad, zoo op het oog te oordeelen, zou men niet zeggen dat het ijs zich aldaar meer en meer ophoopte, zooals men aanvankelijk vreesde. Er hingen veelbelovende waterluchten, ja over het meest verwijderde ijs was met den kijker zelfs onmiskenbaar water te zien en toen de mogelijkheid zich eenmaal aan den kommandant opdrong, dat de sterk doorstaande wind wellicht aan lij eene opening zou breken, waardoor het schip voor den wind er waarschijnlijk met groote snelheid uit kon loopen, werd met vernieuwden moed aan dit denkbeeld vastgehouden en besloot de kommandant dadelijk dien weg te beproeven.„Den geheelen voormiddag drong deWillem Barents, met den breefok bij, nagenoeg vóór den wind om de Z. W. Van top beloofde die richting ’t meeste water en in het kraaiennest werd scherp uitgekeken om, die richting volgend, van ’t eene wak in ’t andere door te dringen. Lt. Speelman, die de wacht had, stond in de ton het schip te besturen. Ook nu had men vele voor- en tegenspoeden. Nu eens scheen ermeer en meer water te komen, dan weder bleef men stilzwijgend overal op ijs staren. Te 11 uur begon het te sneeuwen en toen te 12 uur de zon weder eens doorkwam, bleek het dat aan verder doordringen niet meer te denken viel. DeWillem Barentsbevond zich in het midden van een door zeer zwaar ijs gevormde baai, waarvan de naar het Oosten gekeerde opening meer en meer door het ijs, dat om de West dreef, werd opgestopt. Alleen in het Zuiden liepen wakken en lanen in het „pack” een heel eind om de Zuid, maar daar zij, van top te zien, niet naar open water voerden, was het dus volgens een der eerste stelregels der ijsvaart (never enter promising leads or lanes in the pack without seeing open water beyond) niet raadzaam in die richting zich met het schip in den onafzienbaren ijsdam te wagen.„Gelukkig noordelijkte de wind meer en meer, waarop de kommandant besloot af te wachten tot hij bewesten het Noorden was geloopen, om dan langs denzelfden weg, dien hij gekomen was, te beproeven door het ijs terug te keeren en weder Oost te maken. In afwachting daarvan zou met het schip op en neer worden gehouden, wat wel is waar vermoeiend voor de bemanning was, doch het ongerust worden bij het scheepsvolk zou beletten (keep your ship moving as long as possible).„Zoo hield men op den achtermiddag het schip vlot in een groot door ijs gevormd wak, waarin het aan de loefzijde op en neer hield, telkens voor losdrijvende schotsen afhoudende. Bij toenemenden wind werd een rif in de beide schoenerzeilen gestoken. Te 4 uur kreeg de kommandant de wacht en nam zijn plaats boven in de ton weder in. De wind, die N. t. W. was, wakkerde sterk aan, en zoodra die in eene oostelijke richting in het ijs eene opening brak, drong de kapitein er met hetschip dadelijk in door en had, toen hij de wacht aan luitenant Speelman overgaf, reeds twee mijlen Oost gemaakt. Reeds te half tien ’s avonds was het duidelijk dat het schip uit het zware westelijk ijs in het lichtere oostelijke ijs was gekomen en begon Speelman dan ook weder te gelijk O. en Z. te maken, en bij het doorkomen van enkele zware buien uit ’t N. N. W. vloog deWillem Barentsweldra den zuidelijken ijsrand te gemoet. Voortgezweept door een zwaren storm uit ’t N. N. W. laveerde ons schip bij dikke sneeuwjacht door zeer verspreid drijfijs heen, en te 8 uur ’s morgens had de kommandant het laatste ijs achter zich gelaten.„We hadden het moeielijk genoeg gehad.„De krachtig doorkomende windstooten schoven het ijs steeds dichter en dichter inéén, totdat het ten laatste zoo goed als onmogelijk scheen ooit weder het open water te zullen bereiken.„Onze flinke kommandant de Bruyne kwam in die dagen maar zelden omlaag; eene aanhoudende dikke mist maakte de onzekerheid nog grooter, en naarmate de bemanning meer uitgeput geraakte, moest de vertrouwen inboezemende bedaardheid van den gezagvoerder toenemen, hoe afgemat, uitgeput en hopeloos hij zich zelf ook gevoelde.„Rustige kalmte en bedaarde doortasting waren alléén bij machte een zoo gemakkelijk te beganen misslag te voorkomen en schip en bemanning weder veilig in de open zee terug te brengen.„Dagen van spanning, vol zorgen en toewijding, vol moed en geloof, welk een heerlijken indruk hebt gij in ons gemoed achtergelaten!„Nimmer zal de herinnering aan die dagen bij ons worden uitgewischt, en innig hopen wij dat Neerlands driekleur nog meermalen fier zal ontplooid worden ooklangs die kusten en stranden door onze voorvaderen ontdekt.„De reis derWillem Barentswas een eerste welgeslaagde schrede op een van ouds door Nederlandsche zeelieden roemvol betreden pad.„Moge zij door velen gevolgd worden!„Reeds nu heeft deze bescheiden poging om den roemvollen naam van ons zeevolk niet te doen tanen, overal in den vreemde gunstig gewerkt; met belangstelling werden de verrichtingen gevolgd en met ingenomenheid werd de uitslag vernomen.„Op nieuw bieden zich officieren en matrozen aan om hunne beste krachten te wijden aan de eer en de belangen van het Nederlandsche zeewezen. Moge het vaderlandsche publiek door een ruime geldelijke bijdrage toonen, dat het dit waardeert en op prijs stelt.„Geen groote ontdekkingen, geen groote poolexpeditiën, maar een met volharding voortgezet wetenschappelijk onderzoek van de zee, die den naam draagt van een onzer grootste zeevaarders.”

„Het hierbovenstaande schetst eene wacht in het ijs aan boord van deWillem Barents, van de aangenaamste soort,” zeide Beynen.

„Lastiger zoude het zijn, de gewaarwordingen terug te geven die ons bezielden, gedurende de oogenblikken dat deWillem Barentszich niet dan met groote moeite door de bij harden wind opgestuwde ijsmassa’s voortbewoog en het wit besneeuwde schoenertje te vergeefs naar een uitweg scheen te zullen zoeken.” Uit zijn verslag kent men den gevaarlijken toestand waarin het schip toen verkeerde.

„Alles was goed gegaan,” schreef hij, „tot 6 uur, toen de nevel zeer onverwacht optrok en het uit het kraaiennest bleek, dat deWillem Barentsrondom in zwaar ijs zat. In het Oosten hing een scherporanjekleurige ijsgloed en van Oost tot Zuid tot Z. Z. W. zag men duidelijk een zwaar „pack” zonder een enkele opening. Alleen in ’t N. O., Z. W. en Westen hingen donkere waterluchten, maar in het Noorden was ook veel en zwaar ijs. Het is duidelijk dat het gezicht hiervan ieder zeer onaangenaam verraste, maar daar er gehandeld moest worden, werd bijgedraaid en met alle aandacht met den langen kijker het ijs in alle richtingen nauwkeurig opgenomen, waarop de kommandant besloot te trachten in eene oostelijke richting loef te houden, hopende dat de wind zou noordelijken en het schip zoodoende de gelegenheid geven om den zoom van dit ijs om de Z. O. door te breken. Dit in eene Z. W. richting te beproeven, scheen minder raadzaam, daar men ondervonden had dat het ijs om de West dichter lag en zwaarder was dan het ijs om de Oost, terwijl de oostenwind bovendien steeds meer ijs om de West dreef, zoodat het dáár moest opstoppen en het schip, in die richting koersend, dus als ’t ware met groote vaart in een val liep, waar het later misschien moeielijk uit zou kunnen komen. Daarom besloot de kommandant te beproeven in eene oostelijke richting loef te houden en dus om de Oost te blijven opwerken. De omstandigheid dat in dit gedeelte der Barents-Zee de generale strooming van het ijs om de Z. W. loopt, wijst dan ook op een Z. oostelijken koers om er uit te komen. Dit was echter gemakkelijker gezegd dan gedaan. Het wak, waarin deWillem Barentszich nu bevond, lag vol verspreide schotsen, waarvoor men telkens moest afhouden en dus loef prijs geven. Daarenboven nam het wak snel in omvang af, zoodat weldra om de drie minuten moest gewend worden, wilde het schip nog de eenige opening bereiken, die uitgang naar meer water beloofde, en zelfs dit bleek weldra onmogelijk te zijn. Telkens door schotsen belemmerd, konhet scheepje geen oogenblik vaart schieten. Niettegenstaande hetneêrhalender stagzeilen voor iedere wending en het afduwen tegen ijs met alle krachtsinspanning van het vier man tellende wachtvolk, weigerde toch nagenoeg iedere wending. Blijkbaar ging dit werk de krachten van het moedig scheepsvolk te boven en steeds meer en meer raakte het scheepje in het net van schollen en ijshoogten verward. ’t Mocht al een kwartier langer of korter duren, men moest eindigen met door het ijs ingesloten te worden. Het kon niet missen dat dit zou gebeuren, als ten minste de wind zoo staan bleef.

„Ook werd de ijsblink in het O. en Z. O. steeds meer helder, terwijl daarentegen de lucht in het Z. W. er steeds gunstiger uit ging zien. Inderdaad, zoo op het oog te oordeelen, zou men niet zeggen dat het ijs zich aldaar meer en meer ophoopte, zooals men aanvankelijk vreesde. Er hingen veelbelovende waterluchten, ja over het meest verwijderde ijs was met den kijker zelfs onmiskenbaar water te zien en toen de mogelijkheid zich eenmaal aan den kommandant opdrong, dat de sterk doorstaande wind wellicht aan lij eene opening zou breken, waardoor het schip voor den wind er waarschijnlijk met groote snelheid uit kon loopen, werd met vernieuwden moed aan dit denkbeeld vastgehouden en besloot de kommandant dadelijk dien weg te beproeven.

„Den geheelen voormiddag drong deWillem Barents, met den breefok bij, nagenoeg vóór den wind om de Z. W. Van top beloofde die richting ’t meeste water en in het kraaiennest werd scherp uitgekeken om, die richting volgend, van ’t eene wak in ’t andere door te dringen. Lt. Speelman, die de wacht had, stond in de ton het schip te besturen. Ook nu had men vele voor- en tegenspoeden. Nu eens scheen ermeer en meer water te komen, dan weder bleef men stilzwijgend overal op ijs staren. Te 11 uur begon het te sneeuwen en toen te 12 uur de zon weder eens doorkwam, bleek het dat aan verder doordringen niet meer te denken viel. DeWillem Barentsbevond zich in het midden van een door zeer zwaar ijs gevormde baai, waarvan de naar het Oosten gekeerde opening meer en meer door het ijs, dat om de West dreef, werd opgestopt. Alleen in het Zuiden liepen wakken en lanen in het „pack” een heel eind om de Zuid, maar daar zij, van top te zien, niet naar open water voerden, was het dus volgens een der eerste stelregels der ijsvaart (never enter promising leads or lanes in the pack without seeing open water beyond) niet raadzaam in die richting zich met het schip in den onafzienbaren ijsdam te wagen.

„Gelukkig noordelijkte de wind meer en meer, waarop de kommandant besloot af te wachten tot hij bewesten het Noorden was geloopen, om dan langs denzelfden weg, dien hij gekomen was, te beproeven door het ijs terug te keeren en weder Oost te maken. In afwachting daarvan zou met het schip op en neer worden gehouden, wat wel is waar vermoeiend voor de bemanning was, doch het ongerust worden bij het scheepsvolk zou beletten (keep your ship moving as long as possible).

„Zoo hield men op den achtermiddag het schip vlot in een groot door ijs gevormd wak, waarin het aan de loefzijde op en neer hield, telkens voor losdrijvende schotsen afhoudende. Bij toenemenden wind werd een rif in de beide schoenerzeilen gestoken. Te 4 uur kreeg de kommandant de wacht en nam zijn plaats boven in de ton weder in. De wind, die N. t. W. was, wakkerde sterk aan, en zoodra die in eene oostelijke richting in het ijs eene opening brak, drong de kapitein er met hetschip dadelijk in door en had, toen hij de wacht aan luitenant Speelman overgaf, reeds twee mijlen Oost gemaakt. Reeds te half tien ’s avonds was het duidelijk dat het schip uit het zware westelijk ijs in het lichtere oostelijke ijs was gekomen en begon Speelman dan ook weder te gelijk O. en Z. te maken, en bij het doorkomen van enkele zware buien uit ’t N. N. W. vloog deWillem Barentsweldra den zuidelijken ijsrand te gemoet. Voortgezweept door een zwaren storm uit ’t N. N. W. laveerde ons schip bij dikke sneeuwjacht door zeer verspreid drijfijs heen, en te 8 uur ’s morgens had de kommandant het laatste ijs achter zich gelaten.

„We hadden het moeielijk genoeg gehad.

„De krachtig doorkomende windstooten schoven het ijs steeds dichter en dichter inéén, totdat het ten laatste zoo goed als onmogelijk scheen ooit weder het open water te zullen bereiken.

„Onze flinke kommandant de Bruyne kwam in die dagen maar zelden omlaag; eene aanhoudende dikke mist maakte de onzekerheid nog grooter, en naarmate de bemanning meer uitgeput geraakte, moest de vertrouwen inboezemende bedaardheid van den gezagvoerder toenemen, hoe afgemat, uitgeput en hopeloos hij zich zelf ook gevoelde.

„Rustige kalmte en bedaarde doortasting waren alléén bij machte een zoo gemakkelijk te beganen misslag te voorkomen en schip en bemanning weder veilig in de open zee terug te brengen.

„Dagen van spanning, vol zorgen en toewijding, vol moed en geloof, welk een heerlijken indruk hebt gij in ons gemoed achtergelaten!

„Nimmer zal de herinnering aan die dagen bij ons worden uitgewischt, en innig hopen wij dat Neerlands driekleur nog meermalen fier zal ontplooid worden ooklangs die kusten en stranden door onze voorvaderen ontdekt.

„De reis derWillem Barentswas een eerste welgeslaagde schrede op een van ouds door Nederlandsche zeelieden roemvol betreden pad.

„Moge zij door velen gevolgd worden!

„Reeds nu heeft deze bescheiden poging om den roemvollen naam van ons zeevolk niet te doen tanen, overal in den vreemde gunstig gewerkt; met belangstelling werden de verrichtingen gevolgd en met ingenomenheid werd de uitslag vernomen.

„Op nieuw bieden zich officieren en matrozen aan om hunne beste krachten te wijden aan de eer en de belangen van het Nederlandsche zeewezen. Moge het vaderlandsche publiek door een ruime geldelijke bijdrage toonen, dat het dit waardeert en op prijs stelt.

„Geen groote ontdekkingen, geen groote poolexpeditiën, maar een met volharding voortgezet wetenschappelijk onderzoek van de zee, die den naam draagt van een onzer grootste zeevaarders.”


Back to IndexNext