Veertiende Hoofdstuk.

—"Mag ik binnenkomen?" vroeg iemand, die reeds een paar malen vruchteloos had aangeklopt en nu het hoofd om het hoekje der deur stak. "De heeren zijn zoo druk aan het redeneren en hunne gedachten bewegen zich in zulke verheven kringen, dat een gewoon sterveling vergeefsche pogingen aanwendt om gehoor te erlangen. Wordt er kiesvergadering gehouden? Ben ik overkompleet?"

—"In het minst niet, André," zeide Dijk, "kom gerust binnen. Ik vraag verschooning dat wij u onbehoorlijk lang antichambre hebben laten maken."

—"Volstrekt niet overkompleet, mijnheer Kortenaer," voegde Lefebvre er bij. "Verheugd u hier weêr te zien. Maar het is niet aardig van u, glossen te maken op onze luidruchtigheid. Is het wel, Ruardi? Gij vooral, die eene stem hebt als eene primadonna, moogt u dat verwijt niet laten aanleunen."

—"Toch wel," zeide Ruardi. "Wij hebben alle dingen gemeen en zijn solidair aansprakelijk voor elkanders keelgeluiden. Bovendien heeft mijnheer Kortenaer groot gelijk, wanneer hij een weinig den draak steekt met onze debatten. Mag ik u welkom heeten te M., mijnheer Kortenaer, en mij aanbevelen in uwe vriendschap?"

—"Ik bemerk," antwoordde André, "dat mijn neef niets te veel gezegd heeft, toen hij voorspelde dat dokter Ruardi mij met de meeste voorkomendheid bejegenen zou. Doch gij maakt mij verlegen, dokter. Het is aan mij, om mij aan te bevelen, ik zal zeer erkentelijk zijn, indien ik mij bij dezen en genen, gedurende mijn verblijf te M., op u beroepen mag."

—"Kom morgen of overmorgen op ditzelfde uur een praatje bij mij maken, indien gij lust hebt; dan zal ik u van de M'sche heeren en de M'sche dames, de M'sche licht- en de M'sche schaduwzijden alles vertellen wat ik er zelf van weet."

—"Neem u in acht, mijnheer Kortenaer," krijschte Lefebvre, die heden bijzonder goed gemutst was en daardoor nog luider sprak dan gewoonlijk. "Dokter Ruardi is een menschenhater en welsprekend. Hij zal u van deze goede stad en van hare inwoners een donker tafereel ophangen."

—"Indien zulke tafereelen niet dienstig zijn voor uw gemoed," antwoordde de dokter, "draag dan zorg, mijnheer Kortenaer, dat gij de woonplaats van mijn vriend Lefebvre mijdt, en sla, indien hij u verleiden wil hem daar een bezoek te komen brengen, zijne uitnoodiging wijsselijk af. Hij zou door zijne verhalen van hetgeen in het doodonschuldige T. voorvalt niet-alleen uwen eetlust bederven en uwe nachtrust verstoren, maar, wat erger is, uwe vaderlandsliefde ondermijnen."

—"Gekheid!" riep Lefebvre, door 's dokters beschuldiging op een van zijn geliefkoosdetopicsgebragt. "Luister niet, mijnheer Kortenaer, naar den boozen raad van dezen Achitofel, en houd u verzekerd dat het u niet berouwen zal, indien het toeval, wat zeg ik? indien uwe gelukster u vroeg of laat naar het eerzame T. voert. Zou ik de stad mijner inwoning lasteren? Die bakermat van het liberalisme? Eer vergete mijne regterhand zich zelve! Misschien hebt gij hooren verhalen, mijnheer, dat T. eene plaats is, waar de dienst van Amor naar evenredigheid meer volgelingen telt dan in eenige andere stad van Nederland; doch ik beroep mij op uw gezond verstand en vraag, of die beschuldiging, indien zij niet veeleer eene hulde verdient te heeten, niet de onwaarschijnlijkheid-zelve is? T. is eene stad met dertig duizend inwoners, mijnheer, en het kan niemand bevreemden, dat op eene bevolking van twee synagogen, vijf roomsche en zeven gereformeerde kerken, een half dozijn galanterie-winkels aangetroffen worden. Doch, geloof mij, aan andere galanterien wordt te T. niet gedaan. Men zal u verhalen dat het jongste kind van onzen burgemeester sprekend gelijkt op den kolonel van ons garnizoen, of dat de vrouw van den schout-bij-nacht op non-aktiviteit, dien T. de eer heeft te huisvesten, de hand heeft in de voordragten van den president onzer arrondissements-regtbank. Geloof het niet, mijnheer; of liever, kom met eigen oogen die heeren en die dames aanschouwen, kom hunne konversatie aanhooren, wees getuige van hunne gezellige bijeenkomsten, en wanneer gij de insipiditeit zult hebben zien heen en weder fladderen van de schamele borst van mevrouw X. naar den breeden schoot van mevrouw Y., wanneer gij de maagdelijke Célestine Z. met de aanminnigheid eener geit zult hebben zien glimlagchen om de dubbelzinnigheden van den luitenant A. of de naïveteiten van mijn konfrater, den advokaat B., zult gij mij zeggen of T. er al dan niet de plaats naar is om aan Clarissa's tot geboortestad of aan Lovelace's tot oord van ballingschap te verstrekken. Neen, mijnheer, wij van T. zijn een eerbaar en ordelijk volk; een volk van katoenspinners en garentwijnders, van landbouwers en veehoeders. Van de weinige hartstogten, die ons kwellen, genezen wij ons door een overvloedig gebruik van mout-extrakt, en onze eenige eerzucht is, de liberaalste stad van Nederland te zijn of daarvoor door te gaan. Wilt gij een staaltje van onze virtuositeit op dit gebied? Tot voor weinige jaren hadden wij eene speelbank, die wel niet met de banken van Spa of Homburg kon vergeleken worden, maar toch dit goede had, dat zij een subsidie van vijfentwintig duizend gulden 's jaars aan onze opera uitkeerde. Voor dat geld engageerden wij tenors en baritons, sopranen en alten, zoo veel wij noodig hadden; en in dien tijd bezat T. een theater, dat, hoe klein en nederig ook, met de beste uit het land wedijveren kon. Het was een centrum van beschaving, en twee-of driemalen in de week vonden wij er eene weldadige verpoozing van onzen arbeid. Doch naarmate wij toenamen in liberalisme, gingen allengs onze oogen open. Wij petitioneerden bij den gemeenteraad om opheffing der zedelooze speelbank die de zenuw onzer opera was, en niemand is in staat het verheven gevoel te schetsen hetwelk onze borst doorstroomde, toen het stedelijk bestuur gehoor gaf aan onzen wensch. T. scheen ons toe eensklaps een Paradijs geworden te zijn. Het gebouw der speelbank gesloten en weldra in een venduhuis herschapen; op het affiche van onzen schouwburg de woorden:Relâche pour cause de suppression,—wij zagen in die verschijnselen de voorboden van het naderend godsrijk; en waren sommigen onzer niet van eene twijfelachtige regtzinnigheid geweest, wij zouden het hemelsch Jeruzalem hebben wanen te zien nederdalen binnen de muren onzer stad. Want supprimeren, mijnheer, dat weet gij, is de hoogste vreugde van het liberalisme. Verleden jaar hebben wij de opera gesupprimeerd, omdat wij de speelbank goddeloos vonden; toekomend jaar zullen wij deterrines de foies grassupprimeren, omdat wij het treden op warme koperen platen, al geldt het slechts ganzen, voor onvereenigbaar houden met onze beginselen van filanthropie. En vraag niet wat wij voor een en ander in de plaats bekomen hebben, of hoe wij het voortaan zonder ganzenleverpasteipotjes en zonder opera stellen zullen. Het liberalisme supprimeert; doch remplaceren, daar doet het niet aan. Ons ideaal is eene eeuw, waarin niemand muziek maken en niemand truffels eten zal, het onderscheid tusschen arm en rijk, knap en dom, man en vrouw zal zijn opgeheven, de geheele maatschappij er uit zal zien als een egyptisch korenveld waarop de sprinkhanen te gast zijn gegaan, en onze kaalgeschoren aarde zich in de onmetelijke ruimte zal wentelen, dikker dan een ton en gladder dan een kampernoelje. Nog heeft men te T. dat toppunt van volkomenheid niet bereikt; nog worden daar smulpapen gevonden, die aan biefstuk met aardappelen de voorkeur geven boven andijviesla met beetwortelen; nog vindt men bij ons (doch alles kan ook niet op eens komen) onhebbelijke vrouwen, die nu en dan een welgeschapen kind ter wereld brengen. Houd u evenwel bedaard, mijnheer, en wanhoop niet aan onze toekomst. Den stroom des tijds kan niemand tegenhouden, en mits gij twaalf maanden wacht met mij een bezoek te komen brengen, maak ik mij sterk u eene bevolking te toonen, aan wier volmaaktheid alleen nog ontbreken zal dat zij niet gesupprimeerd is."

—"Mij dunkt," zeide Dijk, toen Lefebvre deze uitboezeming ten einde had gebragt, "wij moesten gezamenlijk naar de Buitensocieteit wandelen en daar een luchtje gaan scheppen onder de verandah. Hebt gij lust, André?"

—"Wat mij betreft," zeide Ruardi, "ik kan bezwaarlijk van de partij zijn; doch laat dit de heeren niet afbrengen van hun plan. Mag ik er staat op maken, mijnheer Kortenaer, dat gij mijne uitnoodiging niet versmaden zult?"

—"Zoo zeer, dokter," antwoordde André, "dat gij mij misschien reeds morgen aan den dag te uwent zult zien verschijnen."

"Ik wenschte dat Dijk mij dien knaap niet aanbevolen had," zeide dokter Ruardi bij zichzelven, toen hij den volgenden ochtend zijn ontbijt had gebruikt en zich gereed maakte om visites te gaan rijden. "Hij schijnt verbazend groen, en wie weet of het de moeite loont hem te helpen ontbolsteren? Het best zou zijn, dat hij eenigen tijd bij Lefebvre in de leer ging, om zijne denkbeelden te vormen; want dat er in de praktijk immer iets van hem teregt zal komen, geloof ik niet. Lidewyde heeft hemen amitiégenomen, zegt Dijk; dat verstaat zich. Zij haalt hem aan uit tijdverdrijf, en zal beproeven zijn meisje jaloersch van haar te maken. Indien dat lieve kind haar belang kende, zou zij stil bij vader en moeder blijven en zich hier in geene wespennesten komen steken. Die goede Lefebvre! Hij is de onschadelijkheid-zelve, en men lastert hem, wanneer men hem een corrumperenden invloed toeschrijft. Toch kan ik mij voorstellen, dat onervaren jongelieden door hem zoogenaamd op het dwaalspoor gebragt worden; en misschien is het maar goed, dat vriend Kortenaer niet onder zijne leiding komt. Indien ik ooit pædagoog word, waarvoor de hemel mij beware, ben ik voornemens zulk soort van meesters op een afstand te houden. Ik kan niet gelooven, dat het dienstig is voor jongelui, hunne tegenstanders te leeren minachten. Die taktiek is alleen goed, dunkt mij, ten aanzien van de vrouwen; tegenover mannen deugt zij niet. Om die onder den duim te krijgen... Maar genadige goedheid, neef André is geen schoolknaap, en ik behoef hier in de eenzaamheid geen cursus over opvoedkunde te zitten houden. Jakob, ben je daar? Luister eens."

—"Wat is er van uwe dienst, mijnheer?" vroeg Jakob, die in een aangrenzend vertrek bezig was eenig huiswerk te verrigten.

—"Ik verwacht van middag bezoek."

—"Mijnheer kan er op rekenen, dat ik de dames behoorlijk ontvangen zal."

—"Wat praat gij van dames? Er is kwestie van een jong heer, een logé van mijnheer en mevrouw Dijk. Het kan gebeuren dat ik nog niet thuis ben tegen dat mijnheer komt: in dat geval laat gij mijnheer in de rookkamer, en verzoekt hem een oogenblik te willen wachten. Vergeet niet, het noodige gereed te zetten. Mijnheers naam is Kortenaer; verder ben ik voor niemand thuis of te spreken."

Het vertrek waarin André, in den namiddag van dien dag, door Jakob verzocht werd de thuiskomst des dokters te verbeiden, maakte geen deel uit der appartementen waarvan het middelste toegang tot den wintertuin verleende. Evenmin was het dat, waarin Ruardi des ochtends den kapelaan ontvangen en dezen op een overzigt zijner wijsbegeerte onthaald had. Het lag evenwel in dezelfde rigting als dit laatste en kommuniceerde daarmede. Zijn omvang was die van een ruim kabinet, gemeubeld met divan aan divan. Hier en ginds stond eene kleine tafel, wier japansch-verlakt blad, glanzig rood met gouden vogels, in eene ebbenhouten lijst gevat was en op een kunstig gedraaiden zwarten voet rustte. Een dier tafeltjes droeg een zilveren schenkblad met vonkelende wijnkaraffen, waarnevens een kistje veelbelovende sigaren en eene turksche pijp. Boven den schoorsteen hing een trofee van indische wapenen, terwijl de plaats onder den schoorsteenmantel, waar 's winters de haard zich uitbreidde, thans ingenomen werd door eene monsterpul van oud-blaauw. De wanden prijkten met vier medaljons in pastel, levensgroote kniestukken, de vier jaargetijden voorstellend in de gedaante van even zoo vele schoone vrouwengestalten. Echter verbraken die beelden min of meer de oostersche tint die over het vertrek uitgespreid lag, en men behoefde niet in Azie gereisd te hebben om weldra te gevoelen datles filles de marbre, die tot modellen voor deze teekeningen hadden gediend, geene geboren bayadères waren. Te zeggen dat André, toen hij uit tijdverdrijf, nadat Jakob hem alleen gelaten had, van het eene medaljon naar het andere ging, de oogen nedersloeg, of zich met weerzin afwendde, zou met de geschiedenis in strijd zijn. Doch wel is het waar dat hij zich in de beschouwing dier nuditeiten niet regtstreeks verlustigde. Daartoe had verbazing te zeer den boventoon in zijnen geest; verbazing dat er vrouwen gevonden worden, die voor geld te bewegen waren om in zoodanige mate met de vooroordeelen misschien, doch in elk geval met de overleveringen der schaamte te breken; verbazing dat dokter Ruardi eene voorstelling der saizoenen nahield, waaraan het element der draperie zoo te eenemaal ontbrak. Bloemen en vruchten in overvloed; ook bekers en schalen. Doch van de onontbeerlijkste kleedingstukken nergens een spoor.

Een gulle lach uit den mond van den binnentredenden heer des huizes maakte een einde aan André's kunstbeschouwing.

—"O, o, mijnheer de puritein," schertste de dokter, "ik zie wel waaraan het hapert; gij ergert u aan mijne jaargetijden. Maar ga zitten, neem een sigaar en een glas madera, en ik zal u haarklein de geschiedenis dier medaljons vertellen."

Ruardi kon liegen of het gedrukt stond, niet-alleen, maar of een volleerd tooneelspeler zijne fabelen met studie voordroeg. De inhoud zijner verhalen wisselde naarmate van het gezelschap waarin hij zich bevond, en het geval moest zich nog voordoen dat hij in de tegenwoordigheid van een jong meisje eene anekdote aanroerde die alleen door gehuwde vrouwen gesavoureerd kon worden, of het voorhoofd van grijsaards glad zocht te strijken met geestigheden waar alleen een jong mensch met ongedwongenheid om glimlagchen kon. Hij kende André nog te weinig om een bepaald oordeel over hem te hebben; doch zooveel vaster dan de meeste jongelieden van zijnen leeftijd, meende hij, stond deze vaudeville-held, gelijk hij hem noemde, niet in zijne schoenen, dat hij aarzelen moest hem de legende der medaljons op te disschen. Het was het onderhoudend verhaal van een vaderlandsch edelman, een van Ruardi's voormalige patienten, die gedurende eene lange reeks van jaren al den tijd, hem door eene sinecure aan ons Hof gelaten, te Parijs plagt door te brengen. "Hier te lande," zeide Ruardi, "werd hij aangezien voor een groot heer, en wanneer hij bij officiële gelegenheden in gala-kostuum als ceremoniemeester fungeerde, of zoo iets, zag hij er met zijn geborduurden rok vol ridderorden zeer voornaam uit. Doch daarginds, waar het krielde van russische prinsen en hongaarsche magnaten, twintig maal rijker en aanzienlijker dan hij, maakte hij met zijne schelvischoogen en zijn onverbeterlijk hollandsch accent zulk een beklagelijk figuur, dat hem niets anders overschoot als zich in de armen van dendemi-mondete werpen. Op zijn landgoed in Gelderland of Overijssel had hij de afgod der boeren en de trots van den burgemeester kunnen zijn; doch liever dan zich des zondags door den dominé der plaats te hooren gedenken in den gebede, liever dan uit de hand van onschuldige dorpskinderen verjaarverzen en pionierozen aan te nemen, liet hij zich plukken door uitgebloeide actrices of de les lezen door ondernemende figuranten uit de vrouwelijke helft van een corps-de-ballet. Verleden jaar, in het eind, is hij getrouwd met een schatrijk meisje uit onze bankierswereld, wier familiewapen, dat verzeker ik u, minder kwartieren telt dan er hypotheken op zijne boerderijen staan; en toen ik hem tegen het aanbreken van den grooten dag weder een weinig op zijn verhaal geholpen had, heeft hij mij dringend verzocht, hem wel te willen ontheffen van dit viertal souvenirs uit den tijd zijner losse haren. Ik heb het geschenk aanvaard, en laat de medaljons daar hangen als eene dagelijksche waarschuwing aan mijzelven om toch niet af te dwalen van het pad der deugd."

—"Durfde ik," zeide André, "ik zou beweren, dat de vermaning te wegslepend is om volkomen ernstig te kunnen zijn."

—"Dan zweemt zij naar de predikatien van onzen vriend Lefebvre, die mij insgelijks toeschijnen, meer te boeijen dan te stichten."

—"Is dat inderdaad uwe meening? Houdt gij hem niet voor een ernstig man? Op mij heeft hij een aangenamen indruk gemaakt. Wanneer hij daar voor u staat met zijn hoog en breed ligchaam, zwaaijend met het bovenlijf, zich de haren uit het gelaat strijkend, dan vergeet men, vind ik, zijne korpulentie, zijne krassende stem en zijn groezelig linnen, en wordt men onwillekeurig medegesleept door zijne denkbeelden, meer nog dan door zijne woorden. Het is of hij eene elektriseer-machine in het hoofd heeft, wier vonken hem uit de oogen schieten."

—"Ongetwijfeld geef ik u toe, dat Lefebvre een buitengewoon man is, en gij moet niet denken dat ik kwaad van hem spreek. Zonder dat hij tot mijne oudste vrienden behoort, ken ik hem toch reeds sedert geruimen tijd, en telkens als ik hem na eene korter en langer tusschenpoos weêrzie, gelijk nu dezer dagen het geval is, word ik versterkt in de meening dat hij de grootste hoogachting verdient. Maar ofschoon ik over een aantal zaken even zoo denk als hij en hij zonder eenigen twijfel een man van overtuiging is, wantrouw ik hem toch in sommige opzigten. Ik geloof inderdaad niet, dat hij zulk een anti-liberaal is als waarvoor hij zich uitgeeft."

—"Dat begrijp ik niet. Hetgeen hij zegt komt blijkbaar uit het diepst van zijne ziel, en hij zou onmogelijk met zooveel vuur kunnen spreken, indien hij niet geheel doordrongen was van de waarheid zijner denkwijze."

—"Maar dat vuur, waarde heer, dat vuur? Let wel dat ik u van uwe gunstige meening omtrent Lefebvre volstrekt niet wil afbrengen. Ook ben ik niet genoeg te huis in de denkbeelden, waarmede hij voortdurend vervuld is. Alleen schijnt het mij toe, dat hij liberaal en konservatief onophoudelijk met elkander verwart. Wat is liberaal zijn? Vergeef mij, dat ik zulke pedante vragen opwerp, maar ik, die niets ben, noch liberaal, noch konservatief,—en in dat opzigt varen wij in hetzelfde schuitje, niet waar?—ik beweer dat al wie voor iets ijvert, met iets dweept, aan iets gelooft zoo als de menschen zeggen, liberaal is. De ernstige behoudsman is positivist, dunkt mij en neemt de menschen en de dingen gelijk zij zijn. Hoe doet Lefebvre daarentegen? De vonken van het enthusiasme, gelijk gij teregt opmerkt, spatten hem uit de oogen. Hij is in zijne soort een fanaticus, en men hoort hem zijn konservatisme bepleiten met eene ingenomenheid, die den trouwhartigsten liberaal niet misstaan zou. Neem mij niet kwalijk, maar ik houd niet van zulke begripsverwarringen. Lefebvre is met al zijne paradoxen en al zijne sarkasmen een goed man, en toch geloof ik dat hij de lieden van het spoor brengt. Wie mede spreekt over de publieke zaak, moet weten wat hij wil; en dat weet Lefebvre niet. Hij dooft bij anderen juist datgene uit, waarin het aantrekkelijke van zijn eigen persoon gelegen is; en indien ik u de gulle waarheid zeggen mag,—mijn onbeduidende kamerheer-ceremoniemeester, met zijn schelvischoogen en zijne vooze konstitutie, is in mijne oogen een onschadelijker lid der zamenleving dan de geniale Lefebvre."

—"Jawel; maar men behoort in deze wereld nog iets meer dan alleen onschadelijk te zijn. Lefebvre is in elk geval eene kracht."

—"En mijn ceremoniemeester dan? Daareven heb ik zoo onbarmhartig den draak met hem gestoken, dat ik mij verpligt acht, nu ook iets te zijnen voordeele te zeggen. Het is, dat hij in een ander land als het onze, een genoeglijk leven en schoone vrouwen is gaan zoeken. Die verdienste schijnt gering, maar in mijne schatting is zij eene daad van toegepaste metaphysica, niet-alleen, maar van de eenige metaphysica die onze aandacht verdient. Ik geloof namelijk aan het bestaan van den hartstogt dien men liefde noemt, en dien ik voor mij als den volmaaktsten vorm van het menschelijk zijn beschouw. Gij begrijpt mij? Wanneer iemand mij komt verhalen dat hard werken zijn lust en zijn leven is, keer ik hem in gedachte den rug toe; want ofschoon ik zeer wel inzie dat de wereld niet zou kunnen voortduren, indien wij niet elk op onze beurt ons inspanden, vind ik in den arbeid iets vernederends, en zoo menigmaal een dusgenaamde werkezel mij den lof van zijn bestaan komt zingen, gevoel ik lust hem aan zijn naam te houden, en hem te zeggen dat hij inderdaad een langoor is. Nu, iets dergelijks is ook het geval met alle andere quasi-genoeglijke aandoeningen van onze ziel, de liefde uitgezonderd. Rijk te willen zijn, beroemd te willen zijn, een eerzaam huisvader te willen zijn, lid van de Tweede Kamer te willen zijn,—van elk dier idealen, deze nederig, gene subliem, is zekere mate van trivialiteit onafscheidelijk. Daaronder is er niet één... Doch ik verveel u met mijne bespiegelingen?"

—"Neen," zeide André, "het tegendeel is waar; maar ik vraag mij af, of ook de minnarijen van uw verloopen kamerheer niet insgelijks min of meer triviaal waren?"

—"Natuurlijk, wel zeker," hervatte de dokter, "maar mijn kamerheer bevond zich niettemin op den goeden weg. De soort van liefde, waarmede hij, omdat hij een Hollander, een stumpert en een kamerheer was, zich vergenoegen moest, beantwoordde op ver na niet aan het begrip van dien hartstogt. Het was er eene karikatuur, eene parodie, eene charge van. Doch dit neemt niet weg dat men met een weinig takt zeer wel in die misvormde trekken het oorspronkelijk beeld herkennen kan. Geen man, daar houd ik het voor, vervult zijne bestemming, indien hij zich niet aan de vrouwen wijdt; en geene vrouw draagt haren naam met eere, indien zij niet in staat is een hartstogt in te boezemen, sterk genoeg om u ter wille daarvan alles te doen vergeten. Elke vrouw, die dat vermag, is schoon, ook al zouden hare vriendinnen haar leelijk noemen; en ziedaar"—hier barstte de dokter op nieuw in een gullen schaterlach uit, die moest aanduiden dat hij met zijne eigen theorien een loopje nam en er niet om gaf of hij zichzelven al dan niet tegensprak,—"ziedaar waarom ik beweer dat er in Holland geene schoone vrouwen zijn!"

André zou hebben willen vragen: "En Emma dan? En Lidewyde?" Doch het was duidelijk dat Ruardi met zijne stelling niets personeels bedoelde, en het zou belagchelijk geweest zijn, vond hij, aan diens woorden meer beteekenis te hechten dan waarop zij aanspraak maakten.

—"Meent gij," vroeg hij, 's dokters woorden voor de leusau sérieuxnemend, "meent gij dat de vrouwen in Holland minder hartelijk of toeschietend zijn dan in andere landen? Mij is dat zoo niet voorgekomen. Ook het tegendeel niet. Het is waar, dat ik weinig in het buitenland verkeerd heb. Maar te oordeelen naar de vreemdelingen met wie ik nu en dan in kennis ben gekomen, zou ik zeggen dat zoowel de mannen als de vrouwen in alle landen van Europa tamelijk veel op elkander gelijken."

—"Nu ja," zeide Ruardi, "ik geef u toe dat de gelijkvormigheid van menschen en van dingen een der sprekendste karaktertrekken van onzen tijd is. Al onze mannen dragen een ronden hoed, al onze vrouwen een hoepelrok, en men moet in onze dagen de menschen persoonlijk kennen om Rothschild van zijn kantoorbediende, of Keizerin Eugénie van hare modemaakster te kunnen onderscheiden. Zelfs bij de militairen vindt men bijna geene onderscheidingsteekenen meer; en de kolonel van een regiment huzaren in groot uniform gelijkt sprekend op zijn oppasser. Onder ons gezegd is dat niet de beste dienst die de Fransche Revolutie ons bewezen heeft. Het is niet natuurlijk dat elk huisonderwijzer president van een ministerraad, elk adjunkt-kommies onderkoning van eene kolonie worden kan. Goede onderkoningen bekomt men niet op die wijze, maar wel ongedurige adjunkt-kommiezen. Daar is nu evenwel niets aan te doen, en men moet de tijden nemen gelijk zij zijn. Daarenboven zou het mij niet fraai staan, kwaad te spreken van de egaliteit. Toen mijn piemontesche overgrootvader zich hier te lande als schoorsteenveger kwam nederzetten, droomde hij ook niet dat zijn achterkleinzoon eenmaal ongestraft, wat zeg ik? op uitdrukkelijk verzoek de hagelblanke pols zou mogen voelen der meest patricische dames. Ik beweer alleen, dat onder de oppervlakte der gelijkheid, in onze europesche maatschappij, een bepaald verschil van rassen is blijven voortbestaan, waaronder het hollandsche van beiderlei geslacht vooral niet uitmunt. De Duitschers praten van kultuurvolken, en zij houden zichzelven voor één daarvan. Ik mag het lijden, ofschoon het mij nooit is mogen gelukken, in de duitsche beschaving iets noemenswaardigs te ontdekken wat niet van de Franschen of de Engelschen geborgd was. Indien de Duitschers werkelijk een kultuurvolk zijn, zijn zij het van de nabootsing; hetgeen, let wel, in elk geval beter is dan, zoo als wij, zelfs in de nabootsing niet uit te munten entraînardste zijn tot in de assimilatie toe. De Spanjaarden en de Italianen (moge mijn overgrootvader mij die gelijkstelling vergeven!) hebben hun besten tijd achter den rug; zij zijn kultuurvolken geweest, gelijk de Russen het nog worden moeten; indien althans mijn vriend Börne het bij het regte einde had, toen hij de Moskoviten het eenige volk van Europa noemde, van hetwelk onze maatschappij nog een weinig bloedvernieuwing verwachten kon. Ik voor mij ben op die verversching in het minst niet gesteld, en zoo lang er Franschen en Engelschen zijn, vooral Franschen, geloof ik dat wij de Russen best missen kunnen. Werkelijk zijn de Franschen het universeelste volk van de geheele wereld. Hunne taal te radbraken is zelfs onder ons een vast kenmerk van rusticiteit. Wanneer wij goed gekleed willen gaan, bedienen wij ons van een franschen snijder, en iederen keer dat wij een feestelijken maaltijd wenschen aan te rigten, nemen wij onze toevlugt tot een franschen kok. Parijs is de stad waar het toilet van alle toonbare vrouwen der beide halfronden vastgesteld wordt, en onze meest orthodox-gereformeerde dames zouden niet op de openbare straat durven verschijnen, indien hare hoeden of japonnen niet zweemden naar de Parijsche modeplaatjes van den vorigen dag. Het is inderdaad merkwaardig, dat eene hollandsche vrouw van den eersten rang, indien zij voor een keer er regt achtbaar en fashionable wenscht uit te zien, dat doel het best bereiken kan door zich te kleeden gelijk twee saizoenen geleden de bloem der Parijsche courtisanes zich uitdoste. En die hulde is niet onverdiend. Zulk eene Parijsche courtisane toch staat als vrouw, ik bedoel als liefhebbend wezen, werkelijk hooger dan de gedistingeerdste vrouwen bij ons. Noem mij zoo onbeleefd als gij wilt, de feiten getuigen in mijn voordeel. Mij is in Nederland geene enkele vrouw bekend, die voegzaam de heldin van een roman zou kunnen zijn; en men moet tot Jacoba van Beijeren opklimmen,—van Beijeren, hoort gij wel?—om in onze vaderlandsche geschiedenis een persoon te ontmoeten, die eenigszins (en dan nog!) tot draagster zou kunnen dienen van de edelste aandoeningen van het vrouwelijk gemoed. Ik zeg u, de hollandsche vrouwenwereld is eene wereld van bakers en kindermeisjes, gelijk onze mannenwereld er eene van katechiseermeesters is."

—"Ik wenschte," zeide André, "dat mijn aanstaande schoonvader u hoorde. Hij erkent wel, dat onze landaard tegenwoordig niet half zoo veel te beduiden heeft als voorheen, maar gelooft toch aan het bestaan eener hollandsche nationaliteit en is daarvan een vereerder. Hij zou uwe invektiven beter weten te beantwoorden dan ik."

—"Ik heb de eer niet uw aanstaanden schoonvader persoonlijk te kennen," antwoordde Ruardi, "en indien ik het genoegen had hem te ontmoeten, zou ik waarschijnlijk mijne denkbeelden voor mijzelven houden. Het is eene vaste gewoonte van mij, en die ik u ter navolging durf aanbevelen, nooit te redetwisten met mannen van zekeren leeftijd en zekere rigting. De oude heer Visscher is artist geweest, niet waar?"

—"Geweest, ja, en in zekeren zin is hij het nog. Zijne groote bewondering voor onze dichters en schilders der 17deeeuw doet hem belang stellen in al hetgeen ook nu nog bij ons op dat gebied voorvalt. Volgens hem, zouden onze kunstenaars van den tegenwoordigen tijd slechts hun eigen voorgeslacht tot model behoeven te kiezen, om den hollandschen naam weder tot eer te brengen. En zoo denkt hij in de meeste dingen. In de politiek behoort hij tot geene der tegenwoordige partijen, maar is een vaderlandlievend man, die met zijne geheele ziel aan eene providentiële roeping van ons Vorstenhuis gelooft en maar één programma kent: Oranje en de vrijheid."

De dokter schudde ongeloovig het hoofd.

—"Waarom houdt gij dat voor eene illusie?" vroeg André. "Is het onnatuurlijk dat een Koning zich tot orgaan der volkswenschen maakt?"

—"Ik bid u," antwoordde Ruardi, "bewaar die vragen voor uw eerstvolgend onderhoud met Lefebvre. Mij klinkt het programma van uwen schoonvader in hope als een fragment uit ik weet niet welke gedenkschriftend'Outre-Tombein de ooren; doch wat bewijst dit? Ik bemoei mij niet met politiek, en mijne vreemde afkomst maakt mij ongevoelig voor de tooverkracht met uwlieder nationale overleveringen en sympathien. Waarom regeert in Nederland eene familie Oranje-Nassau? Wat beduiden die uitheemsche namen? Is uw land zoo arm aan edele geslachten, dat buitenlanders naar hier zijn moeten overkomen om u te regeren? Ik versta het niet en weet het niet. Van mijnheer Visschers bondgenootschap tusschen Oranje en de vrijheid begrijp ik geen syllabe. Uw vorstenhuis is, voor zoo ver ik oordeelen mag, nooit iets anders geweest als de bondgenoot vanthe mob, en zijne geschiedenis is die van eene fortuinzoekende dynastie, die er in den loop des tijds in geslaagd is, de rol van ambtenaar te verruilen voor die van souverein. Doch ik kwets met mijne ketterijen uwe regtzinnig-nederlandsche ooren?"

—"Dat doet gij," zeide André, "maar het is mijne eigen schuld. Bovendien zou mijnheer Visscher u niet toegeven, dat de Hollanders geene natie zijn, alleen omdat de grondlegger van hunne nationaliteit een vreemdeling geweest is. Er is eene hollandsche kunst en eene hollandsche litteratuur geweest, beweert hij; en zoo lang Holland bestaat, is er mogelijkheid dat die kunst en die litteratuur terugkomen. Het zijn de besten die zich beteren, volgens hem."

—"Beterschap is een woord", zeide de dokter, "waarvan de medici zich uit goedhartigheid bedienen in den dagelijkschen omgang met individuen, doch waarvoor in het leven der volken geene plaats is. Men is eene natie, of men is het niet."

—"Men zou kunnen opgehouden hebben het te zijn, en het niettemin naderhand weder kunnen worden", meende André.

—"Wel mogelijk," was het antwoord; "doch voor de Hollanders, die te geener tijd eene natie geweest zijn, is die troostgrond zwak. De Japannezen zijn het eenige volk der aarde, dat zich ooit ingespannen heeft om uwe taal te leeren; en nu eindelijk voor hen het oogenblik gekomen is om voor die moeite beloond te worden, kunnen zij met uwe wanspraak nergens teregt. Is dat een bewijs van nationale kracht? Is het dat van de zijde van een volk, dat twee honderd en vijftig jaren lang in het bezit geweest is van de prachtigste kolonien en met de geheele wereld handel gedreven heeft? Geloof mij, eene natie wier taal men ontberen kan, telt niet mede in de rij der volken. Wanneer de wereldgeschiedenis haren gang kan gaan, zonder notitie van u te nemen; wanneer zij zichzelve zou moeten benadeelen en stil zou moeten staan, om zich met u onledig te kunnen houden,—deedt gij beter, zooals de boeren zeggen, eijeren voor uw geld te kiezen. Er is een tijd geweest, nu ja, dat Holland eene plaats in den europeschen kabinetsraad had; doch op welken voet? Niet uwe beschaving deed u den toegang tot dien areopagus verwerven, maar uwe schaggeraarsnatuur. Gij zijt een tijdlang de woekeraars van Europa geweest; en daarin heeft het voornaamste punt van overeenkomst tusschen u en het volk Israel bestaan. Doch toen uw geld op was, hebben de welopgevoede natien u den rug toegekeerd, even als aan de akademien de jongelui van goeden huize wel voor eene poos omgang houden met den vermogenden kinkel die hun oesters voorzet en champagne schenkt, maar hem aan zijn lot overlaten zoodra het uitlekt dat zijn vader bankroet gemaakt heeft. Gij zijt, met uw verlof, te allen tijde de risée en de dupe van Europa geweest; en alleen het isolement, waartoe gij vervallen zijt, is oorzaak dat het menschdom,—hetwelk thans van die dingen geene kennis neemt en dan ook waarlijk zijn vrijen tijd nuttiger besteden kan,—niet nog dagelijks schatert van lagchen om al die boeken en bladen waarin gij u zelven honig om den mond smeert, uwe mediokriteiten tot den rang van geniën verheft, en uwe voorvaderen groot noemt, in de hoop dat uwe kinderen niet bemerken zullen hoe klein gij zijt."

—"Ik geloof inderdaad niet," zeide André, "dat mijnheer Visscher zich door uwe beschouwingswijze van zijn stuk zou laten brengen. Niets zou ons verhinderen, volgens hem, weder een toonbaar volk te worden, gelijk gij het noemt, indien wij ons op nieuw leerden onderscheiden door onze degelijkheid. Wij zouden dan wel niet kunnen wedijveren, gelijk voorheen, met de Engelschen of de Franschen, en zelfs niet met de Duitschers, maar dit zou niet beletten, dat wij onder de volken van den tweeden rang eene eervolle plaats konden innemen."

—"Mijn lieve mijnheer Kortenaer," antwoordde de dokter, die op zijne wijze van lieverlede ernstiger geworden was en nu bijna gemoedelijk werd, "ik herhaal dat ik voor uw aanstaanden schoonvader den meest mogelijken eerbied heb en hem gaarne voor een merkwaardig man houd; doch neem mij niet kwalijk, dat ik zijne denkbeelden droomerijen noem. Hoe kan eene natie weder in het bezit komen van eene eigenschap, die zij verloren heeft? Dat is zuiver woordenspel. Nationale deugden zijn geene verdwaalde wandelstokken of doekspelden, waarvan de kommissaris van politie in de courant adverteert dat de eigenaren ze aan zijn bureau terugbekomen kunnen. Doch al konden uwe Hollanders zich de voorvaderlijke degelijkheid op nieuw eigen maken,—houd mij ten goede dat dergelijk ondernemen mij toeschijnt een even onbegonnen werk te zijn als uit het venster te gaan liggen, ten einde zichzelven te zien voorbijgaan op de straat,—die degelijkheid, waarmede mijnheer Visscher zoo ingenomen is, vormt mijns inziens juist een voornaam beletsel tegen uwlieder toenemen in beschaving. Predik degelijkheid aan een Franschman, en ik zal u begrijpen; want in het fransche volkskarakter is die kwaliteit niet in zoo ruime mate voorhanden, dat zij niet nu en dan aanmoediging zou behoeven. Predik degelijkheid aan de Spanjaarden, de Italianen, de Mexikanen, de Mohikanen, aan wie gij wilt. Doch wanneer ik haar u aan de Hollanders hoor verkondigen, verbaas ik mij. Gij kondt even goed tot hen zeggen: Lieve vrienden, gij zijt geboren lummels; draagt derhalve vooral zorg, dat gij den hoogsten trap der lummelachtigheid bereikt. Neen, indien gij van uw volk nog iets maken wilt, en gij niet vreest den moriaan te zullen schuren, leer den Hollanders urbaniteit, goede manieren, een goeden toon; bovenal, leer hen omgaan met vrouwen. Gij spot met mij, omdat ik telkens op hetzelfde aanbeeld sla; en ik ben op dat punt, ik erken het, een weinig monomaan. Doch zeg mij, zou uw aanstaande schoonvader, die zulk een bewonderaar der oude hollandsche schilders is, zou hij in staat zijn één doek dier heeren te noemen, waarop een aanvallig vrouwenbeeld voorkomt? Ik laster uwe nationale schilderschool niet, dat spreekt; maar dit durf ik volhouden, dat men in de italiaansche of de spaansche kunst een volslagen vreemdeling moet zijn, om niet te gevoelen dat de uwe in sommige voorname punten jammerlijk te kort geschoten is. Van Rafael, van Titiaan, van Murillo, van Velasquez, van honderd andere schilders uit die scholen, weet men de schoonste vrouwelijke typen te noemen; beelden, waarop het verste nageslacht met bewondering staren zal en bij wier aanschouwen men door de hoogste verrukking wordt medegesleept. Doch uw Frans Hals en uw Van der Helst, wat hebben zij geschilderd en aan welke onderwerpen hebben zij hunne beste krachten verspild? Schuttersmaaltijden, op mijn woord van eer! waar men het vet der karbonaden langs de vingers der onhebbelijke gasten ziet druipen, en de rhijnsche wijn hunne wangen zoo rood ziet kleuren als de kalkoensche hanen, die zij meteen naar binnen zullen slaan. Loopt er temet een vrouwenbeeld onder hunne voorstellingen, het gelijken altegader hofjesjufvrouwen, regentessen van weeshuizen, met gezigten om bang van te worden, en in het kostuum eener strafkolonie. Rembrandt in persoon maakt geene uitzondering op dien regel, en ik noem het karakteristiek, dat de bloem zijner vrouwenportretten eene dame in de interessantste van alle positien voorstelt.Low life, ziet gij,low lifeis het natuurlijk element van uwe groote hollandsche schilders geweest; en dat veroordeelt hen. Zij hebben geen oog gehad voor den hoogsten vorm der schoonheid, of indien al, geen talent genoeg om dat schoon te reproduceren."

—"Heine beweert," zeide André, "dat Jan Steen een even groot schilder geweest is als Rafael."

—"Met die autoriteit kan het u geen ernst zijn, waarde heer," antwoordde de dokter. "Wie ontkent dat Heine de grootste europesche schrijver is van den nieuwen tijd? De eenige, misschien, die nooit verveelt, maar altijd nieuwe denkbeelden bij u opwekt? De onzigtbare weldoener en verlosser van eene in de pedanterie verzonken maatschappij? Doch wat hij van de godsdienst der vreugde zegt, die Jan Steen vertegenwoordigen zou, in onderscheiding van de door Rafael en zoo vele anderen in beeld gebrachte godsdienst der smart, is hoogst eenzijdig. Hij droomt van een tijd dat de nachtegalen vrijheid zullen hebben om naar hartelust hier beneden hunne blijde kreten te slaken: doch noemt gij het vreugde, met eene bierkroes in de hand en met den arm om het midden van eene dikke boerenmeid, in de gelagkamer van een dorpsherberg de horlepijp te dansen? Geloof mij, het staat met de slemppartijen van Jan Steen als met die van Frans Hals: de roem dier voorstellingen is in zekeren zin de schande van uw land. Voor het overige doet het mij genoegen dat gij Heine leest, en derhalve nog in iets anders smaak hebt als in den kost dien uwe landslieden u voorzetten."

—"Ik verdien dat kompliment maar half, dokter, niet-alleen omdat ik Heine slechts zeer oppervlakkig ken, maar ook omdat ik werkelijk tot de vereerders behoor van sommige onzer vaderlandsche auteurs."

—"Hoe is het mogelijk!" riep Ruardi, de handen ten hemel heffend. "Neen, dan moet ik u zeggen dat uwe schilders, hoe veel er ook op hen aan te merken zij, toch altijd nog hooger staan dan hunne kunstbroeders met de pen. Waarom bestaat er geene leesbare geschiedenis van uwe letterkunde? Omdat, lieve vriend, zelfs een fransche kok een haas noodig heeft om hazepeper te kunnen maken. Een volk, dat nooit een eigen denkbeeld vertegenwoordigd heeft; altijd, om zoo te zeggen, op den boer heeft gereisd; nooit iets anders heeft gedaan als navolgen en achteraan komen,—zulk een volk, dat spreekt, heeft geene litteratuur die het de moeite waard zou zijn te boek te stellen; en men rigt dan ook bij u standbeelden op voor letterkundige grootheden wier werken zoo weinig gehalte bezitten, dat wie beproeven wil, ze in eene beschaafde taal over te brengen, het er stelselmatig op aflegt. Ik heb evenmin verstand van litteratuur als van politiek, en verzoek u daarom, aan mijne meening niet meer waarde te hechten dan zij verdient; doch niemand heeft ooit in mijne oogen een juister oordeel over uw proza en uwe poëzie geveld dan de oude Disraëli, wanneer hij van u zegt dat bij eene natie, wier litterarische producten de middelmatigheid niet te bovengaan, het middelmatige voor uitstekend geldt, en hetgeen zulk eene natie meesterstukken noemt, in vergelijking van hetgeen beschaafder volken voortgebragt hebben, slechts knapenwerk is. Kent gij een hollandschen roman, een hollandsch drama, een hollandsch dichtwerk, waarin eene heldin voorkomt, die gij, ik zeg niet voor uwe grootmoeder of voor uwe schoonmaakster, maar voor uwe vrouw zoudt willen hebben? Ik niet. Men klaagt dat uwe welopgevoede dames die boeken versmaden, en aan fransche romans, soms van het ligtst allooi, de voorkeur geven; men noemt het ergerlijk, dat fatsoenlijke hollandsche meisjes, die uit volle borst van: "O mon Fernand!" en van: "Robert! toi que j'aime" zingen, wanneer men haar een minnedichtje van Hooft in handen geeft, aan het ginnegappen en blozen slaan. Doch niets is mijns inziens natuurlijker. De liefde, die de zenuw der romantiek is, heeft te allen tijde bij u om brood geloopen; doch tevens is die hartstogt zulk een tiran, dat gij hem hulde bewijst in de vormen van het buitenland. Missen kunt gij hem niet; maar wanneer hij uwe taal spreekt zet gij het op een loopen. Hij mag zichzelven bij u ridikuul maken; mag het idioom uwer achterbuurten nabootsen; mag optreden in de gedaante van een korporaal, die een dienstmeisje aan zijn hart drukt. Zoodra hij zich evenwel verstout, eene sport hooger te klimmen op den maatschappelijken ladder en hij het ernstig begint te meenen, beleeft men tweederlei verschijnsel: de kunst uwer dichters schiet dan eensklaps te kort, en de natuurlijke terugwerking van dat onvermogen is, dat men hen uitlacht of van hen walgt."

—"Zoodat?" vroeg André, oprijzend om te vertrekken.

—"Zoodat," antwoordde de dokter, hem tot afscheid de beide handen drukkend en eensklaps zijn gewonen lagchenden toon hernemend, "sommige jeugdige Nederlanders van geluk mogen spreken, de toekomstige echtgenooten te zijn van meisjes, zooals Rembrandt ze niet geschilderd en Hooft ze niet bezongen heeft."

Aldus korrigeerde dokter Ruardi, met meer valsch vernuft dan echte logica, hetgeen hij de fout van zijnen vriend Lefebvre noemde: jongelieden minachting in te boezemen voor andersdenkenden.

—"Hemelsche goedheid," zeide André bij zichzelven, toen hij buiten de stad gekomen was en het schijnen kon dat hij met het laatste gedeelte van Ruardi's sigaar ook de bedwelming van Ruardi's drogredenen van zich afwierp, "in welke verbijsterende mate bezit die goede man het talent van doorslaan! Zonder onbeleefd te worden kon ik hem niet telkens in de rede vallen, en daarom heb ik meestentijds gezwegen; doch het zou inderdaad al zeer weinig moeite behoeven te kosten hem slag op slag in zijne eigen woorden te vangen. Het kleingeestigst van al vond ik die aanmerking op de Nassau's. Wat doet het er toe, of eene dynastie al dan niet familie van ons is, indien zij ons eeuw in, eeuw uit, onbetaalbare diensten bewijst? Zulk een kosmopoliet als Ruardi behoorde daaromtrent minder bekrompen te denken. Doch hij schijnt mij toe een oppervlakkig man te zijn, en ik wil wedden dat hij de hollandsche boeken en de hollandsche schilderijen, waarover hij met zooveel minachting spreekt, meest van hooren zeggen kent. Neen, dan is Emma's vader in die zaken vrij wat beter te huis. Potsierlijk vond ik het, dat hij ons volk opvoeden wil door den omgang met vrouwen. Nu, men behoeft zijne vier jaargetijden slechts aan te zien, om te gevoelen dat het zeer onvoorzigtig zou zijn hem bij die soort van hoogere burgerschool tot docent aan te stellen! En wat doet Dijk met zulk een vriend? Doch vermoedelijk kent Adriaan hem even kwalijk als hij zelf Hooft en Rembrandt kent. Ruardi moet er slag van hebben, met allerlei soort van menschen om te gaan, anders kon hij hier in de stad onmogelijk zoo gezien zijn als ik geloof dat hij is. In gezelschap van jonge dames en oude heeren slaat hij stellig een geheel anderen toon aan als wanneer hij onder vier oogen met jongelui van mijn leeftijd praat. Van tijd tot tijd vond ik hem heel aardig, en ik kan mij best begrijpen dat men hem over het algemeen gaarne lijden mag. Zelfs verwondert het mij dat Lidewyde hem moede schijnt te zijn. Doch misschien pleit het in haar voordeel, dat zij genoeg van hem heeft. Om de gulle waarheid te zeggen,—wanneer Ruardi beweert dat de hollandsche vrouwen niet mooi of niet teeder zijn, geloof ik dat hij doet als de vos in de fabel, en hij de druiven, die hem te hoog hangen, zuur noemt. Hij zou wel anders spreken, verbeeld ik mij, indien Lidewyde van hem gediend was! Maar zij heeft groot gelijk dat zij dien gesublimeerden commis-voyageur,—want meer dan een commis-voyageur onder het masker van een wijsgeer is hij toch eigenlijk niet,—van zich afhoudt."

André zou meer fierheid en meer bekwaamheid ten toon gespreid hebben, indien hij onder een voegzamen vorm een gedeelte van deze denkbeelden voorgedragen had in Ruardi's bijzijn, en elk moet het afkeuren dat zijne gemaakte minachting voor den dokter ten slotte hare meest geconcentreerde uitdrukking vond in eene insolentie. Doch de Kortenaers der 19deeeuw zijn minder dapper en hebben minder tegenwoordigheid van geest dan hun stamvader, en wanneer de bron hunner argumenten uitgeput is, of niet vloeijen wil, vergenoegen zij zich somwijlen met beleedigende bijnamen. De omstandigheid dat Ruardi een bovenhuis bewoonde was dan ook noch de eenige, noch de voornaamste reden dat André's gevatheid eerst aan het licht kwam, toen hij 's dokters trap reeds een half uur geleden afgedaald was. Te schitteren metesprit d'escalierstrookte met zijn karakter, helaas; en zijn gebrek aan moed was slechts een andere vorm van zijn gebrek aan opregtheid. Het was onwaar dat hij Ruardi met ergernis had aangehoord. Veeleer had het hem gevleid, dat iemand met zulke buitengewone gaven, die van zijne ware gevoelens voor alle andere menschen een geheim maakte, hem tot zijnen vertrouwde scheen te hebben gekozen. Het aanhooren van Ruardi's vermakelijken onzin, indien men daartegen niet met nadruk en waardigheid opkwam, stond gelijk, dit gevoelde hij, met een begin van medepligtigheid. Doch hij wilde wel zoo; en de ander was in zijne oogen een veel fijner opmerker en veel onafhankelijker denker dan men uit het in de eenzaamheid hem naar het hoofd geworpen epitheton zou hebben opgemaakt. De eenige reden waarom hij Ruardi's verdiensten met woorden poogde te verkleinen, was dat hij hem Lidewyde niet gunde; en hij zou over den afwezige met veel meer lof gesproken hebben, indien hij vaster overtuigd geweest was, dat Lidewyde ten aanzien van den dokter altijd dezelfde onverschilligheid zou blijven gevoelen.

—"En is dat nu de stad waar mijnheer Lefebvre woont?" vroeg Emma, toen de trein zich in beweging zette en zij het oog kon laten gaan over de schoorsteenen en de kerktorens van T.

—"En tevens de stad waar gij van nacht gelogeerd hebt," antwoordde André, die tegenover haar zat.

—"Jawel," zeide zij, "maar groote steden hebben een geheel ander voorkomen wanneer men ze op een afstand ziet, als wanneer men er zich in ophoudt. En het is alsof men dan ook een anderen indruk van de menschen ontvangt."

—"Er is aan T. niet veel te zien," meende André.

—"Vindt gij? Váder zeide van wel. Zoodra hij mij gisteren-avond in het logement bezorgd had, is hij eene wandeling door de stad gaan doen, en van ochtend was ik nog niet bij de hand, of hij was al weder op het pad. Het stadhuis, de groote kerk, de vleeschhal, de poort aan de zijde van het bolwerk, ik weet niet wat al wonderen hij mij daarvan niet verhaald heeft. Het is jammer dat de treinen elkander zoo snel opvolgen, anders had hij u zeker uitgenoodigd tusschentijds het een en ander met hem te gaan zien."

—"Luister eens, Emma," zeide André, eensklaps van toon veranderend, "wij zijn nu nog alleen en kunnen dus vrijuit zamen spreken. Aan het volgend station bekomen wij welligt reisgezelschap, en moeten òf zwijgen, òf praten over het mooije weer. Wees dus openhartig, en zeg mij waaraan ik uwe afgemetenheid moet toeschrijven? Uw vader, daareven, was hartelijker dan gij."

Emma antwoordde niet en staarde het raampje uit. Van de monumenten van T's geloof en T's industrie was thans weinig meer te zien, en men behoefde het meisje niet van nabij te kennen, of te weten wat omging in haar hart, om aan de uitdrukking van haar gelaat te bespeuren dat zij zich op dit oogenblik minder dan ooit bekommerde om het verband of de tegenstrijdigheid van kerkgebouwen en katoenfabrieken, steenkolendamp en wierookwalm. Zij dacht aan andere dingen, die zij gewigtiger vond.

—"Emma," vroeg André nogmaals, "waarom zijt gij koel tegen mij? In veertien lange dagen hebben wij elkander niet gezien, en gij behandelt mij alsof ik een vreemdeling voor u was. Ik heb allen eerbied voor oude gebouwen; doch toen ik dezen ochtend van M. vertrok om u te komen afhalen, is mijne eerste zorg niet geweest, te T. onderzoek te doen naar de architektuur van den vleeschhal."

—"Ik geloof niet, André," zeide zij, bijna zonder hem aan te zien, "dat die veertien dagen u bijzonder lang gevallen zijn."

—"Hoe nu? Zal ik van gebrek aan liefde voor u beschuldigd worden, alleen omdat ik in de eenzaamheid zoo goed mogelijk mijn tijd zoek te korten? Indien gij geen lust hadt om naar M. te komen en van de uitnoodiging van freule Steinmetz gebruik te maken, waarom mij dat niet ronduit geschreven? Wat is de reden dat ik u niet mogt komen afhalen van Duinendaal? Uwe antwoorden waren zoo gul en hartelijk, dat ik niet anders denken kon, of gij waart met de door Lidewyde gemaakte schikking even ingenomen als ik. Of is er iets tusschenbeide gekomen dat ik niet weet? Vindt uwe moeder het niet goed dat gij te M. komt logeren? Aan uw vader heb ik niets kunnen bespeuren. Hij was even vriendelijk als altijd."

Er kwam beweging in Emma's trekken. Zij staarde nu niet meer naar eene zijde, het venster uit, maar hield, ofschoon met nedergeslagen oogen, het aangezigt naar André gekeerd. Hij vond haar in die houding schooner en lieftalliger dan ooit te voren. Het eenvoudig reistoilet scheen opzettelijk voor haar uitgevonden te zijn, zoo goed kleedde het haar en zoo volkomen voegde het bij hare taille. Het zuiver ovaal van haar gelaat vormde met hare blonde krullen, thans aan weerszijde in één zwaren lok vereenigd, het bekoorlijkst geheel. Op nieuw maakte hij in zijnen geest eene in de laatste dagen herhaaldelijk ontworpen vergelijking, en ditmaal sloeg de schaal zeer bepaald naar Emma's zijde over. Lidewyde had noch dat voorhoofd,—zoo rein, dat een engel het gekust zou hebben,—noch dien lieven trek om den mond, noch die zachte wangen, noch het zedige dier lange wimpers. Met kracht kwam zijne eerste liefde weder bij hem boven; en toen hij onder elk dier wimpers zich een kristalhelderen traan zag vormen, vonkelend als diamant, was de triomf voltooid. Hij greep hare twee kleine handen in de zijne en riep in geestvervoering uit:

"Om godswil, Emma, maak mij niet rampzalig! Kwel u zelve niet! Ik heb u lief met geheel mijn hart! Schrei niet, en zie mij aan!"

Nog kwam geen glimlach spelen om haren mond; doch zij voldeed niettemin aan zijn verlangen en sloeg de oogen naar hem op. Zulk een blik moet het geweest zijn, die de dichters der oudheid heeft doen zeggen, dat het licht in de oogen der vrouwen het doorbrekend zonlicht gelijkt.

—"André," zeide zij, hare eene hand loswikkelend uit zijnen greep en met haar zakdoek de opkomende tranen wegwisschend, "gij vergist u te eenemaal in mijn gevoelens. Vooreerst is het volstrekt niet waar, dat gij niet naar Duinendaal zijt mogen komen. Niemand heeft u dat verboden; maar het was, gelijk ik u geschreven heb"...

—"Ik bid u, lieve," viel hij haar in de rede, "doe geene moeite om mij van mijn ongelijk te overtuigen. Dat gij verdriet hebt gehad is het duidelijkst bewijs van mijne schuld. Wees vriendelijk tegen mij, en ik zal erkennen dat gij bij uitnemendheid de kunst van straffen verstaat."

—"Neen, André, zoo moet gij niet spreken. In het begin van onze kennismaking voerdet gij nooit zulk eene ligtzinnige taal, en juist de verandering die in dat opzigt eensklaps over u gekomen is, maakt mij bekommerd. Waarom mag ik u niet herinneren, dat uw niet-overkomen naar Duinendaal de natuurlijkste zaak der wereld geweest is? Vader vond het te vermoeijend voor mij, op één dag zulk eene verre reis te doen; en om die reden-alleen heb ik u geschreven, mij te T. te komen afhalen. Het is niet goed van u, het te doen voorkomen, alsof mijn oogmerk met die schikking geweest was, u op een afstand te houden."

—"De schikking heeft niettemin op mij dien indruk gemaakt."

—"Neen, André, dat kunt gij niet meenen. Van het oogenblik af dat ik de reis in twee dagen zou doen, sprak het van zelf dat gij te M. bleeft en vader mij tot T. geleidde. Indien ik iets tegen u heb, is het dat gij eene vergoelijkende uitlegging zoekt te geven aan uwe eigen onverschilligheid. Ik verg niet van u, ik mag niet vergen, dat gij iederen dag en ieder uur van uw leven mij even teeder zult liefhebben als ik het u doe. Ik wil gelooven dat de mannen in dit opzigt anders zijn als wij. Doch neem den schijn niet aan, bid ik u, alsof in dit geval de meeste genegenheid van uwe zijde gekomen was. Ik heb dat niet aan u verdiend."

—"En welken anderen schijn wilt gij dan dat ik aannemen zal, melieve?"

—"Mijn wensch, André, is dat gij uzelven zijn en iederen schijn ter zijde stellen zult. Hoe kunt gij vragen, of moeder het afkeurt dat ik te M. ga logeren? Gij weet even goed als ik, dat ik zonder haar goedvinden Belvedere niet verlaten zou hebben. Neen, niet zij, maar ik zag er tegen op, de uitnoodiging dier vreemde dame aan te nemen. En niet om freule Steinmetz aarzelde ik, maar om mevrouw Dijk. Ik heb een voorgevoel dat onze kennismaking met die dame tot niets goeds leiden zal; en gij kunt mijne brieven niet met aandacht gelezen hebben, zonder te bemerken dat ik uwe Lidewyde wantrouw."

—"MijneLidewyde, zegt gij? Maar ik zweer u, Emma, dat Lidewyde niet in uwe schaduw staan kan. Al was zij een jong meisje, het zou niet in mij opkomen haar het hof te maken; nu zij de vrouw is van Adriaan Dijk, spreekt het van zelf dat ik mij vergenoeg met te haren aanzien de burgerlijke beleefdheid in acht te nemen. Uwe vrees voor haar is eeneidée fixevan u, meer niet. Heden-avond zult gij hare kennis maken, en morgen-ochtend, daarvoor sta ik in, zal uw eerste werk zijn, met uwe eigen bekommeringen den draak te steken. Lidewyde is eene belangwekkende vrouw, daarmede is alles gezegd; en zelfs dat gematigd kompliment zou overdreven zijn, indien men niet nu en dan aan hare vrolijkheid-zelve bemerken kon, dat zij ongelukkig is. En nu vraag ik u of het verstandig, neen, of het edelmoedig is, haar om dat éénecharmein den ban te doen?"

—"Ik heb u reeds geschreven, André, dat Lidewyde's rampen mij tamelijk koel laten. Laat het zoo zijn, dat zij niet gelukkig getrouwd is: heeft zij indertijd niet hare eigen keus gevolgd? En indien zij zich in uw neef Adriaan vergist heeft, geeft dat haar het regt om uit de hoogte neder te zien op een man die haar niets in den weg legt en alles doet wat in zijn vermogen is om haar leven te veraangenamen? Ikkangeen medelijden hebben met vrouwen, hoe ongelukkig ook, die alles geoorloofd achten, alleen omdat hare mannen geene engelen zijn."

—"Nu ja, ik heb u geschreven, dat mijn eerste indruk omtrent Dijk te gunstig is geweest, en ik al spoedig ben gaan bemerken, dat hij er de man niet naar is, om eene vrouw als Lidewyde gelukkig te maken. Doch ik zou meer hebben kunnen schrijven. Behalve dat Lidewyde verbonden is aan iemand, dien zij onmogelijk met haar geheele hart liefhebben kan, wordt haar het hof gemaakt door dienzelfden dokter Ruardi, die zich Adriaans intiemsten vriend noemt. Zeer toevallig ben ik dat te weten gekomen door een gezegde van Lidewyde's kamenier."

—"Luister, André, ik heb een ingeschapen afkeer van al dergelijke intriges, en hetgeen gij daar zegt vermeerdert niet, maar vermindert nog mijne hoogachting voor Lidewyde. Indien zij het ernstig wilde, zou het haar geene moeite behoeven te kosten, dokter Ruardi op een afstand te houden zonder aan haren man te doen blijken dat zijn beste vriend een verrader is. Doch Lidewyde is eene kokette, daar houd ik het voor. Uw oom doorgrondt haar, en omdat hij haar kent voor hetgeen zij is,—omdat hij hoopt, dat zij u van uwe liefde voor mij genezen zal, daarom en daarom-alleen heeft hij u naar M. gezonden."

—"Lieve Emma, hoe komt gij er toe, u zulke dingen in het hoofd te halen? Mijn oom mag wezen wie hij wil, hij is onbekwaam, zulke quasi-diabolische plannen te ontwerpen. En al ontwierp hij ze, hebben wij het niet in onze magt ze te verijdelen? Zijt gij niet de vrouw van mijne keus? "Kom en zie," schreef ik u, en dat herhaal ik. Leer Lidewyde kennen, en in een omzien zult gij u verlost gevoelen van uwe vooroordeelen. Op mijn woord van eer, gij maakt noch uzelve een kompliment, wanneer gij haar een vermogen op mij toeschrijft, grooter dan het uwe, noch mij, wanneer gij mij voor zwak genoeg houdt om voor eene zoo gewone verzoeking te bezwijken."

Hoewel niet verbaasd over de gladheid van zijne eigen tong,—want Emma's nabijheid inspireerde hem, en hij zou onder dien invloed, zonder van zijn stuk te geraken, geheele redevoeringen hebben kunnen houden,—schrikte André toch min of meer op, toen het schel gefluit der lokomotief, onder het voortrammelen van den trein, zijne laatste betuiging van genegenheid met eene soort van fanfare begeleidde, die niet regtstreeks uit de gewesten der hemelsche gelukzaligheid afkomstig scheen te zijn. Het is inderdaad jammer dat Virgilius en Dante, die zulke fraaije beschrijvingen van de onderwereld geleverd en zulke uitgezochte helsche klanken nagebootst hebben, onbekend geweest zijn met het schrille stemgeluid van het privatief vehikel der 19deeeuw. Hadden zij daarvan een voorgevoel kunnen hebben, elk ander symbool van de verschrikkingen des gewetens zou hun toegeschenen zijn, kleur en toon te missen. Voor het verdeeld gemoed van de kinderen onzes tijds is dat valsch en snerpend geluid hetgeen voor een vroeger geslacht het bazuingeschal geweest is, waarmede de joodsch-christelijke eschatologie het laatste oordeel laat aanvangen. Doch André maakte zich noodeloos ongerust. Instede van de om zijne dubbelhartigheid lagchende booze geesten zijner opgewekte verbeeldingskracht, zag hij eensklaps aan zijne zijde, op de loopplank nevens het portier, het onschuldig aangezigt verschijnen van een kondukteur, die plaatskaartjes kwam ophalen, en op den meest aardschgezinden toon der wereld vroeg, of zich in dit kompartiment welligt passagiers bevonden, die te G. wenschten uit te stappen. Er was in de alledaagsche belangstelling van dien man iets zoo ontnuchterends; de goedige uitdrukking zijner oogen neutraliseerde zoo te eenemaal het fantastische van zijn verschijnen; zij vernietigde zoo onherroepelijk de ontsteltenis, die zijn borstelige knevel en zijn zware sapeursbaard anders welligt nog hadden kunnen teweegbrengen, dat men voor het minst een moord op het geweten zou moeten gehad hebben om niet aanstonds te beseffen dat de dichterlijke Furien der mythologie niets te maken hadden met het plotseling optreden van dezen man, die een dood-onschuldig Metalen Kruis in het knoopsgat droeg en voor het overige slechts de voorwaarden zijner broodwinning vervulde. Zoo is het leven en zoo worden de menschen slecht! Wanende Beëlzebub aan zijne zijde te zien verschijnen, aanschouwt men een gepasporteerd militair in de gedaante van een wellevend spoorweg-kondukteur.

Het toeval wilde, dat bij het stilhouden te G. geen enkel passagier plaats kwam nemen in het rijtuig, waarin André en Emma zich bevonden. "En is dat nu de stad waar de kapelaan Stephenson woont?" had Emma kunnen vragen; doch zoomin als André was zij zich van het bestaan van dien belangwekkenden jongen priester bewust; en haar vervulde alleen de gedachte aan hetgeen André daareven gezegd had. Hoe kon hij wanen, dat het haar te doen was om òf hem, òf haarzelve een kompliment te maken? Wie had hem zulke dingen in het hoofd gebragt? Wat beteekende die wereldsche taal? Doch aan den anderen kant viel het niet te ontkennen, meende zij, dat hij de hartelijkheid-zelve scheen en zich te haren opzigte geheel en al als een vurig bruidegom gedroeg. Nu ja, ook zonder den kapelaan Stephenson geraadpleegd te hebben, gevoelde zij dat André sommige drogredenen verkondigde en zijn oordeel over Lidewyde den toets niet doorstaan kon. Doch zij had nu eenmaal hare eigen denkbeelden omtrent het hart der mannen in het algemeen en André's hart in het bijzonder; en een dier axioma's was, dat de verloofde van hare keus, hetzij als bruidegom of als echtgenoot, het mogt gaan hoe het wilde, haar nimmer geheel en al ontrouw worden kon. De bloem onder het uitrukken van wier bladen zij beurtelings indertijd: "Hij zal mij vragen" en: "Toch niet" gefluisterd, en wier laatste woord in eene stellige toezegging bestaan had,—die denkbeeldige bloem was geen kortstondig madeliefje, maar eene immortelle geweest. De voorstelling dat André in staat was haar te verwaarloozen, kwetste hare fierheid en deed haar naar de wapenen der beleedigde onschuld grijpen. Doch pas bedacht zij, dat niemand hem zoo volkomen kon liefhebben als zij en hij telkens zou moeten eindigen met dit te erkennen, of zij deed afstand van hare verontwaardiging en verzoende zich met hem in den geest. In het leven van een man, die aan zulk eene vrouw zijn woord verpand heeft, kunnen zich oogenblikken voordoen dat hare al te groote teederheid hem verdrietig maakt en hij wenschen zou, bij minder zenuwachtigheid, meer in haar te vinden van hetgeen ledepoppen eene gemakkelijke soort van speelgoed doet zijn. Doch de mannen, die het regt zouden hebben dergelijke verzuchtingen te slaken, vormen eene uitzondering op den regel; en André was zulk eene uitzondering niet. Hij behoorde veeleer tot de klasse dergenen, die eene vrouw als Emma onwaardig zijn en aan wie eene liefde als de hare verspild is. Hij wilde wel de baten van Emma's vergevensgezindheid genieten, doch was niet bereid om daarvan de lasten te dragen; en het was jammer dat zij dit niet in tijds doorzag. Ware zij daartoe onbeneveld genoeg van blik geweest, zij zou zichzelve een lang en groot verdriet gespaard hebben; indien men althans met grond van oordeel is, dat eene vrouw wijzer handelt en zich minder ongelukkig maakt, indien zij sommige betrekkingen uit eigen beweging verbreekt, dan indien zij de gevolgen van hare verblinding voor hare rekening neemt. En tot Emma's verontschuldiging kon worden aangevoerd, dat zij niet blinder was dan gevorderd werd om hare liefde aan de voorwaarden van dat gevoel te doen beantwoorden. Of is eene vrouw te veroordeelen, alleen omdat zich in haar bestaan eene vaste wet van haren aard vervult? Alle deskundigen zullen dit ontkennen, en teregt. Toen gij liefhadt, waart gij blind, mevrouw; zonder dat zou uwe liefde niet van de regte soort geweest zijn. Tevens meent men te weten, dat de ongemeene schranderheid, die in de laatste jaren bij u is opgemerkt, en waardoor gij u eene volkomen verdiende reputatie van superioriteit verworven hebt, dagteekent van het oogenblik dat uw ideaal in de werkelijkheid omgekomen en de dienst van Eros door u voor die van Hermes misschien, maar in elk geval voor die van Athene verlaten is.

Op ieder honderd jeugdige kantoorbedienden, die in gemengd gezelschap, wanneer zij de zekerheid bezitten niet door hunne patroons beluisterd te worden, wel eens tot amusement van de dames eene gewaagde anekdote opdisschen, worden er negen en negentig gevonden, die meer dan eens genoegen hebben beleefd aan het verhaal van den Tunnel en het Moesje. Doch Emma droeg geene moesjes, en het geheele nederlandsche spoorwegnet is geen enkelen tunnel rijk. Het zou derhalve niet baten, den lezer te willen wijsmaken, dat een kleine zwarte stip, die gedurende de geheele reis, en nog bij het afrijden van G., een bekoorlijk relief gegeven had aan Emma's zachtgekleurde wang, bij de aankomst te M. bevonden werd aan André's bovenlip te kleven. En waartoe fabelen verhaald, wanneer men de feiten slechts voor het grijpen heeft? Emma, die zonder moeite over André's redenen zou hebben kunnen triomferen, was niet bestand tegen die van haar eigen hart. Zij beloofde, hare vooringenomenheid tegen Lidewyde ter zijde te zullen stellen; en reeds toen de trein, in weerwil van den geringen afstand, nog een goed eind van M. verwijderd was, had, dank zij de nederlandsche spoorwegzeden, die geene jongelieden van beiderlei geslacht verbieden zamen te reizen, een kus het hersteld verbond bezegeld tusschen de twistende gelieven.

Bij haar eerste ontwaken in de woning van freule Steinmetz, had André voorspeld, zou Emma zich van hare vooroordeelen omtrent Lidewyde ontheven gevoelen; en die profetie kwam ten deele uit. Geene benaauwde droomen hadden haar gekweld gedurende den nacht, en toen zij de oogen opsloeg, verrees voor haren geest, in Lidewyde's gestalte, geen enkel schrikbeeld. Integendeel, zij ontwaarde in hare kamer slechts voorwerpen, wier aanschouwing haar weldadig aandeed: een ochtendzonnestraal die van achter het hoofden-eind van haar ledikant op het tapijt viel en hoop gaf op een onbewolkten dag; in een hoek der kamer, aan hare zijde, een console en daarop eene pendule, die het uur van zevenen aanwees; halverwege den muur tegenover haar, een waschtafel en daarboven eene fraaije gravure, Van DijksEcce Homovoorstellend. Vooral de aanblik dier gravure deed haar goed en stelde haar gerust. Uit zichzelve was zij niet godsdienstig of niet christelijk genoeg om waarde te hechten aan dergelijke voorstellingen, en in gewone omstandigheden zou zij in staat geweest zijn te beweren, dat hare voorkeur aan wereldscher beelden behoorde. Doch zeker nieuw gevoel van hulpbehoevendheid, dat zij zich niet herinneren kon, vroeger in die mate met zich omgedragen te hebben, deed het haar eene aangename gewaarwording vinden, zich onder het dak te weten van eene vrouw, die aan Christus met de doornenkroon geloofde, en die, zonder ophef, tot in de beeldtenissen toe, waarmede zij hare logeerkamer versierde, daarvan getuigenis aflegde. André had beweerd, dat zij zichzelve ten onregte en noodeloos verkleinde door van haar eigen overwigt op hem een geringeren dunk te koesteren dan zij van Lidewyde's vermogen had. Met meer regt zou hij thans hebben kunnen aanvoeren, dat zij door hare onwillekeurige bekentenis van zwakheid, en hare daarop gegronde toenadering tot den Man van smarte, geen kompliment aan de christelijke godsdienst maakte, en indien òf de predikant van Duinendaal, òf de kapelaan Stephenson, òf beiden op hetzelfde oogenblik, André die stelling hadden hooren voordragen, zouden zij hem gelijk gegeven en Emma berispt hebben. Doch tot haar lof moet gezegd worden, dat haar brein voor dergelijke beschouwingen niet toegankelijk was. Zelve te allen tijde bereid om diensten te bewijzen, kon zij zich niet voorstellen dat Hooger wezens hunne welwillendheid immer van iets anders afhankelijk zouden maken als van het beroep daarop, door zwakkeren gedaan. Voor haar gemoed vloeide de hoogste nuttigheid der dingen met hunne werkelijkheid en verkrijgbaarheid ineen, en hare verbazing zou volkomen geweest zijn, indien zij had hooren betoogen, dat men om de baten der godsdienst te mogen genieten, zich eerst sterk genoeg moest gevoelen om haar te kunnen missen.

Zij stond op en kleedde zich, en toen zij haar koffer ontpakt en hare toilet-artikelen behoorlijk gerangschikt had, begaf zij zich naar de ruime en vrolijke bovenvoorkamer, die haar den vorigen dag, bij hare aankomst, door freule Bertha in persoon was aangewezen als haar salon. Zij trad naar een der vensters en vermaakte zich met het ontluikend leven te bespieden aan boord der pramen en beurtschepen in de gracht. Drukte op de straat beneden haar of aan de overzijde was er nog niet op dit uur, en de weinige sjouwerlieden die zij eene vracht opladen of eene handwagen voortduwen zag, namen nog die zekere stilzwijgendheid in acht, welke den arbeidzamen mensch eerst schijnt te verlaten, wanneer de zon hoog aan den hemel staat. Zij bleef evenwel niet lang in hare waarnemingen verdiept. Voor het ontbijt wilde zij een uitvoerigen brief aan hare moeder schrijven, en zij begreep dat zij om dit plan te kunnen volvoeren haren tijd niet verbeuzelen moest. Ook had zij een voorgevoel, dat die brief, waarin zij alles zeggen en nogtans het voornaamste verzwijgen moest, haar eene meer dan gewone inspanning kosten zou.

Freule Steinmetz ontbeet in eene tuinkamer. Eene breede vensterdeur verleende toegang tot een bestraat voorpleintje, dat door eene gemetselde rollaag, drie trappen hoog, gescheiden was van den eigenlijk gezegden bloemhof. De tuin was grooter en minder kinderachtig aangelegd dan die van den ouden pastoor te G. Hij bestond uit een middenperk, waarin een bed stamrozen bloeide, met een bed geraniums aan de voor- en een bed fuchsia's aan de achterzijde. Nevens dat perk liep aan weerskanten een breed voetpad, omzoomd met aardbezieplanten, waarachter heesters van allerhande soort zich beijverden eene heining te verbergen, die scheiding maakte tusschen dit pand en die der buren regts en links. Den achtergrond vormde de blinde muur van een hoog en breed gebouw, dat voor koetshuis en paardenstal gebruikt werd en uitkwam in eene straat van minderen rang, in dezelfde rigting loopend als de gracht voor freule Bertha's woning. Ten einde dien muur zoo veel mogelijk onzigtbaar te maken, hadden vroegere bewoners, eene halve eeuw en welligt langer geleden, aan zijnen voet een moerbezieboom geplant, die thans, dank zij eene zorgvuldige verpleging, geheel en al aan zijne bestemming beantwoordde en minstens over eene oppervlakte van honderd voeten in het vierkant zijne takken uitbreidde. Bijna verscholen tusschen de plooijen van dat groene scherm stond aan de regterzijde van den tuin, waar de grond een weinig opliep, eene lage hut, wier zijwanden van rietmatten en boschhout vervaardigd waren en wier dak gevormd werd door de overhangende takken van een wilden kastanje. De zorg waarmede die hut bevloerd, en zoo ook de moderne vorm der tafels en stoelen waarmede zij gemeubeld was, getuigden van eene kennelijke voorkeur voor dit plekje. Werkelijk zou freule Steinmetz aan haren "koepel" zoo veel geld niet besteed hebben, indien zij niet in den waan had verkeerd, dat zulk een verblijf haren stadstuin naar eene buitenplaats deed zweemen.

Voor Emma, die gewoon was uit de vensters van Belvedere den blik te laten weiden over een landschap van vele uren in den omtrek; die in de Duinendaalsche bosschen plekjes had leeren ontdekken waar geen sterfelijk oog u bespieden kon en zelfs de konijnen hunne schichtigheid schenen te hebben afgelegd; die honderd malen met hare ouders, of aan André's arm, den hoogsten top der duinen beklommen en nu eens voor zich uit naar de blaauwe streep der zee gestaard, of zich omgewend en met het oog op verren afstand de kronkelingen der rivier gevolgd had,—bezat de aanblik van freule Bertha's bloemhof geene magnetische kracht, en zij moest zichzelve eenig geweld aandoen om ingenomenheid te kunnen toonen met een vergezigt van vijftig schreden in de lengte op eene breedte van dertig.

In het geheel geene moeite daarentegen kostte het haar, aan het gezelschap van hare gastvrouw te gewennen. André, dit bleek, had van dier beminnelijken aard niets te veel gezegd, en Emma had geen half uur tegenover de bejaarde freule aan de ontbijttafel gezeten, of zij gevoelde zich volkomen op haar gemak. Ook het voorstel der freule om te zamen een hoofdstuk uit den Bijbel te lezen mishaagde haar niet, en toen die kleine huiselijke godsdienstoefening, waarbij Emma de taak van lectrice vervuld had, afgeloopen was, scheen aan beider gekeuvel geen einde te zullen komen.

—"Wij hebben gisteren veel te vlugtig kennis gemaakt, lieve jufvrouw," was freule Bertha's thema, "en het doet mij regt veel genoegen eens rustig met u te kunnen praten. Het was niet meer dan natuurlijk, dat mijnheer Kortenaer u aanstonds met zich mede troonde naar Soekabrenti, en ik begrijp dat gij in de eerste plaats mevrouw Dijk wenschtet te ontmoeten. Ook meen ik opregt hetgeen ik mijnheer André aanstonds gezegd heb, dat uwe vrijheid bij mij aan huis onbeperkt is. Gij kunt hem bij u ontvangen, kunt hem afwijzen, al naar het u gelegen komt. Ik houd niet van menschen die hunne logeergasten tiranniseren, en wil zelve niet voor zulk eene dwingster aangezien worden. Geef mij uwe ochtenduren, indien gij wilt; geef mij een deel daarvan, en ik zal tevreden zijn. Onderstel in geen geval, bid ik u, dat ik mij niet in uwe positie zou weten te verplaatsen, en doe mij het onregt niet van te gelooven, dat ik het gezelschap eener vrouw van mijne jaren en van mijne denkwijze zou wenschen op te dringen aan een jong meisje dat andere en voor haar gewigtiger dingen aan het hoofd heeft. Uw bijzijn bevalt mij, en daarom durf ik zoo spreken. Ik ga door voor eene overdreven kerksche vrouw, en sommige personen mijden mij daarom, doch van u geloof ik niet dat gij mij om die reden schuwen zult. Men moet eene christin zijn om met zoo veel gevoel eene bladzijde uit den Bijbel te kunnen voorlezen als gij daareven gedaan hebt."

—"Wat ik u bidden mag, freule, prijs mij niet om mijne vroomheid," antwoordde Emma, blozend en met eene onvaste stem. "In dat opzigt, en in menig ander, schiet ik veel te kort. Bij ons aan huis wordt over den Bijbel en de kerk weinig gesproken, en ik volg daarin het voorbeeld van mijn vader en mijne moeder. Ook mijn aanstaande man zwijgt meest over die onderwerpen. Neen, waarlijk, ik ben in het geheel niet vroom."

—"Verkeerd van u, mijn kind, en er zal een tijd in uw leven komen, dat gij mij dat zult nazeggen. Voor mij is de godsdienst nooit een schrikbeeld geweest. Mijne zoogenaamde regtzinnigheid is niets anders als de uitdrukking van hetgeen ik dagelijks gevoel, en dat gevoel is zoo eenvoudig en zoo natuurlijk, dat ik daarbuiten mijzelve niet zijn zou. Nooit heb ik een braaf mensch ontmoet, die niet datgene wilde wat ik ook wil, en het is mij altijd voorgekomen dat het eenige onderscheid tusschen de regtzinnige en de niet-regtzinnige menschen hierin bestaat, dat de regtzinnige geene vruchten verwachten van een boom die niet in eere gehouden wordt. Doch God beware mij, dat ik daarom mijne medemenschen, die anders denken als ik, veroordeelen zou. Ik gevoel mij aangetrokken tot al hetgeen liefelijk is en wel luidt, zoo als Paulus zegt; en mijn omgang met een aantal personen wier gevoelens zeer van de mijne verschillen, mijne vriendschap voor mevrouw Dijk, de vriendschap die ik nu reeds voor uzelve en voor mijnheer Kortenaer gevoel, zijn bewijzen genoeg dat ik in mijne soort even vrijzinnig denk als vele andere menschen, die voor vrijzinniger doorgaan dan ik. Zelfs vrees ik somwijlen, dat ik de maat overschrijd, en eene vrouw van mijne gevoelens, indien zij den schijn niet op zich laden wil van meer dan eenen Meester te dienen, scherper behoorde te onderscheiden tusschen de gezelschappen die zij bijwonen mag, en die, waaruit zij zich terugtrekken moet."

Emma kon de gedachte niet van zich afzetten dat in deze bedekte zelfkastijding eene toespeling op Lidewyde opgesloten lag; en de verzoeking om bij deze gelegenheid iets naders te vernemen omtrent de vrouw, die laatstelijk zulk eene voorname plaats in hare gedachten had ingenomen, was haar te sterk. Daar zij evenwel den moed niet had, dat onderwerp regtstreeks aan te roeren, beproefde zij een omweg.

—"Ik geloof, freule," zeide zij, "dat behalve de regtzinnige en de niet-regtzinnige, zoo als gij ze noemt, er nog eene derde klasse van menschen gevonden wordt. Ik spreek noch van André, noch van mijzelve; want wij zijn jongelieden, en onze meeningen tellen nog niet mede. Doch indien gij André's vader, en vooral indien gij mijne ouders kendet, zoudt gij begrijpen wat ik meen. Het is waar dat wij 's ochtends niet gezamenlijk in den Bijbel lezen en er 's middags aan tafel bij ons aan huis niet gebeden wordt. Wij gaan 's zondagsochtends naar de kerk, dat is al. En toch durf ik beweren dat mijn vader en mijne moeder, indien ik zoo spreken mag, engelen zijn. Ik heb een lieven broeder gehad, die in den bloei van zijn leven weggenomen is; iemand met buitengewone gaven, wiens verlies voor ons allen een onuitsprekelijk groot verdriet is geweest. Doch ik weet inderdaad niet, hoe het mogelijk zou zijn, zulk een slag dieper te gevoelen dan mijne ouders dit gedaan hebben. Al wordt mijn vader honderd jaren oud, hij zal sterven zonder het gemis van Reinier te boven gekomen te zijn, en zoo gelukkig kan André mij niet maken, of er zal in de vreugde van mijne moeder eene groote leegte blijven bestaan. Niettemin kan de buitenwereld niets daarvan aan hen bespeuren, en ook in hun hart klagen of morren zij niet. Zij zijn goed en vriendelijk voor iedereen, schrikken niemand af, trekken zich moedwillig uit niets terug, en leven in vrede met de geheele wereld. Mij komt het voor, dat alleen zulke gevoelens de waarde der menschen bepalen, en het verder eene onverschillige zaak is, of men al dan niet hetzij tot de regtzinnigen, hetzij tot de onregtzinnigen gerekend kan worden."


Back to IndexNext