Achter 't saai gordijn te vliên.
Maar al had zij hooren praten,
Dat hij dra wordt ingelaten
Die 't ons op zijn luit bediedt,
Niet te luist'ren naar zijn bede,
Niet te naad'ren ook geen schrede,
Dat gedoogde 't hartjen niet.
Op haar bloote, blanke voetjens,
Sloop zij zachtjens, sloop zij zoetjens
Dies naar 't raam: wat fraaijen val!
Hoor, hij zong niet: Wil mij minnen!
Hoor, hij bad niet: Laat mij binnen!
Neen, hij prees haar schoonst van all'
Was het waarheid wat hij kweelde,
Dat "de lieve lach, die speelde
Om haar lipjens, "kus mij!" riep,
"Maar dat de opslag van haar oogjens,
Wacht hield bij die nektartoogjens?"
Hoe zij naar den luchter liep!
Zie, al had zij hooren preêken,
Dat de booze liefst zijn treken
Uitspeelt achter 't spiegelglas,
Waarom zou zij, nu slechts muren
Haar bespiedden, niet eens gluren,
Of zij de allermooiste was?
En zij keek eens en zij knikte,
En zij keek weêr en zij blikte
Op haar vlugge beentjes neêr;
En zij danste een passedijsjen,
Naar een zacht geneuried wijsjen,
En zij knikte keer op keer.
Maar het was, terwijl zij zwierde,
Of het luik op 't hengsel gierde,
Of... doch langer geen geluid;
Echter kraakte vast de wingerd,
Om haar vensterken geslingerd....
Wie sprong binnen? 't Licht woei uit!
En echter hebt gij 't lied beluisterd?
Een and're vraag, 'k was dies gewis,
Vol lachs of vol van ergernis?
Neen, niet gemeesmuild, niet gefluisterd,
Getuig wat uw verbeelding is:
Ofschalke als die van vroeger dagen,
Wier wieken, gift van scherts en lust,
Op 't feestmaal werden uitgeslagen,
Haar smetteloosheid zich bewust,—
Die zonder blaam, die zonder vrees
Het menschelijke menschlijk prees;
Of... laat mij haar onreine noemen,
Die onder dubb'len sluijer kleurt,
Die eischt dat we ied're drift verbloemen,
Wijl ze elken zegen heeft verbeurd:
Wit graf waarbij de minne treurt!
Wat of zich Bontekoe verbeeldde?
Dat Machtelds minnaar binnen kwam,
Met zoete woordekens haar streelde,
En, louter liefde, louter weelde,
Een kus stal eer hij afscheid nam;
En... waarlijk verder dacht hij niet;
't Bosschaadje hoorde een ander lied:
VI
PAPEGAAIJEN-DEUNTJEN.
Stem: Lorretjen.
Wat leide ik toch een leven,
Het prinsjen van de buurt!
Mijn stok is bruin gewreven,
Mijn kooi is glad geschuurd,
En ik kan klontjens krijgen,
Voor 't praten en voor 't zwijgen.
Ai! Lorretjen,
Kaporretjen,
Kapoe, kapoe, kapoe,
Houd mij je bekjen toe!
En zou ik mij dan storen
Aan 't smalen van dien knaap,
Die steeds wat nieuws wil hooren,
Die me uitscheldt voor een aap,
En mij zoo graag zou dwingen,
Een eigen lied te zingen?
Neen, Lorretjen,
Kaporretjen,
Kapoe, kapoe, kapoe,
Is daar te snugger toe!
Ik ken wel mijns gelijken,
Die wand'len over straat,
Die met een degen prijken,
Die zitten in den raad;
Zij kregen 't beste hapjen,
Door krek te doen als Papjen.
Een Lorretjen,
Kaporretjen,
Kapoe, kapoe, kapoe,
Waar past die al niet toe?
'k Weet niet of u de les zal smaken;
De wilden lachten luide er om,
Terwijl 't refrein op eens een drom
Van papegaaijen deed ontwaken:
Daar klonk 't kapoe; daar galmde 't weêr;
De vogels wisten van geen schuwte;
De zoelte riep het tot de luwte,
Het strand den stroom toe keer op keer;
En Bontekoe dacht onder 't schaat'ren
Des wilden wouds, der wilde waat'ren:
"Zing voort, ik ken geen liedje meer."
En toch, toen 't woest geschreeuw bedaarde,
Dat zelfs zijn roeijers dra verdroot,
En 't paar weêr rust'loos op hem staarde,
En half hem smeekte en half gebood,
Was hij niet slechts gereed te kweelen,
Maar werd zijn toon zoo vol, zoo vrij,
Of 't lief tooneel van vrijerij,
Dat blanke Maas of gulden IJ
Op 't marmer van zijn vloed zag spelen,
Een warmte hem mogt mededeelen,
Als reed hij schaats, als vrijde hij:
VII
WIJS KLAERTJEN OP 'T IJS.
Stem: Mijn zoetje!
Ik moetje (met variatie.)
Starter.
Wijs Klaertjen
Zou 't paartjen,
Liefst zamen alleen,
Verzellen
Of kwellen,
't Was moeder schier één,
Mits 't zusjen
Elk kusjen
Haar klappen mogt t'huis:
Op 't ijs met zijn beiden hield de oude niet pluis.
Min bloode
Dan noode
Ging 't vrijsterken meê;
Te waken,
Te laken,
Voedt vriendschap noch vreê,
En Govert,
Betooverd
Door Elze zijn lief,
De borst gaf den drommel van haar: "houd den dief!"
Hoe prachte,
Hoe lachte
Die olijke guit,
Bij 't winden
En 't binden
't Wijs zusterken uit!
Zij gromde,
Zij bromde
Om 't schalke gezeur,
Bij 't kitt'len der voetjens voor dooven mans deur.
"Mag praten
Niet baten,"
Was moederliefs woord,
"Men jage
Den trage
Door voorbeelden voort!"
Dies rende
In 't ende
Ons meisken het paar
Vooruit, naar de baan, in de woelige schaar.
Eerst reed zij;
Toen gleed zij;
Straks peinsde ze een poos:
"Die terger!
Ik erger
Mij niet aan 't gekoos.
Omhelze
Hij Elze,
Mits verre van stad!"—
Toen keek ze eens, of zus op het stoeltjen nog zat.
Waratje,
Mijn schatje,
't Bleek dwaas overleg.
Zij blikte,—
Zij schrikte,—
Het paartje was weg!
Wat riep zij!
Wat liep zij!
Half spijt en half vrees,
En luisterde niet, schoon de jonkheid haar prees.
Toch staarde,
Toch waarde
Getrouw haar op zij
De rapste,
De knapste
Der dartele rij,
Noch jonker,
Noch pronker,
Maar geestige guit
Haar aan,—om haar heen,—en borst eindelijk uit:
"Mooi Grietjen!
Dat hiet-je,
Of wel, liefste Leen,
Of Antjen,
Mijn Santjen!
Maar dat is al een.
Schalk zoetjen
Nu moet je
Met mij op de baan;
Wij kunnen nooit jonger een flikkertjen slaan."
Met greep hij,
Met kneep hij
Haar worst'lende hand,
En zeide
En beidde:
"Spreek op,—naar wat kant?"—
"Ik heet niet...—
Ik weet niet...—
Ik zoek Elze-zus."—
"Leg op dan, mooi meisjen! wij vinden haar flus."
Zij gluurde eens,
Zij tuurde eens
Wie hij wel geleek;
Toen bloosde,
Toen poosde,
Toen werd zij schier bleek;
En 't gapen
Der knapen,
Die 't aanzagen, moê,
Stak Klaertjen haar vingers Flip bevende toe.
O Joosjen,
Mijn Troosjen,
Wat reden zij snel!
Wat beende,
Wat leende
Zij weelderig wel!
De molen,