Achtste Hoofdstuk.

—"Luister eens, Kortenaer," zeide Dijk, toen de maaltijd afgeloopen was en Lidewyde zich was gaan kleeden, "uw oom heeft onwillekeurig eene dwaasheid gedaan door u dezer dagen aan mij te adresseren. Mijne gewone bezigheden zijn in den regel zoo menigvuldig niet, dat ik u niet behoorlijk te woord zou kunnen staan; en indien gij zes weken vroeger of zes weken later hier gekomen waart, zou ik onmiddelijk tot uwe dienst geweest zijn. Wat wordt vereischt om onze zaak in orde te brengen? Een paar bezoeken bij den kantonregter, eene konferentie of wat met mijn notaris, meer niet. Doch op dit oogenblik heb ik zelfs voor dat weinige geen tijd. Een ander en gewigtiger belang neemt in den loop dezer maand en tot in het begin der volgende al mijne vrije uren in beslag."

—"Gij zijt kandidaat voor de Tweede Kamer."

—"Hoe weet gij dat? Heeft mijne vrouw het u verteld? Die interesseert zich anders niet sterk voor zulke zaken."

—"Neen, maar toen ik gisteren-ochtend hierheen reisde, is te T. een heer bij mij komen zitten, die u persoonlijk kende, en die mij zeide, dat hij naar M. moest om met u te spreken over uwe kandidatuur. Ik had hem nooit ontmoet, maar de geheele wereld kent den naam van Lefebvre, en toen ik hem verteld had dat ik insgelijks naar M. moest en eene zaak met u te vereffenen had, waren wij aanstonds goede vrienden."

—"Een vreemd uiterlijk, niet waar? Men zou het hem niet aanzeggen dat hij zoo knap is. Hebt gij hem zien snuiven?"

—"Niet-alleen heb ik dat gezien, maar ik durf beweren dat hij van T. naar M. niets anders gedaan heeft als snuiven en praten. Om u de waarheid te zeggen, vond ik hem nog al vies. Met een grooten witten zakdoek vol ongeregtigheden veegde hij na iedere anekdote zich het voorhoofd af, en het beetje rappé dat niet aan zijne wangen bleef kleven vond logies tusschen de plooijen van zijn overhemd."

—"Maar hij zegt voortreffelijke dingen, vindt gij niet?"

—"Zoo voortreffelijk, dat ik somtijds moeite had hem te volgen. Hij schijnt verwonderlijk goed te huis te zijn in onze politiek."

—"Dat is hij, en ofschoon hij zelden of nooit iets schrijft, oefent hij een grooten invloed uit. Maar om terug te komen op hetgeen ik u zeggen wilde, gij zult, naar ik voorzie, niet veel lust hebben, hier te blijven totdat de verkiezing achter den rug is; en ik, ik kan, op mijn woord van eer, mij vóór dien tijd niet met u occuperen. Doch ik meen er iets op gevonden te hebben."

—"En dat is?" vroeg André.

—"Mijne moeder bevindt zich op dit oogenblik met mijne beide zusters in Engeland; haar huis, hier in de stad, is gesloten, en van dien kant heb ik u dus niets aan te bieden. Dit is evenwel geen onoverkomelijk beletsel. Mijn moeders beste vriendin, tegelijk eene zeer goede kennis van mijne vrouw, is eene oude ongetrouwde dame Steinmetz, die wij gewoon zijn freule Bertha te noemen. Wat dunkt u, indien freule Bertha, die niets omhanden en bij zich aan huis ruimte in overvloed heeft, uw meisje voor eene poos te logeren vroeg? Onze eigen woning, naar gij bemerkt, is tot uwe dispositie; gij zult jufvrouw Visscher ten huize van onze vriendin, die eene algemeen geachte en inderdaad hoogst achtenswaardige dame is, zoo dikwijls kunnen bezoeken als gij verkiest, en wat ons zelven betreft, het zal ons natuurlijk uitermate aangenaam zijn, kennis te maken met uwe aanstaande. Het overige kunt gij met Lidewyde bespreken."

—"Indien Emma's ouders vrede hebben met dat plan, ik voor mij," riep André uit, "vind het alleraardigst. Gij zijt volkomen opregt, niet waar, wanneer gij mij verzekert dat ik u geen overlast doe, en niet minder wanneer gij mij waarborgt dat Emma door de vriendin uwer moeder goed ontvangen zal worden?"

—"Beste vriend, daarvan kan geen kwestie zijn. Freule Steinmetz is eene allerbeminnelijkste oude vrouw, die jonge meisjes niet-alleen niet haat, maar een bepaald zwak voor haar heeft. Zij zal het als een voorregt beschouwen, jufvrouw Visscher te kunnen herbergen. Belooft gij mij, de zaak bij uzelven rijpelijk te zullen overleggen? Ik verzeker u, dat het mij een pak van het hart zal zijn."

—"Al hetgeen ik beloven kan, beloof ik. Waarlijk, het is mij eene alleraangenaamste verrassing, zoo vriendschappelijk door u bejegend te worden."

—"Goed, dat eene is dus afgesproken. Gij zult met Lidewyde en Lidewyde zal met hare vriendin bepraten wat er gedaan moet worden om uw meisje te overreden. Verlangt gij, vooraf uwe opwachting te gaan maken bij freule Steinmetz, mijne vrouw zal u gaarne bij haar introduceren. Nu nog iets anders. De medicus van mijne vrouw, dokter Ruardi, is mijn intime vriend. Ware ik vrij, ik zou geen afstand doen van het genoegen, de honneurs der stad bij u waar te nemen. Doch nu dit niet gaat, is er niemand aan wien ik u met zulk een goed geweten overleveren kan als aan hem. Staat gij toe dat ik hem over u spreek en hem uw geval vertel? Hij is een uitmuntend mensch, en zijne konversatie zal u vast niet minder belang inboezemen dan die van uw reisgenoot Lefebvre."

—"Kan ik dien heer een uur of anderhalf geleden hier in den tuin hebben zien wandelen?"

—"Meent gij Lefebvre?"

—"Neen, dokter Ruardi bedoel ik. Zoo noemt gij hem immers? Een welgemaakt jong man, donker van uitzigt, en geheel in het zwart gekleed."

—"Juist. Ruardi komt dagelijks en op ieder uur van den dag bij ons aan huis. Zoo als ik zeide, hij is tevens mijn boezemvriend en de medicus van Lidewyde. Dus hebt gij hem reeds gesproken?"

—"Niet gesproken, maar gezien. Toen ik daareven op mijne kamer voor het venster stond, zag ik een dokterskoetsje heen en weder stappen op den straatweg, en toen op hetzelfde oogenblik een vreemd heer den tuin doorging, begreep ik half en half dat die vreemdeling Lidewyde's dokter zijn zou. Gaat het mijnheer Ruardi zoo voor den wind, dat hij zulk keurig equipage houden kan?"

—"O, Ruardi verdient met zijne praktijk geld als water en heeft bovendien fortuin van zich zelven en van zijne vrouw."

—"Met wie is hij getrouwd?"

—"Op dit oogenblik is hij weduwnaar, maar eenige jaren geleden is hij korten tijd getrouwd geweest met een meisje uit onze patricische societeit. Hij had aan dat juffertje een uitmuntend huwelijk gedaan, en haar verlies is eene zware slag voor hem geweest."

—"Bedoelt gij daarmede dat hij zelf geen patricier is?"

—"Lieve vriend, wat zal ik op die vraag antwoorden? Mijn eigen vader was evenmin patricier als Ruardi het is, en alleen om zijn huwelijk is hij in dien kring toegelaten geworden. Toen ter tijd werd de fatsoenlijke wereld te M. nog als van ouds in twee helften verdeeld, de patriciers en de burgers, hoogmoed tegen hoogmoed. Doch sedert is, gelijk in vele andere dingen, ook daarin groote verandering gekomen. Tegenwoordig domineren hier handel en industrie, en de geboorte is op den achtergrond getreden. Evenwel is het daarom nog niet onverschillig voor een medicus, aan welke familien hij geparenteerd is. Vergenoeg u dus met de wetenschap dat gij aan de zijde van Ruardi overal welkom zult zijn... Hoe laat is het? Te drommel, ik moet naar de stad... Nu, tot van middag aan tafel. Morgen-ochtend hoop ik in de gelegenheid te zijn, Ruardi voor te bereiden op de kennismaking met u. Vergeet intusschen onze afspraak omtrent jufvrouw Visscher niet. Adieu."

Ook zonder die aanbeveling zou André aan de gemaakte afspraak gedacht hebben. Het liep hem mede, vond hij, en de voorspoed heeft een goed geheugen. De kennismaking met Lidewyde te kunnen voortzetten en tevens met Emma vereenigd te zijn, dit was een kolfje naar zijne hand. Zoodra Lidewyde beneden kwam zou hij met haar over de zaak spreken. Dit was het voorname pund. Naar den dokter zou hij haar voorloopig niet vragen. Diens geheimen, zoo hij ze had, gingen hem niet aan; of indien later blijken mogt van wèl, zou het nog vroeg genoeg zijn.

Lidewyde kleedde zich; en had André tegenwoordig mogen zijn bij dat toilet, zijn goede dunk omtrent de bekoorlijkheden van mevrouw Dijk zou er niet onder geleden, zijne menschenkennis er bij gewonnen hebben. Hetgeen hij gegist had, was waar. De bejaarde vrouw, door hem opgemerkt in den tuin, vervulde werkelijk bij Lidewyde de taak van kamenier, en de onbekende, wien zij uitgeleide had gedaan, was inderdaad dokter Ruardi geweest. Het onderhoud tusschen meesteres en dienstbode liet daaromtrent geen twijfel over. Slechts in één opzigt zou André, indien hij dat gesprek had aangehoord, vermoedelijk teleurgesteld geweest zijn: een zoo volstrekt verzwijgen van zijnen naam, een zoo onbepaald wegdenken van zijn persoon, zou hem in zijne eigenliefde deerlijk gekwetst hebben.

Lidewyde zat op hare gewone plaats, voor haren kapspiegel, en wanneer zij de oogen opsloeg, kon zij Sarah, die achter haar stond en bezig was iets aan haar kapsel te veranderen, in het aangezigt zien. Verwonderlijk aangezigt! Of liever, verwonderlijk dat eene vrouw van leeftijd, met zoo ietslady-like'sin haar voorkomen, het werk eener kamenier verrigtte. Verwonderlijk ook, dat zij dit deed zonder merkbaren tegenzin zoowel, als zonder ostentatie, met de gemakkelijkheid van iemand die zich in hare nederige rol volkomen op hare plaats gevoelde en tegelijk eene honderd malen betere plaats met eer vervuld zou hebben. Zij geleek de tegenstrijdigheid in persoon. Haar zwart zijden kleed teekende geene armoede, en toch ontving men den indruk, dat zij bij meer dan eene gelegenheid het gebrek onder de holle oogen had gezien. De scherpe trekken van haar gelaat drukten meer zelfbeheersching dan aandoenlijkheid uit, hetgeen niet verhinderde dat men in haar iemand waande te zien, over wier hoofd schier al het lijden heengegaan—en niets slechts heengegaan—moest zijn, waardoor eene vrouw getroffen kan worden. Haar zwakke stem, hare lichte oogen, schenen van zachtzinnigheid te getuigen; en toch zou men niet verbaasd geweest zijn, haar op gestrengen toon een wreed bevel te hooren geven. Hare grijsblonde lokken, onder een mutsje van zwarte tulle, opgemaakt met pensé lint, spraken van een stemmig gemoed, van uitgedoofde hartstogten, van eene boven iederen strijd verheven deugd, terwijl niettemin met volle regt van haar beweerd kon worden, dat hare zestig jaren aan niets verhevens of edels deden denken. Somtijds drong zich van den twijfelachtigen indruk, dien haar persoon te weeg bragt, het innemend element op den voorgrond, en vroeg men zich naderhand af, of deze vrouw wel inderdaad zoo koud, zoo hardvochtig, zoo slecht was, als zij scheen. Andere keeren had het tegenovergestelde plaats, en kwam de ongunstige impressie, als korrektief eener voorbarige sympathie, hinkend en terugstootend achteraan. Boosaardigheid, evenwel, was aan de uitdrukking van haar gelaat, ook onder de minst voordeelige omstandigheden, te eenemaal vreemd. Was zij werkelijk, gelijk men somwijlen in verzoeking kwam te denken, in staat en bereid tot het plegen van iedere misdaad, dan sproot dit blijkbaar bij haar niet voort uit lust in het kwade, maar uit zeker niet-inzien of niet-erkennen van eenig wezenlijk onderscheid tusschen kwaad en goed. Zelfs was de diabolische trek bij haar zoo volstrekt afwezig, dat de dienstboden van minderen rang, op Soekabrenti, in plaats van haar te benijden of te belasteren, haar gaarne lijden mogten en haar roemden om hare goedheid. In de tuinmanswoning was zij eene welkome bezoekster, en de kinderen van den koetsier liefkoosden haar in de tegenwoordigheid hunner moeder. In de keuken was zij vooral hierom populair, omdat men meende te weten dat zij zelve, in vroeger jaren, eene "mevrouw" geweest was, en er niettemin nooit een woord over hare lippen kwam, dat ontevredenheid met haar tegenwoordigen staat van ondergeschiktheid verried.

—"En wat," vroeg Lidewyde, de wenkbraauwen fronsend en op ongeduldigen toon het gesprek voortzettend, "wat is zijn antwoord geweest?"

—"Eerst verbleekte hij, tegen zijne gewoonte, en beet zich op de lippen. Toen ik aanhield en zeide dat gij den sleutel en de brieven tot iederen prijs terug verlangdet, wilde hij de reden kennen. Hij vroeg—ja wat al niet."

—"Wat vroeg hij dan?"

—"Hij vroeg, waarom gij in plaats van mij die boodschap voor hem op te dragen, haar niet zelf gedaan hadt, en wat het beteekende dat ik hem achterna gezonden werd, daar het toch een oogenblik te voren in uwe magt had gestaan, hem uwen wensch mede te deelen."

—"Dat kon, dat wilde ik niet. Indien ik hem alleen haatte, zou ik wel woorden vinden; harde of zachte om het even. Maar bij de gedachte dat hij mij in zijne magt heeft,—hij mij,—gevoel ik mij zelve in zulk eene woede ontsteken, dat de spraak mij begeeft. Wat vroeg hij nog meer?"

—"Iets dat hij niet gevraagd zou hebben, indien hij u had hooren spreken gelijk gij nu doet. Hij vroeg, of gij hem niet meer lief hadt?"

—"Dat kan hij niet gemeend hebben. Hij weet dat ik hem haat. Hij moet het weten!"

—"Met uw verlof, mevrouw, zoo lang onverschilligheid de eenige vorm is waaronder gij hem uwen afkeer laat blijken, kan hij te goeder trouw meenen dat uwe koelheid slechts voorbijgaande is."

—"Noem Ruardi en de goede trouw niet in één adem, wat ik u verzoeken mag. Hij is de valschheid in persoon. Hebt gij hem dan niet gezegd dat ik hem met mijn geheele hart verfoei? Waar waren uwe zinnen, Sarah?"

—"Ik had geene vrijheid om hem dat te zeggen, mevrouw. Mijn antwoord is dan ook geweest, dat hij alsnog, voor zoo ver ik wist, niet aan uwe liefde behoefde te twijfelen, en ik uw wensch meer als eene gril dan als een bevel of een eisch beschouwde."

—"Gij hebt gelijk, Sarah. Vergeef het mij, dat ik daareven iets onvriendelijks tot u zeide. Het zou lafhartig van mij zijn, u een last op te dragen waarvoor ik zelf tot hiertoe teruggedeinsd ben. En wat antwoordde hij, toen gij hem om bestwil met die halve waarheid tevreden hadt zoeken te stellen?"

—"Dat dezelfde redenen, die u den sleutel en de brieven deden afvragen, hem bewegen moesten om ze te houden."

—"Juist een antwoord voor hem. Zoo iets puntigs en snijdends, dat een schijn van diepzinnigheid heeft, maar in den grond der zaak niets beteekent. O Sarah, Sarah," zuchtte Lidewyde, terwijl zij als in vertwijfeling de handen aan het voorhoofd bragt, "waarom heb ik dien man ooit mijn vertrouwen geschonken!"

Had Sarah de booze wereld vertegenwoordigd, zij zou geantwoord hebben dat Lidewyde ongetwijfeld minder wanhopig en bekommerd zou zijn geweest, indien zij dokter Ruardi nooit iets anders geschonken had als haar vertrouwen. Doch stekelige gezegden van dien aard vielen evenmin in Sarah's smaak of karakter, als het openbaren eener in dit geval anders niet onnatuurlijke deernis. Eene gewone vrouw van Sarah's leeftijd en positie zou Lidewyde, hoe schuldig deze dan ook wezen mogt, niet zonder mededoogen hebben kunnen zien lijden. Want dat zij leed was duidelijk. Daarvan getuigde de ongelijkheid van haar humeur; hare onnatuurlijke neerslagtigheid in het eene, hare even onnatuurlijke opgewondenheid in het andere oogenblik; de sombere stemming, waarin gisteren avond André haar aangetroffen had; de gemaakte opgeruimdheid, waarmede zij dien ochtend met hem had geschertst en gekeuveld; de hartstogtelijke toon, waarop zij daareven was uitgevaren tegen Ruardi. Doch voor Sarah was het eene uitgemaakte zaak dat Lidewyde ophouden zou zich ongelukkig te gevoelen, van het oogenblik af dat zij haren minnaar zou kunnen trotseren, en de reden van Lidewyde's verdriet alleen hierin bestond, dat zij voorshands niet in de gelegenheid was, haar overwigt te doen gevoelen. Dat onvermogen, meende Sarah, noopte tot nadenken, niet tot medelijden. Het kwam er slechts op aan, een middel te ontdekken en aan te wenden, waardoor Lidewyde, die zich thans in de magt van den dokter bevond, hem op hare beurt tot onderwerping zou kunnen brengen, of althans hem op eene kwetsbare plaats zou kunnen grieven.

—"En toch," vervolgde Lidewyde, "er moet een einde komen aan onze valsche verhouding. Zoo kan het niet langer. Zijne gemeenzaamheid is mij ondragelijk geworden. Liever openlijke vijandschap dan zulk een omgang."

—"Mevrouw weet even goed als ik," antwoordde Sarah, "dat al het ongerief eener vriendschapsbreuk met den dokter nederkomen zou op haar eigen hoofd. De blindheid van mijnheer Dijk heeft grenzen."

—"Mijn man is een ellendeling," viel Lidewyde haar in de rede. "Nimmer zal ik hem de helft van het leed kunnen berokkenen dat hij gebragt heeft over mij. Wat raakt het mij, of hij verdriet heeft? Wanneer heeft hij zich over het mijne bekommerd?"

—"Niet dikwijls, dat erken ik; maar," ging Sarah voort, "daar staat tegenover dat mijnheer Dijk, toen gij gelukkig waart met dokter Ruardi, geen hinderpaal voor u geweest is. Die verdienste behoort erkend te worden."

—"Eene fraaije verdienste!" riep Lidewyde op minachtenden toon.

—"Thans, nu ieder weet dat dokter Ruardi de beste vriend is van uw man,"—de kamenier vond het niet noodig het "mijnheer Dijk" tot in het oneindige te vermenigvuldigen en verhielp onder de hand nog eene kleinigheid aan Lidewyde's kapsel,—"thans bestaat er voor zijne veelvuldige bezoeken hier aan huis eene natuurlijke reden. Doch zoodra gij zelve dat voorwendsel vernietigt, zullen uwe vriendinnen van de gelegenheid gebruik maken om zich van u af te zonderen. En zij, die het meest op haar geweten hebben, zullen uw gezelschap het ijverigst mijden. Op die wijze zult gij u dubbel eenzaam gaan gevoelen."

—"Maar moet ik dan," vroeg Lidewyde, met ongeduld oprijzend, ten einde Sarah in staat te stellen de knoopjes aan de achterzijde van haar kleed te bevestigen, "moet ik ten eeuwige dage vastgeketend blijven aan een schepsel, dat ik niet liefheb, dat ik haat, dat ik veracht? Is het niet genoeg, dat iemand die zich mijn man noemt, dag aan dag mijn leven verbittert? Ben ik gedoemd, hetzelfde ten tweede male te lijden door toedoen van een ander, die er zich op verheft mijn minnaar te zijn? Dat is duldeloos, zeg ik u."

Het leven was voor Sarah-zelve zoo onvriendelijk geweest; wettige instellingen en deugdzame menschen hadden haar zoo ongelukkig gemaakt; zij had zooveel en zoo lang geleden door op de werkelijkheid te willen toepassen hetgeen zij van kindsbeen af onder braaf-zijn had leeren verstaan,—dat het haar niet tegen de borst stuitte, maar veeleer eene verademing voor haar was, te doen te hebben met eene vrouw als Lidewyde. Misschien was Lidewyde haar mindere in geboorte, en stellig was er in haar eigen leven een tijd geweest, dat zij het regt zou gehad hebben, haar ook als hare mindere in maatschappelijken rang te beschouwen. Doch wat zou dit? Zij was oud; zij was nooit eene schoonheid geweest; zij had met het verledene onherroepelijk afgerekend. Lidewyde daarentegen telde nog slechts vijfentwintig jaren (geheel ten onregte had André haar voor ouder aangezien); elke trek van haar gelaat, indien zij wilde, ademde levenslust; elke lijn van haar fraaigebouwd ligchaam was rond en zacht. Om tot model eener Venus te kunnen dienen, was zij misschien een weinig te breed en te gevuld; doch de andere Pradier, die haar had mogen voorstellen als eene rustende Bacchante, met wingertranken en druiventrossen gekroond, zou door zijne romantische kameraden begroet geworden zijn als een wreker der antieken. Onder de weinige dingen die Sarah nog aan het leven hechtten, behoorde het dagelijksch verkeer met dit van onder een anderen hemel herwaarts overgeplant natuurkind, dat in ons noordelijk klimaat, in onze germaansche maatschappij, niet aarden wilde. Wanneer Sarah aan den eindeloozen winter dacht, dien hare meesteres aan de zijde van een man als den haren sleet; aan de nieuwe teleurstelling, die Lidewyde's deel was geworden sedert zij voor den vriend van dien man vrijwillig had opgeofferd hetgeen duizend andere vrouwen onder tranen en gebeden zouden verdedigd hebben als haar hoogste goed, betrapte zij zichzelve op eene belangstelling, waarvan zij moeijelijk rekenschap zou hebben kunnen geven en misschien ook liever geen rekenschap gegeven had. Tot geenen prijs zou zij aan Lidewyde iets hebben willen veranderen, en elke poging van deze om hare inborst geweld aan te doen, zou in hare oogen eene dwaasheid geweest zijn. Doch Sarah kende de wereld, meende zij, beter dan hare meesteres die kende. Met bezorgdheid zag zij Lidewyde als voortspelen aan den rand van een afgrond; zich geene rekenschap geven van de meedogenlooze dommekracht van zeden en gewoonten; zich inbeelden dat men haar zou blijven dulden, ook indien zij openlijk als eene echtbreekster en overspeelster bekend stond. Banaliteiten, dit gevoelde Sarah, waren de gronden, door haar tegen Lidewyde's voornemen om met den dokter te breken aangevoerd; doch de slotsom van hare levenservaring was, dat eene maatschappij, welke leeft van gemeenplaatsen en daarin ademhaalt, in de eerste plaats voor banaliteiten eerbied eischt. Dat zij Lidewyde idealiseerde; dat alleen hare eigen verbeelding van Lidewyde eene martelares en van eene courtisane een natuurkind maakte, daarvan was Sarah zich niet bewust, en zij zou zeer verwonderd zijn geweest, indien men hare opvatting van Lidewyde's karakter sentimenteel genoemd had.

Zou zij nogmaals beproeven, Lidewyde af te brengen van haar plan? Het oogenblik scheen daartoe weinig geschikt. De huisknecht kwam aankondigen dat het rijtuig wachtte; aan het te naauwernood voltooid toilet werd de laatste hand gelegd, en Sarah begeleidde hare meesteres tot aan het portaal, waar de trap, die naar beneden voerde, zich in tweeën scheidde.

Aan den avond van den volgenden dag, tusschen licht en donker, zat de oude dame, die uitgekozen was om voor eene poos Emma's gastvrouw te zijn, te lezen en thee te schenken in haar eenzaam salon. Op grond van een briefje, dien ochtend van Lidewyde ontvangen en aanstonds toestemmend beantwoord, wachtte zij op dit uur haar en André's bezoek. Het was intusschen reeds laat geworden. De ondergaande zon kleurde met hare laatste stralen de toppen der boomen aan de overzijde der gracht, en de schemering had in het groote vertrek met zijne hooge verdieping reeds zulke vorderingen gemaakt, dat het vlammetje onder den trekpot diensten begon te bewijzen. Bij de flikkering van dat kleine licht onderscheidde men op het groote wortelhouten theeblad met ebbenhouten rand een overvloed van zilver en porcelein, en daarachter, in een ruimen leunstoel, het beeld van freule Bertha, die door de invallende duisternis genoodzaakt was geworden, hare lektuur te staken.

Het geduld der bejaarde dame was onuitputtelijk; niet uit gebrek aan karakter, maar door overvloed van blijmoedigheid. Zij was nooit gemelijk, omdat zij altijd rustig en altijd vrolijk was. Toen dan ook Lidewyde's rijtuig ten laatste stilhield voor de deur, en een oogenblik daarna Lidewyde-zelve, door André gevolgd, werd aangediend, ging zij hen even vriendelijk te gemoet als zij gedaan zou hebben, indien de bezoekers met onberispelijke naauwkeurigheid op hunnen tijd gepast hadden.

—"Het was zulk eene stille, zoele avond," voerde Lidewyde tot hare verontschuldiging aan, "en de muziek in het Park klonk zoo lief, dat wij onwillekeurig langer zijn blijven rondstappen dan ons plan was geweest. Ik had met mijn neef eene weddenschap aangegaan, dat hij geen weerstand zou kunnen bieden aan de verleidingen van ons Bois de Boulogne."

—"Voor de eer van ons Bois de Boulogne doet het mij genoegen dat gij de weddenschap verloren hebt, mijnheer Kortenaer," zeide freule Bertha, "en ik heb een veel te goeden dunk van u om het niet in u te prijzen dat gij in het gezelschap van mevrouw Dijk juist niet gehunkerd hebt naar het mijne. Gij doet mij de eer," ging zij voort, "in mijn huis een plaatsje te vragen voor eene jonge dame van uwe kennis? Dat is braaf van u. Veel genoegens kan ik jufvrouw Visscher niet beloven; doch aan hare vrijheid om u te ontvangen zal niets ontbreken; en misschien," voegde zij er met een gullen glimlach bij, "misschien zal jufvrouw Emma niet weigeren, het met die eene uitspanning voor lief te nemen."

—"Uwe vriendelijkheid is inderdaad beschamend, freule," zeide André. "Toen mijn neef Adriaan mij te verstaan gaf dat ik eene vergeefsche reis gemaakt had, was ik onbeleefd genoeg, den lip te laten hangen en nu wordt, dank zij uwe bereidvaardigheid, die teleurstelling voor mij eene bron van aangename surprises."

—"Zoo ziet gij, mijnheer Kortenaer," antwoordde freule Bertha, eensklaps in een min of meer sententieusen toon vervallend, "dat men verkeerd doet, te spoedig het ergste te vreezen." En toen, zich weder met haar gewone opgeruimdheid tot Lidewyde keerend: "Zeg mij nu, melieve, hoe zullen wij doen? Verlangt gij, dat ik jufvrouw Visscher schrijven zal, of schrijft gij liever zelve?"

—"Mij dunkt," zeide Lidewyde, "dat wij van uwe goedheid reeds te veel gevergd hebben. Morgen-ochtend schrijf ik aan Emma, en André zal mijn briefje insluiten. Hij vraagt dan meteen verlof aan Emma's ouders om zijn meisje te mogen gaan afhalen. Niet waar, André?"

—"O, wat mij betreft," riep hij met geestdrift uit, "ik dweep met die schikking. Indien ik morgen schrijf, kan ik zaturdag antwoord hebben. Zondag maak ik dan een vliegreisje naar Duinendaal en kom maandag of dinsdag met Emma hier."

—"En indien men te Duinendaal onze invitatie versmaadt?" vroeg Lidewyde, om hem te plagen. "Verlaat gij ons dan, en zullen wij in dat geval tevens uw gezelschap moeten missen en uw meisje niet te zien krijgen?"

—"Mijnheer Kortenaer is te bescheiden," zeide freule Bertha, "om overluid te beweren dat jufvrouw Visscher hem niets weigeren kan."

—"Het is zeer edelmoedig van u, freule," antwoordde hij, "mij aldus uit de strikken mijner ondeugende nicht te redden. Doch ik geloof inderdaad niet, dat er reden bestaat om voor het mislukken van ons plan beducht te zijn. Mijne eenige vrees is, dat Emma u door mijne schuld overlast zal aandoen."

—"Geen woord meer daarover, waarde heer," zeide de vriendelijke oude dame. "Ik herhaal wat ik dezen ochtend aan Lidewyde schreef, dat het mij bijzonder aangenaam is, haar en u een klein genoegen te kunnen doen. Word ik daarvoor beloond door de kennismaking met een lief meisje, dan zal de verpligting aan mij zijn. Mag ik van uwe goedheid iets zeer huiselijks vergen, mijnheer Kortenaer?"

—"Gaarne, freule."

—"Trek dan even voor mij aan de schel. Gij vindt het immers goed, Lidewyde, dat ik Floris licht laat brengen? Mijne oogen weigeren mij de dienst. Of hebt gij haast, en mag uw rijtuig niet langer wachten?"

—"Neen," zeide Lidewyde, "ik ben volstrekt niet gepresseerd, en indien wij u geen belet doen, blijf ik gaarne nog een kwartiertje."

Een oude in het zwart gekleede knecht, even oud en even zilverharig als freule Bertha zelve, bragt achtereenvolgens drie of vier lampen binnen. Hij plaatste ze zoo,—op de tafel, op een buffet, op eene étagère, op eene console,—dat het groote vertrek eensklaps ophield somber te schijnen. Ten overvloede stak hij, na de luiken aangezet en de overgordijnen over elkander geslagen te hebben, aan weerszijden van den hoogen spiegel boven den schoorsteen, een bouquet waskaarsen aan. Het salon van freule Bertha had bij avond dergelijke illuminatie zeer noodig. Het was eene voorvaderlijke, ietwat reusachtige zijkamer, opgemaakt en gemeubeld in den smaak der vorige eeuw: een geschilderd behangsel, in vakken; eene lambrizering, grijs met vergulde randen, die het geheele vertrek omsloot; deuren, kozijnen en vensterbanken, een geheel uitmakend met de boiserie beneden en de zoldering boven; een gebogen marmeren schoorsteenmantel met smallen rand; een smirnaasch tapijt, blijkbaar voor deze kamer besteld en geweven. Het grijs met goud was in zich zelf niet genoeg tot neutralisering dier zekere zwaarmoedigheid, waarmede groote landschappen met zware boomen en breede watervallen, hoe fraai ook geschilderd, een zitvertrek plegen te vervullen; doch freule Bertha kende de zwakke zijde van haar salon, en sedert jaar en dag was Floris gewoon, wanneer zijne meesteres avondbezoeken ontving, met kracht van zwavelstokken de duisternis te bestrijden. Die moeite werd beloond, en het was voor den binnentredende een aardig schouwspel, freule Bertha te zien troonen in het midden dezer ouderwetsche, maar uitnemend gekonserveerde en van piëteit getuigende heerlijkheden. Zij droeg nooit anders als zwarte of donkerbruine kleederen, eer sluik dan ruim, en wanneer zij oprees uit haren stoel, zag men eene lange gestalte zich verheffen, die behoefte scheen te gevoelen aan een steun. Meestal legde zij dan hare eene hand op den rand der tafel, en maakte met de andere eene wuivende beweging om hare bezoekers te verwelkomen. De gladde mouwen van haar kleed waren zoo lang, dat zij de vingers halverwege bedekten, en ruime manchetten van geplooid batist deden hare handen nog smaller en kleiner schijnen dan de natuur ze gemaakt had. Van geplooid batist was ook de kraag vervaardigd, die haren hals omsloot en een gedeelte van hare schouders bedekte, en evenzoo de breede half nederhangende strook om hare met geen enkel lint versierde muts. Een korte, bijna sneeuwwitte lok, die aan weerszijde op hare slapen rustte, verhoogde nog het eerwaardige in de uitdrukking van haar gelaat. Zij was eene oude vrouw, dat teekenden niet slechts die grijzen lokken, maar ook de scherpe trekken om neus en mond, de zaamgetrokken plooijen der oogleden, de horizontale groeven in het voorhoofd; doch eene afgeleefde vrouw was zij niet. Er brandde in hare verduisterde oogen een dier stille vuren, welke aan inwendig verlichte wit porseleinen vazen doen denken: een gesluijerde gloed, maar die het langer uithoudt dan sommige kunstige lampen.

—"Is freule Steinmetz familie van u?" vroeg André aan Lidewyde, toen hij weder nevens haar in het open rijtuig zat en zij door de woelige straten, waar in winkel aan winkel het vrijpostig gaslicht schitterde, naar Soekabrenti terugkeerden.

—"Van mij? In het minst niet. Ik heb geene familie in dit land. Zij is eene vriendin van mijne schoonmoeder, meer niet. Doch wij verkeeren met haar alsof zij eene nabestaande van ons was. Denkt gij dat Emma het met haar zal kunnen vinden?"

—"Ongetwijfeld zal zij dat. Dacht gij van neen?"

—"Dat is de vraag. Ik laat aan freule Bertha's goede kwaliteiten volkomen regt wedervaren, en naar hetgeen gij mij van Emma verteld hebt, houd ik het er voor, dat zij elkander uitmuntend verstaan zullen. Doch zult gij boos worden, indien ik zeg, dat Emma's smaak en de mijne vermoedelijk in één opzigt verschillen? Om u de waarheid te zeggen, mij is freule Bertha te stemmig. Ik erken dat zij van alle vrome dames in de stad de eenige is, die ik waarlijk liefheb; de eenige, bij wie ik het kan uithouden. Niettemin maakt zij mij met hare bidstonden en hare bijbeloefeningen somtijds zenuwachtig."

—"Is freule Steinmetz iemand van die kleur? Dat verwondert mij. Ik zou haar voor eene vrouw van de wereld gehouden hebben."

—"In vele opzigten is zij dat ook; maar hebt gij niet opgemerkt dat zij somtijds geheel en al in den preektoon vervalt? Mij frappeerde het ten minste, dat zij op ik weet niet welk gezegde van u aanstonds eene zedeles liet volgen."

—"Ik zou het mij ontgeven hebben; doch ja, nu gij er mij aan herinnert, er was iets preekerigs in de manier waarop zij zeide dat ik niet moest toegeven aan het gevoel van teleurgestelde verwachtingen. Houdt zij dikwijls van die kleine sermoenen? Denkt gij dat zij Emma zal willen bekeeren?"

—"Heb daar geene vrees voor. Gij hebt zelf kunnen bemerken dat de natuur bij haar boven de leer gaat. Ook moet gij aan mijn oordeel over haar niet te veel waarde hechten. Freule Bertha gaat door voor de goede genius van mijn mans familie, en het zou mij leed doen, indien gij anders over haar dacht. De schuld ligt aan mij. Ik houd niet van vrome menschen."

—"Er is vroom en vroom."

—"Jawel, gelijk er blond en blond of bruin en bruin is. Maar zoo bedoel ik het niet. Met vroom meen ik bekrompen. Freule Steinmetz is eene ongewone, eene voortreffelijke, eene allerliefste oude vrouw; maar denkt gij, indien gij of ik iets deden waarover de domme wereld het hoofd schudde, dat zij het ons vergeven of zich met onze verdediging belasten zou? Maak u daaromtrent geene hersenschimmen. Zelden heb ik eene vrouw ontmoet die zooà chevalis op hetgeen zij hare eeuwige waarheden noemt. En ik bid u, wat zijn eeuwige waarheden? Laat een vooroordeel honderd jaren geduurd hebben, en gij zult menschen vinden, bereid om voor dien waan den marteldood te sterven."

—"Met uw verlof, Lidewyde..."

—"Ik weet wat gij zeggen wilt; maar ga met mij mede, en ik zal u bewijzen dat vergankelijk barège somtijds evenveel waarde heeft als de bovennatuurkunde van freule Bertha. Marcelis, stilhouden bij MadePhilidor!"

—"Om u te dienen, mevrouw," antwoordde Marcelis van den bok, even het hoofd omwendend; en met een sierlijken zwaai reed hij tot vlak voor de stoep van het hem welbekende mode-magazijn.

Zulke dames behoeven zulke koetsiers.

—"Te veel en te weinig;" zeide André bij zelven, toen hij den volgenden ochtend onder het kleeden zijne kamer op en neder stapte. "Dijk is een zot, beweerde mijn oom, en ik zal niet ontkennen dat daarvan iets aan kan zijn; doch mijn oom had zelf een slag van den molen weg, toen hij met minachting over Lidewyde sprak. Lidewyde is eene vrouw, gelijk er niet vele gevonden worden. Zij toont veel minder humeur dan ik gedacht zou hebben. Dijk schijnt mij toe, geen man voor haar te zijn. Het zal mij benieuwen, welken indruk die dokter op mij maken zal. Wie weet of mijnheer Ruardi niet nog iets anders is als Adriaans boezemvriend? Dat zou komiek zijn, maar verwonderen zou het mij niet. Lidewyde is juist eene vrouw om een minnaar te hebben. Het eene oogenblik is zij buitengewoon vrij in haar spreken, het andere oogenblik weet zij zich op zulk eene natuurlijke wijze in te houden, dat men er dupe van is. Wie zou gedacht hebben, toen zij gisteren-avond met freule Steinmetz zat te praten, dat zij geene vijf minuten daarna over diezelfde dame zulk een vrijmoedig en, naar mij voorkomt, zulk een juist oordeel vellen zou? Doch met hare schoonheid en haar smaak maakt zij alles goed. Het kleedje, dat zij voor Emma gekocht heeft, is inderdaad een model van bevalligheid, en het was een lieve inval van haar, mij met zich mede te nemen in dat magazijn en mij voor de leus te raadplegen over hetgeen zij kiezen zou. Zij heeft blijkbaar verstand van toilet maken, en alles staat haar goed. Zonder mooijer te zijn dan Emma, is zij toch ook in hare soort eene schoonheid. Zij heeft iets vorstelijks over zich. Emma doet mij denken aan een vergeet-mijnietje, Lidewyde aan eene tulp. Het zou inderdaad grappig zijn, indien tusschen haar en dien dokter de eene of andere relatie bestond. Hij schijnt een jong weduwnaar te zijn met een interessant voorkomen. Bovendien beweert Adriaan dat hij een aardige prater is. Noch het een, noch het ander maakt het minder waarschijnlijk dat Lidewyde iets met hem heeft. Wij zullen zien. Misschien vind ik dat geheim nog wel uit, en wie drommel weet of Lidewyde's gedienstige geest Sarah..."

Er werd aan de deur getikt.

—"Binnen!" riep André, die niet zoo verdiept geweest was in zijne meditatien, of hij had onder de hand zijn toilet voltooid, zoodat hij zonder schroom voor den bediende kon verschijnen, dien hij meende voor zich te zullen zien.

De deur werd behoedzaam geopend. Het was—de gedienstige geest Sarah met een brief in de hand.

—"Mijnheer Dijk heeft mij gelast u dezen brief ter hand te stellen", zeide zij, "en u tevens te verzoeken, indien het u schikt, van middag tusschen tweeën en drieën even bij hem aan het kantoor te komen."

—"Is mijnheer Dijk al naar de stad?" vroeg André, den brief aannemend en onderwijl een blik op het adres werpend, waarin hij aanstonds de hand van Emma herkende.

—"Mijnheer scheen het van ochtend buitengewoon druk te hebben", antwoordde Sarah. "De besteller heeft daareven meer dan een dozijn brieven gebragt, waaronder ook deze was, dien mijnheer in vergissing bijna opengebroken had."

—"Dat bemerk ik," zeide André lagchend, terwijl hij den aan de achterzijde half gescheurden enveloppe bezag. "Nu, de fondsen zouden er niet door gerezen of gedaald zijn, al had mijnheer Dijk bij ongeluk kennis genomen van den inhoud."

—"Mijnheer Dijk heeft mij ook nog opgedragen u te zeggen," vervolgde Sarah, zonder André's opmerking te beantwoorden, dat hij tusschen tweeën en drieën in de stad een bezoek van dokter Ruardi verwacht, en hij van die gelegenheid gebruik wenscht te maken om u aan den dokter voor te stellen."

—"Zeg mij eens, Sarah," zeide André, eensklaps van toon veranderend, "dokter Ruardi is immers dezelfde persoon, met wien ik u een dezer dagen in den tuin heb zien wandelen?"

Sarah, die tot hiertoe zonder gemaaktheid onafgebroken naar den grond gestaard had, sloeg thans de oogen langzaam op en vestigde op André een blik, dien hij wel belangwekkend vond, maar die hem nogtans niet zeer aangenaam aandeed. Evenwel verdween die ongunstige indruk, toen zich over Sarah's gelaat een glimlach verspreidde; de statige, wellevende glimlach der matrone van goeden huize, zou men gezegd hebben, die zich in stilte vermaakt met een onschuldigen inval.

—"Ik wenschte wel, mijnheer," zeide zij, "dat gij die vraag niet enkel uit nieuwsgierigheid gedaan hadt."

—"Waarom, Sarah? Mag ik niet nieuwsgierig zijn te weten, of dokter Ruardi en zeker iemand elkander van nabij bestaan?"

—"Van mogen of niet mogen is geene spraak, mijnheer; maar indien ik aan uw verlangen voldeed, zou het u aanstonds spijten, door mij ingelicht te zijn. Het is immers waar, dat uwe aanstaande hier zal komen logeren?"

—"Mij dunkt, Sarah," zeide André, eenigszins geraakt over die vrijpostige wedervraag, "dat gij en ik, waar het op nieuwsgierigheid aankomt, elkander niets te verwijten hebben. Nu ja, er is spraak van, dat jufvrouw Visscher eenige dagen ten huize van freule Steinmetz zal komen doorbrengen; maar wat zou dat?"

—"Vergeef mij, mijnheer, ik wilde zeggen, dat uw engagement met jufvrouw Visscher het voor u eene onverschillige zaak doet zijn, te weten of niet te weten, wie dokter Ruardi is."

—"Ik bid u, Sarah, laat ons over iets anders spreken. Dokter Ruardi heeft met mijn engagement niets te maken."

Sarah deed alsof zij wilde vertrekken; André alsof hij gaarne alleen wilde zijn. Doch de een wist nog niet hetgeen hij verlangde te weten, en de ander moest nog zeggen hetgeen zij op het hart had.

—"Ik erken, mijnheer," zeide zij, "dat mijn toon u ongepast moet voorkomen; doch indien gij wist hoe hartelijk ik aan mevrouw Dijk gehecht ben, zoudt gij mij ongetwijfeld mijne onbescheidenheid ten goede houden."

—"Is mevrouw Dijk dan ook al in de zaak betrokken? Gij wordt hoe langer hoe duisterder, Sarah."

—"Mevrouw Dijk is de hoofdpersoon, mijnheer; doch indien zij kennis droeg van hetgeen ik u thans mededeel, zou ik voor altijd hare genegenheid verbeuren. En hare genegenheid is voor mij alles waard.".

—"Hetgeen gij mij thans mededeelt? Gij deelt mij integendeel niets ter wereld mede, en ik vraag mij nog altijd af wat gij eigenlijk zeggen wilt."

—"Belooft gij mij op uw woord van eer, mijnheer Kortenaer, dat hetgeen ik u zeggen zal een diep geheim zal blijven? Dat mevrouw Dijk daarvan nimmer iets bemerken zal?"

—"Dat spreekt, Sarah. Maar indien hetgeen ik van u vernemen zal niet duidelijker is dan hetgeen ik tot hiertoe te weten kwam, zal ik voor mevrouw Dijk niet veel te verbergen hebben."

—"Nu dan, dokter Ruardi,... doch ik kan er staat op maken, niet waar, dat gij mij niet verklappen zult?" fluisterde Sarah.

—"Wilt gij zeggen dat dokter Ruardi mevrouw Dijk het hof maakt?"

—"Wat erger is, mijnheer, hij vervolgt haar met zijne beleefdheden tot in haar eigen huis."

—"Mij dunkt, tegen dat ongerief is kruid gewassen. Aan lastige minnaars wijst men de deur."

—"Doch indien die minnaar de vriend des huizes is? Indien de heer des huizes geen kwaad van hem kan hooren spreken? Indien men geen afkeer, zelfs geene onverschilligheid kan laten blijken, zonder vijandschap te stichten en opspraak te verwekken? Neen, mijnheer Kortenaer, er is maar één middel om mevrouw Dijk van de vervolgingen van dokter Ruardi te verlossen, zonder in de plaats van het eene kwaad een ander en grooter te brouwen."

—"En waarin zou dat middel bestaan?"

—"Dat weet ik niet, mijnheer. Of liever, het zou niet baten het u te noemen; en daarom spijt het mij dat gij naar dokter Ruardi gevraagd hebt. Dingen, die niet gebeuren kunnen, al zou men het nog zoo gaarne willen, moet men zich uit het hoofd zetten."

—"Hoor eens, Sarah, mijn eerbied voor mevrouw Dijk is zoo groot, dat ik er mij in verheugen zal, haar op de eene of andere wijze van dienst te kunnen zijn. Zeg mij uw plan, en ik zal zien."

—"Mijn denkbeeld is onuitvoerbaar, mijnheer, en dat grieft mij het meest. Ik zou willen, dat iemand zich ongemerkt tusschen mevrouw Dijk en dokter Ruardi plaatste; dat mevrouw Dijk in de gelegenheid werd gesteld, hare genegenheid in schijn op iemand anders te vestigen, en zoo te vestigen, dat dokter Ruardi van alle verdere pogingen om haar te behagen voor goed afzag. Doch ik vraag u, wat baat het, u met deze wenschen bekend te maken? Binnen weinige dagen zal jufvrouw Visscher uwe geheele aandacht in beslag nemen; ieder weet hier daarenboven, of zal weldra weten, dat gij geëngageerd zijt; dokter Ruardi zal geen oogenblik dupe zijn van de beleefdheden die mevrouw Dijk voor u zou kunnen hebben, en zoodra gij ons zult hebben verlaten, zal die goede mevrouw haar kruis weder moeten opnemen."

—"Gij hebt gelijk, Sarah: ik kan de dienst, waarvan gij spreekt, onmogelijk bewijzen."

—"Niet waar, mijnheer? Mijn plan is eene hersenschim. Hoe zoudt gij onder de oogen van jufvrouw Visscher, van wie gij doodelijk zijt, den schijn kunnen aannemen alsof tusschen mevrouw Dijk en u iets bestond? Niemand kan zulk eene rol spelen. Het zou eene onnatuurlijke, eene scheve, eene in alle opzigten valsche verhouding zijn."

—"Dat zou het, Sarah. Eene in alle opzigten valsche verhouding."

—"En waartoe zou het dienen? Al de belanghebbenden zouden u onmiddelijk in de kaart zien."

—"Onmiddelijk."

—"Het zou een komedie zijn zonder knoop, een vervelende roman zonder intrige."

—"Een vervelende roman."

—"Tenzij misschien jufvrouw Visscher er in toestemde, mede te spelen? In dat geval zou de knoop niet onaardig kunnen worden."

—"Jufvrouw Visscher zal zich daartoe nimmer leenen. Zij is een veel te gevoelig en veel te ernstig meisje voor zulk soort van aardigheden."

—"Dat dacht ik wel, mijnheer; en zonder u een kompliment te willen maken, voeg ik er bij: indien zij anders was, zoudt gij haar niet voor uwe aanstaande vrouw gekozen hebben."

—"Zoodat Sarah?"

—"Zoodat ik u verschooning vraag voor mijne dwaze praatjes, mijnheer. Hoe gaarne ik mevrouw Dijk ook van haren vervolger zou willen bevrijden, ik kan het denkbeeld niet verdragen, dat, buiten dokter Ruardi, iemand daardoor eenig leed ondervinden zou."

—"Dat is braaf van u. En mag ik nu eens even zien wat deze brief inhoudt?"

Sarah liet zich gedwee de konversatie opzeggen. Haar doel was bereikt. Met de enquête, die zij zich had voorgenomen in te stellen, behoefde zij niet op eenmaal gereed te komen. Zij wist nu voorshands genoeg van André.

Voor derden moest de toon van Emma's brieven iets te kinderlijks hebben. Het flinke in haar karakter kwam in haar korrespondentie niet tot zijn regt, en zij scheen alleen woorden te kunnen vinden voor eene zachtheid, die aan zoetheid grensde. Doch André genoot te zeer van het bezit van haren brief en van hetgeen daarin streelends was voor zijne fatuiteit, om door die eenzijdigheid getroffen te worden. Zich aangebeden te weten, was voor hem, zonder dat hij zich daarvan rekenschap gaf, de streelendste der gewaarwordingen; en een ingewijde zou het hem kunnen aanzien, dat hij op dit oogenblik meer dan louter een gevoel van welbehagen ondervond. De zelfvoldoening waarmede hij, alvorens zijne lektuur aan te vangen, een laatsten blik in zijn toiletspiegel wierp,—Emma zou, indien zij tegenwoordig had kunnen zijn bij die pantomime, tevreden zijn geweest over haar triomf.

Zij schreef:

"Maandag-ochtend."Ik neem dit blaadje uit mijne portefeuille, zonder te weten wanneer ik het opvouwen en verzenden zal. Dat zal afhangen van uwe eigen vlugheid in het schrijven. Zoo lang ik geen brief van u heb, volg ik het voorbeeld dier lieve ouders, wier kinderen zich in de Oost bevinden, en die iederen dag eenige regels voegen bij den brief, bestemd om met de eerstvolgende mail hun toegezonden te worden. Zoo lang zal het nu wel niet duren eer ik dezen op de post doe, maar wachten is wachten, en wanneer gij niet bij mij zijt, is het zoo goed alsof gij in de Oost waart."Ik zal eerlijk zijn en bekennen dat ik den geheelen nacht van u gedroomd heb. Waarom zijt gij ook zoo lief? Toen wij gisteren-avond aan het venster stonden, zou ik met u hebben willen wegvliegen naar die schitterende ster, boven de maan. Van ochtend vroeg zou ik gewild hebben, dat gij met mij in den tuin had kunnen wandelen, en op dit oogenblik wenschte ik dat gij tegenover mij zat, terwijl ik aan het schrijven ben. Helaas, mijnheer, men is uwe slavin of men is het niet!"Daareven ben ik, snuffelend in vaders woordenboeken, achter den franschen naam gekomen van het vogeltje, welks hollandsche de eer niet heeft u te behagen.Oiseau grenadierheet het, en nu behoef ik mij de fraaije snorren van mijn baardmannetje niet langer te schamen. "Ik acht een schoonen naam, die waardig wordt gedragen," en hij draagt den zijnen met even veel digniteit als zijne knevels. Doch gij, mijnheer, indien uw wijfje stierf, zoudt gij even als mijn baardmannetje en zijne stamgenooten wegkwijnen van verdriet? Neem mij niet kwalijk dat ik op dat punt overdreven nieuwsgierig en een weinig ongeloovig ben. Och, André, indien gij mij half zoo lief hadt als ik u, gij zoudt... Doch ik behoef u niet bepaald dwaasheden te zeggen."De tuinman is ons van ochtend eene nieuwe stamroos komen brengen, eeneFrançois premier. Zij is donkerrood met een vol hart en ruikt overheerlijk. Ik vrees alleen dat ik haar niet zal kunnen aanzien zonder dikwijls aan de arme vrouwen te denken, die koning Frans ongelukkig gemaakt heeft. De bloem is prachtig en herinnert aan de warme kleuren van Titiaans portret, op het Trippenhuis te Amsterdam. Maar voor eene nieuwe roos vind ik den naam ongelukkig gekozen. Waarom nietRomeo? Waarom nietAbélard? Bijna schreef ik,—doch ik heb mij nu eenmaal voorgenomen geene dwaasheden te zeggen,—waarom nietAndré?"Omtrent de ontvangst bij uw oom zult gij mij wel het noodige schrijven, ook al vraag ik daar niet naar. Droom ik voor een keer dat gij mij niet liefhebt, of dat men mij van u scheiden wil (doch gelukkig gebeurt dat bijna nooit), dan is altijd uw oom de persoon, die zich tusschen u en mij komt plaatsen. Ik heb hem maar eenmaal in mijn leven gezien en zou geene dragelijke reden kunnen aanvoeren voor de vrees die hij mij inboezemt. Doch ik ben bang voor hem; en (ach, wanneer zult ook gij aan voorgevoelens gelooven!) eene geheime stem zegt mij dat ik hem geen onregt doe."Een nieuwtje. Van avond komt Miss Sampson, de vrouwelijke Numa Pompilius van mijne jeugd, thee bij ons drinken. Tot mijne spijt wil moeder haar voor eene week te logeren vragen, wanneer de familie op Jagtlust, waar zij op dit oogenblik geherbergd is, genoeg van haar hebben zal. Ook met haar ben ik maar half op mijn gemak. Zij is met den tijd geheel en al eene schooljufvrouw geworden en behandelt alle menschen als kostmeisjes. Toen zij nog maar de secondante was, vond ik haar veel liever. Vrees niet, wanneer wij getrouwd zullen zijn, datikhaar te logeren vragen zal. Oude vrijsters voegen niet in jonge huishoudens, en wanneer ik kiezen moet, zie ik liever tien van uwe vrienden komen dan één Miss."Van die vrienden van u hoop ik nog eenmaal partij te trekken, dat weet gij. Het minst dat gij koel tegen mij zijt, word ik koket en maak ik u jaloersch. Dat zal eene voortreffelijke uitwerking doen. Of kunt gij niet jaloersch worden? In antwoord op die vraag zie ik u fijntjes glimlagchen; doch ik stoor mij niet aan dien spot, en zal mij te mijner tijd weten te wreken. Dit voorspel ik u, dat indien gij immer ophoudt mij het hof te maken, en gij een dier akelige getrouwde mannen wordt gelijk ik er sommige ken, gij weinig genoegen aan mij beleven zult."Waarom heb ik u lief? Waarom heb ik mijn hart geschonken aan een man die mij uitlacht, mij drilt, mij tiranniseert, mij op alle mogelijke wijzen doet gevoelen dat de vrouwen zwijgen moeten in de vergadering? Helaas, al werd ik honderd jaren oud, dat raadsel, vrees ik, zou onopgelost blijven. En toch zeggen de wijze menschen dat alles eene reden heeft! Lieve hemel, heeft dit geschrijf dan eene reden? Ik vrees integendeel dat het de zinneloosheid-zelve is.""Dinsdag-ochtend."Nadat ik u geschreven had, is de tijd gisteren mij minder lang gevallen dan ik had durven hopen... Ondankbare die ik ben! Men zou de liefde gaan haten, wanneer men bemerkt hoe zelfzuchtig zij maakt. De twee wezens, van wie ik na u op deze wereld het meest houd, hebben mij den genoegelijksten dag bezorgd dien men bedenken kan; en ik spreek alsof de trage uren langzaam omgekropen waren en ik de minuten had zitten tellen in eene gevangenis, even als weleer op de hangklok in de schoolkamer van Miss Sampson!"Of er dan zooveel bijzonders gebeurd is? O neen, maar alles hangt af van de wijze waarop en de stemming waarin. Wanneer ik u zeg dat vader gisteren-avond een uur lang kollege heeft staan geven over het dames-toilet van den tegenwoordigen tijd, zult gij mij begrijpen. Gij glimlacht, niet om vader, maar om mij? Nu ja dan, gisteren-middag vóór het eten ben ik met moeder naar de stad gereden en hebben wij ons hart opgehaald aan de heerlijkheden van de WedeMuller en Cie. Ik plaagde moeder, en beweerde dat zij mij behoefte aan eene afleiding toedichtte, ten einde voor zich zelve een nieuwen hoed te kunnen koopen; en zij plaagde mij weerom met te zeggen, dat ik sedert mijne kennismaking met u al mijn zelfvertrouwen in het kiezen van parasols en handschoenen verloren had. Doch de vrolijkheid begon eerst regt, toen na het eten de WedeMuller in persoon, gevolgd door een knecht met eene groote doos aan den arm, bij ons kwam aanzetten. Wij hadden er op gerekend, moeder en ik, dat vader ons met de noodige sermoenen bestormen zou; zoodat onze voorzorgen genomen waren. Er was geen enkele schotel op tafel verschenen, waar niet iets extra's aan was; en aan het dessert had hij bij zijne koffij zijn geparfumeerdst likeurtje en zijn geurigste sigaar gehad. In het gevoel dier goede werken en van hun apaiserend vermogen, wachtten wij dan ook de komst der modiste onverschrokken af en gaven bij haar binnentreden geen enkel blijk van ontsteltenis of verlegenheid. Doch het was vreeselijk, kan ik u zeggen. Er werd betoogd dat elke vrouw gekleed behoorde te gaan overeenkomstig hare eigen taille en haar eigen teint; dat de mode niets anders was als iets dat goed stond aan de eene of andere aanzienlijke dame buitenslands; dat andere vrouwen, die ook hare bekoorlijkheden hadden, maar toevallig niet op die dame geleken, uitzinnig handelden met juist zoo gekleed te willen gaan als zij; dat moeders nieuwe hoed geen hoed, maar voor het overige onberispelijk was; dat van de kleedjes, waaruit wij eene keus wenschten te doen, of het dessin misteekend was, of de kleuren schreeuwden, of het weefsel te wenschen overliet; in één woord, dat wij ons geld in het water wierpen, of zouden werpen, of reeds geworpen hadden. De modiste zette bij dit alles een onnavolgbaar gezigt. Een menschenkenner zou er uit gelezen hebben, dat zij haar dierbaar vak met de grootste gelatenheid nog tien maal smadelijker zou hebben laten verguizen, indien slechts alle hoofden van huisgezinnen, even als mijn engel van een vader, met een geopend oog voor de zwakke zijden van hare industrie, blindelings hare nota's voldeden."Woensdag-ochtend."Vader heeft zich opgesloten in zijn atelier. Hij verkeert in den waan, dat wij niet weten waarom; doch onze liefde voor hem heeft ons sedert lang zijn geheim op het spoor doen komen. Ik hoop, André, neen ik weet zeker, dat gij hoe langer hoe meer van vader zult gaan houden. Hij is de beste vader en de liefste man, die ooit geleefd heeft. Onze modemaaksters vervelen hem, en hij heeft alle moeite om niet korzelig te worden, wanneer zij hare wijsheid en hare doozen komen ontpakken. Doch ofschoon God weet, dat hij sedert den dood van Reinier reden heeft om somtijds mistroostig te zijn, denkt gij dat hij moeder of mij op eenigerlei wijze zal laten blijken, hoe hij te worstelen heeft met zijn humeur? Nooit bemerken wij iets daarvan. Zijn stelregel is, dat een man behoort te waken over zijne luimen en middelen moet verzinnen om, indien het noodig is, zichzelven onschadelijk te maken. En dat doet hij met voorbeeldige trouwhartigheid. De ijver waarmede hij op dit oogenblik zit te schilderen is niets anders, wil ik wedden, als een voorwendsel; en wanneer hij van middag aan tafel verschijnt, zal niemand het hem kunnen aanzien, hoe hij geleden en gestreden heeft. Zoo is hij. Het leven is eene zaak die de krachten der meeste menschen te boven gaat, beweert hij, en volgens hem zou de geheele wereld van adel moeten zijn, indien men wilde dat nooit ergens de plaats der liefde werd ingenomen door stuurschheid of onverschilligheid. Nu, hij is van adel; en indien ik zijn bloed niet onwaardig ben, zult gij u mijne afkomst tegenover niemand behoeven te schamen."Donderdag-avond."Dezen ochtend eerst heb ik uw brief ontvangen. In 's hemelsnaam! Men kan van den Duinendaalschen bode de volmaaktheid niet vergen; en is hij langzaam, hij is ten minste getrouw. Zeer getrouw zelfs, want van uwe twaalf blaadjes is onderweg geen enkel zoek geraakt. Doch stil, het schreijen staat mij nader dan het lagchen, en zoo ik scherts, is het om mijn verdriet te verzetten. Wat? heeft uw oom u van mij weggetroond? Heeft hij een middel bedacht om u voor eene poos van Duinendaal te verwijderen? Welnu, hij doe wat hij niet laten kan. Speel vrij den boozen geest, oom Bertram, gij zult Robert niet van Alice, Alice van haren Robert niet scheiden! Foei, ik wilde dat die man geen familie van u was. Zijn toeleg is inderdaad al te doorzigtig, en ik zou u onregt doen, indien ik u ried op uwe hoede te zijn. Geloof mij, André: uw oom heeft plannen met die mevrouw Dijk. Gij schrijft dat zij niet jong, niet mooi, niet vriendelijk is: ik wil het wel gelooven, maar een onbedriegelijk voorgevoel zegt mij, dat gij met geen ander doel naar M. gezonden zijt als om u van mij te vervreemden."Mag ik volkomen opregt zijn? Uw brief maakt mij ongerust. Kinderachtig, niet waar? Doch het is zoo. Wat ik op het hart heb, deel ik u thans nog niet mede. Den geheelen dag ben ik er mede bezig geweest, doch ik moet de regte woorden nog vinden. Misschien vind ik ze morgen, misschien eerst over een paar dagen; doch zoo lang mag ik u niet zonder antwoord laten. Daarom zal ik dezen nu sluiten en hem voor het venster zetten; dan neemt de postbode hem morgen-ochtend tijdig mede naar de stad."Doch laat ik mijzelve, eer ik naar bed ga, nog even uitlagchen. Uw oom, met zijne ruwe manieren, is inderdaad een potsierlijke Mefistofeles, en ik ben wel goed, mij om zijnentwil het hoofd te breken. Hoe grappig zou het zijn, indien wij hem vangen konden in zijne eigen netten! Verbeeld u dat gij den schijn aannaamt, alsof die mevrouw Dijk u plotseling betooverd had, en mijnheer de ex-minister zich daardoor ontheven waande van de zorg, mij eenmaal als zijn nichtje te moeten erkennen? O, wat al middelen zou ik u aan de hand doen om hem in het ootje te nemen! Hoe zou ik mij uitputten in kunstgrepen om het hoofd dier kokette dame door u op hol te doen brengen! En wanneer uw lieve oom zich dan deugdelijk verbeeldde het spel zoo goed als gewonnen te hebben; wanneer hij nog slechts op een briefje van u wachtte, met berigt dat ons engagement verbroken was,—hoe onbeschrijfelijk aardig zou ik het dan vinden, met u eene deftige visite bij hem te gaan maken en hem te vragen tegenwoordig te willen zijn bij onze bruiloft!... Maar neen, neen, neen, weg met die valsche vrolijkheid! Onze liefde, verstaat gij André? is te heilig om door zulke vertooningen bezoedeld te worden. Ikbenniet bang voor u of voor mij; ik maak mijnietongerust over uwe afwezigheid. Eenmaal heb ik gezworen, u levenslang te zullen liefhebben; en de overtuiging dat gij mij toebehoort, even als ik u, is zoo diep in mijne ziel geworteld, dat men mij om het leven zou moeten brengen om mij haar te ontnemen. Fladder dus vrij, lieve man! Ik weet wel waar het bloempje bloeit, waarop mijn vlinder te allen tijde weder zal komen nederstrijken.Gij zijt van mij, bedenk dat wel, en beproef maar niet (het zou u toch niet baten) daar iets aan te veranderen. In gedachten neem ik uw blond hoofd tusschen mijne beide handen en kus u zachtjes op de oogen. Zoo is het goed. En wil ik nu de kroon zetten op mijne barmhartigheden? Nu dan, ik belast u met mijne vriendelijke groeten voor mijnheer Adriaan en mevrouw Lidewyde!"

"Maandag-ochtend.

"Ik neem dit blaadje uit mijne portefeuille, zonder te weten wanneer ik het opvouwen en verzenden zal. Dat zal afhangen van uwe eigen vlugheid in het schrijven. Zoo lang ik geen brief van u heb, volg ik het voorbeeld dier lieve ouders, wier kinderen zich in de Oost bevinden, en die iederen dag eenige regels voegen bij den brief, bestemd om met de eerstvolgende mail hun toegezonden te worden. Zoo lang zal het nu wel niet duren eer ik dezen op de post doe, maar wachten is wachten, en wanneer gij niet bij mij zijt, is het zoo goed alsof gij in de Oost waart.

"Ik zal eerlijk zijn en bekennen dat ik den geheelen nacht van u gedroomd heb. Waarom zijt gij ook zoo lief? Toen wij gisteren-avond aan het venster stonden, zou ik met u hebben willen wegvliegen naar die schitterende ster, boven de maan. Van ochtend vroeg zou ik gewild hebben, dat gij met mij in den tuin had kunnen wandelen, en op dit oogenblik wenschte ik dat gij tegenover mij zat, terwijl ik aan het schrijven ben. Helaas, mijnheer, men is uwe slavin of men is het niet!

"Daareven ben ik, snuffelend in vaders woordenboeken, achter den franschen naam gekomen van het vogeltje, welks hollandsche de eer niet heeft u te behagen.Oiseau grenadierheet het, en nu behoef ik mij de fraaije snorren van mijn baardmannetje niet langer te schamen. "Ik acht een schoonen naam, die waardig wordt gedragen," en hij draagt den zijnen met even veel digniteit als zijne knevels. Doch gij, mijnheer, indien uw wijfje stierf, zoudt gij even als mijn baardmannetje en zijne stamgenooten wegkwijnen van verdriet? Neem mij niet kwalijk dat ik op dat punt overdreven nieuwsgierig en een weinig ongeloovig ben. Och, André, indien gij mij half zoo lief hadt als ik u, gij zoudt... Doch ik behoef u niet bepaald dwaasheden te zeggen.

"De tuinman is ons van ochtend eene nieuwe stamroos komen brengen, eeneFrançois premier. Zij is donkerrood met een vol hart en ruikt overheerlijk. Ik vrees alleen dat ik haar niet zal kunnen aanzien zonder dikwijls aan de arme vrouwen te denken, die koning Frans ongelukkig gemaakt heeft. De bloem is prachtig en herinnert aan de warme kleuren van Titiaans portret, op het Trippenhuis te Amsterdam. Maar voor eene nieuwe roos vind ik den naam ongelukkig gekozen. Waarom nietRomeo? Waarom nietAbélard? Bijna schreef ik,—doch ik heb mij nu eenmaal voorgenomen geene dwaasheden te zeggen,—waarom nietAndré?

"Omtrent de ontvangst bij uw oom zult gij mij wel het noodige schrijven, ook al vraag ik daar niet naar. Droom ik voor een keer dat gij mij niet liefhebt, of dat men mij van u scheiden wil (doch gelukkig gebeurt dat bijna nooit), dan is altijd uw oom de persoon, die zich tusschen u en mij komt plaatsen. Ik heb hem maar eenmaal in mijn leven gezien en zou geene dragelijke reden kunnen aanvoeren voor de vrees die hij mij inboezemt. Doch ik ben bang voor hem; en (ach, wanneer zult ook gij aan voorgevoelens gelooven!) eene geheime stem zegt mij dat ik hem geen onregt doe.

"Een nieuwtje. Van avond komt Miss Sampson, de vrouwelijke Numa Pompilius van mijne jeugd, thee bij ons drinken. Tot mijne spijt wil moeder haar voor eene week te logeren vragen, wanneer de familie op Jagtlust, waar zij op dit oogenblik geherbergd is, genoeg van haar hebben zal. Ook met haar ben ik maar half op mijn gemak. Zij is met den tijd geheel en al eene schooljufvrouw geworden en behandelt alle menschen als kostmeisjes. Toen zij nog maar de secondante was, vond ik haar veel liever. Vrees niet, wanneer wij getrouwd zullen zijn, datikhaar te logeren vragen zal. Oude vrijsters voegen niet in jonge huishoudens, en wanneer ik kiezen moet, zie ik liever tien van uwe vrienden komen dan één Miss.

"Van die vrienden van u hoop ik nog eenmaal partij te trekken, dat weet gij. Het minst dat gij koel tegen mij zijt, word ik koket en maak ik u jaloersch. Dat zal eene voortreffelijke uitwerking doen. Of kunt gij niet jaloersch worden? In antwoord op die vraag zie ik u fijntjes glimlagchen; doch ik stoor mij niet aan dien spot, en zal mij te mijner tijd weten te wreken. Dit voorspel ik u, dat indien gij immer ophoudt mij het hof te maken, en gij een dier akelige getrouwde mannen wordt gelijk ik er sommige ken, gij weinig genoegen aan mij beleven zult.

"Waarom heb ik u lief? Waarom heb ik mijn hart geschonken aan een man die mij uitlacht, mij drilt, mij tiranniseert, mij op alle mogelijke wijzen doet gevoelen dat de vrouwen zwijgen moeten in de vergadering? Helaas, al werd ik honderd jaren oud, dat raadsel, vrees ik, zou onopgelost blijven. En toch zeggen de wijze menschen dat alles eene reden heeft! Lieve hemel, heeft dit geschrijf dan eene reden? Ik vrees integendeel dat het de zinneloosheid-zelve is."

"Dinsdag-ochtend.

"Nadat ik u geschreven had, is de tijd gisteren mij minder lang gevallen dan ik had durven hopen... Ondankbare die ik ben! Men zou de liefde gaan haten, wanneer men bemerkt hoe zelfzuchtig zij maakt. De twee wezens, van wie ik na u op deze wereld het meest houd, hebben mij den genoegelijksten dag bezorgd dien men bedenken kan; en ik spreek alsof de trage uren langzaam omgekropen waren en ik de minuten had zitten tellen in eene gevangenis, even als weleer op de hangklok in de schoolkamer van Miss Sampson!

"Of er dan zooveel bijzonders gebeurd is? O neen, maar alles hangt af van de wijze waarop en de stemming waarin. Wanneer ik u zeg dat vader gisteren-avond een uur lang kollege heeft staan geven over het dames-toilet van den tegenwoordigen tijd, zult gij mij begrijpen. Gij glimlacht, niet om vader, maar om mij? Nu ja dan, gisteren-middag vóór het eten ben ik met moeder naar de stad gereden en hebben wij ons hart opgehaald aan de heerlijkheden van de WedeMuller en Cie. Ik plaagde moeder, en beweerde dat zij mij behoefte aan eene afleiding toedichtte, ten einde voor zich zelve een nieuwen hoed te kunnen koopen; en zij plaagde mij weerom met te zeggen, dat ik sedert mijne kennismaking met u al mijn zelfvertrouwen in het kiezen van parasols en handschoenen verloren had. Doch de vrolijkheid begon eerst regt, toen na het eten de WedeMuller in persoon, gevolgd door een knecht met eene groote doos aan den arm, bij ons kwam aanzetten. Wij hadden er op gerekend, moeder en ik, dat vader ons met de noodige sermoenen bestormen zou; zoodat onze voorzorgen genomen waren. Er was geen enkele schotel op tafel verschenen, waar niet iets extra's aan was; en aan het dessert had hij bij zijne koffij zijn geparfumeerdst likeurtje en zijn geurigste sigaar gehad. In het gevoel dier goede werken en van hun apaiserend vermogen, wachtten wij dan ook de komst der modiste onverschrokken af en gaven bij haar binnentreden geen enkel blijk van ontsteltenis of verlegenheid. Doch het was vreeselijk, kan ik u zeggen. Er werd betoogd dat elke vrouw gekleed behoorde te gaan overeenkomstig hare eigen taille en haar eigen teint; dat de mode niets anders was als iets dat goed stond aan de eene of andere aanzienlijke dame buitenslands; dat andere vrouwen, die ook hare bekoorlijkheden hadden, maar toevallig niet op die dame geleken, uitzinnig handelden met juist zoo gekleed te willen gaan als zij; dat moeders nieuwe hoed geen hoed, maar voor het overige onberispelijk was; dat van de kleedjes, waaruit wij eene keus wenschten te doen, of het dessin misteekend was, of de kleuren schreeuwden, of het weefsel te wenschen overliet; in één woord, dat wij ons geld in het water wierpen, of zouden werpen, of reeds geworpen hadden. De modiste zette bij dit alles een onnavolgbaar gezigt. Een menschenkenner zou er uit gelezen hebben, dat zij haar dierbaar vak met de grootste gelatenheid nog tien maal smadelijker zou hebben laten verguizen, indien slechts alle hoofden van huisgezinnen, even als mijn engel van een vader, met een geopend oog voor de zwakke zijden van hare industrie, blindelings hare nota's voldeden.

"Woensdag-ochtend.

"Vader heeft zich opgesloten in zijn atelier. Hij verkeert in den waan, dat wij niet weten waarom; doch onze liefde voor hem heeft ons sedert lang zijn geheim op het spoor doen komen. Ik hoop, André, neen ik weet zeker, dat gij hoe langer hoe meer van vader zult gaan houden. Hij is de beste vader en de liefste man, die ooit geleefd heeft. Onze modemaaksters vervelen hem, en hij heeft alle moeite om niet korzelig te worden, wanneer zij hare wijsheid en hare doozen komen ontpakken. Doch ofschoon God weet, dat hij sedert den dood van Reinier reden heeft om somtijds mistroostig te zijn, denkt gij dat hij moeder of mij op eenigerlei wijze zal laten blijken, hoe hij te worstelen heeft met zijn humeur? Nooit bemerken wij iets daarvan. Zijn stelregel is, dat een man behoort te waken over zijne luimen en middelen moet verzinnen om, indien het noodig is, zichzelven onschadelijk te maken. En dat doet hij met voorbeeldige trouwhartigheid. De ijver waarmede hij op dit oogenblik zit te schilderen is niets anders, wil ik wedden, als een voorwendsel; en wanneer hij van middag aan tafel verschijnt, zal niemand het hem kunnen aanzien, hoe hij geleden en gestreden heeft. Zoo is hij. Het leven is eene zaak die de krachten der meeste menschen te boven gaat, beweert hij, en volgens hem zou de geheele wereld van adel moeten zijn, indien men wilde dat nooit ergens de plaats der liefde werd ingenomen door stuurschheid of onverschilligheid. Nu, hij is van adel; en indien ik zijn bloed niet onwaardig ben, zult gij u mijne afkomst tegenover niemand behoeven te schamen.

"Donderdag-avond.

"Dezen ochtend eerst heb ik uw brief ontvangen. In 's hemelsnaam! Men kan van den Duinendaalschen bode de volmaaktheid niet vergen; en is hij langzaam, hij is ten minste getrouw. Zeer getrouw zelfs, want van uwe twaalf blaadjes is onderweg geen enkel zoek geraakt. Doch stil, het schreijen staat mij nader dan het lagchen, en zoo ik scherts, is het om mijn verdriet te verzetten. Wat? heeft uw oom u van mij weggetroond? Heeft hij een middel bedacht om u voor eene poos van Duinendaal te verwijderen? Welnu, hij doe wat hij niet laten kan. Speel vrij den boozen geest, oom Bertram, gij zult Robert niet van Alice, Alice van haren Robert niet scheiden! Foei, ik wilde dat die man geen familie van u was. Zijn toeleg is inderdaad al te doorzigtig, en ik zou u onregt doen, indien ik u ried op uwe hoede te zijn. Geloof mij, André: uw oom heeft plannen met die mevrouw Dijk. Gij schrijft dat zij niet jong, niet mooi, niet vriendelijk is: ik wil het wel gelooven, maar een onbedriegelijk voorgevoel zegt mij, dat gij met geen ander doel naar M. gezonden zijt als om u van mij te vervreemden.

"Mag ik volkomen opregt zijn? Uw brief maakt mij ongerust. Kinderachtig, niet waar? Doch het is zoo. Wat ik op het hart heb, deel ik u thans nog niet mede. Den geheelen dag ben ik er mede bezig geweest, doch ik moet de regte woorden nog vinden. Misschien vind ik ze morgen, misschien eerst over een paar dagen; doch zoo lang mag ik u niet zonder antwoord laten. Daarom zal ik dezen nu sluiten en hem voor het venster zetten; dan neemt de postbode hem morgen-ochtend tijdig mede naar de stad.

"Doch laat ik mijzelve, eer ik naar bed ga, nog even uitlagchen. Uw oom, met zijne ruwe manieren, is inderdaad een potsierlijke Mefistofeles, en ik ben wel goed, mij om zijnentwil het hoofd te breken. Hoe grappig zou het zijn, indien wij hem vangen konden in zijne eigen netten! Verbeeld u dat gij den schijn aannaamt, alsof die mevrouw Dijk u plotseling betooverd had, en mijnheer de ex-minister zich daardoor ontheven waande van de zorg, mij eenmaal als zijn nichtje te moeten erkennen? O, wat al middelen zou ik u aan de hand doen om hem in het ootje te nemen! Hoe zou ik mij uitputten in kunstgrepen om het hoofd dier kokette dame door u op hol te doen brengen! En wanneer uw lieve oom zich dan deugdelijk verbeeldde het spel zoo goed als gewonnen te hebben; wanneer hij nog slechts op een briefje van u wachtte, met berigt dat ons engagement verbroken was,—hoe onbeschrijfelijk aardig zou ik het dan vinden, met u eene deftige visite bij hem te gaan maken en hem te vragen tegenwoordig te willen zijn bij onze bruiloft!... Maar neen, neen, neen, weg met die valsche vrolijkheid! Onze liefde, verstaat gij André? is te heilig om door zulke vertooningen bezoedeld te worden. Ikbenniet bang voor u of voor mij; ik maak mijnietongerust over uwe afwezigheid. Eenmaal heb ik gezworen, u levenslang te zullen liefhebben; en de overtuiging dat gij mij toebehoort, even als ik u, is zoo diep in mijne ziel geworteld, dat men mij om het leven zou moeten brengen om mij haar te ontnemen. Fladder dus vrij, lieve man! Ik weet wel waar het bloempje bloeit, waarop mijn vlinder te allen tijde weder zal komen nederstrijken.Gij zijt van mij, bedenk dat wel, en beproef maar niet (het zou u toch niet baten) daar iets aan te veranderen. In gedachten neem ik uw blond hoofd tusschen mijne beide handen en kus u zachtjes op de oogen. Zoo is het goed. En wil ik nu de kroon zetten op mijne barmhartigheden? Nu dan, ik belast u met mijne vriendelijke groeten voor mijnheer Adriaan en mevrouw Lidewyde!"

Arme Emma! Even trotsch als zij op haren bruidegom geweest zou zijn, toen hij haar brief nog lezen moest, even vreemd zou zij hebben opgezien,—neen, even snel zou op haar lieve wangen het blosje der vreugde verschoten zijn, even popelend zou haar hartje geklopt hebben, even onheilspellend zou zij haren moed en hare grootmoedigheid in hare nette schoentjes hebben voelen zinken, indien zij getuige had kunnen zijn van den ernst en de deftigheid, waarmede André, aan het einde van haren epistel genaderd, dien weder opvouwde, hem wegschoof in den half gescheurden enveloppe, zijne zakportefeuille voor den dag haalde en met een nadenkend gelaat de kamer verliet. Doch dit goede heeft de onwetendheid, dat sommige verwonderingen door haar toedoen ons voor een tijd bespaard blijven. Bovendien zou het onbillijk geweest zijn, omdat André het voorhoofd fronste en een peinzende trek zich om zijnen mond plooide, daaruit af te leiden dat hij voor het innemende in Emma's brief ongevoelig was. Indien een jager geen wreedaard is, alleen omdat hij er behagen in schept het wild op de daad te betrappen, hoe zou een jonge man, gelijk André, tenzij hij een monster ware, en dat was André in geenen deele,—koel kunnen blijven bij het besef, dat onder het zijden lint van zijn zakboekje, en derhalve in de onmiddelijke nabijheid van zijne borst, een hart vol liefde klopte? Dat zulke harten niet dagelijks voorkomen, is op zichzelf reeds genoeg om aan hun bestaan zekere waarde te doen hechten; en André was in de laatste maanden te wijs geworden om niet te gevoelen, dat Emma vergelijkenderwijs eene uitzondering verdiende te heeten. Doch hoe bereid men hem ook vinden mogt toe te geven, dat de minste vrouwen een vrouwenhart bezitten en de prijs van Emma's liefde daardoor niet weinig verhoogd werd, hij was op dit oogenblik te zeer met eene bepaalde gedachte vervuld om aan de teederheid van haar schrijven volkomen regt te laten wedervaren. Een eerst door haar opgenomen en toen door haar verworpen denkbeeld, waarvan hij moeijelijk scheiden kon, speelde hem door het brein; en zoo geschiedde het dat de opwelling van genegenheid, waarmede hij haren brief ter hand had genomen, gesmoord werd in eene kombinatie, die het hart koeler liet, naarmate zij meer inspanning vorderde van het verstand.

Het kantoor van Adriaan Dijk was in het geheel niet een dier wijdluftige gebouwen gelijk in onze eeuw het Krediet in alle groote steden doet verrijzen. Het geleek noch op een spoorweg-station, noch op een ander Felix Meritis. Ook was het geen vertimmerd heerenhuis uit den goeden ouden tijd, welks nieuwe en welligt insolide bestemming herkend wordt aan een geschilderd naambord boven of nevens de deur. Het was—en deskundigen mogen beslissen of de goede zaak der architektuur hierbij won of verloor—het was een pakhuis, zes zolders hoog, met eene reusachtige poort tot hoofdingang, aan wier eene zijde zich twee of drie zoo niet bewoonbare, of overvloedig verlichte, dan toch ruime en stevig gebouwde vertrekken bevonden. Gedurende even zoo vele geslachten op zijn minst als het pakhuis verdiepingen telde, had de firma Dijk in het voornaamste dier vertrekken—in de twee anderen arbeidden een boekhouder en klerken—zaken gedaan; en dat die zaken niet onvoordeelig waren geweest, daarvan getuigde de meer dan gewone welvaart, te midden waarvan het tegenwoordig hoofd der firma leefde. Het was een familietrek in dit geslacht, dat zijne leden van oudsher de toepassing van het begrip comfort voor hunne woonhuizen bewaard hadden, en hun geld hadden verdiend in eene werkplaats, die meer naar eene spelonk dan naar eene kamer geleek. De vader, de grootvader, de overgrootvader,—al de Dijken hadden het gedurende tien of twaalf uren daags voor lief genomen met een vertrek, welks donkergeel geverfde zolder van lieverlede zwart gewalmd was, eerst door smeerkaarsen, later door olielampen, nog later door gasvlammen; welks wanden beschoten waren met getraliede schuifdeuren, waarachter grootboeken en journalen van ouder en jonger dagteekening grijnzend in het gelid stonden geschaard; welks eentoonige aanblik alleen afgewisseld werd door eene stijve dekoratie van opgeplakte kantoor-almanakken, en in welks midden, als eenig en sober ameublement, eene groote dubbele lessenaar stond voor vier personen, omgeven door even zoo vele ouderwetsche leuningstoelen van bruingeschilderd hout met zittingen van weleer zeegroen katoen-damast. Toen Adriaan nog een kind was en zijn vader hem somtijds medenam naar het kantoor, had hij van dat alles weinig of niets bemerkt; hij wist toen niet beter, of het behoorde zoo. Naderhand, in zijne dandy-dagen, had hij er zich aan geërgerd en was het voorvaderlijk kantoor hem toegeschenen, het voorkomen aan te bieden van een paardenstal. Thans, en sedert hij zelf als chef van het huis was opgetreden, gevoelde hij zich in dien stal volkomen op zijn gemak. Hij prees nu zijne voorouders om de scheiding die zij gemaakt hadden tusschen hunne tabak en hunne weelde; zou aan dat dualisme, dat hij zoo niet als een onderpand van soliditeit, dan toch als een zinnebeeld daarvan had leeren aanmerken, niets hebben willen veranderen, en sleet met een gerust geweten het grootste gedeelte zijner dagen aan de zijde van een venster, dat geen ander uitzigt aanbood als de bijna eenzame kade der achtergracht waaraan het pakhuis gelegen was.

—"Ga zitten, Ruardi," zeide hij, toen de dokter op het bepaalde middaguur eensklaps voor hem stond. "Gij zijt een man van de klok."

—"Is uw neef nog niet hier?"

—"Zoo als gij ziet; maar ik twijfel niet, of wij zullen hem onmiddelijk zien verschijnen. Ik heb Sarah opgedragen hem te verwittigen dat hij u van middag hier vinden zou; en Sarah vergeet zulke dingen niet ligt."

—"Is het al bepaald, dat het meisje van uw neef hier zal komen logeren?"

—"Nog niet; maar ik kan niet gelooven, dat daartegen eenig bezwaar zou bestaan. Er wordt heden aan haar geschreven, meen ik, en de brief moet op dit oogenblik reeds verzonden zijn."

—"Kunt gij het vinden met uw logé?"

—"Tot nog toe uitmuntend. Eerst vreesde ik dat Lidewyde hem het leven een weinig zuur zou maken, en hij geen lust zou hebben om te blijven. Doch het tegendeel is het geval: Lidewyde heeft hem bepaalden amitiégenomen."

—"Hij is ingenieur, niet waar? En zijn meisje is eene jufvrouw Visscher? Kent gij die familie? Oppervlakkig geoordeeld zou men meenen dat uw neef over eenigen tijd gemakkelijk een ander en beter huwelijk had kunnen doen."

—"Onder ons gezegd, ik geloof dat zijn oom Timmermans, aan wien hij veel verpligting heeft, er insgelijks zoo over denkt. Doch dat zijn zaken waarmede ik mij niet inlaat. Ik vind hem een aardigen jongen, en naar ik hoor is jufvrouw Visscher een allerliefst meisje."

—"De ingenieurs zijn tegenwoordig in de mode. Er wordt bijna geen fransche vaudeville vertoond waarin niet een ingenieur voorkomt."

—"Zijt gij bang dat zij de dokters verdringen zullen?"

—"Wat mij betreft, mogen zij dat veilig doen; doch ik geloof niet, dat zij de konkurrentie zullen kunnen volhouden. Zijn eenmaal overal spoorwegen aangelegd, dan zullen de ingenieurs, die nu zulke goede diensten aan de tooneelpoëzie bewijzen,—en geen wonder, want zij zijn de meest portative sujetten van onzen tijd en men kan ze, even als champignons, overal laten opschieten,—van zelf weder van de planken verdwijnen. De dokters daarentegen blijven eeuwig jong, en nog over twee duizend jaar zullen zij even onvermijdelijk zijn op het tooneel als in de wereld."

—"Lefebvre praat over de advokaten even als gij over de dokters."

—"Nu, daar doet hij zoo dom niet aan. Zoo lang het menschdom niet uitgestorven is, zal het groote publiek te goeder trouw aan de onmisbaarheid van dokters en advokaten blijven gelooven. Mij is het wel. Maar daar is de man in levendigen lijve!"

—"Wie? André Kortenaer?"

—"Wel neen? Zie maar eens uit."

Juist toen Dijk het hoofd omwendde, ten einde onder de voorbijgangers den persoon te onderscheiden dien Ruardi bedoelde, zag hij iemand, wiens slordige kleeding en zwaaijende gang geen twijfel overlieten omtrent zijne identiteit, de poort van het pakhuis binnentreden, en hoorde hij met eene krijschende stem aan een der klerken in het voorvertrek de vraag doen: Of hier het kantoor van mijnheer Dijk gehouden werd en of mijnheer te spreken was? Dijk rees op, opende de deur en riep met de kruk in de hand:

—"Kom binnen, mijnheer Lefebvre, kom binnen, als ik u verzoeken mag. Wij zijn onder ons. Er is niemand hier als mijn vriend Ruardi, dien gij kent, en voor wien wij geen van beiden, geloof ik, geheimen hebben."

—"Bonjour, Ruardi," zeide de binnentredende, den netten dokter eene breede ongewasschen hand toestekend, die intusschen zonder pligtplegingen aangenomen werd. "Hoe maakt gij het sedert gisteren? Indien gij niet meer geheimen hebt voor ons als wij voor u, zijt gij een man om in een glazen huis te wonen. Wat dunkt u? Zal onze vriend Dijk de reis halen? Zal het ons gelukken, in zijn persoon een man in de kamer te brengen op wien de liberalen zich de tanden stomp zullen bijten? Ik voor mij heb goeden moed. Beweert men dat hij laauwe vrienden en heete vijanden heeft, van het eerste is mij tot heden niets gebleken. Al de personen, die ik in den loop van den ochtend gesproken heb, schenen mij vol ijver. Zijne onze vijanden fel, zij zijn tevens onmogelijk; en wij zullen met die gezegende infirmiteit ons voordeel weten te doen. Eene partij die alleen oppositie maken, maar niet regeren kan, moet eindigen met het onderspit te delven."

—"Gij zijt optimist, mijnheer Lefebvre," zeide Adriaan. "Geloof mij, er zal eene zware wijs op gaan om mijne kandidatuur te doen slagen, en zonder slapelooze nachten kom ik er niet."

—"Slapelooze nachten, waarde heer? Indien ik voorzag dat de politiek mij een uur van mijne kostelijke nachtrust rooven zou, kreeg zij voor goed haar afscheid. Neen, mag ik u een goeden raad geven, en ziedaar de reden van mijne komst, vraag dan in de volgende week, of in de week daarna,—op eenige dagen vroeger of later komt het niet aan,—een dozijn personen, die ik u noemen zal, bij u te gast. Ik heb in mijne gesprekken met dezen en genen laten doorschemeren dat het plan daartoe bij u bestond, en meen opgemerkt te hebben dat men van die gelegenheid om u nader te leeren kennen gaarne gebruik maken zou. Doch geen diner van enkel heeren, wat ik u bidden mag! De wereld moet weten, dat een konservatief kandidaat een gezellig schepsel is. Er moeten dames van de partij zijn. Belooft gij mij dat? Belooft gij op uw woord van eer dat gij met mevrouw Dijk zult zamenspannen om het uwe gasten zoo aangenaam mogelijk te maken? Nu dan, geen woord meer daarover. Ook de aanzienlijkste kiezers zijn gevoelig voor een keurig onthaal, en het is zonder voorbeeld in de parlementaire jaarboeken, dat iemand, wiens soep naar den rook of wiens wijn naar de kurk smaakte, zich een toonbaren aanhang verworven heeft."

De man, die aldus den makelaar in verkiezingen uithing en de politiek van het cynisme in zijne banier scheen geschreven te hebben, stond in de meeste opzigten hooger dan zijn programma. Wie wilde mogt met hem in meening verschillen, doch aan zijne goede trouw viel evenmin te twijfelen als aan zijne bekwaamheden. Zoon van een predikant, had men hem indertijd als eene van zelf sprekende zaak naar de akademie gezonden om te studeren in de theologie; doch zijne vaardigheid in het ledigen van halve ankers rooden wijn was niet de eenige drijfveer geweest die hem achtereenvolgens, met veronachtzaming der vaderlijke wenschen, in de letteren en in de regten had doen promoveren. Het pleitte voor zijne opregtheid, dat hij eene loopbaan vaarwel gezegd had, waarin hij niet minder aan zijne natuur dan aan zijn verstand geweld zou hebben moeten aandoen; en die daad had aan zijne geheele levensbeschouwing eene andere rigting gegeven. Zoo lang het vaststond dat hij predikant zou worden, haatte hij de christelijke dogmatiek met een mohammedaanschen haat, en zou hij, met den Sultan van Bantam, aan drie vrouwen en één God ver weg de voorkeur gegeven hebben boven drie Goden en ééne vrouw. Doch zoodra had hij geene vrijheid bekomen om zich in zijne natuurlijke rigting te bewegen, of hij was een opregt vereerder geworden dierzelfde Kerk, als wier dienaar hij nooit iets anders zou hebben kunnen zijn als een wolf in schaapskleederen. Zelfs in zijne vereering vanla Dive Bouteille, gelijk hij met rabelaisiaansche spotternij zijn zwak voor de vrucht van den wijnstok plagt te bestempelen, was eene verandering ten goede gekomen: hoe slordig hij er bleef uitzien, en hoe verward zijne sluike zwarte haren hem over het voorhoofd bleven hangen, op zijne matigheid viel voortaan niets af te dingen. Sommigen misprezen het in hem, dat hij in strijd met zijne antecedenten van lieverlede een behoudsman was geworden. Men noemde dit verschijnsel abnormaal, zag er eene inconsequentie in, en schreef het aan zekere zucht tot tegenspraak toe, die niet zelden pleegt aangetroffen te worden bij menschen met buitengewone bekwaamheden, wel is waar, doch niet buitengewoon genoeg om hen met het voorwerp hunner eigen antipathie zich in hoogeren kring te doen verzoenen. Misschien was hij van dat gebrek niet geheel en al vrij, en personen die hem ongaarne lijden mogten waren in hun regt, wanneer zij hem een paradoxenjager noemden; doch wanneer men hem het beloop van zijnen overgang, uit de eene orde van denkbeelden tot de andere hoorde verhalen, moet men erkennen dat zijne redenen, vergelijkenderwijs, den toets konden doorstaan. Het liberalisme was tegelijk een ideaal en eene negatie, beweerde hij; zoodat men, om aan die rigting getrouw te blijven, haar alleen moest toepassen op een denkbeeldig gebied, gelijk dat der wetenschap, maar niet beproeven moest, haar eene plaats te verzekeren in de praktijk. Historische studiën waren in den loop des tijds zijne specialiteit geworden, en als historicus was hij de vrijgevigheid in persoon. De nakomelingschap, meende hij, had regt op elk dokument, hoe bedenkelijk ook voor sommige nagedachtenissen; en bij uitnemendheid illiberale onderzoekers, in zijne oogen, waren zij, die ter wille van eene geliefkoosde opinie of van eene dierbare persoonlijkheid uit den voortijd, feiten verdonkermaanden of ondeugden vergoêlijkten. Doch men moest niet bij hem aankomen met het beweren, dat dezelfde soort van kritiek, die zulk een uitmuntend werktuig tot reconstructie van het verledene vertegenwoordigde, ook in staat was iets op te bouwen voor het tegenwoordige of voor de toekomst. Toen hij liberaal was, haatte hij de maatschappij, was zijn zeggen, en zou het zijn grootste lust geweest zijn alles onderst boven te werpen; en ten bewijze van de opregtheid zijner conservative gevoelens voerde hij aan, dat de geest der echte humaniteit eerst vaardig over hem geworden was, nadat hij zich ontslagen had gevoeld van de verpligting, zich een hervormer te heeten, ten einde straffeloos een slooper te kunnen zijn.

Gedienstige vereerders noemden Lefebvre een genie; en zij grondden die meening op het feit dat hij alle talen van den aardbodem verstond en de wereldgeschiedenis van buiten kende. Volgens anderen daarentegen was hij een warhoofd, misschien uitermate geschikt om bibliotheken te ordenen en voor snuffelaars den weg te banen, doch niet bestemd om immer zelf iets te leveren, hetwelk door een volgend geslacht naar zijn naam genoemd zou worden, en in elk geval bij zijn leven veroordeeld tot den omgang met lieden, die niet in zijne schaduw konden staan. Voor zoover Dijk en Ruardi betrof, was van dit laatste werkelijk iets aan; of, zoo de dokter in sommige opzigten, wanneer het niet op studie of nadenken, maar op intelligentie en aangeboren doorzigt aankwam, zijn evenknie mogt heeten, de koopman stond in elk geval ver beneden hem. Adriaan Dijk begreep geen iota van Lefebvre's transcendentale behoudsleer. Hij was konservatief, omdat zijn aard dit medebragt, en omdat de Aprilbeweging, gelijk hij in vertrouwelijke oogenblikken erkende, hem de oogen geopend had. Tien of vijftien jaren geleden—want de meeste menschen hebben overlast van zekertrop pleindes gemoeds en wie daarvoor geene afleiding vindt bij zijne vrouw of zijne kinderen werpt zich alligt in de armen der publieke zaak,—zou hij gemeend hebben, het doel van zijne eerzucht niet anders te kunnen of te mogen bereiken als onder het opsteken eener vrijzinnige vlag. Doch sedert 1853 was daarin verandering gekomen. Van dien tijd af, zeide hij, had hij het protestantisme leeren beschouwen, niet-alleen als een voornaam, maar als het deugdelijkst element van den publieken geest in Nederland en Europa. Voortaan onderscheidde hij de volken in roomsche en protestantsche; hield het voor uitgemaakt dat aan laatstgenoemde de toekomst behoorde, en zag in de geschiedenis der jongste vijftig of zestig jaren,—niet de opkomst van den stoom en van de telegrafie,—maar de lotgevallen van het stuiptrekkend romanisme, zijne uiterste, maar nog altijd geduchte krachten verzamelend tot eenen strijd op leven en dood met een providentieel mededinger en voorbestemd overwinnaar. De nagedachtenis van Koning Willem I werd door hem in eere gehouden, omdat die Vorst in 1830 en vroeger, gelijk Adriaan het noemde, niet voor "den priester" had willen buigen; terwijl het bondgenootschap tusschen katholieken en liberalen hier te lande, in 1848 gesloten en in 1853, volgens hem, aan het licht gekomen, in zijne oogen vooral hierom bedenkelijk was, omdat daardoor aan eene kleine, maar schrandere en digt aaneengesloten roomsche minderheid in de Kamer, welke bij menige stemming naar welgevallen den doorslag geven kon, de koorden der nationale beurs in handen werden gespeeld. Zijn protestantisme, gelijk men ziet, stond niet rechtstreeks in verband, hetzij met braafheid of godsdienstigheid, hetzij met regtzinnigheid in de leer. Doch het was van eene konservative soort. Het beteekende handhaving van de gemengde school als anti-papistische instelling; van het kultuurstelsel als schepping van Koning Willem I, die de roomschen had aangedurfd; van het koninklijk gezag en van de prerogativen der Kroon als tegenwigt tegen het bondgenootschap van liberalen en katholieken. Een welligt onwijsgeerig, maar daarom niet minder welgemeend programma.


Back to IndexNext