Achttiende Hoofdstuk.

—"Jawel, mijn kind, in zekeren zin is dat ook eene onverschillige zaak. Wanneer het hart niet op de regte plaats zit, baat geene godsdienstigheid. Dat ben ik volkomen met u eens. Om beminnelijk te zijn, moet de godsdienst gepaard gaan met menschelijke gevoelens, en ikzelve ben daarvan zoo doordrongen, dat ik gevaar loop in het andere uiterste te vallen en, zooals ik daareven zeide, te groote waarde aan het menschelijke te hechten. En toch geloof ik, dat zij, die denken zoo als uwe ouders,—en zoo denken een groot aantal personen met wie ik dagelijks verkeer, Lidewyde onder anderen,—toch geloof ik dat hetgeen hen en haar beminnelijk maakt eene onwillekeurige hulde aan de regtzinnigheid is. Ook zou het bandeloos gemeen hen even goed willen vertreden als het lust zou hebben dit mij en de mijnen te doen, indien in deze wereld de magt van het geloof minder groot was of minder ontzag inboezemde. Doch is het dan ook niet waar, dat zij de vruchten plukken van instellingen en overleveringen, tot wier instandhouding zij regtstreeks niets bijdragen? Ik zeg nog eens, de Hemel beware mij dat ik personen als uwe ouders, over wie gij met zoo veel liefde en eerbied spreekt, minder achten zou dan mijzelve. Maar het is mijne schuld niet, dat ik de dingen anders inzie; en dit weet ik, dat openlijk voor mijne meening uit te komen, mij meer aanspraak op vertrouwen geeft, dan indien ik mijne ware denkwijze zocht te verbergen."

Emma was met hare gedachten niet genoeg bij de zaak om regt te laten wedervaren aan freule Bertha's liberaliteit. Haar belang bragt mede,—en vooreerst zal die drijfveer hier beneden haar monopolie wel niet verliezen,—de aandacht harer gastvrouw af te leiden van een onderwerp, dat thans niet in de eerste en voornaamste plaats de hare bezig hield. Zij zweeg eene poos, schijnbaar nadenkend over freule Bertha's laatste woorden en over de mate van instemming die zij daarmede zou kunnen betuigen, en vroeg toen, zoo veel mogelijk verhelend dat die vraag haar op de lippen brandde:

—"En zoudt gij denken, freule, dat Lidewyde, het verschil in leeftijd daargelaten, even veel vertrouwen verdient als mijne moeder? André heeft mij veel goeds van haar verteld; doch om de waarheid te zeggen kost het mij eenige moeite, aan die voorstelling te gewennen."

—"Lieve Emma," was het antwoord, "hoe wilt gij dat ik u daaromtrent zekerheid geven zal? Lidewyde is eene schoone, jonge vrouw, die veel menschen ziet en veel uitgaat; het spreekt dus van zelf dat zij somtijds aanstoot geeft en verschillend beoordeeld wordt. Ongetwijfeld zullen er personen gevonden worden, die haar voor ligtzinnig houden, en de wereld zou de wereld niet moeten zijn, indien vooral de dames van haar eigen leeftijd niets op haar aan te merken hadden. Doch gijzelve hebt haar gister-avond gezien en gesproken, en zult dagelijks, gedurende uw verblijf in deze stad, in de gelegenheid zijn om uwe opmerkingen te maken en uw oordeel te vestigen. Is de eerste indruk ongunstig geweest? Is dat de reden van uwe vraag?"

—"Integendeel, Lidewyde heeft mij met de meeste heuschheid ontvangen, en het zou mij niet fraai staan, daarop iets te willen afdingen. Haar eerste werk is geweest, mij een beeldig kleedje ten geschenke te geven, dat zij met André voor mij uitgezocht had. Ook mijnheer Dijk was zeer vriendelijk voor mij. En toch gevoelde ik mij op Soekabrenti niet geheel en al op mijne plaats. Ik vind Lidewyde niet natuurlijk, niet gewoon, niet zoo als andere vrouwen, hoe zal ik zeggen?"

—"Gij moet in aanmerking nemen, lieve, dat Lidewyde eigenlijk geene Hollandsche is. Zij heeft voortdurend moeite zich te gewennen aan ons klimaat en aan onze zeden. Doch indien mijnheer Kortenaer u gezegd heeft, dat gij billijker over haar zult oordeelen naarmate gij haar meer van nabij zult leeren kennen, heeft hij de waarheid gesproken. De oude mevrouw Dijk is eene vriendin van mijne jeugd, en ik heb Lidewyde bij haar aan huis om zoo te zeggen van jong meisje afaan zien opgroeijen. Ik heb haar ontmoet, toen zij nog een juffertje van de kostschool was, die in hare vakantiedagen te logeren werd gevraagd bij Adriaans zusters; ik heb Adriaan om haar heen zien fladderen als eene mug om de kaars; ik ben genoodigd geweest op hunne bruiloft. Vraagt gij mij, of hij en zij niet welligt gelukkiger zouden zijn, indien hun huwelijk met kinderen gezegend was geworden, dan zeg ik volmondig ja. Doch welk menschenleven heeft niet zijne schaduwen? Toen Lidewyde Adriaans vrouw werd, hebben al de leden der familie Dijk zich daarover verheugd. Adriaans vooruitzigten waren van dien aard, dat hij de inspraak van zijn hart gerust volgen kon en niet behoefde te zoeken naar eene vrouw met geld; en Lidewyde's schoonheid was zoo buitengewoon; zij had zoo uitmuntend geprofiteerd van het haar gegeven onderwijs; hare manieren waren zoo onberispelijk, dat men haar de positie, welke Adriaan haar aanbood, wel misgunnen, maar niet beweren kon, dat zij die in eenig opzigt onwaardig was. Zij heeft geen expansiven aard, en de intimiteit tusschen haar en Adriaans zusters is met den tijd niet toegenomen; doch dit kan ik u verzekeren, dat zij in weerwil van hare afgemetenheid bij Adriaans familie hoog aangeschreven staat. En volgens mij verdient zij dit ten volle. Ik heb u reeds gezegd dat zij in het godsdienstige anders denkt als ik; doch in de schatting van haren man en van diens moeder en zusters, die het daarin met haar meer eens zijn dan met mij, verkleint dat hare waarde niet. Somtijds karig met woorden, is zij de gulheid-zelve, wanneer het op geven aankomt; en meer dan eene liefdadige instelling in deze stad heeft groote verpligtingen aan haar. Waarlijk, Lidewyde heeft ontzaggelijk veel goeds; en het zou mij zeer verwonderen, indien gij haar niet weldra opregt leerdet liefhebben."

Emma's antipathie was te diep geworteld om voor freule Bertha's optimisme aanstonds te wijken, en in haren geest bleef ruimte voor de onderstelling, dat de scherpzinnigheid der oude dame, waar het op het beoordeelen van sommige karakters aankwam, geen gelijken tred met hare argeloosheid hield. Doch zij had nog te weinig menschenkennis om in haar eigen doorzigt veel vertrouwen te mogen stellen. Ook schaamde zij zich min of meer, achterdochtiger te schijnen dan de vrouw van leeftijd tegenover haar. "De liefde hoopt alle dingen; de liefde denkt geen kwaad;" had zij daareven in freule Bertha's Bijbel gelezen, en zij wilde niet aanstonds ontrouw worden aan eene leer, die zij ook voor de hare erkende. Juist dezen ochtend was het besef in haar ontwaakt, dat huiselijke godsdienstoefeningen hare nuttige zijde kunnen hebben; en schoon het te bezien stond, of zij haren wrok niet even goed zonder als met de vermaningen van den apostel Paulus zou hebben kunnen te boven komen, en het zelfs twijfelachtig was, of de heugenis van diens welluidende woorden haar op dit oogenblik eene dienst bewees,—zij schortte haar oordeel over Lidewyde op en nam zich voor, gunstiger over haar te gaan denken. Zoo volledig was evenwel hare bekeering niet, of zij poogde uitstel van schuldbelijdenis te verwerven door het voorwenden eener aan nieuwsgierigheid grenzende belangstelling.

—"En wie is," vroeg zij, "die zekere Sarah, welke Lidewyde schijnt te volgen als hare schaduw? Zij ontving ons in het voorhuis, en dat moest beteekenen, dat zij eene dienstbode was; maar indien zij mij minder spoedig behulpzaam was geweest in het afdoen van mijn hoed en doek, zou ik eene onderdanige dienaresse voor haar gemaakt hebben. Hoe komt Lidewyde aan zulk eene dame tot kamenier?"

—"Wie Sarah is, kan ik u niet zeggen, en weet Lidewyde zelve niet regt, geloof ik; doch zij geeft zich uit voor de weduwe van een Engelschman, die haar op Java heeft leeren kennen en haar medegenomen heeft naar Britsch-Indie, waar hij eene aanzienlijke betrekking bekleed heeft. Dit alles schijnt waar te zijn, en de geschiedenis van dien man moet vele jaren geleden het onderwerp hebben uitgemaakt van een levendigen strijd in de engelsche couranten. Hij had warme vrienden, maar ook onverbiddelijke vijanden. Er werd aan zijne eerlijkheid getwijfeld, en men beschuldigde hem een oproermaker te zijn. Na van zijnen post te zijn ontzet, heeft hij geruimen tijd met zijne vrouw door Europa gezworven, van de eene badplaats naar de andere verhuizend en al zijne bezittingen verspelend. Ook aan de waarheid daarvan schijnt niet getwijfeld te kunnen worden. Alleen geloof ik niet dat hij dood is, gelijk Sarah beweert. Hier in de stad althans worden personen gevonden, die zeker meenen te weten, dat zij hem nog dezen zomer in het buitenland ontmoet hebben. Zoo veel te erger voor die arme vrouw. Men behoeft haar slechts aan te zien, om te bemerken, dat zij veel geleden heeft, en hare tegenwoordige dienstbaarheid, hoe hard die haar ook vallen moet, niet eenmaal hare zwaarste beproeving is. Zij heeft zich sterk aan Lidewyde gehecht, en Lidewyde houdt ook hierom veel van haar, omdat zij gelooft dat Sarah op Java haren vader gekend heeft. Lidewyde is eene natuurlijke dochter, zoo als gij weet."

—"En zoudt gij denken, freule," vroeg Emma, "dat Sarah een gunstigen invloed op Lidewyde uitoefent?"

—"Ik ben daaromtrent niet geheel en al gerust; maar gij zult dit alweder aan mijne regtzinnigheid toeschrijven. De enkele malen dat ik met Sarah vertrouwelijk gesproken heb, heeft zij den indruk op mij gemaakt, eene waardige vrouw te zijn, met eere oud geworden in de school van den tegenspoed en achter wier rug een moeijelijk, maar smetteloos leven ligt. Maar tot mijne ontsteltenis meen ik tevens bespeurd te hebben dat zij geen geloof heeft."

—"Zou welligt haar man in het godsdienstige overdreven liberaal gedacht hebben? De meeste mannen, die uit Indie terugkomen, behooren tot die rigting, zegt men."

—"Helaas, lief kind, ik vrees maar al te zeer dat Sarah verder gaat dan de meest overdreven vrijzinnigen: en het is niet door den invloed van haar man, dat zij aan die meeningen gekomen is, maar uit haar zelve. Zij is volslagen ongeloovig, zeg ik u. Met de grootste koelbloedigheid heb ik haar hooren beweren, dat God voor haar niet bestond. Het was verschrikkelijk. En hoe aandoenlijk, te gelijkertijd, dat juist eene vrouw, die uit het geloof zulke magtige vertroostingen zou kunnen putten, te eenemaal daarvan verstoken is!"

—"En meent zij waarlijk, dat de wereld alleen door het toeval of het noodlot geregeerd wordt? Mij dunkt, zij kan dit wel met woorden beweren, of het meenen met haar hoofd; maar wanneer het hart boven komt, moet zij anders denken."

—"Neen, Emma, wanneer het God betreft, komt het hart bij Sarah nimmer boven. Zij is goed en vriendelijk; al de huisgenooten op Soekabrenti hebben haar lief, en dat verdient zij. Somtijds zelfs zou men in verzoeking komen te beweren dat zij gelooft zonder het te willen of te weten. Maar dit is zelfmisleiding. Hoe treurig het wezen moge, er valt niets aan te veranderen: zij is zonder hoop en zonder God in de wereld. Ook redeneert zij niet over dat onderwerp op zijn filosoofs, gelijk eenesavantedoen zou. Zij betuigt alleen dat zij vruchteloos gedurende haar geheele leven naar eenig blijk van Gods tegenwoordigheid gezocht heeft; dat Zijne stem geene enkele maal weerklonken heeft in haar hart, en zij vergelijkenderwijs meer vrede vindt bij de gedachte, dat Zijn bestaan een hersenschim is, dan dat Hij haar geheel en al vergeten zou hebben. Zij keert den troost van onze gezegende godsdienst om, en beweert dat haar ongeloof haar voor morren bewaart."

—"En wat zegt Lidewyde daarvan?"

—"Ziedaar een der punten waaromtrent ik zelfverwijt gevoel. Tot mijn leedwezen toch moet ik bekennen, dat Lidewyde zich den gemoedstoestand van Sarah niet genoeg aantrekt. Beweer ik, dat Sarah's ongeloof eene besmetting is waartegen men niet genoeg op zijne hoede kan zijn, dan haalt Lidewyde de schouders op en lacht schier om hetgeen zij mijne schrikbeelden noemt. Maar komaan, lieve Emma, verdiepen wij ons niet te zeer in de gevoelens van anderen. God is almachtig, en op uw leeftijd vooral moet men van alle menschen het beste hopen."

—"Dat moet men ook, freule," zeide Emma, met eene poging tot opgeruimdheid. Doch in haar hart voegde zij er bij met eene zucht: "Indien slechts de afstand tusschen moeten en kunnen niet somtijds eene breede rivier geleek!"

Op hare kamer teruggekomen, herlas Emma haren brief, vóór het ontbijt in gereedheid gebragt, en herlas dien met tegenzin. Had het haar te huis reeds moeite gekost, met woorden eene gerustheid te veinzen, die ver was van in haar gemoed te wonen, dubbel stuitte het haar tegen de borst, dezelfde onopregtheid in geschrifte te plegen. En onwillekeurig was het bedrog zoo kunstig door haar ingekleed, dat hare moeder, die van niets wist, door het ontvangen van dezen brief noodwendig gestijfd moest worden in hare onkunde. Het was een van hartelijkheid overvloeijend reisverhaal, waarin zij vertelde, hoe zij te T. afscheid genomen had van haren vader, hoe hulpvaardig André geweest was op den verderen togt van T. naar M., hoe gul zij ontvangen was geworden eerst door freule Bertha en daarna door Lidewyde, welk een aangenamen indruk die twee dames, bij alle verschil van leeftijd, uitzigt en karakter, op haar gemaakt hadden, hoe hare slaapkamer ingerigt en hare zitkamer gemeubeld was, hoe elk zich beijverde haar allerlei kleine beleefdheden te bewijzen, hoe al haar opzien tegen het verblijf te M. reeds dadelijk geweken was voor een gevoel van welbehagen, en hoe gerust men op Belvedere zijn kon, dat zij het in hare schijnbare ballingschap niet-alleen niet kwaad, maar veeleer te goed had.

De meeste menschen van boven de veertig hebben het schrijven van dergelijke brieven reeds zoo vaak bij de hand gehad, dat zij zich zonder inspanning over dat onwaarheid spreken heenzetten. Het verbloemen van hunne eigenlijke gevoelens is voor hen geheel en al eene stijloefening geworden, en om de ware toedragt der zaken bekommeren zij zich sedert lang niet meer. Doch Emma was nog slechts even in de twintig, en voor het eerst in haar leven had zij dezen ochtend de veder der historie in de kleurstof der fabel gedoopt. Vandaar kwellingen des gewetens, die wel misschien alleen bewezen dat ook het verdichten, even als de meeste andere vormen der ondeugd, slechts eene kwestie van gewoonte of ongewoonte is, maar niettemin pijn deden en onrust aanjoegen. Zij gevoelde aan haar hart, dat zij niet straffeloos romanschrijfster worden kon, en wilde haren brief verscheuren. Bij het herschrijven zou zij, met weglating van sommige andere zaken, in bijzonderheden kunnen treden omtrent het onderhoud dat zij daareven met hare gastvrouw gehad had, en hare moeder in het breede kunnen vertellen, welk eene partikuliere soort van orthodoxe dame freule Bertha was. Op die wijze zou de brief niet minder hartelijk, niet minder vrolijk, en vooral niet minder lang worden. Doch te goeder uur bedacht zij, dat zij zuinig moest zijn op hare onderwerpen en zichzelve het gras niet voor de voeten wegsnijden mogt, zooals de maaijers in de Duinendaalsche velden deden. Indien zij nu reeds ging uitweiden over freule Bertha's regtzinnigheid, waarover zou zij dan den volgenden keer aan hare moeder schrijven? Bovendien, zij kon niet zwijgen, of niet kort zijn, omtrent de ontvangst bij Lidewyde, zonder het vermoeden te wekken, dat de receptie op Soekabrenti eene teleurstelling was geweest, en daardoor een démenti te geven aan André, die in zijne brieven uit M. allerlei wonderen aangaande de villa en hare kasteleines verhaald had. Wel is waar zou zij zich kunnen bepalen tot de mededeeling, dat hare ingenomenheid met Lidewyde voor alsnog geen gelijken tred hield met de zijne; doch welk eene houding zou het hebben het oordeel en den goeden smaak van haar aanstaanden man aldus twijfelachtig te maken? en hoe ligt zou hare moeder daardoor op het denkbeeld kunnen komen, dat zij, Emma, òf door André veronachtzaamd werd, òf dat zij aanleg had om hem de wet te willen stellen? Neen, noch hem, noch haarzelve mogt zij in de schatting van anderen benadeelen; vooral hem niet. Het moest voor eeuwig een geheim blijven tusschen hen beiden, dat zij somwijlen aan hem getwijfeld had. Zelfs hare ouders behoorden daarvan niets te weten of te vermoeden. En wel mogt zij zeggen: getwijfeldhad; want sedert gisteren twijfelde zij niet meer. André's ongeveinsde blijdschap bij het wederzien te T.; zijne onbedriegelijke betuigingen van teederheid onder weg; de fierheid, waarmede hij haar aan freule Steinmetz had voorgesteld als zijne bruid; de oplettendheden die hij op Soekabrenti, gedurende het middagmaal en daarna, niet opgehouden had haar te bewijzen; de kus, waarmede hij gisteren avond, voor de deur van freule Bertha's woning, afscheid van haar genomen had en die nog onder het insluimeren om hare lippen had gezweefd,—indien men niet, gelijk de rampzalige Sarah, opgehouden had in God te gelooven, moest men vertrouwen stellen in zulke onmiskenbare blijken van teederheid, en was het pligt, zoo als freule Bertha zeide, het goede te denken. Alles zou teregt komen, daaraan viel niet te twijfelen: waarom dan dubbelzinnige brieven naar huis geschreven? brieven, die misschien veel kwaad, maar in geen geval nut konden stichten. Het beste was derhalve,—want de staatkunde is geenszins het eenige terrein waarop men niet doet hetgeen men wil, maar hetgeen men kan,—het beste was, den brief te verzenden gelijk hij nu eenmaal luidde.

Meent men dat de brief nogtansnietverzonden werd? Billijkerwijze kan niemand daaromtrent in het onzekere verkeeren. In oogenblikken van tweestrijd toch, wanneer de evenaar nu naar de eene, dan naar de andere zijde overhelt, eindigt de mensch in den regel met zich te laten bepalen door zijne eigenliefde; en er worden slechts zeer enkele personen gevonden, die ondervinding en geestkracht genoeg bezitten om voor die verzoeking niet te bezwijken. Emma nu bezat die twee kwaliteiten nog niet; en wat hare eigenliefde betrof, zij zou in het tegenwoordig stadium van haren hartstogt voor André liever het onmogelijke verduurd hebben, dan zelfs aan hare moeder te bekennen dat zij zich in hem vergist had.

Jean-Jacques Rousseau heeft somtijds gewaagde magtspreuken verkondigd, en men kan hem niet altijd op zijn woord gelooven. Doch indien het eene ligtvaardige profetie van hem geweest is, dat geene vrouw van eer zijneNouvelle Héloïsezou kunnen lezen zonder zichzelve te gronde te rigten,—zou de uitkomst hem ook gelogenstraft hebben, indien hij van zijneConfessionsbeweerd had, dat enkele hoofdstukken van dat boek volstrekt ongeschikt zijn om onder vier oogen door een jong mensch te worden voorgelezen aan de echtgenoot van zijnen gastheer?

—"Weet gij," vroeg Lidewyde, toen haar man zich des ochtends naar zijn kantoor begeven had en zij met André alleen gebleven was (het mogt eene week of daaromtrent geleden zijn dat Emma gebiljetteerd was geworden ten huize van freule Bertha), "weet gij wat ik vind?"

De waarheid was, dat zij André als een stuk speelgoed beschouwde, welks maaksel tot op zekere hoogte hare belangstelling opwekte, doch waarvan zij zich overigens alleen als een middel tot tijdverdrijf bediende.

—"Ik vind," vervolgde zij op dien lagchenden toon, waardoor zij haar beslissendst overwigt op hem uitoefende, "ik vind dat gij een zeer koel en zeer afgemeten bruidegom zijt."

André zou hebben willen vragen: "Hoe dat?" of: "Wat meent gij daarmede?" Doch hij durfde niet. Lidewyde's schertsende aanklagt was met sommige zeer ernstige verwijten, die hijzelf in de laatste dagen zich in de eenzaamheid herhaaldelijk gedaan had, te zeer in overeenstemming, dan dat hij nu reeds met een goed geweten verwondering zou hebben kunnen veinzen.

—"En weet gij wat ik vind?" antwoordde hij overluid, met eene poging om Lidewyde's jovialiteit te evenaren, "Ik vind"...

—"Gij vindt dat ik mij bemoei met zaken die mij niet aangaan," viel zij hem in de rede. "Doch daarin bedriegt gij u. Emma is mijne zuster, en ik heb regt te eischen, dat gij haar al de eer geeft, die haar toekomt. Wij vrouwen zijn naijverig op ons geslacht, en wanneer eene van ons niet met de noodige onderscheiding bejegend wordt, nemen wij het allen voor haar op. Gij zijt beleefd jegens Emma, dat erken ik, en wie het tegendeel beweerde, zou u onregt doen; maar hartelijk, innig, teeder, eerbiedig,—neen, dat zijt gij niet. Vooral niet eerbiedig."

—"Dat ben ik wèl," zeide André, wien het overdrevene-zelf van hare beschuldiging tot tegenspraak prikkelde, en die niet begreep dat haar requisitoir, hoewel ernstig gemeend, nogtans door hem als kortswijl had moeten opgenomen worden. "Emma is niet-alleen in mijne oogen het beminnelijkste van alle schepselen, maar tegelijk met de hoogste liefde boezemt zij mij een geheel vrijwillig ontzag in. Indien ik immer iets tegen haar misdreef, zou ik hare verontwaardiging misschien nog meer vreezen dan hare droefheid."

—"Des te beter; doch er is ontzag en ontzag. De eerbied, dien ik bedoel, is van eene bijzondere soort. Het is eene ridderlijke hulde, zooals de groote dichters ons die beschrijven; een mengsel van onderdanigheid en vurige begeerte; iets demoedigs, dat nogtans in het geheel niet onmanlijk is. Ik meen niet dat gij bang moet zijn voor Emma; integendeel, zij moet bang zijn voor u, gelijk het een jong meisje tegenover een jong heer, met zulk een... knevel als den uwen, betaamt. Wat ik meen, is... doch ik kan het niet onder woorden brengen. Geef mij, bid ik u," en zij wees naar eene kleine werktafel, waarop tusschen eene bloemvaas en een borduurpatroon eenige fraaigebonden boeken lagen, "geef mij dat boek, en ik zal trachten, u mijne bedoeling duidelijk te maken."

Hij stond op en zocht.

—"Bedoelt gij dit?" vroeg hij, een der boeken omhoog heffend.

—"Neen," zeide zij, "dat niet, maar het andere vlak daarnaast."

Hij overhandigde haar het boek en bleef staan. Het was een dier op glanzig papier met een vorstelijke letter gedrukte folianten in miniatuur, waarvoor onze boekhandel den naam van imperiaal-oktavo uitgevonden heeft. Houtsnede aan houtsnede diende tot illustratie van den tekst, en elk nieuw hoofdstuk ving aan met eene weelderig versierde letter. Na eene poos in het boek gebladerd te hebben, eerst voor- en toen achteruit, als iemand die niet aanstonds vinden kan hetgeen hij zoekt:

—"Ga nu rustig tegenover mij zitten," zeide zij, "en lees mij deze twee bladzijden voor." En met de eene hand gaf zij hem het boek terug, terwijl zij met den voorsten vinger der andere hem de plaats aanwees waar hij beginnen moest.

Had het in zijne keus gestaan, hij zou zich nevens haar op de sofa nedergezet, of een stoel aangeschoven hebben. Doch zij had hem gezegd, tegenover haar te gaan zitten, en haar blik had hem naar de andere zijde der tafel verwezen. Hij voegde zich naar dien wenk, ofschoon half onwillig, en begon:

—""De tous mes châteaux en Espagne""...

—"Neen," riep zij uit, "zoo bedoel ik het alweder niet! Vreemde talen zijn uitvluchten. Voor ons is het hollandsch de eenige spraak, waarin wij ons volkomen rekenschap kunnen geven van hetgeen wij gevoelen. Doe alsof gij nog op school waart en de meester u leerde vertalen van het blad. Of zijt gij van die oefening verschoond gebleven? Mij heeft men er vijf jaren achtereen mede vervolgd."

Hij zag op uit het boek en staarde haar in het gelaat, als om te vragen: "Hoe heb ik het met u?" Misschien hinderde het hem, dat zij zoo veeleischend was, en vond hij dat hare wijze van met hem om te gaan werkelijk eenige overeenkomst vertoonde met die van den schoolmonarch zijner kinderjaren. Doch het kwam niet tot een openlijk verzet. Met eene gedweeheid, eene betere zaak waardig (tenzij te gehoorzamen op den wenk van twee schoone oogen, in bondgenootschap met een vriendelijk lagchenden mond, het beste deel en de hoogste verdienste is), hernam hij:

—""Van al mijne luchtkasteelen was slechts één nog niet ingestort: het vinden eener bezigheid, waardoor ik in mijn onderhoud zou kunnen voorzien; en zelfs het verwezenlijken van dien bescheiden droom had zwarigheden in. Ik dacht aan mijn voormalig handwerk, doch was daarin niet bedreven genoeg om te gaan arbeiden bij een meester. Meesters waren er bovendien te Turin niet veel.""

—"Wij zijn te Turin, naar gij bemerkt," zeide Lidewyde. "Herinnert gij u wie de persoon is die zoo openhartig de geschiedenis van zijne eigen geldelijke verlegenheden biecht? Om het even. Het was een jong Geneefsch horlogemaker, die ook een weinig graveren kon. Naderhand heeft hij meer boeken dan stempels gegraveerd. Doch ga gerust voort, want het fraaiste moet nog komen; dat spreekt."

André vervolgde:

—""Hierna beter, dacht ik, en ging van winkel tot winkel mijne diensten aanbieden, verlof vragend om een wapen of een naamcijfer in tafelzilver te mogen snijden, en hopend, door aan de welwillendheid der lieden het bepalen van den prijs over te laten, hen te zullen lokken door de goedkoopte. Productief was dat hulpmiddel niet. Bijna overal werd mij de deur gewezen, en van het weinige dat men mij liet verrigten volstond de opbrengst te naauwernood voor een maaltijd of wat. Op zekeren keer evenwel""...

—"Pas nu op, mijnheer André," schertste Lidewyde, "het stuk gaat beginnen!"

Hij ging voort:

—""Op zekeren keer, toen ik in het ochtenduur door de Contrà Nova ging, zag ik achter het venster van een magazijn eene jonge vrouw zitten, wier voorkomen zoo veel bevalligheid en zoo veel welwillendheid teekende, dat ik, in weerwil der in zulk gezelschap mij eigene bedeesdheid, het waagde binnen te treden en mijne geringe kunst te harer beschikking te stellen. Zij zeide niet neen, verzocht mij te gaan zitten, wilde weten wie ik was en van waar ik kwam, beklaagde mij, sprak mij moed in, en verzekerde dat goede medemenschen mij niet in den steek zouden laten. Zij zond naar een zilversmid, ten einde de gereedschappen te ontbieden die ik zeide noodig te hebben, verliet onderwijl het vertrek en keerde na eene poos terug met een ontbijt, dat zij eigenhandig voor mij opzette. Dit scheen mij toe, een veelbelovend begin te zijn; en de uitkomst logenstrafte die goede meening niet. Ik kon bespeuren, dat mijn werk haar aanstond en, meer nog dan mijn werk, toen ik mijne schroomvalligheid wat overwonnen had, mijn gekeuvel. Die schroom was niet onnatuurlijk, want zij was getooid met fluweel en zijde, en in weerwil van haar innemend voorkomen maakte dat schitterend toilet mij linksch. Hare vriendelijke ontvangst evenwel, haar belangstellende toon, hare stille en meewarige manieren, hergaven mij weldra mijne tegenwoordigheid van geest. Ik bemerkte dat ik slaagde; en door het zelfvertrouwen, dat die bewustheid mij schonk, slaagde ik nog meer. Maar hoewel zij eene Italiaansche en daarbij veel te schoon was om ook niet een weinig behaagziek te zijn, was zij met dat al zoo zedig, en ik zoo schuchter, dat onze kennismaking vooreerst wel niet vertrouwelijk worden kon. Nu, men liet ons daartoe dan ook den tijd niet. Doch des te levendiger herinner ik mij, hoe bekoorlijk de vlugtige uren waren, die ik in hare nabijheid heb mogen doorbrengen; en ik overdrijf niet, wanneer ik beweer, in die oogenblikken de zoetste en zuiverste genietingen der liefde gesmaakt te hebben.""

André zweeg eene poos; en in zekeren zin zou niets natuurlijker geweest zijn, dan dat hij het boek digtgeslagen en er hartelijk voor bedankt had, langer door Lidewyde gekatechiseerd te worden. Doch er is, naar het schijnt, al zouden de lichtvrienden van alle werelddeelen een genootschap oprigten uitsluitend met het doel om die stelling te bestrijden en hare onwaarheid alom voelbaar te maken, er is een katechismus, dien de meeste jonge mannen van André's leeftijd, wanneer de onderwijzeres eene zoo bekoorlijke vrouw als Lidewyde is, nimmer moede zullen worden zich te laten overhooren. Het kwam, dit was zoo klaar als het naderend middaguur, niet te pas, dat Lidewyde hem zulk een boek in handen gaf, zulk een gesprek met hem aanknoopte, zulk een houding tegenover hem aannam. Het was ongehoord, ongepermitteerd, en in de hoogste mate onbetamelijk. Doch toen zij met den vrolijksten glimlach hem vroeg, waarom hij zijne lektuur eensklaps staakte, en of hij meende, reeds aan het einde der geschiedenis te zijn, zou hij het niet minder ongehoord en vooral niet minder onbetamelijk gevonden hebben, het aangevangen werk onvoltooid te laten.

Hij vervolgde:

—""Het was eene zeer pikante brunette, uit wier gelaat met dat al zulk een goed hart sprak, dat hare levendigheid iets aandoenlijks behield. Zij heette MadeBasile. Haar man, die veel ouder dan zij en tamelijk jaloersch was, liet haar, wanneer hij voor zijne zaken van huis moest, onder de hoede van een kantoorbediende achter; een te gemelijk persoon om gevaarlijk te kunnen heeten, en die, ofschoon hij zich te haren aanzien vrij wat aanmatigde, dit schier nooit anders blijken liet als door zuur te zien. Ik geraakte bij hem in zeer kwaden reuk, niettegenstaande ik hem somwijlen met welgevallen op de dwarsfluit hoorde spelen; een instrument, waarmede hij handig wist om te gaan. Deze nieuwerwetsche Egisthus knorde overluid, zoo vaak hij mij de kamer zijner meesteres zag binnentreden; doch zij gaf hem de minachting, waarmede hij mij bejegende, met woeker terug. Zelfs kon het schijnen dat zij, om hem te kwellen, mij in zijne tegenwoordigheid met opzet aanmoedigde. Die soort van wraakoefening was mij zeer naar den zin, en zou dat nog meer geweest zijn, indien MadeBasile haar voortgezet had wanneer wij alleen waren. Maar dit deed zij niet, of althans niet zoo openlijk. Hetzij zij mij te jong vond, hetzij zij niet regt wist hoe het aan te leggen, hetzij bij haar een ernstig voornemen bestond om op haar hart te passen,—zoo vaak Egisthus er niet bij was wapende zij zich met eene soort van waardigheid, die wel niet afstiet, maar mij, ik wist zelf niet waarom, in de hoogste mate intimideerde. Ik was verlegen, bloosde; durfde haar niet aanzien, durfde naauwlijks ademhalen, en toch zou het mij minder moeite gekost hebben te sterven, dan voor altijd van haar te scheiden. Mijn oog verslond om strijd al hetgeen ik onopgemerkt begluren kon: de bloemen van haar zijden kleed; de spits van haar kleinen voet; haar gevulden en blanken arm, voor zoover die zigtbaar was tusschen een handschoen en eene ondermouw; haar hals, wanneer, gelijk somtijds gebeurde, haar kraagje niet bevestigd was aan den kanten doek, dien zij kruiselings over haar keurslijf droeg. De indruk van het eene voorwerp verlevendigde nog dien van het andere. Al turend op hetgeen ik zag, en durfde gissen, schoot een waas voor mijne oogen en was het of mijne borst digtgenepen werd; al mijne krachten moest ik inspannen om mijne ademhaling te regelen, die hoe langer hoe ongelijkmatiger werd; en het eenige wat ik doen kon was, hoewel de stilte om ons henen dit somtijds niet gemakkelijk maakte, mij lucht te verschaffen door het slaken van eene onderdrukte zucht. Gelukkig scheen MadeBasile, verdiept in haar vrouwelijk handwerk, mijne ontroering niet te bespeuren. Nu en dan evenwel verbeeldde ik mij, alsof hetzelfde gevoel hare borst en de mijne doortrilde, haar keurslijf sneller te zien rijzen en dalen dan anders. Dat verleidelijk gezigt deed de maat mijner verbijstering overloopen; doch, was ik op het punt van aan mijnen hartstogt toe te geven, dan rigtte zij tot mij de eene of andere onverschillige vraag en deed mij aanstonds weder tot mijzelven komen.""

Op nieuw staakte André zijne lektuur.

—"Welnu," vroeg Lidewyde nogmaals, "waarom leest gij niet door? Ik herhaal, dat het fraaiste nog komen moet."

De verzekering was misschien niet te eenemaal geruststellend en de vraag in elk geval niet overbodig; want ofschoon André in weerwil van zichzelven werd medegesleept door hetgeen hij las, en het hem niet weinig leed deed (hetgeen een bedenkelijk verschijnsel heeten mogt) zich te moeten behelpen met eene geïmproviseerde en half gestamelde vertaling,—hij was nog niet zoo te eenemaal onder den invloed van Lidewyde gekomen, dat hij zonder hare toestemming, en zelfs zonder een uitdrukkelijk bevel uit haren mond, durfde voortgaan. De verlegenheid van den Geneefschen horlogemaker was besmettelijk, naar het scheen; en had Lidewyde met hare koele vraag niet juist van pas het voorbeeld van MadeBasile tot rigtsnoer gekozen, en door haar onverschilligen toon de soort van verbijstering weggevaagd, waaronder ook hij van lieverlede geraakt was, hij zou welligt geen raad geweten hebben met zijn figuur. Thans evenwel, ofschoon niet bevroedend dat zijn verlevendigde moed niet uit hemzelven, maar meest van Lidewyde kwam, vermande hij zich, en las de les, die zij hem opgegeven had, in éénen adem ten einde:

—""Herhaaldelijk was ik met haar op die wijze alleen, zonder dat een woord, een wenk, of ook maar een te veel beteekenende blik, de geringste verstandhouding tusschen ons verried. Hoe pijnlijk voor mij die toestand ook was, toch gevoelde ik mij volkomen gelukkig; en nog zoo onbedorven was destijds mijn hart, dat ik van hetgeen mij kwelde mijzelven te naauwernood rekenschap geven kon. Ook haar schenen die kleine zamenkomsten niet ongevallig te zijn: ten minste, zij wist de gelegenheid er toe van pas te vermenigvuldigen. Noodeloos overleg, inderdaad, wanneer ik bedenk welk gebruik zij van die kansen maakte, en mij daarvan maken liet!... Ten einde door de zoutelooze praat van den kantoorbediende, die haar lastig was komen vallen, niet langer gekweld te worden, had zij op zekeren dag de wijk genomen naar hare kamer; en zoodra ik in het achter-magazijn, waar ik mij op dat oogenblik bevond, gereed was met mijn werk, sloop ik, den trap op, haar achterna. De deur van het vertrek stond aan, en ongemerkt trad ik binnen. Zij zat te borduren aan een der vensters tegenover de deur, met het aangezigt naar het licht gekeerd. Zij kon mij niet zien binnenkomen, en kon mij ook niet hooren, uithoofde van het geraas der zware vrachtwagens in de straat beneden. Altijd was zij met zorg gekleed; doch die dag zou ieder in hare kleeding een zweem van koketterie bespeurd hebben. Hare houding was de bevalligheid-zelve; het hoofd een weinig voorover,—zoodat ik de lijn van haar blanken hals kon volgen,—en met bloemen in het sierlijk gekapte haar. Haar geheele persoon had iets onuitsprekelijk betooverends, dat mij meer buiten mijzelven bragt, naarmate ik meer tijd had om het op te merken. Ik zonk aan den ingang van het vertrek op mijne knieën en breidde de armen naar haar uit, vast overtuigd dat zij mij niet hooren, en in den waan dat zij mij ook niet zien kon. Doch boven den schoorsteen hing een spiegel die mij verried. Welken indruk mijne hartstogtelijke handelwijze op haar maakte, weet ik niet; zij zag mij noch aan, noch sprak mij toe, maar wendde half het hoofd naar mijne zijde en wees met haren vinger, zonder meer, naar de gevlochten mat, waarop hare voeten rustten. Ik trilde, slaakte een kreet, en bevond mij in een oogwenk nevens haar, knielend op de door haar mij aangewezen plaats. Zal men gelooven, dat ik zelfs toen den moed niet had, het woord tot haar te rigten, of de oogen naar haar op te slaan, of haar aan te raken en de hand op hare knie te leggen om een steunpunt te zoeken? Sprakeloos, roerloos was ik, maar voorwaar niet weinig ontroerd. Alles verried de spanning, waarin ik verkeerde: mijne blijdschap, mijne erkentelijkheid, mijne vurige, maar onbestemde wenschen, in toom gehouden door de vrees van te zullen mishagen... Zij scheen even ontroerd en even bedeesd als ikzelf. Verlegen met mijne tegenwoordigheid aan hare zijde, zich bewust dat zijzelve mij geroepen had, verrast door de uitkomst van een wenk, welks gevolgen zij blijkbaar niet had berekend,—moedigde zij mij niet aan, maar stiet mij ook niet van zich af. Hare oogen bleven onafgebroken op haar borduurwerk gerigt, en zij deed haar best, niet te bespeuren dat ik nevens haar geknield lag. Doch ik zou blind moeten geweest zijn om niet te bemerken dat haar hart niet minder onrustig klopte dan het mijne...""

""Wie weet,"" besloot André zijne lektuur, ""hoe dit zwijgend tooneel geëindigd of gedurende hoe langen tijd ik in denzelfden even belagchelijken als streelenden toestand gebleven zou zijn, indien men ons niet gestoord had? Doch juist toen mijne ontroering haar toppunt had bereikt, hoorde ik in mijne nabijheid eene deur openen. "Sta op, daar is Rosina!" zeide MadeBasile op verschrikten toon en met een schichtig gebaar. Rosina was hare dienstbode, en Rosina's vertrek grensde aan dat van hare meesteres. Ik rees ijlings overeind, greep en kuste vurig tweemalen achtereen de hand die zij mij reikte, en gevoelde hoe bij den tweeden kus die lieve hand schier onmerkbaar mijne lippen zocht. Zoeter oogenblik heb ik op aarde nooit beleefd. Doch de gunstige gelegenheid, die ik ongebruikt voorbij had laten gaan, keerde nimmer terug, en met dit eerste en eenige hoofdstuk eindigde onze roman.""

André had Sarah, sedert zijn onderhoud met haar over Lidewyde's betrekking tot Ruardi, schier niet wedergezien. Opzet of toeval, van geene enkele gelegenheid om zich met hem alleen te bevinden was partij door haar getrokken.

Ware hij zich volkomen bewust geweest van hetgeen hij wilde, welligt zou die bescheidenheid hem verdroten hebben. Waarschijnlijker nog zou hij in dat geval het initiatief genomen en door de eene of andere daad van toenadering zijnerzijds mededeelingen hebben uitgelokt, die men uit eigen beweging niet voor hem ten beste scheen te hebben. Doch hij handelde niet overeenkomstig een vast plan; en zoo hij aan den eenen kant zou hebben gewenscht, vollediger door Sarah op de hoogte gehouden te worden omtrent Lidewyde's doen en laten, aan den anderen kant was het hem eene verligting, dienaangaande min of meer in het onzekere te blijven verkeeren. Hoe langer hij met een goed geweten zich zelven diets kon maken dat zijne betrekking tot Lidewyde eene zaak van geene beteekenis was en niemand anders als Emma bij voortduring de eerste plaats in zijn hart bekleedde, hoe aangenamer hij het vond. Het was dan ook geenszins een kreet van onvermengde vreugde, die hem ontsnapte, toen hij op het reeds vergevorderd avonduur van een der volgende dagen, terwijl hij, met de lamp aan zijne zijde, voor het geopend venster zijner kamer zat en de sterrebeelden aan den donkerblaauwen hemel bespiedde, eensklaps door een bezoek van Sarah verrast werd.

Met Adriaan, Lidewyde en Emma was hij in den vooravond uit rijden geweest naar Zeeburg, waar men gezamenlijk, luisterend naar de muziekale uitvoering van een militair orkest en groeten wisselend met bloedverwanten of vrienden, de zon had zien ondergaan. André was niet ongevoelig voor zulke genietingen. Hij vond Dijks landauer een voortreffelijk rijtuig, en het voorregt twee vrouwen totvis-à-viste hebben als Emma en Lidewyde vergoedde honderdvoudig in zijne schatting het ongerief van Dijks konversatie. Het Zeeburgsche badhuis was klein van omvang, dit gaf hij toe, en wanneer men het met dat van Scheveningen of Ostende vergeleek, verzonk het in het niet. Doch alle dingen zijn betrekkelijk; en niet zelden zal men aan een beperkt terras, mits men zich omgeven weet door een uitgelezen kring van bekenden, de voorkeur geven boven een veel uitgestrekter grondgebied, waarover vreemdelingen den schepter voeren. In het gezelschap van Lidewyde en haren man, gevoelde André zich opgenomen in de M'schebeau-monde, en al kende hij de meeste dier heeren en dames nog slechts van naam of van aangezigt, het was niettemin eene weldadige gewaarwording, zichzelven en zijn meisje tijdelijk als een onderdeel dier fiere keurbende te mogen beschouwen.

—"Kom binnen, Sarah," zeide hij opstaand en het venster sluitend. "Het is reeds laat, en de avonden beginnen koel te worden."

—"Vergeef mij, mijnheer," antwoordde zij, "dat ik zulk een ongelegen uur kies om u mijnen dank te komen betuigen. Mijne vrijheid is beperkt, en het behoort tot de zeldzaamheden dat ik voor mijzelve eenige oogenblikken uitbreken kan."

—"Om uwentwil wenschte ik, dat daarin verandering kwam, Sarah. Gij zijt in uwe afhankelijke betrekking hier aan huis niet op uwe plaats, en indien ik iets bijdragen kon om u eene betere positie te verzekeren, zou ik het gaarne en met ijver doen. Doch ik bezit geene noemenswaardige relatien, en moet voorshands in de eerste plaats voor mijzelven zorgen."

—"Ik dank u voor uwe belangstelling, mijnheer André, maar het is niet over mij dat ik kom spreken. Mijne positie is geheel en al het gevolg van mijne eigen keus, en ik twijfel of gij met den besten wil daarin eenige verandering zoudt kunnen brengen. Men heeft u verhaald, naar ik bemerk, dat mijn lot eenmaal zeer verschillend is geweest van hetgeen het nu is, en evenals vele andere welwillende personen verlangt gij, dat ik mijnen rang in de zamenleving, gelijk men dat noemt, hernemen zal. Doch gij zoudt mij toch niet gelukkig willen maken tegen mijnen wensch? Geloof mij, gij kunt niets voor mij doen, en elke poging die gij zoudt aanwenden om mij uit dit huis te verwijderen, zou mij juist van datgene berooven waarop ik den hoogsten prijs stel. Voor mij gaat niets boven de vriendschap van mevrouw Dijk, en de gelukkigste oogenblikken van mijn leven zijn die, waarin ik mij beroemen mag iets gedaan of beproefd te hebben om haar leven te veraangenamen."

—"Die gevoelens strekken u zeer tot eer, Sarah," zeide André op een gewigtigen en beschermenden toon, "en met u geloof ik dat mevrouw Dijk volle aanspraak heeft op uwe erkentelijkheid. Doch, in ernst, zijt gij overtuigd dat aan haar geluk iets wezenlijks ontbreekt? Zij heeft hare vlagen van somberheid en afgetrokkenheid, nu ja; doch welke vrouw is altijd dezelfde? Mij komt het voor, dat mevrouw Dijk niets anders behoeft als nu en dan een weinig afleiding."

—"Ik begrijp zeer wel, mijnheer André, dat gij tegenover mij uwe verdiensten poogt te verkleinen; doch mijne dankbaarheid voor uwe tusschenkomst is daarom niet minder levendig. Gij hebt gedaan hetgeen ik voor onmogelijk zou gehouden hebben, en tot hiertoe is uw overleg met den besten uitslag bekroond geworden."

—"Mijn overleg, Sarah? Verkeert mevrouw Dijk in de meening dat ik met overleg gehandeld heb?"

—"Mevrouw Dijk is geheel en al onkundig, mijnheer, van het verzoek dat ik mij verstout heb tot u te rigten. Zij vermoedt in de verte niet, dat gij kennis draagt van de zorgen, die haar kwellen, en waarvan de oorzaak bij dokter Ruardi ligt. Niet-alleen heeft zij mij niet opgedragen u eenigerlei mededeeling te doen omtrent hetgeen zij voor u gevoelt, maar tot hiertoe is uw naam te naauwernood door haar genoemd geworden. Ik kan u alleen zeggen, dat zij in de hoogste mate ingenomen is met jufvrouw Visscher, en daareven nog heb ik haar in den lof van uw meisje hooren uitweiden. Zij verhaalde mij dat jufvrouw Emma ook weder dezen avond aan het Badhuis het voorwerp van allerlei oplettendheden geweest is, en dat de geheele wereld haar u benijdt. Zoo is het ook, mijnheer, daar ben ik zeker van; en juist om die reden doet het mij zulk een groot genoegen, dat in weerwil van hetgeen gij aan jufvrouw Visscher verschuldigd zijt, gij middel hebt weten te vinden om dokter Ruardi op een afstand te houden. Sedert uwe komst, en vooral sedert de komst van jufvrouw Emma, gevoelt mevrouw Dijk zich veel krachtiger tegenover hem; en ik heb reden om te hopen, dat zij binnen kort voor goed van hem ontslagen zal zijn."

—"Ik bespeur, Sarah, dat men voor u geene geheimen behoeft te hebben; doch laat mij nu alleen, bid ik u, en spreek niet meer met mij over deze zaak. Het is volkomen waar, dat ik door u op het denkbeeld gebragt ben om mevrouw Dijk eene dienst te bewijzen, die zij van niemand anders scheen te kunnen verwachten. Ik verneem van u, dat ik daarin geslaagd ben, of kans heb van te zullen slagen. Des te beter. En nu gij alles weet, behoort ook dit u niet onbekend te zijn, dat ik gehandeld heb met voorkennis van jufvrouw Visscher en onder het zegel van hare goedkeuring. Met dokter Ruardi, die vooral in de eerste dagen van mijn verblijf alhier zeer vriendelijk voor mij geweest is, wensch ik voor het uitwendige op een goeden voet te blijven. Mijnheer Dijk, gelijk van zelf spreekt, weet van niets, en zal, dat beloof ik u, nimmer van iets weten. Ook mevrouw Lidewyde behoort onkundig gelaten te worden van hetgeen tusschen ons verhandeld is, en in geen geval zou ik meer voor haar kunnen doen dan hetgeen zij tot hiertoe door mij verkregen heeft. In een woord, het zal mij bijzonder aangenaam zijn, indien aan de scheve positie, waarnaar ik mij uit vriendschap voor mevrouw Dijk eene poos gevoegd heb, zoodra mogelijk een einde komt."

Nog nooit had André in éénen adem zoo vele onwaarheden op elkander gestapeld als in dit antwoord van hem aan Sarah. Dat Sarah hem op den inval had gebragt om voor de leus aan Lidewyde het hof te maken; dat hij daarover met Emma gesproken en Emma's toestemming op dat gedrochtelijk plan verworven had; dat hij in zijne verhouding tot Ruardi geene verandering wenschte te zien komen; dat hij hoe eer hoe liever ontslagen wilde worden van zijne geheime verstandhouding met Lidewyde: dit waren even zoo vele leugens; en Sarah kon, hij gevoelde het aan zijn hart, van al die verzinselen geen woord gelooven. Een uur geleden zou hij zichzelven onbekwaam geacht hebben om in die mate zijn eigen beter-ik geweld aan te doen, en nog daareven, toen Sarah de kamer binnentrad, had hij er op durven zweren dat geene magt op aarde hem immer tot zoo iets zou kunnen bewegen. Toch was de valschheid, waaraan hij thans eensklaps in zijne eigen oogen schuldig stond, slechts eene bevestiging der misdaad waarvoor Emma, gehoor gevend aan een schrander instinkt, hem van den dag zijner komst op Soekabrenti af gewaarschuwd had.

Vanwaar dat men somtijds in weerwil van zichzelven er toe gebragt wordt, de dingen voor te stellen onder een licht, waarvan men zich bewust is dat het daaraan een met de werkelijkheid onvereenigbaren schijn leent?... André zou dan-alleen in staat geweest zijn een bevredigend antwoord op die vraag te geven, indien hij tevens en in de eerste plaats had kunnen verklaren, hoe het kwam dat Emma's beeld in zijne ziel door dat van Lidewyde overschaduwd en verduisterd werd. Helaas, hij wist het niet; en daar hij de oorzaak van het kwaad niet kende, kon hij ook zijne gevolgen niet wegnemen. Waarom werd Theseus ontrouw aan Ariadne? Waarom deed Herakles op den tweesprong eene loffelijke keus? Omdat Herakles Herakles, en Theseus Theseus was.

Doch het zou er met de menschelijke wetenschap treurig uitzien, indien zij, om belangrijk te zijn, onvoorwaardelijk moest kunnen doordringen tot den diepsten grond der dingen. Ook tweede gronden kunnen somtijds belangstelling wekken; en zelfs dan nog bijwijlen bestaat er uitzigt op een wetenswaardig resultaat, wanneer de kennis der oorzaken u te eenemaal ontzegd is en gij u met de ontleding van feiten en overleggingen te vreden moet stellen.

Na eene korte poos—te kort, voor een held—geworsteld te hebben tegen het licht, hetwelk Sarah's dankbetuiging in zijnen geest deed opgaan, was André voor het eerst tot een besluit gekomen. Hij overzag nu den toestand, waarin hij zichzelven gebragt had, en meende wijs, of althans manlijk te handelen, door dien te aanvaarden. Waren zijne eerste antwoorden aan Sarah half ontwijkend geweest, het laatste had de kenmerken van een gevestigd voornemen vertoond. Of de schaduwzijden dier vastberadenheid niet welligt talrijker waren dan hare voordeden; of de strik, waarin hij verward was geraakt, instede van losser te worden, niet van nu af dagelijks meer zou gaan klemmen; of zijn geloof aan Lidewyde's genegenheid voor hem niet de vermetelheid-zelve was; of toe te geven aan dien mogelijken waan niet in den grond der zaak gelijk stond met het opofferen van zijne eerste liefde ter wille van eene andere en mindere,—daaraan dacht hij niet en vroeg zich dat niet af. Hetgeen hem aan zijn onderhoud met Sarah plotseling een einde had doen maken en hem op gemelijken toon den wensch had doen te kennen geven, alleen gelaten te worden, was de volgende redenering geweest:

"Er is tegenspraak tusschen Sarah's beweren, dat Lidewyde mijnen naam niet noemt, en het feit, dat zij zich aanvankelijk krachtiger gevoelt;

"Zoo Lidewyde mij al niet regtstreeks lief heeft, is het nogtans duidelijk dat zij aan mij de voorkeur geeft boven Ruardi;

"Ik wil voortaan niets meer met Sarah te maken hebben;

"Het beste middel om mij van haar te ontslaan, is haar te doen gelooven, dat ik haar plan geheel en al tot het mijne gemaakt en in alles met Emma's voorkennis gehandeld heb.

"Op die wijze zal de eenige persoon, welke thans nog tusschen mij en Lidewyde staat, uit den weg geruimd zijn, en zal het moeten blijken, of ik werkelijk in Lidewyde's oogen niets anders ben als een bruikbare afleider."

Ware dit laatste denkbeeld minder ondragelijk geweest, misschien zou André niet met zulk eene snelle vaart zijn voortgehold op den weg zijns verderfs. Doch tegen eene zoo sterke slingering tusschen hoop en vrees was zijn karakter niet bestand. Stelde hij zich voor, dat de verdorven Ruardi zich eene plaats in Lidewyde's hart had weten te veroveren, dan maakte een onuitsprekelijk gevoel van haat zich van hem meester, en hij zou, indien de dokter zich in zijne nabijheid bevonden had, hem een slag in het aangezigt hebben willen geven. Dacht hij daarbij aan Ruardi's gaven, dan klom, door het gevoel van zijne eigen minderheid, de haat tot woede. Te beseffen dat Lidewyde regt had Ruardi te verwijderen, en tevens te moeten bekennen dat hij zelf in het oog der wereld niet in Ruardi's schaduw kon staan, was in de hoogste mate smartelijk. Oneindig pijnlijker nog evenwel was de mogelijkheid, dat Lidewyde van zijne dagelijks aangroeijende liefde voor haar, die zij ongetwijfeld opgemerkt had, alleen gebruik maakte om daarmede haar voordeel te doen, en zij hem met geen ander oogmerk aanmoedigde,—of indien de gesprekken, die zij met hem voerde, indien de bladzijden, die zij hem liet voorlezen, geene aanmoediging waren, wat zou dan immer zoo heeten?—als om zich des te gemakkelijker te kunnen ontslaan van zijnen medeminnaar. Die vrees maakte hem waanzinnig. Zij gaf overmagt op zijn gemoed aan eenen invloed waaraan hij nog nooit onderworpen was geweest; en misschien lag in die demonische verbijstering,—tenzij men liever elke verklaring mist, dan zich op te houden bij eene zoo willekeurige,—de sleutel tot den nieuwen hartstogt, die hem aan Lidewyde ketende. Daarentegen geraakte hij buiten zichzelven van verrukking, wanneer hij zich de andere mogelijkheid voorstelde. Het was een gevoel, duizendmaal verhevener dan het oogenblik, toen hij, een half jaar geleden, voor het eerst van hart tot hart met Emma sprak. Aan Emma's zijde zou hij een bezoek aan de Elyzeesche velden hebben willen brengen; en zonder blozen zou hij, door haar begeleid, getuige zijn geweest van de reine blijdschap der gelukzaligen in het Paradijs. Doch wat zeide zulk eene hemelvaart, al moest dezelfde togt, met Lidewyde ondernomen, in eene hellevaart eindigen? Sommige genietingen, meende hij, waren voor geene vergelijking vatbaar; en indien men hem te dezer ure aan zijn woord gehouden had, zou hij de eeuwige straf geen te duren prijs gevonden hebben voor één kus van Lidewyde's lippen.

Noordduitsche liberalen van vóór den slag van Königgrätz, uit den tijd toen men aan gene zijde van den Rijn nog aan het staatsomwentelend vermogen van politieke maaltijden geloofde, zouden het heden door den heer Dijk in de groote zaal van Soekabrenti aangerigt diner eenZweck-Essengenoemd hebben. Werkelijk bestond het gezelschap, voor zoo ver de heeren betrof, zoo niet uitsluitend dan toch grootendeels uit personen, wier ondersteuning de gastheer voor zijne parlementaire kandidatuur behoefde. Doch in koopsteden heeft de staatkundige wereld een zeer weinig afschrikwekkend diplomatisch voorkomen, en men weet in die kringen de regeling van 's lands zaken gepaard te doen gaan met een ongedwongen behartiging van al de belangen der gezelligheid. Het waren welopgevoede mannen, niet uitermate schrander of geleerd, geene feniksen in het staatsregt, maar doorkneed in hunne mercantile, of industriële of financiële specialiteit; mannen, die, onder den nederigen naam van commissionairs, russische leeningen sloten of americaansche spoorwegen hielpen aanleggen; makelaars in suiker, die niet opstonden voor een paar ton; eigenaars van scheepstimmerwerven, die met het grootste genoegen van de wereld den aanbouw van een volledig gepantserd eskader voor hunne rekening zouden genomen hebben. Huisvrienden van Adriaan Dijk waren zij niet; evenmin als hunne vrouwen of dochters tot Lidewyde's gewone omgeving behoorden. Doch zij vertegenwoordigden dezelfde maatschappelijke belangen als hij, en waren hem genegen omdat zij hem als den regten man beschouwden om in de Tweede Kamer (zoodat zijzelven te huis konden blijven) als orgaan van die belangen plaats te nemen. Die sympathie, niet overmaat van intimiteit, ontboeide wederzijds de tongen. En waarom ontveinsd, dat eene al te gemeenzame bekendheid het middel niet is om talrijke gezelschappen in eene aangename stemming te brengen? Vaak zal men een opgeruimder geest en levendiger gesprekken waarnemen bij lieden, die heden zamenkomen om morgen weder elk huns weegs te gaan, dan onder hen die sedert lang op de hoogte zijn van elkanders wedervaren en de een voor den ander geene geheimen meer hebben. "Men moet twintig jaren uitlandig geweest zijn," heeft iemand gezegd, "om het in een salon vol boezemvrienden twintig minuten te kunnen uithouden."

Toen de maaltijd afgeloopen was, en de dames, met Lidewyde aan de spits en Emma in de achterhoede, zich verwijderd hadden, vroeg Lefebvre het woord en stelde hij, in den vorm eener eindelooze redevoering, welke al de gasten van het sterker geslacht, en André niet het minst, met hooge bewondering voor hem vervulde, den volgende feestdronk in:

"Om te weten, mijne heeren, wie onze vrienden zijn, behooren wij ons eene juiste voorstelling te vormen van onze vijanden. Misprijst het niet, bid ik u, dat ik thans deze kwestie aanroer. Zij raakt ons zamenzijn van nabij.

"De rigting, die wij bestrijden, is geen alledaagsch kwaad, maar een voortwoekerende kanker. Triomfeerde zij, wij zouden niet-alleen in Staat en Kerk en School, in onzen handel en in onze nijverheid den treurigsten achteruitgang waarnemen;—neen, ook ons gezellig verkeer zou gestoord zijn, en eene bijeenkomst als de onze op dit oogenblik, zoo genoegelijk en vriendschappelijk, zou weldra tot de onmogelijkheden behooren.

"Onze tegenstanders hebben een woord gekozen en vastgesteld, waarmede zij deze voorspelling zoeken te brandmerken. Doch mij intimideert hunne aanklagt wegens intimidatie niet. De vrees, beweren zij, is de meest nuttelooze van alle hartstogten; en aan die spraak herkent men hun bestaan. Alleen het nuttige toch heeft waarde in hunne oogen; en vrijpostigheid is hun levenselement. Zouden zij niet anders denken en anders spreken, indien hetgeen zij nuttig noemen in het algemeen, schadelijk bleek te zijn voor henzelven? Zoo ja, ik zou er hen niet minder om achten. De vrees, die zij bespotten, is een trek der menschelijke natuur. Zij is het begin der wijsheid. De mensch is geschapen om te vreezen, even als hij geschapen is om lief te hebben en na te denken.

"Of is het zelfzucht en eigenbaat, indien wij in naam van dit ons zamenzijn waarschuwend den vinger opheffen? Ik loochen het. Wie de gezelligheid verwoest, is een vijand der maatschappij; en het is geen egoïsme, het is ware menschenmin, die ons de maatschappij doet liefhebben. De omwenteling en het despotisme hebben ook dit met elkander gemeen, dat zij in hun gevolg slemppartijen medevoeren. De ingehouden overvloed daarentegen, de gekuischte weelde, zijn een vast kenmerk van een toestand van orde en van eerbied voor de wet. Deze feestelijke tafel, mijne heeren, is meer dan zij schijnt. Zij is het symbool der konservative beginselen. Zij vertegenwoordigt de nationale welvaart, gegrondvest op nationale tucht.

"Zeide ik tucht? In het woordenboek der vrijzinnigheid zult gij die uitdrukking misschien niet vruchteloos zoeken; doch zij is een klank geworden, eene letter zonder geest, eene formule waarvan men zich bedient om zichzelven en anderen te misleiden. Die soort van bedrog is eene specialiteit van de mannen der vrijzinnige rigting. Hun dagelijksch handwerk is, te ploegen met den os van hunne tegenpartij.

"Vraag de liberalen, u den zetel van het gezag te noemen,—zij zullen u op den volkswil wijzen. Beteekent dit, dat zij het ernstig meenen met de heerschappij der menigte? In geenen deele: zij slaan een kruis bij die gedachte. Is dan de vorst hun souverein? Nog veel minder. Zij meesmuilen onder elkander om alle Koningen der aarde; zouden zesendertig gekroonde Hoofden, en meer, voor een droog flanelletje wenschen te kunnen bieden, en gelooven aan geene andere souvereiniteit als die der rede, zeggen zij. Doch met die aangelengde wijsbegeerte is geen praktisch resultaat te verkrijgen, en men regeert geen volk met paragrafen uit een schoolboek. Dit gevoelen zij. En ook weten zij wel, dat onze natie haar woord verpand heeft aan eene dynastie. Vandaar een Janussysteem, waarvan waarheid in staatsbeleid het uithangbord en onopregtheid de geheime kracht is. Zij zweren trouw aan een Vorst, dien zij in hunne binnenkamer minachten en bespotten, en vleijen de ijdelheid eener schare aan wier onmondigheid zij hunne populariteit ontleenen.

"Ziet het liberalisme in de kaart, mijne heeren, en gij zult bespeuren dat onze beginselen, die het verwerpt, zijne eenige levenskracht zijn. Om iets tot stand te kunnen brengen moet het onze liefde en onze geestdrift huichelen. Geloofden wij niet, het ongeloof van onze tegenstanders zou niets te beteekenen hebben. Aan ons hebben zij het te danken, dat hunne negatien een schijn van magt vertoonen. Zij willen den Staat regeren; doch indien het van hen afgehangen had, zou geen Staat zich ooit gevormd hebben. Niets van hetgeen een volk tot volk maakt, is door hen in het leven geroepen, en veel daarvan is onherroepelijk door hen verwoest. Zij weten te bedillen; maar om iets te stichten, daartoe zijn zij onbekwaam. Zegt men dat Indie de kurk is, waarop Nederland drijft? welnu, wij konservatieven zijn het, die de liberalen boven water houden. Wij zijn het gezag, wij de orde, wij de welvaart. Zonder ons vermogen zij niets.

"Indie, mijne heeren! Ik behoef niet uit te weiden over hetgeen voor ons in dat ééne woord besloten ligt. Door het bezit dier onschatbare kolonie is Nederland onder de volken als een man van fortuin, die eigen rijtuig en een buitenplaats nahoudt. Zwitserland, Wurtemberg, Beijeren,—wat zijn zij, met Nederland vergeleken? Daglooners onder de Staten! Laat mij niet vragen hoe het u smaken zou, indien uw rentmeester, uw pachter, uw tuinman tot u zeide: "Twintig jaren lang heb ik uwe bloembedden aangelegd, uwe velden omgespit, uwe bosschen verzorgd: dit geeft mij het regt om na uwen dood uw landgoed als mijn eigendom te beschouwen." Op even goede gronden zou uw koetsier kunnen beweren, dat gij hem bij testamentaire beschikking uwe paarden behoort te vermaken, die hij zoo lang gereden heeft. Doch ongaarne scherts ik waar het hooge en heilige belangen geldt. Nederlands regt op Indie is even onbetwistbaar als het regt van een zoon op de nalatenschap van zijnen vader. De liberalen noemen zich filanthropen, omdat zij van de Javanen een onafhankelijk volk willen maken; en de christelijke liefde gebiedt ons te gelooven, dat zij het met dien toeleg eerlijk meenen. Doch wij, mijne heeren, zijn de leer toegedaan, dat wie Java van Nederland poogt te scheiden, misschien een goed mensch, maar stellig een slecht Nederlander is. Ook in deze aangelegenheid (ik vraag verlof, dit nogmaals te mogen doen uitkomen), ook hier is het parasitisch karakter der vrijzinnigheid openbaar. Zij werpt koloniale kwestien op, zij draagt kultuurwetten voor, zij bepleit de toekomst der Javanen, en bemerkt niet, de kortzigtige, dat men zonder duiven geene duivenpastei vervaardigen kan. Al de lauweren, welke onze koloniale vrijzinnigen zich zelven om de filanthropische slapen hechten; al de populariteit, welke hunne Javanenliefde hun tot hiertoe heeft opgebragt; al het geld, hetwelk zij in de toekomst uit hunne koloniale kwestie slaan zullen;—hebben zij hieraan te danken, dat het behoudend Nederland eene koloniale mogendheid is... Nog eene opmerking, mijne heeren, en ik zal uw geduld op zijne laatste proef gesteld hebben.

"Wanneer men van de schare onzer tegenstanders diegenen aftrekt, die aanspraak kunnen maken hetzij op onze hoogachting, omdat zij te goeder trouw hunne krachten wijden aan eene in hunne oogen loffelijke zaak, hetzij op onze deernis en onze verschooning, omdat zij blindelings gelooven hetgeen hun gepredikt wordt door lieden, die zij voor bekwamer houden dan zich zelven;—ik bedoel, wanneer men het totaal der liberale partij vermindert met de som van hare dupen en van hare dweepers,—en gij zult mij toestemmen dat geen dier twee elementen geacht kan worden, tot de kern der partij te behooren,—blijken nooddruft en eerzucht de voorname springveeren van het liberalisme te zijn. Tallooze malen is men in de gelegenheid geweest te konstateren, dat niets te verliezen te hebben een afdoend motief is om zich onder de vanen van eene rigting te scharen, welke met het hazardspel dit gemeen heeft, dat zij somwijlen de bank kan doen springen. Men is liberaal om dezelfde reden, waarom men in benarde omstandigheden een loterijbriefje koopt. Voegt daarbij dat in de gelederen van het liberalisme geen avancement is als voor diegenen, welke uitmunten door verstandelijke gaven. Hebben zij het doel van hunne eerzucht bereikt, dan werpen deze berooide vernuften het masker af; verloochenen het gepeupel waaraan zij hunne opkomst te danken hadden, en worden eene bastaardsoort van konservatieven, voor wie behoud en zelfbehoud woorden van eenerlei beteekenis zijn.

"Ik vraag niet, mijne heeren, of wij het in onze magt hebben, en zoo ja, of het verstandig van ons gehandeld zou zijn, die partij te vernietigen. Ik vraag alleen, of het heilzaam geacht kan worden voor den nederlandschen Staat, het beruchtelaissez-fairein praktijk te brengen ten aanzien van menschen, wier eenige drijfveer carrière-maken is; met wier opkomst of wier val geen enkel nationaal belang zamenhangt, en van wie men alleen dit getuigen kan, dat zij den loop der vaderlandsche geschiedenis stremmen, en ons volk verhinderen, zich overeenkomstig zijnen aanleg te ontwikkelen? Voor mij, ik eerbiedig in het bestaan ook van hen, die ik bestrijd, de wegen der goddelijke Voorzienigheid. Wij moeten met onze tegenstanders doen gelijk de Staat met dezulken doet, die zich aan het leven of eigendom van hunne medeburgers vergrijpen. Onschadelijk maken moet ons wachtwoord zijn.

"Similia similibus curantur, zeiden de Ouden; hetgeen ik aldus vertolk: het beste tegengif der vrijzinnigheid is de vrijheid. Gij, mijne heeren, zijt vrij. Waarom? Omdat gij kapitalisten zijt. De zwaarste slavernij in deze wereld is het lijfeigenschap der broodeloosheid; want de hongerige mensch is geneigd tot alle kwaad en bezwijkt voor de geringste verleiding. Met de welvaart begint de onafhankelijkheid; en waar de meeste overvloed heerscht, bij die natie wordt ook de grootste mate van vrijheid aangetroffen. Vrijheid van drukpers, van denken en spreken, van arbeid en handel, al die vrijheden, de gewetensvrijheid niet uitgezonderd, zijn in zichzelven slechts holle klanken en kunnen hoogstens als tijdverdrijf voor ledige magen een voorbijgaanden opgang maken. Alleen die vrijheid houdt stand, waarvan gijlieden, mijne heeren, de vertegenwoordigers zijt en die gij door het omzetten van uwe kapitalen in het leven helpt roepen. Hoe krachtiger dat beginsel in het nederlandsch Parlement optreedt, des te beter zal de nederlandsche natie varen. Laat ons daarom hopen, dat onze geachte vriend, in wiens huis en om wiens disch wij op dit oogenblik vereenigd zijn, eerlang in die vergadering de plaats zal innemen, waarnaar met het volste regt door hem gedongen wordt!"

Het terras voor Soekabrenti's eetzaal lag op het oosten, en de heen en weder drentelende dames konden een goed eind weegs de glooijing volgen voor zij het einde bereikt hadden der lange schaduwen, die aan den voet van het huis, thans door de ondergaande zon op den rug beschenen, zich uitstrekten over het grasperk en de paden. Nog een half uur, en die schaduwen, tot in het oneindige verlengd, zouden den gloed der zonnestralen ook op den versten afstand uitgedoofd en voor goed verdreven hebben.

—"Mijnheer Kortenaer treft het niet," zeide een jong meisje, dat Emma's zijde gekozen had en op eenigen afstand van de andere dames pratend naast haar voortwandelde. "Hij kan moeijelijk belang stellen in hetgeen thans de heeren hier het meest interesseert, en om zijnentwil verheug ik mij, dat despeechvan mijnheer Lefebvre niet bestemd schijnt om door andere van dien aard gevolgd te worden. Ten minste, ik hoor wel een verward gedruisch van stemmen tot ons komen, maar de alleenspraken schijnen afgedaan te hebben." —"Het is goed dat Kortenaer u niet hoort," antwoordde Emma op vrolijken toon. "Hij is een warm vereerder van mijnheer Lefebvre en ik houd mij overtuigd dat hij naar diens toespraak met onverdeelde aandacht geluisterd heeft. Mijnheer Lefebvre, beweert hij, is een man vol nieuwe denkbeelden."

—"Dat zegt mijn vader ook," hernam het meisje, "maar ik voor mij kan de gedachte niet van mij afzetten dat hij eene rol speelt. Indien ik kiezen moest tusschen dokter Ruardi en hem, zou ik geen oogenblik aarzelen."

—"Neen, dat ben ik niet met u eens. Gij schijnt mijnheer Lefebvre van nabij te kennen, en ik zie hem van daag voor het eerst; doch met al zijne ruwheid en zonderlingheid boezemt hij mij meer vertrouwen in dan mijnheer Ruardi."

—"Vertrouwen? nu ja," zeide het meisje, minder ernstig dan Emma. "Doch ik ben niet van meening dat men de heeren daarnaar beoordeelen moet. Mijnheer Kortenaer boezemt mij in het geheel geen vertrouwen in; doch dat neemt niet weg dat ik hem zeer beminnelijk vind. Te beminnelijker misschien naarmate ik hem voor gevaarlijker houd."

—"Laat ons niet met woorden spelen, bid ik u. Waarom geeft gij aan mijnheer Ruardi de voorkeur boven mijnheer Lefebvre? Dat intrigeert mij. Ik gevoel mij niet aangetrokken tot mijnheer Ruardi, en reeds hebben wij een paar malen over hem gekrieuwd, Kortenaer en ik."

—"Dus heb ik een bondgenoot in mijnheer Kortenaer gevonden? Des te beter. Doch maak mij, wat ik u verzoeken mag, in mijne eigen oogen niet dwazer dan ik reeds ben. Dokter Ruardi bezit voor mij geen ander charme als dat hij beleefd en gezellig is. Hij praat niet altijd alleen en weet zich te voegen naar den smaak en de bevattelijkheid van vrouwen. Komt daarentegen mijnheer Lefebvre in de stad en brengt hij ons een bezoek, dan maakt hij zich meester van mijn vader en van de konversatie, en gunt ons dames den tijd niet er eene speld tusschen te steken."

—"En noemt gij dat eene rol spelen?"

—"Ja en neen; ofschoon ik u toegeef, dat men op die wijze ook van dokter Ruardi zou kunnen beweren dat hij onder een anderen vorm aan het zelfde euvel mank gaat. Mijne voorkeur, naar gij ziet, is niet van eene geprononceerde soort. Zelfs vond ik Ruardi vandaag minder beleefd dan gewoonlijk. En hoe bevalt het u hier? Betreurt gij Duinendaal niet? Vindt gij freule Steinmetz niet eene allerliefste vrouw? Het spijt mij dat zij de invitatie van mevrouw Dijk voor dezen middag niet aangenomen heeft."

—"Zij zou wel lust gehad hebben om te komen, maar zulke talrijke gezelschappen, zegt zij, vermoeijen haar te zeer. En op haar leeftijd is dat niet meer dan natuurlijk. Het doet mij genoegen, u met liefde over haar te hooren spreken. Toen mevrouw Dijk mij voorstelde, eenigen tijd bij freule Steinmetz te komen doorbrengen, zijn de Duinendaalsche bosschen, ik beken het, mij nog liever geworden dan te voren. Ik zag op tegen de kennismaking met die twee vreemde dames, en vreesde dat Kortenaer het te druk zou hebben om zich veel met mij bezig te houden. Doch alles heeft zich naar wensch geschikt, en ik heb in freule Bertha eene vrouw gevonden zooals ik niet geloof dat er vele zijn. Men is met haar volkomen op zijn gemak, en aan allerlei kleinigheden bemerkt men, dat haar hart van goedheid overvloeit."

—"En hoe," vroeg het meisje, fluisterend en omziend, als vreesde zij dat eene of meer der andere dames hare vraag verstaan zouden, "hoe denkt gij over Lidewyde?"

Emma vond het niet aangenaam, aldus geïnterpelleerd te worden, en aan het uitblijven van haar antwoord kon het vriendinnetje bespeuren, dat zij de maat te buiten was gegaan. Daar het haar evenwel meer te doen was geweest om hare eigen meening over Lidewyde te kunnen zeggen dan het oordeel van Emma te winnen, vervolgde zij op denzelfden toon, de onbescheidenheid van hare vraag met meer takt naar den achtergrond schuivend dan men van haren leeftijd verwacht zou hebben:

—"Sommige familien hier zijn met mevrouw Dijk ontzaggelijk ingenomen, en ik weet dat ook freule Steinmetz zeer gunstig over haar denkt. Doch bij ons aan huis staat zij niet hoog aangeschreven. Mijn vader zou niet willen hebben dat ik vertrouwelijk met haar omging, en ik mag alleen op Soekabrenti komen om staatsie-visites te maken, of bij niet-intieme gelegenheden, zoo als deze."

—"Hoe groot is toch het verschil tusschen de stad en buiten!" kon Emma zich niet weerhouden uit te roepen. "Te Duinendaal gaat men alleen om met de menschen die men waarlijk liefheeft of hoogacht; hier daarentegen"...

—"Zoo is het," vulde het meisje den volzin aan, "men verkeert hier somwijlen met lieden die men niet verder vertrouwt dan men ze ziet. En dan nog!"

Op een zeer kleinen ijzeren stoel naast eene zeer kleine ijzeren tafel had zich eene vervaarlijk groote en lijvige dame van leeftijd nedergezet. Het wandelen scheen haar moeijelijk te vallen, en zij maakte ijverig gebruik van een flakon, die met eene gouden ketting aan haar broche bevestigd was en in welker gouden stop zich een miniatuur-cylinderhorloge bevond, met paarlen omzet. Haar toilet was evenredig aan deze tentoonstelling van bijouterien, en al hetgeen, de voornaamste modewinkels eener welvarende stad kunnen bijdragen om eene vrouw van dien tonnenlast te doen schitteren en kraken, kraakte en schitterde aan haar breede persoon. Nadar zou een tweede ballon-géant hebben kunnen vervaardigen met de ellen zijde die langs hare heupen afhingen en haren boezem omspanden. Gelukkig huisde in die ontzagwekkende borst de inborst van een lam: deze kolossale apparitie was eene weldoende toovergodin voor al de armen van haar kerspel. Dit, en een zwak voor den jongen ongehuwden predikant der plaats waartoe haar buitengoed behoorde (haar man lag sedert vele jaren in het graf en zij had geene kinderen), waren hare eenige hartstogten.

—"Laat ons hier een oogenblik uitrusten," zeide zij tot twee andere vrouwen van jaren, doch van gewoner dimensien dan zij, die met haar aan deze zijde van het terras de schaduw gezocht hadden. "Misschien zullen meer dames ons voorbeeld volgen en zich bij ons komen voegen. De heeren kunnen nog niet scheiden, lijkt het wel, en de politiek doet hen de galanterie vergeten. Heb ik u verteld, mevrouw Spaan, wat mij in het midden der week naar de stad heeft doen komen?"

De dame, tot wie deze vraag gerigt werd, meende wel is waar reeds vernomen te hebben, welk belang tot die ongewone overkomst genoopt had, doch de beleefdheid deed haar eene onkunde voorwenden, welke, opgenomen voor goede munt, bevorderlijk kon zijn voor de levendigheid van het gesprek.

—"En gij weet," vervolgde de vonkelende weduwe, "dat ik er prijs op stel, met freule Steinmetz op een goeden voet te blijven. Zij is een waardige vrouw, en ik zal altijd beweren, dat dames van elke rigting een voorbeeld aan haar nemen mogten. Doch wie onzer heeft zijne zwakheden niet? Enfin, indien ik niet overgekomen was en een oog in het zeil gehouden had, zou mijn lieve mijnheer Steenstra misschien niet eenmaal op het twaalftal geparaisseerd hebben. En ik, die zoo gaarne zien zou, dat hij te M. in aanmerking kwam! Ik spreek niet voor mijzelve, dat begrijpt gij; want indien hij hier beroepen wordt, ben ik hem op Linschoten den geheelen zomer kwijt."

—"En heeft freule Steinmetz waarlijk moeite gedaan om mijnheer Steenstra te weren?" vroeg de dame, die daareven als mevrouw Spaan toegesproken was. "Ik zou haar tot zoo iets niet in staat geacht hebben."

—"Moeite gedaan om hem te weren, zal ik niet zeggen, want zij heeft Steenstra's naam in het geheel niet genoemd; maar door andere namen te noemen en den zijnen te verzwijgen, werd langs een zijweg hetzelfde doel bereikt."

—"Men weet toch nooit wat men aan die fijnen heeft," zeide de dame, die tot hiertoe gezwegen had. "Al gaan zij een eind weegs met u mede en al spelen zij voor eene wijl open kaart, altijd eindigen zij met de kat in donker te knijpen."

—"Dat moet gij niet zeggen, lieve mevrouw," antwoordde de goedhartige weduwe, wier kerkelijke ijver, al viel hare dogmatiek iets minder Bismarcksombre, vooral niet flaauwer was dan die van freule Bertha; "wij moeten alleen maar zorgen, dat aan alle partijen regt wedervaart. Ik gun freule Steinmetz een predikant naar haar hart, en zelfs zou ik niet willen dat hier iemand beroepen werd die alles wegredeneerde. Doch daarvoor behoeft zij, wat Steenstra betreft, niet bevreesd te zijn. Steenstra heeft den naam van liberaal te zijn, dat weet ik wel; maar ik weet ook dat hij mij niet zou kunnen stichten, indien hij de groote waarheden van onze gezegende godsdienst niet verkondigde."

Het geloof der korpulente weduwe was als haar schoot: het vormde een hellend vlak waarlangs de kritiek naar beneden gleed, en de twee andere matronen gevoelden blijkbaar weinig lust, haar te volgen op den weg eener zoo subtiele onderscheiding als die van daareven. Men moest een halve theologant zijn, meenden zij, om het verschil te vatten tusschen een predikant die regtzinnig was, en een die voor liberaal doorging, maar niettemin voor de groote waarheden der christelijke godsdienst opkwam. Gelukkig evenwel behoefden zij niet lang naar een nieuw onderwerp van gesprek te zoeken: het kwam haar te gemoet in de gedaante van Lidewyde; die, insgelijks van twee dames vergezeld, de tijding kwam brengen, dat men de heeren zoo aanstonds in den tuin zou zien verschijnen.

—"Wij mogen het wel zeer op prijs stellen, lieve mevrouw Dutry," zeide Lidewyde, het woord tot de weduwe rigtend, "dat een gelukkig zamentreffen u heden onze gast heeft doen zijn. Het behoort tot de zeldzaamheden in dit saizoen, dat de stad u meer aantrekt dan buiten."

—"Dat is zoo, Lidewyde, ofschoon het zonderling klinkt u in deze omgeving van de stad te hooren spreken. Soekabrenti is een paradijs, en gij moet het u kwalijk kunnen voorstellen, dunkt mij, dat ik de moeite neem, mij iederen zomer op Linschoten te gaan begraven. Hebt gij goede tijding van de oude mevrouw Dijk?"

—"Uitmuntende tijding. Zij is in het geheel niet zeeziek geweest, en Londen, schrijven mijne zusters mij, is nog niet half groot genoeg naar haar zin. Iederen ochtend laat zij zich met rijtuig naar de tentoonstelling brengen, en iederen avond wil zij een koncert of eene opera hooren."

—"Denkt zij lang afwezig te blijven?"

—"Daaromtrent is nog niets bepaald. De afspraak was, eene maand uit en thuis; doch de maand is bijna om, en ik hoor nog van geen weeromkomen reppen. Het zou mij niet verwonderen, indien aan den togt naar Engeland een togtje naar Schotland werd vastgeknoopt."

—"Uw schoonmoeder heeft altijd gezegd, dat wanneer zij eenmaal aan het reizen ging, men den lust daartoe haar niet gemakkelijk weder afleeren zou. Nu, in Engeland is men voor eene excentriciteit meer of minder niet zoo vervaard als hier, en indien zij behagen vindt in heen en weder te trekken, heeft zij gelijk dat zij ons laat praten."


Back to IndexNext