Tweede Hoofdstuk.

—"Verzoek mijnheer Stephenson hier te komen," zeide hij in het eind tot Jakob, een veel gewigtiger toon aannemend, dan hij gewoon was. "Doch wat drommel," voer hij voort, toen Jakob zich verwijderd had en hij aan zijne verwondering den vrijen loop laten kon, "wat drommel kan Stephenson mij te zeggen of van mij te halen hebben?"

Lezers die bij zichzelven zekere aanvechting mochten gevoelen om op dit pas met dokter Ruardi een loopje en dien priester van Aesculapius nietau sérieuxte nemen, worden verzocht geen al te groot vertrouwen te stellen in dien eersten indruk. Dokter Ruardi was namelijk in het minst geen belagchelijk persoon, en om het regt te hebben halfschertsend en met getemperde hoogachting over hem te spreken, zooals daareven herhaaldelijk gedaan is, moest men hem kennen gelijk de gelegenheid daartoe allen aangeboden wordt door een boek. In de schatting zijner medemenschen,—waarmede zij bedoeld worden met wie hij voor het oog der wereld dagelijks verkeerde,—gold hij naar hart en verstand voor hetgeen zijn voorkomen teekende; en dat voorkomen was gunstig. Zelfs kon het schijnen dat de natuur, toen zij hem in het aanzijn riep, het er op toegelegd had, in alles de gulden middelmaat in acht te nemen en in geen enkel opzigt de eischen der evenredigheid te schenden. Hij was niet lang van gestalte, niet mager of schraal, niet barsch van uitzigt; nogtans zou niemand op den inval gekomen zijn, hem kort of gezet te noemen, of te beweren dat in zijn ligchaamsbouw of zijne gelaatstrekken iets lag dat naar verwijfdheid zweemde. Even zoo ging hij, hoewel steeds onberispelijk gekleed, bij niemand door voor een modeplaatje; en al droeg hij in het knoopsgat het lint eener buitenlandsche orde (hij was lid geweest van een internationaal gezondheids-kongres en had te Konstantinopel, of elders, met kracht van redenen betoogd dat buikloop niet met zich spotten laat), geen sterveling hield hem voor ijdel. Zijne appartementen en zijn tweespan, zijn knecht en zijn koetsier, alles was voor het uitwendige in overeenstemming met zijne onmiskenbare wellevendheid en schranderheid. En schrander was hij in hooge mate. Misschien deugde hij niet voor de studeerkamer of voor het hooger-onderwijs; doch des te beter was hij op zijne plaats in den ruimen en populair-wetenschappelijken kring die zich in groote steden voor de werkzaamheid van den praktischen geneesheer opent. Daarbij bezat hij die zekere vaardigheid in het antwoorden, waardoor lachlust en onbescheidenheid op een eerbiedigen afstand plegen gehouden te worden, en ofschoon hij in den regel de goedhartigheid-zelve bleek, was meer dan één voorbeeld bekend van lieden die beproefd hadden hem in het ootje te nemen en er kwalijk afgekomen waren.

Inderdaad, door ligtvaardig te denken of te spreken over iemand met zulke gelukkige gaven en in de schatting der wereld zoo eervol aangeschreven, zou men zichzelven potsierlijk maken in plaats van hem, ware het niet... dat diezelfde wereld, indien zij tijd en gelegenheid had gehad om hem te doorgronden, hem uitgemaakt zou hebben voor een toonbeeld van immoraliteit.

Een man toch die aan de vrouwen verslaafd is; die een boekdeel zou kunnen vullen met de geschiedenis van zijne minnarijen; een Nederlander met de hebbelijkheden van een Sultan,—zulk een man noemt de wereld onzedelijk. En dokter Ruardi was zulk een man. 's Lands wijs gedoogde niet dat hij een harem nahield, doch het surrogaat daarvan was in zijne woning te vinden. Zijne stemmige voorkamers, waar elk meubelstuk en elk sieraad uitsluitend aan de behoeften en gewoonten van mannelijk comfort herinnerden, waren, met uitzondering welligt van een kabinet, slechts de voorhof van een allerheilige, welks bestaan, buiten hem, alleen aan zijnen adjudant Jacob en aan de dubbelzinnige vivandière bekend was. Door een breeden gang van die kamers gescheiden, bevond zich een drietal ineenloopende vertrekken, die geene westersche Odaliske, tenzij zij buitensporig vele noten op haren zang had, zich geschaamd zou hebben te bewonen. Aan het eene uiteinde van den gang, links, eene met kunstigstucbekleede badkamer, waarin een wit marmeren kuip met zinnebeeldige bas-reliefs; aan het andere uiteinde een boudoir en alkoof, zoo frisch als had de lente het getooid met hare seringen en jasmijnen; in het midden een groot vertrek, tevens eetkamer en salon, waar ebbenhouten meubelen voordeelig uitkwamen bij den gloed van amarantroode overgordijnen, en de vergulde lijsten van spiegels en schilderijen leven schonken aan een behangsel van gebruineerd trijpt. Drie hooge ramen tot aan den grond vormden een middel van gemeenschap tusschen dit vertrek en eene tamelijk uitgestrekte esplanade, met glas overdekt en ingerigt als wintertuin.

De schare van haar die honderd redenen voor ééne hadden om het bestaan van dit palladium aan niemand te verklappen, was zamengesteld uit (laat ons zeggen) drie verschillende elementen. Voor een gedeelte, doch slechts een gering, waren het jonge vrouwen uit den hoogeren en den hoogsten stand; mishuwden, die hier eene schadeloosstelling of een vergeetboek zochten, en waanden te vinden, voor de geheime ellende van hare eigen binnenkamers. Talrijker, opgeruimder in den aanvang, meer geneigd tot blijven, waren zij die hier somwijlen in alle stilte als vrouwen van den huize fungeerden: binnen- en buitenlandsche schoonheden, wier klimopleven bestond in van den eenen op den anderen Bassa te teren; trekvogels, die niets liever zouden gezien hebben dan dat de dokter om harentwil zijne reputatie er aan gegeven had; internationale Aspasia's, wie het kluizenaarsleven, hoe weelderig ook, toch in den regel hier ten laatste te bang werd. Talrijkst van al waren de min of meer ouderlooze burgermeisjes vertegenwoordigd; zusters van schreeuwende broertjes, wier kielen versteld of wier kousen gestopt moesten worden; jonge deernen, die pas het diakoniehuis verlaten of pas hare belijdenis gedaan hadden, en nieuwsgierig waren te weten hoe het er uitzag in de wereld; winkeldochters inzonderheid, moede van het uitmeten van zijden kleedjes voor anderen en meer bevoorregten, en wie het niet onverschillig kon zijn ook zelven voor een keer zulk een kleedje te dragen, of een horloge te bezitten, of bij hare vriendinnen te kunnen verschijnen met eene echte marabout op een hoedje van italiaansch stroo.

Deernis met eene twintigjarige van de laatste kategorie, die in eene naburige stad, dezelfde waar Stephenson thans werkzaam was, hare schande was gaan verbergen en daar in de bitterste armoede naar voedsel hunkerde voor haarzelve en voor een pasgeboren kind, had den kapelaan,—hij was inderdaad slechts kapelaan,—zich naar M. doen begeven en hem zich doen aanmelden bij Ruardi. In de schamelste woning eener achterbuurt had hij, bij het verrigten van pastorale bezoeken, de boeteling harer ijdelheid aangetroffen en uit haren mond eene oude, steeds onbehagelijke geschiedenis vernomen. Op staalgravures zien dergelijke zondaressen, vooral indien zij tevens een kindermoord op het geweten hebben en dien ten gevolge van staatswege in verzekerde bewaring genomen zijn, er somtijds aantrekkelijk genoeg uit. Zij liggen dan, met het aangezigt naar den toeschouwer gekeerd en met de zaamgevouwen handen onder het hoofd, uitgestrekt op eene met teekenachtig stroo gevulde krib: uit haar halfgeopende mond en hare starende oogen spreekt poëtische wanhoop, en de breede lichtstraal, die door het getralied venster der sombere gevangeniscel naar binnen dringt, is eene aanleiding tot rembrandtieke effekten geworden.

Stephensons kennismaking met het verdoolde schaap zijner kudde was zoo romanesk niet geweest. Het levendigst was hem van zijn eerste bezoek de herinnering bijgebleven aan eene bedorven atmosfeer en een ruwen aarden schotel, waarin zich de overblijfselen van een maaltijd bevonden, dien de hond van een scharenslijper versmaad zou hebben. In een morsigen japon, haveloos overblijfsel van een voormalig half-weelderig, half-burgerlijk toilet, had hij in den hoek van een zoldervertrek, waar een behangselpapier van de gemeenste soort aan flarden langs de vochtige muren hing, eene jonge maar in het geheel niet schoone vrouw aangetroffen, die, ten einde hem te woord te kunnen staan, begonnen was met haar schreeuwend kind in eene met vodden gevulde bedstede neder te leggen. Het was eene vrouw zonder adel van gemoed, en die in hare amourette met Ruardi het zeer onaanzienlijk kapitaal van aandoenlijkheid, hetwelk haar door de natuur ten bruidschat was medegegeven, tot op den laatsten penning verteerd had. Dat zij gebrek leed aan het noodigste, was hare eenige aanbeveling.

Ware de kapelaan een andere Stephenson geweest als de uit het oog verloren akademievriend van Ruardi, de zaak zou den eenvoudigsten loop der wereld genomen hebben. "Mijnheer! In mijne gemeente houdt zich eene jonge dochter, eene jonge moeder op, moest ik zeggen, die in de kommervolste omstandigheden verkeert en regten meent te kunnen doen gelden op uwe ondersteuning, enz.",—dit of een dergelijk briefje zou aan alles een einde hebben gemaakt; en de priester zou er geen oogenblik aan hebben behoeven te twijfelen, dat zijn beroep op de mildheid van den medepligtige, die voor een vermogend man bekend stond, de gewenschte vruchten zou gedragen hebben.

Doch, hoe veranderd ook naar den inwendigen mensch, hij was dezelfde Stephenson; dezelfde, die na gedurende een viertal jaren den teugel te hebben gevierd aan al de driften der jeugd, plotseling aangegrepen was geworden door eene hartstogtelijke zucht naar algeheele verandering van levenswandel; dezelfde, die, een magteloos bolwerk ziende in het kerkgeloof zijner opleiding, hetwelk hem voor geene enkele zonde behoed had, van het eene uiterste in het andere overslaand, als een nieuwe Augustinus vrede gezocht en gevonden had in het roomsche dogme; die, steeds onbekwaam om iets ten halve te doen en leek te blijven, priester had willen worden en geworden was, en in de gelofte, door hem in die hoedanigheid afgelegd, het aangewezen middel had ontdekt en gezegend om tot heiligheid te geraken. Hij was evenwel geen alledaagsch egoïst geworden. Zijn gevoelig hart en zijne levendige verbeelding vervolgden hem voortdurend met de herinnering aan het verledene. Schier dagelijks stond de beeldtenis zijner makkers van weleer, met Ruardi aan de spits, hem voor den geest. Hij kende de geschiedenis van hun wedervaren, den naam van elke plaats waar zij zich hadden nedergezet, al de voornaamste bijzonderheden van hunnen levensloop. Ware zijne studie van het menschelijk hart oppervlakkiger geweest, of had hij de onmisbaarheid eener goddelijke genade, aan wier tusschenkomst hij voor zichzelven alles te danken had, minder diep beseft,—hij zou pogingen aangewend hebben om hen tot boete en bekeering te brengen. Thans gedacht hij hen alleen in zijne gebeden. Een hunner was op dertigjarigen leeftijd (nog telkens joeg die voorstelling hem eene huivering aan) bezweken aan de gevolgen zijner voortgezette uitspattingen. Van de anderen, hier en ginds in het land verspreid, waren sommigen ingetogen personen geworden, allerlei openbare of bijzondere betrekkingen bekleedend; doch hunne beterschap, meende hij, stond gelijk met eene verdorpering van het hooger-ik, en met hunne losbandigheid hadden die voortaan gezeten burgers, die vaders van opkomende huisgezinnen, tevens het natuurlijk goede afgelegd, waardoor zij zich vroeger onderscheiden en hem aangetrokken hadden. Van de anderen waren twee of drie er in geslaagd zich voor eene poos een naam te maken in de letteren of in de staatkunde, doch zonder iets voort te brengen of uit te werken dat den toets des tijds zou kunnen doorstaan, en in elk geval zonder te ontwaken tot dat beter leven, waaraan hij, Stephenson, sedert hij met hen gebroken had, zijne zaligste oogenblikken dankte. Van al die vrienden was alleen Ruardi een man van aanzien geworden. In alle opzigten was het hem medegeloopen, doch op eene wijze die bedroevender scheen dan de felste tegenspoed gedaan zou hebben. Ruardi, die in den kring van zijne kameraden steeds gegolden had voor het sterkste hoofd van allen, had zich in de armen eener wijsbegeerte geworpen, die in den grond der zaak niets anders was als eene regtvaardigende theorie van zijne eigen ondeugden. Zijn geheele leven was van lieverlede in eene leugen verkeerd. Voor het uitwendige ontzag hij de gevestigde orde der maatschappij en overtrad hij niet eene van hare wetten; doch in stilte misbruikte hij zijne talenten en ontheiligde hij zijn beroep om aan één boozen hartstogt te voldoen. De wereld groette hem voor een weldoener der lijdende menschheid, terwijl voor honderde van zijne medeschepselen (de bekeerling en de priester gruwden om het zeerst van dit raffinement van verdorvenheid) zijne aanraking noodlottiger geweest was dan eene epidemie.

Stephenson's kerkelijke begrippen speelden in dit oordeel over het karakter van Ruardi een veel voornamer rol dan hij zich zelven bekennen wilde, en misschien zou het hem moeite gekost hebben, betere gronden aan te voeren voor zijne vroomheid dan de ander tot bevrediging van zijne sensualiteit plagt bij te brengen. Doch Stephenson was een dier menschen, die, wanneer uitspraak gedaan moet worden over hetgeen betaamt of niet betaamt, niet in de eerste plaats naar bewijzen vragen, maar met indrukken te rade gaan. De overgeleverde en algemeen aangenomen zedewet bezat voor hem het karakter der evidentie, en zijn eerbied voor het katholicisme wortelde vooral hierin, dat het roomsch geloof hem toescheen, aan die wet de hoogste wijding te geven. Hij vroeg niet naar het waarom van hetgeen hij deugd en heiligheid noemde; de in de zamenleving geldende begrippen van goed en kwaad waren in zijn oog niet de uitdrukking van iets betrekkelijks, zooals koud en warm, ver en nabij, maar droegen een goddelijk karakter; al hetgeen daarmede streed, was uit den Booze. Doch hoe vaster het bij hem stond dat Ruardi, van wien hij meer wist en dien hij beter doorgrondde dan den ander welgevallig kon zijn, tot de orde der zedelijke monsters behoorde, des te meer had hij het van zijnen pligt gerekend hem althans eenmaal in zijn leven onder de oogen te gaan zien; terwijl aan den anderen kant, naarmate het voornemen daartoe bij hem gerijpt was, zijn zelfstrijd in hevigheid was toegenomen. Den man in wiens schuldige vermaken hij indertijd zelf gedeeld had, kon hij, dit sprak, niet bejegenen als een vreemde; bovenal, hij kon tegenover hem geen beroep op zijn priesterlijk karakter doen. Elke poging van dien aard zou hem buiten eenigen twijfel aangerekend worden als eene daad van geestelijken hoogmoed, van huichelarij misschien. Voorts zeide hem zijn instinkt, dat om hem te begrijpen en te waarderen, juist die zekere zin voor het reine en heilige gevorderd werd, waaraan het Ruardi in de eerste en voornaamste plaats ontbrak. En toch, hij moest nu gaan. Te schrijven zou eene laagheid geweest zijn; het zou een gebrek aan zedelijken moed verraden hebben, dat hem nimmer voor de voeten moest kunnen geworpen worden. Voor het eerst in al de twintig jaren, die sedert zijne bekeering verloopen waren, bood zich eene gelegenheid aan om onder vier oogen te zeggen en te toonen wie hij was. Wat baatte het, dat eene kerkgemeente, die zijne geschiedenis niet kende, hem eerbiedigde als een godsgezant? Dat de bejaarde en niet buitengewoon schrandere priester, als een van wiens onderhoorigen hij werkzaam was, hem prees om zijnen ijver? Dat lieden van allerlei stand in de plaats zijner inwoning, deftigen en schamelen, hem groetten op de straat en hem met onderscheiding toegang verleenden tot hunne woning? Die hulde, hij was er van doordrongen, werd niet aan zijn persoon, maar aan zijn ambt gebragt, en menigmaal had hij zich haar verweten als de nootlottige vrucht van een zijnerzijds volgehouden stelsel van misleiding. In Ruardi's oogen, daarentegen, zou hij zijn die hij was; niets minder, maar ook en vooral niets meer. De vernedering, dit is zoo, zou ook hierom te dieper door hem gevoeld worden, omdat, naarmate hij een ander mensch geworden was, zich uit zijne vorige driestheid eene bedeesdheid en schroomvalligheid ontwikkeld hadden, die ligt voor valsche schaamte konden aangezien worden. Doch ook dien teug uit den bitteren beker wilde hij drinken. En wat alles afdeed, hij zou niet gaan om zichzelven, of uit gemaakte belangstelling, of in de hoop op eene martelaarskroon, maar omdat hij eene zending te vervullen had. Er moest voorzien worden in de behoeften eener verlorene, de zorg daarvoor was hem opgelegd, en hij ging.

Toen Stephenson te G., gelijk zijne standplaats heette, plaats nam in den spoortrein, ontging het hem dat in het rijtuig der eerste klasse, waaraan het zijne onmiddelijk voorafging, twee heeren gezeten waren, waarvan de een André Kortenaer was en de ander voor de lezers van dit verhaal nog een vreemdeling is. De schrijver zou het vleijend voor zijne eigenliefde vinden, indien het hun eenig belang inboezemde te vernemen, om welke reden André zich niet meer te A. bevond, waar hij zaken had af te doen met zijnen oom, en wat hem naar M. voerde, waar hij, voor zoo ver bekend was, niets te verrigten had. Doch het is hem meer waard, de leemten hunner wetenschap aan te vullen dan aanstonds hunne nieuwsgierigheid te bevredigen, en hij verstout zich te beweren dat het voor hen van hooger belang is de kennismaking met dokter Ruardi eerst nog eene poos voort te zetten, dan nu reeds te worden ingewijd in geheimen die spoedig genoeg aan het licht zullen komen.

De huisknecht Jakob was te zeer opgevoed in het ontzag zijns heeren dan dat hij voor luistervink zou hebben durven spelen, en met een groot aantal zijner natuurgenooten had hij dit gemeen, dat de gehechtheid aan zijne maatschappelijke positie, of indien men liever wil, de vrees van daaruit verdreven te zullen worden, hem afhield van sommige kwade praktijken waartoe het hem anders niet aan de vereischte neiging zou ontbroken hebben. Hij hoorde niets; en evenmin als hij iets hoorde, zag hij iets. De sleutelgaten van dokter Ruardi's vertrekken waren niet derwijze ingerigt, dat men hetgeen daar binnen voorviel steelsgewijs van buiten waarnemen kon. Al hetgeen Jakob dan ook in den namiddag van dien dag aan zijn vrouw verhaalde omtrent het ongewoon bezoek des ochtends aan den dokter gebragt,—Jakob was in zoover gehuwd dat hij de zorg voor zijne zeven kinderen overliet aan hunne moeder en zijn eigen haard enkel als een kosthuis beschouwde,—was geheel en al eene vinding van zijn aangeboren vernuft. Jakob had niets gezien en niets gehoord; had noch de wederzijdsche verlegenheid kunnen opmerken, waardoor het gesprek zich in den aanvang gekenmerkt had, noch aanteekening kunnen houden van den koude- of warmtegraad, waartoe het beurtelings gedaald en gestegen was. Dit alleen wist hij, dat, toen "mijnheer de pastoor" een uur later den trap afging, zijn gelaat en zijn houding al de kenteekenen vertoond hadden eener volkomen teleurstelling.

Ziehier in het kort hetgeen Eduard Stephenson, roomsch-katholiek priester, na de belijdenis van zijn christelijk geloof en zijn verzoek om onderstand te hebben voorgedragen, ten antwoord bekwam van Frederik Ruardi, dokter in de genees-, heel- en verloskunde:

—"Indien ik Alexander niet was, lieve vriend, zou ik Diogenes wenschen te zijn. Maak daaruit op, dat ik uwe gevoelens eerbiedig, doch tevens, dat ik daarin onmogelijk deelen kan. De theologie is nooit mijne specialiteit geweest, doch voor zoo ver ik over die zaken oordeelen kan schijnt het mij toe, dat gij van uw standpunt wèl gehandeld hebt met roomsch te worden. Ik ga verder en erken, dat zelfs de meest orthodoxe protestant, om van de liberalere niet te spreken, mij voorkomt eene anomalie te zijn. Toen de duivel vroom werd, zegt het spreekwoord, was hij een oud man, en ik voor mij ben van zins het volgen van dat voorbeeld uit te stellen tot den dag mijner begrafenis. Mogt ik evenwel vroeg of laat mijne tegenwoordige zienswijze vaarwel zeggen, dan geloof ik dat de keus tusschen Rome en Genève mij niet moeijelijk vallen, en ik in de oudste brieven al spoedig het meeste vertrouwen stellen zou.

—"Doch dit daargelaten. Uwe fout, in mijne oogen, is niet zoo zeer dat gij roomsch of priester, maar dat gij met de predikanten en de rabbi's de vertegenwoordiger zijt van eene opvatting der menschelijke natuur die mij onmenschelijk voorkomt. Gijlieden van de godgeleerde fakulteit zijt in onze zamenleving een element van gewigt, en mijn stelsel brengt mede dat ik den hoed voor u afneem. Gij vormt met u allen eene indrukwekkende politiemagt; en de juistheid dier vergelijking is mij nooit zoo duidelijk geweest als sedert ik een jaar of drie geleden eene reis gedaan heb door het vaderland van mijne grootouders. De dienders in de Staten van koning Victor Emanuel gaan namelijk in het zwart gekleed, en een Hollander zou een vergrootglas moeten gebruiken om eenig wezenlijk onderscheid te ontdekken tusschen het uitzigt dier onontbeerlijke agenten en dat van onze geestelijken hier te lande. De vorsten en hunne regeringen hebben in zekeren zin groot gelijk dat zij ulieden naar de oogen zien; want uwe hulp is even onmisbaar voor hen als die van hunne legers, hunne dagbladen en hunne spionnen. Desniettemin houd ik u en uwe leer voor den kanker der zamenleving. Ontberen is van die leer de grondtoon; genieten de grondtoon der mijne, die uit dien hoofde even gezond is als de uwe ziekelijk. Laat ons eten en drinken, want morgen sterven wij, is, met uw verlof, een uitnemend beginsel; en voor zoo ver ik dat beginsel in praktijk breng, ben ik uw vijand. Doch hierin ben ik het met ulieden eens, dat een mensch niet leven kan alleen van brood. Ik voor mij, ten minste, die een gastronoom ben, protesteer tegen dat régime. Herinnert gij u Karel van Mansveld? Een goede jongen, doch dien het niet medegeloopen is in de wereld. Hij werkt thans veertien uren daags op een kassierskantoor hier in de stad; zijn patroons, eene firma van drie of vier leden, behandelen hem als een kruijer; hij heet sous-chef, doch is inderdaad niets meer dan een bediende. Waarom verbreekt hij zijn juk niet? Waarom laat hij zijne superieuren zoogenaamd, die met hun allen niet het tiende deel zijner bekwaamheden bezitten, niet rondom loopen? Alleen omdat hij den moed niet heeft, zich en zijne vrouw en zijne zes kinderen van kant te maken. Ofschoon ik er de noodzakelijkheid niet van inzie, hij moet leven, zegt hij, en om dat te kunnen doen onderwerpt hij zich aan den vernederendsten arbeid. Zoo is de wereld. Gij theologen dicht aan het menschelijk bestaan, ik laat in het midden met welke bijoogmerken, een doel toe waar niemand naar streeft. In den grond der zaak toch bekommert geen sterveling zich om iets anders als om spijs en drank; tenzij men, gelijk het geval is met mijzelven, eene afleiding gevonden heeft in de liefde. De liefde en de honger, heeft Schiller gezegd, zijn de twee polen waartusschen het menschelijk leven zich beweegt; en nooit hebben uwe apostelen of uwe profeten iets zoo afdoends gezegd. Gij vraagt mij eene gift voor de jonge vrouw, die, naar gij zegt, door mijne schuld ongelukkig geworden is. Die gift zal ik u doen toekomen, doch onder protest. Ik heb dat meisje niet ongelukkig, maar betrekkelijk gelukkig gemaakt; en het eenige wat ik u kan toegeven is, dat haar voorspoed slechts kort geduurd heeft. Aan den omgang met mij is zij sommige van de genoegelijkste oogenblikken haars levens verschuldigd geweest. Ontbrak het haar hiertoe niet aan de noodige middelen, zij zou die oogenblikken kunnen vermeerderen; doch dat zij die middelen niet bezit, is mijn schuld niet. Hebt gij ooit eene fransche rozenkweekerij gezien? In velden vol gemeene soorten ziet men hier en ginds, op groote afstanden van elkander, eenige zeldzame nieuwe varieteiten zich vormen. Die varieteiten hebben waarde; de massa der rozen niet. Met de menschen is het niet anders. Het min of meer volkomen geluk van een hunner heeft de slavernij of den tegenspoed van duizend, laat ons zeggen van honderd anderen tot onvermijdelijke voorwaarde. In mijne soort en op kleine schaal ben ik eene varieteit; een konkest zeggen de bloemisten. Had het van mijnen wil afgehangen, ik zou bedongen hebben, dat een kleiner aantal van hetgeen gij mijne slagtoffers noemt volstaan moest om mij te doen beantwoorden aan mijne bestemming. Doch ik heb daar niets aan kunnen veranderen. Ook was het voor mij, even als voor alle menschen, u zelve niet uitgezonderd, er op of er onder. De wet van het zelfbehoud is eene tirannieke meesteres, en wie niet heerscht wordt gebruikt; daar is geen bidden voor. Ons leven bestaat in een eindeloos streven naar herstel van evenwigt op allerlei gebied. Gijlieden van de sombere fakulteit predikt aan de menschen dat zij behagen moeten leeren vinden in het doen van hunnen pligt. Voor mij en volgens mij is dat een omweg. Mijn lust is mijn leven, en eerst wanneer ik dien geboet heb, vind ik rust. Er is een tijd geweest dat ik wilde trouwen, en ik ben getrouwd. Doch hetgeen toen goed was, omdat ik het wenschte, zou thans, indien de omstandigheden mij niet van dat juk bevrijd hadden, mijn grootste kwelling zijn. Thans gevoel ik, dat het celibaat mijne roeping is; eene instelling, welke zoo zeer in de natuur der voortreffelijkste menschen ligt, dat men gehuwde kunstenaars van uitnemenden aanleg, worstelend ondergegaan in de zorg voor vrouw en kind, den dag heeft hooren verwenschen waarop zij huisvaders geworden waren; eene instelling, mijnheer de kapelaan, waarop uw eigen kerkgenootschap, en teregt, den hoogsten prijs stelt. Het groot, maar dan ook eenig verschil tusschen uw celibaat en het mijne is dat gij met den naam van heiligheid bestempelt hetgeen ik ontaarding noem. Niet gij zijt de ware priester, maar ik; ik die de menschelijkste aller aandoeningen tot wet van mijn leven verhef en mij tot bedienaar zalf van een evangelie, dat ouder is en langer duren zal dan het uwe."

Sedert vierentwintig uren van zijnen zendelingstocht naar M. teruggekomen, zat Eduard Stephenson in de boven-achterkamer, die hem tegelijk tot studeer- en tot slaapvertrek diende en uitzag in den tuin achter de niet verwaarloosde, maar nogtans uitermate burgerlijke woning van zijn pastoor, in deBekentenissenvan Augustinus te lezen.

G. is geene groote plaats, gelijk men weet, maar eene dier provinciesteden van den tweeden rang, welke nog slechts met sommige van hare buitenwijken naar den spoorweg beginnen te kruipen en de hand naar een aandeel in de voorregten der algemeene beschaving uitstrekken. De huizen met trapgevels zijn er menigvuldiger dan elders, en het ontbreekt er niet aan bovenverdiepingen waar de muren der vertrekken nog met voorvaderlijke kalk bestreken zijn, het onverholen getimmerte der zolderingen nog in de donkergroene grondverf staat, en de vloeren iets ruws en onbehagelijks over zich hebben, dat onvereenigbaar is met het comfort van een tapijt.

Zulk een ouderwetsch huis was het huis van den pastoor, en zulk eene onherbergzame kamer die van Stephenson. Voor eene boekenkast van gladgeschaafde planken hing een dundoek van geruit katoen, wit en blaauw; om het eikenhouten ledikant, bruin van ouderdom, was een behang geslagen van eeuwenheugend en verkleurd damast, dezelfde vale en sombere tint vertoonend als de gordijnen dier bedsteden in het klooster van den Grooten Saint-Bernard, welke er zoo spelonkachtig uitzien wanneer de kloosterbroeder, met de kaars in de hand, ze u voor uw nachtverblijf aanwijst, en waarin men nogtans, na een vermoeijenden rid te paard of eene wandeling van veertien uren, overheerlijk slapen kan. Stephenson hadnietoverheerlijk geslapen, en dezelfde reden waarom hij in den afgeloopen nacht naauwlijks de oogen had kunnen luiken,—nabetrachtingen over zijn gesprek met Ruardi en onafzienbare bespiegelingen over het waarom der menschelijke verdorvenheid,—was ook oorzaak dat hij dezen ochtend minder aandacht schonk dan ooit aan het kloosterachtige zijner omgeving. Hij was niet in eene stemming om op te merken hoe hard de zitting was van zijn matten stoel, of hoe spoedig zijne voeten een gat geboord zouden hebben in het halfversleten karpet onder zijne tafel. Hij zag op uit zijn boek en staarde in den tuin. Daar drentelde de pastoor op en neder, met eene lange goudsche pijp in den mond en een zwartfluweelen kalot op het hoofd. In den aanblik van dien man was niets verheffends of bemoedigends. Hij droeg in huis eene soutane af, door langdurig gebruik geheel glimmend geworden, en wanneer hij 's morgens in den tuin wandelde, plagt hij tegen het opslaan van den vochtigen grond, over zijne muilen heen, een paar klompen aan te schieten. Niet het minst wanneer hij zijne pijp dwars tusschen de tanden nam en zich voorover bukte over zijne hortikultuur, in het voorjaar rupsen zoekend tusschen de knoppen zijner rozenstruiken, in den nazomer de gele bladeren uit zijne geraniums verwijderend, zou in het oog van een denker de oude pastoor op holsblokken een belangwekkend beeld geweest zijn van het proza des christendoms. Een schilder zou partij hebben weten te trekken van dit eenvoudig, maar zuiver menschelijk tooneel; zou hier met een toets en ginds met eene lijn het alledaagsche daarin ongemeen gemaakt of aan het platte relief gegeven hebben. Doch Stephenson, die geen schilder was, was ook geen denker. Hem troostte, wanneer hij verdriet had, noch de kunst, noch de wijsbegeerte, en alleen de mystiek was in staat hem te verzoenen met eene wereld, van welke hij zoo diep als iemand gevoelde dat zij in den Booze lag. Hij ergerde zich niet aan zijn pastoor; nog veel minder verachtte hij hem; de grijsaard was in zijne oogen een Israëliet zonder bedrog. Doch er zijn zielen die ook in de trivialiteit van Nathanaël, hoe onschadelijk zij overigens wezen moge, eene openbaring zien van de magt der zonde. In vergelijking van Ruardi was de pastoor een engel, ongetwijfeld; doch Ruardi's bestaan, meende Stephenson, werd door het bestaan van zulke kortgewiekte goede geniussen niet opgewogen of geneutraliseerd.

—"O felix culpa!" prevelde hij voor niemand weet de hoeveelste maal in zijn priesterlijk leven. Want dit moet van hem gezegd worden, dat hoewel het gevoel der menschelijke schuld hem diep ter neder drukte, hij die schuld-zelve niet uitgewischt zou hebben willen zien, indien hij voor zoo hoog een prijs zijnen Verlosser had moeten missen.

Op hetzelfde oogenblik dat Stephenson zich aldus in de verborgenheden der christelijke geloofsleer verdiepte, zat André Kortenaer, insgelijks op eene boven-achterkamer met het uitzigt op den tuin, den volgenden brief aan zijn meisje te schrijven:

Soekabrenti, bij M,... Augustus 186—"Lieve Emma,"Ik wenschte niet dat gij raden kondt waar ik mij op dit oogenblik bevind of hoe ik hier gekomen ben. Het zou veel, maar te veel voor uwe schranderheid bewijzen. De dames hebben het regt, ondoorgrondelijk te zijn; doch bezaten zij bovendien de gaaf van alles te doorgronden,... dan zou voor de heeren (hoor ik u zeggen) in het geheel geen kans meer overschieten om haar te bedriegen. Hoe komt gij toch aan die ongunstige meening omtrent ons, en waaraan heb ik het te danken dat gij om mijnentwil eene uitzondering op den regel toelaat? Geloof mij, ik ben geene uitzondering, en aan de meesten onzer is een weinig blind vertrouwen zeer wel besteed."Dit herinnert mij aan ons laatste gesprek in het Duinendaalsche bosch, en ik kan mij bijna niet voorstellen, dat het nog slechts drie dagen geleden is dat wij afscheid genomen hebben van elkander. Hoe snel ging de tijd voorbij toen wij bijeen waren, en hoe traag kruipen thans de uren om! Waarom glimlagchen de menschen en noemen zij het kinderachtig, wanneer twee aanstaande echtgenooten niet buiten elkander kunnen? Voor mij is niets zoo belangrijk in dit leven als uwe liefde, en ik heb oneindig meer op met u dan met alle spoorwegbruggen en alle volkspaleizen die ik misschien nog bouwen zal. In vergelijking van ons huwelijk vind ik zelfs de vereenigde doorgraving der landengten van Suez en van Panama eene zaak van niet meer dan betrekkelijk gewigt."Doch luister nu eens, mejufvrouw, naar hetgeen ik u te vertellen heb. Het is elf ure in den ochtend, en ik zit u dezen brief te schrijven in een koketten stoel, aan een elegant bureau, in de weelderigste van alle logeerkamers. Wanneer ik het hoofd omwend, heb ik aan mijne linkerzijde twee opengeslagen vensterdeuren, en zie ik neder op een groot grasperk, in het midden waarvan een zware bruine beuk prijkt. Zaagt gij de zon door de takken en bladeren van dien boom hare vonken schieten op het gras, gij zoudt er stil van worden. Het park, dat mij omringt, is geene eigenlijk gezegde buitenplaats, maar de breed aangelegde tuin van eene villa, geen twintig minuten gaans van de stad verwijderd. Den vreemden naam vanSoekabrentidankt die villa aan een oost-indisch millionair, die haar eenige jaren geleden hier heeft doen bouwen en van wiens chineesche vrouw even als van hem zelven ik u bij gelegenheid kurieuze anekdoten vertellen zal. Thans is zij het eigendom van—dat zal ik u zeggen. Gij zult dan meteen weten wie mijn gastheer is, hoe mijne gastvrouw heet, waarom ik niet bij mijn oom gebleven ben, te A., en welke zaken ik te M. te verhandelen heb."Toen ik eergisteren-ochtend op het bepaalde uur bij mijn oom verscheen... Maar neen, op die wijze zou aan mijn verhaal geen einde komen, en het is niet belangwekkend genoeg om lang te mogen zijn. "Vertel mij eens, vriendje," vroeg mijn oom, op den hem eigen vernederenden en brusken toon, waarachter hij volgens sommige zijne warmste genegenheden verbergt, doch dien ik voor mij altijd onaangenaam gevonden heb, "weet gij wel dat uwe moeder en ik eene erfenis deelen moeten met een verren neef van ons, Adriaan Dijk geheeten? Ter wille van uwe zusters wenschte ik dat de nalatenschap vorstelijker ware, doch daaraan is nu eenmaal niets te veranderen. Ik ben verhinderd, in persoon naar M. te gaan en met Dijk, die buitendien mijn boezemvriend niet is, de noodige schikkingen te maken. De zaak moet evenwel geregeld worden, en dat is de reden dat ik u ontboden heb. Deze prokuratie is, geloof ik, zoo algemeen mogelijk, en met dat ding in den zak zult gij uit mijnen naam alles kunnen verrigten wat de wet voorschrijft." Mijn vader had mij van die erfenis het een en ander verteld, zoodat mijn oom de moeite had kunnen sparen mij in te lichten en te bejegenen als een knaap. Doch zoo is hij. Ik had in de mij toegedachte kommissie weinig lust, en liet niet onduidelijk doorschemeren, dat ik het in elk geval ruim zoo eenvoudig zou gevonden hebben, mij die prokuratie toe te zenden over de post, desnoods in een aangeteekenden brief. Niet waar? Ik zou dan regtstreeks naar M. hebben kunnen reizen, en had niet noodig gehad den omweg te maken, die thans, door eerst naar A. te trekken, onvermijdelijk geworden was. Voor die opmerking werd ik evenwel aanstonds gestraft door de vraag, of ik zoo weinig prijs stelde op een persoonlijk onderhoud met mijnen oom, dat het genot van dat voorregt mij zelfs geen halve dag reizens waard was? "Bovendien," vervolgde mijn oom, "wenschte ik u omtrent, de personen met wie gij te M. in aanraking komen zult,—Adriaan Dijk en zijne vrouw, bedoel ik,—eenige dier inlichtingen te verschaffen, welke ik niet gewoon ben toe te vertrouwen aan het papier. Wees openhartig en zeg mij, kent gij mevrouw Dijk?" Bij het doen dier vraag zag mijn oom mij doordringend aan; veel ernstiger en veel doordringender dan noodig was, want van mevrouw Dijks bestaan was mij toen nog alleen dit bekend dat zij de vrouw was van onzen neef Adriaan, met wien ik de zaak der erfenis regelen zou. Wel herinnerde ik mij, haar somtijds te hebben hooren roemen als eene schoonheid, te schoon en te geestig voor een man als den haren, van wien men beweerde dat hij het kruid niet uitgevonden had; doch daar ik òf hem òf haar zelfs niet van aangezigt kende, vond ik het niet noodig gewag te maken, van die bijzonderheid. Mijn antwoord was, en zoo sprekend zeide ik de gulle waarheid: "Ik weet te naauwernood dat er eene mevrouw Dijk in de wereld is." Wat mijn oom mij toen uitlegde, en het vele wonderlijke dat hij mij vertelde van den heer en de dame aan wie hij bezig was mij te endosseren, kan ik u niet alles woordelijk overbrengen. Ook zou het u vermoedelijk voor een groot gedeelte even weinig belang inboezemen als mij. "Dijk," zeide hij onder anderen, als ten vervolge op zijne mededeeling dat neef Adriaan zijn boezemvriend niet was, "Dijk is een ingebeelde zot. Of hij verstand van tabak heeft, weet ik niet, maar dat hij op nieuw intrigeert om lid van de Tweede Kamer te worden, is onvergefelijk. Eenige jaren geleden ben ik toevallig veroordeeld geweest hem herhaaldelijk te ontmoeten in gezelschap van derden, en bij die gelegenheden heb ik hem hooren doorslaan over politiek. Het was erbarmelijk. Omdat hij fortuin en een grooten mond heeft, verbeeldt hij zich te kunnen medepraten over belastingwetten, over diplomatieke nota's, over koloniale onderwerpen, en wat niet al; doch van mijn leven heb ik door een volwassen mensch zooveel onzin niet hooren uitkramen. Gelijk de meesten zijner stadgenooten, zeilt hij onder liberale vlag; doch had ik vóór '48 geweten, dat onze nieuwe Grondwet voor zulke werveldraaijers het hek ontsluiten zou, ik zou mijne onafhankelijke positie nooit prijs gegeven hebben." Meer zal u interesseren hetgeen mijn oom van mevrouw Dijk vertelde. "Mevrouw Dijk," zeide hij, "is de natuurlijke dochter van een mijner voormalige schoolkameraden. Haar voornaam is Lidewyde, doch zij is geene hollandsche van geboorte. Haar vader is jaren geleden nederlandsch consul geweest te Alexandrie, en heeft daar een tijdlang geleefd met eene soort van grieksche slavin. Of hij nog bestaat weet ik niet, maar ik twijfel er aan. Hij is indertijd met mevrouw Dijk, die toen een kind was, uit Egypte naar Holland gekomen en heeft haar ergens besteed op eene kostschool, waar zij de vriendin geworden is van Dijks zusters. Vervolgens is hij naar de Oost vertrokken, en schijnt voor de opvoeding van dat kind, wat het geldelijke betreft, behoorlijk zorg gedragen te hebben. In de eene of andere groote vakantie is het meisje door de oude mevrouw Dijk te logeeren gevraagd, en zoo is Adriaan aan haar gekomen. Indien zij ooit van hem gecharmeerd geweest is, is zij eene even groote zottin als hij; maar ik gis dat zij hem alleen genomen heeft om eene toonbare positie te hebben.""Gij weet ongeveer, lieve Emma, hoe ik over mijn oom denk. Hij is mijn weldoener geweest en zonder hem zou ik geen ingenieur geworden zijn; reden genoeg voor mij om hem te achten en te ontzien. Doch liefhebben kan ik hem niet; en dat hij in weerwil van zijne ondervinding en van zijn oud-ministerstitel een man vol vooroordeelen is, daarvan heb ik sedert gisteren op nieuw de ervaring opgedaan. Hij heeft zijnen tijd gehad en kent de kaart van het land niet meer. Heb ik het hem niet als eene uitgemaakte zaak hooren voorstellen dat Adriaan Dijk liberaal was en als lid van de liberale partij lid van de Tweede Kamer wilde worden? Welnu, op mijne reis van A. naar M. heb ik kennis gemaakt met een welingelicht persoon, die mij verzekerd heeft dat mijn oom den bal volkomen missloeg. Van dien heer, die er onoogelijk uitzag, maar zeer onderhoudend praatte (hij heet Lefebvre, en moet een voornaam advokaat zijn), heb ik vernomen dat Adriaan Dijk niet-alleen bij de aanstaande verkiezing van een lid der Tweede Kamer te M. optreden zal als de kandidaat der konservativen, maar dat hijzelf (den heer Lefebvre meen ik), die insgelijk de konservative rigting toegedaan is, zich met geen ander doel naar M. begaf als om met Adriaan over diens kandidatuur te gaan spreken en bezoeken met hem te gaan afleggen bij eenige vrienden. Mij is het volmaakt onverschillig, dat begrijpt gij, of mijn neef Dijk konservatief of liberaal is; maar uit hetgeen ik u daar vertel blijkt genoeg, dat op het oordeel van mijn oom Timmermans weinig staat valt te maken."Wilt gij een ander staaltje van zijne kortzigtigheid? Toen ik gisteren-avond bij Dijk mijne opwachting ging maken (want hij ontvangt alleen 's avonds, en indien ik dat van te voren geweten had, zou ik minder vroeg uit A. vertrokken zijn), verbeeldde ik mij, afgaande op de beschrijving van mijn oom, een winderig persoon te zullen aanschouwen, die mij half en half brutaliseren of althans overbluffen zou, en tegen wien ik op mijne hoede zou moeten zijn. Doch toen de vigelante, waarmede ik mij naar Soekabrenti had laten brengen, stilhield voor dat paleis (Dijks woning is inderdaad een vorstelijk gebouw), werd ik ontvangen door een gul en wellevend man, de voorkomendheid in persoon, die naauwelijks mijn naam en het doel van mijne komst vernomen had, of hij gaf mij de hand en bood mij zijn huis aan. Dijk is iemand van vijfenveertig jaren, naar ik gis. Hij heeft een hoog voorhoofd en is bijna kaal; maar ofschoon zijn digte blonde baard hier en daar grijze plekken begint te vertoonen, ziet hij er volstrekt niet uit als een versleten man. Hij is klein van gestalte, heeft kleine handen en kleine voeten en is naar den laatsten smaak gekleed. Het eenige wat ik op hem zou weten aan te merken, is dat hij iets deftigs over zich heeft, dat niet geheel en al natuurlijk is; maar dat misstaat hem niet, omdat men gevoelt dat hij anders misschien te levendig en te toeschietend zou zijn."Wat mijne nicht Lidewyde betreft, deze heeft, naar ik u verklaren kan, niet den minsten indruk op mij gemaakt, en ik begrijp ter wereld niet hoe mijn oom (of had ik u dat nog niet verteld?) mij haar heeft kunnen afschilderen als eene kokette vrouw. Misschien, ja, indien zij wilde, zou zij er interessant kunnen uitzien; doch gelijk ik haar gisteren-avond aangetroffen heb, thee schenkend onder de verandah aan de achterzijde van het huis en zich te mijner eer te naauwernood opheffend uit haar gemakkelijken stoel, vond ik haar niet-alleen niet mooi, maar bijna onbevallig. Haar oog zegt niets; haar mond (in afgemeten en karige woorden heette zij mij welkom) weinig meer, en op haar voorhoofd troont eene wolk, die aan wrevel en meer nog aan onverschilligheid denken doet. Men kon het haar aanzien, dat zij afkomstig is uit het Oosten, of althans uit het Zuiden, en die indruk is zelfs zoo sterk, dat men verwonderd is, haar Hollandsch te hooren spreken zonder accent. Doch dat vreemde uitzigt is dan ook het eenige in haar wat frappeert. Zij is jonger dan haar man, en zal ongeveer van mijn eigen leeftijd zijn."En ziedaar, lieve Emma, hoe ik beland ben op Soekabrenti en waarom ik aldaar mijn anker heb laten vallen. Naar de berekening van mijn oom, zullen met het opmaken der noodige akten, en zoo voorts, hoogstens acht dagen gemoeid zijn. Dijk heeft dat niet tegengesproken, en daarom heb ik dan ook van zijn aanbod, om bij hem mijnen intrek te nemen, zonder schroom gebruikt gemaakt. Hij wilde volstrekt niet hebben, dat ik meer dan één nacht in een logement slapen zou, en om u de waarheid te zeggen was zijne propositie mij zeer naar den smaak. Te Duinendaal heb ik zoovele maanden achtereen als een zwaluw onder de dakgoot gewoond, dat die levenswijze voor mij al hare bekoorlijkheid verloren heeft. Daarbij komt dat het weelderigst hôtel niet confortabler ingerigt kan zijn dan Soekabrenti. Voor menschen zonder kinderen is het huis eigenlijk veel te groot; men verdwaalt er in, en indien ik u den weg naar mijne kamer moest wijzen, zou ik misschien verlegen staan. De persoon die het heeft laten bouwen, maar er spoedig genoeg van had en nu de hemel weet waar op een landgoed woont,—in Boheme, hoor ik,—had een talrijk gezin, en zijne jongelui, met inbegrip van goeverneurs en goevernantes, moesten elk eene afzonderlijke kamer kunnen hebben. Doch met uitzondering van dit doolhofachtige is het de fraaiste villa die men zich denken kan, en ik weet wel wie er schik in hebben zou, het eenmaal in de wereld zoo ver te brengen, dat hij zulk een huis bewonen kon. Meermalen had ik hooren vertellen, dat Dijk fortuin had; doch om zoo te kunnen leven als hij doet, met een kantoor in de stad, eigen rijtuig, eigen paarden, een eigen tuinman en een huis vol bedienden, moet hij schatrijk zijn."Gisteren-ochtend met mijn ledigen tijd geen raad wetend, heb ik eene ontdekkingsreis door de straten van M. gedaan en ben ik een kijkje gaan nemen van het Park. Alles heeft hier in de laatste jaren een veel levendiger aanzien bekomen dan te voren; er heerscht eene ongeloofelijke drukte, en even als men van de meeste kerkorgels in ons land verhaalt dat zij na het Haarlemsche de grootste zijn, zal men over niet langen tijd, doch met meer grond, van M. kunnen zeggen, dat het na Amsterdam of Rotterdam onze voornaamste koopstad is. Behalve naar het Park, waar tweemalen in de week muziek gemaakt wordt, gaan de menschen hier veel naar Zeeburg, waar verleden jaar een badhuis geopend is. Wel tienmalen daags is er gelegenheid om met omnibussen of diligences daarheen te rijden, en wie niet rijden wil kan desnoods wandelen, want van hier naar genoemd dorp is weinig meer dan een uur gaans."Gij bemerkt, melieve, dat het oord mijner ballingschap in het geheel geene woestijn is. Ook zou ik het er wel kunnen uithouden, indien gij slechts bij mij waart. Doch uwe afwezigheid vervolgt mij overal; en pas sedert ik u ben gaan schrijven, heb ik mij weder minder verlaten gevoeld. Met evenveel droefheid als zelfvoldoening zie ik de volgekrabde blaadjes nevens mij nog aangroeijen; want hoewel de gedachte mij goeddoet, eerlijk gebiecht en u haarklein al mijne wederwaardigheden verteld te hebben, besef ik met smart dat ook aan de genoegelijkste dingen een einde moet komen, en het niet aangaan zou, een nog langeren brief naar Duinendaal te zenden dan deze onwillekeurig reeds geworden is. Groet uwe ouders van mij, en al degenen die naar mij vragen zullen. Gedenk mijne eenzaamheid en troost mij spoedig, bid ik u, met een lettertje van uwe hand. Het zal de eerste brief zijn, dien ik van u ontvang; maar indien van u gescheiden te zijn de prijs is waarvoor ik het genot moet koopen de teekenen van uwe lieve hand te aanschouwen, zou ik bijna wenschen dat het tevens de laatste was. Ik kan niet buiten u, Emma, en hij zal een toovernaar zijn die mij hier langer aan de praat houdt dan volstrekt noodzakelijk is. Mijn hart is op Belvedere. Bij u behoor ik, voor u leef ik, u omhels ik."

Soekabrenti, bij M,... Augustus 186—

"Lieve Emma,

"Ik wenschte niet dat gij raden kondt waar ik mij op dit oogenblik bevind of hoe ik hier gekomen ben. Het zou veel, maar te veel voor uwe schranderheid bewijzen. De dames hebben het regt, ondoorgrondelijk te zijn; doch bezaten zij bovendien de gaaf van alles te doorgronden,... dan zou voor de heeren (hoor ik u zeggen) in het geheel geen kans meer overschieten om haar te bedriegen. Hoe komt gij toch aan die ongunstige meening omtrent ons, en waaraan heb ik het te danken dat gij om mijnentwil eene uitzondering op den regel toelaat? Geloof mij, ik ben geene uitzondering, en aan de meesten onzer is een weinig blind vertrouwen zeer wel besteed.

"Dit herinnert mij aan ons laatste gesprek in het Duinendaalsche bosch, en ik kan mij bijna niet voorstellen, dat het nog slechts drie dagen geleden is dat wij afscheid genomen hebben van elkander. Hoe snel ging de tijd voorbij toen wij bijeen waren, en hoe traag kruipen thans de uren om! Waarom glimlagchen de menschen en noemen zij het kinderachtig, wanneer twee aanstaande echtgenooten niet buiten elkander kunnen? Voor mij is niets zoo belangrijk in dit leven als uwe liefde, en ik heb oneindig meer op met u dan met alle spoorwegbruggen en alle volkspaleizen die ik misschien nog bouwen zal. In vergelijking van ons huwelijk vind ik zelfs de vereenigde doorgraving der landengten van Suez en van Panama eene zaak van niet meer dan betrekkelijk gewigt.

"Doch luister nu eens, mejufvrouw, naar hetgeen ik u te vertellen heb. Het is elf ure in den ochtend, en ik zit u dezen brief te schrijven in een koketten stoel, aan een elegant bureau, in de weelderigste van alle logeerkamers. Wanneer ik het hoofd omwend, heb ik aan mijne linkerzijde twee opengeslagen vensterdeuren, en zie ik neder op een groot grasperk, in het midden waarvan een zware bruine beuk prijkt. Zaagt gij de zon door de takken en bladeren van dien boom hare vonken schieten op het gras, gij zoudt er stil van worden. Het park, dat mij omringt, is geene eigenlijk gezegde buitenplaats, maar de breed aangelegde tuin van eene villa, geen twintig minuten gaans van de stad verwijderd. Den vreemden naam vanSoekabrentidankt die villa aan een oost-indisch millionair, die haar eenige jaren geleden hier heeft doen bouwen en van wiens chineesche vrouw even als van hem zelven ik u bij gelegenheid kurieuze anekdoten vertellen zal. Thans is zij het eigendom van—dat zal ik u zeggen. Gij zult dan meteen weten wie mijn gastheer is, hoe mijne gastvrouw heet, waarom ik niet bij mijn oom gebleven ben, te A., en welke zaken ik te M. te verhandelen heb.

"Toen ik eergisteren-ochtend op het bepaalde uur bij mijn oom verscheen... Maar neen, op die wijze zou aan mijn verhaal geen einde komen, en het is niet belangwekkend genoeg om lang te mogen zijn. "Vertel mij eens, vriendje," vroeg mijn oom, op den hem eigen vernederenden en brusken toon, waarachter hij volgens sommige zijne warmste genegenheden verbergt, doch dien ik voor mij altijd onaangenaam gevonden heb, "weet gij wel dat uwe moeder en ik eene erfenis deelen moeten met een verren neef van ons, Adriaan Dijk geheeten? Ter wille van uwe zusters wenschte ik dat de nalatenschap vorstelijker ware, doch daaraan is nu eenmaal niets te veranderen. Ik ben verhinderd, in persoon naar M. te gaan en met Dijk, die buitendien mijn boezemvriend niet is, de noodige schikkingen te maken. De zaak moet evenwel geregeld worden, en dat is de reden dat ik u ontboden heb. Deze prokuratie is, geloof ik, zoo algemeen mogelijk, en met dat ding in den zak zult gij uit mijnen naam alles kunnen verrigten wat de wet voorschrijft." Mijn vader had mij van die erfenis het een en ander verteld, zoodat mijn oom de moeite had kunnen sparen mij in te lichten en te bejegenen als een knaap. Doch zoo is hij. Ik had in de mij toegedachte kommissie weinig lust, en liet niet onduidelijk doorschemeren, dat ik het in elk geval ruim zoo eenvoudig zou gevonden hebben, mij die prokuratie toe te zenden over de post, desnoods in een aangeteekenden brief. Niet waar? Ik zou dan regtstreeks naar M. hebben kunnen reizen, en had niet noodig gehad den omweg te maken, die thans, door eerst naar A. te trekken, onvermijdelijk geworden was. Voor die opmerking werd ik evenwel aanstonds gestraft door de vraag, of ik zoo weinig prijs stelde op een persoonlijk onderhoud met mijnen oom, dat het genot van dat voorregt mij zelfs geen halve dag reizens waard was? "Bovendien," vervolgde mijn oom, "wenschte ik u omtrent, de personen met wie gij te M. in aanraking komen zult,—Adriaan Dijk en zijne vrouw, bedoel ik,—eenige dier inlichtingen te verschaffen, welke ik niet gewoon ben toe te vertrouwen aan het papier. Wees openhartig en zeg mij, kent gij mevrouw Dijk?" Bij het doen dier vraag zag mijn oom mij doordringend aan; veel ernstiger en veel doordringender dan noodig was, want van mevrouw Dijks bestaan was mij toen nog alleen dit bekend dat zij de vrouw was van onzen neef Adriaan, met wien ik de zaak der erfenis regelen zou. Wel herinnerde ik mij, haar somtijds te hebben hooren roemen als eene schoonheid, te schoon en te geestig voor een man als den haren, van wien men beweerde dat hij het kruid niet uitgevonden had; doch daar ik òf hem òf haar zelfs niet van aangezigt kende, vond ik het niet noodig gewag te maken, van die bijzonderheid. Mijn antwoord was, en zoo sprekend zeide ik de gulle waarheid: "Ik weet te naauwernood dat er eene mevrouw Dijk in de wereld is." Wat mijn oom mij toen uitlegde, en het vele wonderlijke dat hij mij vertelde van den heer en de dame aan wie hij bezig was mij te endosseren, kan ik u niet alles woordelijk overbrengen. Ook zou het u vermoedelijk voor een groot gedeelte even weinig belang inboezemen als mij. "Dijk," zeide hij onder anderen, als ten vervolge op zijne mededeeling dat neef Adriaan zijn boezemvriend niet was, "Dijk is een ingebeelde zot. Of hij verstand van tabak heeft, weet ik niet, maar dat hij op nieuw intrigeert om lid van de Tweede Kamer te worden, is onvergefelijk. Eenige jaren geleden ben ik toevallig veroordeeld geweest hem herhaaldelijk te ontmoeten in gezelschap van derden, en bij die gelegenheden heb ik hem hooren doorslaan over politiek. Het was erbarmelijk. Omdat hij fortuin en een grooten mond heeft, verbeeldt hij zich te kunnen medepraten over belastingwetten, over diplomatieke nota's, over koloniale onderwerpen, en wat niet al; doch van mijn leven heb ik door een volwassen mensch zooveel onzin niet hooren uitkramen. Gelijk de meesten zijner stadgenooten, zeilt hij onder liberale vlag; doch had ik vóór '48 geweten, dat onze nieuwe Grondwet voor zulke werveldraaijers het hek ontsluiten zou, ik zou mijne onafhankelijke positie nooit prijs gegeven hebben." Meer zal u interesseren hetgeen mijn oom van mevrouw Dijk vertelde. "Mevrouw Dijk," zeide hij, "is de natuurlijke dochter van een mijner voormalige schoolkameraden. Haar voornaam is Lidewyde, doch zij is geene hollandsche van geboorte. Haar vader is jaren geleden nederlandsch consul geweest te Alexandrie, en heeft daar een tijdlang geleefd met eene soort van grieksche slavin. Of hij nog bestaat weet ik niet, maar ik twijfel er aan. Hij is indertijd met mevrouw Dijk, die toen een kind was, uit Egypte naar Holland gekomen en heeft haar ergens besteed op eene kostschool, waar zij de vriendin geworden is van Dijks zusters. Vervolgens is hij naar de Oost vertrokken, en schijnt voor de opvoeding van dat kind, wat het geldelijke betreft, behoorlijk zorg gedragen te hebben. In de eene of andere groote vakantie is het meisje door de oude mevrouw Dijk te logeeren gevraagd, en zoo is Adriaan aan haar gekomen. Indien zij ooit van hem gecharmeerd geweest is, is zij eene even groote zottin als hij; maar ik gis dat zij hem alleen genomen heeft om eene toonbare positie te hebben."

"Gij weet ongeveer, lieve Emma, hoe ik over mijn oom denk. Hij is mijn weldoener geweest en zonder hem zou ik geen ingenieur geworden zijn; reden genoeg voor mij om hem te achten en te ontzien. Doch liefhebben kan ik hem niet; en dat hij in weerwil van zijne ondervinding en van zijn oud-ministerstitel een man vol vooroordeelen is, daarvan heb ik sedert gisteren op nieuw de ervaring opgedaan. Hij heeft zijnen tijd gehad en kent de kaart van het land niet meer. Heb ik het hem niet als eene uitgemaakte zaak hooren voorstellen dat Adriaan Dijk liberaal was en als lid van de liberale partij lid van de Tweede Kamer wilde worden? Welnu, op mijne reis van A. naar M. heb ik kennis gemaakt met een welingelicht persoon, die mij verzekerd heeft dat mijn oom den bal volkomen missloeg. Van dien heer, die er onoogelijk uitzag, maar zeer onderhoudend praatte (hij heet Lefebvre, en moet een voornaam advokaat zijn), heb ik vernomen dat Adriaan Dijk niet-alleen bij de aanstaande verkiezing van een lid der Tweede Kamer te M. optreden zal als de kandidaat der konservativen, maar dat hijzelf (den heer Lefebvre meen ik), die insgelijk de konservative rigting toegedaan is, zich met geen ander doel naar M. begaf als om met Adriaan over diens kandidatuur te gaan spreken en bezoeken met hem te gaan afleggen bij eenige vrienden. Mij is het volmaakt onverschillig, dat begrijpt gij, of mijn neef Dijk konservatief of liberaal is; maar uit hetgeen ik u daar vertel blijkt genoeg, dat op het oordeel van mijn oom Timmermans weinig staat valt te maken.

"Wilt gij een ander staaltje van zijne kortzigtigheid? Toen ik gisteren-avond bij Dijk mijne opwachting ging maken (want hij ontvangt alleen 's avonds, en indien ik dat van te voren geweten had, zou ik minder vroeg uit A. vertrokken zijn), verbeeldde ik mij, afgaande op de beschrijving van mijn oom, een winderig persoon te zullen aanschouwen, die mij half en half brutaliseren of althans overbluffen zou, en tegen wien ik op mijne hoede zou moeten zijn. Doch toen de vigelante, waarmede ik mij naar Soekabrenti had laten brengen, stilhield voor dat paleis (Dijks woning is inderdaad een vorstelijk gebouw), werd ik ontvangen door een gul en wellevend man, de voorkomendheid in persoon, die naauwelijks mijn naam en het doel van mijne komst vernomen had, of hij gaf mij de hand en bood mij zijn huis aan. Dijk is iemand van vijfenveertig jaren, naar ik gis. Hij heeft een hoog voorhoofd en is bijna kaal; maar ofschoon zijn digte blonde baard hier en daar grijze plekken begint te vertoonen, ziet hij er volstrekt niet uit als een versleten man. Hij is klein van gestalte, heeft kleine handen en kleine voeten en is naar den laatsten smaak gekleed. Het eenige wat ik op hem zou weten aan te merken, is dat hij iets deftigs over zich heeft, dat niet geheel en al natuurlijk is; maar dat misstaat hem niet, omdat men gevoelt dat hij anders misschien te levendig en te toeschietend zou zijn.

"Wat mijne nicht Lidewyde betreft, deze heeft, naar ik u verklaren kan, niet den minsten indruk op mij gemaakt, en ik begrijp ter wereld niet hoe mijn oom (of had ik u dat nog niet verteld?) mij haar heeft kunnen afschilderen als eene kokette vrouw. Misschien, ja, indien zij wilde, zou zij er interessant kunnen uitzien; doch gelijk ik haar gisteren-avond aangetroffen heb, thee schenkend onder de verandah aan de achterzijde van het huis en zich te mijner eer te naauwernood opheffend uit haar gemakkelijken stoel, vond ik haar niet-alleen niet mooi, maar bijna onbevallig. Haar oog zegt niets; haar mond (in afgemeten en karige woorden heette zij mij welkom) weinig meer, en op haar voorhoofd troont eene wolk, die aan wrevel en meer nog aan onverschilligheid denken doet. Men kon het haar aanzien, dat zij afkomstig is uit het Oosten, of althans uit het Zuiden, en die indruk is zelfs zoo sterk, dat men verwonderd is, haar Hollandsch te hooren spreken zonder accent. Doch dat vreemde uitzigt is dan ook het eenige in haar wat frappeert. Zij is jonger dan haar man, en zal ongeveer van mijn eigen leeftijd zijn.

"En ziedaar, lieve Emma, hoe ik beland ben op Soekabrenti en waarom ik aldaar mijn anker heb laten vallen. Naar de berekening van mijn oom, zullen met het opmaken der noodige akten, en zoo voorts, hoogstens acht dagen gemoeid zijn. Dijk heeft dat niet tegengesproken, en daarom heb ik dan ook van zijn aanbod, om bij hem mijnen intrek te nemen, zonder schroom gebruikt gemaakt. Hij wilde volstrekt niet hebben, dat ik meer dan één nacht in een logement slapen zou, en om u de waarheid te zeggen was zijne propositie mij zeer naar den smaak. Te Duinendaal heb ik zoovele maanden achtereen als een zwaluw onder de dakgoot gewoond, dat die levenswijze voor mij al hare bekoorlijkheid verloren heeft. Daarbij komt dat het weelderigst hôtel niet confortabler ingerigt kan zijn dan Soekabrenti. Voor menschen zonder kinderen is het huis eigenlijk veel te groot; men verdwaalt er in, en indien ik u den weg naar mijne kamer moest wijzen, zou ik misschien verlegen staan. De persoon die het heeft laten bouwen, maar er spoedig genoeg van had en nu de hemel weet waar op een landgoed woont,—in Boheme, hoor ik,—had een talrijk gezin, en zijne jongelui, met inbegrip van goeverneurs en goevernantes, moesten elk eene afzonderlijke kamer kunnen hebben. Doch met uitzondering van dit doolhofachtige is het de fraaiste villa die men zich denken kan, en ik weet wel wie er schik in hebben zou, het eenmaal in de wereld zoo ver te brengen, dat hij zulk een huis bewonen kon. Meermalen had ik hooren vertellen, dat Dijk fortuin had; doch om zoo te kunnen leven als hij doet, met een kantoor in de stad, eigen rijtuig, eigen paarden, een eigen tuinman en een huis vol bedienden, moet hij schatrijk zijn.

"Gisteren-ochtend met mijn ledigen tijd geen raad wetend, heb ik eene ontdekkingsreis door de straten van M. gedaan en ben ik een kijkje gaan nemen van het Park. Alles heeft hier in de laatste jaren een veel levendiger aanzien bekomen dan te voren; er heerscht eene ongeloofelijke drukte, en even als men van de meeste kerkorgels in ons land verhaalt dat zij na het Haarlemsche de grootste zijn, zal men over niet langen tijd, doch met meer grond, van M. kunnen zeggen, dat het na Amsterdam of Rotterdam onze voornaamste koopstad is. Behalve naar het Park, waar tweemalen in de week muziek gemaakt wordt, gaan de menschen hier veel naar Zeeburg, waar verleden jaar een badhuis geopend is. Wel tienmalen daags is er gelegenheid om met omnibussen of diligences daarheen te rijden, en wie niet rijden wil kan desnoods wandelen, want van hier naar genoemd dorp is weinig meer dan een uur gaans.

"Gij bemerkt, melieve, dat het oord mijner ballingschap in het geheel geene woestijn is. Ook zou ik het er wel kunnen uithouden, indien gij slechts bij mij waart. Doch uwe afwezigheid vervolgt mij overal; en pas sedert ik u ben gaan schrijven, heb ik mij weder minder verlaten gevoeld. Met evenveel droefheid als zelfvoldoening zie ik de volgekrabde blaadjes nevens mij nog aangroeijen; want hoewel de gedachte mij goeddoet, eerlijk gebiecht en u haarklein al mijne wederwaardigheden verteld te hebben, besef ik met smart dat ook aan de genoegelijkste dingen een einde moet komen, en het niet aangaan zou, een nog langeren brief naar Duinendaal te zenden dan deze onwillekeurig reeds geworden is. Groet uwe ouders van mij, en al degenen die naar mij vragen zullen. Gedenk mijne eenzaamheid en troost mij spoedig, bid ik u, met een lettertje van uwe hand. Het zal de eerste brief zijn, dien ik van u ontvang; maar indien van u gescheiden te zijn de prijs is waarvoor ik het genot moet koopen de teekenen van uwe lieve hand te aanschouwen, zou ik bijna wenschen dat het tevens de laatste was. Ik kan niet buiten u, Emma, en hij zal een toovernaar zijn die mij hier langer aan de praat houdt dan volstrekt noodzakelijk is. Mijn hart is op Belvedere. Bij u behoor ik, voor u leef ik, u omhels ik."

Noem het onopregtheid, noem het zwakheid, noem het onnoozelheid; doe van die gebreken zooveel af als noodig is om er niet geheel en al vrij van te zijn en nogtans in een roman een dragelijk figuur te kunnen blijven maken,—André's oordeel over zijn oom was in elk geval onjuist. Kort na 1848, toen het liberaal-zijn in de politiek nog iets veel deftigers en veel gekleeders was dan tegenwoordig, was die oom en oude vrijer, als lid van een liberaal Kabinet, een tijd lang minister van Buitenlandsche Zaken geweest, en nog in zijne A'sche rust omgaf hem de naglans dier Haagsche grootheid. Opgeleid voor den handel, was hij door schrandere spekulatien reeds vroeg een man van vermogen geworden, had veel en goed gereisd, kende al de hoofdsteden van Europa op zijn duimpje, en kon, wat zijne bevoegdheid tot het vervullen eener diplomatieke betrekking aangaat, de vergelijking met de meeste diplomaten zeer wel doorstaan. Met eene minstens vijftigjarige weduwe, die zijne huishouding waarnam en doodelijk bang voor hem was, woonde hij in een der fraaiste huizen eener voorname straat, hield rijtuig, zag menschen, verkeerde in aanzienlijke kringen, en zou door menigen neef in den lande, als het model der erfooms, in hooge eer gehouden zijn. Doch omdat hij Kortenaer heette en adelbrieven bezat, was André van lieverlede weinig bewondering gaan koesteren voor een bloedverwant die alleen den burgerlijken naam van Timmermans voerde (den naam zijner eigen moeder intusschen); minister geworden was in een halven revolutietijd, en nooit in de gelegenheid was geweest het klatergoud van zijn ambt te doen vergeten door het bewijzen van degelijke diensten aan den lande. Hij erkende met den mond dat hij aan zijnen oom groote verpligtingen had; doch in den grond zijns harten (want sommige jongelieden zijn minder onbedorven dan zij er uitzien) griefden hem die verpligtingen. Het was bitter, meende hij, dat zijn vader, een geboren edelman, het nooit verder had kunnen brengen in de wereld dan tot direkteur van een postkantoor in eene provinciestad, en de zorg voor een groot gezin hem nog bij voortduring noodzaakte gunsten aan te nemen van een boven zijnen stand voorspoedig zwager.

En bij die oude grieven was sedert eenige maanden eene nieuwe gekomen: André had reden om zijnen oom voor een tegenstander van zijn engagement met Emma te houden. Hij had hem van zijne verloving schriftelijk kennis gegeven, en ooms antwoord was geweest: "Ik dweep niet met dat huwelijk." Hij had opheldering gevraagd van die ongemotiveerde afkeuring en tot bescheid ontvangen: "Mij dunkt, gij zoudt later eene betere partij hebben kunnen doen." Wat beduidde dat? Nu ja, Emma was geene gravin; doch bij een huwelijk kwam het bloed van de mannen, en in elk geval waren de Visschers ligt van zoo goeden huize als de Timmermansen. De oude heer Visscher was geen millionair; ook dit was waar. Doch Emma was een eenig kind, en het was duidelijk dat iemand zonder fortuin vergelijkenderwijs een goed huwelijk aan haar deed. Waarom dan die tegenkanting? Moest genoten ondersteuning dit gevolg hebben, dat men zich levenslang te schikken had naar de luim van hen of haar wier goedheid men ondervonden heeft, men zou eindigen met alle gulle tantes en alle vrijgevige ooms naar de Mokerheide te wenschen.Que diable, men telt geene dertig jaren en bouwt geene spoorwegbruggen, om ten eeuwige dage naar de pijpen te dansen van een oom, die minister van Buitenlandsche Zaken—geweest is!

Zoo dacht André, wanneer hij zich niet in het gezelschap van zijnen oom bevond. Doch had het toeval ons tot getuigen gemaakt van zijn onderhoud met den oud-minister, wij zouden van het onafhankelijke dier gevoelens weinig bij hem bespeurd hebben. De oud-minister mogt vooroordeelen hebben en niet volkomen meer op de hoogte van alle nieuwtjes zijn, hij was een man wiens tegenwoordigheid imponeerde. Zijn voorkomen teekende in het geheel niet hetgeen men eene burgerlijke afkomst noemt, en op twee kleine gouden ringetjes na, die hij sedert jaar en dag in de ooren droeg, zou men hem voor eene geboren Excellentie hebben aangezien. Zijn kamerjapon was geenzins met ridderorden uitgemonsterd, en men zou langvergeten jaargangen derStaats-Couranthebben moeten naslaan om te weten te komen, tot het "aannemen en dragen" van hoevele versierselen van dien aard hij 's Konings vergunning bekomen had. Zijn gelaat, dat aan de snede van dat van Voltaire herinnerde, was ver van schoon; doch de groote neus paste in zijne soort volkomen bij het tusschen grijze lokken schuilgaand voorhoofd, en men behoefde slechts eenmaal in zijn leven een goed portret van Sterne gezien te hebben, om zich ook in dit geval verzoend te gevoelen met een mond, die wijder gaapte dan, volgens Poot, de hoofsche staatsjufvrouwen doen. Zonder dat hij dandineerde, was in zijn gang iets elastieks, dat bij mollige tapijten voegde, en in weerwil van zijnen leeftijd had hij iets zoo bevalligs in zijne bewegingen en was hij zoo vlug ter been, dat geen verstandig jong meisje geweigerd zou hebben, zich door hem ten dans te laten noodigen. Komplimenteus in zijne gesprekken met vrouwen, dogmatisch in zijn onderhoud met mannen, niet naijverig op het voeren van het hoogste woord en nogtans een aangenaam prater, was er geene enkele reden om dezen celibatair gering te schatten en had een jong mensch gelijk André er honderd voor eene om hem met onderscheiding te bejegenen.

André sprak waarheid toen hij aan Emma schreef, dat zijn oom hem gebruskeerd had. Zonder overdreven volledig te worden had hij er evenwel kunnen bijvoegen dat die soort van aan koelheid, om niet te zeggen onbeleefdheid grenzendesans-gênetot de bekende eigenaardigheden van zijnen oom behoorde en het tegendeel was van een bewijs van onhartelijkheid. Het gold veeleer bij André's familie voor eene uitgemaakte zaak, dat neven of nichten nooit meer kans hadden iets van oom Timmermans gedaan te krijgen dan wanneer hij hen op een na brutaliseerde, terwijl zij zich van te voren verzekerd hielden, nul op het rekest te zullen ontvangen, zoo vaak en zoodra hij den oud-minister uithing en minzaam was.

Onvolledig: dit was André's brief nog in een ander opzigt. Zijn oom toch had hem niet-alleen gezegd dat mevrouw Dijk doorging voor behaagziek, maar had hem voor Lidewyde bepaald gewaarschuwd. "Jong mensch," had hij gezegd, "ik meende dat gij niet naar M. moest gaan, zonder te weten wie gij daar ontmoeten zoudt. Sommige getrouwde vrouwen kunnen voor een man in uw positie gevaarlijk worden. Daarom, pas op uw tellen." Waarom maakte André voor zijn meisje een geheim van die reisles, hem door zijnen oom medegegeven? Op die vraag kan, helaas, slechts met eene wedervraag geantwoord worden: Waarom is de mensch een kortzigtig schepsel? Had André kunnen voorzien dat mevrouw Dijk, die hij thans nog naauwelijks van aangezigt kende, binnen den tijd van weinige weken eene heerschappij over hem uitoefenen zou die Emma's invloed op zijn gemoed eerst verzwakken, dan neutraliseren en eindelijk vernietigen zou,—hij zou de eerste zijn geweest om zich tegen die vrouw te wapenen. Doch hij was jong en onervaren, en de voorspoed had hem overmoedig gemaakt. Voor dien eerbiedigen en zoeten schroom, waarmede hij nog kort geleden tegen Emma had opgezien, was al spoedig zekere fatuiteit in de plaats gekomen, en indien hij voor een kundig oog zijne ware gevoelens blootgelegd had, zou het gebleken zijn dat zijne eerste liefde hare eerste pleisterplaats reeds genaderd was. In stede van Lidewyde in gedachte te verafschuwen of voor het minst te wantrouwen, interesseerde hij zich voor haar. Het benieuwde hem, welken indruk zij op hem maken zou, en zonder nog in de verte den wensch te koesteren dat die nieuwgsgierigheid wederkeerig zijn en mevrouw Dijk ook in hem eenig belang stellen mogt, prikkelde hem het vooruitzigt, in kennis te geraken met eene vrouw, tegen wie hij, naar men hem zeide, op zijne hoede moest zijn.

Het verwijt ligt voor de hand, dat deze gevoelens André geenszins tot eer verstrekken, en men zou van den kronijkschrijver wenschen te vernemen hoe zij te rijmen waren met de betuigingen van teederheid aan het slot en in den aanhef van zekeren brief. Doch op die wijze zou men Melis Stoke eene taak opleggen, die de zijne niet is. Hij weet niet en behoeft niet te weten, hoe het kwam dat André Kortenaer eensklaps bleef beneden hetgeen men van hem zou hebben mogen verwachten; evenmin als hij zeggen kan, of gehouden is te kunnen zeggen, in hoe ver de handelwijze van den oud-minister van Buitenlandsche Zaken, André's oom, overeengebragt kon worden met de voorschriften der ideale zedewet. Die oom was in zijne soort een goed man; een man die niets anders beoogde als het geluk van zijnen neef, doch wien het uit dien hoofde dubbel verdroot, dat André door een onberaden huwelijk zijn fortuin (of hetgeen hij zoo noemde) ging verspelen. Hij vond het geoorloofd, André's getrouwheid op de proef te stellen, en was genoeg een man van de wereld om zich van de kennismaking met eene dame als mevrouw Dijk een bepaald resultaat te mogen beloven. Te eerlijk om André geheel en al onvoorbereid in verzoeking te brengen; te menschkundig om niet aan de terugwerkende kracht der geprikkelde nieuwsgierigheid te gelooven, meende hij voor zijn doel,—indien dat doel voor verwezenlijking vatbaar was,—het beste middel gekozen te hebben. Hij had, dit is zoo, eenigszins komedie gespeeld en zonder bepaalde noodzakelijkheid eene geheimzinnige houding aangenomen; doch het gold de toekomst van een jong mensch, dien hij steeds op zijne wijze hartelijk had liefgehad, en die prijs was zijnerzijds eenige zelfverloochening waard. Emma Visscher,—zoo redeneerde deze wereldwijze, was een struikelblok, dat zoo mogelijk uit den weg behoorde geruimd te worden. Bleek André's genegenheid voor haar een ernstige hartstogt te zijn, dan was het tijd genoeg om zich te voegen naar het onvermijdelijke; doch elk moest het loven, meende hij, dat eene laatste poging aangewend werd om een knaap van goeden huize die het slagtoffer dreigde te worden van zijne eigen onervarenheid en van de berekeningen van zekere schoonouders in hope, uit die strikken te redden.

Het was, gelijk André aan Emma schreef, tusschen elven en twaalven in den ochtend; het uur waarop zelfs in het heetst van den zomer de warmte nog niet onverdragelijk pleegt te zijn, de bloemen nog iets overgehouden hebben van de frischheid van den morgenstond, en de wandelpaden in de tuinen nog min of meer den indruk der voetstappen bewaren.

Ontegenzeggelijk is in Mei en in het begin van Junij het blad hier te lande fraaijer dan in Augustus. Het heeft dan die eenvormige donkere tint nog niet aangenomen, die naderhand de meeste boomen en de meeste heesters leden van dezelfde familie doet schijnen. Doch al mist de volle zomer dat afsteken van het lichtere tegen het donkerder loof; die fijne schakeringen van linden- en van eikengroen; dat bloeijen der madelieven aan den voet der kastanjes in de grasperken,—hij wordt, of mag men aan boomen zulke menschelijke gevoelens niet toeschrijven? door de bruine beuken in eere gehouden. De zware boom tegenover André's venster althans, dezelfde waarvan hij melding had gemaakt in zijnen brief aan Emma, had reden om in de heerlijkheden van den nazomer te roemen. Vol majesteit strekte hij naar alle zijden zijne takken uit, en geen alleenheerscher onder de menschen kan fierder op zijn eenzamen zetel troonen, dan hij in zijn grasperk deed. Elke poging om in den omtrek van dien zwaren stam eene bloem te kweeken, zou vruchteloos gebleven zijn. Alleen mosplanten wilden tieren in de schaduw van dat ondoordringbaar bladerendak. In laag op laag stapelde zich het donkerkleurig loof opwaarts; en zoo fijnbewerkt, zoo bewegelijk, zoo doorzigtig was nogtans dat massief gebladerte, dat hier en ginds, door alles heen, gouden vonken nederschoten op het heldergroene mos om den stam; dat vogeltjes, niet grooter dan eene kinderhand, eene zachte schommeling mededeelden aan de uiteinden van het gevaarte; dat oost noch west een zucht kon slaken zonder al de zenuwen van den boom te doen trillen. De lente is schoon en magtig; doch de koningen van het woud met heerlijkheid te kroonen,—dat vermag de volle zomer alleen.

De brief aan Emma was gereed, de enveloppe digtgelijmd, het adres geschreven, het postzegel bevestigd; en met het gevoel van iemand die zich in allen deele gekweten heeft van zijnen pligt, ging André voor het venster staan en liet het oog weiden over het beperkt, maar innemend landschap aan zijnen voet en om hem henen. Hij dacht aan Emma, aan hare liefde voor hem, aan hare uitmuntende hoedanigheden, aan hetgeen zij reeds was en nog zou kunnen worden. Doch tevens dacht hij aan zichzelven en aan zijn gesternte, dat hem naar Soekabrenti gevoerd had, en misschien zou hij nog geruimen tijd zich hebben staan verdiepen in allerlei voorstellingen, indien zijne aandacht niet afgeleid ware geworden door een geluid van naderende voetstappen en van twee fluisterende stemmen, tot hem opstijgend van het pad dat onder zijn venster kronkelde. Het ruischen van een vrouwenkleed deed hem vermoeden dat een der twee sprekende personen Lidewyde was, terwijl de andere, te oordeelen naar stem en gang, een man scheen te zijn. Werkelijk zag hij eenige oogenblikken later een heer en eene dame het voetpad volgen, dat langs den beuk naar de tegenovergestelde zijde van den tuin voerde en uitkwam aan een boschje tusschen den tuin en den rijweg.

Soekabrenti had twee toegangen: een van arduin en ijzer voor rijtuigen aan het eene, en een kleiner hek van hout voor voetgangers aan de andere zijde van het park. Doch André was met die bijzonderheid nog onbekend, en eerst nu merkte hij op, dat bij dat kleinere hek, aan gene zijde van het boschje, een elegante, met twee paarden bespannen tom-pouce stapvoets heen en weder gereden werd. Had hij de aangezigten van het wandelend paar kunnen onderscheiden, misschien zou het verschil in beider uitdrukking hem getroffen hebben: de bloeijende mannelijke schoonheid van het eene, en de onmiskenbare sporen van vrouwelijk lijden op het andere. In elk geval zou hij aanstonds gewaar geworden zijn dat de onbekende dame misschien Lidewyde's jufvrouw van gezelschap, doch zeker niet Lidewyde-zelve was. Doch de slankheid van haar figuur en het bedriegelijk-jeugdige van een lagen tuinhoed met breeden rand misleidden hem omtrent haren leeftijd, en eerst toen zij onverzeld uit het boschje terugkeerde en hij haar in het gelaat kon zien, bemerkte hij zijne vergissing.

Zij was eene vrouw van vijftig jaren, fatsoenlijk, doch zoo eenvoudig gekleed, dat men twijfelen mogt of zij in allen deele als de gelijke van de vrouw des huizes aangemerkt kon worden. Aan eene dienstbare deed zij niet denken, doch evenmin aan eene meesteres; althans niet op dit gebied en in deze omgeving. De tuinmansjongen, bezig met het opbinden der bloemen en het reinigen der bedden, groette haar toen zij hem voorbijging, doch niet met dat ontzag waarop het gedistingeerde in haar voorkomen haar aanspraak scheen te geven. Was zij welligt Lidewyde's moeder? Indachtig aan de verhalen van zijnen oom omtrent Lidewyde's afkomst, kon André dit bezwaarlijk aannemen. Tusschen hare gelaatstrekken en die van Lidewyde was geen zweem van gelijkenis te bespeuren. Ook zou de tuinmansjongen, indien zij in eene zoo naauwe betrekking tot zijne mevrouw gestaan had, haar ongetwijfeld met meer onderscheiding bejegend hebben. "Het zal Lidewyde's kamenier zijn," zeide André; en hij zou met die onderstelling vollen vrede hebben gehad, indien de jonge man aan hare zijde, dien zij uitgeleide scheen gedaan te hebben, in zijne manier van nevens haar te gaan en met haar te spreken meer gemeenzaamheid aan den dag gelegd had.

Dat hij dat niet had gedaan, maar zich onwillekeurig onderworpen scheen te hebben aan den toon van gezag, waarop zij tot hem sprak, was iets dat André intrigeerde. Voor het overige vond hij de zaak in het minst niet geheimzinnig. Lidewyde, redeneerde hij, was juist eene vrouw om gestadig hare toevlugt te nemen tot de medische fakulteit; die vreemde heer met zijn brieschend tweespan en zijn nuffig rijtuig was de M'sche mode-dokter; niets natuurlijker dan dat de gezelschapsjufvrouw, of welke andere naam haar dan ook voegde, last bekomen had om den volgeling van Hippokrates, die hier welligt iederen dag een morgenbezoek kwam afleggen, als naar gewoonte uit te laten. Veel tijd evenwel om dit gewone en natuurlijke in overeenstemming te brengen met de verrassende deferentie, welke uit de houding van den gevierden medicus gesproken en waarmede hij naar de vertoogen der ondergeschikte vijftigjarige geluisterd had, schoot thans voor André niet over. Een bediende kwam hem waarschuwen dat het ontbijt gereed was en de vrouw des huizes hem wachtte.

—"Heeft mijnheer soms boodschappen te verrigten?" vroeg de knecht.

—"Boodschappen?" herhaalde André, "dat niet zoo zeer. Maar indien gij naar de stad gaat, wees dan zoo goed en bezorg meteen dezen brief op de post."

—"Met genoegen, mijnheer."

De schoonheid van sommige vrouwen is als de zee aan onze westerstranden. Op den middag spiegelt zich de zon in de golven; zij breken, en het glanzig schuim spat vonkelend op. De watervlakte, het blanke zand, de vastgewoelde pinken met haar tuig en bruine netten, de witte huiven der badkoetsen, de bloote beenen en de roode broek van den wadenden visscher met het anker op den schouder, de havelooze kleedij der visscherskinderen, die met eene opgetuigde klomp schuitjevaren spelen in de plas,—alles glinstert, alles baadt zich dansend in het stroomend licht: de hemel schijnt geopend. Doch gindsche reuzenwolk, die sedert lang gedreigd heeft de zonnestralen te zullen onderscheppen, drijft allengs nader; in het eind volvoert zij hare bedreiging, en voort zijn eensklaps de glans en de gloed. Grooter en grooter wordt de schaduwvlek op den blinkenden spiegel; nog een oogwenk, en de bruiloft van daareven is in eene begrafenis verkeerd.

Denk u het omgekeerde van dat tooneel, en gij zult u eene voorstelling van André's verbazing kunnen vormen, toen hij de kleine eetzaal binnentrad. Den vorigen avond had Lidewyde den indruk op hem gemaakt eener half uitgebloeide schoonheid; eener vrouw, die, omdat zij zich verveelde, op hare beurt vervelend was; voor wie beminnelijk te zijn een lastpost scheen; wier kleeding-zelve geblaseerdheid teekende. Thans daarentegen, thans zat bij het geopend venster, tusschen een amfitheater van sierplanten, in de lichte schaduw van een in den tuin vooruitspringend zonnescherm, als een madeliefje in het groen, een aanvallig wezen. Ongekunstelde vriendelijkheid sprak uit hare donkere oogen, een glimlach speelde om haar fraaijen gullen mond, een wit neteldoeksch ochtendkleed met zacht gekleurde bouquetten van violet en groen vormde de bevalligste harmonie met de breede afhangende linten, groen en violet, die haar mutsje sierden. Het blanke voorhoofd kwam schitterend uit tegen het ongebleekte kantwerk, en die gele tint temperde wederkeerig den golvenden gloed der donkerzwarte haarvlechten.

Ware zij, toen André binnentrad, opgerezen en hem te gemoet gegaan, hare houding noch haar gang zouden de schoonheid van haar gelaat gelogenstraft hebben. Had zij hem de hand gereikt en had hij die een oogenblik in de zijne mogen houden, het zou hem getroffen hebben dat zulke fijne vingertoppen de verlenging waren eener zoo poezele vuist. Doch zij bleef zitten in haar leunstoel bij het venster, liet beide handen eene wijl in de schoot rusten, wendde het hoofd naar de deur, en nam met den vriendelijksten blik der wereld, het uitnoodigendst welkom verkondigend, haren neef en logeergast op.

In de tegenwoordigheid eener zoo schoone vrouw, op wier gelaat bovendien de blos eener volmaakte gezondheid zetelde, was het André niet mogelijk, lang aan de medische fakulteit te denken. De herinnering aan het dokterskoetsje was eensklaps als weggevaagd uit zijnen geest; Lidewyde's liefelijke en tegelijk indrukwekkende verschijning vervulde hem geheel, en indien iets hem op dit oogenblik bekommerde, was het de vraag, op welken voet hij haar toespreken zou. "Mevrouw" tot haar te zeggen, had hem den vorigen avond niet de geringste inspanning gekost, nu daarentegen bestierf dat deftige woord hem schier op de lippen. Doch ook dit bezwaar werd uit den weg geruimd, en zijne eigenliefde had van zijne opkomende verlegenheid niets te lijden.

—"Laat ons elkaar bij den voornaam noemen," zeide zij. "Neef en nicht zijn gruwzame woorden, nog gruwzamer dan mijnheer en mevrouw. Hoe minder ik ze hoor, hoe liever het mij is... Mijn man kan elk oogenblik thuiskomen. Ga zitten, André, en vertel mij intusschen van uwe Emma."

Gewoon te spreken en te handelen zonderarrière-pensée,—althans dit verbeeldde hij zich; en daarvoor ging hij door,—verkeerde André te goeder trouw in den waan dat alle andere regtschapen lieden even zoo deden. Bijoogmerken te hebben stond in zijne schatting gelijk met huichelen, en hij kon zich niet voorstellen, plagt hij te zeggen, dat iemand met een zuiver karakter omwegen gebruikte om tot zijn doel te geraken. "Vertel mij van uwe Emma," was voor hem, uit Lidewyde's mond,—en voorshands waren er dan ook inderdaad geene redenen om aan die woorden eene andere beteekenis te hechten,—het verzoek van eene lieve, goedhartige vrouw, die herstellen wilde hetgeen zij den vorigen avond door hare koelheid bedorven had.

—"Het doet mij regt veel genoegen," vervolgde zij, "dat het toeval mij met u in kennis brengt. Verleden week waren de couranten vol van uwen lof. Doch een neef te bezitten die spoorwegbruggen bouwt, is niet genoeg. Men is begeerig, zulk een neef te aanschouwen. Gij zijt het eerste lid van uwe familie waarmede ik tot hiertoe in aanraking kom. Met uw oom is mijn man enkele malen in gezelschap geweest, doch ik zelf heb hem nooit ontmoet. Is hij een aangenaam mensch? Houdt gij van hem?"

—"Indien gij den brief gelezen hadt, dien ik daareven aan mijn meisje heb zitten schrijven, zoudt gij naar mijn antwoord op de laatste dier twee vragen niet lang behoeven te raden," zeide André met een glimlach. "Neen, ik houd niet bijzonder veel van mijn oom, maar hij kan daarom wel een aangenaam mensch zijn."

—"Is hij tegen uw huwelijk?" vroeg zij, hem aanziende en insgelijks glimlagchend.

—"Hij is er ten minste tegen geweest. Hoe hij op dit oogenblik daarover denkt, weet ik niet. Doch waarom vraagt gij dat?"

—"Waarom? Omdat het mij van u spijten zou, indien men tegelijk een aangenaam mensch en uwe antipathie zijn kon. Maar alles verandert, zoodra uw oom ongaarne uw huwelijk ziet. Bruidegoms hebben het regt ieder te haten die niet doodelijk is van hunne bruid. Doch uw oom is een oud jong heer, aan wiens meening gij u niet te storen hebt. Erger zou het zijn, indien uwe ouders niet ingenomen waren met uw meisje. Of anders uwe zusters. Gij hebt immers zusters?"

—"O, van dien kant is alles in orde. Emma heeft bij mijne ouders herhaaldelijk gelogeerd, en de geheele wereld bij ons aan huis draagt haar op de handen."

—"Zij is eene jufvrouw Visscher niet waar, en gij hebt haar te Duinendaal leeren kennen? Dat was een romaneske geschiedenis, die val van u. Er zijn weinig jonge heeren die niet gaarne tot dien prijs in kennis zouden komen met een aardig meisje."

—"Die val van mij?" vroeg André, voor de eerste reis blozend om een accident, dat een huisgenoot op Belvedere van hem gemaakt had. "Hoe is het mogelijk dat gij daar kennis van draagt?"

—"Ja wel, ja wel," schertste zij, "men heeft te M. bloedverwanten wonen waar men niet naar omziet; men laat Adriaan Dijk en zijne vrouw aan hun lot over; men wacht met mededeelzaam te zijn totdat het toeval neef André en nicht Lidewyde met elkander in kennis brengt. Doch nicht Lidewyde wordt goed geïnformeerd, reken daarop; en bovendien is Duinendaal zulk een uithoek niet, dat men, met een weinig belangstelling, geene gelegenheid zou kunnen vinden om sommige informatien op de plaats zelve te gaan kontroleren."

—"Inderdaad, Lidewyde, ik ben verbaasd..."

—"Dat is braaf van u, mij Lidewyde te noemen. Ik begon al te vreezen dat mijn naam u tegenstond. Emma klinkt veel liefelijker, dat erken ik. Weet gij hoe ik aan dien naam van Lidewyde kom? Ik heet naar de zalige Lidewyde van Schiedam, waar mijn vader geboren is. Misschien doet die oude dame nog eenmaal een goed woord voor mij, en verzoent zij mij daardoor met de gedachte, half en half eene Schiedamsche te zijn; wat ik geen voorregt vind. Ik benijd u den naam van Kortenaer; en, had het in mijne keus gestaan, ik zou, even als gij, hebben willen afstammen van iemand die in de Groote Kerk te Rotterdam in een praalgraf rust. Mijne petemoei, indien ik haar zoo noemen mag, heeft zich moeten vergenoegen met een opschrift boven een klein-steedsch hofje. Maar waarom verbaast het u, dat ik op de hoogte ben van uw roman? Of zijt gij zoo nederig, dat gij den roep van uwe ridderlijke daden beperkt zoudt willen weten tot de echo's der Duinendaalsche boschjes? Dat kan ik niet gelooven. In mijn tijd althans waren de jonge lieden zoo bescheiden niet."

—"In uw tijd, Lidewyde? Moest ik u een kompliment maken, ik zou zeggen dat uw tijd nog komen moet. Maar in vollen ernst, wie heeft u verteld onder welke omstandigheden ik het hof aan Emma gemaakt heb?"

—"Niemand heeft mij dat verteld. En dat was ook niet noodig. Zoo lang de boschaadjes de kunst van klappen niet zullen verleerd hebben, behoeft niemand veel moeite te doen om achter het geheim van sommige vrijaadjes te komen."

—"Foei, Lidewyde, nu doet gij even als mijn aanstaande schoonvader, die langzamerhand de taal der oude hollandsche dichters begint te spreken. Ik voor mij houd niet..."

—"Wat hoor ik? Dat is een slecht begin, André! Gij houdt niet van uw oom, niet van uwen aanstaanden schoonvader, misschien ook niet van uw aanstaande schoonmoeder,—waar moet dat heen? Gij houdt van uw meisje, zult gij zeggen, en ik geef u toe dat die vlag de lading dekt. Hoe ziet uw meisje er uit? Allerliefst, natuurlijk; doch erken dat dit tevens te veel en te weinig zegt. Is zij blond, is zij bruin, is zij groot, is zij klein? Biecht op, mijnheer André, en stel mij in de gelegenheid uw goeden smaak te bewonderen!"

—"Wilt gij haar portret zien?" vroeg hij, naar zijne portefeuille tastend. "Hier is het."

Hij rees op, reikte haar het albumblad over, en ging toen weder zitten. Zij liet zich achterover zinken in haren stoel, hield de kleine beeldtenis met de eene hand een weinig voor zich uit, ten einde haar niet onder een valsch licht te zien, en bragt de andere hand aan hare wang.

—"Welk een lief onschuldig gezigtje!" zeide zij, terwijl een glimlach, gelijk alleen welgevallen en bewondering tooveren konden, haar gelaat verlichtte. "En welk bevallig figuurtje! Mijnheer André, ik maak u mijn kompliment. Meestal doet de fotografie blondines onregt; doch Emma heeft geen reden van klagen. Is zij altijd zoo gekapt, met die lange krullen van voren? En is het waar, dat men haar en hare moeder voor zusters zou aanzien? Het is een keurig portretje. Alleen zou ik gewild hebben, dat de fotograaf haar een weinig minderen facegenomen had; doch dat zijn van die details waar de fotografen gemeenlijk geen oog voor hebben."

—"Ja maar," begon André.

Doch om Lidewyde duidelijk te maken dat hare aanmerking hem niet geheel en al gegrond voorkwam, moest hij opstaan; en wilde hij het licht niet roekeloos onderscheppen, dan was het onvermijdelijk dat hij zich achter haar fauteuil plaatste en haar met den vinger aanwees, dat het door den fotograaf gebragte offer goedgemaakt werd door sommige schoonheden in Emma's houding, die anders verloren zouden zijn gegaan. Hij ondernam het, zich van dat pleidooi te kwijten, doch niet zonder zekere ontroering. De fijne geur van bloemen en kruiden die uit Lidewyde's kapsel naar hem opsteeg, bedwelmde hem niet zoo zeer; maar gedurende zijn onderhoud met haar had hij de oogen schier niet kunnen afwenden van hare schouders, die, zonder breed te zijn, toch eene ronding en volheid vertoonden, waarbij Emma's buste onvorstelijk afstak. Nu hij zich in de onmiddelijke nabijheid van Lidewyde bevond, troffen die schouders hem op nieuw en nog sterker dan te voren. Emma zou hij steeds ontraden hebben, zich bij bals of andere feestelijke gelegenheden te zeer den hals te ontblooten, Lidewyde niet. Hij stelde zich integendeel voor, dat het een verrukkelijk schouwspel moest opleveren, Lidewyde gedekolleteerd te zien.

—"Ja maar," hervatte hij, zich voorover buigend, zoodat hij den adem moest inhouden om haar kanten mutsje te ontzien, "ik geloof niet dat de fotograaf er veel bij zou gewonnen hebben..."

—"En waarom zou hij niet?"

—"Wel, omdat anders..."

—"Neen, dat ben ik niet met u eens."

—"Ik druk mij verkeerd uit, geloof ik."

—"Toch niet, ik begrijp uwe bedoeling volkomen. Tenzij..."

—"Nu juist, dat is het."

Het pleidooi zou misschien gaandeweg zijn gaan vlotten, en ook al ware het nu en dan een weinig blijven steken, welligt zou André het niet onaangenaam hebben gevonden, zich nog digter over de leuning van Lidewyde's stoel heen te buigen en haar in vertrouwen te betoogen dat Emma's houding weinig of niets te wenschen overliet. Doch hun onderhoud werd gestoord door de komst van den heer des huizes, en het duurde geen vijf minuten, of het manipuleren van messen en vorken had aan alle debatten voorshands een einde gemaakt.


Back to IndexNext