Eerste Hoofdstuk.In de kamer der barones Derenberg brandt een helder vlammend houtvuur in den hoogen haard en geeft aan het vertrek, met zijn ouderwetsche meubelen, iets vertrouwelijks, iets huiselijks.In een der diepe vensterbanken zit een jong meisje van ongeveer veertien jaren en staart naar het wegstervende avondrood van den korten winterdag; haar fijn profiel teekent zich scherp af op den helderen achtergrond van het venster. Zij heeft de smalle handen gevouwen, en hare gedachten verwijlen blijkbaar bij iets afwezigs.“Mama,” zegt zij op eens en wendt het hoofd met de prachtige, blonde krullen naar de tengere, bleeke vrouw, die in een leunstoel bij den haard zit te breien. “Mama, Army blijft weder onverantwoordelijk lang in grootmama’s kamer; wij zullen er wel weder niet toe komen, naar den molen te gaan en het wordt daartoe toch hoog tijd; Army heeft slechts acht dagen verlof, en daarvan zijn er reeds vier om. Vandaag had hij mij bepaald beloofd, mede te gaan;—wat moet Liesje wel denken, dat hij daar nog in ’t geheel niet geweest is?”Bij deze woorden was het jonge meisje opgestaan en hare moeder genaderd; een verdrietige en ongeduldige trek lag op haar kinderlijk gelaat.“Heb geduld, Nelly!” antwoordde de moeder, en liefkoosdede bloeiende wangen der dochter. “Gij weet, wanneer grootmama het verlangt, moet Army blijven, zoolang zij het wil; grootmama zal hem veel te zeggen hebben. Oefen u in geduld, mijn lieveling! Daaraan is in het leven zooveel behoefte.—Steek de lamp aan! Gij weet, er is nog veel aan Army’s linnengoed te doen.”Het slanke, nog een kind gelijkend jonge meisje verplaatste zich bijna onhoorbaar over den ingelegden vloer, en weldra verlichtte de lamp het vertrek, ’t welk er nu nog aangenamer uitzag, daar de geheele inrichting, hoezeer ouderwetsch, zich door gezelligheid kenmerkte.Ook de barones stond op en ging aan de groote, ronde tafel zitten. Nu viel het licht der lamp op een bleek, lief gelaat, dat duidelijke sporen droeg van veel kommer en lijden.Haar dochter, tegenover haar gezeten, had dezelfde trekken; op dit oogenblik straalden haar blauwe oogen van blijdschap; want in de gang weerklonk een vaste, vlugge, mannelijke tred. Spoedig daarop werd de deur geopend;—een bevallig, jong officier trad binnen; zijn negentienjarig gelaat blonk van levenslust. Nelly ijlde hem te gemoet.“Army, hoe heerlijk, dat gij komt! Nu kunnen wij toch nog naar den molen gaan,” zeide zij, en sloeg, zich op de teenen verheffende, de armen om zijn hals; “ik haal schielijk mijn kap en mantel, want lang mogen wij niet meer wachten; in den molen wordt ’s avonds vroeg gegeten,” en verheugd wilde zij zich heen spoeden.“Nelly!” riep de jonge man en hield haar terug; “laat dat nu blijven! Dat—voegt niet meer,” liet hij er eenigszins verlegen op volgen.“Voegt dat niet meer?” Het jonge meisje zag haar broeder vragend aan.“Neen, Nelly, gij moet verstandig zijn; als kind kan men omgaan met wien men wil, juist omdat men een kind is; als officier kan dat echter niet meer.”“Nu, Liesje moogt gij toch wel bezoeken; gij gingt vroeger altijd zoo graag mede.”“Kom, Army!” sprak de barones, “dat meent gij niet; het zijn achtenswaardige lieden daar op den molen, die het altijd goed met u gemeend hebben; het zoude ondankbaar zijn.”“Maar, mama, ik bid u,” antwoordde hij knorrig, “die lieden behooren tot den onbeschaafden stand. Verbeeld u, dat de molenaar eens te B. kwam en den ongelukkigen inval kreeg, mij te bezoeken. Ik zou er immers dood mee verlegen worden!”“Het zijn volstrekt geen onbeschaafde menschen,” riep Nelly uit; “dat kan slechts grootmama u gezegd hebben, die nu eenmaal de lompenmolenaars-familie volstrekt niet lijden mag.”“Lompenmolenaars! Daar hebben wij het!” lachte de jonge officier. “Laat ieder in zijn eigen stand blijven! Ook gij, Nelly, zult dáár niet altijd kunnen blijven verkeeren. Wanneer gij eerst uwe sleepjaponnen draagt—dan is het ook met u: adieu, Liesje!”“Nooit!” antwoordde het jonge meisje heftig, “ik zou des nachts naar den molen gaan, wanneer men het mij des daags verbood. Liesje is mijn eenigste vriendin. Wat moet ik nu als reden opgeven dat gij niet komt?” Zij barstte in tranen uit.“Daar zal wel een reden voor te vinden zijn, Nelly; schrei toch niet!” troostte haar broeder. Zijn stem klonk teeder, evenals vroeger, toen hij de pop zijner zuster brak, en niet wist hoe haar te troosten.“O, niet waar, Army,” bad zij en zag vol vertrouwen naar hem op, “gij hebt mij slechts willen plagen,—wij gaan naar den molen, aanstonds?”Hij stond een oogenblik besluiteloos; in zijne verbeelding zag hij een kleine meisjesgestalte, zooals hij die vroeger honderdmaal gezien had, Liesje, lompenmolenaars Liesje vanden papiermolen, daar beneden in het dal. Zij zag hem met de helderblauwe kinderoogen aan; de roode lippen openden zich: “Army, gaat gij mede? Tante zal ons appelen geven, en in het park heb ik een vogelnest gezien; kom Army, kom toch!”Onwillekeurig maakte hij eene beweging, alsof hij zijne muts wilde opnemen, die op de tafel lag. Het licht der lamp viel op een fonkelenden ring aan zijn hand, in welks groenachtigen steen het wapen der Derenbergs blonk; één vluchtige blik hierop en—haastig greep hij zijne muts en wierp die op een nabij staande tafel.“Kwel mij niet!” zeide hij kortaf en keerde zich om.Er ontstond een lange pauze; het jonge meisje stond op en zette zich op hare vroegere plaats, het hoofdje diep over haar werk gebogen; maar de kleine vingers, welke de naald voerden, beefden, en uit de oogen vielen groote tranen op het witte naaiwerk. De barones zuchtte, en vestigde een smartelijken blik op den zoon, die onophoudelijk de kamer op en neder ging. De oude rococo-klok sloeg zes uur en begon een lang vergeten liefdesliedje te spelen; de zoete melodie klonk door de kamer en nog altijd heerschte er een drukkend stilzwijgen tusschen deze drie menschen, door de innigste liefde aan elkander verbonden.“Army,” sprak eindelijk de bleeke vrouw, “wanneer gaf grootmama u den ring, dien gij nu aan den vinger draagt?”Hij bleef voor den haard staan, en met de pook in het vuur stootende, dat de vonken omhoog vlogen, zeide hij;“Heden middag, zooeven, toen ik bij haar was!”“Weet gij ook, dat het uws vaders ring is, Army?”De jonge man keerde zich plotseling om. “Neen, mama, dat heeft grootmama mij niet gezegd; zij sprak slechts in het algemeen over de beteekenis van het wapen en—”“Nu, mijn kind, dan zal ik het u zeggen,” klonk het van de lippen der barones, met een van aandoening bevende stem. “Het is de ring, dien grootmama eens van de koude, verstijfdehand uws vaders trok, toen hij—gestorven was” De laatste woorden klonken als een half onderdrukte snik. De spreekster zonk als bezwijmd in haar stoel neder.“Mijn lieve, goede Mama!” riep Army en stond in een oogenblik naast haar, terwijl Nelly, over haar heen gebogen, haar wang tegen het met tranen besproeid gelaat drukte. “Ween niet, lieve mama!” bad hij, “ik zal den ring zoo hoog in eere houden, als dat slechts een zoon vermag, die trotsch is op de nagedachtenis zijns vaders; ik wil mijn best doen, even goed, even edel te worden, als hij was.”Uit deze woorden, zoowel als uit den blik, dien hij op zijn weenende moeder sloeg, sprak nog de volle overtuiging van een kinderlijk gemoed, de innige vereering, die in den gestorven vader den edelste der menschen ziet. Maar de uitwerking dier woorden was een bijna verpletterende. De slanke gestalte der barones richtte zich overeind; als wezenloos zag zij haar zoon aan, en: “Army, almachtige God!” riep zij in vertwijfeling uit, “o, slechtsdatniet, slechtsdatniet!”“Mama is ongesteld,” zeide de zoon en haastte zich naar de schellekoord.Doch een flauw: “Kom hier, Army! het wordt reeds beter,” bracht hem aan hare zijde terug; zij nam dankbaar een glas water aan en sprak, terwijl zij poogde te glimlachen:“Ik heb u verschrikt, arme kinderen. De herinnering aan den dood uws vaders is nog heden voor mij diep treurig; maar nu Army op het punt staat zijne intrede in de wereld te doen, moet ik met u over het verledene spreken, iets wat ik tot nu toe steeds vermeden heb. Gij zult u zeker wel eens in stilte verwonderd hebben,” ging zij na een korte pauze voort, “over de eenvoudige, ingetogene levenswijze die wij voeren, over het volstrekte gemis van weelde en overvloed. Ach, Army, niet om mijnent- alleen om uwentwille doet mij dat leed. Gij gaat de wereld in onder de drukkendste omstandigheden, die men zich kan voorstellen, veroorzaakt door de grenzenlooze lichtzinnigheid uws—”Zij hield ontsteld op en brak in bittere tranen los.Army stond met gefronst voorhoofd bij den haard en zag tot de weenende vrouw op; de vroolijke uitdrukking was van zijn gelaat als weggevaagd, en om zijn mond was een trek van bittere teleurstelling zichtbaar.“Toen ik hier kwam wonen aan de zijde uws vaders, ik, een kind van nauwelijks zeventien jaar,” hervatte de barones, “vond ik hier enkel pracht en een vroolijk leven. Het slot Derenberg was sedert jaren beroemd wegens zijne gastvrijheid, en uwe grootmama verstond de kunst, de eer des huizes op te houden. Zij was toen nog beeldschoon, en haast even betooverend als op haar portret in de groote familiezaal boven; zij hield hartstochtelijk veel van pracht en praal. Jegens mij was zij zóó lief en goed, dat ik waarlijk meende, een tweede moeder gevonden te hebben. Ach, die korte glansrijke tijd was de schoonste mijns levens, en toen ik u aan mijn hart mocht drukken, mijn Army, en u, mijne Nelly, toen ontbrak er niets meer aan mijn geluk.—Daarop echter kwam het vreeselijke: de dood uws vaders. Plotseling en onverwacht trof ons het ongeluk.”Zij huiverde en drukte de bevende handen tegen de slapen, als om zich te herinneren, of dat, wat zij verhaalde, werkelijk tot het verleden behoorde.“Na zijn dood werd de oude justitieraad Hellwig mij als curator ter zijde gesteld. Het bleek, dat onze zaken meer dan verward waren. Waarheen het oog zich ook wendde—hypotheken, pandbrieven, onbetaalde rekeningen; het was eene wanorde zonder wederga, waarin grootmama en ik ons eensklaps verplaatst zagen. Hoe vele slapelooze nachten, hoe vele kommervolle uren zijn sedert verstreken, en toch is tot heden, trots alle bemoeiingen van den ouden Hellwig, nog geen licht in den chaos gekomen.”“Wind u niet op, lieve mama!” bad de jonge officier, “ik wist het immers reeds lang, dat wij in bekrompen omstandigheden leven, hoewel ik niet vermoeden kon, dat wij zooarm zijn; maar houd goeden moed! Er komen zeker ook weder andere, betere tijden, en grootmama heeft mij nog onlangs gezegd, dat de zaken niet zoo hopeloos stonden, daar wij toch nog een rijke erfenis van tante Stontheim te wachten hebben.”“Grootmama gelooft stellig aan deze erfenis, maar—”“Zij wenscht,” viel de jonge man zijne moeder haastig in de rede, “dat ik, alvorens naar mijn regiment te gaan, tante Stontheim zal bezoeken.”“Ik heb er niets tegen, mijn kind, en wensch van ganscher harte, dat grootmama zich niet bedriegt; maar wij moeten niet vergeten, dat de Derenbergs in Koningsbergen evenveel recht op de erfenis hebben als wij; de dochter van den overste Derenberg van het zestiende regiment heeft hetzelfde recht als gij en Nelly.”Op dit oogenblik opende Sanna, de oude dienstbode der barones, de hooge vleugeldeur, en de oude barones Derenberg trad binnen. Nog altijd een statige, gebiedende verschijning, ging zij, trots haar zestig jaren, nog volkomen rechtop. Zij droeg haar eenvoudig wollen kleed met dezelfde waardigheid als vroeger haar zwaar zijden sleepjapon. Haar dik, nog altijd donker haar, aan de slapen een weinig naar achteren gestreken, werd door een kanten mutsje bedekt, waaronder een paar groote zwarte oogen fonkelden. Over haar geheele verschijning lag een echt aristocratisch waas, en de fijne trekken drukten een niet te buigen trots uit. Hoe oud geleek die lijdende, gedrukte schoondochter naast deze indrukwekkende vrouwengestalte!Army ijlde haar te gemoet; hij ontnam haar een groot boek, dat zij in de hand hield, en geleidde haar naar den haard, waar Sanna ondertusschen eenige stoelen gereed gezet had. Ook haar kleindochter was opgestaan, en de bleeke vrouw veegde in stilte de laatste tranen uit haar oogen weg.“Waarover werd hier gesproken?” vroeg de oude barones, terwijl zij plaats nam aan den haard en de dienstbode wenkte,heen te gaan. “Ik hoorde zoo iets van ‘dezelfde rechten als Army en Nelly.’”“Wij spraken over tante Stontheim en de erfeniskwestie,” antwoordde hare schoondochter, zich ook aan den haard zettende, “en ik gaf als mijne meening te kennen, dat Blanka van Derenberg uit Koningsbergen evenveel recht op de erfenis zou hebben als onze kinderen.”“Blanka? welk een idée!” riep de oude dame schouderophalend, “dat roodharige, klierachtige schepsel? Tante Stontheim heeft—goddank!—een te goeden smaak, om zulk een dwaasheid te doen;—overigens had zij, voor zoover ik mij herinneren kan, een zeer billijken afkeer van dien snoevenden overste en zijn hoogblonde gemalin, die hij, God weet! in welken hoek van Engeland of Schotland heeft opgedaan. Zij is immers een miss Smith of Newman? Nu, zoo iets duisters is het. Neen, Cornelie, dat is weer een van die ongehoorde, gezochte geschiedenissen, waarmede gij u-zelve en anderen kwelt.”De toon harer stem klonk spotachtig, zooals gewoonlijk, wanneer de trotsche vrouw tot haar schoondochter sprak.“Ik meende slechts,” antwoordde deze zacht, “dat men toch niet met zekerheid—-” hier hield zij op. “Het leven geeft reeds zoo vele teleurstellingen, dat men werkelijk—”“Army zal het bij de oude, knorrige tante wel zoover weten te brengen, dat zij hem het waarlijk vorstelijk vermogen vermaakt,” viel de oude dame haar bits in de rede.“Hoe bedoelt gij dat, grootmama?” klonk plotseling de stem des jongen mans. “Gij verlangt toch, hoop ik, niet, dat ik—een erfenisjager worden zal, zooals men dat noemt? Ik zal haar beleefd en hoffelijk bejegenen, zooals tegenover eene dame betaamt, maar dat is ook alles—kruipen kan ik niet;—wat zij mij vrijwillig niet wil geven, mag zij behouden!”Verbaasd richtte de grootmoeder zich uit haar achtelooze houding op, en haar oogen fonkelden van toorn over deze onverbloemdeverklaring van haren kleinzoon. “Zou men dat wel van zulk een jongen melkbaard gedacht hebben?” vroeg zij op een toon, die zij te vergeefs poogde schertsend te doen klinken, want haar stem beefde vanergernis. “Wel, Army! hebt gij met den cadettenrok ook den eerbied afgelegd en meent gij, wijl gij sedert acht dagen de épauletten draagt, nu het recht te hebben, uwe grootmoeder te vermanen en haar goede raadgevingen te versmaden? Gij zijt nog veel te jong om den toestand, waarin ge nu komen zult, juist te kunnen beoordeelen. Is dat jachtmaken op erfenissen, wanneer men de liefde eener oude, eenzame bloedverwante zoekt te winnen?”“Ja, grootmama,” zeide Army beslist, zonder dat één trek op zijn lief gelaat veranderde. “Ja, dat is het, indien men met de liefde, ook het geld van iemand zoekt te winnen—”“Dat men hoog noodig heeft, wil men zijn leven lang geen gebrek lijden, en zijne dagen in kommer en ellende slijten, in een slot zonder heerlijkheid en inkomsten,” viel de oude barones hem toornig in de rede en schoof heftig haar stoel achteruit.“Dat stem ik toe, grootmama; ik zou ook zoo boud niet gesproken hebben, zoo er niet nog eene erfgename ware; maar dewijl Blanka—”“Alweder die Blanka! kent gij haar misschien? Weet gij of zij nog leeft, dat ziekelijke schepsel? ’t Is akelig, zulke kinderwijsheid te hooren uitkramen, die sterk naar de cathechisatie-kamer riekt. Ik verlang dringend, Army, dat gij naar Stontheim gaat; ik duld geen tegenspraak; heden nog vertrekt de brief, die uwe komst meldt.”“Zeker, grootmama, ikzalgaan,” zeide Army beleefd maar koel,“zoodra gij het verkiest.”Zij stond op; haar trotsch gelaat gloeide en om den mond plooide zich een eigenaardige, hoogmoedige trek; nooit was de overeenkomst tusschen grootmoeder en kleinkind meer in het oog vallend geweest. Met vlammende oogen en vastop elkander gedrukte lippen, stonden zij tegenover elkander, zonder dat de een voor den ander het veld wilde ruimen.“Gij vertrekt morgen namiddag, met de post van vijf uur,” zeide de oude koel, en zonder de toestemmende buiging des jongen mans af te wachten, groette zij haar ontstelde schoondochter met een nauw merkbaar hoofdknikje, en ging heen.Een pijnlijke stilte volgde, toen de vleugeldeuren achter de hooge gestalte der oude barones dicht vielen. Hij, die het gewaagd had, de trotsche vrouw tegen te spreken, wier woord een bevel voor alle huisgenooten was, hij stond in zoo rustige houding voor den haard, en staarde zoo onverschillig in de vlammen, alsof er niets gebeurd was. Nelly zag haar broeder verwonderd aan; hij scheen een geheel ander mensch te zijn. Niemand sprak een woord, totdat de oude Sanna binnentrad met een brief in de hand, en vroeg:“Heeft Mevrouw de barones ook iets noodig uit het dorp? Hendrik moet naar de post; het sneeuwt sterk, en wellicht kon het dan meteen geschieden.”De barones antwoordde ontkennend en de oude vertrok. Intusschen was Army aan de tafel gaan zitten en bladerde in het boek, dat hij zooeven uit de handen zijner grootmoeder genomen had.“Daar vind ik iets over onze schoone Agnese Mathilde boven in de familiezaal,” riep hij vroolijk: “kom eens hier, zusje! Dat is interressant—hoor maar!”Het jonge meisje ging naar hem toe, boog zich over de leuning van zijn stoel en zag nieuwsgierig naar het geelgeworden papier, dat met moeielijk te ontcijferen schrift bedekt was. Hij las, langzaam spellende:“Op den dertigsten November Anno 1694 is hier in het slot Derenberg het lijk der hooggeboren vrouwe Agnese Mathilde, barones van en tot Derenberg, Schüttenfeld en Braunsbach, geboren vrijvrouwe van Krobitz uit het stamhuis Trauen, in den grafkelder plechtig begraven, en welzóó, als zij het bij haar leven zelve beschreven had. En het lijk stond in de zaal naast de kapel, en de doodkist was bedekt eerst met een fijn wit, en daarover een zwart satijnen lijklaken, waarop genaaid was een kruis van zilverdoek. Bovenop lag in het midden een verguld zilveren crucifix, en aan elke zijde waren acht kleinere, aan het hoofd- en voeteneinde echter grootere op oranjekleurige zijde geborduurde wapens van Derenberg en Trauen, bevestigd. De kist werd alleen door de adellijken, die in de buurt woonden en hier dikwijls feest gevierd hadden, in de kapel gedragen. Daarachter gingen de zes zonen der overledene, dan volgde de weduwnaar, die zeer bedroefd was.”“Dat is vervelend,” viel de jonge officier zichzelf in de rede, “maar wat staat hier?—luister!”“En de schoone Agnese Mathilde, barones van en tot Derenberg is een zeer trotsche en kloeke vrouw geweest, die haar man in alle nooden wakker ter zijde stond.“Zij had een slanke gestalte en rood haar, hetgeen eigenlijk geen goed teeken moet zijn, zooals het oude rijmpje zegt:De schoone vrouw en ’t schoone paard,Zijn ongetwijfeld zeer veel waard;En zijn ze zonder booze nuk,Dat is voorwaar een groot geluk.Let daarom op de kleur van ’t haar,En is dat rood, dan dreigt gevaar.“Doch zij heeft niet meer gebreken gehad dan andere vrouwen; zij was een schoone vrouw; een ridder was voor haar zoodanig in liefde ontstoken, dat hij, toen zij zijn smeeken geen gehoor wilde leenen, zich uit wanhoop het leven heeft benomen, ’t geen God hem moge vergeven; en in zijn bloed badende, heeft zij hem voor de deur van haar vertrek gevonden, waardoor zij zóó ontstelde, dat haar plotseling een zware ziekte is overvallen, zoodat men meende, dat zij ellendig zou sterven. De goede God heeft haar echter een spoedige herstellinggeschonken; maar zij heeft na dien tijd niet weder gelachen, en de ridder, een jonker van Streitwitz, is in den slottuin alhier begraven.”“Wat zegt gij daarvan, mamaatje?” riep Army opgewonden; “ik wil graag gelooven, dat iemand zich om haar van het leven heeft beroofd; het is een wonderschoon gelaat. Ik wenschte wel, dat ik haar beeltenis konde meenemen, en op mijne kamer ophangen; zij moet een bekoorlijk schepsel geweest zijn, die Agnese Mathilde.”“Wel, Army!” lachte de barones, “ik wist niet dat uw eerste verliefdheid eene doode gold! Nu, het is ten minste niet gevaarlijk—wat zegt gij, Nelly?”Nelly zweeg; de opgeruimde stemming wilde niet weder in den kleinen kring terugkomen; het jonge meisje zat zwijgend over haar werk gebogen en dacht er over, wat zij Liesje ter verontschuldiging zou zeggen; Army verdiepte zich weder in de lectuur van het oude boek, en om den mond der barones was het vluchtige lachje verdwenen. Nu en dan streek zij met de hand over de oogen en zuchtte diep; telkens wanneer zulk een bange zucht het oor harer kinderen trof, zagen zij op en rustten hun vragende blikken droevig op het bekommerde gelaat der moeder; daarop nam elk zijne bezigheid weder ter hand.“De genadige vrouw barones wenscht op haar kamer thee te drinken,” zeide de binnentredende oude Sanna, “zij laat zich bij het avondeten verontschuldigen; de barones heeft hoofdpijn.”De oude vrouw droeg een presenteerblaadje met een ouderwetsch kannetje en kopje in rococo stijl. Zij was blijkbaar voornemens, haar meesteres de thee te brengen en stond nu, op antwoord wachtende, bij de deur; zij sloeg een onderzoekenden blik op de drie gestalten, als om te zien, welken indruk dit bericht op hen maakte. De peinzende vrouw aan den haard scheen haar woorden niet gehoord te hebben en zag verschrikt op, toen haar dochter vriendelijk zeide:“Wij betreuren dat zeer, lieve Sanna, en wenschen grootmama van harte beterschap.”“Is uwe genadige vrouw ongesteld, Sanna?” vroeg de barones.“Ja zeker,”antwoordde deze, en de groote, beenige figuur richtte zich in haar volle lengte op, terwijl zij met haar grauwe oogen de vragende strak aankeek. “De barones was reeds niet wel, toen zij van hier ging, want zij kwam met hevige hartkloppingen in haar kamer; ik heb haar reeds drie bruispoeders moeten geven. Als het maar niet iets ergers wordt!”Er lag iets verwijtends, onbeschaamds in dit antwoord, minder nog in de woorden, dan wel in de stem en de uitdrukking van het gelaat, zoodat de barones Derenberg van verontwaardiging kleurde. “Het spijt mij zeer,” zeide zij, haar stem verheffende en Sanna met de hand wenkende heen te gaan; “ik hoop dat de genadige vrouw morgen weer hersteld zal zijn.”“Zeer goed,” antwoordde de oude en verliet het vertrek, maar haar houding en de uitdrukking van haar gelaat onder de geplooide muts waren eensklaps vijandig geworden.Army was opgesprongen, en zag met toornige blikken de dienstbode na.“Army, ik bid u,” riep de barones, “laat haar! Gij maakt het er niet beter op, wanneer gij haar op hare plaats zet. Zij is altijd zoo geweest; het warme zuidelijke bloed verloochent zich bij haar evenmin als bij haar meesteres, en bovendien—zij vereert uwe grootmoeder afgodisch. Gij weet, Army, dat Sanna reeds met grootmama uit Venetië hierkwam, dat zij het tijdperk van grootheid en rijkdom met haar doorleefd heeft, en nu trouw haar zorgen en ontberingen deelt. Sanna heeft veel goeds; een getrouwheid als de hare is zeldzaam; en u, kinderen, vooral Army, heeft zij boven alles lief; zij is buitendien ook al zóó oud, dat men haar niet veel kwalijk nemen kan.”Army antwoordde niet; hij nam zijne muts. “Ik moet een oogenblik naar buiten, anders slaap ik slecht,” zeide hij, kuste zijn moeder de hand en verliet het vertrek.Hij stond in den hoogen, killen corridor, en vroeg zichzelf af, waar hij eigenlijk heen wilde. “Eerst moet ik mijn paletot halen,” dacht hij, en ging door de lange gang naar zijn kamer; hij was wonderlijk te moede—voor het eerst had hij den ernst des levens leeren kennen. Ja, hij wist wel, dat zijne familie in behoeftige omstandigheden leefde, maar met de gewone onbezorgdheid der jeugd, had hij zich daarover niet bekommerd. Nu had zijne grootmoeder er over gesproken en hem tegelijk het uitzicht op eene rijke erfenis geopend, maar er was nog eene erfgename, een klein, roodharig schepsel, zooals grootmama haar genoemd had.Hij dacht aan de schoone Agnese Mathilde! hoe heette het ook weer het rijmpje: “Daarom, let op de kleur van ’t haar! En is dat rood, dan dreigt gevaar.” Het roode haar zouhemtoch niet in gevaar brengen? Maar neen, hij had geen aanleg om idealist te worden.Grootmoeder had gezegd: “Op u, Army, en op de Stontheimsche erfenis bouw ik al mijne hoop,” en hij had haar iets verweten van jacht maken op erfenis. Maar Blanka dan, de kleine, roodharige Blanka—daar was zij alweer—maar tante Stontheim kon immers verdeelen tusschen Blanka, Nelly en hem—ja, dat was een uitkomst. Zou zóó alles nog niet terecht kunnen komen?Hij huiverde; hij ging naar den haard en wierp een handvol hout op het haast uitgedoofde vuur; de vlammen vlogen knappend op uit het droge hout en wierpen een onzeker licht op den ingelegden vloer. Het roode schijnsel deed het vergulde loofwerk van den schoorsteen helder uitkomen en de oogen van den jongen man volgden droomend de kronkelingen van den eiken slinger, die onder de kroonlijst van den schoorsteen heenliep, en in het midden een omkranst schild vormde, waarop de spreuk:“Wanhoop nooit aan God!Dan is geluk uw lot;”een kernspreuk uit oude, lang vervlogen tijden. “Geluk is dan uw lot,” herhaalde hij halfluid; had hij deze woorden dan nog nooit gelezen? Zij maakten thans een diepen indruk op hem; zou ook hij niet weder gelukkig kunnen worden?Hij zag op naar de prachtige hertegeweiden—alle waren zij door de Derenbergs buitgemaakt, zooals de bijschriften met naam en datum vermeldden, in de bosschen, die men deels verkocht, deels verpand had. Maar het was immers mogelijk—waarom niet?—dat hij eenmaal weder dáár kon jagen, waar zijne voorouders zoo menige vroolijke jachtpartij gehouden hadden.Weg met die zotte kuren! Het leven lag immers nog vóór hem, zoo vol hoop, zoo uitlokkend, en ’t geluk kon immers komen.Op zijn jeugdig gelaat blonk weder een zonnestraal; het hart klopte hem warm in de borst, en hij voelde den moed in zich ’s levens stormen te trotseeren. “Voorwaarts dan in de golven des levens! Hoe sterker de branding hoe beter! Vreugd of smart, ik neem het zooals het valt; een leven zonder strijd is geen leven. Ik wil grootmama om vergeving vragen voor dat leelijke woord ‘erfenisjacht’, ging hij voort; ook mama mag niet meer zoo treurig zijn—waarom altijd zoo donker te zien? Zelfs de kleine liet haar hoofdje hangen; ja maar—dat was om Liesje, de kleine lompen-Liesje, bah! dat is niet de moeite waard er over te spreken, en zij zal zelve later wel inzien, dat—”Hij floot een vroolijk liedje, toen hij door de gang naar zijne moeder terugkeerde.Tweede Hoofdstuk.Den volgenden morgen stond Army met een opgeruimd gelaat voor zijne grootmoeder; hij had hare vergiffenis verworven. Wel schudde zij lachend het hoofd, toen hij zijne meening herhaalde, dat de nog onbekende Blanka mee zou erven. “Gij zijt een dweeper, Army,” zeide zij schertsend, doch sprak hem niet tegen; alleen wees zij op een tabouret aan haar voeten. “Ga zitten! Ik heb u nog wat te zeggen, voor wij scheiden.”De vertrekken der oude dame hadden hunne weelderige inrichting behouden, en maakten op het eerste gezicht een bijna prachtigen indruk. Wie nauwkeuriger toezag, bemerkte wel, dat de kleur der zware purperen stof verbleekt, en de zijde hier en daar doorgesleten was, maar niettegenstaande dit alles, gaven de gordijnen voor deur en vensters, de sierlijke palissanderhouten meubels, het zware Smyrnasche tapijt aan het vertrek een deftig aanzien. De wanden waren versierd met in gouden lijsten gevatte, vroolijke Italiaansche landschappen; ’t waren herinneringen aan de gelukkige dagen, door de barones als gevierde gravin Luja te Venetië en Napels doorgebracht, en bij deze herinneringen vergat zij het troostelooze heden.“Hoe gij u te gedragen hebt jegens tante Stontheim, behoef ik u niet te zeggen, Army!” ving zij aan, verstandig het geschilpunt van gister vermijdende. “Gij zult ditzelf wel weten; breng haar mijne hartelijke groeten, en zeg haar, dat ik een oude, afgeleefde vrouw ben geworden.”“Die boodschap kan ik niet overbrengen, grootmama,” zeide Army hoffelijk, “ik kan mijn geweten onmogelijk met een leugen bezwaren.”De oude dame lachte, en hem een tikje op de wang gevende, sprak zij: “Niet spotten met uw oude grootmoeder!”Army kuste haar de hand. “En wat heeft u mij nog meer te zeggen?”“Ja, waarlijk, ik moet u nog voor iets waarschuwen. Gij treedt zeer jong de wereld in en hebt het hartstochtelijke bloed mijner voorouders geërfd. Geniet uw jonkheid naar hartelust, maar wacht u voor een ernstige neiging! Zij, die gij eenmaal als vrouw naar huis zult voeren, moet veel in zich vereenigen, van oude familie zijn en vermogen bezitten, Army! veel vermogen; dit is een der weinige wegen, die u openstaan om den gezonken luister van uw huis weer op te richten.—Dat is alles, en als gij belooft, mij nu en dan eens te schrijven, heb ik u niets meer te zeggen!”De jonge officier lachte. “Zeker grootmama, ik schrijf spoedig, want ik zal tijd in overvloed hebben; maak u niet bezorgd! Aan trouwen kan ik toch onmogelijk nu reeds denken; ik ben immers eerst onlangs achttien jaar geworden.” Hij lachte luid; van zijn gelaat was elke schaduw van den vorigen avond verdwenen. “Mag ik nu afscheid nemen, grootmama?” vroeg hij, “ik wilde nog gaarne eens naar de familiezaal gaan, om de schoone Agnese Mathilde een afscheidsbezoek te brengen. Hoor eens, grootmama, dit kan ik u tot uwe geruststelling verzekeren,” voegde hij er bij, “wanneer ik niet een meisje vind, dat haar gelijkt, dan trouw ik niet, want zij is mijn ideaal eener vrouw.”“Meent gij die Mathilde met het roode haar?” vroeg de oude dame verbaasd.“Ja!” knikte de kleinzoon. “Ik heb eene voorliefde voorrood haar. A propos, grootmama, mag ik het oude boek behouden, dat gij gister avond beneden bracht?”“Zeker, het is een familiekroniek, die ik voor u bestemd had.”“Duizendmaal dank! Tot weerziens van middag!” Hij kuste haar de tengere hand, en vertrok.Een liedje neuriënd, ging hij den corridor door en stond weldra in de familiezaal voor het portret der schoone Agnese Mathilde. Op den donkeren achtergrond kwam het fraaie hoofd heerlijk uit; het zware, goudkleurige, ietwat roodachtige haar, over het blanke voorhoofd weggestreken, was bedekt door een mutsje van zilverstof. Onder dit voorhoofd, onder de scherpgeteekende wenkbrauwen, die een zonderling contrast vormden met het lichtkleurige haar, blonken groote, donkere oogen; met een uitdrukking van diep gevoelde smart zagen zij den beschouwer aan; zoo droomend, zoo lijdend, als vroegen zij hem om een verloren geluk. Een matte schemering heerschte in het groote vertrek; Army schoof de gordijnen van het dichtstbijgelegen venster ter zijde, en nu vielen de stralen der heldere winterzon op het roode haar der schoone vrouw en oefenden de oogen, die oogen met hunne droomende, diep smartelijke uitdrukking, op hem weder dezelfde betoovering uit. Daar naderden zachte schreden, en de kleine hand zijner zuster werd op zijn schouder gelegd.“Zijt gij hier, Army? Het middagmaal is gereed. Kom mee. Gij gaat immers vroeg weg, en ik heb u den ganschen morgen nog niet gezien.”Hij trok het jonge meisje naar zich toe. “Zie mij eens even aan, Nelly!” bad hij, haar hoofdje een weinig oplichtende; “zijt gij nog boos op mij?”Haar oogen vulden zich met tranen, toen zij haar broeder aanzag, maar zij schudde lachend het hoofd. “Boos? neen, o neen! Maar kom toch—het is hier zoo koud.”Hij nam haar hand; doch bij de kamerdeur gekomen,keerde hij zich nog eenmaal om, en zag naar het portret.“Let daarom op de kleur van ’t haar, en is dat rood, dan dreigt gevaar,” mompelde hij zacht voor zich heen.Nauwelijks een uur later stond de oude Sanna boven aan een der ramen, om den vertrekkenden Army na te zien. Hij had afscheid genomen van zijn weenende moeder; nu ging hij juist over het slotplein, en Nelly ging naast hem in een eenvoudig manteltje gewikkeld; zij had er niet van willen afzien, tot de laatste minuut bij haar broeder te blijven.“Precies zijn grootmoeder!” mompelde de oude Sanna zacht; “het hart springt iemand op van blijdschap, als men hem ziet.” Zij hield de handen boven de oogen, om des te beter te kunnen zien. “Het kan hem niet mislukken,” dacht zij, “hij kan aankloppen, waar hij wil; de rijkste, de schoonste kan hij krijgen, en het ongeluk van zijn vader zal hem toch wel niet vervolgen. O, als mijne barones het nog eens mocht beleven, dat hier in het slot het oude, vroolijke, glansrijke leven weder heerschte! Zij zou weder jong en schoon worden. O, mijn bloedige Heiland, hoe zou ik u daarvoor op mijne knieën danken!”Intusschen gingen broeder en zuster de linden-allée door; het was een heerlijk schoon winterlandschap, dat voor hen lag. Beneden, waar de allée eindigde, zag men de met sneeuw bedekte bergen schitteren, door een rand van boomen omgeven; aan de eene zijde kwamen de huizen van het dorp met hunne besneeuwde daken te voorschijn; uit bijna iederen schoorsteen steeg een rookzuil omhoog in de koude winterlucht; aan de andere zijde breidde zich het groote, donkere woud uit. Alles was met een verblindend wit laken bedekt—doodstil was het in de natuur; alleen een zwerm kraaien vloog onder een luid gekras uit de boomen omhoog en deed den witten tooi der stammen verstuiven in het rond. En dit alles werd verlicht door de stralen der ondergaande zon, die zich in de verte als in een purperen zee baadde.De jonge man liet zijne blikken over het landschap weiden.“Zie Nelly,” zeide hij, “dat alles, zoover uw oog zien kan, was eenmaal het onze.”“De papiermolen ook?” vroeg de kleine en wees op het met leien gedekte gebouw.“De molen zelf niet, maar wel een groot gedeelte der landerijen. Grootvader heeft ze aan des molenaars vader verkocht, toen hij zich eens in verlegenheid bevond—zoo verhaalde grootmama mij. De man jaagt daar nu heerlijk, terwijl wij—” hij voer even met de hand over de oogen, toen lachtte hij en begon te fluiten; hij wilde er nu eenmaal niet over tobben.Bij den uitgang van het park gekomen, keerde hij zich nog eens om en zag de groote laan langs.Daar lag het machtige portaal; de treden der breede trappen waren geheel door de sneeuw bedekt, die ook hoog tegen de massieve vleugeldeuren was opgestuwd. Betooverend schoon kwam het slot te voorschijn, als ’t ware overstroomd door den rooden gloed der ondergaande zon; de verlichte vensters straalden den jongen man daar beneden tegen, even helder en zonnig als de droomen der toekomst, die zich in zijn hart hadden ontwikkeld.“Hetmoethier weder anders worden,” zeide hij, “hetmoet; ik wil het.”Hij keerde zich om en volgde zijn zuster.Zwijgend gingen zij verder; eindelijk stond de jonge officier stil en keek op zijn horloge.“Zusje,” zeide hij, “ik moet spoed maken, als ik de post niet wil misloopen; keer gij terug, gij zult koude voeten krijgen in de dikke sneeuw; vaarwel, kleine, en groet allen nog hartelijk van mij!” Hij bukte zich en kuste haar op den frisschen mond. “Pas op, dat de tijd u niet lang valt in het oude, eenzame slot!”Zij schudde het hoofd. “O neen, ik heb Liesje immers.”Zij stonden juist op de plek, waar de weg, langs welken zij gekomen waren, op den grooten weg uitliep. Door hetdennenbosch daarboven voerde een pad naar den papiermolen, dat eveneens hier uitkwam; de weg daalde tamelijk steil naar beneden in het dorpje; onder de breede takken van een lindeboom stond een door de sneeuw bedekte steenen bank. Uit het dorp klonken duidelijk de tonen van een posthoorn.“Wijl ik van u scheiden moet,Bied ik u den afscheidsgroet!Meisjelief, adé,’t Scheiden doet wee!”zong vroolijk een heldere kinderstem, en tegelijk trad een jong meisje uit het dennenbosch te voorschijn.Zij bleef staan, toen zij de beiden gewaar werd; een donker rood bedekte een oogenblik het kinderlijk gelaat, en een paar donkerblauwe oogen staarden verschrikt voor zich neer; maar toen kwam zij dadelijk nader, en een vriendelijke lach plooide haar lieven mond, waardoor zich twee kuiltjes in de wangen vormden.“O, Nelly,” riep zij, “hoe heerlijk dat ik u aantref! En gij Army,” voegde zij er vriendelijk en zonder eenige verlegenheid bij, “gaat gij alweer heen, zonder een enkele maal bij ons op den molen geweest te zijn?”De jonge officier bloosde hevig, toen hij de blauwe oogen op hem gericht zag en de hand vatte, die zij ouder gewoonte hem toestak. Hij kon nog niet genoeg veinzen om eene verontschuldiging te bedenken; zijn lach verstomde bij den aanblik van het lieve, frissche gezichtje, dat hem vragend en verwijtend aanstaarde.“Army moet heel onverwacht vertrekken,” zeide Nelly, “anders—” zij bleef steken; het was haar onmogelijk, het argelooze kind te bedriegen; zij had wel van schaamte willen schreien en zag haar broeder smeekend aan.Maar het jonge meisje was met deze weinige woorden tevreden. “Goede Army,” zeide zij gerustgesteld, “ik had u albeschuldigd, dat gij niet meer in den molen wildet komen; ik wilde juist naar Nelly gaan,”—zij lachte, zoodat de kuiltjes weer te voorschijn kwamen—“om te vragen of het waar was, wat tante beweert, namelijk dat gij trotsch geworden zijt. Nu kan ik haar echter uitlachen, nietwaar? Gij zoudt van daag of morgentochgekomen zijn,” voegde zij er trouwhartig bij.Als in gedachten verdiept, zag hij haar aan. “Wat zijt gij groot geworden!” zeide hij en beschouwde haar slanke gestalte. Liesje was werkelijk even lang geworden als hij zelf; zij zag er hoogst bevallig uit in haar blauw fluweelen, met bont omzet jakje; op eens werd zij bloedrood onder zijn blik en vroeg gejaagd:“Moet gij met de vijfuur-post vertrekken? Dan moet gij u haasten, Army; ik ben toch blij, dat ik u nog als officier gezien heb.” Zij stak hem weder de hand toe, en weder lag hij de zijne in de hare; hij lachte nu ook; de herinneringen uit hunne kinderjaren kwamen nu weder te voorschijn.“De laatste, Army,” riep zij vroolijk, tikte hem licht op den schouder en liep toen haastig weg. Een oogenblik stond de jonge man, als wilde hij, evenals vroeger haar naloopen, om haar “de laatste” weer te geven, zooals zij vroeger telkens deden, wanneer hij den molen of zij het slot verliet;—zij plaagden elkaar daar zoo gaarne mede. Hij trok echter zijn paletot dichter om zich heen, knikte nog eens en ging door. Hij zag niet weder om naar de beide meisjes, die arm in arm hem nazagen; hij moest zich immers haasten.Onder de oude besneeuwde linde werden een paar zachte blauwe oogen vochtig, en een stem, waaruit plotseling alle dartelheid verdwenen was, fluisterde een zacht“vaarwel!”Ook Nelly weende, en toen zijne gestalte achter de huizen in het dorp verdween, vroeg zij angstig: “Nietwaar, Liesje, gij zijt niet boos op Army?” Maar Liesje antwoordde niet; zij schudde slechts het hoofdje en ging zwijgend nevens hare vriendin verder.Het gloeiend rood aan den hemel was verdwenen, en slechts een dof geel kleurde nog den horizon; de vensters van het oude slot zagen er weder even treurig uit als altijd; de beide jeugdige harten waren droevig gestemd door het afscheid; de nachtkus, dien zij elkander bij het hek van het park gaven, was inniger, veel inniger dan vroeger, en Liesje had een gevoel of zij de kleine hand harer vriendin heden niet kon loslaten; nog eenmaal fluisterde zij zacht: “goeden nacht!”Derde Hoofdstuk.De lompenmolen, zooals de papiermolen van ouds her in den ganschen omtrek genoemd werd, lag bekoorlijk tusschen hoog oud geboomte aan het ruischend riviertje. Het statige woonhuis, met den vergulden weerhaan op het spitse leien dak, was gebouwd in de eerste helft der vorige eeuw en had geheel het karakter van dien tijd behouden. De zware eikenhouten voordeur met den blank geschuurden koperen klopper, was nog dezelfde; de kleine vensterruiten waren nog door geen spiegelglas vervangen, en het gebeeldhouwde opschrift in het oude balkon verkondigde, dat dit huis “tot Gods eer Anno 1741 gebouwd (was) door Johan Frederik Erving en zijn huisvrouw Ernestine, geboren IJzerhardin.” De oude drakenkoppen aan de vier hoeken van het dak waren nog steeds bereid, het regenwater uit te spuwen, en de hardsteenen banken naast de huisdeur onder de twee groote lindeboomen waren nog steeds de geliefkoosde zitplaats der familie in de heerlijke zomeravonden. Een groote tuin met vruchtboomen omgaf het huis aan drie zijden met rechte paden, jasmijnstruiken en vele kruis- en aalbessenboomen; deze tuin stond onder het bijzonder toezicht van tante. In den geheelen omtrek waren zulke voortreffelijke appels en peren niet te vinden als op den molen, en de met zorg gekweekte aspergies van tante waren beroemd wegens haar fijnheid en grootte.Wie had zich ook den lompenmolen kunnen voorstellen zonder de oude? Welk een aangenamen indruk maakte het, als men het pad langs kwam, dat naar het woonhuis voerde! De oude vrouw zag dan over de sneeuwwitte gordijnen, om den gast met een paar vriendelijke, heldere oogen te verwelkomen; zij zette het spinnewiel ter zijde en was zoo vlug, dat zij den binnenkomende meestal aan de reeds geopende huisdeur kon ontvangen met een “God zegene u! wat zal dat Mina”—dat was de huisvrouw—of: “wat zal dat Frederik”—zoo heette de heer des huizes—“genoegen doen!” en dan trippelde zij vooruit om den gast in de gezellige woonkamer te laten, en terwijl zij den sleutelbos van haar zijde nam, verdween zij haastig in de keuken en provisiekamer.De oude vrouw leefde sedert haar tiende jaar in den molen; zij was eene weeze, en de grootvader van den tegenwoordigen bezitter had het vriendelijke, kleine meisje tot zich genomen; zoo was zij de speelgenoote zijner beide kinderen geworden. Zij had deze weldaad door trouwe aanhankelijkheid beloond, lief en leed met de familie gedeeld en was reeds lang een geliefd lid des huisgezins en allen onontbeerlijk geworden. De Ervings hadden zich steeds door goedheid en welwillendheid jegens de armen gekenmerkt; hunne rechterhand mocht niet weten wat de linker deed, en de Heer had het hun vergolden, zooals tante dikwijls zeide: zij waren de rijksten, wijd en zijd in den omtrek.Op den molen hadden altijd mannen gewoond van den echten stempel, wier handslag meer gold dan tien eeden, en die een vasten wil en krachtige werkzaamheid in zich vereenigden. Het “bid en werk” was van oudsher de zinspreuk van hun geslacht geweest, door de ouders steeds den kinderen ingeprent. De molen kon zich nog op iets anders beroemen: op de bijna tot een spreekwoord geworden schoonheid der vrouwen en dochters. “Zóó schoon, alsof zij van den molen afstamde,” was een compliment, dat men in het dorp aan menig schoone maagd gaf: de blauwe oogen der molenaarskinderenhadden reeds sinds jaren menigeen kommer en hartepijn veroorzaakt. De oude molen was ook getuige geweest van veel levensgenot, maar altijd was het de echte, rechte, gulden vroolijkheid.Met de Derenbergs hadden zij altijd als vriendschappelijke buren verkeerd; van weerszijden waren het dan ook mannen, die elkander achting moesten toedragen; en wanneer de toenmalige landheer langs de molenbeek reed en de toenmalige molenaar met zijn vrouw onder den lindeboom zat, ontstond er altijd een vriendschappelijk gesprek.Ook in den nood reikte men elkander de hand, en toen de oorlog van 1807 tot 1813 uitbarstte, konden geen bloedverwanten elkander trouwer bijstaan, dan de trotsche Derenbergs en de Ervings van den lompenmolen.Toen tante in huis kwam, bloeiden daar twee vroolijke kinderen. Het meisje was even oud als zij, de knaap vier jaren ouder. Zij groeide met hem op; toch was de molenaarsvrouw, die even huishoudelijk als godsdienstig was, er zeer op gesteld, dat het arme weeskind in haar eigen stand bleef. Zij zou haar later als meid dienen, maar juffrouw Erving kon en wilde het niet beletten, dat de drie kinderen te zamen speelden, en er tusschen de beide meisjes een vriendschap ontstond, die met de jaren steeds vaster werd. De knaap, van zijn kant, hield goede kameraadschap met de beide zonen, die daar boven op het slot opgroeiden, en de barones Derenberg hield zooveel van den blonden krullebol, dat zij zijn ouders wist over te halen, hem aan het onderwijs harer zonen te laten deelnemen. Zoo kwam de kleine Frederik uit de dorpsschool in de leerkamer van het vrijheerlijke slot, en zelden heeft men van een leerling meer genoegen gehad. Toen in later tijd de zonen der Derenbergs volwassen waren en sedert lang kennis gemaakt hadden met het buitenland, en de oudste reeds de bezittingen, hem door zijn vader nagelaten, had aanvaard, terwijl de jongste een knap officier bij de huzaren was geworden, kwamen zij nog altijd gaarne in hetoude huis terug, om den vriend te bezoeken. De kleine Lisette was intusschen tot een statige jonkvrouw opgegroeid; zij bezat de spreekwoordelijke schoonheid der molenaars-dochters in de ruimste mate, en kon met haar groote oogen, die zoo diep en blauw waren als het meer in het Derenbergsche bosch, iemand zóó aanzien, dat zij zijn hart won.Marietje was ook groot geworden; een prachtige meid, zooals de huisvrouw verklaarde; zij sprong en zong in keuken en kelder en keek daarbij zoo vriendelijk, dat men het vroolijke ding met de roode wangen wel liefmoestkrijgen. Zij moest nu wel is waar haar speelgenoot met “juffer” en “u” aanspreken, maar onder vier oogen kwam nog wel eens het vertrouwelijke Lisette over haar lippen en menigen zomeravond zaten zij hand in hand in het jasmijnpriëel, evenzoo als toen zij kinderen waren.En in deze dagen gebeurde het, dat een zwaar ongeluk over het huisgezin kwam, zoo zwaar, dat de wanhopige ouders meenden het niet te kunnen dragen; de vroolijke Marietje werd een ernstig, stil meisje; het betrof immers ook het sieraad des huizes, de schoone Lisette.Het bekoorlijke kind had wel is waar dikwijls genoeg van haar moeder het rijmpje gehoord:“Gelijk goed, gelijk bloed,Gelijke jaren, geeft de beste paren,”maar, hoe kon zij daaraan denken, toen werkelijk de liefde, die zich om rang noch stand bekommert, haar hart binnensloop? En zij beminde voor het eerst, met haar geheele ziel, met haar rein en vertrouwend gemoed, en de liefde, die haar wederkeerig werd geschonken, was even ernstig en heilig gemeend als de hare. Dáár verwoestte een hand ruw en boosaardig het pas ontloken geluk; het was een fijne, schoone vrouwenhand, maar zij reet de beide harten zoo wreed van elkander, dat het eene aan zijne wonden bezweek—Lisette sloot haar wonderschoone blauwe oogen na een kort, smartelijk ziekbed, voor altijd.Van dit oogenblik af werden alle betrekkingen met het slot afgebroken, en wanneer de bedroefde Marie den jongen landheer aan de zijde zijner schoone gemalin boven op den boschweg voorbij zag rijden, dan zuchtte zij dikwijls bij zich zelve: “zij komt immers uit het lichtzinnige Italië—hoe zou zij weten kunnen, hoe een Duitsch hart te moede is, als het iemand recht innig liefheeft? Maar de vergelding blijft niet uit.”Dat was nu lang, lang geleden, en de menschen, die toen in den molen leefden, waren lang dood. Marie was oud geworden en bij de Ervings gebleven, geacht en bemind, als behoorde zij tot de familie. Frederik Erving, de tegenwoordige eigenaar van den molen, de neef der schoone Lisette, had in haar een tweede moeder gevonden, want toen zijn ouders vroeg stierven, nam zij hem tot zich en voedde hem teeder en zorgvuldig op. Hij was flink opgegroeid onder haar hoede, en toen hij eens een lieve vrouw in huis bracht, trad zij het jonge paar op den drempel der vaderlijke woning vriendelijk tegemoet, en de jonge echtgenoot voerde zijn pas verkregen kleinood haar in de armen: “Daar, tante!”—zoo noemde hij haar steeds—“heb haar ook een weinig lief en wees ons beider moeder!”Zoo was het dan ook geworden. En toen tante in de oude dorpskerk later een dochtertje van het jonge paar ten doop hield, en een paar groote blauwe kinderoogen haar aanstaarden, toen vielen vreugdetranen op het gezichtje der kleine, en een vurig dankgebed, voor al het geluk haar beschoren, steeg ten Hemel op. De kleine ontving den naam van Liesje.Omstreeks dezen tijd viel de vreeselijke gebeurtenis op het slot voor, die ook de harten in den molen diep schokte—de plotselinge dood van den baron Derenberg. Tante zat zwijgend aan haar spinnewiel en dacht “hoe wonderlijk somtijds Gods wegen waren.” Toen nu eens haar lieveling, het kleine vierjarige Liesje, met nog een even klein blond meisje hand in hand langs het molenpad kwam aantrippelen, gevolgd dooreen beeldschoonen jongen met zwart haar, en een trotsch uitzicht, die verlegen met zijn klein zweepje speelde, ging zij hun tegemoet en nam het lieve krullekopje op den arm, en toen de kleine op de vraag, of zij boven in het slot woonde, toestemmend knikte, bracht zij het kind bij de jonge vrouw in het woonvertrek, nam toen den knaap en Liesje bij de hand en bracht ze ook binnen. De beide vrouwen, de oude zoowel als de jonge, liefkoosden de vaderlooze kinderen, tot het blondje eindelijk de armpjes om den hals der oude vrouw sloeg en de knaap met glinsterende oogen den appel aannam, dien zij hem voorhield. En toen zij later weder huiswaarts trippelden langs het molenpad, de broeder zorgvuldig het zusje geleidende, beiden telkens omziende en knikkende, drukte de jonge vrouw haar dochtertje aan het hart, en zeide, met tranen in de oogen: “Van avond moeten wij den lieven God hartelijk daarvoor danken, dat gij nog zulk een besten, braven vader hebt, zie die beide kinderen daar,diehebbengeenvader meer, en zij missen bovendien nog zóóveel!” Van toen af dagteekende de vriendschap tusschen lompenmolenaars Liesje en de kinderen van Derenberg.Op den molen was intusschen het leven aangenaam voortgesneld. Liesje groeide steeds schooner op; zij was een schrander meisje geworden en leerde vlijtig. De geestelijke, haars vaders vriend en haar peetoom, onderwees haar, en zijn vrouw leerde haar Fransch spreken en zingen. Wanneer zij met haar buigzame, hoewel niet sterke altstem de oude vaderlandsche volksliederen zong, dan werden tante de oogen vochtig: “precies Lisette!” zeide zij halfluid in zich zelve.Dat Army, nu hij officier was geworden, den molen niet meer bezocht, verwonderde de oude vrouw niet. “’t Is grootmoeders bloed,” zeide zij. Maar Liesje wilde niet gelooven, dat Army trotsch geworden was, dezelfde Army, met wien zij nog kort geleden zoo vroolijk gelachen had; zij moest het hemzelf vragen; zij begaf zich op weg naar het slot. Zij trofde jonge lieden onder den grooten lindeboom aan: Army stond op het punt te vertrekken, maar het was spoedig opgehelderd; hij moest onverwacht op reis, anders zou hij zeker gekomen zijn. Toen zij nu weder in de warme kamer voor de oude vrouw stond, die ijverig spon, sprak zij: “Ziet gij wel, tante, het is niet waar, dat Army trotsch is geworden; hij heeft niet kunnen komen, omdat hij plotseling op reis moest;—ik wist het wel.“Zoo?” vroeg de oude vrouw.“Ja! Gij stoute tante hebt mij waarlijk doen schrikken. Gij—” zeide zij pruilend.“Nu, het ei wil altijd wijzer wezen dan de hen,” antwoordde deze. “Nelly heeft dus gezegd, dat hij had willen komen?”“Ja, en Nelly jokt niet.”“Nelly is een goed kind; het doet mij altijd genoegen als zij komt; zij heeft de trekken en ’t gemoed der Derenbergs, dat waren door en door brave lieden die Derenbergs, totdat—-” Zij zweeg.“Wat bedoelt gij, tante?”“Nu, als de duivel de menschen verderven wil, doet hij zich als een engel voor.”“Wat zegt gij?”“Ik zeg niets; maar gelooven moogt gij het, Liesje! wat de leeraar Zondag van den kansel verkondigd heeft: ‘Onze God is een rechtvaardig God,’ dat is een waar woord; nu, zie mij niet zoo verwonderd aan! Kijk liever eens in den oven! Daarin liggen voor u heerlijk gebradene appels.”
Eerste Hoofdstuk.In de kamer der barones Derenberg brandt een helder vlammend houtvuur in den hoogen haard en geeft aan het vertrek, met zijn ouderwetsche meubelen, iets vertrouwelijks, iets huiselijks.In een der diepe vensterbanken zit een jong meisje van ongeveer veertien jaren en staart naar het wegstervende avondrood van den korten winterdag; haar fijn profiel teekent zich scherp af op den helderen achtergrond van het venster. Zij heeft de smalle handen gevouwen, en hare gedachten verwijlen blijkbaar bij iets afwezigs.“Mama,” zegt zij op eens en wendt het hoofd met de prachtige, blonde krullen naar de tengere, bleeke vrouw, die in een leunstoel bij den haard zit te breien. “Mama, Army blijft weder onverantwoordelijk lang in grootmama’s kamer; wij zullen er wel weder niet toe komen, naar den molen te gaan en het wordt daartoe toch hoog tijd; Army heeft slechts acht dagen verlof, en daarvan zijn er reeds vier om. Vandaag had hij mij bepaald beloofd, mede te gaan;—wat moet Liesje wel denken, dat hij daar nog in ’t geheel niet geweest is?”Bij deze woorden was het jonge meisje opgestaan en hare moeder genaderd; een verdrietige en ongeduldige trek lag op haar kinderlijk gelaat.“Heb geduld, Nelly!” antwoordde de moeder, en liefkoosdede bloeiende wangen der dochter. “Gij weet, wanneer grootmama het verlangt, moet Army blijven, zoolang zij het wil; grootmama zal hem veel te zeggen hebben. Oefen u in geduld, mijn lieveling! Daaraan is in het leven zooveel behoefte.—Steek de lamp aan! Gij weet, er is nog veel aan Army’s linnengoed te doen.”Het slanke, nog een kind gelijkend jonge meisje verplaatste zich bijna onhoorbaar over den ingelegden vloer, en weldra verlichtte de lamp het vertrek, ’t welk er nu nog aangenamer uitzag, daar de geheele inrichting, hoezeer ouderwetsch, zich door gezelligheid kenmerkte.Ook de barones stond op en ging aan de groote, ronde tafel zitten. Nu viel het licht der lamp op een bleek, lief gelaat, dat duidelijke sporen droeg van veel kommer en lijden.Haar dochter, tegenover haar gezeten, had dezelfde trekken; op dit oogenblik straalden haar blauwe oogen van blijdschap; want in de gang weerklonk een vaste, vlugge, mannelijke tred. Spoedig daarop werd de deur geopend;—een bevallig, jong officier trad binnen; zijn negentienjarig gelaat blonk van levenslust. Nelly ijlde hem te gemoet.“Army, hoe heerlijk, dat gij komt! Nu kunnen wij toch nog naar den molen gaan,” zeide zij, en sloeg, zich op de teenen verheffende, de armen om zijn hals; “ik haal schielijk mijn kap en mantel, want lang mogen wij niet meer wachten; in den molen wordt ’s avonds vroeg gegeten,” en verheugd wilde zij zich heen spoeden.“Nelly!” riep de jonge man en hield haar terug; “laat dat nu blijven! Dat—voegt niet meer,” liet hij er eenigszins verlegen op volgen.“Voegt dat niet meer?” Het jonge meisje zag haar broeder vragend aan.“Neen, Nelly, gij moet verstandig zijn; als kind kan men omgaan met wien men wil, juist omdat men een kind is; als officier kan dat echter niet meer.”“Nu, Liesje moogt gij toch wel bezoeken; gij gingt vroeger altijd zoo graag mede.”“Kom, Army!” sprak de barones, “dat meent gij niet; het zijn achtenswaardige lieden daar op den molen, die het altijd goed met u gemeend hebben; het zoude ondankbaar zijn.”“Maar, mama, ik bid u,” antwoordde hij knorrig, “die lieden behooren tot den onbeschaafden stand. Verbeeld u, dat de molenaar eens te B. kwam en den ongelukkigen inval kreeg, mij te bezoeken. Ik zou er immers dood mee verlegen worden!”“Het zijn volstrekt geen onbeschaafde menschen,” riep Nelly uit; “dat kan slechts grootmama u gezegd hebben, die nu eenmaal de lompenmolenaars-familie volstrekt niet lijden mag.”“Lompenmolenaars! Daar hebben wij het!” lachte de jonge officier. “Laat ieder in zijn eigen stand blijven! Ook gij, Nelly, zult dáár niet altijd kunnen blijven verkeeren. Wanneer gij eerst uwe sleepjaponnen draagt—dan is het ook met u: adieu, Liesje!”“Nooit!” antwoordde het jonge meisje heftig, “ik zou des nachts naar den molen gaan, wanneer men het mij des daags verbood. Liesje is mijn eenigste vriendin. Wat moet ik nu als reden opgeven dat gij niet komt?” Zij barstte in tranen uit.“Daar zal wel een reden voor te vinden zijn, Nelly; schrei toch niet!” troostte haar broeder. Zijn stem klonk teeder, evenals vroeger, toen hij de pop zijner zuster brak, en niet wist hoe haar te troosten.“O, niet waar, Army,” bad zij en zag vol vertrouwen naar hem op, “gij hebt mij slechts willen plagen,—wij gaan naar den molen, aanstonds?”Hij stond een oogenblik besluiteloos; in zijne verbeelding zag hij een kleine meisjesgestalte, zooals hij die vroeger honderdmaal gezien had, Liesje, lompenmolenaars Liesje vanden papiermolen, daar beneden in het dal. Zij zag hem met de helderblauwe kinderoogen aan; de roode lippen openden zich: “Army, gaat gij mede? Tante zal ons appelen geven, en in het park heb ik een vogelnest gezien; kom Army, kom toch!”Onwillekeurig maakte hij eene beweging, alsof hij zijne muts wilde opnemen, die op de tafel lag. Het licht der lamp viel op een fonkelenden ring aan zijn hand, in welks groenachtigen steen het wapen der Derenbergs blonk; één vluchtige blik hierop en—haastig greep hij zijne muts en wierp die op een nabij staande tafel.“Kwel mij niet!” zeide hij kortaf en keerde zich om.Er ontstond een lange pauze; het jonge meisje stond op en zette zich op hare vroegere plaats, het hoofdje diep over haar werk gebogen; maar de kleine vingers, welke de naald voerden, beefden, en uit de oogen vielen groote tranen op het witte naaiwerk. De barones zuchtte, en vestigde een smartelijken blik op den zoon, die onophoudelijk de kamer op en neder ging. De oude rococo-klok sloeg zes uur en begon een lang vergeten liefdesliedje te spelen; de zoete melodie klonk door de kamer en nog altijd heerschte er een drukkend stilzwijgen tusschen deze drie menschen, door de innigste liefde aan elkander verbonden.“Army,” sprak eindelijk de bleeke vrouw, “wanneer gaf grootmama u den ring, dien gij nu aan den vinger draagt?”Hij bleef voor den haard staan, en met de pook in het vuur stootende, dat de vonken omhoog vlogen, zeide hij;“Heden middag, zooeven, toen ik bij haar was!”“Weet gij ook, dat het uws vaders ring is, Army?”De jonge man keerde zich plotseling om. “Neen, mama, dat heeft grootmama mij niet gezegd; zij sprak slechts in het algemeen over de beteekenis van het wapen en—”“Nu, mijn kind, dan zal ik het u zeggen,” klonk het van de lippen der barones, met een van aandoening bevende stem. “Het is de ring, dien grootmama eens van de koude, verstijfdehand uws vaders trok, toen hij—gestorven was” De laatste woorden klonken als een half onderdrukte snik. De spreekster zonk als bezwijmd in haar stoel neder.“Mijn lieve, goede Mama!” riep Army en stond in een oogenblik naast haar, terwijl Nelly, over haar heen gebogen, haar wang tegen het met tranen besproeid gelaat drukte. “Ween niet, lieve mama!” bad hij, “ik zal den ring zoo hoog in eere houden, als dat slechts een zoon vermag, die trotsch is op de nagedachtenis zijns vaders; ik wil mijn best doen, even goed, even edel te worden, als hij was.”Uit deze woorden, zoowel als uit den blik, dien hij op zijn weenende moeder sloeg, sprak nog de volle overtuiging van een kinderlijk gemoed, de innige vereering, die in den gestorven vader den edelste der menschen ziet. Maar de uitwerking dier woorden was een bijna verpletterende. De slanke gestalte der barones richtte zich overeind; als wezenloos zag zij haar zoon aan, en: “Army, almachtige God!” riep zij in vertwijfeling uit, “o, slechtsdatniet, slechtsdatniet!”“Mama is ongesteld,” zeide de zoon en haastte zich naar de schellekoord.Doch een flauw: “Kom hier, Army! het wordt reeds beter,” bracht hem aan hare zijde terug; zij nam dankbaar een glas water aan en sprak, terwijl zij poogde te glimlachen:“Ik heb u verschrikt, arme kinderen. De herinnering aan den dood uws vaders is nog heden voor mij diep treurig; maar nu Army op het punt staat zijne intrede in de wereld te doen, moet ik met u over het verledene spreken, iets wat ik tot nu toe steeds vermeden heb. Gij zult u zeker wel eens in stilte verwonderd hebben,” ging zij na een korte pauze voort, “over de eenvoudige, ingetogene levenswijze die wij voeren, over het volstrekte gemis van weelde en overvloed. Ach, Army, niet om mijnent- alleen om uwentwille doet mij dat leed. Gij gaat de wereld in onder de drukkendste omstandigheden, die men zich kan voorstellen, veroorzaakt door de grenzenlooze lichtzinnigheid uws—”Zij hield ontsteld op en brak in bittere tranen los.Army stond met gefronst voorhoofd bij den haard en zag tot de weenende vrouw op; de vroolijke uitdrukking was van zijn gelaat als weggevaagd, en om zijn mond was een trek van bittere teleurstelling zichtbaar.“Toen ik hier kwam wonen aan de zijde uws vaders, ik, een kind van nauwelijks zeventien jaar,” hervatte de barones, “vond ik hier enkel pracht en een vroolijk leven. Het slot Derenberg was sedert jaren beroemd wegens zijne gastvrijheid, en uwe grootmama verstond de kunst, de eer des huizes op te houden. Zij was toen nog beeldschoon, en haast even betooverend als op haar portret in de groote familiezaal boven; zij hield hartstochtelijk veel van pracht en praal. Jegens mij was zij zóó lief en goed, dat ik waarlijk meende, een tweede moeder gevonden te hebben. Ach, die korte glansrijke tijd was de schoonste mijns levens, en toen ik u aan mijn hart mocht drukken, mijn Army, en u, mijne Nelly, toen ontbrak er niets meer aan mijn geluk.—Daarop echter kwam het vreeselijke: de dood uws vaders. Plotseling en onverwacht trof ons het ongeluk.”Zij huiverde en drukte de bevende handen tegen de slapen, als om zich te herinneren, of dat, wat zij verhaalde, werkelijk tot het verleden behoorde.“Na zijn dood werd de oude justitieraad Hellwig mij als curator ter zijde gesteld. Het bleek, dat onze zaken meer dan verward waren. Waarheen het oog zich ook wendde—hypotheken, pandbrieven, onbetaalde rekeningen; het was eene wanorde zonder wederga, waarin grootmama en ik ons eensklaps verplaatst zagen. Hoe vele slapelooze nachten, hoe vele kommervolle uren zijn sedert verstreken, en toch is tot heden, trots alle bemoeiingen van den ouden Hellwig, nog geen licht in den chaos gekomen.”“Wind u niet op, lieve mama!” bad de jonge officier, “ik wist het immers reeds lang, dat wij in bekrompen omstandigheden leven, hoewel ik niet vermoeden kon, dat wij zooarm zijn; maar houd goeden moed! Er komen zeker ook weder andere, betere tijden, en grootmama heeft mij nog onlangs gezegd, dat de zaken niet zoo hopeloos stonden, daar wij toch nog een rijke erfenis van tante Stontheim te wachten hebben.”“Grootmama gelooft stellig aan deze erfenis, maar—”“Zij wenscht,” viel de jonge man zijne moeder haastig in de rede, “dat ik, alvorens naar mijn regiment te gaan, tante Stontheim zal bezoeken.”“Ik heb er niets tegen, mijn kind, en wensch van ganscher harte, dat grootmama zich niet bedriegt; maar wij moeten niet vergeten, dat de Derenbergs in Koningsbergen evenveel recht op de erfenis hebben als wij; de dochter van den overste Derenberg van het zestiende regiment heeft hetzelfde recht als gij en Nelly.”Op dit oogenblik opende Sanna, de oude dienstbode der barones, de hooge vleugeldeur, en de oude barones Derenberg trad binnen. Nog altijd een statige, gebiedende verschijning, ging zij, trots haar zestig jaren, nog volkomen rechtop. Zij droeg haar eenvoudig wollen kleed met dezelfde waardigheid als vroeger haar zwaar zijden sleepjapon. Haar dik, nog altijd donker haar, aan de slapen een weinig naar achteren gestreken, werd door een kanten mutsje bedekt, waaronder een paar groote zwarte oogen fonkelden. Over haar geheele verschijning lag een echt aristocratisch waas, en de fijne trekken drukten een niet te buigen trots uit. Hoe oud geleek die lijdende, gedrukte schoondochter naast deze indrukwekkende vrouwengestalte!Army ijlde haar te gemoet; hij ontnam haar een groot boek, dat zij in de hand hield, en geleidde haar naar den haard, waar Sanna ondertusschen eenige stoelen gereed gezet had. Ook haar kleindochter was opgestaan, en de bleeke vrouw veegde in stilte de laatste tranen uit haar oogen weg.“Waarover werd hier gesproken?” vroeg de oude barones, terwijl zij plaats nam aan den haard en de dienstbode wenkte,heen te gaan. “Ik hoorde zoo iets van ‘dezelfde rechten als Army en Nelly.’”“Wij spraken over tante Stontheim en de erfeniskwestie,” antwoordde hare schoondochter, zich ook aan den haard zettende, “en ik gaf als mijne meening te kennen, dat Blanka van Derenberg uit Koningsbergen evenveel recht op de erfenis zou hebben als onze kinderen.”“Blanka? welk een idée!” riep de oude dame schouderophalend, “dat roodharige, klierachtige schepsel? Tante Stontheim heeft—goddank!—een te goeden smaak, om zulk een dwaasheid te doen;—overigens had zij, voor zoover ik mij herinneren kan, een zeer billijken afkeer van dien snoevenden overste en zijn hoogblonde gemalin, die hij, God weet! in welken hoek van Engeland of Schotland heeft opgedaan. Zij is immers een miss Smith of Newman? Nu, zoo iets duisters is het. Neen, Cornelie, dat is weer een van die ongehoorde, gezochte geschiedenissen, waarmede gij u-zelve en anderen kwelt.”De toon harer stem klonk spotachtig, zooals gewoonlijk, wanneer de trotsche vrouw tot haar schoondochter sprak.“Ik meende slechts,” antwoordde deze zacht, “dat men toch niet met zekerheid—-” hier hield zij op. “Het leven geeft reeds zoo vele teleurstellingen, dat men werkelijk—”“Army zal het bij de oude, knorrige tante wel zoover weten te brengen, dat zij hem het waarlijk vorstelijk vermogen vermaakt,” viel de oude dame haar bits in de rede.“Hoe bedoelt gij dat, grootmama?” klonk plotseling de stem des jongen mans. “Gij verlangt toch, hoop ik, niet, dat ik—een erfenisjager worden zal, zooals men dat noemt? Ik zal haar beleefd en hoffelijk bejegenen, zooals tegenover eene dame betaamt, maar dat is ook alles—kruipen kan ik niet;—wat zij mij vrijwillig niet wil geven, mag zij behouden!”Verbaasd richtte de grootmoeder zich uit haar achtelooze houding op, en haar oogen fonkelden van toorn over deze onverbloemdeverklaring van haren kleinzoon. “Zou men dat wel van zulk een jongen melkbaard gedacht hebben?” vroeg zij op een toon, die zij te vergeefs poogde schertsend te doen klinken, want haar stem beefde vanergernis. “Wel, Army! hebt gij met den cadettenrok ook den eerbied afgelegd en meent gij, wijl gij sedert acht dagen de épauletten draagt, nu het recht te hebben, uwe grootmoeder te vermanen en haar goede raadgevingen te versmaden? Gij zijt nog veel te jong om den toestand, waarin ge nu komen zult, juist te kunnen beoordeelen. Is dat jachtmaken op erfenissen, wanneer men de liefde eener oude, eenzame bloedverwante zoekt te winnen?”“Ja, grootmama,” zeide Army beslist, zonder dat één trek op zijn lief gelaat veranderde. “Ja, dat is het, indien men met de liefde, ook het geld van iemand zoekt te winnen—”“Dat men hoog noodig heeft, wil men zijn leven lang geen gebrek lijden, en zijne dagen in kommer en ellende slijten, in een slot zonder heerlijkheid en inkomsten,” viel de oude barones hem toornig in de rede en schoof heftig haar stoel achteruit.“Dat stem ik toe, grootmama; ik zou ook zoo boud niet gesproken hebben, zoo er niet nog eene erfgename ware; maar dewijl Blanka—”“Alweder die Blanka! kent gij haar misschien? Weet gij of zij nog leeft, dat ziekelijke schepsel? ’t Is akelig, zulke kinderwijsheid te hooren uitkramen, die sterk naar de cathechisatie-kamer riekt. Ik verlang dringend, Army, dat gij naar Stontheim gaat; ik duld geen tegenspraak; heden nog vertrekt de brief, die uwe komst meldt.”“Zeker, grootmama, ikzalgaan,” zeide Army beleefd maar koel,“zoodra gij het verkiest.”Zij stond op; haar trotsch gelaat gloeide en om den mond plooide zich een eigenaardige, hoogmoedige trek; nooit was de overeenkomst tusschen grootmoeder en kleinkind meer in het oog vallend geweest. Met vlammende oogen en vastop elkander gedrukte lippen, stonden zij tegenover elkander, zonder dat de een voor den ander het veld wilde ruimen.“Gij vertrekt morgen namiddag, met de post van vijf uur,” zeide de oude koel, en zonder de toestemmende buiging des jongen mans af te wachten, groette zij haar ontstelde schoondochter met een nauw merkbaar hoofdknikje, en ging heen.Een pijnlijke stilte volgde, toen de vleugeldeuren achter de hooge gestalte der oude barones dicht vielen. Hij, die het gewaagd had, de trotsche vrouw tegen te spreken, wier woord een bevel voor alle huisgenooten was, hij stond in zoo rustige houding voor den haard, en staarde zoo onverschillig in de vlammen, alsof er niets gebeurd was. Nelly zag haar broeder verwonderd aan; hij scheen een geheel ander mensch te zijn. Niemand sprak een woord, totdat de oude Sanna binnentrad met een brief in de hand, en vroeg:“Heeft Mevrouw de barones ook iets noodig uit het dorp? Hendrik moet naar de post; het sneeuwt sterk, en wellicht kon het dan meteen geschieden.”De barones antwoordde ontkennend en de oude vertrok. Intusschen was Army aan de tafel gaan zitten en bladerde in het boek, dat hij zooeven uit de handen zijner grootmoeder genomen had.“Daar vind ik iets over onze schoone Agnese Mathilde boven in de familiezaal,” riep hij vroolijk: “kom eens hier, zusje! Dat is interressant—hoor maar!”Het jonge meisje ging naar hem toe, boog zich over de leuning van zijn stoel en zag nieuwsgierig naar het geelgeworden papier, dat met moeielijk te ontcijferen schrift bedekt was. Hij las, langzaam spellende:“Op den dertigsten November Anno 1694 is hier in het slot Derenberg het lijk der hooggeboren vrouwe Agnese Mathilde, barones van en tot Derenberg, Schüttenfeld en Braunsbach, geboren vrijvrouwe van Krobitz uit het stamhuis Trauen, in den grafkelder plechtig begraven, en welzóó, als zij het bij haar leven zelve beschreven had. En het lijk stond in de zaal naast de kapel, en de doodkist was bedekt eerst met een fijn wit, en daarover een zwart satijnen lijklaken, waarop genaaid was een kruis van zilverdoek. Bovenop lag in het midden een verguld zilveren crucifix, en aan elke zijde waren acht kleinere, aan het hoofd- en voeteneinde echter grootere op oranjekleurige zijde geborduurde wapens van Derenberg en Trauen, bevestigd. De kist werd alleen door de adellijken, die in de buurt woonden en hier dikwijls feest gevierd hadden, in de kapel gedragen. Daarachter gingen de zes zonen der overledene, dan volgde de weduwnaar, die zeer bedroefd was.”“Dat is vervelend,” viel de jonge officier zichzelf in de rede, “maar wat staat hier?—luister!”“En de schoone Agnese Mathilde, barones van en tot Derenberg is een zeer trotsche en kloeke vrouw geweest, die haar man in alle nooden wakker ter zijde stond.“Zij had een slanke gestalte en rood haar, hetgeen eigenlijk geen goed teeken moet zijn, zooals het oude rijmpje zegt:De schoone vrouw en ’t schoone paard,Zijn ongetwijfeld zeer veel waard;En zijn ze zonder booze nuk,Dat is voorwaar een groot geluk.Let daarom op de kleur van ’t haar,En is dat rood, dan dreigt gevaar.“Doch zij heeft niet meer gebreken gehad dan andere vrouwen; zij was een schoone vrouw; een ridder was voor haar zoodanig in liefde ontstoken, dat hij, toen zij zijn smeeken geen gehoor wilde leenen, zich uit wanhoop het leven heeft benomen, ’t geen God hem moge vergeven; en in zijn bloed badende, heeft zij hem voor de deur van haar vertrek gevonden, waardoor zij zóó ontstelde, dat haar plotseling een zware ziekte is overvallen, zoodat men meende, dat zij ellendig zou sterven. De goede God heeft haar echter een spoedige herstellinggeschonken; maar zij heeft na dien tijd niet weder gelachen, en de ridder, een jonker van Streitwitz, is in den slottuin alhier begraven.”“Wat zegt gij daarvan, mamaatje?” riep Army opgewonden; “ik wil graag gelooven, dat iemand zich om haar van het leven heeft beroofd; het is een wonderschoon gelaat. Ik wenschte wel, dat ik haar beeltenis konde meenemen, en op mijne kamer ophangen; zij moet een bekoorlijk schepsel geweest zijn, die Agnese Mathilde.”“Wel, Army!” lachte de barones, “ik wist niet dat uw eerste verliefdheid eene doode gold! Nu, het is ten minste niet gevaarlijk—wat zegt gij, Nelly?”Nelly zweeg; de opgeruimde stemming wilde niet weder in den kleinen kring terugkomen; het jonge meisje zat zwijgend over haar werk gebogen en dacht er over, wat zij Liesje ter verontschuldiging zou zeggen; Army verdiepte zich weder in de lectuur van het oude boek, en om den mond der barones was het vluchtige lachje verdwenen. Nu en dan streek zij met de hand over de oogen en zuchtte diep; telkens wanneer zulk een bange zucht het oor harer kinderen trof, zagen zij op en rustten hun vragende blikken droevig op het bekommerde gelaat der moeder; daarop nam elk zijne bezigheid weder ter hand.“De genadige vrouw barones wenscht op haar kamer thee te drinken,” zeide de binnentredende oude Sanna, “zij laat zich bij het avondeten verontschuldigen; de barones heeft hoofdpijn.”De oude vrouw droeg een presenteerblaadje met een ouderwetsch kannetje en kopje in rococo stijl. Zij was blijkbaar voornemens, haar meesteres de thee te brengen en stond nu, op antwoord wachtende, bij de deur; zij sloeg een onderzoekenden blik op de drie gestalten, als om te zien, welken indruk dit bericht op hen maakte. De peinzende vrouw aan den haard scheen haar woorden niet gehoord te hebben en zag verschrikt op, toen haar dochter vriendelijk zeide:“Wij betreuren dat zeer, lieve Sanna, en wenschen grootmama van harte beterschap.”“Is uwe genadige vrouw ongesteld, Sanna?” vroeg de barones.“Ja zeker,”antwoordde deze, en de groote, beenige figuur richtte zich in haar volle lengte op, terwijl zij met haar grauwe oogen de vragende strak aankeek. “De barones was reeds niet wel, toen zij van hier ging, want zij kwam met hevige hartkloppingen in haar kamer; ik heb haar reeds drie bruispoeders moeten geven. Als het maar niet iets ergers wordt!”Er lag iets verwijtends, onbeschaamds in dit antwoord, minder nog in de woorden, dan wel in de stem en de uitdrukking van het gelaat, zoodat de barones Derenberg van verontwaardiging kleurde. “Het spijt mij zeer,” zeide zij, haar stem verheffende en Sanna met de hand wenkende heen te gaan; “ik hoop dat de genadige vrouw morgen weer hersteld zal zijn.”“Zeer goed,” antwoordde de oude en verliet het vertrek, maar haar houding en de uitdrukking van haar gelaat onder de geplooide muts waren eensklaps vijandig geworden.Army was opgesprongen, en zag met toornige blikken de dienstbode na.“Army, ik bid u,” riep de barones, “laat haar! Gij maakt het er niet beter op, wanneer gij haar op hare plaats zet. Zij is altijd zoo geweest; het warme zuidelijke bloed verloochent zich bij haar evenmin als bij haar meesteres, en bovendien—zij vereert uwe grootmoeder afgodisch. Gij weet, Army, dat Sanna reeds met grootmama uit Venetië hierkwam, dat zij het tijdperk van grootheid en rijkdom met haar doorleefd heeft, en nu trouw haar zorgen en ontberingen deelt. Sanna heeft veel goeds; een getrouwheid als de hare is zeldzaam; en u, kinderen, vooral Army, heeft zij boven alles lief; zij is buitendien ook al zóó oud, dat men haar niet veel kwalijk nemen kan.”Army antwoordde niet; hij nam zijne muts. “Ik moet een oogenblik naar buiten, anders slaap ik slecht,” zeide hij, kuste zijn moeder de hand en verliet het vertrek.Hij stond in den hoogen, killen corridor, en vroeg zichzelf af, waar hij eigenlijk heen wilde. “Eerst moet ik mijn paletot halen,” dacht hij, en ging door de lange gang naar zijn kamer; hij was wonderlijk te moede—voor het eerst had hij den ernst des levens leeren kennen. Ja, hij wist wel, dat zijne familie in behoeftige omstandigheden leefde, maar met de gewone onbezorgdheid der jeugd, had hij zich daarover niet bekommerd. Nu had zijne grootmoeder er over gesproken en hem tegelijk het uitzicht op eene rijke erfenis geopend, maar er was nog eene erfgename, een klein, roodharig schepsel, zooals grootmama haar genoemd had.Hij dacht aan de schoone Agnese Mathilde! hoe heette het ook weer het rijmpje: “Daarom, let op de kleur van ’t haar! En is dat rood, dan dreigt gevaar.” Het roode haar zouhemtoch niet in gevaar brengen? Maar neen, hij had geen aanleg om idealist te worden.Grootmoeder had gezegd: “Op u, Army, en op de Stontheimsche erfenis bouw ik al mijne hoop,” en hij had haar iets verweten van jacht maken op erfenis. Maar Blanka dan, de kleine, roodharige Blanka—daar was zij alweer—maar tante Stontheim kon immers verdeelen tusschen Blanka, Nelly en hem—ja, dat was een uitkomst. Zou zóó alles nog niet terecht kunnen komen?Hij huiverde; hij ging naar den haard en wierp een handvol hout op het haast uitgedoofde vuur; de vlammen vlogen knappend op uit het droge hout en wierpen een onzeker licht op den ingelegden vloer. Het roode schijnsel deed het vergulde loofwerk van den schoorsteen helder uitkomen en de oogen van den jongen man volgden droomend de kronkelingen van den eiken slinger, die onder de kroonlijst van den schoorsteen heenliep, en in het midden een omkranst schild vormde, waarop de spreuk:“Wanhoop nooit aan God!Dan is geluk uw lot;”een kernspreuk uit oude, lang vervlogen tijden. “Geluk is dan uw lot,” herhaalde hij halfluid; had hij deze woorden dan nog nooit gelezen? Zij maakten thans een diepen indruk op hem; zou ook hij niet weder gelukkig kunnen worden?Hij zag op naar de prachtige hertegeweiden—alle waren zij door de Derenbergs buitgemaakt, zooals de bijschriften met naam en datum vermeldden, in de bosschen, die men deels verkocht, deels verpand had. Maar het was immers mogelijk—waarom niet?—dat hij eenmaal weder dáár kon jagen, waar zijne voorouders zoo menige vroolijke jachtpartij gehouden hadden.Weg met die zotte kuren! Het leven lag immers nog vóór hem, zoo vol hoop, zoo uitlokkend, en ’t geluk kon immers komen.Op zijn jeugdig gelaat blonk weder een zonnestraal; het hart klopte hem warm in de borst, en hij voelde den moed in zich ’s levens stormen te trotseeren. “Voorwaarts dan in de golven des levens! Hoe sterker de branding hoe beter! Vreugd of smart, ik neem het zooals het valt; een leven zonder strijd is geen leven. Ik wil grootmama om vergeving vragen voor dat leelijke woord ‘erfenisjacht’, ging hij voort; ook mama mag niet meer zoo treurig zijn—waarom altijd zoo donker te zien? Zelfs de kleine liet haar hoofdje hangen; ja maar—dat was om Liesje, de kleine lompen-Liesje, bah! dat is niet de moeite waard er over te spreken, en zij zal zelve later wel inzien, dat—”Hij floot een vroolijk liedje, toen hij door de gang naar zijne moeder terugkeerde.
In de kamer der barones Derenberg brandt een helder vlammend houtvuur in den hoogen haard en geeft aan het vertrek, met zijn ouderwetsche meubelen, iets vertrouwelijks, iets huiselijks.
In een der diepe vensterbanken zit een jong meisje van ongeveer veertien jaren en staart naar het wegstervende avondrood van den korten winterdag; haar fijn profiel teekent zich scherp af op den helderen achtergrond van het venster. Zij heeft de smalle handen gevouwen, en hare gedachten verwijlen blijkbaar bij iets afwezigs.
“Mama,” zegt zij op eens en wendt het hoofd met de prachtige, blonde krullen naar de tengere, bleeke vrouw, die in een leunstoel bij den haard zit te breien. “Mama, Army blijft weder onverantwoordelijk lang in grootmama’s kamer; wij zullen er wel weder niet toe komen, naar den molen te gaan en het wordt daartoe toch hoog tijd; Army heeft slechts acht dagen verlof, en daarvan zijn er reeds vier om. Vandaag had hij mij bepaald beloofd, mede te gaan;—wat moet Liesje wel denken, dat hij daar nog in ’t geheel niet geweest is?”
Bij deze woorden was het jonge meisje opgestaan en hare moeder genaderd; een verdrietige en ongeduldige trek lag op haar kinderlijk gelaat.
“Heb geduld, Nelly!” antwoordde de moeder, en liefkoosdede bloeiende wangen der dochter. “Gij weet, wanneer grootmama het verlangt, moet Army blijven, zoolang zij het wil; grootmama zal hem veel te zeggen hebben. Oefen u in geduld, mijn lieveling! Daaraan is in het leven zooveel behoefte.—Steek de lamp aan! Gij weet, er is nog veel aan Army’s linnengoed te doen.”
Het slanke, nog een kind gelijkend jonge meisje verplaatste zich bijna onhoorbaar over den ingelegden vloer, en weldra verlichtte de lamp het vertrek, ’t welk er nu nog aangenamer uitzag, daar de geheele inrichting, hoezeer ouderwetsch, zich door gezelligheid kenmerkte.
Ook de barones stond op en ging aan de groote, ronde tafel zitten. Nu viel het licht der lamp op een bleek, lief gelaat, dat duidelijke sporen droeg van veel kommer en lijden.
Haar dochter, tegenover haar gezeten, had dezelfde trekken; op dit oogenblik straalden haar blauwe oogen van blijdschap; want in de gang weerklonk een vaste, vlugge, mannelijke tred. Spoedig daarop werd de deur geopend;—een bevallig, jong officier trad binnen; zijn negentienjarig gelaat blonk van levenslust. Nelly ijlde hem te gemoet.
“Army, hoe heerlijk, dat gij komt! Nu kunnen wij toch nog naar den molen gaan,” zeide zij, en sloeg, zich op de teenen verheffende, de armen om zijn hals; “ik haal schielijk mijn kap en mantel, want lang mogen wij niet meer wachten; in den molen wordt ’s avonds vroeg gegeten,” en verheugd wilde zij zich heen spoeden.
“Nelly!” riep de jonge man en hield haar terug; “laat dat nu blijven! Dat—voegt niet meer,” liet hij er eenigszins verlegen op volgen.
“Voegt dat niet meer?” Het jonge meisje zag haar broeder vragend aan.
“Neen, Nelly, gij moet verstandig zijn; als kind kan men omgaan met wien men wil, juist omdat men een kind is; als officier kan dat echter niet meer.”
“Nu, Liesje moogt gij toch wel bezoeken; gij gingt vroeger altijd zoo graag mede.”
“Kom, Army!” sprak de barones, “dat meent gij niet; het zijn achtenswaardige lieden daar op den molen, die het altijd goed met u gemeend hebben; het zoude ondankbaar zijn.”
“Maar, mama, ik bid u,” antwoordde hij knorrig, “die lieden behooren tot den onbeschaafden stand. Verbeeld u, dat de molenaar eens te B. kwam en den ongelukkigen inval kreeg, mij te bezoeken. Ik zou er immers dood mee verlegen worden!”
“Het zijn volstrekt geen onbeschaafde menschen,” riep Nelly uit; “dat kan slechts grootmama u gezegd hebben, die nu eenmaal de lompenmolenaars-familie volstrekt niet lijden mag.”
“Lompenmolenaars! Daar hebben wij het!” lachte de jonge officier. “Laat ieder in zijn eigen stand blijven! Ook gij, Nelly, zult dáár niet altijd kunnen blijven verkeeren. Wanneer gij eerst uwe sleepjaponnen draagt—dan is het ook met u: adieu, Liesje!”
“Nooit!” antwoordde het jonge meisje heftig, “ik zou des nachts naar den molen gaan, wanneer men het mij des daags verbood. Liesje is mijn eenigste vriendin. Wat moet ik nu als reden opgeven dat gij niet komt?” Zij barstte in tranen uit.
“Daar zal wel een reden voor te vinden zijn, Nelly; schrei toch niet!” troostte haar broeder. Zijn stem klonk teeder, evenals vroeger, toen hij de pop zijner zuster brak, en niet wist hoe haar te troosten.
“O, niet waar, Army,” bad zij en zag vol vertrouwen naar hem op, “gij hebt mij slechts willen plagen,—wij gaan naar den molen, aanstonds?”
Hij stond een oogenblik besluiteloos; in zijne verbeelding zag hij een kleine meisjesgestalte, zooals hij die vroeger honderdmaal gezien had, Liesje, lompenmolenaars Liesje vanden papiermolen, daar beneden in het dal. Zij zag hem met de helderblauwe kinderoogen aan; de roode lippen openden zich: “Army, gaat gij mede? Tante zal ons appelen geven, en in het park heb ik een vogelnest gezien; kom Army, kom toch!”
Onwillekeurig maakte hij eene beweging, alsof hij zijne muts wilde opnemen, die op de tafel lag. Het licht der lamp viel op een fonkelenden ring aan zijn hand, in welks groenachtigen steen het wapen der Derenbergs blonk; één vluchtige blik hierop en—haastig greep hij zijne muts en wierp die op een nabij staande tafel.
“Kwel mij niet!” zeide hij kortaf en keerde zich om.
Er ontstond een lange pauze; het jonge meisje stond op en zette zich op hare vroegere plaats, het hoofdje diep over haar werk gebogen; maar de kleine vingers, welke de naald voerden, beefden, en uit de oogen vielen groote tranen op het witte naaiwerk. De barones zuchtte, en vestigde een smartelijken blik op den zoon, die onophoudelijk de kamer op en neder ging. De oude rococo-klok sloeg zes uur en begon een lang vergeten liefdesliedje te spelen; de zoete melodie klonk door de kamer en nog altijd heerschte er een drukkend stilzwijgen tusschen deze drie menschen, door de innigste liefde aan elkander verbonden.
“Army,” sprak eindelijk de bleeke vrouw, “wanneer gaf grootmama u den ring, dien gij nu aan den vinger draagt?”
Hij bleef voor den haard staan, en met de pook in het vuur stootende, dat de vonken omhoog vlogen, zeide hij;
“Heden middag, zooeven, toen ik bij haar was!”
“Weet gij ook, dat het uws vaders ring is, Army?”
De jonge man keerde zich plotseling om. “Neen, mama, dat heeft grootmama mij niet gezegd; zij sprak slechts in het algemeen over de beteekenis van het wapen en—”
“Nu, mijn kind, dan zal ik het u zeggen,” klonk het van de lippen der barones, met een van aandoening bevende stem. “Het is de ring, dien grootmama eens van de koude, verstijfdehand uws vaders trok, toen hij—gestorven was” De laatste woorden klonken als een half onderdrukte snik. De spreekster zonk als bezwijmd in haar stoel neder.
“Mijn lieve, goede Mama!” riep Army en stond in een oogenblik naast haar, terwijl Nelly, over haar heen gebogen, haar wang tegen het met tranen besproeid gelaat drukte. “Ween niet, lieve mama!” bad hij, “ik zal den ring zoo hoog in eere houden, als dat slechts een zoon vermag, die trotsch is op de nagedachtenis zijns vaders; ik wil mijn best doen, even goed, even edel te worden, als hij was.”
Uit deze woorden, zoowel als uit den blik, dien hij op zijn weenende moeder sloeg, sprak nog de volle overtuiging van een kinderlijk gemoed, de innige vereering, die in den gestorven vader den edelste der menschen ziet. Maar de uitwerking dier woorden was een bijna verpletterende. De slanke gestalte der barones richtte zich overeind; als wezenloos zag zij haar zoon aan, en: “Army, almachtige God!” riep zij in vertwijfeling uit, “o, slechtsdatniet, slechtsdatniet!”
“Mama is ongesteld,” zeide de zoon en haastte zich naar de schellekoord.
Doch een flauw: “Kom hier, Army! het wordt reeds beter,” bracht hem aan hare zijde terug; zij nam dankbaar een glas water aan en sprak, terwijl zij poogde te glimlachen:
“Ik heb u verschrikt, arme kinderen. De herinnering aan den dood uws vaders is nog heden voor mij diep treurig; maar nu Army op het punt staat zijne intrede in de wereld te doen, moet ik met u over het verledene spreken, iets wat ik tot nu toe steeds vermeden heb. Gij zult u zeker wel eens in stilte verwonderd hebben,” ging zij na een korte pauze voort, “over de eenvoudige, ingetogene levenswijze die wij voeren, over het volstrekte gemis van weelde en overvloed. Ach, Army, niet om mijnent- alleen om uwentwille doet mij dat leed. Gij gaat de wereld in onder de drukkendste omstandigheden, die men zich kan voorstellen, veroorzaakt door de grenzenlooze lichtzinnigheid uws—”
Zij hield ontsteld op en brak in bittere tranen los.
Army stond met gefronst voorhoofd bij den haard en zag tot de weenende vrouw op; de vroolijke uitdrukking was van zijn gelaat als weggevaagd, en om zijn mond was een trek van bittere teleurstelling zichtbaar.
“Toen ik hier kwam wonen aan de zijde uws vaders, ik, een kind van nauwelijks zeventien jaar,” hervatte de barones, “vond ik hier enkel pracht en een vroolijk leven. Het slot Derenberg was sedert jaren beroemd wegens zijne gastvrijheid, en uwe grootmama verstond de kunst, de eer des huizes op te houden. Zij was toen nog beeldschoon, en haast even betooverend als op haar portret in de groote familiezaal boven; zij hield hartstochtelijk veel van pracht en praal. Jegens mij was zij zóó lief en goed, dat ik waarlijk meende, een tweede moeder gevonden te hebben. Ach, die korte glansrijke tijd was de schoonste mijns levens, en toen ik u aan mijn hart mocht drukken, mijn Army, en u, mijne Nelly, toen ontbrak er niets meer aan mijn geluk.—Daarop echter kwam het vreeselijke: de dood uws vaders. Plotseling en onverwacht trof ons het ongeluk.”
Zij huiverde en drukte de bevende handen tegen de slapen, als om zich te herinneren, of dat, wat zij verhaalde, werkelijk tot het verleden behoorde.
“Na zijn dood werd de oude justitieraad Hellwig mij als curator ter zijde gesteld. Het bleek, dat onze zaken meer dan verward waren. Waarheen het oog zich ook wendde—hypotheken, pandbrieven, onbetaalde rekeningen; het was eene wanorde zonder wederga, waarin grootmama en ik ons eensklaps verplaatst zagen. Hoe vele slapelooze nachten, hoe vele kommervolle uren zijn sedert verstreken, en toch is tot heden, trots alle bemoeiingen van den ouden Hellwig, nog geen licht in den chaos gekomen.”
“Wind u niet op, lieve mama!” bad de jonge officier, “ik wist het immers reeds lang, dat wij in bekrompen omstandigheden leven, hoewel ik niet vermoeden kon, dat wij zooarm zijn; maar houd goeden moed! Er komen zeker ook weder andere, betere tijden, en grootmama heeft mij nog onlangs gezegd, dat de zaken niet zoo hopeloos stonden, daar wij toch nog een rijke erfenis van tante Stontheim te wachten hebben.”
“Grootmama gelooft stellig aan deze erfenis, maar—”
“Zij wenscht,” viel de jonge man zijne moeder haastig in de rede, “dat ik, alvorens naar mijn regiment te gaan, tante Stontheim zal bezoeken.”
“Ik heb er niets tegen, mijn kind, en wensch van ganscher harte, dat grootmama zich niet bedriegt; maar wij moeten niet vergeten, dat de Derenbergs in Koningsbergen evenveel recht op de erfenis hebben als wij; de dochter van den overste Derenberg van het zestiende regiment heeft hetzelfde recht als gij en Nelly.”
Op dit oogenblik opende Sanna, de oude dienstbode der barones, de hooge vleugeldeur, en de oude barones Derenberg trad binnen. Nog altijd een statige, gebiedende verschijning, ging zij, trots haar zestig jaren, nog volkomen rechtop. Zij droeg haar eenvoudig wollen kleed met dezelfde waardigheid als vroeger haar zwaar zijden sleepjapon. Haar dik, nog altijd donker haar, aan de slapen een weinig naar achteren gestreken, werd door een kanten mutsje bedekt, waaronder een paar groote zwarte oogen fonkelden. Over haar geheele verschijning lag een echt aristocratisch waas, en de fijne trekken drukten een niet te buigen trots uit. Hoe oud geleek die lijdende, gedrukte schoondochter naast deze indrukwekkende vrouwengestalte!
Army ijlde haar te gemoet; hij ontnam haar een groot boek, dat zij in de hand hield, en geleidde haar naar den haard, waar Sanna ondertusschen eenige stoelen gereed gezet had. Ook haar kleindochter was opgestaan, en de bleeke vrouw veegde in stilte de laatste tranen uit haar oogen weg.
“Waarover werd hier gesproken?” vroeg de oude barones, terwijl zij plaats nam aan den haard en de dienstbode wenkte,heen te gaan. “Ik hoorde zoo iets van ‘dezelfde rechten als Army en Nelly.’”
“Wij spraken over tante Stontheim en de erfeniskwestie,” antwoordde hare schoondochter, zich ook aan den haard zettende, “en ik gaf als mijne meening te kennen, dat Blanka van Derenberg uit Koningsbergen evenveel recht op de erfenis zou hebben als onze kinderen.”
“Blanka? welk een idée!” riep de oude dame schouderophalend, “dat roodharige, klierachtige schepsel? Tante Stontheim heeft—goddank!—een te goeden smaak, om zulk een dwaasheid te doen;—overigens had zij, voor zoover ik mij herinneren kan, een zeer billijken afkeer van dien snoevenden overste en zijn hoogblonde gemalin, die hij, God weet! in welken hoek van Engeland of Schotland heeft opgedaan. Zij is immers een miss Smith of Newman? Nu, zoo iets duisters is het. Neen, Cornelie, dat is weer een van die ongehoorde, gezochte geschiedenissen, waarmede gij u-zelve en anderen kwelt.”
De toon harer stem klonk spotachtig, zooals gewoonlijk, wanneer de trotsche vrouw tot haar schoondochter sprak.
“Ik meende slechts,” antwoordde deze zacht, “dat men toch niet met zekerheid—-” hier hield zij op. “Het leven geeft reeds zoo vele teleurstellingen, dat men werkelijk—”
“Army zal het bij de oude, knorrige tante wel zoover weten te brengen, dat zij hem het waarlijk vorstelijk vermogen vermaakt,” viel de oude dame haar bits in de rede.
“Hoe bedoelt gij dat, grootmama?” klonk plotseling de stem des jongen mans. “Gij verlangt toch, hoop ik, niet, dat ik—een erfenisjager worden zal, zooals men dat noemt? Ik zal haar beleefd en hoffelijk bejegenen, zooals tegenover eene dame betaamt, maar dat is ook alles—kruipen kan ik niet;—wat zij mij vrijwillig niet wil geven, mag zij behouden!”
Verbaasd richtte de grootmoeder zich uit haar achtelooze houding op, en haar oogen fonkelden van toorn over deze onverbloemdeverklaring van haren kleinzoon. “Zou men dat wel van zulk een jongen melkbaard gedacht hebben?” vroeg zij op een toon, die zij te vergeefs poogde schertsend te doen klinken, want haar stem beefde vanergernis. “Wel, Army! hebt gij met den cadettenrok ook den eerbied afgelegd en meent gij, wijl gij sedert acht dagen de épauletten draagt, nu het recht te hebben, uwe grootmoeder te vermanen en haar goede raadgevingen te versmaden? Gij zijt nog veel te jong om den toestand, waarin ge nu komen zult, juist te kunnen beoordeelen. Is dat jachtmaken op erfenissen, wanneer men de liefde eener oude, eenzame bloedverwante zoekt te winnen?”
“Ja, grootmama,” zeide Army beslist, zonder dat één trek op zijn lief gelaat veranderde. “Ja, dat is het, indien men met de liefde, ook het geld van iemand zoekt te winnen—”
“Dat men hoog noodig heeft, wil men zijn leven lang geen gebrek lijden, en zijne dagen in kommer en ellende slijten, in een slot zonder heerlijkheid en inkomsten,” viel de oude barones hem toornig in de rede en schoof heftig haar stoel achteruit.
“Dat stem ik toe, grootmama; ik zou ook zoo boud niet gesproken hebben, zoo er niet nog eene erfgename ware; maar dewijl Blanka—”
“Alweder die Blanka! kent gij haar misschien? Weet gij of zij nog leeft, dat ziekelijke schepsel? ’t Is akelig, zulke kinderwijsheid te hooren uitkramen, die sterk naar de cathechisatie-kamer riekt. Ik verlang dringend, Army, dat gij naar Stontheim gaat; ik duld geen tegenspraak; heden nog vertrekt de brief, die uwe komst meldt.”
“Zeker, grootmama, ikzalgaan,” zeide Army beleefd maar koel,“zoodra gij het verkiest.”
Zij stond op; haar trotsch gelaat gloeide en om den mond plooide zich een eigenaardige, hoogmoedige trek; nooit was de overeenkomst tusschen grootmoeder en kleinkind meer in het oog vallend geweest. Met vlammende oogen en vastop elkander gedrukte lippen, stonden zij tegenover elkander, zonder dat de een voor den ander het veld wilde ruimen.
“Gij vertrekt morgen namiddag, met de post van vijf uur,” zeide de oude koel, en zonder de toestemmende buiging des jongen mans af te wachten, groette zij haar ontstelde schoondochter met een nauw merkbaar hoofdknikje, en ging heen.
Een pijnlijke stilte volgde, toen de vleugeldeuren achter de hooge gestalte der oude barones dicht vielen. Hij, die het gewaagd had, de trotsche vrouw tegen te spreken, wier woord een bevel voor alle huisgenooten was, hij stond in zoo rustige houding voor den haard, en staarde zoo onverschillig in de vlammen, alsof er niets gebeurd was. Nelly zag haar broeder verwonderd aan; hij scheen een geheel ander mensch te zijn. Niemand sprak een woord, totdat de oude Sanna binnentrad met een brief in de hand, en vroeg:
“Heeft Mevrouw de barones ook iets noodig uit het dorp? Hendrik moet naar de post; het sneeuwt sterk, en wellicht kon het dan meteen geschieden.”
De barones antwoordde ontkennend en de oude vertrok. Intusschen was Army aan de tafel gaan zitten en bladerde in het boek, dat hij zooeven uit de handen zijner grootmoeder genomen had.
“Daar vind ik iets over onze schoone Agnese Mathilde boven in de familiezaal,” riep hij vroolijk: “kom eens hier, zusje! Dat is interressant—hoor maar!”
Het jonge meisje ging naar hem toe, boog zich over de leuning van zijn stoel en zag nieuwsgierig naar het geelgeworden papier, dat met moeielijk te ontcijferen schrift bedekt was. Hij las, langzaam spellende:
“Op den dertigsten November Anno 1694 is hier in het slot Derenberg het lijk der hooggeboren vrouwe Agnese Mathilde, barones van en tot Derenberg, Schüttenfeld en Braunsbach, geboren vrijvrouwe van Krobitz uit het stamhuis Trauen, in den grafkelder plechtig begraven, en welzóó, als zij het bij haar leven zelve beschreven had. En het lijk stond in de zaal naast de kapel, en de doodkist was bedekt eerst met een fijn wit, en daarover een zwart satijnen lijklaken, waarop genaaid was een kruis van zilverdoek. Bovenop lag in het midden een verguld zilveren crucifix, en aan elke zijde waren acht kleinere, aan het hoofd- en voeteneinde echter grootere op oranjekleurige zijde geborduurde wapens van Derenberg en Trauen, bevestigd. De kist werd alleen door de adellijken, die in de buurt woonden en hier dikwijls feest gevierd hadden, in de kapel gedragen. Daarachter gingen de zes zonen der overledene, dan volgde de weduwnaar, die zeer bedroefd was.”
“Dat is vervelend,” viel de jonge officier zichzelf in de rede, “maar wat staat hier?—luister!”
“En de schoone Agnese Mathilde, barones van en tot Derenberg is een zeer trotsche en kloeke vrouw geweest, die haar man in alle nooden wakker ter zijde stond.
“Zij had een slanke gestalte en rood haar, hetgeen eigenlijk geen goed teeken moet zijn, zooals het oude rijmpje zegt:
De schoone vrouw en ’t schoone paard,Zijn ongetwijfeld zeer veel waard;En zijn ze zonder booze nuk,Dat is voorwaar een groot geluk.Let daarom op de kleur van ’t haar,En is dat rood, dan dreigt gevaar.
De schoone vrouw en ’t schoone paard,
Zijn ongetwijfeld zeer veel waard;
En zijn ze zonder booze nuk,
Dat is voorwaar een groot geluk.
Let daarom op de kleur van ’t haar,
En is dat rood, dan dreigt gevaar.
“Doch zij heeft niet meer gebreken gehad dan andere vrouwen; zij was een schoone vrouw; een ridder was voor haar zoodanig in liefde ontstoken, dat hij, toen zij zijn smeeken geen gehoor wilde leenen, zich uit wanhoop het leven heeft benomen, ’t geen God hem moge vergeven; en in zijn bloed badende, heeft zij hem voor de deur van haar vertrek gevonden, waardoor zij zóó ontstelde, dat haar plotseling een zware ziekte is overvallen, zoodat men meende, dat zij ellendig zou sterven. De goede God heeft haar echter een spoedige herstellinggeschonken; maar zij heeft na dien tijd niet weder gelachen, en de ridder, een jonker van Streitwitz, is in den slottuin alhier begraven.”
“Wat zegt gij daarvan, mamaatje?” riep Army opgewonden; “ik wil graag gelooven, dat iemand zich om haar van het leven heeft beroofd; het is een wonderschoon gelaat. Ik wenschte wel, dat ik haar beeltenis konde meenemen, en op mijne kamer ophangen; zij moet een bekoorlijk schepsel geweest zijn, die Agnese Mathilde.”
“Wel, Army!” lachte de barones, “ik wist niet dat uw eerste verliefdheid eene doode gold! Nu, het is ten minste niet gevaarlijk—wat zegt gij, Nelly?”
Nelly zweeg; de opgeruimde stemming wilde niet weder in den kleinen kring terugkomen; het jonge meisje zat zwijgend over haar werk gebogen en dacht er over, wat zij Liesje ter verontschuldiging zou zeggen; Army verdiepte zich weder in de lectuur van het oude boek, en om den mond der barones was het vluchtige lachje verdwenen. Nu en dan streek zij met de hand over de oogen en zuchtte diep; telkens wanneer zulk een bange zucht het oor harer kinderen trof, zagen zij op en rustten hun vragende blikken droevig op het bekommerde gelaat der moeder; daarop nam elk zijne bezigheid weder ter hand.
“De genadige vrouw barones wenscht op haar kamer thee te drinken,” zeide de binnentredende oude Sanna, “zij laat zich bij het avondeten verontschuldigen; de barones heeft hoofdpijn.”
De oude vrouw droeg een presenteerblaadje met een ouderwetsch kannetje en kopje in rococo stijl. Zij was blijkbaar voornemens, haar meesteres de thee te brengen en stond nu, op antwoord wachtende, bij de deur; zij sloeg een onderzoekenden blik op de drie gestalten, als om te zien, welken indruk dit bericht op hen maakte. De peinzende vrouw aan den haard scheen haar woorden niet gehoord te hebben en zag verschrikt op, toen haar dochter vriendelijk zeide:
“Wij betreuren dat zeer, lieve Sanna, en wenschen grootmama van harte beterschap.”
“Is uwe genadige vrouw ongesteld, Sanna?” vroeg de barones.
“Ja zeker,”antwoordde deze, en de groote, beenige figuur richtte zich in haar volle lengte op, terwijl zij met haar grauwe oogen de vragende strak aankeek. “De barones was reeds niet wel, toen zij van hier ging, want zij kwam met hevige hartkloppingen in haar kamer; ik heb haar reeds drie bruispoeders moeten geven. Als het maar niet iets ergers wordt!”
Er lag iets verwijtends, onbeschaamds in dit antwoord, minder nog in de woorden, dan wel in de stem en de uitdrukking van het gelaat, zoodat de barones Derenberg van verontwaardiging kleurde. “Het spijt mij zeer,” zeide zij, haar stem verheffende en Sanna met de hand wenkende heen te gaan; “ik hoop dat de genadige vrouw morgen weer hersteld zal zijn.”
“Zeer goed,” antwoordde de oude en verliet het vertrek, maar haar houding en de uitdrukking van haar gelaat onder de geplooide muts waren eensklaps vijandig geworden.
Army was opgesprongen, en zag met toornige blikken de dienstbode na.
“Army, ik bid u,” riep de barones, “laat haar! Gij maakt het er niet beter op, wanneer gij haar op hare plaats zet. Zij is altijd zoo geweest; het warme zuidelijke bloed verloochent zich bij haar evenmin als bij haar meesteres, en bovendien—zij vereert uwe grootmoeder afgodisch. Gij weet, Army, dat Sanna reeds met grootmama uit Venetië hierkwam, dat zij het tijdperk van grootheid en rijkdom met haar doorleefd heeft, en nu trouw haar zorgen en ontberingen deelt. Sanna heeft veel goeds; een getrouwheid als de hare is zeldzaam; en u, kinderen, vooral Army, heeft zij boven alles lief; zij is buitendien ook al zóó oud, dat men haar niet veel kwalijk nemen kan.”
Army antwoordde niet; hij nam zijne muts. “Ik moet een oogenblik naar buiten, anders slaap ik slecht,” zeide hij, kuste zijn moeder de hand en verliet het vertrek.
Hij stond in den hoogen, killen corridor, en vroeg zichzelf af, waar hij eigenlijk heen wilde. “Eerst moet ik mijn paletot halen,” dacht hij, en ging door de lange gang naar zijn kamer; hij was wonderlijk te moede—voor het eerst had hij den ernst des levens leeren kennen. Ja, hij wist wel, dat zijne familie in behoeftige omstandigheden leefde, maar met de gewone onbezorgdheid der jeugd, had hij zich daarover niet bekommerd. Nu had zijne grootmoeder er over gesproken en hem tegelijk het uitzicht op eene rijke erfenis geopend, maar er was nog eene erfgename, een klein, roodharig schepsel, zooals grootmama haar genoemd had.
Hij dacht aan de schoone Agnese Mathilde! hoe heette het ook weer het rijmpje: “Daarom, let op de kleur van ’t haar! En is dat rood, dan dreigt gevaar.” Het roode haar zouhemtoch niet in gevaar brengen? Maar neen, hij had geen aanleg om idealist te worden.
Grootmoeder had gezegd: “Op u, Army, en op de Stontheimsche erfenis bouw ik al mijne hoop,” en hij had haar iets verweten van jacht maken op erfenis. Maar Blanka dan, de kleine, roodharige Blanka—daar was zij alweer—maar tante Stontheim kon immers verdeelen tusschen Blanka, Nelly en hem—ja, dat was een uitkomst. Zou zóó alles nog niet terecht kunnen komen?
Hij huiverde; hij ging naar den haard en wierp een handvol hout op het haast uitgedoofde vuur; de vlammen vlogen knappend op uit het droge hout en wierpen een onzeker licht op den ingelegden vloer. Het roode schijnsel deed het vergulde loofwerk van den schoorsteen helder uitkomen en de oogen van den jongen man volgden droomend de kronkelingen van den eiken slinger, die onder de kroonlijst van den schoorsteen heenliep, en in het midden een omkranst schild vormde, waarop de spreuk:
“Wanhoop nooit aan God!Dan is geluk uw lot;”
“Wanhoop nooit aan God!
Dan is geluk uw lot;”
een kernspreuk uit oude, lang vervlogen tijden. “Geluk is dan uw lot,” herhaalde hij halfluid; had hij deze woorden dan nog nooit gelezen? Zij maakten thans een diepen indruk op hem; zou ook hij niet weder gelukkig kunnen worden?
Hij zag op naar de prachtige hertegeweiden—alle waren zij door de Derenbergs buitgemaakt, zooals de bijschriften met naam en datum vermeldden, in de bosschen, die men deels verkocht, deels verpand had. Maar het was immers mogelijk—waarom niet?—dat hij eenmaal weder dáár kon jagen, waar zijne voorouders zoo menige vroolijke jachtpartij gehouden hadden.
Weg met die zotte kuren! Het leven lag immers nog vóór hem, zoo vol hoop, zoo uitlokkend, en ’t geluk kon immers komen.
Op zijn jeugdig gelaat blonk weder een zonnestraal; het hart klopte hem warm in de borst, en hij voelde den moed in zich ’s levens stormen te trotseeren. “Voorwaarts dan in de golven des levens! Hoe sterker de branding hoe beter! Vreugd of smart, ik neem het zooals het valt; een leven zonder strijd is geen leven. Ik wil grootmama om vergeving vragen voor dat leelijke woord ‘erfenisjacht’, ging hij voort; ook mama mag niet meer zoo treurig zijn—waarom altijd zoo donker te zien? Zelfs de kleine liet haar hoofdje hangen; ja maar—dat was om Liesje, de kleine lompen-Liesje, bah! dat is niet de moeite waard er over te spreken, en zij zal zelve later wel inzien, dat—”
Hij floot een vroolijk liedje, toen hij door de gang naar zijne moeder terugkeerde.
Tweede Hoofdstuk.Den volgenden morgen stond Army met een opgeruimd gelaat voor zijne grootmoeder; hij had hare vergiffenis verworven. Wel schudde zij lachend het hoofd, toen hij zijne meening herhaalde, dat de nog onbekende Blanka mee zou erven. “Gij zijt een dweeper, Army,” zeide zij schertsend, doch sprak hem niet tegen; alleen wees zij op een tabouret aan haar voeten. “Ga zitten! Ik heb u nog wat te zeggen, voor wij scheiden.”De vertrekken der oude dame hadden hunne weelderige inrichting behouden, en maakten op het eerste gezicht een bijna prachtigen indruk. Wie nauwkeuriger toezag, bemerkte wel, dat de kleur der zware purperen stof verbleekt, en de zijde hier en daar doorgesleten was, maar niettegenstaande dit alles, gaven de gordijnen voor deur en vensters, de sierlijke palissanderhouten meubels, het zware Smyrnasche tapijt aan het vertrek een deftig aanzien. De wanden waren versierd met in gouden lijsten gevatte, vroolijke Italiaansche landschappen; ’t waren herinneringen aan de gelukkige dagen, door de barones als gevierde gravin Luja te Venetië en Napels doorgebracht, en bij deze herinneringen vergat zij het troostelooze heden.“Hoe gij u te gedragen hebt jegens tante Stontheim, behoef ik u niet te zeggen, Army!” ving zij aan, verstandig het geschilpunt van gister vermijdende. “Gij zult ditzelf wel weten; breng haar mijne hartelijke groeten, en zeg haar, dat ik een oude, afgeleefde vrouw ben geworden.”“Die boodschap kan ik niet overbrengen, grootmama,” zeide Army hoffelijk, “ik kan mijn geweten onmogelijk met een leugen bezwaren.”De oude dame lachte, en hem een tikje op de wang gevende, sprak zij: “Niet spotten met uw oude grootmoeder!”Army kuste haar de hand. “En wat heeft u mij nog meer te zeggen?”“Ja, waarlijk, ik moet u nog voor iets waarschuwen. Gij treedt zeer jong de wereld in en hebt het hartstochtelijke bloed mijner voorouders geërfd. Geniet uw jonkheid naar hartelust, maar wacht u voor een ernstige neiging! Zij, die gij eenmaal als vrouw naar huis zult voeren, moet veel in zich vereenigen, van oude familie zijn en vermogen bezitten, Army! veel vermogen; dit is een der weinige wegen, die u openstaan om den gezonken luister van uw huis weer op te richten.—Dat is alles, en als gij belooft, mij nu en dan eens te schrijven, heb ik u niets meer te zeggen!”De jonge officier lachte. “Zeker grootmama, ik schrijf spoedig, want ik zal tijd in overvloed hebben; maak u niet bezorgd! Aan trouwen kan ik toch onmogelijk nu reeds denken; ik ben immers eerst onlangs achttien jaar geworden.” Hij lachte luid; van zijn gelaat was elke schaduw van den vorigen avond verdwenen. “Mag ik nu afscheid nemen, grootmama?” vroeg hij, “ik wilde nog gaarne eens naar de familiezaal gaan, om de schoone Agnese Mathilde een afscheidsbezoek te brengen. Hoor eens, grootmama, dit kan ik u tot uwe geruststelling verzekeren,” voegde hij er bij, “wanneer ik niet een meisje vind, dat haar gelijkt, dan trouw ik niet, want zij is mijn ideaal eener vrouw.”“Meent gij die Mathilde met het roode haar?” vroeg de oude dame verbaasd.“Ja!” knikte de kleinzoon. “Ik heb eene voorliefde voorrood haar. A propos, grootmama, mag ik het oude boek behouden, dat gij gister avond beneden bracht?”“Zeker, het is een familiekroniek, die ik voor u bestemd had.”“Duizendmaal dank! Tot weerziens van middag!” Hij kuste haar de tengere hand, en vertrok.Een liedje neuriënd, ging hij den corridor door en stond weldra in de familiezaal voor het portret der schoone Agnese Mathilde. Op den donkeren achtergrond kwam het fraaie hoofd heerlijk uit; het zware, goudkleurige, ietwat roodachtige haar, over het blanke voorhoofd weggestreken, was bedekt door een mutsje van zilverstof. Onder dit voorhoofd, onder de scherpgeteekende wenkbrauwen, die een zonderling contrast vormden met het lichtkleurige haar, blonken groote, donkere oogen; met een uitdrukking van diep gevoelde smart zagen zij den beschouwer aan; zoo droomend, zoo lijdend, als vroegen zij hem om een verloren geluk. Een matte schemering heerschte in het groote vertrek; Army schoof de gordijnen van het dichtstbijgelegen venster ter zijde, en nu vielen de stralen der heldere winterzon op het roode haar der schoone vrouw en oefenden de oogen, die oogen met hunne droomende, diep smartelijke uitdrukking, op hem weder dezelfde betoovering uit. Daar naderden zachte schreden, en de kleine hand zijner zuster werd op zijn schouder gelegd.“Zijt gij hier, Army? Het middagmaal is gereed. Kom mee. Gij gaat immers vroeg weg, en ik heb u den ganschen morgen nog niet gezien.”Hij trok het jonge meisje naar zich toe. “Zie mij eens even aan, Nelly!” bad hij, haar hoofdje een weinig oplichtende; “zijt gij nog boos op mij?”Haar oogen vulden zich met tranen, toen zij haar broeder aanzag, maar zij schudde lachend het hoofd. “Boos? neen, o neen! Maar kom toch—het is hier zoo koud.”Hij nam haar hand; doch bij de kamerdeur gekomen,keerde hij zich nog eenmaal om, en zag naar het portret.“Let daarom op de kleur van ’t haar, en is dat rood, dan dreigt gevaar,” mompelde hij zacht voor zich heen.Nauwelijks een uur later stond de oude Sanna boven aan een der ramen, om den vertrekkenden Army na te zien. Hij had afscheid genomen van zijn weenende moeder; nu ging hij juist over het slotplein, en Nelly ging naast hem in een eenvoudig manteltje gewikkeld; zij had er niet van willen afzien, tot de laatste minuut bij haar broeder te blijven.“Precies zijn grootmoeder!” mompelde de oude Sanna zacht; “het hart springt iemand op van blijdschap, als men hem ziet.” Zij hield de handen boven de oogen, om des te beter te kunnen zien. “Het kan hem niet mislukken,” dacht zij, “hij kan aankloppen, waar hij wil; de rijkste, de schoonste kan hij krijgen, en het ongeluk van zijn vader zal hem toch wel niet vervolgen. O, als mijne barones het nog eens mocht beleven, dat hier in het slot het oude, vroolijke, glansrijke leven weder heerschte! Zij zou weder jong en schoon worden. O, mijn bloedige Heiland, hoe zou ik u daarvoor op mijne knieën danken!”Intusschen gingen broeder en zuster de linden-allée door; het was een heerlijk schoon winterlandschap, dat voor hen lag. Beneden, waar de allée eindigde, zag men de met sneeuw bedekte bergen schitteren, door een rand van boomen omgeven; aan de eene zijde kwamen de huizen van het dorp met hunne besneeuwde daken te voorschijn; uit bijna iederen schoorsteen steeg een rookzuil omhoog in de koude winterlucht; aan de andere zijde breidde zich het groote, donkere woud uit. Alles was met een verblindend wit laken bedekt—doodstil was het in de natuur; alleen een zwerm kraaien vloog onder een luid gekras uit de boomen omhoog en deed den witten tooi der stammen verstuiven in het rond. En dit alles werd verlicht door de stralen der ondergaande zon, die zich in de verte als in een purperen zee baadde.De jonge man liet zijne blikken over het landschap weiden.“Zie Nelly,” zeide hij, “dat alles, zoover uw oog zien kan, was eenmaal het onze.”“De papiermolen ook?” vroeg de kleine en wees op het met leien gedekte gebouw.“De molen zelf niet, maar wel een groot gedeelte der landerijen. Grootvader heeft ze aan des molenaars vader verkocht, toen hij zich eens in verlegenheid bevond—zoo verhaalde grootmama mij. De man jaagt daar nu heerlijk, terwijl wij—” hij voer even met de hand over de oogen, toen lachtte hij en begon te fluiten; hij wilde er nu eenmaal niet over tobben.Bij den uitgang van het park gekomen, keerde hij zich nog eens om en zag de groote laan langs.Daar lag het machtige portaal; de treden der breede trappen waren geheel door de sneeuw bedekt, die ook hoog tegen de massieve vleugeldeuren was opgestuwd. Betooverend schoon kwam het slot te voorschijn, als ’t ware overstroomd door den rooden gloed der ondergaande zon; de verlichte vensters straalden den jongen man daar beneden tegen, even helder en zonnig als de droomen der toekomst, die zich in zijn hart hadden ontwikkeld.“Hetmoethier weder anders worden,” zeide hij, “hetmoet; ik wil het.”Hij keerde zich om en volgde zijn zuster.Zwijgend gingen zij verder; eindelijk stond de jonge officier stil en keek op zijn horloge.“Zusje,” zeide hij, “ik moet spoed maken, als ik de post niet wil misloopen; keer gij terug, gij zult koude voeten krijgen in de dikke sneeuw; vaarwel, kleine, en groet allen nog hartelijk van mij!” Hij bukte zich en kuste haar op den frisschen mond. “Pas op, dat de tijd u niet lang valt in het oude, eenzame slot!”Zij schudde het hoofd. “O neen, ik heb Liesje immers.”Zij stonden juist op de plek, waar de weg, langs welken zij gekomen waren, op den grooten weg uitliep. Door hetdennenbosch daarboven voerde een pad naar den papiermolen, dat eveneens hier uitkwam; de weg daalde tamelijk steil naar beneden in het dorpje; onder de breede takken van een lindeboom stond een door de sneeuw bedekte steenen bank. Uit het dorp klonken duidelijk de tonen van een posthoorn.“Wijl ik van u scheiden moet,Bied ik u den afscheidsgroet!Meisjelief, adé,’t Scheiden doet wee!”zong vroolijk een heldere kinderstem, en tegelijk trad een jong meisje uit het dennenbosch te voorschijn.Zij bleef staan, toen zij de beiden gewaar werd; een donker rood bedekte een oogenblik het kinderlijk gelaat, en een paar donkerblauwe oogen staarden verschrikt voor zich neer; maar toen kwam zij dadelijk nader, en een vriendelijke lach plooide haar lieven mond, waardoor zich twee kuiltjes in de wangen vormden.“O, Nelly,” riep zij, “hoe heerlijk dat ik u aantref! En gij Army,” voegde zij er vriendelijk en zonder eenige verlegenheid bij, “gaat gij alweer heen, zonder een enkele maal bij ons op den molen geweest te zijn?”De jonge officier bloosde hevig, toen hij de blauwe oogen op hem gericht zag en de hand vatte, die zij ouder gewoonte hem toestak. Hij kon nog niet genoeg veinzen om eene verontschuldiging te bedenken; zijn lach verstomde bij den aanblik van het lieve, frissche gezichtje, dat hem vragend en verwijtend aanstaarde.“Army moet heel onverwacht vertrekken,” zeide Nelly, “anders—” zij bleef steken; het was haar onmogelijk, het argelooze kind te bedriegen; zij had wel van schaamte willen schreien en zag haar broeder smeekend aan.Maar het jonge meisje was met deze weinige woorden tevreden. “Goede Army,” zeide zij gerustgesteld, “ik had u albeschuldigd, dat gij niet meer in den molen wildet komen; ik wilde juist naar Nelly gaan,”—zij lachte, zoodat de kuiltjes weer te voorschijn kwamen—“om te vragen of het waar was, wat tante beweert, namelijk dat gij trotsch geworden zijt. Nu kan ik haar echter uitlachen, nietwaar? Gij zoudt van daag of morgentochgekomen zijn,” voegde zij er trouwhartig bij.Als in gedachten verdiept, zag hij haar aan. “Wat zijt gij groot geworden!” zeide hij en beschouwde haar slanke gestalte. Liesje was werkelijk even lang geworden als hij zelf; zij zag er hoogst bevallig uit in haar blauw fluweelen, met bont omzet jakje; op eens werd zij bloedrood onder zijn blik en vroeg gejaagd:“Moet gij met de vijfuur-post vertrekken? Dan moet gij u haasten, Army; ik ben toch blij, dat ik u nog als officier gezien heb.” Zij stak hem weder de hand toe, en weder lag hij de zijne in de hare; hij lachte nu ook; de herinneringen uit hunne kinderjaren kwamen nu weder te voorschijn.“De laatste, Army,” riep zij vroolijk, tikte hem licht op den schouder en liep toen haastig weg. Een oogenblik stond de jonge man, als wilde hij, evenals vroeger haar naloopen, om haar “de laatste” weer te geven, zooals zij vroeger telkens deden, wanneer hij den molen of zij het slot verliet;—zij plaagden elkaar daar zoo gaarne mede. Hij trok echter zijn paletot dichter om zich heen, knikte nog eens en ging door. Hij zag niet weder om naar de beide meisjes, die arm in arm hem nazagen; hij moest zich immers haasten.Onder de oude besneeuwde linde werden een paar zachte blauwe oogen vochtig, en een stem, waaruit plotseling alle dartelheid verdwenen was, fluisterde een zacht“vaarwel!”Ook Nelly weende, en toen zijne gestalte achter de huizen in het dorp verdween, vroeg zij angstig: “Nietwaar, Liesje, gij zijt niet boos op Army?” Maar Liesje antwoordde niet; zij schudde slechts het hoofdje en ging zwijgend nevens hare vriendin verder.Het gloeiend rood aan den hemel was verdwenen, en slechts een dof geel kleurde nog den horizon; de vensters van het oude slot zagen er weder even treurig uit als altijd; de beide jeugdige harten waren droevig gestemd door het afscheid; de nachtkus, dien zij elkander bij het hek van het park gaven, was inniger, veel inniger dan vroeger, en Liesje had een gevoel of zij de kleine hand harer vriendin heden niet kon loslaten; nog eenmaal fluisterde zij zacht: “goeden nacht!”
Den volgenden morgen stond Army met een opgeruimd gelaat voor zijne grootmoeder; hij had hare vergiffenis verworven. Wel schudde zij lachend het hoofd, toen hij zijne meening herhaalde, dat de nog onbekende Blanka mee zou erven. “Gij zijt een dweeper, Army,” zeide zij schertsend, doch sprak hem niet tegen; alleen wees zij op een tabouret aan haar voeten. “Ga zitten! Ik heb u nog wat te zeggen, voor wij scheiden.”
De vertrekken der oude dame hadden hunne weelderige inrichting behouden, en maakten op het eerste gezicht een bijna prachtigen indruk. Wie nauwkeuriger toezag, bemerkte wel, dat de kleur der zware purperen stof verbleekt, en de zijde hier en daar doorgesleten was, maar niettegenstaande dit alles, gaven de gordijnen voor deur en vensters, de sierlijke palissanderhouten meubels, het zware Smyrnasche tapijt aan het vertrek een deftig aanzien. De wanden waren versierd met in gouden lijsten gevatte, vroolijke Italiaansche landschappen; ’t waren herinneringen aan de gelukkige dagen, door de barones als gevierde gravin Luja te Venetië en Napels doorgebracht, en bij deze herinneringen vergat zij het troostelooze heden.
“Hoe gij u te gedragen hebt jegens tante Stontheim, behoef ik u niet te zeggen, Army!” ving zij aan, verstandig het geschilpunt van gister vermijdende. “Gij zult ditzelf wel weten; breng haar mijne hartelijke groeten, en zeg haar, dat ik een oude, afgeleefde vrouw ben geworden.”
“Die boodschap kan ik niet overbrengen, grootmama,” zeide Army hoffelijk, “ik kan mijn geweten onmogelijk met een leugen bezwaren.”
De oude dame lachte, en hem een tikje op de wang gevende, sprak zij: “Niet spotten met uw oude grootmoeder!”
Army kuste haar de hand. “En wat heeft u mij nog meer te zeggen?”
“Ja, waarlijk, ik moet u nog voor iets waarschuwen. Gij treedt zeer jong de wereld in en hebt het hartstochtelijke bloed mijner voorouders geërfd. Geniet uw jonkheid naar hartelust, maar wacht u voor een ernstige neiging! Zij, die gij eenmaal als vrouw naar huis zult voeren, moet veel in zich vereenigen, van oude familie zijn en vermogen bezitten, Army! veel vermogen; dit is een der weinige wegen, die u openstaan om den gezonken luister van uw huis weer op te richten.—Dat is alles, en als gij belooft, mij nu en dan eens te schrijven, heb ik u niets meer te zeggen!”
De jonge officier lachte. “Zeker grootmama, ik schrijf spoedig, want ik zal tijd in overvloed hebben; maak u niet bezorgd! Aan trouwen kan ik toch onmogelijk nu reeds denken; ik ben immers eerst onlangs achttien jaar geworden.” Hij lachte luid; van zijn gelaat was elke schaduw van den vorigen avond verdwenen. “Mag ik nu afscheid nemen, grootmama?” vroeg hij, “ik wilde nog gaarne eens naar de familiezaal gaan, om de schoone Agnese Mathilde een afscheidsbezoek te brengen. Hoor eens, grootmama, dit kan ik u tot uwe geruststelling verzekeren,” voegde hij er bij, “wanneer ik niet een meisje vind, dat haar gelijkt, dan trouw ik niet, want zij is mijn ideaal eener vrouw.”
“Meent gij die Mathilde met het roode haar?” vroeg de oude dame verbaasd.
“Ja!” knikte de kleinzoon. “Ik heb eene voorliefde voorrood haar. A propos, grootmama, mag ik het oude boek behouden, dat gij gister avond beneden bracht?”
“Zeker, het is een familiekroniek, die ik voor u bestemd had.”
“Duizendmaal dank! Tot weerziens van middag!” Hij kuste haar de tengere hand, en vertrok.
Een liedje neuriënd, ging hij den corridor door en stond weldra in de familiezaal voor het portret der schoone Agnese Mathilde. Op den donkeren achtergrond kwam het fraaie hoofd heerlijk uit; het zware, goudkleurige, ietwat roodachtige haar, over het blanke voorhoofd weggestreken, was bedekt door een mutsje van zilverstof. Onder dit voorhoofd, onder de scherpgeteekende wenkbrauwen, die een zonderling contrast vormden met het lichtkleurige haar, blonken groote, donkere oogen; met een uitdrukking van diep gevoelde smart zagen zij den beschouwer aan; zoo droomend, zoo lijdend, als vroegen zij hem om een verloren geluk. Een matte schemering heerschte in het groote vertrek; Army schoof de gordijnen van het dichtstbijgelegen venster ter zijde, en nu vielen de stralen der heldere winterzon op het roode haar der schoone vrouw en oefenden de oogen, die oogen met hunne droomende, diep smartelijke uitdrukking, op hem weder dezelfde betoovering uit. Daar naderden zachte schreden, en de kleine hand zijner zuster werd op zijn schouder gelegd.
“Zijt gij hier, Army? Het middagmaal is gereed. Kom mee. Gij gaat immers vroeg weg, en ik heb u den ganschen morgen nog niet gezien.”
Hij trok het jonge meisje naar zich toe. “Zie mij eens even aan, Nelly!” bad hij, haar hoofdje een weinig oplichtende; “zijt gij nog boos op mij?”
Haar oogen vulden zich met tranen, toen zij haar broeder aanzag, maar zij schudde lachend het hoofd. “Boos? neen, o neen! Maar kom toch—het is hier zoo koud.”
Hij nam haar hand; doch bij de kamerdeur gekomen,keerde hij zich nog eenmaal om, en zag naar het portret.
“Let daarom op de kleur van ’t haar, en is dat rood, dan dreigt gevaar,” mompelde hij zacht voor zich heen.
Nauwelijks een uur later stond de oude Sanna boven aan een der ramen, om den vertrekkenden Army na te zien. Hij had afscheid genomen van zijn weenende moeder; nu ging hij juist over het slotplein, en Nelly ging naast hem in een eenvoudig manteltje gewikkeld; zij had er niet van willen afzien, tot de laatste minuut bij haar broeder te blijven.
“Precies zijn grootmoeder!” mompelde de oude Sanna zacht; “het hart springt iemand op van blijdschap, als men hem ziet.” Zij hield de handen boven de oogen, om des te beter te kunnen zien. “Het kan hem niet mislukken,” dacht zij, “hij kan aankloppen, waar hij wil; de rijkste, de schoonste kan hij krijgen, en het ongeluk van zijn vader zal hem toch wel niet vervolgen. O, als mijne barones het nog eens mocht beleven, dat hier in het slot het oude, vroolijke, glansrijke leven weder heerschte! Zij zou weder jong en schoon worden. O, mijn bloedige Heiland, hoe zou ik u daarvoor op mijne knieën danken!”
Intusschen gingen broeder en zuster de linden-allée door; het was een heerlijk schoon winterlandschap, dat voor hen lag. Beneden, waar de allée eindigde, zag men de met sneeuw bedekte bergen schitteren, door een rand van boomen omgeven; aan de eene zijde kwamen de huizen van het dorp met hunne besneeuwde daken te voorschijn; uit bijna iederen schoorsteen steeg een rookzuil omhoog in de koude winterlucht; aan de andere zijde breidde zich het groote, donkere woud uit. Alles was met een verblindend wit laken bedekt—doodstil was het in de natuur; alleen een zwerm kraaien vloog onder een luid gekras uit de boomen omhoog en deed den witten tooi der stammen verstuiven in het rond. En dit alles werd verlicht door de stralen der ondergaande zon, die zich in de verte als in een purperen zee baadde.
De jonge man liet zijne blikken over het landschap weiden.“Zie Nelly,” zeide hij, “dat alles, zoover uw oog zien kan, was eenmaal het onze.”
“De papiermolen ook?” vroeg de kleine en wees op het met leien gedekte gebouw.
“De molen zelf niet, maar wel een groot gedeelte der landerijen. Grootvader heeft ze aan des molenaars vader verkocht, toen hij zich eens in verlegenheid bevond—zoo verhaalde grootmama mij. De man jaagt daar nu heerlijk, terwijl wij—” hij voer even met de hand over de oogen, toen lachtte hij en begon te fluiten; hij wilde er nu eenmaal niet over tobben.
Bij den uitgang van het park gekomen, keerde hij zich nog eens om en zag de groote laan langs.
Daar lag het machtige portaal; de treden der breede trappen waren geheel door de sneeuw bedekt, die ook hoog tegen de massieve vleugeldeuren was opgestuwd. Betooverend schoon kwam het slot te voorschijn, als ’t ware overstroomd door den rooden gloed der ondergaande zon; de verlichte vensters straalden den jongen man daar beneden tegen, even helder en zonnig als de droomen der toekomst, die zich in zijn hart hadden ontwikkeld.
“Hetmoethier weder anders worden,” zeide hij, “hetmoet; ik wil het.”
Hij keerde zich om en volgde zijn zuster.
Zwijgend gingen zij verder; eindelijk stond de jonge officier stil en keek op zijn horloge.
“Zusje,” zeide hij, “ik moet spoed maken, als ik de post niet wil misloopen; keer gij terug, gij zult koude voeten krijgen in de dikke sneeuw; vaarwel, kleine, en groet allen nog hartelijk van mij!” Hij bukte zich en kuste haar op den frisschen mond. “Pas op, dat de tijd u niet lang valt in het oude, eenzame slot!”
Zij schudde het hoofd. “O neen, ik heb Liesje immers.”
Zij stonden juist op de plek, waar de weg, langs welken zij gekomen waren, op den grooten weg uitliep. Door hetdennenbosch daarboven voerde een pad naar den papiermolen, dat eveneens hier uitkwam; de weg daalde tamelijk steil naar beneden in het dorpje; onder de breede takken van een lindeboom stond een door de sneeuw bedekte steenen bank. Uit het dorp klonken duidelijk de tonen van een posthoorn.
“Wijl ik van u scheiden moet,Bied ik u den afscheidsgroet!Meisjelief, adé,’t Scheiden doet wee!”
“Wijl ik van u scheiden moet,
Bied ik u den afscheidsgroet!
Meisjelief, adé,
’t Scheiden doet wee!”
zong vroolijk een heldere kinderstem, en tegelijk trad een jong meisje uit het dennenbosch te voorschijn.
Zij bleef staan, toen zij de beiden gewaar werd; een donker rood bedekte een oogenblik het kinderlijk gelaat, en een paar donkerblauwe oogen staarden verschrikt voor zich neer; maar toen kwam zij dadelijk nader, en een vriendelijke lach plooide haar lieven mond, waardoor zich twee kuiltjes in de wangen vormden.
“O, Nelly,” riep zij, “hoe heerlijk dat ik u aantref! En gij Army,” voegde zij er vriendelijk en zonder eenige verlegenheid bij, “gaat gij alweer heen, zonder een enkele maal bij ons op den molen geweest te zijn?”
De jonge officier bloosde hevig, toen hij de blauwe oogen op hem gericht zag en de hand vatte, die zij ouder gewoonte hem toestak. Hij kon nog niet genoeg veinzen om eene verontschuldiging te bedenken; zijn lach verstomde bij den aanblik van het lieve, frissche gezichtje, dat hem vragend en verwijtend aanstaarde.
“Army moet heel onverwacht vertrekken,” zeide Nelly, “anders—” zij bleef steken; het was haar onmogelijk, het argelooze kind te bedriegen; zij had wel van schaamte willen schreien en zag haar broeder smeekend aan.
Maar het jonge meisje was met deze weinige woorden tevreden. “Goede Army,” zeide zij gerustgesteld, “ik had u albeschuldigd, dat gij niet meer in den molen wildet komen; ik wilde juist naar Nelly gaan,”—zij lachte, zoodat de kuiltjes weer te voorschijn kwamen—“om te vragen of het waar was, wat tante beweert, namelijk dat gij trotsch geworden zijt. Nu kan ik haar echter uitlachen, nietwaar? Gij zoudt van daag of morgentochgekomen zijn,” voegde zij er trouwhartig bij.
Als in gedachten verdiept, zag hij haar aan. “Wat zijt gij groot geworden!” zeide hij en beschouwde haar slanke gestalte. Liesje was werkelijk even lang geworden als hij zelf; zij zag er hoogst bevallig uit in haar blauw fluweelen, met bont omzet jakje; op eens werd zij bloedrood onder zijn blik en vroeg gejaagd:
“Moet gij met de vijfuur-post vertrekken? Dan moet gij u haasten, Army; ik ben toch blij, dat ik u nog als officier gezien heb.” Zij stak hem weder de hand toe, en weder lag hij de zijne in de hare; hij lachte nu ook; de herinneringen uit hunne kinderjaren kwamen nu weder te voorschijn.
“De laatste, Army,” riep zij vroolijk, tikte hem licht op den schouder en liep toen haastig weg. Een oogenblik stond de jonge man, als wilde hij, evenals vroeger haar naloopen, om haar “de laatste” weer te geven, zooals zij vroeger telkens deden, wanneer hij den molen of zij het slot verliet;—zij plaagden elkaar daar zoo gaarne mede. Hij trok echter zijn paletot dichter om zich heen, knikte nog eens en ging door. Hij zag niet weder om naar de beide meisjes, die arm in arm hem nazagen; hij moest zich immers haasten.
Onder de oude besneeuwde linde werden een paar zachte blauwe oogen vochtig, en een stem, waaruit plotseling alle dartelheid verdwenen was, fluisterde een zacht“vaarwel!”
Ook Nelly weende, en toen zijne gestalte achter de huizen in het dorp verdween, vroeg zij angstig: “Nietwaar, Liesje, gij zijt niet boos op Army?” Maar Liesje antwoordde niet; zij schudde slechts het hoofdje en ging zwijgend nevens hare vriendin verder.
Het gloeiend rood aan den hemel was verdwenen, en slechts een dof geel kleurde nog den horizon; de vensters van het oude slot zagen er weder even treurig uit als altijd; de beide jeugdige harten waren droevig gestemd door het afscheid; de nachtkus, dien zij elkander bij het hek van het park gaven, was inniger, veel inniger dan vroeger, en Liesje had een gevoel of zij de kleine hand harer vriendin heden niet kon loslaten; nog eenmaal fluisterde zij zacht: “goeden nacht!”
Derde Hoofdstuk.De lompenmolen, zooals de papiermolen van ouds her in den ganschen omtrek genoemd werd, lag bekoorlijk tusschen hoog oud geboomte aan het ruischend riviertje. Het statige woonhuis, met den vergulden weerhaan op het spitse leien dak, was gebouwd in de eerste helft der vorige eeuw en had geheel het karakter van dien tijd behouden. De zware eikenhouten voordeur met den blank geschuurden koperen klopper, was nog dezelfde; de kleine vensterruiten waren nog door geen spiegelglas vervangen, en het gebeeldhouwde opschrift in het oude balkon verkondigde, dat dit huis “tot Gods eer Anno 1741 gebouwd (was) door Johan Frederik Erving en zijn huisvrouw Ernestine, geboren IJzerhardin.” De oude drakenkoppen aan de vier hoeken van het dak waren nog steeds bereid, het regenwater uit te spuwen, en de hardsteenen banken naast de huisdeur onder de twee groote lindeboomen waren nog steeds de geliefkoosde zitplaats der familie in de heerlijke zomeravonden. Een groote tuin met vruchtboomen omgaf het huis aan drie zijden met rechte paden, jasmijnstruiken en vele kruis- en aalbessenboomen; deze tuin stond onder het bijzonder toezicht van tante. In den geheelen omtrek waren zulke voortreffelijke appels en peren niet te vinden als op den molen, en de met zorg gekweekte aspergies van tante waren beroemd wegens haar fijnheid en grootte.Wie had zich ook den lompenmolen kunnen voorstellen zonder de oude? Welk een aangenamen indruk maakte het, als men het pad langs kwam, dat naar het woonhuis voerde! De oude vrouw zag dan over de sneeuwwitte gordijnen, om den gast met een paar vriendelijke, heldere oogen te verwelkomen; zij zette het spinnewiel ter zijde en was zoo vlug, dat zij den binnenkomende meestal aan de reeds geopende huisdeur kon ontvangen met een “God zegene u! wat zal dat Mina”—dat was de huisvrouw—of: “wat zal dat Frederik”—zoo heette de heer des huizes—“genoegen doen!” en dan trippelde zij vooruit om den gast in de gezellige woonkamer te laten, en terwijl zij den sleutelbos van haar zijde nam, verdween zij haastig in de keuken en provisiekamer.De oude vrouw leefde sedert haar tiende jaar in den molen; zij was eene weeze, en de grootvader van den tegenwoordigen bezitter had het vriendelijke, kleine meisje tot zich genomen; zoo was zij de speelgenoote zijner beide kinderen geworden. Zij had deze weldaad door trouwe aanhankelijkheid beloond, lief en leed met de familie gedeeld en was reeds lang een geliefd lid des huisgezins en allen onontbeerlijk geworden. De Ervings hadden zich steeds door goedheid en welwillendheid jegens de armen gekenmerkt; hunne rechterhand mocht niet weten wat de linker deed, en de Heer had het hun vergolden, zooals tante dikwijls zeide: zij waren de rijksten, wijd en zijd in den omtrek.Op den molen hadden altijd mannen gewoond van den echten stempel, wier handslag meer gold dan tien eeden, en die een vasten wil en krachtige werkzaamheid in zich vereenigden. Het “bid en werk” was van oudsher de zinspreuk van hun geslacht geweest, door de ouders steeds den kinderen ingeprent. De molen kon zich nog op iets anders beroemen: op de bijna tot een spreekwoord geworden schoonheid der vrouwen en dochters. “Zóó schoon, alsof zij van den molen afstamde,” was een compliment, dat men in het dorp aan menig schoone maagd gaf: de blauwe oogen der molenaarskinderenhadden reeds sinds jaren menigeen kommer en hartepijn veroorzaakt. De oude molen was ook getuige geweest van veel levensgenot, maar altijd was het de echte, rechte, gulden vroolijkheid.Met de Derenbergs hadden zij altijd als vriendschappelijke buren verkeerd; van weerszijden waren het dan ook mannen, die elkander achting moesten toedragen; en wanneer de toenmalige landheer langs de molenbeek reed en de toenmalige molenaar met zijn vrouw onder den lindeboom zat, ontstond er altijd een vriendschappelijk gesprek.Ook in den nood reikte men elkander de hand, en toen de oorlog van 1807 tot 1813 uitbarstte, konden geen bloedverwanten elkander trouwer bijstaan, dan de trotsche Derenbergs en de Ervings van den lompenmolen.Toen tante in huis kwam, bloeiden daar twee vroolijke kinderen. Het meisje was even oud als zij, de knaap vier jaren ouder. Zij groeide met hem op; toch was de molenaarsvrouw, die even huishoudelijk als godsdienstig was, er zeer op gesteld, dat het arme weeskind in haar eigen stand bleef. Zij zou haar later als meid dienen, maar juffrouw Erving kon en wilde het niet beletten, dat de drie kinderen te zamen speelden, en er tusschen de beide meisjes een vriendschap ontstond, die met de jaren steeds vaster werd. De knaap, van zijn kant, hield goede kameraadschap met de beide zonen, die daar boven op het slot opgroeiden, en de barones Derenberg hield zooveel van den blonden krullebol, dat zij zijn ouders wist over te halen, hem aan het onderwijs harer zonen te laten deelnemen. Zoo kwam de kleine Frederik uit de dorpsschool in de leerkamer van het vrijheerlijke slot, en zelden heeft men van een leerling meer genoegen gehad. Toen in later tijd de zonen der Derenbergs volwassen waren en sedert lang kennis gemaakt hadden met het buitenland, en de oudste reeds de bezittingen, hem door zijn vader nagelaten, had aanvaard, terwijl de jongste een knap officier bij de huzaren was geworden, kwamen zij nog altijd gaarne in hetoude huis terug, om den vriend te bezoeken. De kleine Lisette was intusschen tot een statige jonkvrouw opgegroeid; zij bezat de spreekwoordelijke schoonheid der molenaars-dochters in de ruimste mate, en kon met haar groote oogen, die zoo diep en blauw waren als het meer in het Derenbergsche bosch, iemand zóó aanzien, dat zij zijn hart won.Marietje was ook groot geworden; een prachtige meid, zooals de huisvrouw verklaarde; zij sprong en zong in keuken en kelder en keek daarbij zoo vriendelijk, dat men het vroolijke ding met de roode wangen wel liefmoestkrijgen. Zij moest nu wel is waar haar speelgenoot met “juffer” en “u” aanspreken, maar onder vier oogen kwam nog wel eens het vertrouwelijke Lisette over haar lippen en menigen zomeravond zaten zij hand in hand in het jasmijnpriëel, evenzoo als toen zij kinderen waren.En in deze dagen gebeurde het, dat een zwaar ongeluk over het huisgezin kwam, zoo zwaar, dat de wanhopige ouders meenden het niet te kunnen dragen; de vroolijke Marietje werd een ernstig, stil meisje; het betrof immers ook het sieraad des huizes, de schoone Lisette.Het bekoorlijke kind had wel is waar dikwijls genoeg van haar moeder het rijmpje gehoord:“Gelijk goed, gelijk bloed,Gelijke jaren, geeft de beste paren,”maar, hoe kon zij daaraan denken, toen werkelijk de liefde, die zich om rang noch stand bekommert, haar hart binnensloop? En zij beminde voor het eerst, met haar geheele ziel, met haar rein en vertrouwend gemoed, en de liefde, die haar wederkeerig werd geschonken, was even ernstig en heilig gemeend als de hare. Dáár verwoestte een hand ruw en boosaardig het pas ontloken geluk; het was een fijne, schoone vrouwenhand, maar zij reet de beide harten zoo wreed van elkander, dat het eene aan zijne wonden bezweek—Lisette sloot haar wonderschoone blauwe oogen na een kort, smartelijk ziekbed, voor altijd.Van dit oogenblik af werden alle betrekkingen met het slot afgebroken, en wanneer de bedroefde Marie den jongen landheer aan de zijde zijner schoone gemalin boven op den boschweg voorbij zag rijden, dan zuchtte zij dikwijls bij zich zelve: “zij komt immers uit het lichtzinnige Italië—hoe zou zij weten kunnen, hoe een Duitsch hart te moede is, als het iemand recht innig liefheeft? Maar de vergelding blijft niet uit.”Dat was nu lang, lang geleden, en de menschen, die toen in den molen leefden, waren lang dood. Marie was oud geworden en bij de Ervings gebleven, geacht en bemind, als behoorde zij tot de familie. Frederik Erving, de tegenwoordige eigenaar van den molen, de neef der schoone Lisette, had in haar een tweede moeder gevonden, want toen zijn ouders vroeg stierven, nam zij hem tot zich en voedde hem teeder en zorgvuldig op. Hij was flink opgegroeid onder haar hoede, en toen hij eens een lieve vrouw in huis bracht, trad zij het jonge paar op den drempel der vaderlijke woning vriendelijk tegemoet, en de jonge echtgenoot voerde zijn pas verkregen kleinood haar in de armen: “Daar, tante!”—zoo noemde hij haar steeds—“heb haar ook een weinig lief en wees ons beider moeder!”Zoo was het dan ook geworden. En toen tante in de oude dorpskerk later een dochtertje van het jonge paar ten doop hield, en een paar groote blauwe kinderoogen haar aanstaarden, toen vielen vreugdetranen op het gezichtje der kleine, en een vurig dankgebed, voor al het geluk haar beschoren, steeg ten Hemel op. De kleine ontving den naam van Liesje.Omstreeks dezen tijd viel de vreeselijke gebeurtenis op het slot voor, die ook de harten in den molen diep schokte—de plotselinge dood van den baron Derenberg. Tante zat zwijgend aan haar spinnewiel en dacht “hoe wonderlijk somtijds Gods wegen waren.” Toen nu eens haar lieveling, het kleine vierjarige Liesje, met nog een even klein blond meisje hand in hand langs het molenpad kwam aantrippelen, gevolgd dooreen beeldschoonen jongen met zwart haar, en een trotsch uitzicht, die verlegen met zijn klein zweepje speelde, ging zij hun tegemoet en nam het lieve krullekopje op den arm, en toen de kleine op de vraag, of zij boven in het slot woonde, toestemmend knikte, bracht zij het kind bij de jonge vrouw in het woonvertrek, nam toen den knaap en Liesje bij de hand en bracht ze ook binnen. De beide vrouwen, de oude zoowel als de jonge, liefkoosden de vaderlooze kinderen, tot het blondje eindelijk de armpjes om den hals der oude vrouw sloeg en de knaap met glinsterende oogen den appel aannam, dien zij hem voorhield. En toen zij later weder huiswaarts trippelden langs het molenpad, de broeder zorgvuldig het zusje geleidende, beiden telkens omziende en knikkende, drukte de jonge vrouw haar dochtertje aan het hart, en zeide, met tranen in de oogen: “Van avond moeten wij den lieven God hartelijk daarvoor danken, dat gij nog zulk een besten, braven vader hebt, zie die beide kinderen daar,diehebbengeenvader meer, en zij missen bovendien nog zóóveel!” Van toen af dagteekende de vriendschap tusschen lompenmolenaars Liesje en de kinderen van Derenberg.Op den molen was intusschen het leven aangenaam voortgesneld. Liesje groeide steeds schooner op; zij was een schrander meisje geworden en leerde vlijtig. De geestelijke, haars vaders vriend en haar peetoom, onderwees haar, en zijn vrouw leerde haar Fransch spreken en zingen. Wanneer zij met haar buigzame, hoewel niet sterke altstem de oude vaderlandsche volksliederen zong, dan werden tante de oogen vochtig: “precies Lisette!” zeide zij halfluid in zich zelve.Dat Army, nu hij officier was geworden, den molen niet meer bezocht, verwonderde de oude vrouw niet. “’t Is grootmoeders bloed,” zeide zij. Maar Liesje wilde niet gelooven, dat Army trotsch geworden was, dezelfde Army, met wien zij nog kort geleden zoo vroolijk gelachen had; zij moest het hemzelf vragen; zij begaf zich op weg naar het slot. Zij trofde jonge lieden onder den grooten lindeboom aan: Army stond op het punt te vertrekken, maar het was spoedig opgehelderd; hij moest onverwacht op reis, anders zou hij zeker gekomen zijn. Toen zij nu weder in de warme kamer voor de oude vrouw stond, die ijverig spon, sprak zij: “Ziet gij wel, tante, het is niet waar, dat Army trotsch is geworden; hij heeft niet kunnen komen, omdat hij plotseling op reis moest;—ik wist het wel.“Zoo?” vroeg de oude vrouw.“Ja! Gij stoute tante hebt mij waarlijk doen schrikken. Gij—” zeide zij pruilend.“Nu, het ei wil altijd wijzer wezen dan de hen,” antwoordde deze. “Nelly heeft dus gezegd, dat hij had willen komen?”“Ja, en Nelly jokt niet.”“Nelly is een goed kind; het doet mij altijd genoegen als zij komt; zij heeft de trekken en ’t gemoed der Derenbergs, dat waren door en door brave lieden die Derenbergs, totdat—-” Zij zweeg.“Wat bedoelt gij, tante?”“Nu, als de duivel de menschen verderven wil, doet hij zich als een engel voor.”“Wat zegt gij?”“Ik zeg niets; maar gelooven moogt gij het, Liesje! wat de leeraar Zondag van den kansel verkondigd heeft: ‘Onze God is een rechtvaardig God,’ dat is een waar woord; nu, zie mij niet zoo verwonderd aan! Kijk liever eens in den oven! Daarin liggen voor u heerlijk gebradene appels.”
De lompenmolen, zooals de papiermolen van ouds her in den ganschen omtrek genoemd werd, lag bekoorlijk tusschen hoog oud geboomte aan het ruischend riviertje. Het statige woonhuis, met den vergulden weerhaan op het spitse leien dak, was gebouwd in de eerste helft der vorige eeuw en had geheel het karakter van dien tijd behouden. De zware eikenhouten voordeur met den blank geschuurden koperen klopper, was nog dezelfde; de kleine vensterruiten waren nog door geen spiegelglas vervangen, en het gebeeldhouwde opschrift in het oude balkon verkondigde, dat dit huis “tot Gods eer Anno 1741 gebouwd (was) door Johan Frederik Erving en zijn huisvrouw Ernestine, geboren IJzerhardin.” De oude drakenkoppen aan de vier hoeken van het dak waren nog steeds bereid, het regenwater uit te spuwen, en de hardsteenen banken naast de huisdeur onder de twee groote lindeboomen waren nog steeds de geliefkoosde zitplaats der familie in de heerlijke zomeravonden. Een groote tuin met vruchtboomen omgaf het huis aan drie zijden met rechte paden, jasmijnstruiken en vele kruis- en aalbessenboomen; deze tuin stond onder het bijzonder toezicht van tante. In den geheelen omtrek waren zulke voortreffelijke appels en peren niet te vinden als op den molen, en de met zorg gekweekte aspergies van tante waren beroemd wegens haar fijnheid en grootte.
Wie had zich ook den lompenmolen kunnen voorstellen zonder de oude? Welk een aangenamen indruk maakte het, als men het pad langs kwam, dat naar het woonhuis voerde! De oude vrouw zag dan over de sneeuwwitte gordijnen, om den gast met een paar vriendelijke, heldere oogen te verwelkomen; zij zette het spinnewiel ter zijde en was zoo vlug, dat zij den binnenkomende meestal aan de reeds geopende huisdeur kon ontvangen met een “God zegene u! wat zal dat Mina”—dat was de huisvrouw—of: “wat zal dat Frederik”—zoo heette de heer des huizes—“genoegen doen!” en dan trippelde zij vooruit om den gast in de gezellige woonkamer te laten, en terwijl zij den sleutelbos van haar zijde nam, verdween zij haastig in de keuken en provisiekamer.
De oude vrouw leefde sedert haar tiende jaar in den molen; zij was eene weeze, en de grootvader van den tegenwoordigen bezitter had het vriendelijke, kleine meisje tot zich genomen; zoo was zij de speelgenoote zijner beide kinderen geworden. Zij had deze weldaad door trouwe aanhankelijkheid beloond, lief en leed met de familie gedeeld en was reeds lang een geliefd lid des huisgezins en allen onontbeerlijk geworden. De Ervings hadden zich steeds door goedheid en welwillendheid jegens de armen gekenmerkt; hunne rechterhand mocht niet weten wat de linker deed, en de Heer had het hun vergolden, zooals tante dikwijls zeide: zij waren de rijksten, wijd en zijd in den omtrek.
Op den molen hadden altijd mannen gewoond van den echten stempel, wier handslag meer gold dan tien eeden, en die een vasten wil en krachtige werkzaamheid in zich vereenigden. Het “bid en werk” was van oudsher de zinspreuk van hun geslacht geweest, door de ouders steeds den kinderen ingeprent. De molen kon zich nog op iets anders beroemen: op de bijna tot een spreekwoord geworden schoonheid der vrouwen en dochters. “Zóó schoon, alsof zij van den molen afstamde,” was een compliment, dat men in het dorp aan menig schoone maagd gaf: de blauwe oogen der molenaarskinderenhadden reeds sinds jaren menigeen kommer en hartepijn veroorzaakt. De oude molen was ook getuige geweest van veel levensgenot, maar altijd was het de echte, rechte, gulden vroolijkheid.
Met de Derenbergs hadden zij altijd als vriendschappelijke buren verkeerd; van weerszijden waren het dan ook mannen, die elkander achting moesten toedragen; en wanneer de toenmalige landheer langs de molenbeek reed en de toenmalige molenaar met zijn vrouw onder den lindeboom zat, ontstond er altijd een vriendschappelijk gesprek.
Ook in den nood reikte men elkander de hand, en toen de oorlog van 1807 tot 1813 uitbarstte, konden geen bloedverwanten elkander trouwer bijstaan, dan de trotsche Derenbergs en de Ervings van den lompenmolen.
Toen tante in huis kwam, bloeiden daar twee vroolijke kinderen. Het meisje was even oud als zij, de knaap vier jaren ouder. Zij groeide met hem op; toch was de molenaarsvrouw, die even huishoudelijk als godsdienstig was, er zeer op gesteld, dat het arme weeskind in haar eigen stand bleef. Zij zou haar later als meid dienen, maar juffrouw Erving kon en wilde het niet beletten, dat de drie kinderen te zamen speelden, en er tusschen de beide meisjes een vriendschap ontstond, die met de jaren steeds vaster werd. De knaap, van zijn kant, hield goede kameraadschap met de beide zonen, die daar boven op het slot opgroeiden, en de barones Derenberg hield zooveel van den blonden krullebol, dat zij zijn ouders wist over te halen, hem aan het onderwijs harer zonen te laten deelnemen. Zoo kwam de kleine Frederik uit de dorpsschool in de leerkamer van het vrijheerlijke slot, en zelden heeft men van een leerling meer genoegen gehad. Toen in later tijd de zonen der Derenbergs volwassen waren en sedert lang kennis gemaakt hadden met het buitenland, en de oudste reeds de bezittingen, hem door zijn vader nagelaten, had aanvaard, terwijl de jongste een knap officier bij de huzaren was geworden, kwamen zij nog altijd gaarne in hetoude huis terug, om den vriend te bezoeken. De kleine Lisette was intusschen tot een statige jonkvrouw opgegroeid; zij bezat de spreekwoordelijke schoonheid der molenaars-dochters in de ruimste mate, en kon met haar groote oogen, die zoo diep en blauw waren als het meer in het Derenbergsche bosch, iemand zóó aanzien, dat zij zijn hart won.
Marietje was ook groot geworden; een prachtige meid, zooals de huisvrouw verklaarde; zij sprong en zong in keuken en kelder en keek daarbij zoo vriendelijk, dat men het vroolijke ding met de roode wangen wel liefmoestkrijgen. Zij moest nu wel is waar haar speelgenoot met “juffer” en “u” aanspreken, maar onder vier oogen kwam nog wel eens het vertrouwelijke Lisette over haar lippen en menigen zomeravond zaten zij hand in hand in het jasmijnpriëel, evenzoo als toen zij kinderen waren.
En in deze dagen gebeurde het, dat een zwaar ongeluk over het huisgezin kwam, zoo zwaar, dat de wanhopige ouders meenden het niet te kunnen dragen; de vroolijke Marietje werd een ernstig, stil meisje; het betrof immers ook het sieraad des huizes, de schoone Lisette.
Het bekoorlijke kind had wel is waar dikwijls genoeg van haar moeder het rijmpje gehoord:
“Gelijk goed, gelijk bloed,Gelijke jaren, geeft de beste paren,”
“Gelijk goed, gelijk bloed,
Gelijke jaren, geeft de beste paren,”
maar, hoe kon zij daaraan denken, toen werkelijk de liefde, die zich om rang noch stand bekommert, haar hart binnensloop? En zij beminde voor het eerst, met haar geheele ziel, met haar rein en vertrouwend gemoed, en de liefde, die haar wederkeerig werd geschonken, was even ernstig en heilig gemeend als de hare. Dáár verwoestte een hand ruw en boosaardig het pas ontloken geluk; het was een fijne, schoone vrouwenhand, maar zij reet de beide harten zoo wreed van elkander, dat het eene aan zijne wonden bezweek—Lisette sloot haar wonderschoone blauwe oogen na een kort, smartelijk ziekbed, voor altijd.
Van dit oogenblik af werden alle betrekkingen met het slot afgebroken, en wanneer de bedroefde Marie den jongen landheer aan de zijde zijner schoone gemalin boven op den boschweg voorbij zag rijden, dan zuchtte zij dikwijls bij zich zelve: “zij komt immers uit het lichtzinnige Italië—hoe zou zij weten kunnen, hoe een Duitsch hart te moede is, als het iemand recht innig liefheeft? Maar de vergelding blijft niet uit.”
Dat was nu lang, lang geleden, en de menschen, die toen in den molen leefden, waren lang dood. Marie was oud geworden en bij de Ervings gebleven, geacht en bemind, als behoorde zij tot de familie. Frederik Erving, de tegenwoordige eigenaar van den molen, de neef der schoone Lisette, had in haar een tweede moeder gevonden, want toen zijn ouders vroeg stierven, nam zij hem tot zich en voedde hem teeder en zorgvuldig op. Hij was flink opgegroeid onder haar hoede, en toen hij eens een lieve vrouw in huis bracht, trad zij het jonge paar op den drempel der vaderlijke woning vriendelijk tegemoet, en de jonge echtgenoot voerde zijn pas verkregen kleinood haar in de armen: “Daar, tante!”—zoo noemde hij haar steeds—“heb haar ook een weinig lief en wees ons beider moeder!”
Zoo was het dan ook geworden. En toen tante in de oude dorpskerk later een dochtertje van het jonge paar ten doop hield, en een paar groote blauwe kinderoogen haar aanstaarden, toen vielen vreugdetranen op het gezichtje der kleine, en een vurig dankgebed, voor al het geluk haar beschoren, steeg ten Hemel op. De kleine ontving den naam van Liesje.
Omstreeks dezen tijd viel de vreeselijke gebeurtenis op het slot voor, die ook de harten in den molen diep schokte—de plotselinge dood van den baron Derenberg. Tante zat zwijgend aan haar spinnewiel en dacht “hoe wonderlijk somtijds Gods wegen waren.” Toen nu eens haar lieveling, het kleine vierjarige Liesje, met nog een even klein blond meisje hand in hand langs het molenpad kwam aantrippelen, gevolgd dooreen beeldschoonen jongen met zwart haar, en een trotsch uitzicht, die verlegen met zijn klein zweepje speelde, ging zij hun tegemoet en nam het lieve krullekopje op den arm, en toen de kleine op de vraag, of zij boven in het slot woonde, toestemmend knikte, bracht zij het kind bij de jonge vrouw in het woonvertrek, nam toen den knaap en Liesje bij de hand en bracht ze ook binnen. De beide vrouwen, de oude zoowel als de jonge, liefkoosden de vaderlooze kinderen, tot het blondje eindelijk de armpjes om den hals der oude vrouw sloeg en de knaap met glinsterende oogen den appel aannam, dien zij hem voorhield. En toen zij later weder huiswaarts trippelden langs het molenpad, de broeder zorgvuldig het zusje geleidende, beiden telkens omziende en knikkende, drukte de jonge vrouw haar dochtertje aan het hart, en zeide, met tranen in de oogen: “Van avond moeten wij den lieven God hartelijk daarvoor danken, dat gij nog zulk een besten, braven vader hebt, zie die beide kinderen daar,diehebbengeenvader meer, en zij missen bovendien nog zóóveel!” Van toen af dagteekende de vriendschap tusschen lompenmolenaars Liesje en de kinderen van Derenberg.
Op den molen was intusschen het leven aangenaam voortgesneld. Liesje groeide steeds schooner op; zij was een schrander meisje geworden en leerde vlijtig. De geestelijke, haars vaders vriend en haar peetoom, onderwees haar, en zijn vrouw leerde haar Fransch spreken en zingen. Wanneer zij met haar buigzame, hoewel niet sterke altstem de oude vaderlandsche volksliederen zong, dan werden tante de oogen vochtig: “precies Lisette!” zeide zij halfluid in zich zelve.
Dat Army, nu hij officier was geworden, den molen niet meer bezocht, verwonderde de oude vrouw niet. “’t Is grootmoeders bloed,” zeide zij. Maar Liesje wilde niet gelooven, dat Army trotsch geworden was, dezelfde Army, met wien zij nog kort geleden zoo vroolijk gelachen had; zij moest het hemzelf vragen; zij begaf zich op weg naar het slot. Zij trofde jonge lieden onder den grooten lindeboom aan: Army stond op het punt te vertrekken, maar het was spoedig opgehelderd; hij moest onverwacht op reis, anders zou hij zeker gekomen zijn. Toen zij nu weder in de warme kamer voor de oude vrouw stond, die ijverig spon, sprak zij: “Ziet gij wel, tante, het is niet waar, dat Army trotsch is geworden; hij heeft niet kunnen komen, omdat hij plotseling op reis moest;—ik wist het wel.
“Zoo?” vroeg de oude vrouw.
“Ja! Gij stoute tante hebt mij waarlijk doen schrikken. Gij—” zeide zij pruilend.
“Nu, het ei wil altijd wijzer wezen dan de hen,” antwoordde deze. “Nelly heeft dus gezegd, dat hij had willen komen?”
“Ja, en Nelly jokt niet.”
“Nelly is een goed kind; het doet mij altijd genoegen als zij komt; zij heeft de trekken en ’t gemoed der Derenbergs, dat waren door en door brave lieden die Derenbergs, totdat—-” Zij zweeg.
“Wat bedoelt gij, tante?”
“Nu, als de duivel de menschen verderven wil, doet hij zich als een engel voor.”
“Wat zegt gij?”
“Ik zeg niets; maar gelooven moogt gij het, Liesje! wat de leeraar Zondag van den kansel verkondigd heeft: ‘Onze God is een rechtvaardig God,’ dat is een waar woord; nu, zie mij niet zoo verwonderd aan! Kijk liever eens in den oven! Daarin liggen voor u heerlijk gebradene appels.”