NEMESIS.

—"Om één ding spijt het mij toch dat zij juist nu afwezig is," zeide Lidewyde.

—"En dat is?"

—"Dat zij de gelegenheid mist kennis te maken met ons aanstaand nichtje. Ik ben zeker dat jufvrouw Visscher in haar smaak zou gevallen zijn. Vindt gij niet dat mijn neef Kortenaer goed uit zijne oogen gezien heeft?"

—"Jufvrouw Visscher logeert bij freule Steinmetz, niet waar, en mijnheer Kortenaer bij u?"

—"Dat is zeer toevallig zoo gekomen ja, of liever, de eer dier schikking behoort geheel en al aan mijn man. Dijk heeft rust noch duur gehad voor hij André had bewogen, Emma over dat plan te schrijven. Voor ons is hun bezoek eene aangename afleiding, en ik hoop maar dat het voor henzelven geene teleurstelling zijn zal. Zie, daar komen zij aan."

Zoodra de gastheer het sein tot opstaan had gegeven, was André naar buiten gesneld om Emma te zoeken. Zoo vele personen hadden hem dezen middag geluk gewenscht met zijne verloving; men beschouwde zijn aanstaand huwelijk zoo zeer als eene uitgemaakte zaak; Emma's lof had uit zoo vele monden om hem henen geruischt, dat hij behoefte gevoelde haar zijnen arm en zijne hulde te gaan aanbieden. Zij nam beiden aan met die ingetogen gretigheid, welke in het oog der mannen, omdat zij hunne ijdelheid streelt en hen in den fieren waan van hunne onmisbaarheid versterkt, eene der bekoorlijkste bewegingen is van het vrouwelijk gemoed. Een ligte blos van aandoening kleurde haar gelaat, en hare oogen stroomden van blijdschap over. Zij scheen dezelfde persoon niet, die daareven met het andere jonge meisje had loopen keuvelen.

—"Men behoeft niet te vragen of die jongelieden gelukkig zijn," zeide mevrouw Dutry, met de onbaatzuchtigheid der jaren en der lijvigheid de oogen op André en Emma gevestigd houdend.

Lidewyde hield hare meening voor zichzelve.

Het was avond geworden, en het uit de eetzaal naar buiten stroomend licht zou de duisternis in den tuin ondoordringbaar hebben doen schijnen, indien niet van punt tot punt, tusschen de heesters van het groote grasperk en aan de boomen op de hoeken der wandelpaden, de hand van gedienstige geesten papieren lantarens ontstoken had. Bij dat zachtgekleurd schijnsel zag men kleine groepen van heeren en dames, of van heeren alleen, fantastisch heen en weder dwalen. Voor het huis, op het hoogste punt van het terras, was eene tafel aangerigt, die voor de mannelijke helft der gasten al de aantrekkingskracht bleek te bezitten, welke door vazen van zeegroen kristal, tot aan den rand met wijn en kruiden gevuld en door een drom van goudgele roemers gelijfstaffierd, van oudsher in deze gewesten uitgeoefend is. Allen spraken door elkander, en nu en dan hoorde men den advokaat Lefebvre in een homerisch lagchen uitbarsten.

Doktor Ruardi handelde in den regel niet consequent genoeg om dit tooneel alleen hierom te ontwijken, dewijl vaatjes kruidenwijn en glazen met holle voeten de hem antipathetische zeden van een vervlogen tijdvak der nederlandsche volkshistorie met al te groote levendigheid voor zijne herinnering deden oprijzen. Andere redenen hadden hem dien middag aan tafel iets van zijne gewone spraakzaamheid doen verzaken; andere redenen ook deden hem thans het luidruchtig gezelschap mijden van Lefebvre en de zijnen. Hij wilde Lidewyde spreken. Geduldiger nog dan het huisdier, welks moordziek instinkt den goedaardigen Van Alphen tot eene lofspraak verlokte, had hij het oogenblik verbeid om met haar alleen te zijn; en slechts hij, die zijne betrekking tot haar volkomen kende, zou in het talent, waarmede, na twintig mislukte pogingen, de dokter haar eindelijk naar een der afgelegen wandelpaden wist te troonen, de vrucht van studie gewaardeerd hebben.

—"Gij zult moeten kiezen of deelen, Lidewyde," zeide hij snel, toen hij zich zeker durfde achten dat niemand hen beluisteren kon. "Ik wil niet dat gij zult voortgaan u aldus te emanciperen."

—"Goede Frederik," antwoordde zij op minachtenden toon, "maak u toch geen hersenschimmen omtrent uw overwigt op mij. Waarom wilt gij niet gelooven dat hetgeen Sarah u herhaaldelijk gezegd heeft waarheid is? Kunt gij u de mogelijkheid niet voorstellen dat men van uwe gemeenzaamheid voortaan verschoont wenscht te blijven? Is de ijdelheid bij u tot monomanie geworden?"

—"Die bitterheden deren mij niet, en ik ben niet dwaas genoeg om te vergen dat gij mij zult liefhebben in weerwil van uzelve. Doch wat ik eischen mag, is dat gij een weinig eerbied toonen zult voor herinneringen die u dierbaar behooren te zijn."

—"Dit stemt niet overeen met uwe wijsbegeerte, vriend; of zoo ja, het is u niet onbekend wie in de eerste plaats aanspraak heeft op hetgeen gij mijnen eerbied noemt. Mag ik weten hoe gij eensklaps aan dat deftige woord gekomen zijt? Het is de eerste maal dat ik het u hoor bezigen."

—"Nuttelooze uitvlugten! Indien gij u met geen ander oogmerk van mij afwendet als om u te verzoenen met uw man, zou ik de eerste zijn om mij daarover te verheugen. Honderd malen heb ik u gezegd, dat die transaktie u mijnentwege vrijstond. Doch sedert gij in uw huis eene kamer hebt ingeruimd voor dien knaap"...

—"Uwe belangstelling in mijne toekomst is inderdaad bewonderenswaardig. Eerst hebt gij mij het voorregt gegund, kennis te maken met uwe... beteekenis; en nu ik daarvan doordrongen ben, noodigt gij mij uit een goed heenkomen te zoeken in het paradijs van den pligt. Gaarne geloof ik dat het u rust zou geven, mij dien weg te zien inslaan; doch houd mij ten goede dat ik geene roeping gevoel u die voldoening te verschaffen."

—"Val mij niet in de rede, bid ik u, en poog mij niet om den tuin te leiden."

—"Ik leid u niet om den tuin, maar gij mij. Nog eene schrede en wij staan op den straatweg. Indien wij terugkeerden, wat dunkt u?"

—"Gij zoudt tot zulke laffe woordspelingen uwe toevlugt niet nemen, indien gij niet bekennen moest dat mijne vermoedens gegrond zijn. En wat wilt gij dat ik van u denken zal? Een ernstigen hartstogt kunt gij voor dien jongen niet gevoelen; daar is hij te onbeduidend voor. Kondt gij tegenwoordig zijn bij zijne gesprekken met mij, gij zoudt medelijden met hem krijgen. Hij is eene volslagen nulliteit, en die hem liefhebben moeten wenschen dat hij hoe eer hoe beter in het huwelijk trede met zijne Duinendaalsche schoone. Misschien komt er dan nog iets van hem teregt."

—"Indien het over André Kortenaer is dat gij op die wijze spreekt, moet ik u zeggen dat gij hem kwalijk beloont. Hij is een bewonderaar van u en houdt u voor een genie. Lefebvre is de eenige persoon, dien hij somtijds boven u stelt, en dan nog met onderscheid."

—"Ik dank hem voor zijne goede meening, doch geloof mij, Lidewyde, hij verdient niet dat gij u met hem bezig houdt. Wilt gij een goeden raad van mij aannemen, laat hem loopen en zoek een waardiger tijdverdrijf. Het is beneden u, te triomferen over jufvrouw Visscher."

—"En wie zegt u, dat ik mij die zegepraal ten doel heb gesteld? Oneer zou ik er in geen geval mede inleggen. Ook vind ik u potsierlijk. Zijn dan uwe eigen overwinningen altijd evenredig geweest aan de goede meening die gij van uzelven koestert? Om dat te kunnen gelooven, zou ik minder goed op de hoogte moeten zijn van uwe geschiedenis."

—"Gij zijt onhandelbaar heden avond, Lidewyde, en ik zal niet langer beproeven, u van uw ongelijk te overtuigen. Ook wordt het tijd dat gij uwe gasten weder gaat opzoeken. Beloof mij slechts, dat gij uzelve niet te roekeloos zult exponeren."

—"Dank u voor deze nieuwe impertinentie. Doch ik geloof met u, dat het tot niets zou dienen, ons onderhoud te verlengen. Adieu, don Juan! Elk zijns weegs."

Zij sloeg een zijpad in, dat haar in een oogwenk naar het terras en naar hare gasten terugvoerde, en liet hem met zijnen toorn alleen.

Adriaan Dijk had post gevat hij den zilveren hevel, en men moest de wellevendheid prijzen waarmede hij voor oud en jong het kraantje roerde. Zijne kandidatuur was hem, overdragtelijk gesproken, naar het hoofd gestegen, en hij verkeerde in die gelukzalige stemming, waar vrouwen zich geene voorstelling van kunnen vormen, maar die in de mannenwereld, sedert de demokratische instellingen van den nieuwen tijd het publiek-persoon-zijn tot eene algemeen bereikbare hoedanigheid verheven hebben, onder den naam van populariteitsgevoel bekend is.

—"Kortenaer!" riep hij, toen André en Emma voor de derde of vierde maal op eenigen afstand hem voorbijgingen. "Kortenaer! Waarom versmaadt gij mijne goede gaven? Het is avond, mijn vriend, en jufvrouw Visscher moet het goedkeuren dat gij u naar den inwendigen mensch behoorlijk verwarmt."

—"Zeker keur ik dat goed," zeide Emma, André aanmoedigend om nader te treden. "Kortenaer beweert dat uw mengsel voor heeren al de goede eigenschappen bezit, die de dames aan hare sortie's toeschrijven."

—"Met uw verlof, Emma," schertste André, "ik heb alleen gezegd dat de zorg voor uwe gezondheid mij weinig voordeel aanbrengen zou, indien ik niet te gelijker tijd voor de mijne waakte."

—"Goed geantwoord!" riep Adriaan. "Laten leven is niet genoeg; men behoort ook zelf te leven. Doch waar blijft Lidewyde? Het is een uur geleden, dat ik haar voor het laatst gezien heb."

—"Hier is zij," antwoordde eene welbekende stem; en met rustigen pas, alsof er niets was voorgevallen, trad eene schoone gedaante uit de duisternis naar het licht.

—"Foei, Lidewyde," zeide Emma verwijtend, "waarom hebt gij niet iets omgeslagen? Gij zult ziek worden, zeg ik u. Wij leven waarlijk niet in een land, waar de avondlucht met zich spotten laat."

—"Is dat ook uwe meening, André?" vroeg Lidewyde, zich tot Emma's bruidegom keerend.

—"Zeker is zij dat," antwoordde Dijk in zijne plaats. "Kortenaer is het oud-vaderlandsch gevoelen toegedaan, dat de heeren zich tegen de avondlucht moeten wapenen door kruidenwijn te drinken en de dames door mantels om te slaan."

—"Adriaan belastert mij," zeide André, "doch hierin heeft hij gelijk, dat ik het zeer onvoorzigtig van u vind, op dit uur blootshoofds en zonder mantel in den tuin te wandelen. Mag ik het genoegen hebben uw grooten doek te gaan halen? Emma, heb ik uwe permissie?"

—"Hoe kunt gij zoo iets vragen, André?"

Hij snelde het huis in en vroeg een bediende, dien hij in den gang ontmoette, waar hij mevrouws doek vinden kon. De bediende wist het niet, maar liep naar boven, waar hij zeker was Sarah te zullen aantreffen; en geene minuut later keerde hij terug met het verlangde voorwerp over den arm.

—"André geeft zich waarlijk te veel moeite," zeide Lidewyde. "Waarom ook maak ik misbruik van zijne goedheid? Doch daar komt hij reeds aan, belast en beladen."

Zij wendde zich om en ging hem te gemoet. Op hetzelfde oogenblik kwam Ruardi Emma aanspreken.

—"Gij maakt mij verlegen, André," zeide zij halfluid, zoodat de anderen haar niet verstaan konden. "Doch ik wil niet ondankbaar zijn. Al hetgeen ik laatst gezegd heb van uwe koelheid jegens Emma neem ik terug. Gij zijt heden avond de teederheid-zelve geweest, en ik mag van geluk spreken dat gij tijd gevonden hebt om aan mijn sjaal te denken. Anders om, als ik u verzoeken mag."

Zij keerde hem op de plaats-zelve den rug toe en boog zich neigend een weinig achterover, ten einde den doek, dien hij met beide handen omhoog hield, op hare schouders te ontvangen.

—"Nu dan?" vroeg zij, toen hij scheen te aarzelen.

—"Daar is de doek," fluisterde hij op zijne beurt, zich over haar heenbuigend. En onder het omslaan roerde hij met zijne lippen de blonde aan, die haren hals bedekte.

—"Dank u," zeide zij; en de toon waarop zij die woorden uitsprak, was, hoewel onderdrukt, tegelijk zoo natuurlijk en zoo ongewoon, dat hij onmogelijk bepalen kon of hare betuiging van erkentelijkheid de eene daad of de andere gold.

Een apostolische vermaning wil, dat elk mensch volkomen verzekerd zal zijn in zijn gemoed; en indien de menschelijke lotbestemming aan het opvolgen van vermaningen hing, zou den uitvinder dier les de kroon der wijsheid toekomen. Doch ziehier een jong meisje van twintig jaren, beminnelijker en schranderder dan de meeste, bezield met de beste bedoelingen, en, naar de wereld gesproken, zoowel geneigd tot alle goed als onbekwaam tot eenig kwaad. Had zij over een koningrijk te beschikken, zij zou het u schenken, indien zij tot dien prijs vrede bekomen kon; doch haar gemoed is verdeeld, zij wordt her- en derwaarts geslingerd, en geene magt op aarde schijnt in staat, haar te verlossen van hetgeen haar de borst beklemt.

Daareven, na het ontbijt, had Emma de ronde gedaan van freule Bertha's tuin; zonder schroom gebruik makend van de vergunning der gastvrouw om zoo vele bloemen te snijden als zij voor hare aquarel noodig meende te hebben. Thans zat zij op hare kamer, boven aan de straat, en de vruchten van haren strooptocht stonden in een kristallen beker, halverwege met water gevuld, voor haar op de tafel. Zij kon getuigen dat freule Bertha's hof medeviel, wanneer men er eenmaal den weg in wist. De bloemen der oude dame mogten geene geleerde namen dragen of niet modieus gerangschikt zijn, zij waren goed gekweekt en krachtig. Gewapend met eene monsterschaar, wier oogen hare kleine vuist omspanden evenals het gevest van een degen dit zou gedaan hebben (van vader op zoon had het huis Steinmetz zich van die schaar bediend om bladen papier mede door midden te snijden, en freule Bertha meende het aan haar voorgeslacht verpligt te zijn, dat erfstuk door het gebruik in eere te houden), was Emma langs de bedden gewandeld en had zij hare keus gedaan. Doch het genoegen, waarmede zij den tuin doorkruist en haren ruiker geschikt had, was van korten duur geweest. Op hare kamer gekomen, had zij de bloemen in het water gezet en haar teekengereedschap voor den dag gehaald; naauwelijks evenwel was zij gereed met eene schets, of zij legde hare potlooden en hare penseelen naast zich neder, schoof hare kleurendoos op zijde, stond op en ging aan hare schrijftafel zitten. Doch ook de brief naar huis, waarmede zij een begin gemaakt had en dien zij meende slechts voor het opschrijven te zullen hebben, vlotte niet. Na eene poos, met de pen in de hand, op het halfgevulde blad papier te hebben gestaard stond zij nogmaals op en beproefde haar teekenwerk te hervatten.

Hetgeen haar verdrietig, neen rampzalig maakte, was dat zij niet tot een besluit kon komen omtrent haar verblijf te M. en, in verband daarmede, omtrent André. Al de twijfelingen, die zij eerst zoo moedig ter zijde had gesteld, waren met vernieuwde kracht teruggekomen. Zij wist niet langer wat zij aan hem had. Het was of hij eensklaps te M. aan allerlei invloeden blootgesteld was geworden, welke vroeger òf niet op hem gewerkt hadden, òf krachteloos gebleven waren. Daar was vooreerst Lidewyde met haar schitterend toilet, hare wereldsche schoonheid en hare pikante konversatie. Dan Sarah met hare geheimzinnige levensgeschiedenis en haar noodlottig ongeloof; Adriaan Dijk met zijne onbeduidendheid en zijne rijkdommen; Lefebvre, die zich wel slechts van tijd tot tijd vertoonde, maar zoo vaak hij kwam een nieuwen voorraad verblindende gezegden medebragt; Ruardi wiens denkbeelden bij André voor orakelspreuken golden, en die ja vaak met ingenomenheid verhaalde van zijn vromen vriend Eduard Stephenson, den kapelaan, doch wiens eigen leven blijkbaar geheel en al omging buiten iederen God en elk gebod. Freule Bertha-zelve was van lieverlede in Emma's oogen medepligtig geworden aan de algemeene zamenspanning, en dagelijks werd het haar onverklaarbaarder, hoe zoo veel deugd en godsdienstigheid gepaard konden gaan met eene zoo sterke mate van verblinding. Zij zou hebben durven zweren dat op Soekabrenti eene intrige gesponnen werd, waarin André meer en meer verward geraakte. Liet zij aan hare opgewekte verbeelding den vrijen loop, dan zag zij de woning van Adriaan Dijk doorzigtig worden en de gedaante aannemen van een reusachtig web. In het middenpunt van dat weefsel huisde eene monsterspin, niet een dier afzigtelijke dieren, wier lijken in muzeums van natuurlijke historie tentoongesteld worden, maar een fraaigevormd levend insekt, al de kleuren van den regenboog vertoonend en gekroond met een vonkelenden diamant. Het deed denken aan de fantastische dieren uit het boek der Openbaring in freule Bertha's bijbel, op wier voorhoofden onheilspellende namen geschreven staan. De spin heetteLidewyde, en wanneer men haar riep, kwam zij naar u toe, even als een mak vogeltje uit vreemde luchtstreek, dat in ons noordelijk klimaat is uitgebroeid en zijne schuwheid heeft afgelegd. Niettemin was zij eene arachnide, gelijk men bemerken kon aan de kleinere insekten, die, als in een lijkkleed van natuurlijke draden gewikkeld, levenloos in haar web hingen. Het was Emma, alsof zij in een dier slagtoffers haar eigen beeld herkende. Of neen, zijzelve kon zich nog roeren, en ofschoon gevangen in het verraderlijk weefsel, was de kracht om adem te halen en zich te weer te stellen nog niet geheel en al van haar geweken. Doch hoe zij zich ook inspande om een van hare medegevangenen te hulp te komen, uit wiens brekend oog de ziel van André tot haar sprak, zij kon hem niet bereiken; en wat smartelijker was dan al het overige, hij scheen zich om haren bijstand niet te bekommeren. Als een bedwelmde liet hij zich vaster en vaster in de fijne ketenen klinken, door de schitterende spin voor hem bestemd. Reeds waren zijne vleugelen omwoeld, en binnen het uur zou het met hem gedaan zijn.

Doch droomen zijn bedrog, dacht Emma; en met eene driftige beweging der hand vaagde zij het vizioen door midden, op het oogenblik-zelf dat hare fantazie het voltooid had. André behoorde haar toe, en niemand zou hem haar ontrukken: dit stond vast. De menschen twistten onder elkander, tot in de kerken toe, over de vraag of wonderen mogelijk waren; doch wat gingen haar die afgetrokken kwesties aan? Onmogelijk was het dat André voor haar verloren ging: meer behoefde zij niet te weten en dit ééne was genoeg voor hare rust. Doch kon zij aan den anderen kant de oogen voor het daglicht sluiten? Al stelde zij de insinuaties van Ruardi op rekening van diens karakter,—want wie was Ruardi, dat zij aan zijne woorden meer waarde gehecht zou hebben dan aan de inspraak van haar eigen gevoel?—zij kon niet loochenen dat Lidewyde een magtigen invloed uitoefende op André. Aan alles was dit merkbaar, en duidelijkst van al aan het jagen van haar eigen hart, wanneer zij eene enkele maal met Lidewyde alleen was. Dan brandden woorden des verwijts haar op de lippen, en slechts met de grootste inspanning gelukte het haar, niet al te zeer te verraden hetgeen omging in haar gemoed. Wie had gedacht, dat zij in haar eenvoudig leven ooit zulk een strijd zou hebben te voeren? Eene gehuwde vrouw hare medeminnares! Haar bruidegom luisterend naar de vleitaal van een misdadigen hartstogt! Hare eigen wenken voor die van Lidewyde versmaad! André's hart gespannen in het gareel van Lidewyde's oogen! En dat dit laatste werkelijk het geval was,—Emma zou vrouw noch bruid hebben moeten zijn, om aan dat feit te kunnen twijfelen.

De toestand was onhoudbaar geworden, dit erkende zij, en weder keerde zij naar haren brief terug. Zonder alles te zeggen, zou zij zorg dragen dat hare moeder alles wist. Het kwam er slechts op aan, een geschikten vorm te vinden. Zij wilde niet, dat hare ouders André verstooten zouden; daarom zou zij vermijden, hem regtstreeks van ontrouw te beschuldigen. Doch zij kon duidelijk genoeg op een begin van verkoeling zinspelen, meende zij, om te bewerken dat zij uit haar folterverblijf te M. verlost en naar Belvedere opontboden werd. Meer was voorshands niet noodig. Hare vrouwelijke waardigheid gedoogde niet, dat zij langer bleef waar zij was: daaromtrent was zij het met zichzelve volkomen eens. Ook dit was uitgemaakt, dat André eene gevoelige les verdiende. Welnu, zij zou het een met het ander verbinden, en het volgen van dien middenweg zou haar vrede schenken.

Zij tastte naar de pen, bragt de hand aan het voorhoofd, vond de juiste uitdrukking niet voor hetgeen zij zeggen wilde, en ontwaakte uit hare mijmering—kleuren zoekend voor haar penseel. En dat zoeken was vergefelijk. De volleerdste toovenaar uit de school der aquarellisten zou bij den eersten greep de warme donkerroode tint niet hebben gevonden, vereischt om regt te doen aan den gloed van gindsche François Premier. Emma had gedaan wat zij konde om die roos uit haren ruiker te weren, doch de magt der herinneringen was eene te sterke verleiding geweest. Vruchteloos had eene Rose la Reine de scherpte van hare gewapende hand gevoeld; vruchteloos was daarnevens eene Gloire de Dijon op het altaar van den minnenijd geslagt; vruchteloos was de hekatombe voltooid door het offeren eener Malmaison van de eerste grootte. Vorstelijk prijkten die bloemen tusschen het bruinachtig groen der provincierozen, en wijd openden zij hare harten van satijn. Tegelijk geestig en bescheiden hieven de bonte cancellaria's hunne kopjes naar haar op en bogen de violetkleurige heliotropen zich ootmoedig voor haar neder. Hoe bevallig ook lieten de fuchsia's hare kelken hangen over den rand van het glas! Het mogt niet baten. De eene roos, welke het laatst van al voor Emma's schaar bezweken was, overschaduwde den geheelen ruiker, en even als de maan en de sterren in Jozefs droom, schenen hare zusters en hare speelnoten alleen geschapen te zijn om hulde te bewijzen aan deze rijzende zon. Hoe was het mogelijk, dacht Emma, dat zij den naam dier bloem, in eene harer brieven aan André, tot een voorwerp van scherts had gemaakt? Helaas, François Premier was slechts al te zeer de type van den wuften minnaar; het bloedig en tragisch rood der onbedachtzaam naar hem genoemde bloem in vollen ernst de kleur der trouweloosheid. Met een gemengd gevoel van welgevallen en afschuw vulde zij keer op keer haar penseel met het donkerst karmozijn. De tinten op het papier werden zwaarder, en naarmate de andere bloemen vorderden, kwam ook de noodlottige roos meer en meer uit. Bestond er een geheim verband tusschen het hart dier bloem en het hart van André? Was het een genot voor Emma, het eene dier harten tot in zijne fijnste plooijen te onderzoeken, en hoopte zij door die studie den weg naar het andere te zullen terugvinden? Of gehoorzaamde zij alleen aan die verleidelijke aandrift, welke ons in dagen van smart behagen doet scheppen in het loswoelen van ons eigen wee? Teekende zij het eigenwillig door haar gekozen beeld der ontrouw alleen hierom na, dewijl het haar verademing schonk eenen arbeid te volbrengen, die haar tegelijk aan hare gepeinzen ontvoerde en toch haar telkens in dat schemergebied wederbragt?... Zij was niet ontwikkeld genoeg om zich van de motieven harer daad rekenschap te kunnen geven, doch dit gevoelde zij, dat haar geluk op één na verwoest was. En niemand kon loochenen, dat er eenige overeenkomst bestond tusschen de gedachte, welke haar naar hare penseelen deed grijpen, en het lied der arme linnennaaister die bezig was haar eigen doodshemd te zoomen.

In weerwil van Emma's ijver was de teekening nog in lang niet voltooid, toen zij een welbekenden voetstap de deur harer kamer hoorde naderen. IJlings op te staan; het glas met bloemen op den rand van den schoorsteenmantel te plaatsen, waar zij niet in het oog vielen; een blad papier over hare schets te werpen; al de sporen van haren arbeid te verwijderen en zich weder aan hare schrijftafel te plaatsen, was het werk van een oogenblik. Het gevoel van gekwetste fierheid had eensklaps weder de overhand bekomen in haar gemoed, en voor al het goud der wereld had zij niet door André verrast willen worden te midden harer gewaarwordingen van daareven.

—"Mag ik binnenkomen?" vroeg hij, aankloppend en de daad bij het woord voegend.

Zij zag op van haren brief en antwoordde:

—"Jawel, André."

Er is in de intonatie, waarmede de vrouw die hij heet lief te hebben, of werkelijk liefheeft, hem ontvangt en zijnen welkomstgroet beantwoordt, iets waaromtrent geen man zich vergissen kan. Al was Emma naar hem toegesneld; al had zij hare armen om zijnen hals geslagen en de grootste blijdschap over zijne komst geveinsd,—André zou in het diepst van zijn hart gevoeld hebben, alleen afgaande op den klank van hare stem, dat nogmaals tusschen hem en haar een scheidsmuur verrezen was. Te dieper gevoelde hij dit, nu hij noch omhelsd, noch verwelkomd werd.

—"Mijn God, Emma, wat scheelt er aan?" vroeg hij, zich nederzettend in een fauteuil dien zij hem niet aangeboden had.

Zij droeg hetzelfde ochtendgewaad als anders, effen lichtgrijs met groen belegsel; haar kapsel had geene verandering ondergaan; hetzelfde lint onder een glad kraagje van dezelfde snede, viel met twee korte slippen neder op hare borst, en om haar middel sloot hetzelfde ceintuur. Al de keeren dat André haar in deze dagen een morgenbezoek had gebragt, had zij er even zoo uitgezien als nu. Ook vertoonden zich op haar gelaat geene sporen van tranen of van ligchamelijke vermoeidheid, overblijfselen van een doorgewaakten nacht. Toch hadden hare trekken eene nieuwe uitdrukking bekomen, en zag zij er vrouwelijker, volwassener, weerbaarder, minder kinderlijk uit dan voorheen.

—"Ik heb dadelijk begrepen," zeide zij kortaf, "dat ik hier niet op mijne plaats zou zijn; en het is uitgekomen zooals ik gedacht had. Ik had te Duinendaal moeten blijven bij mijne ouders."

—"Maar hoe is het mogelijk, lieve Emma..." begon André. Doch zij liet hem niet uitspreken.

—"Val mij niet in de rede," ging zij voort, met nog gebiedender stembuiging dan daareven, "en veins geene genegenheid, die gij niet meer gevoelt. Uw hart behoort aan Lidewyde, en iederen keer dat gij mij lieve Emma noemt, spreekt gij onwaarheid. Ik zit aan mijne moeder te schrijven, dat ik hier geen dag langer blijven wil. De brief wordt heden verzonden."

—"Zou zij iets weten?" vroeg André zich af. "Maar dat is onmogelijk. Zij heeft niets kunnen zien, niets kunnen hooren. En hoe onregtvaardig van haar, mij te verwijten dat ik haar niet liefheb!"

—"Emma," vervolgde hij overluid, en de toon van beleedigde onschuld, dien hij aansloeg, was te opregter, naarmate hij zich stelliger voorgenomen had, voortaan geen enkel gemeenzaam woord met Lidewyde meer te wisselen, laat staan haar te kussen,—"Emma, gij valt mij tegen. Dat gij jaloersch zijt van Lidewyde, is kinderachtig van u; maar schandelijk noem ik het, u daarover op mij te wreken."

—"Indien gij mij liefhadt," antwoordde zij, "zoudt gij deelen in mijne jaloezie, in plaats van daarover met minachting te spreken. Denkt gij, omdat ik schertsen kan,—schertsen kon, moest ik zeggen, want ik kan het niet meer,—denkt gij met mij te kunnen spelen? Ik had wijzer moeten zijn, en mij nooit aan u moeten hechten. Toen ik u leerde kennen, ben ik voor fabelen gaan houden hetgeen ik van trouwelooze minnaars gehoord en gelezen had; doch gijlieden kunt niet anders, schijnt het wel. Het ligt in uw aard. Eene vrouw heeft maar één woord, en wanneer zij dat woord gegeven heeft, doet zij het gestand; doch gij, gij weet niet wat het is, lief te hebben. Ga weg van mij, man zonder hart!"

—"Emma, Emma, hoe draaft gij door! Weet gij wel, wanneer ik u zoo hoor spreken, dat ik regt zou hebben, ernstig boos op u te worden?"

—"Schijnheilige die gij zijt! Zie ik niet met open oogen, dat uwe Lidewyde en haar dokter u betooverd hebben? Indien mijn verdriet en mijne vreugde de uwe waren, gelijk het betaamde, zoudt gij dan tot mij spreken op een toon, alsof ik uwe vergiffenis behoefde, in plaats van gij de mijne? Doch ik schenk u geene vergiffenis. Een man, die vergiffenis noodig heeft, verdient geene plaats in het hart eener vrouw."

Het klimmen van Emma's drift deed André's ongeduld bovenkomen en versterkte hem in de overtuiging, dat, mogt hij zich al iets te verwijten hebben, er niet de minste evenredigheid bestond tusschen het door hem gepleegd misdrijf en Emma's vonnis.

—"Mag ik weten," vroeg hij, "met welk regt gij op nieuw, van mijne Lidewyde spreekt, en wat Lidewyde's dokter te maken heeft met ons onderhoud? Een onderhoud, dit moet ik u zeggen, dat mij zeer mishaagt, en waarvan ik om uwentwil wenschte, dat het eene andere wending genomen had."

Doch dit was olie in het vuur.

—"Het pleit niet voor u," zeide zij, "dat gij in mijne tegenwoordigheid Ruardi's verdediging op u durft nemen. Of zijt gij de eenige in deze stad, die zijne geschiedenis niet kent? Moet gij van mij vernemen, dat hij een glimlagchende booswicht is, die er zijn bedrijf van maakt, onschuldige vrouwen en meisjes in het verderf te storten? Ach, dat ik aan uwe onnoozelheid gelooven kon! Maar dat gaat niet aan, en dat wil ik ook niet. Onnoozele mannen zijn niet van mijne gading. Indien gij niet slecht waart, of niet bezig om slecht te worden, zoudt gij Ruardi verafschuwen. Maar gij zoekt zijn gezelschap, gij schept behagen in zijne gesprekken, gij bewondert en vereert hem, even als gij keer op keer aan de lippen van zijnen vriend Lefebvre hangt."

—"En wat, in 's hemelsnaam hebt gij op Lefebvre aan te merken? Lefebvre is de ingetogenheid in persoon; iemand die leeft als een kluizenaar en zich met niets anders bezig houdt als met zijne klienten."

—"Ik zeg niet dat mijnheer Lefebvre een slecht mensch is, zooals Ruardi, maar alleen dat hij u verkeerde dingen in het hoofd brengt. Al is hetgeen hij denkt en zegt misschien onschadelijk voor hem zelven, voor u deugt het niet. Voorheen, wanneer ik u met mijn vader hoorde spreken, waart gij eenvoudig en zeidet ronduit uwe meening; nu daarentegen oppert gij telkens allerlei vreemde denkbeelden, waarvan men duidelijk bemerken kan dat zij niet uit uzelven komen."

—"En ik zeg u, dat van een man als Lefebvre in veertien dagen meer te leeren valt dan men in een half dozijn jaren gewone menschen leert. Lefebvre is een der uitstekendste personen van ons land."

—"Van Ruardi kunt gij misschien hetzelfde zeggen, maar dat neemt niet weg dat hij een verdorven schepsel is, wiens omgang gij behoordet te mijden. Waarom weidt gij uit in den lof van Lefebvre? Heb ik gezegd, dat mijnheer Lefebvre zich slecht gedroeg? Het bewijst tegen u, dat gij den eenen van uwe afgoden gebruikt om er den anderen achter te verbergen. Ik zou van mijnheer Lefebvre niet gesproken hebben, indien ik het niet schande vond, dat gij tevens het hof maakt aan Ruardi en aan hem."

—"Ik maak het hof niet aan Ruardi," viel André haar in de rede, even driftig als zij. "Ik bewonder hem niet, ik vereer hem niet, ik hang niet aan zijne lippen, niets van dat alles. Ik laat hem alleen regt wedervaren. Wie u verteld kan hebben, dat hij een verachtelijk mensch is, weet ik niet en raakt mij niet. Freule Bertha vast; want zoo zijn de oude vrijsters. Hij is een man met een helder hoofd en die verder ziet dan de meesten; dat is al. Waarom behagen mij zijne gesprekken? Omdat hij vernuft heeft. Geleek hij op mijn zoetsappigen neef Adriaan, in wien ik mij zoo jammerlijk bedrogen heb en die iederen dag meer tegenvalt"...

—"Uw neef Adriaan", riep zij uit, bleek van verontwaardiging, "uw neef Adriaan is een beter mensch dan òf uw vriend Ruardi, òf gijzelf... op dit oogenblik. En al was hij een onbeduidend persoon, geeft dit Ruardi het regt, hem zijne eer te ontrooven? Den man, wiens vriend hij heet, wiens huis voor hem openstaat, die hem ontvangt aan zijne tafel? Ruardi is een monster, zeg ik u, en Lidewyde is zijne maîtres."

Onder het uitspreken van dit laatste woord, dat zij in haar geheele leven nog nooit overluid gebezigd had, stroomde het bloed weder naar Emma's wangen. Zij bloosde; en indien André op dat oogenblik zichzelf was geweest en haar had aangezien, zou hij misschien tot andere en betere gedachten gekomen zijn. Misschien ook niet, want de aanblik der eerbaarheid treft meer dan zij verteedert. Doch getroffen was hij dan toch, en Juist om die reden hield hij de oogen naar den grond geslagen. Hetgeen Emma van Ruardi's betrekking tot Lidewyde beweerde, beschouwde hij als laster; het stemde in het geheel niet overeen met hetgeen hij daaromtrent van Sarah wist. En wie was aangaande deze zaak beter ingelicht dan Sarah? Doch reeds de onderstelling, dat Lidewyde, die dan toch zelve erkende dat Ruardi haar het hof maakte, iets voor dien man gevoelen zou, vervulde hem met wrevel. Nog zeer kort geleden was hijzelf van oordeel geweest dat Lidewyde juist eene vrouw was om een minnaar te hebben, en had hij het denkbeeld, dat Ruardi die minnaar was, zelfs zeer aannemelijk gevonden. Doch toen kende hij Lidewyde nog bijna in het geheel niet, en er was tusschentijds eene groote verandering gekomen in zijne meening omtrent haar. Lidewyde mogt hare gebreken hebben, hij kon niet verdragen, dat iemand, wie dan ook, met minachting over haar sprak; en dat Emma dit deed stond haar leelijk, want steeds was Lidewyde, wanneer Emma's naam in hare tegenwoordigheid genoemd werd, overvloedig geweest in haren lof.

Minder stuitte het hem tegen de borst dat Emma den dokter zwart maakte. Er was ongetwijfeld veel overdrevens in de voorstelling die zij zich van hem vormde, en blijkbaar verkeerde zij te zijnen aanzien onder den invloed van kwaadsprekende tongen. Doch hij begon nu zelf te vinden dat er voor hem redenen konden zijn om Ruardi te haten. Lidewyde zwak voor Ruardi? Het was niet mogelijk, dat eene zoo schoone, zoo schrandere, en bovenal zoo door en door goede vrouw in die mate met blindheid geslagen zou zijn.

—"Arme Lidewyde," dacht hij bij zichzelven, terwijl een droefgeestige trek zich om zijnen mond plooide, "hoe miskent men u!" Overluid voegde hij er bij: "Gij weet niet half, Emma, hoe uwe woorden mij door de ziel snijden."

Die toon en dat waas van weemoed over zijn gelaat misleidden Emma. Zij begon berouw te gevoelen over hare heftigheid van daareven. Met welk regt, vroeg zij zich af, had zij den teugel gevierd aan haren hartstogt? Was drift het middel om André tot inkeer te brengen? En indien hij onschuldig was, wat moest hij van haar denken? Welke bewijzen kon zij aanvoeren tot staving van Ruardi's wangedrag en Lidewyde's ligtzinnigheid? Waaruit bleek het, dat de scherpzinnigheid van hare zegslieden gelijken tred hield met hunne goede trouw? Bovendien, al was Lidewyde de koketterie in persoon en Ruardi een onverbeterlijke slechtaard, was André daarom minder André? Had zij hem niet lief met hare geheele ziel? En indien eenig gevaar hem dreigde, was zij niet de aangewezen persoon om hem daartegen te beschermen?

Er volgde eene verzoening, zoo vleijend voor André's eigenliefde als hij slechts wenschen kon. Emma knielde naast hem neder, greep zijne handen, en kuste die.

—"Vergeef het mij," zeide zij, "dat ik mij daareven zoo dwaas heb aangesteld. Ik heb u bedroefd, maar het was uit liefde. Wat gaat mij Lidewyde aan? Wat kan mijnheer Ruardi mij schelen? Aan uw hart heb ik genoeg."

André verkeerde in een ligt vermurwbare stemming, en om te toonen dat hij op het punt van edelmoedigheid voor niemand behoefde onder te doen, zeide hij, haar op het voorhoofd kussend en hare blonde lokken streelend:

—"Ik geloof, Emma, dat uw oordeel over Ruardi inderdaad juister is dan het mijne. Hij is minder slecht dat gij denkt, veel minder; en toch gevoel ik dat zijne conversatie mij niet lijkt. Zelfs erken ik, dat in zijne gesprekken onder vier oogen iets onvoegzaams is. Men kan een jong weduwnaar, die zulke gevoelens koestert, niet ten volle vertrouwen, en daarom, ik beloof het u,—ik zal zijnen omgang mijden en hem van nu af op een afstand houden."

Voor Emma's gemoedsrust zou het meer waard geweest zijn, indien André eene soortgelijke gelofte omtrent Lidewyde had gedaan, en vooral, indien hij dien eed nagekomen was. Doch zij was te gelukkig om deze leemte in zijne toezeggingen thans op te merken, of de portée daarvan te beseffen. En ookzijngeluk was, menschelijkerwijze gesproken, op dit oogenblik volkomen. De gedachte aan Lidewyde sluimerde zachtkens op den achtergrond van zijn gemoed; terwijl niets hem verhinderde, nu Emma die herinnering met vrede liet, te genieten van Emma's tegenwoordigheid. Niet-alleen haatte hij Emma niet en zou hij om niets ter wereld zijne verbindtenis met haar hebben willen verbreken, maar hij gevoelde, dat hij haar hartelijk liefhad; vooral nu hij als van ouds den arm geslagen hield om haar lief figuurtje, en zij haar geestig kopje weder rusten liet aan zijne borst. Met het meeste welgevallen dacht hij op nieuw aan de toekomst; aan het stil en minzaam leven, dat hij aan Emma's zijde slijten zou; aan de onveranderlijke getrouwheid, waarmede zij aan hem gehecht zou blijven; aan dien kleinen hemel op aarde, waarvan hij zoo vaak had gedroomd. Beter maakten die gedachten hem op dit oogenblik niet, maar wel aandoenlijker; en aangedaan-zijn is in den regel eene streelender gewaarwording dan beter-worden.

—"En wat," vroeg hij op innemenden toon, toen zij als tortelduiven eene poos kussend gekeuveld hadden,—"wat zal nu, lieve, het onderpand van onze verzoening zijn?"

Als bragt die vraag een plan tot rijpheid, dat reeds geruimen tijd door haar gekoesterd was, rees zij op en greep het blad papier, bestemd geweest om een brief aan hare moeder te worden. Een kenner van autografen zou het niet ontgaan zijn, dat het schrift van dien brief teekenen van toorn vertoonde; en aan het gevloeide van sommige woorden zou hij bespeurd hebben, dat de droefheid, onder het schrijven, hier en ginds de overhand bekomen had op de verontwaardiging. Doch André was in die wetenschap niet te huis, en toen Emma het blad lagchend omhoog hief en er mede wuifde, zag hij alleen dat van de vier zijden reeds drie beschreven waren.

—"Plaaggeest!" riep zij, op vrolijken toon; "moet gij dan in alles uw zin hebben? Zie hier!"

Zij scheurde den brief in honderd stukjes en strooide hem de snippers in het haar.

—"Nu poeijert gij mij voor den tijd," schertste hij, zich den papieren regen van het hoofd schuddend. "Doch zoo goedkoop komt gij er niet af. Uw horloge zal ik u laten houden, want gij moet kunnen zien, wanneer het oogenblik daar is om mij te verdrijven, maar indien gij mij niet uw mooisten bracelet, uwe mooiste broche, uw mooiste oorbellen tot onderpand geeft, zal ik niet gelooven dat gij het eerlijk meent."—"Ik zie wel, mijnheer," antwoordde zij, te gelijk lagchend en blozend van geluk, "dat het oogenblik om u te verdrijven sedert lang gekomen is. Gij wordt lastig. Doch indien gij een onderpand begeert," ging zij voort, eensklaps ernstig wordend en terwijl de tranen haar in de oogen sprongen, "neem dit!" Zij plagt om den hals een fijn zwart koord te dragen, waaraan een medaljon bevestigd was. Het kleine ronde glas met den gouden rand bevatte niets anders als aan de eene zijde een gitzwarten haarlok, eene herinnering aan haar broeder Reinier, de vroeggestorven bloem van haar geslacht, en aan de andere zijde een grijzen lok van haren vader, gestrengeld door een blonden van hare moeder.

—"Het is," zeide zij, koord en medaljon André in de hand en op zijne hand een kus drukkend, "het is mijne reinste en heiligste gedachtenis."

Met een verruimd hart trad André een uur daarna de hem welbekende tuinkamer binnen, waar Lidewyde en haar echtgenoot, wanneer zij geene gasten hadden, of alleen zulke die zij tevens als halve huisgenooten beschouwen mogten, plagten te ontbijten. Hij vond de tafel gedekt, en den knecht, Isidoor, bezig met het rangschikken van zilver en kristal. Volgens de pendule was het bij éénen.

—"Is mijnheer Dijk nog in de stad?" vroeg hij den knecht, meer om iets te zeggen, dan uit wezenlijke belangstelling.

—"Ik vermoed van ja, mijnheer," antwoordde Isidoor. "Mevrouw is uitgereden, maar mijnheer wordt gewacht."

—"Komt mevrouw niet ontbijten, denkt gij?"

—"Ik geloof het niet, mijnheer. Den tweeden donderdag van elke maand is het vergadering van het Fundatiehuis, waar mevrouw regentes van is. Het Fundatiehuis is zoo veel als een weeshuis, mijnheer. Knappe burgerkinderen worden er opgeleid voor dienstmeisje. Ik heb er een zuster."

—"Jawel," zeide André, die zich herinnerde Lidewyde over die inrigting te hebben hooren spreken.

—"Een weeshuis is het eigenlijk niet, mijnheer, want mijn vader en moeder leven nog. Ook dragen de meisjes elk haar eigen kleeren en behoeven niet twee aan twee achter elkander over straat te gaan. Iederen ochtend komt de oudste dominé een hoofdstuk uit den Bijbel lezen. Dat is in het testament bepaald."

—"En wanneer de meisjes ziek zijn, worden zij in het huis verpleegd, niet waar?"

—"Om u te dienen, mijnheer. Mijnheer Ruardi is er vaste dokter."

—"Nu, daar zullen zij niet kwalijk bij varen. Zulke knappe dokters zijn er niet veel."

Isidoor had zijne zuster wel eens hooren verhalen, dat de kennismaking met mijnheer Ruardi sommige meisjes van het Fundatiehuis naderhand juist niet ten zegen geweest was. Hij vond het evenwel niet noodig, dit mede te deelen aan den logeergast, die een vriend van den dokter scheen te zijn. Bovendien werd er aan de voordeur gescheld, en zijne funktien als dorpelwachter gedoogden niet, dat hij thans nieuwe vragen uitlokte of beantwoordde.

Thuisgekomen van zijn bezoek bij Emma, had André zich een oogenblik naar zijne kamer begeven en eenig toilet gemaakt. Nu Isidoor hem alleen liet, en hij niets anders te doen had als het vertrek op en neder te wandelen, wierp hij beurtelings een blik in verschillende spiegels. Het zou valsche nederigheid geweest zijn, indien hij met het resultaat van zijne waarnemingen in het geheel geen vrede had gehad. Met betrekkelijk welgevallen bezigtigde hij zijn zwart fluweelen vest, dat goed kleurde bij zijn blonde haren en zijn blonden knevel en een aangenaam geheel vormde met zijn grijzen pantalon en zijn gekleed jasje van donkerbruin laken. Hij betastte met de eene hand zijn horlogeketting, met de andere de bloedkoralen knoopjes in zijn keurig overhemd. Daaronder sluimerde thans het hem door Emma geschonken medaljon, dat hij met hetzelfde koord, waaraan zij het om haren hals plagt te dragen, om den zijnen bevestigd had. Wanneer hij eene kleine voorwaartsche beweging met het bovenlijf en daardoor tevens in den spiegel eene ligte buiging voor zichzelven maakte, kon hij het medaljon voelen heen en weder schuiven langs zijne borst. Toen hij voetstappen hoorde in den gang en de stem van zijnen gastheer meende te herkennen, trad hij ijlings naar het venster, ten einde Dijk bij het binnentreden in den waan verkeeren zou, dat hij zich den tijd had gekort met Lidewyde's bloemenmand te bewonderen.

Adriaan was inhigh spirits. Hij had dien ochtend te gelijk met een brief van Lefebvre, het berigt inhoudend dat zijne verkiezing zoo goed als verzekerd was, een verblijdend handelstelegram uit het buitenland ontvangen. Met ongemeene graagte,—want hij behoorde niet tot degenen wier eetlust door aangename tijdingen bedorven wordt,—drong hij André, zich aan tafel te zetten. Lidewyde zou niet verschijnen, zeide hij, en hij verontschuldigde hare afwezigheid met dezelfde redenen die reeds door Isidoor aangevoerd waren. Ofschoon André kort te voren door geheel andere aandoeningen bestormd was geworden als zijn bloedverwant, had zijn appetijt daaronder weinig minder geleden dan die van Adriaan. Vooral de moezelwijn, waarmede zijn gastheer hem aanmoedigde brood en vleesch te besproeijen, smaakte hem kostelijk.

—"Het spijt mij geducht," zeide Dijk, "dat ik u van middag alweder geen gezelschap zal kunnen houden. Doch het rijtuig is tot uwe dispositie, gelijk gij weet. Zoo gij met uw meisje een toertje wilt gaan maken, bekommer u dan noch om Lidewyde, noch om mij."

—"Zeer verpligt," antwoordde André, "maar Emma heeft van daag wat hoofdpijn, en ik denk van mijne verlatenheid gebruik te maken om brieven te schrijven."

—"Zoo als gij wilt. Vrijheid blijheid. Mag ik u nog een glas wijn verzoeken? Dank u. Geurige Pisporter, vindt gij niet?"

André vond den Pisporter geuriger dan ooit; en toen Dijk hem verlaten had om naar zijn kantoor terug te keeren en van daar naar de beurs te gaan, bleef hij nog eene poos aan tafel zitten en ledigde hij langzaam zijn derde of vierde glas. Onder den opwekkenden invloed van den wijn rekapituleerde hij nog eens zijn jongste gesprek met Emma en trachtte hij zich rekenschap te geven van hetgeen hij thans gevoelde. De slotsom was bevredigend. Het nakomen der gelofte, die hij bij zichzelven had afgelegd, werd hem door Lidewyde's ongezochte afwezigheid, en dat was een gunstig voorteeken, reeds aanstonds gemakkelijk gemaakt. Wilden die voorspoedige gelegenheden zich slechts vermenigvuldigen,—hij, voor zich, zou zich beijveren ze aan te grijpen. Niets zou hem aangenamer zijn dan den tegenwoordigen stand van zaken te doen voortduren. Hij beminde Emma, dat was een feit, en zij kon er op rekenen dat hij haar getrouw zou blijven. Doch zij moest niet jaloersch worden, en wanneer hij beleefd was voor andere vrouwen, behoorde zij hem daarin zijnen gang te laten gaan. Ten opzigte van Lidewyde kon zij dit gemakkelijker doen, omdat hij Lidewyde wel zeer schoon—en hoe zou hij het noemen?—zeer appetissant vond, maar geenszins van haar gecharmeerd was. Lidewyde was en bleef eene getrouwde vrouw; eene vrouw, nu ja, waarmede hij, André, uit tijdverdrijf een weinig koketteren mogt, en zij met hem, maar die nimmer een ernstige hinderpaal kon worden voor zijne vereeniging met Emma. Hij gevoelde alleen behoefte aan Lidewyde's onderscheiding. Zij moest hem niet kunnen verwijten dat hij opging in een meisje als het zijne; moest bespeuren dat hij kon liefhebben, voorzeker, doch tevens dat hij een man was en niet een opgeschoten knaap.

—"Maar komaan," viel hij zichzelven in de rede, "Isidoor moet afnemen, en het wordt tijd dat ik naar mijne kamer ga."

Op het portaal, boven aan den trap, ontmoette hij Sarah, die met eene zwijgende buiging eenigzins ter zijde trad om plaats voor hem te maken. Nog nooit tot hiertoe had hij zich naar zijne kamer kunnen begeven zonder op de eene of andere wijze er aan herinnerd te worden, dat Lidewyde eene vrouwelijke Cerberus nahield, die den toegang tot hare appartementen versperde. Ook thans werd hem dit te binnen gebragt, doch niet onder denzelfden onaangenamen vorm. Sarah toch was gekleed om uit te gaan. Zij, die hij tot hiertoe steeds had aangemerkt als een huiszittend wezen, hetwelk zich hoogstens, en dan nog wegens dienstzaken, eene wandeling in den tuin veroorloofde, droeg heden, even als andere vrouwen, een hoed en eene mantille. Zelfs zou hij hebben durven zweren dat zij eene crinoline aan had. Nietige omstandigheden, indien men wil, doch waaruit het geoorloofd was op te maken, dat Lidewyde in de eerste twee of drie uren niet terug verwacht werd. Dijk van huis, Lidewyde van huis, Sarah van huis: gunstiger gelegenheid tot het beproeven van een onderzoek, hetwelk hij reeds meer dan eens zou hebben willen instellen, kon zich bezwaarlijk aanbieden.

Hij trad zijne kamer binnen, doch liet de deur achter zich open staan. Niemand zou hem thans komen storen, en zonder onbescheidenheid kon hij, voor hij aan zijne brieven begon, een paar malen het portaal en den gang op en neder wandelen. Hij behoefde Lidewyde's vertrekken immers niet binnen te treden, al verwijlde hij eene poos voor de deur die tot het eerste daarvan toegang verleende? Toen hij evenwel ten derde male tegenover de door geene engelen met vlammende zwaarden bewaakte poort van het verboden Eden stilhield, stond Lidewyde's beeld hem zoo levendig voor den geest en was hij zoozeer met de gedachte aan haar vervuld, dat het niet onnatuurlijk scheen eene schrede verder te gaan en de hand aan den kruk te brengen. Indien het bestaan-zelf van sommige wezens, door de kracht der sympathie, zich aan ons schijnt mede te deelen, zoodat het is alsof hun leven een deel uitmaakt van het onze, waarom zou het dan ongeoorloofd zijn, zich in de aanschouwing der onbezielde voorwerpen te vermeiden, die hen of haar dagelijks omringen? Vermoedelijk beleed Emma daaromtrent gevoelens, die van de zijne afweken; doch dit was geen beslissend argument. De vrucht toch van zijne kennismaking met Lidewyde was juist, dat de grenzen van Emma's superioriteit hem openbaar geworden waren. Hij moest bekennen dat Emma met al hare beminnelijke eigenschappen niet vrij was van zekere bekrompenheid in het oordeelen,—dezelfde formule waarvan Lidewyde zich ten aanzien van freule Bertha bediend had,—welke bezwaarlijk geacht kon worden tot het ideaal eener vrouw te behooren. Ware zij hem op dit oogenblik plotseling verschenen en had zij geraden wat hij ging doen,—zij ried veel, meer dan hem lief was, meer zelfs dan hij somwijlen overeen kon brengen met eene volkomen vrouwelijke onschuld,—dan zou hij om harentwil, en omdat hij in spijt van hare gebreken innig veel van haar hield, zijn voornemen hebben laten varen; niet omdat hij toestemde dat zijne nieuwsgierigheid misdadig of ook maar berispelijk was, maar omdat hij het wreed zou hebben gevonden, in Emma's tegenwoordigheid iets door te drijven, wat haar onaangenaam bleek te zijn.

De eerste indruk, dien hij van Lidewyde's kamer ontving,—want hij had André Kortenaer niet moeten zijn om thans buiten te blijven staan—was verward. Om de brandende stralen der namiddagzon te weren, had Sarah, voor zij heenging, al de jalousien gesloten, en het oog moest aan de halve duisternis een weinig wennen. Weldra echter bemerkte André, dat het vertrek, waarin hij zich bevond, slechts de inleiding was tot twee of drie andere vertrekken, die te zamen den zuidelijken bovenvleugel van Soekabrenti uitmaakten, en waarvan eerst het verst verwijderde, dat met de vorige een regten hoek vormde, het eigenlijk doel van zijne ontdekkingsreis heeten mogt. Geene lastige deuren verhinderden hem zich daarvan aanstonds te vergewissen. Hij liep door, van den eenen lusthof in den anderen, zoo ver de afstand reikte, en keerde toen op zijne schreden terug. Voldaan was hij niet; maar het schemerlicht, en de door niets afgebroken stilte om hem henen, hadden hem daareven min of meer schichtig gemaakt, en hij wilde thans alles nog eens rustig opnemen.

Eerst een kleine bazar, zou men gezegd hebben, bijeengebragt uit verre landen: donkerbruine meubelen met japansch-verlakte paneelen, goud op zwart; étagères, overladen met chineesch porselein; boeken en plaatwerken uitgespreid op eene met gekleurd paarlemoer ingelegde tafel; behangsels en overgordijnen van ligtgele zijde, tusschen wier plooijen men geborduurde kakkatoes met hunne kuiven zag pronken en de bevallig gebogen staarten van paradijsvogels zag afhangen. Dit was de kamer, die gemeenschap had met den gang. De daarop volgende geleek het boudoir eener fransche hofdame uit den tijd van Lodewijk den XVde: een ameublement van zeegroen damast; vergulde lustres, een geheel vormend met ovale spiegels; werktafels van kruiselings ingelegd rozenhout met in vergulde schoentjes gevatte pooten; boven eene kanapee het zachtgekleurd portret eener bruid uit de school van Greuze; eene vergulde kroon, die voor een ruiker van waterlelien zou hebben kunnen doorgaan; snuisterijen om te stelen; eene pendule van saksisch porselein, op wier top men een kleinen herder met keurig geschoren baard, eene korenbloem in den hoed van een herderinnetje steken zag. Het derde vertrek scheen een zachten overgang naar Lidewyde's slaapkamer te vormen. De wanden vertoonden een rozerooden achtergrond, met geplooid neteldoek bespannen, waartusschen de spiegels zich half verscholen. Van de zittingen der witte sofas en der witte fauteuils hingen breede geborduurde strooken af tot op den grond. Op de van zilverachtig hout vervaardigde tafel stond eene albasten bloemvaas vol theerozen, wier frissche, fijne geur het geheele vertrek doorstroomde. Het tapijt was van eene heldergrijze kleur, even als de tafel, en bezaaid met bouquetten van bleeke pionies.

Er ging van die rustbanken, waarop Lidewyde plagt neder te zitten; die spiegels, waarin zij bij het uitgaan telkens een laatsten blik wierp; dat speelgoed, hetwelk hare hand nog daareven scheen te hebben aangeraakt, om het te verschikken of van stof te reinigen; die tapijten, waarlangs den eigen ochtend de zoom van haar kleed geruischt had, en waarop haar kleine voet van afstand tot afstand een indruk zou hebben achtergelaten, indien gestalten, zoo harmonisch als de hare, niet veeleer schenen te zweven dan te gaan,—van dit alles ging voor André eene biologiserende kracht uit, die, zonder hem te verbijsteren of op te winden, hem nogtans aan zichzelven ontvoerde. En de bedwelming verminderde niet, toen hij, aan het einde van het derde vertrek gekomen en zich half omwendend, Lidewyde's kleed- en slaapkamer voor zich zag. In de andere vertrekken was de schaduw warm; en men gevoelde dat hetclairobscur, waarin zij gehuld waren, alleen dienen moest om de hitte niet ondragelijk te maken. Hier daarentegen, waar het niet noodig was geweest de zuiderzonnestralen te weren, hier was licht en koelte, en de ademtogt van den oostenwind speelde, door het halfgeopend venster, met de kanten strooken der ontplooide overgordijnen. Lidewyde's liefde voor stille kleuren had zich ook in dit vertrek niet verloochend. De vergeet-mij-niet had haar teederst blaauw aan de draperien geleend, die afhingen langs de vensters en de alkoof omhuifden, waarin het ledikant der schoone slaapster geplaatst was. En weder scheen het geheele ameublement, en schenen alle sieraden, met die festoenen uit één stuk gegoten te zijn. Zonder door eenige ongelijkheid gestoord te worden, gleed het oog van de paneelen der garderobe naar den hemel van het ledikant en van de waschtafel naar den kapspiegel.

Naast den ingang, aan de linkerzijde, half verscholen achter de breede plooijen der portière, stond eene hooge en breede porseleinen kolomkagchel, thans ongebruikt, maar te zwaar om des zomers te worden weggenomen; en daarvoor eene kleine sofa, dus geplaatst, dat men met een boek in de hand zich daarop rustig uitstrekken en het licht der vensters, aan de andere zijde van het vertrek, naar welgevallen kon laten spelen over de bladzijden. André zette zich neder, liet zich half achterover zinken, kruiste de armen over de borst, en staarde voor zich uit. Want hetgeen hem in die kleine sofa het meest bekoorde, was dat zijn blik van dit plekje door kon dringen tot in het diepst der alcoof tegenover hem.

Zou hij met Emma's geheimen hebben durven handelen, gelijk hij thans met die van Lidewyde deed? Had hij zich die vraag gesteld,—doch hij liet haar rusten,—dan zou hij niet verlegen zijn geweest om een antwoord. Nu ja, erwaseene soort van eerbied, die Emma hem inboezemde en Lidewyde niet; dit bewees evenwel alleen, vond hij, dat Emma voor hem eene aantrekkingskracht miste, die juist, om zoo te zeggen, Lidewyde's specialiteit was. Hij verwachtte niets van Lidewyde; zag niet in, hoe zij ooit iets voor hem zou kunnen worden; eischte van haar geene wederliefde, en zou desnoods hebben volgehouden dat zijne stille genegenheid voor haar met minder zelfzucht vermengd was dan het gevoel hetwelk hem aan Emma Verbond. Van Emma's zijde toch rekende hij voor zichzelven op eene vermeerdering van levensgeluk; de zorg, die hij eenmaal voor haar dragen zou, moest Emma hem vergoeden; zij moest hem levenslang troosten van zijnen arbeid; moest de lichtstraal zijn en blijven van zijne maatschappelijke positie; en indien zij te eeniger tijd te kort schoot in het volbrengen van die taak, zou hij het regt hebben, meende hij, haar dat te verwijten. Lidewyde daarentegen had hem niets beloofd en zich tot niets verbonden; elk blijk van genegenheid, dat hij van haar ontving, was eene gift van hare vrije goedheid; hij kon haar slechts danken voor hetgeen zij hem schonk. Dat Lidewyde niet zwak voor hem kon zijn, zonder verraad te plegen aan haren man,—was eene gedachte, waarbij hij ongaarne verwijlde. Het denkbeeld dat hij hare gunsten, indien zij hem die verleende, zou moeten deelen met Ruardi, had hij zich voor goed uit het hoofd gezet. Van eenig gevaar voor haar goeden naam, indien zij hem met te veel welwillendheid bejegende, kon geene kwestie zijn, en nog veel minder van eenige afhankelijkheid, waarin zij geraken zou, indien zij zich aan hem, André, overgaf. Wie sprak daarenboven van zich over te geven? Wie vergde van haar, dat zij iets voor hem doen zou? Dit was onzin. Hij vroeg niets en rekende op niets: daarom klopte zijn hart dan ook nu volkomen rustig en werd hij door geene inwendige stem van iets ergers dan vrijpostigheid beschuldigd.

Zijne kalmte zou intusschen weldra ter toets gebragt worden. Reeds twee- of driemalen was van den straatweg het geluid van een naderend rijtuig tot hem doorgedrongen, zonder dat hij zich daarom bekommerd had. Hij was vast overtuigd dat Lidewyde eerst tegen het etensuur terugkeeren zou, en de uitkomst had zijn zelfvertrouwen tot hiertoe niet beschaamd. Tot driemalen toe was het naderend rijtuig Soekabrenti voorbijgereden, en had hij het dreunend geraas der wielen in de verte hooren wegsterven gelijk het opgedoemd was. Doch toen weder een rijtuig aankwam, gebeurde het tegenovergestelde. In plaats van zijnen geplaveiden weg te vervolgen, sloeg het de laan in, die op de plaats aanliep, en met meer verwondering dan ontsteltenis hoorde André het hem welbekend geluid der kiezelsteenen, opspringend om de hoeven der paarden en krakend onder het ijzer der wielen. Ook toen het rijtuig stilhield voor de deur maakte hij zich niet ongerust. HetkonLidewyde niet zijn; en in die meening werd hij versterkt, toen hij het rijtuig zich onmiddellijk weder hoorde verwijderen. Het zou een bezoek geweest zijn, meende hij; en in zijne verbeelding had hij Isidoor den stoep af naar het portier zien snellen, en hem uit de geglaceerde hand van deze of gene van Lidewyde's vriendinnen, op het hooren dat de vrouw des huizes afwezig was, een visite-kaartje zien aannemen. Doch hij vergiste zich, en even onverstoorbaar als daareven zijne gerustheid geweest was, even radeloos werd eensklaps zijne verlegenheid, toen hij een ruischend kleed hoorde naderen en de stem van Lidewyde-zelve vernam, die in het voorvertrek tot den huisknecht zeide: "Ik ben voor niemand te huis; wanneer Sarah terugkomt, zeg haar dat ik haar niet noodig heb." Op te springen van de sofa en zich achter de witte kagchel met de koperen banden te verbergen was voor André eene daad van werktuigelijke vertwijfeling, meer dan van overleg.

Wist Lidewyde dat hij zich in hare vertrekken bevond? Zij gedroeg zich gelijk eene vrouw van haren rang zich alleen gedragen kon in de overtuiging, dat geen man haar bespiedde. Als naar gewoonte was de regentessen-bijeenkomst van het Fundatiehuis haar zeer lang gevallen, en toen eene der oudere dames verlof had gevraagd zich voor het sluiten der vergadering te mogen verwijderen, had zij eene ligte ongesteldheid voelen opkomen en van het aanbod der matrone, om eene plaats aantenemen in haar rijtuig en zich naar buiten te laten brengen, met erkentelijkheid gebruik gemaakt. Uit de weinige woorden, door Lidewyde met Isidoor gewisseld, bleek dat zij kennis droeg van Sarah's afwezigheid. Ontging het haar, of ontgaf zij het zich, dat de deur, die toegang verleende tot hare vertrekken, niet gesloten was? Zoo ja, dan moest men de zorgvuldigheid prijzen, waarmede zij dat verzuim herstelde. Zoodra toch had zij Isidoor niet belast met de voor Sarah bestemde boodschap, of zij drukte het zegel op den daarin besloten wensch naar rust en afzondering door de hand aan een dier kleine grendels te brengen, welke in de verte sieraden schijnen, doch van nabij bezien het nuttige aan het bevallige paren. En die beweging was de eenige niet waaruit bleek dat zij alleen wenschte te zijn. Toen zij in het eerste vertrek een boek gekozen had uit de velen die uitgespreid lagen op de tafel, in het tweede een blik had geworpen op de kunstige pendule met den bevalligen jongen herder van porselein, in het derde zich voorover had gebogen naar de welriekende theerozen in de albasten vaas, was haar eerste werk, bij het binnentreden van haar slaapvertrek, de fraaibewerkte schuifdeuren, wier mechaniek door de portière aan weerszijde onzigtbaar werd gemaakt, tot elkander te brengen en op zoodanige wijze te bevestigen, dat een onbescheidene geweld zou hebben moeten plegen om dien beweegbaren scheidsmuur zich weder te doen ontsluiten. Zij legde het medegebragte boek neder op hare kaptafel en ontdeed zich van haar hoed en mantille. Al woog dat hoedje geen nederlandsch lood, haar kapsel had daaronder een weinig geleden, en zij wilde in de eerste plaats die wanorde herstellen. Zij trok hare handschoenen uit en bragt, met een bevallige beweging van beide armen, het kapsel weder in zijne natuurlijke plooi. Een beeldhouwer zou jaloersch geworden zijn, indien hij hare vingers zich tusschen de gecrêpeerde lokken had zien bewegen. Toen die arbeid voltooid was, ging zij eenige keeren de kamer op en neder, met de oogen naar den grond geslagen en de eene hand aan hare wang brengend, als iemand die òf geheel en al met dezelfde gedachte vervuld is, òf eene ligte vermaning van aangezigtspijn ondervindt. Gevoelde zij werkelijk pijn en overwoog zij in die stemming de belangen van het Fundatiehuis? Dit scheen zeker, dat het gaan haar weldra verdroot, evenzeer als de warmte haar hinderde. Zij trad naar de alkoof, en nam uit de daarin voorhanden garderobe een lang kleed van eene fijne witte stof, gemaakt om als een peignoir gedragen en met eene cordelière om het middel bevestigd te worden. Nevens het ledikant stonden twee kleine muilen van wit satijn; kleiner dan de strik waarmede zij aan de bovenzijde versierd waren en die den smallen voorschoen bijna onzigtbaar maakte. Zij bukte met een zucht naar de muiltjes, en nam ze op. Den peignoir hing zij over de leuning van den fauteuil, die voor haar kapspiegel stond, liet de muiltjes langs haar kleed op den grond glijden, zoodat zij den voet slechts behoefde uit te steken om ze te kunnen aanschieten, en ging toen de openstaande vensters sluiten. Hoewel die vensters uitzagen in den tuin, en men in de populieren aan de overzijde had moeten klimmen om uit de verte een blik in hare kamer te hebben kunnen werpen, onthaakte zij nogtans de gazen gordijnen en sloeg ze over elkander, zoodat zelfs het doordringendst oog niet in staat zou zijn geweest, door de ranken en bloemen van zoo veel borduursel heen, waar te nemen hetgeen daarbinnen voorviel. Bovendien zou men een bedorven schepsel hebben moeten zijn om aanstoot te nemen aan hetgeen zij ging verrigten. Er viel toch binnen de muren van dit vertrek niets anders voor als dat eene jonge schoone vrouw, op een drukkende namiddag in de maand September, wanneer de warmte soms lastiger is dan in het midden van den zomer, zich in de eenzaamheid ontkleedde, haar knellend schoeisel verwijderde, en in een ruim kleed gehuld zich met een boek in de hand uitstrekte op haar sofa.

André had niets gezien; maar hetgeen hij vermoed en gehoord had vervulde hem tegelijk met blijdschap en met ontzetting. Hoe reddeloos verloren zou hij zijn, indien Lidewyde, onkundig en onbewust van zijne tegenwoordigheid, hem ontdekte! Hoe onuitsprekelijk belagchelijk zou hij zich in hare oogen gemaakt hebben, indien zij, hem gewaar wordend, opstond en hem de deur wees! Geëconduiseerd te worden als een luistervink en bespieder, welk een lot! Toch zou zelfs die harde en vernederende uitkomst, meende hij, indien zij zijn deel moest zijn, hem in sommige opzigten eeuwig benijdenswaardig blijven schijnen. Want al kon hij zich niet beroemen, meer geweest te zijn dan een blind getuige, hij had zich in Lidewyde's innigste nabijheid voelen verkeeren; had genoten van den waan, dat al de schatten harer schoonheid hem toebehoorden; had den droom geliefkoosd dat hij het was, om wiens wil zij de eenzaamheid zocht, en al de ceremonien der wereld uitschudde, en zich met geene andere sieraden tooide als waarmede God haar begiftigd had. Die ideale uitlegging had voor hem aan al hare bewegingen eene hoogere beteekenis gegeven. Toen zij hare armbanden had nedergelegd op het marmeren blad van haar toilettafel; toen zij haren gordel ontgespt had; toen zij haar gewaad had laten afglijden op het tapijt,—had elk dier ritselende geluiden hem als muziek in de ooren geklonken en had zijne verbeelding daaraan voorstellingen verbonden die hem in verrukking bragten. Dit zou hij nimmermeer vergeten; en het scheen hem toe dat die ééne herinnering genoeg zou zijn om hem daarna voor altijd te verzoenen, ook met de grievendste bejegening. Doch wat pijnigde hij zich zelven met allerlei vreezen? Zeker zou hij het onedel gevonden hebben, misbruik te maken van een voordeel, hem door het lot in den schoot geworpen. Lidewyde te kwellen, te vervolgen, te beleedigen,—daartoe was hij niet in staat. Indien zich haar regtmatigen toorn op den hals te halen in zijne oogen de zwaarste straf was, hoe zou hij het denkbeeld hebben kunnen verdragen, haar afschuw voor hem in te boezemen? Doch met dat al was het een feit, dat zij zich op dit oogenblik in zijne magt bevond. Hij had haar geen strik gespannen, haar niet belaagd, had niets gedaan om den toestand in het leven te roepen, waarin hij zich thans tegenover haar geplaatst zag. Was hare kamenier door hem omgekocht? Was hij het geweest die Lidewyde hier bescheiden had? Had hij niet veeleer te goeder trouw in de meening verkeerd dat zij den geheelen namiddag afwezig blijven zou, en waren niet allerlei kleine bijomstandigheden, met Sarah's uitgang aan de spits, hem in dat geloof komen versterken? Des te meer vrijheid zou hij desverkiezend thans gehad hebben, om uit zijnen schuilhoek te voorschijn te treden, zich aan Lidewyde's voeten te werpen, haar tegelijk zijne misdaad en zijne liefde te bekennen, en van hare ontroering partij te trekken om haar den hoogsten prijs te doen betalen voor zijne toekomende bescheidenheid. Doch hij verwierp die keus. Lidewyde, dacht hij, mogt niet boeten voor een trek, dien de kans haar gespeeld had. Argeloos was zij herwaarts gekomen; argeloos had zij zich opgesloten; argeloos rustte zij in zijne nabijheid. Het zou eene laagheid geweest zijn, die rust op eenigerlei wijze te verstoren.

Op eene proef van vele uren zou dat heldhaftig besluit misschien bezweken zijn. Doch eene zoo moeijelijke taak werd niet van hem gevergd. Den tijd, dien hij had doorgebragt met te luisteren naar het kloppen van zijn hart (want nu klopte het) en met na te denken over de licht- en schaduwzijden van zijnen toestand, had Lidewyde zich ten nutte gemaakt om zachtkens in te sluimeren; en getuige de regelmatigheid van hare ademhaling, was haar slaap weldra even diep als de onwetendheid waarin zij verkeerde omtrent André's liefde en André's nabijheid. Hij zegende nogmaals zijn gesternte. Niets verhinderde hem nu, zich over de leuning der sofa te buigen, en voor eene wijl aan zijne oogen het feest te gunnen van Lidewyde's aanschouwing. Langzaam en voorzigtig zou hij naar voren sluipen, en reeds had hij aan de lage zijde der rustbank de zoom van haar kleed meenen te onderscheiden, toen een zachte doffe slag hem met de snelheid van den telegraaf deed terugdeizen. Hij hield den adem in, en waande het oogenblik zijner ontdekking,—het smartelijk oogenblik waarop een schoone droom misschien voor altijd verstoord zou worden,—nabij. Doch het was niets geweest. Lidewyde's boek was haar ontgleden en op den grond gevallen, zonder dat de slag haar had doen ontwaken. Eene sekonde lang trilde haar ligchaam, gelijk slapende ligchamen in zulke omstandigheden plegen te doen; daarna verzonk zij weder in hare rust, nog dieper dan te voren; en naarmate zij vaster insluimerde, gevoelde André op nieuw zijnen moed ontwaken. Gedreven door de kracht van eenen hartstocht, die menigmaal de wijsheid beschaamd heeft van sterkeren dan hij, boog hij zich nogmaals voorover en zochten zijne oogen Lidewyde's gelaat. Ditmaal slaagde hij; en voor hij het zelf gelooven kon, stond hij overeind achter de sofa en zag hij neder op de rustende gestalte.

Hetgeen u het meest verwonderd zou hebben, indien gij hem op dat oogenblik gadegeslagen en in zijne ziel hadt kunnen lezen, zou geweest zijn, dat hij van geene andere gewaarwording zoozeer doordrongen was als van het geloof aan Lidewyde's onschuld. In hare kleeding was niets wat niet tot het schoonheidsgevoel, maar ook, volgens hem, niets wat tot de zinnen sprak. De wijde plooijen van haar lang en blank gewaad geleken de draperien van een standbeeld, en men moest van haren schouder af de lijn van hare heup volgen, tot waar de strik van het muiltje zigtbaar werd, om te bespeuren dat de rooskleurige tint van den kleinen blanken voet niet door menschenhanden geweven, maar door de natuur-zelve gemengd was. Zij lag met het aangezigt naar het getemperd licht gekeerd; haar blozende wang,—een blos door de sluimering verhoogd,—rustte op de zaamgevouwen handen, blank als sneeuw, en op die wang een lange zwarte wimper.

Waarom, helaas, bezit de voorspoed de eigenschap, hare gunstelingen overmoedig te maken? Toen hij Lidewyde eene poos in haren sluimer bespied had, wilde André ook weten, de onvoorzigtige, of zij werkelijk sluimerde; en hoewel gedruisch te maken het grootste gevaar was, waaraan hij zich blootstellen kon, de zucht naar zekerheid was magtiger dan hij. Op de toonen sloop hij van de achterzijde der sofa naar de voorzijde, waar haar gelaat en hare gestalte zich in al hunne schoonheid aan hem vertoonden: een mengsel van majesteit en bevalligheid. Die beweging kon hij echter niet maken zonder zich tusschen haar en het licht te plaatsen, en het was te vreezen dat het vallen zijner schaduw op hare oogleden en haar voorhoofd, haar zou doen ontwaken: doch zij verroerde zich niet. Hij bukte en raapte haar boek van den grond; een heldenstuk dat hij niet volbrengen kon zonder zich schier over haar heen te buigen: doch het bleek niet dat zij het geringste besef had van hetgeen voorviel om haar henen. Hij verwijderde zich van de sofa en deed ruggelings gaande eene schrede in de rigting der kaptafel; doch ofschoon op die eerste schrede eene tweede en eene derde volgden, haar slaap bleef even diep en hare houding dezelfde. In de nabijheid der kaptafel gekomen, strekte hij, zonder zich om te wenden, de hand uit en betastte, achter zich, de gouden sieraden, door Lidewyde daarop nedergelegd. Zoo voorzigtig kon hij dit alweder niet doen, of het aanvatten en loslaten dier voorwerpen was hoorbaar; hijzelf althans, toen zijne vingers aan het marmer raakten, onderscheidde duidelijk den klank van trillend goud. Doch Lidewyde's rust scheen onverstoorbaar. Begon hij argwaan te koesteren? Viel het hem in dat hij regt kon hebben, hare bewusteloosheid als een vrijgeleide te beschouwen? Toch niet. Ten einde toe volhardde hij in zijne eenmaal opgevatte meening; en toen hij, zich eindelijk omwendend, zoodat hij met het aangezigt voor den spiegel stond en Lidewyde's beeld zich op een afstand daarin weerkaatste,—toen hij haar eensklaps twee schitterende oogen naar hem zag opslaan in het glas en om hare lippen een glimlach zag spelen die niets verbood,—zelfs toen zou hij gezworen hebben (maar was het nu tijd voor zulke eeden?) dat elke berekening vreemd was geweest aan hare handelwijze, en alleen een gelukkig toeval haar in zijne armen en hem in de hare voerde.


Back to IndexNext