Negende Hoofdstuk.

Negende Hoofdstuk.De zomer was voorbij gegaan en de herfst begon het loof der bosschen bont te kleuren; een kristalheldere blauwe hemel welfde zich over de aarde; in de lindenbaan van het slotpark lagen de eerste verdorde bladeren op den grond, en in Ervings tuin bloeiden de asters en dahlia’s in bonte kleurenpracht. Over de wijnstokken waren netten gespannen, om de snoeplustige musschen te weren; uit het loof der ooftboomen keken de rijpe, goudgele vruchten met roodgekleurde wangen naar buiten, slechts wachtende om geplukt te worden.In den molen was alles zijn gewonen gang gegaan; hoe spoedig was die zomer voorbij, en nu verheugde men zich weder in het vooruitzicht van de lange winteravonden bij de warme kachel. De lieden in den molen verheugden zich trouwens ook nog op iets anders: zij wisten immers allen, zoowel de arbeiders in de fabriek, als Mina en Doortje in de keuken en Peter in den stal, dat er spoedig eene bruid in huis zou komen; voor hen, die oogen hadden om te zien, was het zonneklaar, dat de heer Selldorf en “onze Lise” een paar zouden worden. De flinke, blonde man blonk immers de liefde zoo duidelijk uit de eerlijke, heldere oogen, en met niemand ging de heer des huizes zoo vertrouwelijk en hartelijk om, en geen zijner collega’s ontving zulke vriendelijke blikken van Liesjes moeder, als hij. Zelfs tante knikte hemsteeds zoo welwillend toe, en als er beneden in de keuken over hem gesproken werd, zeide zij altijd: “een flink mensch, die Selldorf!”Alleen Liesje scheen van dat alles niets te merken; wel was zij altijd vriendelijk en aardig jegens den leerling haars vaders en zette de groote struiken vergeet-mij-niet, die hij haar nu en dan medebracht, dadelijk in schoon water, maar overigens kon niemand iets van de liefde bespeuren, welke men volstrekt wilde dat zij hem zou toedragen, welke moeite Mina en Doortje zich daartoe ook gaven.“Zij houdt zich maar zoo,” meende de laatste, “dat is zoo de mode bij de voorname lui, maar van binnen is het anders gesteld, nietwaar, tante?”“Die veel praten, liegen veel!” had deze geantwoord; “bekommer u niet om Lise, maar blijf bij uw potten en pannen! Bruiloft zullen wij wel eenmaal in huis vieren. Wie echter de bruidegom zijn zal, weet God alleen; wij kunnen niet in de toekomst zien, en daarom, houdt uw mond over zaken, die u niet aangaan. Maar gij denkt nergens anders over, dan over vrijers en trouwen. Lise weet zeer goed:“Bij vrijen, als bij paarden koopen,Meisje, doe uw oogen open!”De oude had hierbij ernstig met het hoofd geknikt.Maar, hoeveel ingang hare woorden anders ook vonden, nu gingen zij het eene oor in, en het andere uit; zij wisten het immers veel te goed, dat de heer Selldorf zin aan de juffer had; de tijd zou het leeren, wie gelijk had.Ondertusschen bracht tante met haar gewonen ijver den wintervoorraad in kelder en provisiekamer en Liesje moest overal bij zijn en aan alles helpen, “want zie, mijn liefje, het is voor de aanstaandehuishouding,” zeide de oude vrouw.Dezen middag werd er aan de oude noteboomen geweldig geschud en getrokken, bladeren en vruchten vielen op den grond, waarover een groot laken gespreid lag; Peter enChristoffel sloegen met lange stokken onbarmhartig in de takken, en drie of vier kinderen kropen en tuimelden over elkander in de drukte van het oprapen.Liesje, die Nelly bij zich had, had juist de plaats en de kinderen verlaten en nu stonden de jonge meisjes in het zomerhuisje voor het huis, bij de steenen tafel, waarover de oude vrouw een helder wit tafellaken legde, en wachtten zwijgend, tot zij het koffieblad van de bank en op de tafel gezet had.“Nietwaar, tante, gij drinkt hier buiten bij ons koffie?” vroeg Liesje.“Dat kan ik wel doen; in de huiskamer is ook bezoek,” antwoordde zij; en naast Nelly plaats nemende, verzocht zij Liesje een kopje voor haar te halen. “Zoo vlijtig?” vroeg zij, toen het meisje naast haar uit een korfje een handwerk te voorschijn haalde en ijverig begon te werken.“Een huwelijksgeschenk voor Army!” antwoordde zij vriendelijk.“Lieve God, hij is toch nog erg jong,” sprak de oude vrouw, terwijl zij het gevulde kopje dankend van Liesje aannam.“Het heugt mij nog als gister, dat hij over de brug kwam aanloopen in zijn zwart kieltje.”Nelly knikte; Liesje echter zag onwillekeurig naar de brug, waaronder het water helder en haastig heenliep.“Wie is daar binnen bij vader?” vroeg zij met een bedrukte stem, alsof zij het gesprek op iets anders wilde brengen; tegelijkertijd lachte zij hare moeder tegen, wier gelaat een oogenblik aan het venster zichtbaar werd.“Een vreemd heer,—ik ken hem niet,” antwoordde tante; daarop zette zij plotseling haar kopje neer, schoof haar bril iets lager en zag daarover heen naar den weg aan de overzij van het water. “Heilige God,” zeide zij, “was dat Sanna niet, Nelly, die daar onder de boomen liep? Zij is nu achter die elze- en wilgeboomen—ik heb haar in langen tijd niet gezien, maar het scheen mij haar gang toe. Ziet gij, waarlijkzij is het,” en zij wees op de groote vrouw, die met het, donker gewaad en wit voorschoot over de brug kwam.“Sanna!” riep Nelly, en sprong op, “mijn God, wat is er toch gebeurd?”“Mevrouw de barones laat vragen,” klonk het met een vreemd accent uit den mond der oude dienstbode, “of de freule niet dadelijk bij haar wil komen.”“Om Godswil, Sanna, wat is er voorgevallen?” vroeg het jonge meisje haastig, haar werk opbergende. “Moet ik bij mama komen of bij grootmama?”“Natuurlijk bij grootmama,” antwoordde de oude, zonder Liesje of hare tante, die Nelly hielpen haar borduurwol in te pakken, met een blik te verwaardigen. “Uwe grootmoeder is zeer boos, dat gij niet te huis waart, zóó boos, dat ik maar aanstonds hier heen ben geloopen, omdat mevrouw uwe moeder meende, dat gij wel weder naar den molen gegaan zoudt zijn, en Hendrik had geen tijd; hij moest brieven naar de post brengen.”“Zeg het toch, Sanna!” bad Nelly, en zag de magere vrouw angstig aan, “is er iemand ziek, of zijn er slechte tijdingen gekomen?”“De oude barones heeft een brief met een doodbericht ontvangen,” antwoordde de oude en zag tante, die opgestaan was, met donkere blikken aan.“Om Godswil!” riep Nelly en zag Sanna ontsteld aan; “het is Army toch niet? Sanna, lieve Sanna, gij weet het wel—zeg het toch! Ik bid u,” en zij liep naar haar toe en vatte smeekend hare beide handen.Liesje ging echter op de steenen bank zitten; het was haar, alsof hare beenen haar niet langer wilden dragen; als onbewust, staarde zij met wijd geopende oogen op de groep.“Ik weet het niet,” antwoordde schouderophalend de oude dienstbode, terwijl Nelly haar gelaat met de handen bedekte en nogmaals snikkend uitriep:“Army! Almachtige God, zoo het Army eens ware!”“Wees gerust, Nelly,” troostte tante haar nu, en sloot het weenende meisje in hare armen. “Uw broeder is het niet; dan zoude zij daar niet zoo rustig staan—ga gauw naar huis en wees getroost! Hij is het niet.”“Och, tante!” snikte zij, “ik kan van angst niet op mijn beenen staan.”“Schrei niet, genadige freule!” zeide nu ook de oude Sanna, sterk op de benaming “genadige freule” drukkende; “gravin Stontheim is overleden, maar de barones had mij verboden er hier in den molen over te spreken, daar zij alle gebabbel wil vermijden, en hier—” zij hield het overige voor zich, en wierp een uitdagenden blik op de tante, die nog altijd naast het weenende meisje stond.“Nu,” merkte deze aan, “gij moogt het wel voor u houden, juffer Sanna; wat raakt het mij, of die tante dood is of niet. Maar daarom behoeft gij het arme kind niet zulk een schrik aan te jagen met uw doodsbericht, het was vroeg genoeg als zij het te huis vernam.”“Ik heb met u niets te maken; ik doe slechts wat mijne meesteres mij beveelt,” antwoordde de oude dienstbode minachtend.“O ja! dat weet ik nog van vroeger,” sprak tante, wie eensklaps het bloed naar de wangen vloog; zij zag hare vijandin doordringend aan.“Ik ga een eind met uw mede, Nelly,” riep Liesje, als uit een droom ontwakende, en volgde haar vriendin, terwijl Sanna, als aan den grond genageld, staan bleef.“Wat bedoelt gij toch?” vroeg zij, en zag tante met een blik aan, vol onverzoenlijken haat. Uit de houding van deze beide vrouwen was het duidelijk te zien, dat hier een oude, lang onderdrukte veete weder ontbrandde.“Wat ik bedoel?” vroeg de oude tante, terwijl zij hare eerlijke oogen op de groote, donkere gestalte vestigde en eenige schreden nader trad, “wat ik bedoel? Ei, juffer Sanna,dat behoeft gij niet te vragen; ik zie het aan uw gelaat, dat gij het wel weet—het heeft u toch zeker dikwijls genoeg aan uw hoofdkussen getrokken en geplukt en u verhinderd te slapen in lange benauwde nachten, en heeft als een berg, die niet te verschuiven was, op uwe borst gelegen, al hebt gij ook honderd maal uw rozenkrans afgebeden en alle heiligen aangeroepen—dat was het geweten, juffer Sanna, en een kwaad geweten heeft wolfstanden; die bijten scherp en diep—”“O misericordia!” riep Sanna en sloeg hare handen met een hartstochtelijk, toornig gebaar in elkander: “dat heb ik er nu voor, dat ik zelve hierheen ben geloopen; mevrouw de barones had wel gelijk, dat zij mij steeds verbood, mij met hetplebaglio, hetmiserabile, in te laten.”“Wat uwe barones zegt, is mij totaal onverschillig,” verklaarde tante, “en uwe Italiaansche scheldnamen kunt gij wel sparen; die versta ik niet; maar één ding moet ik u toch nog zeggen, juffer Sanna, nu het toeval ons te zamen brengt—ik heb er lang naar verlangd, het te kunnen doen; gij en uwe barones hebt eene zonde op uw geweten, die ten hemel schreit. Misschien meent gij, dat niemand er van weet; wellicht weet gij, dat er eene is die de oorzaak kent en weet, waardoor een jong, bloeiend leven in ’t graf moest nederdalen; ik zeg u echter, en gij kunt het aan uwe barones daar boven overbrengen: God is een tijd lankmoedig, maar niet eeuwig; Hij laat zich niet bespotten, en ik—ik, de oude tante uit den papiermolen—ik bid nog iederen avond den lieven God, dat hij mij den dag laat beleven, waarop ik uw trotsche meesteres in het gezicht kan zeggen, dat zij eene—”“Cielo!” krijschte de Italiaansche en sloeg met de handen in de lucht, “het mensch is krankzinnig! Het verwondert mij, dat gij nog niet zegt, dat wij het hoogmoedige ding vermoord hebben.”“Dat zou ik met het volste recht kunnen beweren,” hieldde oude vol, “en als er geen hoogmoediger menschen waren dan zij, dan zou het beter wezen in de wereld.”“Datzou ik mij hier laten zeggen?” riep Sanna, rood van toorn, “wilt gij misschien ook beweren, dat wij haar vergeven of gewurgd hebben? Het was juffer Lisette’s eigen schuld, dat zij stierf; wat behoefde zij zich in te beelden, dat de baron haar zou trouwen! Waarom knoopte zij een vrijerij aan boven haar stand! Zulk een heer heeft honderd oogen en ziet meer dan één mooi meisje.”“Wat?” riep nu de oude vrouw, en zette haastig het koffieblad, dat zij juist had opgenomen, weder neer—“wilt gij den baron Fritz nu ook nog belasteren? Die was beter dan de heele kliek daar boven bij elkaar”—zij wees naar het slot—“en zoo hij een lichtzinnig mensch is geworden, is dat ook uwe schuld. En wat het inbeelden betreft, onze zalig Lisette heeft zich niets ingebeeld; zij is de brave bruid van baron Fritz geweest, en zou, zoo waar als ik hier sta, zijne vrouw geworden zijn, hadden niet valsche, slechte menschen, erger dan roovers en moordenaars, hen van elkaar gerukt.”Sanna lachte onbeschoft en spottend.“Gelooft gij dat waarlijk? En ik zeg u: zoo zeker als zij lompenmolenaars Lisette was, zoo zeker is dáár boven geen plaats voor dergelijken.”“Hoogmoed steekt altijd den staart buiten ’t nest,” antwoordde tante Marie minachtend; “ons geslacht is Goddank te braaf en te goed en past niet in zulk een zondige huishouding, als het toen daar boven was. De Derenbergs waren altijd lieden van goed allooi; die zat de adel niet alleen in het bloed, maar ook in het gemoed, en zoo was het goed, totdat—nu, gij weet, wat ik meen—in het graf zouden zij zich hebben omgekeerd, allen in den ouden grafkelder, zoo zij geweten hadden, hoe ver het nog komen zou met hunne trotsche naneven.”“Tante! tante!” riep de vrouw des huizes met angstige stem uit het venster.“Aanstonds, Mientje!” antwoordde zij en nam het koffieblad op; “ik kom al. Gij weet, wij oudjes praten gaarne over den ouden tijd, vooral als men elkander in zulk een langen tijd niet gezien heeft, als juffer Sanna en ik,” en dit zeggende ging zij in huis, zonder verder om te zien.“Maar tante, om Godswil!” sprak Ervings vrouw verwijtend, toen de oude vrouw met een rood gelaat binnen kwam: “wat praat gij toch! Ik werd wezenlijk angstig, zoo boos zag die groote, sombere vrouw er uit—”“Ik niet, Mientje, ik niet,” antwoordde de oude vrouw zegepralend, “het deed mij goed, dat ik eens uitspreken kon. Jarenlang heb ik daarop gewacht; soms vreesde ik al, dat ik sterven zou, zonder haar in het gezicht te hebben gezegd, welke groote zonden zij gedaan hebben, en nuvandaag—o, ik ben nog veel te zachtmoedig geweest, maar had ik het valsche wijf niet onder Gods vrijen hemel, maar op mijne kamer gehad, dan zoudt gij iets anders gehoord hebben, Mina—”“Tante! tante! Mij is de wraak! Wat zoude onze dominé zeggen, als hij u nu hoorde!”“Ik wil mij niet wreken,” sprak de oude vrouw zacht, “want op alle wraak volgt berouw! Maar geloof mij, toen ik haar daar zoo voor mij zag staan, die vrouw, die mede aan het ongeluk schuld heeft, toen was het mij, alsof iemand mij kokende olie in het hart goot—” Zij hield op, want Liesje trad binnen.“De gravin Stontheim is werkelijk overleden,” verhaalde zij. “Nelly’s moeder zeide het, toen zij ons in het park tegenkwam. Army heeft geschreven, dat zij reeds morgen wordt begraven, en daarna wil hij zijne bruid weder hierheen brengen; de bruiloft zal niet uitgesteld worden, alles blijft bij het oude. Zeg eens, tante, was Sanna, die ik pas bij den boschweg tegenkwam, tot nu toe bij u?”“Tot nu toe, mijn schatje; wij hebben nog een vroolijk praatje met elkander gehad.”Het jonge meisje zag haar vragend aan en zette zich toen aan het raam. De beide anderen verlieten de kamer. Het was zoo stil rondom dat jonge meisje met een stille, hopelooze liefde in het hart. Van de hooge lindeboomen vielen langzaam de gele bladeren op den grond, beelden van voorbijgegaan lentegeluk; een paar kleine vogeltjes vlogen tjilpend van tak tot tak.“Alshijgestorven was?” sprak zij halfluid. “Maar neen—neen—het is beter zoo; lieve God, laat hem gelukkig worden—om der wille zijner moeder en zuster!”Een paar dagen waren voorbijgegaan. Liesje had hare tante vlijtig in het huishouden geholpen, en meer dan in den laatsten tijd had haar heldere lach weder geklonken. “Lach maar, mijn liefje!” had de oude vrouw eenmaal in hare vreugde daarover gezegd, “God heeft den blijmoedigen mensch lief.” Zij wordt weder vroolijk, zij heeft het overwonnendacht zij; het kind was ook nog zoo jong en het leven dat voor haar lag, beloofde nog zooveel geluk. En onwillekeurig kwam haar de jonge, blonde man voor den geest, die zoo bescheiden was en toch door zijn degelijkheid meer en meer in den molen geliefd werd. “Het zou een uitgelezen paar zijn,” sprak zij bij zichzelve.Dezen morgen had zij hem nog langen tijd nagezien, toen hij reeds vroeg met Erving, het geweer over den schouder, op de jacht gegaan was; zij had daarbij zeer goed bemerkt, hoe hij een verstolen blik wierp naar de vensters, waarachter Liesje nog rustig sliep, en gedacht: “Als zij hem nu zoo reus zag, knapper kan toch niemand er uitzien.”Maar Liesje had later niet geluisterd, toen zij hem prees, en was telkens lachend over iets anders begonnen te spreken. Zoo was het middag geworden; de soep dampte reeds op de tafel in de eetkamer, toen Lise naar buiten ijlde, haar vader tegemoet, zonder te bedenken, wie hem vergezelde.“Goeden morgen, vadertje!” riep zij vroolijk, “wat brengt gij mede?” Nu eerst werd zij gewaar, dat de heer Selldorfachter hem stond, die den groenen jagershoed afgenomen en haar vader de hand gegeven had, terwijl hij hem smeekend aanzag. “Tot heden avond dan, beste Selldorf,” hoorde zij haar vader zeggen; nog een handdruk, en de jonge man was verdwenen, zonder haar te hebben aangezien. De statige vader groette zijne dochter ter loops en wierp zijn weitasch af. “Waar is uwe moeder? Ik moet haar spreken,” zeide hij haastig.“Maar Frederik, de soep!” klonk tantes stem uit de keuken.“Ja zoo—nu, dan later!” sprak hij. Onder het eten streek hij echter dikwijls met de hand over het gelaat; dan lachte hij, maar werd op eens weder ernstig. Eens zag hij Liesje stijf en zóó treurig aan, dat zij de lepel weglegde en vroeg:“Vader, wat is u overkomen?” en “Erving, is u iets onaangenaams bejegend?” vroeg ook zijne vrouw.“Wel beware, neen!” antwoordde hij vroolijk, alsof er niets bij hem gaande was.Dadelijk toen de maaltijd geëindigd was, volgde hij zijne vrouw in de huiskamer. Liesje wandelde in den tuin op en neer en zag tusschenbeide angstig naar de ramen der woonkamer; eindelijk ging zij weder in huis, maar daar ging ook juist tante de kamer binnen en wenkte haar, buiten te blijven.Vol bange voorgevoelens zette zij zich op de steenen bank onder het raam. Daar binnen werd druk gesproken, en eindelijk hoorde zij tante zeggen: “Neen Frederik, dit moet gij mij beloven, als zij nietwil, overreed haar dan niet, want gedwongen trouw geeft eeuwige rouw!”“Dat spreekt van zelf,” antwoordde haar vader, “maar men kan haar toch al het voor en tegen onder het oog brengen.”Het jonge meisje daar op de oude steenen bank was plotseling doodsbleek geworden. Op eenmaal was het haar helder geworden, wat daar binnen werd besproken; had zij dan in een droom geleefd? Hare ouders, haar lieve, goede vader—konden die het van zich verkrijgen, haar te laten heengaan?Zij zou den ouden geliefden molen verlaten moeten met een vreemden man? Weg van hare moeder, van hare tante, en alles wat haar lief was? Zij zou niet meer in haar kamertje weenen, niet meer dagelijks de torens van het oude slot zien? Zij drukte de handen op hare borst, en had een gevoel, alsof haar hart ophield te kloppen bij deze gedachten.“Liesje, kom eens binnen!” klonk nu haars vaders stem. Werktuigelijk stond zij op en volgde deze aanmaning. Daar stond zij nu in de woonkamer; op de sofa zat hare moeder, bij het venster tante, en beiden zagen haar zoo vreemd—zoo teeder aan; ja, het scheen alsof hare moeder geweend had.De oude vrouw aan het venster ging naar buiten, zij wilde zich niet mengen in hetgeen de ouders met hun kind hadden te bespreken; zij ging stil naar haar kamertje en nam den bijbel van de commode; daarop ging zij in den leuningstoel zitten en vouwde de handen op het boek. “God alleen weet wat goed is,” fluisterde zij; “moge Hij haar hart leiden, zoo zal alles ten beste uitkomen.” Buiten schenen de zonnestralen op de bonte asters, en lange, witte draden weefden als ’t ware een zilveren sluier om de half ontbladerde besseboomen. “Als het weder voorjaar wordt, hoe zal dan alles hier in huis zijn?” Zij dacht aan haar lieveling, die daar zoo onverwacht de gewichtigste beslissing in haar leven moest nemen. Hoe zou Liesje de tijding ontvangen? Zou zij werkelijk niet bemerkt hebben, hoe lief zij den jongen man was geworden? En zou zij hem niet een klein weinigje—“Och neen!” De oude vrouw schudde het hoofd; zij wist, hoe het in het jonge hart gesteld was.—“Neen, zij bemint hem niet, en als zij hem nu toch eens het jawoord gaf, wanneer zij zich geweld aandeed, omdat hare ouders het wenschten—zou zij dangelukkigworden? Och, gedwongen liefde en geverfde wangen duren niet lang. Het arme kind!” sprak zij bij zich zelve. “Als zij haar maar niet zoeken over te halen! Mientje zal het niet doen, maar Frederik, die is geheel door den jongen betooverd!”Zij opende het oude boek en staarde op de geel geworden bladen, maar zij kon niet lezen: de letters dansten haar voor de oogen en hare handen beefden—daar was zij aan de deur—zal nu het gezicht van een vroolijke, jonge bruid, met een donkeren gloed overgoten, naar binnen zien? De oude vrouw hield haar adem in; de deur werd langzaam geopend en het jonge meisje stond op den drempel; was zij dan gegroeid sedert zooeven? Zij trad rustig de kamer binnen: op het bleeke gelaat stond diepe ernst te lezen.“Tante,” sprak zij zacht, “ik hebneengezegd.”Tante antwoordde niet; zij knikte slechts toestemmend met het hoofd. “Zijt gij hem niet genegen, mijn kind?” vroeg zij toen. “Zie, wat uw hart gevoelt, dat weet gij zelve het beste.”“Ik kan niemand liefhebben, tante,” klonk het dicht aan het oor der oude vrouw; twee zachte armen omvatten haar hals en een bleek gelaat verborg zich aan hare borst. Zoo lag zij op de knieën naast de oude, en deze streek met de hand liefkoozend over de bruine vlechten.“God zegene u, mijne Lise!” fluisterde zij, “gij hebt goed gehandeld.”In de huiskamer liep Erving driftig heen en weer. Zijne vrouw had roodgeschreide oogen en bad:“Als zij hem toch niet liefheeft, Erving?”“Mina, men kan met eene vrouw niet verstandig over zoo iets spreken,” zeide hij, voor haar staan blijvende. “Zie den jongen aan! Hij is knap en verdient achting; hij bemint haar en is van een goede familie; zijn vader schrijft mij, dat zij het meisje op de handen zullen dragen—is dat niet alles, wat zij verlangen kan? Maar daar steekt iets anders achter, dat laat ik mij niet uit het hoofd praten.”“Maar ik vraag u, Erving, wat zou dat dan kunnen zijn?”“En dan, ik herkende het meisje niet meer; zij die altijd zoo gedwee en volgzaam was, stond daar, doodsbleek, en zei niets anders dan ‘neen’ en nog eens ‘neen!’ God help mij, wie had dat gedacht?”“Zij is immers uwe dochter, vaderlief,” zeide zijn vrouw, opstaande en naar hem toe komende. “Gij weet wel,” voer zij voort, terwijl zij poogde te glimlachen, “dat uw vader gewild had, dat gij Agnes zoudt trouwen, en toen hebt gij evengoed ‘neen’ gezegd en niets meer.”“Nu, dat was toch heel iets anders, ik kende u toen en beminde u reeds, maar zij—zij komt immers pas in de wereld kijken. God weet het, zoo zwaar is mij nog niets gevallen, als den jongen van avond zulk een antwoord te geven.” Hij bleef aan het venster staan en zag verdrietig door de ruiten. Hij keerde zich ook niet om, toen de deur zachtjes openging en tante binnentrad.Zij bleef even staan. “Nu, nu, Mientje,” sprak zij toen, “gij weent—er is immers niemand gestorven, en zulk een haast heeft het vrijen ook niet! Er zijn niet een hand vol, maar een land vol mannen—de rechte zal wel komen—”De molenaar aan het venster maakte een heftige beweging, als wilde hij een scherp antwoord geven; hij zeide echter kalm: “gij spreekt, naar gij verstand hebt, tante!”“Wel, ik zou meenen, dat ik in die dingen toch niet zoo dom ben; ook heb ik wat meer ondervonden dan gij. Lise is zeventien jaar geworden—nauwelijks zijn de kinderschoenen uitgetrokken; er zullen nog wel honderd vrijers naar den molen komen; waarom zou zij nu den eersten den besten nemen? Selldorf is een flinke jongen, ja! maar de smaken zijn verschillend, en liefde zonder wederliefde, is als een vraag zonder antwoord, en maakt ongelukkig. En daarom, Frederik, laat het zóó goed zijn en zie haar niet donker aan; zij is immers uw éénigste, waarom wilt gij haar dan dwingen! Al uw boosheid helpt u niets, en uw macht kunt ge in deze zaak niet doen gelden; daarom, wees tevreden, en verheug u, dat gij uw kind nog behoudt! Heeft zij eens een man, dan behoort zij u niet meer toe.“Stil maar, al genoeg!” antwoordde hij ongeduldig en ving zijne wandeling door de kamer weder aan.De oude vrouw sprak geen woord meer; zij wist, dat haar doel bereikt, was; zij nam dan ook haar breiwerk en ging op haar gewone plaats zitten.“Hebt gij haar dan gesproken?” vroeg de moeder na een lang stilzwijgen.“Natuurlijk! Zij kwam bij mij en vertelde mij, hou het er mee gesteld was, en ten laatste heeft zij mij schreiende gebeden, haar toch te helpen, dat haar vader weder vriendelijk jegens haar werd.”“Waar is zij dan?” vroeg hij.“Zij is naar haar kamertje gegaan.”“Zoo,” antwoordde hij en liep weer op en neer, tot hij eindelijk de deur opende en het vertrek verliet.“Ik weet al, waar hij heengaat,” sprak de oude vrouw lachende. “Hij was zeker heel boos?”“Het ging nog al, tante, maar ik had hem nooit boos gezien—daardoor was ik er zoo bang voor.”“Neen, maar zie nu eens, Mina,” sprak zij en wees naar den tuin; daar liep de molenaar langzaam het pad langs, de arm om zijne dochter geslagen, en zij met haar hoofdje tegen zijn schouder geleund en tot hem opziende; hij sprak met haar en zij lachte hem toe.“Mijn beste man! mijn lieve kind!” sprak zacht de vrouw aan het venster.Tiende Hoofdstuk.Op het slot had de tijding van den dood der gravin Stontheim niet veel droefheid veroorzaakt; de jonge barones en Nelly hadden de gestorvene in ’t geheel niet gekend. Nelly had een krans van immortellen gevlochten en die met eene betuiging van deelneming naar Blanka gezonden, daarop hadden de drie dames zich in rouwgewaad gestoken, om aan den uiterlijken vorm te voldoen, hoofdzakelijk ter wille van Blanka, die, volgens het schrijven van Army, voor een langdurig verblijf op Derenberg kon verwacht worden. Army en haar vader zouden haar vergezellen.En thans was de dag hunner komst daar. In Blanka’s vertrek waren de ramen wijd open gezet, en de frissche herfstlucht vervulde de weelderige en gezellige kamer; de zon scheen helder op de bleekgroene, zijden behangsels, en op de donzige kussens van dezelfde stof; overal prijkten frisch geplukte herfstbloemen in vazen en mandjes, en Nelly onderzocht zorgvuldig, of het verwende kind ook aan iets gebrek zou kunnen hebben. In haar eenvoudig, zwart wollen kleed geleek zij in dit schitterend boudoir bijna een betooverde prinses, die door het toeval of door een goede fee weder in de prachtige omgevinggeplaatstwas, waarin zij eigenlijk thuis behoorde. Het ovale, rooskleurige gezichtje kwam bekoorlijk uit bij het zwarte kleed, en de blanke handen, die uit de krippen manchetten te voorschijnkwamen, waren haast te klein voor een volwassen meisje.“Dit is toch een recht lieve kamer, grootmama,” sprak zij, tot de oude dame opziende, die juist op den drempel verscheen.“Zeker! maar voor u,mio cuore, zou ik blauw veel liever vinden.”“O, voor mij!” lachte zij; “ik en een kamer met zijden behangsels en kanten gordijnen! Ik zou mij ongelukkig gevoelen in dezen geur en glans.”“Gij zoudt het wel leeren, mijn kind, u daarin gelukkig te gevoelen.”Het jonge meisje keek op; dat klonk zoo ernstig.“Als mijn kleine Nelly heel lief is,” vervolgde de oude dame, het verbaasde meisje naderende, “en haar best doet, haar onbeschaafde manieren af te leggen, dan geef ik haar misschien zulk een prachtig kamertje tot een Kerstgeschenk.”“Gij, grootmama?” riep de kleine ongeloovig. “O neen, ik zou veel liever een kamertje hebben zooals Liesje, met wit en blauw gebloemd katoen—dat ziet er zoo beelderig uit.”De oude barones haalde de schouders op en keerde zich om, want hare schoondochter trad binnen.“Daar wordt mij een groot pak japonstoffen en stalen gezonden; hebt gij dat besteld?” vroeg zij; “ik denk dat het eene vergissing is, want er zijn zijden meubelstoffen bij, en allerhande dingen, die wij onmogelijk kunnen gebruiken.”“Ikheb dat besteld, Cornelie,” verklaarde de aangesprokene ongeduldig; “laat die zaken op mijne kamer brengen!”Nelly vloog heen, om het bevel te volvoeren, en de beide vrouwen stonden zwijgend tegenover elkander.“Maar,” vroeg eindelijk de jongste, “waartoe is dat noodig?”“Hebt gij u reeds in den spiegel bezien, Cornelie?” was hetbitse antwoord; “in die plunje kunt gij u ter nauwernood aan onze lieden vertoonen, nog minder op eene bruiloft.”Zij lachte.“Ik heb reeds inkoopen gedaan, mama; voor Nelly een wit kleed, en voor mij een zwart zijden.”“Slechtste kwaliteit, dunne taf, paardrijders zijde, zooals men dat noemt, ik ken dat,” antwoordde de dame spotachtig. “Genoeg, het blijft er bij; ik koop, wat ik oordeel dat noodig is—”“Maar, mama!”“Gij zult zeker vragen, waar komt het geld vandaan? Hoor eens, Cornelie, die firma heeft vroeger duizenden aan mij verdiend en zal ook nu nog wel de gravin Derenberg krediet geven—dat is voorloopig voldoende; laat mij voor het overige zorgen. Of wilt gij misschien, dat het huwelijk uws zoons plaats hebbe in een ledige zaal, waar de gordijnen ternauwernood nog aan de stokken blijven hangen, omdat zij door de mot zijn verteerd, en de overtrekken der meubels vol gaten zijn, zoo groot als die schotel daar? Uwe schoondochter zou geraakt den neus optrekken, denkt gij dat ook niet?”“O, daaraan dacht ik niet,” antwoordde de bleeke vrouw zacht, en sloot de deur, daar een koele tocht de zijden gordijnen ver naar binnen waaide. “Ik dacht slechts,” voegde zij er terugkeerende bij, terwijl zij tegen den prachtigen salonvleugel leunde, die Blanka voor den zomer had laten komen, omdat zij, volgens haar zeggen, op het oude klavier in de woonkamer niet kon spelen, “ik dacht, omdat wij zoo geheelen famillezijn—”“Dat is weer een van uw overdreven denkbeelden, Cornelie! Army is geen weggeloopen knaap, die dáár bruiloft viert, waar hij toevallig een meisje aantreft; hij stamt af uit een der edelste geslachten des lands en zijne bruid is onze bloedverwante; daarom zal ik er voor zorgen, dat deze plechtigheid ten minste naar behooren gevierd worde. Uwe maniervan denken over zulke zaken zou van een lam een tijger maken, Cornelie!”De oude dame ging met een hoogrood gelaat hare schoondochter voorbij en trad aan het venster.“Ik moet u toch dringend verzoeken, Cornelie,” ging zij voort, “uw burgerlijke denkbeelden in vele zaken te laten varen, wanneer Blanka hier is; zij zouden een uitstekend middel zijn om haar het verblijf hier te verbitteren; zij kan die eeuwige kleingeestigheid en zuinigheid, die zelfs de boter voor iedere boterham afweegt, evenmin verdragen als ik, en voor alle dingen moeten wij nu zorgen, haar vast te houden—vast te houden tot elken prijs. Is eenmaal het ‘amen’ na de inzegening uitgesproken, dan zijn al onze bezwaren uit den weg geruimd.”Een donker rood had de wangen der schoondochter bedekt, en tranen kwamen haar in de oogen. Voor wie spaarde zij? Voor wie zorgde zij? Waarom ging zij zoo slecht gekleed? Opdat die grillige vrouw dáár zoo weinig mogelijk het drukkende der armoede zou gevoelen, en al was het ook maar gedeeltelijk, zóó zou kunnen leven als vroeger; zij zond elken avond Sanna met thee en koudvleesch naar boven terwijl Nelly en zij zich met een eenvoudige boterham tevreden stelden.“Nu schreit gij waarschijnlijk ook nog, Cornelie,” klonk weder de stem, die het Duitsch zoo hard en hoekig uitsprak, terwijl zij in hare moedertaal de zachtheid zelve scheen, “misericordia! wat zijn die Duitsche vrouwen toch gevoelige schepsels; ik kan mij zelve haast geen meester blijven, als ik dien tranenvloed zie stroomen; wat ik u zooeven zeide, was slechts tot ons aller bestwil—als gij het maar begrijpen wildet!”Op dit oogenblik kwam Nelly weder binnen. “Het is al vijf uur, mama, en even na zessen kunnen wij hen verwachten; de tafel is beneden reeds gedekt, en Hendrik zal zoo dadelijk hier vuur aanleggen en de vensters sluiten—ikben zoo nieuwsgierig,” ging zij voort,“wat zij al te vertellen zullen hebben, hoe Blanka de rouw staat en hoe het testament is uitgevallen.” Zij zag bij deze woorden hare moeder aan en bespeurde de tranen in hare oogen. “Schrei niet, mama!” fluisterde zij, “zoo aanstonds komt Army, onze lieve Army.”“Het testament?” vroeg de grootmoeder, “mon Dieu, Army de helft, zij de helft en onderscheidene legaten aan oude bedienden, hospitaal enz., en misschien ook aan den overste, die wel opgepast zal hebben ook zijn deel te krijgen.”“Ja, grootmoedertje, maar weet u nog wel, dat Army ons indertijd vertelde, dat Blanka overal gehouden werd voor de eenige erfgename—?”“Och kom! Dan staat de zaak nog gunstiger—de man heeft altijd de beschikking over het vermogen zijner vrouw; trouwens, ik geloof het niet; tante Stontheim hield te veel van Army.”“Maar, wanneer nu het testament eens vóór dien tijd gemaakt is?”“Dan heeft zij zeker een codicil er aan toegevoegd,” antwoordde de oude dame ongeduldig.“Wist ik slechts precies, wanneer zij kwamen!” zeide Nelly; “de gewone post komt stipt om half acht aan, maar Army schreef, dat zij met extrapost reisden, en dientengevolge aan het station eerst wat rusten, en tusschen zeven en acht uur, tegen het middageten, hier zouden zijn. Geduld, geduld! Zal ik dat nooit leeren? Zie het heerlijke avondrood, nu wordt het gauw donker; ik verlang zoo naar Army.”Langzamerhand werd slot en park in duisternis gehuld, en aan den hemel schitterden ster aan ster in fonkelenden glans; in de gezellige woonkamer was de lamp nog niet opgestoken, slechts het vuur in den haard wierp een schemerachtig licht in het vertrek. Moeder en dochter waren alleen: want de oude barones had de kamer verlaten. Het jonge meisje daar in de diepe vensternis staarde met groote, peinzendeoogen naar het lichtend gewemel daar boven; zij knielde naast den stoel harer moeder en sloeg den arm om haar heen; de diep bewogen vrouw hield haar zakdoek voor het gelaat; haar borst ging op en neer onder een zacht geween.“Mijn goed moedertje,” bad de kleine met zoete stem, “schrei uw lieve oogen toch niet rood! Wat moet Army denken, als hij komt? Och! grootmama meent het niet zoo kwaad—”“Och, Nelly, dat is het niet,” antwoordde zacht de weenende vrouw, “maar reeds den ganschen dag vervolgt mij eene onrust, een angst, die niet te beschrijven is.—God geve slechts, dat den jongen niets is overkomen!”“Maar, mama,” troostte de dochter en drukte haar blond kopje stijf tegen hare borst, “wat zou hem dan overkomen zijn? Hij rijdt op dit oogenblik zeker in den ouden, gelen postwagen en zit tegenover zijne Blanka, in de aangenaamste stemming die hij wenschen kan; de overste vertelt anekdoten, en zij verheugen zich allen in het vooruitzicht van een warm avondmaal, en van uw vriendelijk gezicht, mijn moedertje.”De barones schrikte opeens. “Wat scheelt u, mama?” vroeg Nelly angstig.“Ik meende zijn stap te hooren,” antwoordde fluisterend de moeder; “hebt gij niets gehoord, Nelly?”“Neen, mama; het is immers ook onmogelijk.”Het werd stil in het ruime vertrek; de fluisterende stemmen zwegen; niets werd gehoord als alleen het knetteren van het vuur in den haard, en nu en dan een bange zucht uit het beangstigde moederhart. Maar dáár—dáár—ja, dat waszijnstap in de gang; “Nelly,” riep de jonge barones met half gesmoorde stem, en het jonge meisje vloog op en naar de deur, die geopend werd—een man trad binnen.“Army!” jubelde de zuster. “Army!” klonk het ook van de lippen der moeder, “Army, zijt gij het?”“Ja, mama,” antwoordde hij met doffe stem, als dwong hij zich met moeite om kalm te schijnen.“Mijn beste jongen,” zeide de moeder teeder, en omhelsde hem. “Army, lieve Army,” vleide Nelly, “maar zeg, waar is Blanka?”Hij stond bij den haard, nog met mantel en muts, en het flauwe schijnsel van het uitgaande vuur was niet voldoende om zijne gelaatstrekken te onderscheiden.“Army,” vroeg nu ook zijne moeder, “waar is uwe bruid?”“Ik heb geene bruid meer.” Zijne stem stokte van smart.Nelly gaf een gil van schrik, zijne moeder sprak geen woord; dat was het ongeluk, waarvan zij een voorgevoel had gehad—zij drukte alleen zijne hand vast in de hare, als konde zij hem daardoor onttrekken aan een woesten, naren droom.“Maak mij niet week, mama!” bad hij en drong haar zachtjes naar een dichtbij staanden stoel, “het helpt niets; hoe kon ik mij ook verbeelden—” hij lachte bitter—“dat zij—steek het licht op, Nelly!” sprak hij toen kortaf, “en bereid grootmama voor! Ik heb niet veel tijd; morgen moet ik weder weg.”Met bevende handen ontstak Nelly de lamp; haar helder licht bescheen Army’s bleeke trekken; hij stond nog op dezelfde plaats en staarde somber voor zich uit.“Army, mijn lieve Army!” fluisterde zijne zuster, en sloeg snikkend hare armen om hem heen.Hij streek haar gedachtenloos over het haar.“Daar is grootmama!” riep zij toen en liep de oude dame tegemoet.“Army,” vroeg deze, haastig binnentredende, “wat beteekent dat? Ik wilde Sanna niet gelooven, die beweerde, dat zij u in de gang ontmoet had. Waar is Blanka? Waar is de overste? Wat beduidt het, dat gij alleen—?”“Dat beteekent,” antwoordde hij langzaam, en op elk woord drukkende, “dat mijne bruid mij heden morgen evenvoor ons vertrek, genadig heeft ontslagen; zij heeft mij niet lief, liet zij mij zeggen, als grond voor haar plotseling besluit, en, die reden is geldig genoeg, bij God!”Weder lachte hij spotachtig. De oude dame waggelde achteruit, als van den bliksem getroffen.“Het is niet mogelijk,” stamelde zij doodsbleek.“Dat zeide ik heden morgen ook, toen de overste mij dit uiteenzette en verklaarde,” voer Army voort, “en ik heb wel honderd keer de hand aan mijn hoofd gebracht, en mij afgevraagd, of ik ook krankzinnig of iets dergelijks geworden was. Maar neen, het is een feit, Blanka van Derenberg is mijne bruidnietmeer.”“Army, was er dan niets voorafgegaan? vroeg zijne moeder, die als verpletterd in haar stoel zat.“Wat voorafgegaan was?” antwoordde hij op snijdenden toon.“Ja, de opening van het testament. Blanka van Derenberg is eenige erfgename van het groote vermogen—dat is alles. Waarom zou zij een man huwen, dien zij niet bemint? Maar wees gerust, grootmama—” hij naderde de sidderende vrouw, die zich met beide handen aan een stoel vastklemde, “zij heeft toch een edel karakter; zij vermoedt, dat mijne verloving mij onkosten heeft veroorzaakt, en daarom liet zij mij door haar vader berichten, dat zij bereid was al mijne schulden te betalen. Dat was toch één troost voor den afgedankten bruidegom, voor den dommen jongen, die met dwaze liefde aan dit valsche schepsel hing!”Hij had gedurende het gesprek met een kristallen bokaal gespeeld, dien hij gedurig ronddraaide; nu wierp hij dien op den grond, dat hij kletterend uit elkander sprong en de scherven over den vloer rolden.“Army!” klonk het angstig van de lippen zijner moeder, terwijl zij hare bevende handen naar den opgewonden jongeling uitstrekte. De oude barones had zich in hare volle lengte opgericht. “Dat zullen wij ons niet laten welgevallen,” sprak zij toornig. “Blanka erft in ieder geval slechts ondervoorwaarde, dat gij haar echtgenoot wordt; ik heb nog een brief van tante Stontheim—”“Denkt gij dan,” vroeg Army, die in een oogwenk voor haar stond, “denkt gij dan, dat ik haar ooit weer zou willen aanzien? Al lag zij voor mij op de knieën, ik zou haar wegstooten, en al moest ik verhongeren, en gij allen met mij, geen cent nam ik van haar aan; eerder een kogel door den kop.—Ja wel, een kogel, dat zou nog het verstandigste zijn; dat heeft immers mijn vader ook geholpen, zooals Blanka mij zeide, toen ik haar nog eenmaal dringend verzocht, met mij hier op Derenberg te wonen; zij was bang—verklaarde zij—in dit sombere nest, waar de laatste eigenaar zich zelf van het leven had beroofd; ha, ha! Allemaal redenen, waar een verstandig mensch niets tegen zeggen kan!” Zijn stem klonk heesch en half krankzinnig; de felste smart sprak uit zijn ontstelde trekken.“Mama! mama!” riep het meisje op hartverscheurenden toon, “Army is ziek, hij weet niet meer wat hij zegt.”De bleeke vrouw stond op van haar stoel, naderde haren zoon en greep zijne hand; zij wilde spreken, maar hare lippen bewogen zich zonder geluid voort te brengen; hare oogen zagen hem zoo smartelijk biddend aan, alsof zij zeggen wilden: heb medelijden met mij, heb ik nog niet genoeg geleden in mijn leven? Hij zag ze niet, die smeekende blikken; ongeduldig poogde hij zijn hand uit de hare los te maken: “het is genoeg, mama! Ik denk niet aan sterven; ik zal leven—voor u. Hier is overigens een brief van den overste voor de baronesse van Derenberg,” voegde hij er bij, een brief uit zijn borstzak halende en die op de tafel werpende, “misschien eene verklaring, waarom het zoo het beste is, en zoo al meer.”Hij streek met beide handen door zijn donker haar, en ging naar het venster; toen verliet hij haastig het vertrek.Een oogenblik heerschte er stilte binnen. Het fijne papiervan den geopenden brief knarste in de handen der oude barones.“Zie hier, Cornelie!” riep zij, “daar staat het; wat heb ik u zoo even gezegd?”“Een andere grond voor het verzoek mijner dochter aan uwen kleinzoon,” las zij, “om haar de vrijheid terug te geven, is deze, dat de Derenbergsche betrekkingen haar niet bevallen; hetwaarom?zult gij mij wel besparen; waarom zullen wij elkander hatelijkheden zeggen, nu wij op het punt staan onze betrekking voor het vervolg geheel af te breken—” “Ziet gij,” viel zij zich zelve toornig in de rede, “dat is het gevolg uwer, het gevolg van Nelly’s onhandigheid in den omgang met het verwende meisje. Daar hebt gij nu de resultaten. Army heeft aan u, aan u alleen, het verlies van al zijne vooruitzichten te danken! O, het is vreeselijk, aan zoovele domme denkbeelden, zulke bekrompen gevoelens geketend te zijn—het ongeluk mijns levens!”De oude dame balde hare handen en zag met de diepste minachting op moeder en dochter neer.“Mij moogt gij beleedigen, grootmama!”—Nelly ging voor hare moeder staan, als om haar te beschermen—“maar laat mama er buiten! Vergeef mij dat ik het waag, zóó tot u te spreken! Maar ik kan niet anders. Mama was altijd vriendelijk jegens Blanka, vriendelijker dan gij het geweest zijt.Ikheb Blanka trouwens nooit liefgehad, omdat ik gevoelde, dat zij zich alleen met Army verloofde, omdat tante het wenschte. En nu zeg ik: Army mag God op zijne knieën danken, dat alles zoo gegaan is. En daarom bid ik u, grootmama, krenk mama niet door onverdiende verwijten om der wille van dat valsche, gevoellooze schepsel, dat zelfs onzen vader nog in het graf belastert, en hem tot een zelfmoordenaar—Almachtige God!” viel zij zichzelve in de rede, en was reeds naast hare bewustelooze moeder op den vloer geknield, om te trachten de onmachtige op te heffen.“O, cielo, cielo!” mompelde de oude dame, “welk een leven, welk een afgrijselijk leven!”—Middernacht had reeds lang geslagen en nog altijd zat Nelly bij het bed harer koortsige moeder. Zij was de eenige die hare zinnen bij elkander gehouden had bij den treurigen omkeer der zaken. Zij had de afgematte, bewustelooze moeder te bed gebracht, en zooveel mogelijk alle toebereidselen weggenomen, die men gemaakt had om den vorigen avond de bruid van den eenigen zoon te ontvangen. Zij was zacht door de gang geslopen en had aan de deur van Army’s kamer geluisterd; de stappen van den rusteloos heen en weer gaande hadden haar geruststellend in de ooren geklonken. En nu zat zij weder te luisteren naar de ademhaling der koortsachtige moeder, en drukte nu en dan een zachten kus op die magere handen, die zij zoo vast op de snel ademende borst gedrukt hield. De grauwe schemering van den aanbrekenden dag werd door de gordijnen zichtbaar en kleurde zich langzamerhand met een mat rooskleurig licht.Nelly trad aan het venster; daar beneden lag het park; de bladeren der boomen lagen nat en zwaar op den met rijp bedekten grond; de roode toppen der sorbeboomen kwamen helder uit het herfstachtig gele loof te voorschijn, en over het woud zweefde een fijne, witte nevel, die in de toppen der hooge boomen van het park hing als een lichten, doorschijnenden sluier, door de opgaande zon zacht gekleurd. Moede van het nachtwaken, leunde Nelly met het hoofd tegen de ruiten en sloot de oogen—toen zij op eens het geluid van een verschuivenden stoel achter zich hoorde.“Mama,” riep zij, toen zij hare moeder met koortsachtige haast het eene kleedingstuk na het andere zag aantrekken.“Ik heb zoo lang geslapen, Nelly, en heb niet eens Army getroost; het is reeds morgen—neen, laat mij, ik moetnaar hem toe; hij mag het geloof aan de menschheid niet geheel verliezen; daar is hij nog veel te jong voor. Houd mij niet terug, Nelly; hij zal niet slapen; men slaapt niet gemakkelijk na zulk een leed.”Zij gunde het jonge meisje ter nauwernood den tijd, dat zij haar een doek omsloeg en ijlde weg. Nelly waagde het niet, haar te volgen; zij sloop naar de zijdeur en luisterde; daar weerklonk plotseling een gil. Haastig vloog zij de gang door. De deur van haars broeders kamer stond open; daar binnen stond hare moeder, zich bevende aan de tafel vasthoudende.In een oogwenk overzag zij het vertrek—dáár het oude ledikant, de kussens omgewoeld, op de tafel een half geledigde flesch wijn, benevens een glas; boven de sofa het ledige behangsel; het groote portret, dat daar gehangen had, stond met de voorzijde tegen den muur; daar lagen zijne epauletten naast den degen op een stoel—maar Army—waar was Army?“Hij is weg!” stamelden de bleeke lippen der bevende vrouw; “hij is weg, Nelly—als hij—als hij evenals zijn vader—?”“Wat dan, mama? wat dan, om Gods wil?”“Wanneer hij, Nelly, wanneer hij—o, ik—mijn God!” sprak zij buiten zich zelve.“Vlieg, Nelly, zoek hem!” smeekte zij haastig, “ik kan het niet; zeg hem, dat hij bij mij moet blijven! Eenmaal heb ik het verschrikkelijke beleefd—eenmaal, dat is genoeg; een tweede maal zou ik het niet overkomen.”“Mama,” vroeg Nelly in doodsangst, “wat bedoelt gij?”“Gauw, gauw! ga toch, vlieg! Hij mag niet sterven; hij moet leven. Ga, anders brengen zij mij hem hier ook zoo bleek en bloedend—” zij huiverde en wees naar de deur. Het beangste kind had hare moeder begrepen, en als met gieren-klauwen greep de vrees haar hart aan; zij ijlde weg—waar, waar zou zij het eerste zoeken? Onwillekeurig liepzij de trappen af, de toren deur stond aan; haastig vloog zij over het voorplein, de stenen beren langs, de linden-allée op. De wanhopende gebaren harer moeder, de verschrikkelijke toespeling op haar vader, dit alles wekte bij haar een akelig vermoeden op. Zij drukte de handen op hare borst en stond stil. Waar zou Army zijn?“Army,” riep zij, maar het was als bleef het geluid in haar keel steken. “Army!”—alles was doodstil rondom haar.Vochtig en nat lagen de verwelkte bladeren aan hare voeten; een paar kleine vogels fladderden in de takken en keken met nieuwsgierige oogen naar het beangste, jonge menschenkind daarbeneden; “Army!” stootte zij nog eenmaal met alle kracht uit, en daarop een lang aangehouden galm—als een gejubel klonk het; zóó hadden zij elkander als kinderen altijd geroepen; datmoesthij hooren.Geen antwoord werd echter vernomen; slechts een gefluister ging door de oude lindeboomen, als schudden zij ontkennend de hoofden, om te zeggen: hij is hier niet. Aan den dijk misschien, aan den dijk—dacht zij, en toen zij zich nu door het dichte geboomte voortspoedde, greep haar een nooit gevoelde huivering aan in deze stilte, deze eenzaamheid. Hoe, als zij hem vond? Als hij niet meer hooren kon, dat zij hem riep? Als hij bleek en bloedend—? Haar hart kromp ineen, maar toch schreed zij voorwaarts.Daar lag het kleine donkere water zoo kalm, alsof er storm noch onweer in de wereld was; waterplanten en verwelkte bladeren dreven onbeweeglijk op de gladde oppervlakte, en de steenen bank aan den oever was ledig. Haastig ging zij verder; de omlaag hangende takken sloegen haar in het gezicht en schudden de dauw in hare blonde haren. De rand van haar kleed sleepte zwaar en vochtig achter haar aan; verder, altijd verder! Angstig zag zij rechts en links, en van tijd tot tijd klonk de naam haars broeders door de morgenlucht. Luister—schreden—! Gejaagd vloog zij verder; daar was het traliehek, de ééne deur was geopend; reeds was zij erdoorgegaan—het was een arbeider, die, zijne muts afnemende, haar voorbij ging, de onverwachte verschijning verwonderd aanstarende; toen bleef hij staan; zij had een beweging gemaakt, alsof zij iets wilde zeggen; maar daar zij zweeg, vroeg de man:“Zoekt gij iets, genadige freule?”“Och neen, neen, ik wilde met mijn broeder eene morgenwandeling doen—hebt gij hem misschien gezien?”“Den luitenant, meent gij? Ja, dien ben ik tegengekomen, een eindje achter den lompenmolen.”“Ik dank u!” snikte zij en sloeg den weg naar den molen in; haastig schreed zij voorwaarts. Daar zag zij het woonhuis reeds; daar lag de brug—voorbij, voorbij! Daar in huis sliepen allen nog. Verder maar! Dáár—almachtige God—daar viel een schot; het klonk haar zoo duidelijk, zoo vreeselijk in de ooren; zij sloeg, onwillekeurig een steun zoekende, den arm om den dichtst bijstaanden boom; toen zonk zij ter aarde. Zij zag niet meer, hoe een oude vrouw, zoo schielijk als hare beenen haar dragen konden, over den molenbrug kwam aanloopen; hoe een goed, vriendelijk gezicht, met een witte muts op, zich angstig over haar heenboog; zij hoorde den hulpkreet niet die over de bevende lippen kwam:“O, hemel! Nelly, onze Nelly! wat is er nu weder gebeurd?”

Negende Hoofdstuk.De zomer was voorbij gegaan en de herfst begon het loof der bosschen bont te kleuren; een kristalheldere blauwe hemel welfde zich over de aarde; in de lindenbaan van het slotpark lagen de eerste verdorde bladeren op den grond, en in Ervings tuin bloeiden de asters en dahlia’s in bonte kleurenpracht. Over de wijnstokken waren netten gespannen, om de snoeplustige musschen te weren; uit het loof der ooftboomen keken de rijpe, goudgele vruchten met roodgekleurde wangen naar buiten, slechts wachtende om geplukt te worden.In den molen was alles zijn gewonen gang gegaan; hoe spoedig was die zomer voorbij, en nu verheugde men zich weder in het vooruitzicht van de lange winteravonden bij de warme kachel. De lieden in den molen verheugden zich trouwens ook nog op iets anders: zij wisten immers allen, zoowel de arbeiders in de fabriek, als Mina en Doortje in de keuken en Peter in den stal, dat er spoedig eene bruid in huis zou komen; voor hen, die oogen hadden om te zien, was het zonneklaar, dat de heer Selldorf en “onze Lise” een paar zouden worden. De flinke, blonde man blonk immers de liefde zoo duidelijk uit de eerlijke, heldere oogen, en met niemand ging de heer des huizes zoo vertrouwelijk en hartelijk om, en geen zijner collega’s ontving zulke vriendelijke blikken van Liesjes moeder, als hij. Zelfs tante knikte hemsteeds zoo welwillend toe, en als er beneden in de keuken over hem gesproken werd, zeide zij altijd: “een flink mensch, die Selldorf!”Alleen Liesje scheen van dat alles niets te merken; wel was zij altijd vriendelijk en aardig jegens den leerling haars vaders en zette de groote struiken vergeet-mij-niet, die hij haar nu en dan medebracht, dadelijk in schoon water, maar overigens kon niemand iets van de liefde bespeuren, welke men volstrekt wilde dat zij hem zou toedragen, welke moeite Mina en Doortje zich daartoe ook gaven.“Zij houdt zich maar zoo,” meende de laatste, “dat is zoo de mode bij de voorname lui, maar van binnen is het anders gesteld, nietwaar, tante?”“Die veel praten, liegen veel!” had deze geantwoord; “bekommer u niet om Lise, maar blijf bij uw potten en pannen! Bruiloft zullen wij wel eenmaal in huis vieren. Wie echter de bruidegom zijn zal, weet God alleen; wij kunnen niet in de toekomst zien, en daarom, houdt uw mond over zaken, die u niet aangaan. Maar gij denkt nergens anders over, dan over vrijers en trouwen. Lise weet zeer goed:“Bij vrijen, als bij paarden koopen,Meisje, doe uw oogen open!”De oude had hierbij ernstig met het hoofd geknikt.Maar, hoeveel ingang hare woorden anders ook vonden, nu gingen zij het eene oor in, en het andere uit; zij wisten het immers veel te goed, dat de heer Selldorf zin aan de juffer had; de tijd zou het leeren, wie gelijk had.Ondertusschen bracht tante met haar gewonen ijver den wintervoorraad in kelder en provisiekamer en Liesje moest overal bij zijn en aan alles helpen, “want zie, mijn liefje, het is voor de aanstaandehuishouding,” zeide de oude vrouw.Dezen middag werd er aan de oude noteboomen geweldig geschud en getrokken, bladeren en vruchten vielen op den grond, waarover een groot laken gespreid lag; Peter enChristoffel sloegen met lange stokken onbarmhartig in de takken, en drie of vier kinderen kropen en tuimelden over elkander in de drukte van het oprapen.Liesje, die Nelly bij zich had, had juist de plaats en de kinderen verlaten en nu stonden de jonge meisjes in het zomerhuisje voor het huis, bij de steenen tafel, waarover de oude vrouw een helder wit tafellaken legde, en wachtten zwijgend, tot zij het koffieblad van de bank en op de tafel gezet had.“Nietwaar, tante, gij drinkt hier buiten bij ons koffie?” vroeg Liesje.“Dat kan ik wel doen; in de huiskamer is ook bezoek,” antwoordde zij; en naast Nelly plaats nemende, verzocht zij Liesje een kopje voor haar te halen. “Zoo vlijtig?” vroeg zij, toen het meisje naast haar uit een korfje een handwerk te voorschijn haalde en ijverig begon te werken.“Een huwelijksgeschenk voor Army!” antwoordde zij vriendelijk.“Lieve God, hij is toch nog erg jong,” sprak de oude vrouw, terwijl zij het gevulde kopje dankend van Liesje aannam.“Het heugt mij nog als gister, dat hij over de brug kwam aanloopen in zijn zwart kieltje.”Nelly knikte; Liesje echter zag onwillekeurig naar de brug, waaronder het water helder en haastig heenliep.“Wie is daar binnen bij vader?” vroeg zij met een bedrukte stem, alsof zij het gesprek op iets anders wilde brengen; tegelijkertijd lachte zij hare moeder tegen, wier gelaat een oogenblik aan het venster zichtbaar werd.“Een vreemd heer,—ik ken hem niet,” antwoordde tante; daarop zette zij plotseling haar kopje neer, schoof haar bril iets lager en zag daarover heen naar den weg aan de overzij van het water. “Heilige God,” zeide zij, “was dat Sanna niet, Nelly, die daar onder de boomen liep? Zij is nu achter die elze- en wilgeboomen—ik heb haar in langen tijd niet gezien, maar het scheen mij haar gang toe. Ziet gij, waarlijkzij is het,” en zij wees op de groote vrouw, die met het, donker gewaad en wit voorschoot over de brug kwam.“Sanna!” riep Nelly, en sprong op, “mijn God, wat is er toch gebeurd?”“Mevrouw de barones laat vragen,” klonk het met een vreemd accent uit den mond der oude dienstbode, “of de freule niet dadelijk bij haar wil komen.”“Om Godswil, Sanna, wat is er voorgevallen?” vroeg het jonge meisje haastig, haar werk opbergende. “Moet ik bij mama komen of bij grootmama?”“Natuurlijk bij grootmama,” antwoordde de oude, zonder Liesje of hare tante, die Nelly hielpen haar borduurwol in te pakken, met een blik te verwaardigen. “Uwe grootmoeder is zeer boos, dat gij niet te huis waart, zóó boos, dat ik maar aanstonds hier heen ben geloopen, omdat mevrouw uwe moeder meende, dat gij wel weder naar den molen gegaan zoudt zijn, en Hendrik had geen tijd; hij moest brieven naar de post brengen.”“Zeg het toch, Sanna!” bad Nelly, en zag de magere vrouw angstig aan, “is er iemand ziek, of zijn er slechte tijdingen gekomen?”“De oude barones heeft een brief met een doodbericht ontvangen,” antwoordde de oude en zag tante, die opgestaan was, met donkere blikken aan.“Om Godswil!” riep Nelly en zag Sanna ontsteld aan; “het is Army toch niet? Sanna, lieve Sanna, gij weet het wel—zeg het toch! Ik bid u,” en zij liep naar haar toe en vatte smeekend hare beide handen.Liesje ging echter op de steenen bank zitten; het was haar, alsof hare beenen haar niet langer wilden dragen; als onbewust, staarde zij met wijd geopende oogen op de groep.“Ik weet het niet,” antwoordde schouderophalend de oude dienstbode, terwijl Nelly haar gelaat met de handen bedekte en nogmaals snikkend uitriep:“Army! Almachtige God, zoo het Army eens ware!”“Wees gerust, Nelly,” troostte tante haar nu, en sloot het weenende meisje in hare armen. “Uw broeder is het niet; dan zoude zij daar niet zoo rustig staan—ga gauw naar huis en wees getroost! Hij is het niet.”“Och, tante!” snikte zij, “ik kan van angst niet op mijn beenen staan.”“Schrei niet, genadige freule!” zeide nu ook de oude Sanna, sterk op de benaming “genadige freule” drukkende; “gravin Stontheim is overleden, maar de barones had mij verboden er hier in den molen over te spreken, daar zij alle gebabbel wil vermijden, en hier—” zij hield het overige voor zich, en wierp een uitdagenden blik op de tante, die nog altijd naast het weenende meisje stond.“Nu,” merkte deze aan, “gij moogt het wel voor u houden, juffer Sanna; wat raakt het mij, of die tante dood is of niet. Maar daarom behoeft gij het arme kind niet zulk een schrik aan te jagen met uw doodsbericht, het was vroeg genoeg als zij het te huis vernam.”“Ik heb met u niets te maken; ik doe slechts wat mijne meesteres mij beveelt,” antwoordde de oude dienstbode minachtend.“O ja! dat weet ik nog van vroeger,” sprak tante, wie eensklaps het bloed naar de wangen vloog; zij zag hare vijandin doordringend aan.“Ik ga een eind met uw mede, Nelly,” riep Liesje, als uit een droom ontwakende, en volgde haar vriendin, terwijl Sanna, als aan den grond genageld, staan bleef.“Wat bedoelt gij toch?” vroeg zij, en zag tante met een blik aan, vol onverzoenlijken haat. Uit de houding van deze beide vrouwen was het duidelijk te zien, dat hier een oude, lang onderdrukte veete weder ontbrandde.“Wat ik bedoel?” vroeg de oude tante, terwijl zij hare eerlijke oogen op de groote, donkere gestalte vestigde en eenige schreden nader trad, “wat ik bedoel? Ei, juffer Sanna,dat behoeft gij niet te vragen; ik zie het aan uw gelaat, dat gij het wel weet—het heeft u toch zeker dikwijls genoeg aan uw hoofdkussen getrokken en geplukt en u verhinderd te slapen in lange benauwde nachten, en heeft als een berg, die niet te verschuiven was, op uwe borst gelegen, al hebt gij ook honderd maal uw rozenkrans afgebeden en alle heiligen aangeroepen—dat was het geweten, juffer Sanna, en een kwaad geweten heeft wolfstanden; die bijten scherp en diep—”“O misericordia!” riep Sanna en sloeg hare handen met een hartstochtelijk, toornig gebaar in elkander: “dat heb ik er nu voor, dat ik zelve hierheen ben geloopen; mevrouw de barones had wel gelijk, dat zij mij steeds verbood, mij met hetplebaglio, hetmiserabile, in te laten.”“Wat uwe barones zegt, is mij totaal onverschillig,” verklaarde tante, “en uwe Italiaansche scheldnamen kunt gij wel sparen; die versta ik niet; maar één ding moet ik u toch nog zeggen, juffer Sanna, nu het toeval ons te zamen brengt—ik heb er lang naar verlangd, het te kunnen doen; gij en uwe barones hebt eene zonde op uw geweten, die ten hemel schreit. Misschien meent gij, dat niemand er van weet; wellicht weet gij, dat er eene is die de oorzaak kent en weet, waardoor een jong, bloeiend leven in ’t graf moest nederdalen; ik zeg u echter, en gij kunt het aan uwe barones daar boven overbrengen: God is een tijd lankmoedig, maar niet eeuwig; Hij laat zich niet bespotten, en ik—ik, de oude tante uit den papiermolen—ik bid nog iederen avond den lieven God, dat hij mij den dag laat beleven, waarop ik uw trotsche meesteres in het gezicht kan zeggen, dat zij eene—”“Cielo!” krijschte de Italiaansche en sloeg met de handen in de lucht, “het mensch is krankzinnig! Het verwondert mij, dat gij nog niet zegt, dat wij het hoogmoedige ding vermoord hebben.”“Dat zou ik met het volste recht kunnen beweren,” hieldde oude vol, “en als er geen hoogmoediger menschen waren dan zij, dan zou het beter wezen in de wereld.”“Datzou ik mij hier laten zeggen?” riep Sanna, rood van toorn, “wilt gij misschien ook beweren, dat wij haar vergeven of gewurgd hebben? Het was juffer Lisette’s eigen schuld, dat zij stierf; wat behoefde zij zich in te beelden, dat de baron haar zou trouwen! Waarom knoopte zij een vrijerij aan boven haar stand! Zulk een heer heeft honderd oogen en ziet meer dan één mooi meisje.”“Wat?” riep nu de oude vrouw, en zette haastig het koffieblad, dat zij juist had opgenomen, weder neer—“wilt gij den baron Fritz nu ook nog belasteren? Die was beter dan de heele kliek daar boven bij elkaar”—zij wees naar het slot—“en zoo hij een lichtzinnig mensch is geworden, is dat ook uwe schuld. En wat het inbeelden betreft, onze zalig Lisette heeft zich niets ingebeeld; zij is de brave bruid van baron Fritz geweest, en zou, zoo waar als ik hier sta, zijne vrouw geworden zijn, hadden niet valsche, slechte menschen, erger dan roovers en moordenaars, hen van elkaar gerukt.”Sanna lachte onbeschoft en spottend.“Gelooft gij dat waarlijk? En ik zeg u: zoo zeker als zij lompenmolenaars Lisette was, zoo zeker is dáár boven geen plaats voor dergelijken.”“Hoogmoed steekt altijd den staart buiten ’t nest,” antwoordde tante Marie minachtend; “ons geslacht is Goddank te braaf en te goed en past niet in zulk een zondige huishouding, als het toen daar boven was. De Derenbergs waren altijd lieden van goed allooi; die zat de adel niet alleen in het bloed, maar ook in het gemoed, en zoo was het goed, totdat—nu, gij weet, wat ik meen—in het graf zouden zij zich hebben omgekeerd, allen in den ouden grafkelder, zoo zij geweten hadden, hoe ver het nog komen zou met hunne trotsche naneven.”“Tante! tante!” riep de vrouw des huizes met angstige stem uit het venster.“Aanstonds, Mientje!” antwoordde zij en nam het koffieblad op; “ik kom al. Gij weet, wij oudjes praten gaarne over den ouden tijd, vooral als men elkander in zulk een langen tijd niet gezien heeft, als juffer Sanna en ik,” en dit zeggende ging zij in huis, zonder verder om te zien.“Maar tante, om Godswil!” sprak Ervings vrouw verwijtend, toen de oude vrouw met een rood gelaat binnen kwam: “wat praat gij toch! Ik werd wezenlijk angstig, zoo boos zag die groote, sombere vrouw er uit—”“Ik niet, Mientje, ik niet,” antwoordde de oude vrouw zegepralend, “het deed mij goed, dat ik eens uitspreken kon. Jarenlang heb ik daarop gewacht; soms vreesde ik al, dat ik sterven zou, zonder haar in het gezicht te hebben gezegd, welke groote zonden zij gedaan hebben, en nuvandaag—o, ik ben nog veel te zachtmoedig geweest, maar had ik het valsche wijf niet onder Gods vrijen hemel, maar op mijne kamer gehad, dan zoudt gij iets anders gehoord hebben, Mina—”“Tante! tante! Mij is de wraak! Wat zoude onze dominé zeggen, als hij u nu hoorde!”“Ik wil mij niet wreken,” sprak de oude vrouw zacht, “want op alle wraak volgt berouw! Maar geloof mij, toen ik haar daar zoo voor mij zag staan, die vrouw, die mede aan het ongeluk schuld heeft, toen was het mij, alsof iemand mij kokende olie in het hart goot—” Zij hield op, want Liesje trad binnen.“De gravin Stontheim is werkelijk overleden,” verhaalde zij. “Nelly’s moeder zeide het, toen zij ons in het park tegenkwam. Army heeft geschreven, dat zij reeds morgen wordt begraven, en daarna wil hij zijne bruid weder hierheen brengen; de bruiloft zal niet uitgesteld worden, alles blijft bij het oude. Zeg eens, tante, was Sanna, die ik pas bij den boschweg tegenkwam, tot nu toe bij u?”“Tot nu toe, mijn schatje; wij hebben nog een vroolijk praatje met elkander gehad.”Het jonge meisje zag haar vragend aan en zette zich toen aan het raam. De beide anderen verlieten de kamer. Het was zoo stil rondom dat jonge meisje met een stille, hopelooze liefde in het hart. Van de hooge lindeboomen vielen langzaam de gele bladeren op den grond, beelden van voorbijgegaan lentegeluk; een paar kleine vogeltjes vlogen tjilpend van tak tot tak.“Alshijgestorven was?” sprak zij halfluid. “Maar neen—neen—het is beter zoo; lieve God, laat hem gelukkig worden—om der wille zijner moeder en zuster!”Een paar dagen waren voorbijgegaan. Liesje had hare tante vlijtig in het huishouden geholpen, en meer dan in den laatsten tijd had haar heldere lach weder geklonken. “Lach maar, mijn liefje!” had de oude vrouw eenmaal in hare vreugde daarover gezegd, “God heeft den blijmoedigen mensch lief.” Zij wordt weder vroolijk, zij heeft het overwonnendacht zij; het kind was ook nog zoo jong en het leven dat voor haar lag, beloofde nog zooveel geluk. En onwillekeurig kwam haar de jonge, blonde man voor den geest, die zoo bescheiden was en toch door zijn degelijkheid meer en meer in den molen geliefd werd. “Het zou een uitgelezen paar zijn,” sprak zij bij zichzelve.Dezen morgen had zij hem nog langen tijd nagezien, toen hij reeds vroeg met Erving, het geweer over den schouder, op de jacht gegaan was; zij had daarbij zeer goed bemerkt, hoe hij een verstolen blik wierp naar de vensters, waarachter Liesje nog rustig sliep, en gedacht: “Als zij hem nu zoo reus zag, knapper kan toch niemand er uitzien.”Maar Liesje had later niet geluisterd, toen zij hem prees, en was telkens lachend over iets anders begonnen te spreken. Zoo was het middag geworden; de soep dampte reeds op de tafel in de eetkamer, toen Lise naar buiten ijlde, haar vader tegemoet, zonder te bedenken, wie hem vergezelde.“Goeden morgen, vadertje!” riep zij vroolijk, “wat brengt gij mede?” Nu eerst werd zij gewaar, dat de heer Selldorfachter hem stond, die den groenen jagershoed afgenomen en haar vader de hand gegeven had, terwijl hij hem smeekend aanzag. “Tot heden avond dan, beste Selldorf,” hoorde zij haar vader zeggen; nog een handdruk, en de jonge man was verdwenen, zonder haar te hebben aangezien. De statige vader groette zijne dochter ter loops en wierp zijn weitasch af. “Waar is uwe moeder? Ik moet haar spreken,” zeide hij haastig.“Maar Frederik, de soep!” klonk tantes stem uit de keuken.“Ja zoo—nu, dan later!” sprak hij. Onder het eten streek hij echter dikwijls met de hand over het gelaat; dan lachte hij, maar werd op eens weder ernstig. Eens zag hij Liesje stijf en zóó treurig aan, dat zij de lepel weglegde en vroeg:“Vader, wat is u overkomen?” en “Erving, is u iets onaangenaams bejegend?” vroeg ook zijne vrouw.“Wel beware, neen!” antwoordde hij vroolijk, alsof er niets bij hem gaande was.Dadelijk toen de maaltijd geëindigd was, volgde hij zijne vrouw in de huiskamer. Liesje wandelde in den tuin op en neer en zag tusschenbeide angstig naar de ramen der woonkamer; eindelijk ging zij weder in huis, maar daar ging ook juist tante de kamer binnen en wenkte haar, buiten te blijven.Vol bange voorgevoelens zette zij zich op de steenen bank onder het raam. Daar binnen werd druk gesproken, en eindelijk hoorde zij tante zeggen: “Neen Frederik, dit moet gij mij beloven, als zij nietwil, overreed haar dan niet, want gedwongen trouw geeft eeuwige rouw!”“Dat spreekt van zelf,” antwoordde haar vader, “maar men kan haar toch al het voor en tegen onder het oog brengen.”Het jonge meisje daar op de oude steenen bank was plotseling doodsbleek geworden. Op eenmaal was het haar helder geworden, wat daar binnen werd besproken; had zij dan in een droom geleefd? Hare ouders, haar lieve, goede vader—konden die het van zich verkrijgen, haar te laten heengaan?Zij zou den ouden geliefden molen verlaten moeten met een vreemden man? Weg van hare moeder, van hare tante, en alles wat haar lief was? Zij zou niet meer in haar kamertje weenen, niet meer dagelijks de torens van het oude slot zien? Zij drukte de handen op hare borst, en had een gevoel, alsof haar hart ophield te kloppen bij deze gedachten.“Liesje, kom eens binnen!” klonk nu haars vaders stem. Werktuigelijk stond zij op en volgde deze aanmaning. Daar stond zij nu in de woonkamer; op de sofa zat hare moeder, bij het venster tante, en beiden zagen haar zoo vreemd—zoo teeder aan; ja, het scheen alsof hare moeder geweend had.De oude vrouw aan het venster ging naar buiten, zij wilde zich niet mengen in hetgeen de ouders met hun kind hadden te bespreken; zij ging stil naar haar kamertje en nam den bijbel van de commode; daarop ging zij in den leuningstoel zitten en vouwde de handen op het boek. “God alleen weet wat goed is,” fluisterde zij; “moge Hij haar hart leiden, zoo zal alles ten beste uitkomen.” Buiten schenen de zonnestralen op de bonte asters, en lange, witte draden weefden als ’t ware een zilveren sluier om de half ontbladerde besseboomen. “Als het weder voorjaar wordt, hoe zal dan alles hier in huis zijn?” Zij dacht aan haar lieveling, die daar zoo onverwacht de gewichtigste beslissing in haar leven moest nemen. Hoe zou Liesje de tijding ontvangen? Zou zij werkelijk niet bemerkt hebben, hoe lief zij den jongen man was geworden? En zou zij hem niet een klein weinigje—“Och neen!” De oude vrouw schudde het hoofd; zij wist, hoe het in het jonge hart gesteld was.—“Neen, zij bemint hem niet, en als zij hem nu toch eens het jawoord gaf, wanneer zij zich geweld aandeed, omdat hare ouders het wenschten—zou zij dangelukkigworden? Och, gedwongen liefde en geverfde wangen duren niet lang. Het arme kind!” sprak zij bij zich zelve. “Als zij haar maar niet zoeken over te halen! Mientje zal het niet doen, maar Frederik, die is geheel door den jongen betooverd!”Zij opende het oude boek en staarde op de geel geworden bladen, maar zij kon niet lezen: de letters dansten haar voor de oogen en hare handen beefden—daar was zij aan de deur—zal nu het gezicht van een vroolijke, jonge bruid, met een donkeren gloed overgoten, naar binnen zien? De oude vrouw hield haar adem in; de deur werd langzaam geopend en het jonge meisje stond op den drempel; was zij dan gegroeid sedert zooeven? Zij trad rustig de kamer binnen: op het bleeke gelaat stond diepe ernst te lezen.“Tante,” sprak zij zacht, “ik hebneengezegd.”Tante antwoordde niet; zij knikte slechts toestemmend met het hoofd. “Zijt gij hem niet genegen, mijn kind?” vroeg zij toen. “Zie, wat uw hart gevoelt, dat weet gij zelve het beste.”“Ik kan niemand liefhebben, tante,” klonk het dicht aan het oor der oude vrouw; twee zachte armen omvatten haar hals en een bleek gelaat verborg zich aan hare borst. Zoo lag zij op de knieën naast de oude, en deze streek met de hand liefkoozend over de bruine vlechten.“God zegene u, mijne Lise!” fluisterde zij, “gij hebt goed gehandeld.”In de huiskamer liep Erving driftig heen en weer. Zijne vrouw had roodgeschreide oogen en bad:“Als zij hem toch niet liefheeft, Erving?”“Mina, men kan met eene vrouw niet verstandig over zoo iets spreken,” zeide hij, voor haar staan blijvende. “Zie den jongen aan! Hij is knap en verdient achting; hij bemint haar en is van een goede familie; zijn vader schrijft mij, dat zij het meisje op de handen zullen dragen—is dat niet alles, wat zij verlangen kan? Maar daar steekt iets anders achter, dat laat ik mij niet uit het hoofd praten.”“Maar ik vraag u, Erving, wat zou dat dan kunnen zijn?”“En dan, ik herkende het meisje niet meer; zij die altijd zoo gedwee en volgzaam was, stond daar, doodsbleek, en zei niets anders dan ‘neen’ en nog eens ‘neen!’ God help mij, wie had dat gedacht?”“Zij is immers uwe dochter, vaderlief,” zeide zijn vrouw, opstaande en naar hem toe komende. “Gij weet wel,” voer zij voort, terwijl zij poogde te glimlachen, “dat uw vader gewild had, dat gij Agnes zoudt trouwen, en toen hebt gij evengoed ‘neen’ gezegd en niets meer.”“Nu, dat was toch heel iets anders, ik kende u toen en beminde u reeds, maar zij—zij komt immers pas in de wereld kijken. God weet het, zoo zwaar is mij nog niets gevallen, als den jongen van avond zulk een antwoord te geven.” Hij bleef aan het venster staan en zag verdrietig door de ruiten. Hij keerde zich ook niet om, toen de deur zachtjes openging en tante binnentrad.Zij bleef even staan. “Nu, nu, Mientje,” sprak zij toen, “gij weent—er is immers niemand gestorven, en zulk een haast heeft het vrijen ook niet! Er zijn niet een hand vol, maar een land vol mannen—de rechte zal wel komen—”De molenaar aan het venster maakte een heftige beweging, als wilde hij een scherp antwoord geven; hij zeide echter kalm: “gij spreekt, naar gij verstand hebt, tante!”“Wel, ik zou meenen, dat ik in die dingen toch niet zoo dom ben; ook heb ik wat meer ondervonden dan gij. Lise is zeventien jaar geworden—nauwelijks zijn de kinderschoenen uitgetrokken; er zullen nog wel honderd vrijers naar den molen komen; waarom zou zij nu den eersten den besten nemen? Selldorf is een flinke jongen, ja! maar de smaken zijn verschillend, en liefde zonder wederliefde, is als een vraag zonder antwoord, en maakt ongelukkig. En daarom, Frederik, laat het zóó goed zijn en zie haar niet donker aan; zij is immers uw éénigste, waarom wilt gij haar dan dwingen! Al uw boosheid helpt u niets, en uw macht kunt ge in deze zaak niet doen gelden; daarom, wees tevreden, en verheug u, dat gij uw kind nog behoudt! Heeft zij eens een man, dan behoort zij u niet meer toe.“Stil maar, al genoeg!” antwoordde hij ongeduldig en ving zijne wandeling door de kamer weder aan.De oude vrouw sprak geen woord meer; zij wist, dat haar doel bereikt, was; zij nam dan ook haar breiwerk en ging op haar gewone plaats zitten.“Hebt gij haar dan gesproken?” vroeg de moeder na een lang stilzwijgen.“Natuurlijk! Zij kwam bij mij en vertelde mij, hou het er mee gesteld was, en ten laatste heeft zij mij schreiende gebeden, haar toch te helpen, dat haar vader weder vriendelijk jegens haar werd.”“Waar is zij dan?” vroeg hij.“Zij is naar haar kamertje gegaan.”“Zoo,” antwoordde hij en liep weer op en neer, tot hij eindelijk de deur opende en het vertrek verliet.“Ik weet al, waar hij heengaat,” sprak de oude vrouw lachende. “Hij was zeker heel boos?”“Het ging nog al, tante, maar ik had hem nooit boos gezien—daardoor was ik er zoo bang voor.”“Neen, maar zie nu eens, Mina,” sprak zij en wees naar den tuin; daar liep de molenaar langzaam het pad langs, de arm om zijne dochter geslagen, en zij met haar hoofdje tegen zijn schouder geleund en tot hem opziende; hij sprak met haar en zij lachte hem toe.“Mijn beste man! mijn lieve kind!” sprak zacht de vrouw aan het venster.

De zomer was voorbij gegaan en de herfst begon het loof der bosschen bont te kleuren; een kristalheldere blauwe hemel welfde zich over de aarde; in de lindenbaan van het slotpark lagen de eerste verdorde bladeren op den grond, en in Ervings tuin bloeiden de asters en dahlia’s in bonte kleurenpracht. Over de wijnstokken waren netten gespannen, om de snoeplustige musschen te weren; uit het loof der ooftboomen keken de rijpe, goudgele vruchten met roodgekleurde wangen naar buiten, slechts wachtende om geplukt te worden.

In den molen was alles zijn gewonen gang gegaan; hoe spoedig was die zomer voorbij, en nu verheugde men zich weder in het vooruitzicht van de lange winteravonden bij de warme kachel. De lieden in den molen verheugden zich trouwens ook nog op iets anders: zij wisten immers allen, zoowel de arbeiders in de fabriek, als Mina en Doortje in de keuken en Peter in den stal, dat er spoedig eene bruid in huis zou komen; voor hen, die oogen hadden om te zien, was het zonneklaar, dat de heer Selldorf en “onze Lise” een paar zouden worden. De flinke, blonde man blonk immers de liefde zoo duidelijk uit de eerlijke, heldere oogen, en met niemand ging de heer des huizes zoo vertrouwelijk en hartelijk om, en geen zijner collega’s ontving zulke vriendelijke blikken van Liesjes moeder, als hij. Zelfs tante knikte hemsteeds zoo welwillend toe, en als er beneden in de keuken over hem gesproken werd, zeide zij altijd: “een flink mensch, die Selldorf!”

Alleen Liesje scheen van dat alles niets te merken; wel was zij altijd vriendelijk en aardig jegens den leerling haars vaders en zette de groote struiken vergeet-mij-niet, die hij haar nu en dan medebracht, dadelijk in schoon water, maar overigens kon niemand iets van de liefde bespeuren, welke men volstrekt wilde dat zij hem zou toedragen, welke moeite Mina en Doortje zich daartoe ook gaven.

“Zij houdt zich maar zoo,” meende de laatste, “dat is zoo de mode bij de voorname lui, maar van binnen is het anders gesteld, nietwaar, tante?”

“Die veel praten, liegen veel!” had deze geantwoord; “bekommer u niet om Lise, maar blijf bij uw potten en pannen! Bruiloft zullen wij wel eenmaal in huis vieren. Wie echter de bruidegom zijn zal, weet God alleen; wij kunnen niet in de toekomst zien, en daarom, houdt uw mond over zaken, die u niet aangaan. Maar gij denkt nergens anders over, dan over vrijers en trouwen. Lise weet zeer goed:

“Bij vrijen, als bij paarden koopen,Meisje, doe uw oogen open!”

“Bij vrijen, als bij paarden koopen,

Meisje, doe uw oogen open!”

De oude had hierbij ernstig met het hoofd geknikt.

Maar, hoeveel ingang hare woorden anders ook vonden, nu gingen zij het eene oor in, en het andere uit; zij wisten het immers veel te goed, dat de heer Selldorf zin aan de juffer had; de tijd zou het leeren, wie gelijk had.

Ondertusschen bracht tante met haar gewonen ijver den wintervoorraad in kelder en provisiekamer en Liesje moest overal bij zijn en aan alles helpen, “want zie, mijn liefje, het is voor de aanstaandehuishouding,” zeide de oude vrouw.

Dezen middag werd er aan de oude noteboomen geweldig geschud en getrokken, bladeren en vruchten vielen op den grond, waarover een groot laken gespreid lag; Peter enChristoffel sloegen met lange stokken onbarmhartig in de takken, en drie of vier kinderen kropen en tuimelden over elkander in de drukte van het oprapen.

Liesje, die Nelly bij zich had, had juist de plaats en de kinderen verlaten en nu stonden de jonge meisjes in het zomerhuisje voor het huis, bij de steenen tafel, waarover de oude vrouw een helder wit tafellaken legde, en wachtten zwijgend, tot zij het koffieblad van de bank en op de tafel gezet had.

“Nietwaar, tante, gij drinkt hier buiten bij ons koffie?” vroeg Liesje.

“Dat kan ik wel doen; in de huiskamer is ook bezoek,” antwoordde zij; en naast Nelly plaats nemende, verzocht zij Liesje een kopje voor haar te halen. “Zoo vlijtig?” vroeg zij, toen het meisje naast haar uit een korfje een handwerk te voorschijn haalde en ijverig begon te werken.

“Een huwelijksgeschenk voor Army!” antwoordde zij vriendelijk.

“Lieve God, hij is toch nog erg jong,” sprak de oude vrouw, terwijl zij het gevulde kopje dankend van Liesje aannam.“Het heugt mij nog als gister, dat hij over de brug kwam aanloopen in zijn zwart kieltje.”

Nelly knikte; Liesje echter zag onwillekeurig naar de brug, waaronder het water helder en haastig heenliep.

“Wie is daar binnen bij vader?” vroeg zij met een bedrukte stem, alsof zij het gesprek op iets anders wilde brengen; tegelijkertijd lachte zij hare moeder tegen, wier gelaat een oogenblik aan het venster zichtbaar werd.

“Een vreemd heer,—ik ken hem niet,” antwoordde tante; daarop zette zij plotseling haar kopje neer, schoof haar bril iets lager en zag daarover heen naar den weg aan de overzij van het water. “Heilige God,” zeide zij, “was dat Sanna niet, Nelly, die daar onder de boomen liep? Zij is nu achter die elze- en wilgeboomen—ik heb haar in langen tijd niet gezien, maar het scheen mij haar gang toe. Ziet gij, waarlijkzij is het,” en zij wees op de groote vrouw, die met het, donker gewaad en wit voorschoot over de brug kwam.

“Sanna!” riep Nelly, en sprong op, “mijn God, wat is er toch gebeurd?”

“Mevrouw de barones laat vragen,” klonk het met een vreemd accent uit den mond der oude dienstbode, “of de freule niet dadelijk bij haar wil komen.”

“Om Godswil, Sanna, wat is er voorgevallen?” vroeg het jonge meisje haastig, haar werk opbergende. “Moet ik bij mama komen of bij grootmama?”

“Natuurlijk bij grootmama,” antwoordde de oude, zonder Liesje of hare tante, die Nelly hielpen haar borduurwol in te pakken, met een blik te verwaardigen. “Uwe grootmoeder is zeer boos, dat gij niet te huis waart, zóó boos, dat ik maar aanstonds hier heen ben geloopen, omdat mevrouw uwe moeder meende, dat gij wel weder naar den molen gegaan zoudt zijn, en Hendrik had geen tijd; hij moest brieven naar de post brengen.”

“Zeg het toch, Sanna!” bad Nelly, en zag de magere vrouw angstig aan, “is er iemand ziek, of zijn er slechte tijdingen gekomen?”

“De oude barones heeft een brief met een doodbericht ontvangen,” antwoordde de oude en zag tante, die opgestaan was, met donkere blikken aan.

“Om Godswil!” riep Nelly en zag Sanna ontsteld aan; “het is Army toch niet? Sanna, lieve Sanna, gij weet het wel—zeg het toch! Ik bid u,” en zij liep naar haar toe en vatte smeekend hare beide handen.

Liesje ging echter op de steenen bank zitten; het was haar, alsof hare beenen haar niet langer wilden dragen; als onbewust, staarde zij met wijd geopende oogen op de groep.

“Ik weet het niet,” antwoordde schouderophalend de oude dienstbode, terwijl Nelly haar gelaat met de handen bedekte en nogmaals snikkend uitriep:

“Army! Almachtige God, zoo het Army eens ware!”

“Wees gerust, Nelly,” troostte tante haar nu, en sloot het weenende meisje in hare armen. “Uw broeder is het niet; dan zoude zij daar niet zoo rustig staan—ga gauw naar huis en wees getroost! Hij is het niet.”

“Och, tante!” snikte zij, “ik kan van angst niet op mijn beenen staan.”

“Schrei niet, genadige freule!” zeide nu ook de oude Sanna, sterk op de benaming “genadige freule” drukkende; “gravin Stontheim is overleden, maar de barones had mij verboden er hier in den molen over te spreken, daar zij alle gebabbel wil vermijden, en hier—” zij hield het overige voor zich, en wierp een uitdagenden blik op de tante, die nog altijd naast het weenende meisje stond.

“Nu,” merkte deze aan, “gij moogt het wel voor u houden, juffer Sanna; wat raakt het mij, of die tante dood is of niet. Maar daarom behoeft gij het arme kind niet zulk een schrik aan te jagen met uw doodsbericht, het was vroeg genoeg als zij het te huis vernam.”

“Ik heb met u niets te maken; ik doe slechts wat mijne meesteres mij beveelt,” antwoordde de oude dienstbode minachtend.

“O ja! dat weet ik nog van vroeger,” sprak tante, wie eensklaps het bloed naar de wangen vloog; zij zag hare vijandin doordringend aan.

“Ik ga een eind met uw mede, Nelly,” riep Liesje, als uit een droom ontwakende, en volgde haar vriendin, terwijl Sanna, als aan den grond genageld, staan bleef.

“Wat bedoelt gij toch?” vroeg zij, en zag tante met een blik aan, vol onverzoenlijken haat. Uit de houding van deze beide vrouwen was het duidelijk te zien, dat hier een oude, lang onderdrukte veete weder ontbrandde.

“Wat ik bedoel?” vroeg de oude tante, terwijl zij hare eerlijke oogen op de groote, donkere gestalte vestigde en eenige schreden nader trad, “wat ik bedoel? Ei, juffer Sanna,dat behoeft gij niet te vragen; ik zie het aan uw gelaat, dat gij het wel weet—het heeft u toch zeker dikwijls genoeg aan uw hoofdkussen getrokken en geplukt en u verhinderd te slapen in lange benauwde nachten, en heeft als een berg, die niet te verschuiven was, op uwe borst gelegen, al hebt gij ook honderd maal uw rozenkrans afgebeden en alle heiligen aangeroepen—dat was het geweten, juffer Sanna, en een kwaad geweten heeft wolfstanden; die bijten scherp en diep—”

“O misericordia!” riep Sanna en sloeg hare handen met een hartstochtelijk, toornig gebaar in elkander: “dat heb ik er nu voor, dat ik zelve hierheen ben geloopen; mevrouw de barones had wel gelijk, dat zij mij steeds verbood, mij met hetplebaglio, hetmiserabile, in te laten.”

“Wat uwe barones zegt, is mij totaal onverschillig,” verklaarde tante, “en uwe Italiaansche scheldnamen kunt gij wel sparen; die versta ik niet; maar één ding moet ik u toch nog zeggen, juffer Sanna, nu het toeval ons te zamen brengt—ik heb er lang naar verlangd, het te kunnen doen; gij en uwe barones hebt eene zonde op uw geweten, die ten hemel schreit. Misschien meent gij, dat niemand er van weet; wellicht weet gij, dat er eene is die de oorzaak kent en weet, waardoor een jong, bloeiend leven in ’t graf moest nederdalen; ik zeg u echter, en gij kunt het aan uwe barones daar boven overbrengen: God is een tijd lankmoedig, maar niet eeuwig; Hij laat zich niet bespotten, en ik—ik, de oude tante uit den papiermolen—ik bid nog iederen avond den lieven God, dat hij mij den dag laat beleven, waarop ik uw trotsche meesteres in het gezicht kan zeggen, dat zij eene—”

“Cielo!” krijschte de Italiaansche en sloeg met de handen in de lucht, “het mensch is krankzinnig! Het verwondert mij, dat gij nog niet zegt, dat wij het hoogmoedige ding vermoord hebben.”

“Dat zou ik met het volste recht kunnen beweren,” hieldde oude vol, “en als er geen hoogmoediger menschen waren dan zij, dan zou het beter wezen in de wereld.”

“Datzou ik mij hier laten zeggen?” riep Sanna, rood van toorn, “wilt gij misschien ook beweren, dat wij haar vergeven of gewurgd hebben? Het was juffer Lisette’s eigen schuld, dat zij stierf; wat behoefde zij zich in te beelden, dat de baron haar zou trouwen! Waarom knoopte zij een vrijerij aan boven haar stand! Zulk een heer heeft honderd oogen en ziet meer dan één mooi meisje.”

“Wat?” riep nu de oude vrouw, en zette haastig het koffieblad, dat zij juist had opgenomen, weder neer—“wilt gij den baron Fritz nu ook nog belasteren? Die was beter dan de heele kliek daar boven bij elkaar”—zij wees naar het slot—“en zoo hij een lichtzinnig mensch is geworden, is dat ook uwe schuld. En wat het inbeelden betreft, onze zalig Lisette heeft zich niets ingebeeld; zij is de brave bruid van baron Fritz geweest, en zou, zoo waar als ik hier sta, zijne vrouw geworden zijn, hadden niet valsche, slechte menschen, erger dan roovers en moordenaars, hen van elkaar gerukt.”

Sanna lachte onbeschoft en spottend.

“Gelooft gij dat waarlijk? En ik zeg u: zoo zeker als zij lompenmolenaars Lisette was, zoo zeker is dáár boven geen plaats voor dergelijken.”

“Hoogmoed steekt altijd den staart buiten ’t nest,” antwoordde tante Marie minachtend; “ons geslacht is Goddank te braaf en te goed en past niet in zulk een zondige huishouding, als het toen daar boven was. De Derenbergs waren altijd lieden van goed allooi; die zat de adel niet alleen in het bloed, maar ook in het gemoed, en zoo was het goed, totdat—nu, gij weet, wat ik meen—in het graf zouden zij zich hebben omgekeerd, allen in den ouden grafkelder, zoo zij geweten hadden, hoe ver het nog komen zou met hunne trotsche naneven.”

“Tante! tante!” riep de vrouw des huizes met angstige stem uit het venster.

“Aanstonds, Mientje!” antwoordde zij en nam het koffieblad op; “ik kom al. Gij weet, wij oudjes praten gaarne over den ouden tijd, vooral als men elkander in zulk een langen tijd niet gezien heeft, als juffer Sanna en ik,” en dit zeggende ging zij in huis, zonder verder om te zien.

“Maar tante, om Godswil!” sprak Ervings vrouw verwijtend, toen de oude vrouw met een rood gelaat binnen kwam: “wat praat gij toch! Ik werd wezenlijk angstig, zoo boos zag die groote, sombere vrouw er uit—”

“Ik niet, Mientje, ik niet,” antwoordde de oude vrouw zegepralend, “het deed mij goed, dat ik eens uitspreken kon. Jarenlang heb ik daarop gewacht; soms vreesde ik al, dat ik sterven zou, zonder haar in het gezicht te hebben gezegd, welke groote zonden zij gedaan hebben, en nuvandaag—o, ik ben nog veel te zachtmoedig geweest, maar had ik het valsche wijf niet onder Gods vrijen hemel, maar op mijne kamer gehad, dan zoudt gij iets anders gehoord hebben, Mina—”

“Tante! tante! Mij is de wraak! Wat zoude onze dominé zeggen, als hij u nu hoorde!”

“Ik wil mij niet wreken,” sprak de oude vrouw zacht, “want op alle wraak volgt berouw! Maar geloof mij, toen ik haar daar zoo voor mij zag staan, die vrouw, die mede aan het ongeluk schuld heeft, toen was het mij, alsof iemand mij kokende olie in het hart goot—” Zij hield op, want Liesje trad binnen.

“De gravin Stontheim is werkelijk overleden,” verhaalde zij. “Nelly’s moeder zeide het, toen zij ons in het park tegenkwam. Army heeft geschreven, dat zij reeds morgen wordt begraven, en daarna wil hij zijne bruid weder hierheen brengen; de bruiloft zal niet uitgesteld worden, alles blijft bij het oude. Zeg eens, tante, was Sanna, die ik pas bij den boschweg tegenkwam, tot nu toe bij u?”

“Tot nu toe, mijn schatje; wij hebben nog een vroolijk praatje met elkander gehad.”

Het jonge meisje zag haar vragend aan en zette zich toen aan het raam. De beide anderen verlieten de kamer. Het was zoo stil rondom dat jonge meisje met een stille, hopelooze liefde in het hart. Van de hooge lindeboomen vielen langzaam de gele bladeren op den grond, beelden van voorbijgegaan lentegeluk; een paar kleine vogeltjes vlogen tjilpend van tak tot tak.

“Alshijgestorven was?” sprak zij halfluid. “Maar neen—neen—het is beter zoo; lieve God, laat hem gelukkig worden—om der wille zijner moeder en zuster!”

Een paar dagen waren voorbijgegaan. Liesje had hare tante vlijtig in het huishouden geholpen, en meer dan in den laatsten tijd had haar heldere lach weder geklonken. “Lach maar, mijn liefje!” had de oude vrouw eenmaal in hare vreugde daarover gezegd, “God heeft den blijmoedigen mensch lief.” Zij wordt weder vroolijk, zij heeft het overwonnendacht zij; het kind was ook nog zoo jong en het leven dat voor haar lag, beloofde nog zooveel geluk. En onwillekeurig kwam haar de jonge, blonde man voor den geest, die zoo bescheiden was en toch door zijn degelijkheid meer en meer in den molen geliefd werd. “Het zou een uitgelezen paar zijn,” sprak zij bij zichzelve.

Dezen morgen had zij hem nog langen tijd nagezien, toen hij reeds vroeg met Erving, het geweer over den schouder, op de jacht gegaan was; zij had daarbij zeer goed bemerkt, hoe hij een verstolen blik wierp naar de vensters, waarachter Liesje nog rustig sliep, en gedacht: “Als zij hem nu zoo reus zag, knapper kan toch niemand er uitzien.”

Maar Liesje had later niet geluisterd, toen zij hem prees, en was telkens lachend over iets anders begonnen te spreken. Zoo was het middag geworden; de soep dampte reeds op de tafel in de eetkamer, toen Lise naar buiten ijlde, haar vader tegemoet, zonder te bedenken, wie hem vergezelde.

“Goeden morgen, vadertje!” riep zij vroolijk, “wat brengt gij mede?” Nu eerst werd zij gewaar, dat de heer Selldorfachter hem stond, die den groenen jagershoed afgenomen en haar vader de hand gegeven had, terwijl hij hem smeekend aanzag. “Tot heden avond dan, beste Selldorf,” hoorde zij haar vader zeggen; nog een handdruk, en de jonge man was verdwenen, zonder haar te hebben aangezien. De statige vader groette zijne dochter ter loops en wierp zijn weitasch af. “Waar is uwe moeder? Ik moet haar spreken,” zeide hij haastig.

“Maar Frederik, de soep!” klonk tantes stem uit de keuken.

“Ja zoo—nu, dan later!” sprak hij. Onder het eten streek hij echter dikwijls met de hand over het gelaat; dan lachte hij, maar werd op eens weder ernstig. Eens zag hij Liesje stijf en zóó treurig aan, dat zij de lepel weglegde en vroeg:

“Vader, wat is u overkomen?” en “Erving, is u iets onaangenaams bejegend?” vroeg ook zijne vrouw.

“Wel beware, neen!” antwoordde hij vroolijk, alsof er niets bij hem gaande was.

Dadelijk toen de maaltijd geëindigd was, volgde hij zijne vrouw in de huiskamer. Liesje wandelde in den tuin op en neer en zag tusschenbeide angstig naar de ramen der woonkamer; eindelijk ging zij weder in huis, maar daar ging ook juist tante de kamer binnen en wenkte haar, buiten te blijven.

Vol bange voorgevoelens zette zij zich op de steenen bank onder het raam. Daar binnen werd druk gesproken, en eindelijk hoorde zij tante zeggen: “Neen Frederik, dit moet gij mij beloven, als zij nietwil, overreed haar dan niet, want gedwongen trouw geeft eeuwige rouw!”

“Dat spreekt van zelf,” antwoordde haar vader, “maar men kan haar toch al het voor en tegen onder het oog brengen.”

Het jonge meisje daar op de oude steenen bank was plotseling doodsbleek geworden. Op eenmaal was het haar helder geworden, wat daar binnen werd besproken; had zij dan in een droom geleefd? Hare ouders, haar lieve, goede vader—konden die het van zich verkrijgen, haar te laten heengaan?Zij zou den ouden geliefden molen verlaten moeten met een vreemden man? Weg van hare moeder, van hare tante, en alles wat haar lief was? Zij zou niet meer in haar kamertje weenen, niet meer dagelijks de torens van het oude slot zien? Zij drukte de handen op hare borst, en had een gevoel, alsof haar hart ophield te kloppen bij deze gedachten.

“Liesje, kom eens binnen!” klonk nu haars vaders stem. Werktuigelijk stond zij op en volgde deze aanmaning. Daar stond zij nu in de woonkamer; op de sofa zat hare moeder, bij het venster tante, en beiden zagen haar zoo vreemd—zoo teeder aan; ja, het scheen alsof hare moeder geweend had.

De oude vrouw aan het venster ging naar buiten, zij wilde zich niet mengen in hetgeen de ouders met hun kind hadden te bespreken; zij ging stil naar haar kamertje en nam den bijbel van de commode; daarop ging zij in den leuningstoel zitten en vouwde de handen op het boek. “God alleen weet wat goed is,” fluisterde zij; “moge Hij haar hart leiden, zoo zal alles ten beste uitkomen.” Buiten schenen de zonnestralen op de bonte asters, en lange, witte draden weefden als ’t ware een zilveren sluier om de half ontbladerde besseboomen. “Als het weder voorjaar wordt, hoe zal dan alles hier in huis zijn?” Zij dacht aan haar lieveling, die daar zoo onverwacht de gewichtigste beslissing in haar leven moest nemen. Hoe zou Liesje de tijding ontvangen? Zou zij werkelijk niet bemerkt hebben, hoe lief zij den jongen man was geworden? En zou zij hem niet een klein weinigje—“Och neen!” De oude vrouw schudde het hoofd; zij wist, hoe het in het jonge hart gesteld was.—“Neen, zij bemint hem niet, en als zij hem nu toch eens het jawoord gaf, wanneer zij zich geweld aandeed, omdat hare ouders het wenschten—zou zij dangelukkigworden? Och, gedwongen liefde en geverfde wangen duren niet lang. Het arme kind!” sprak zij bij zich zelve. “Als zij haar maar niet zoeken over te halen! Mientje zal het niet doen, maar Frederik, die is geheel door den jongen betooverd!”

Zij opende het oude boek en staarde op de geel geworden bladen, maar zij kon niet lezen: de letters dansten haar voor de oogen en hare handen beefden—daar was zij aan de deur—zal nu het gezicht van een vroolijke, jonge bruid, met een donkeren gloed overgoten, naar binnen zien? De oude vrouw hield haar adem in; de deur werd langzaam geopend en het jonge meisje stond op den drempel; was zij dan gegroeid sedert zooeven? Zij trad rustig de kamer binnen: op het bleeke gelaat stond diepe ernst te lezen.

“Tante,” sprak zij zacht, “ik hebneengezegd.”

Tante antwoordde niet; zij knikte slechts toestemmend met het hoofd. “Zijt gij hem niet genegen, mijn kind?” vroeg zij toen. “Zie, wat uw hart gevoelt, dat weet gij zelve het beste.”

“Ik kan niemand liefhebben, tante,” klonk het dicht aan het oor der oude vrouw; twee zachte armen omvatten haar hals en een bleek gelaat verborg zich aan hare borst. Zoo lag zij op de knieën naast de oude, en deze streek met de hand liefkoozend over de bruine vlechten.

“God zegene u, mijne Lise!” fluisterde zij, “gij hebt goed gehandeld.”

In de huiskamer liep Erving driftig heen en weer. Zijne vrouw had roodgeschreide oogen en bad:

“Als zij hem toch niet liefheeft, Erving?”

“Mina, men kan met eene vrouw niet verstandig over zoo iets spreken,” zeide hij, voor haar staan blijvende. “Zie den jongen aan! Hij is knap en verdient achting; hij bemint haar en is van een goede familie; zijn vader schrijft mij, dat zij het meisje op de handen zullen dragen—is dat niet alles, wat zij verlangen kan? Maar daar steekt iets anders achter, dat laat ik mij niet uit het hoofd praten.”

“Maar ik vraag u, Erving, wat zou dat dan kunnen zijn?”

“En dan, ik herkende het meisje niet meer; zij die altijd zoo gedwee en volgzaam was, stond daar, doodsbleek, en zei niets anders dan ‘neen’ en nog eens ‘neen!’ God help mij, wie had dat gedacht?”

“Zij is immers uwe dochter, vaderlief,” zeide zijn vrouw, opstaande en naar hem toe komende. “Gij weet wel,” voer zij voort, terwijl zij poogde te glimlachen, “dat uw vader gewild had, dat gij Agnes zoudt trouwen, en toen hebt gij evengoed ‘neen’ gezegd en niets meer.”

“Nu, dat was toch heel iets anders, ik kende u toen en beminde u reeds, maar zij—zij komt immers pas in de wereld kijken. God weet het, zoo zwaar is mij nog niets gevallen, als den jongen van avond zulk een antwoord te geven.” Hij bleef aan het venster staan en zag verdrietig door de ruiten. Hij keerde zich ook niet om, toen de deur zachtjes openging en tante binnentrad.

Zij bleef even staan. “Nu, nu, Mientje,” sprak zij toen, “gij weent—er is immers niemand gestorven, en zulk een haast heeft het vrijen ook niet! Er zijn niet een hand vol, maar een land vol mannen—de rechte zal wel komen—”

De molenaar aan het venster maakte een heftige beweging, als wilde hij een scherp antwoord geven; hij zeide echter kalm: “gij spreekt, naar gij verstand hebt, tante!”

“Wel, ik zou meenen, dat ik in die dingen toch niet zoo dom ben; ook heb ik wat meer ondervonden dan gij. Lise is zeventien jaar geworden—nauwelijks zijn de kinderschoenen uitgetrokken; er zullen nog wel honderd vrijers naar den molen komen; waarom zou zij nu den eersten den besten nemen? Selldorf is een flinke jongen, ja! maar de smaken zijn verschillend, en liefde zonder wederliefde, is als een vraag zonder antwoord, en maakt ongelukkig. En daarom, Frederik, laat het zóó goed zijn en zie haar niet donker aan; zij is immers uw éénigste, waarom wilt gij haar dan dwingen! Al uw boosheid helpt u niets, en uw macht kunt ge in deze zaak niet doen gelden; daarom, wees tevreden, en verheug u, dat gij uw kind nog behoudt! Heeft zij eens een man, dan behoort zij u niet meer toe.

“Stil maar, al genoeg!” antwoordde hij ongeduldig en ving zijne wandeling door de kamer weder aan.

De oude vrouw sprak geen woord meer; zij wist, dat haar doel bereikt, was; zij nam dan ook haar breiwerk en ging op haar gewone plaats zitten.

“Hebt gij haar dan gesproken?” vroeg de moeder na een lang stilzwijgen.

“Natuurlijk! Zij kwam bij mij en vertelde mij, hou het er mee gesteld was, en ten laatste heeft zij mij schreiende gebeden, haar toch te helpen, dat haar vader weder vriendelijk jegens haar werd.”

“Waar is zij dan?” vroeg hij.

“Zij is naar haar kamertje gegaan.”

“Zoo,” antwoordde hij en liep weer op en neer, tot hij eindelijk de deur opende en het vertrek verliet.

“Ik weet al, waar hij heengaat,” sprak de oude vrouw lachende. “Hij was zeker heel boos?”

“Het ging nog al, tante, maar ik had hem nooit boos gezien—daardoor was ik er zoo bang voor.”

“Neen, maar zie nu eens, Mina,” sprak zij en wees naar den tuin; daar liep de molenaar langzaam het pad langs, de arm om zijne dochter geslagen, en zij met haar hoofdje tegen zijn schouder geleund en tot hem opziende; hij sprak met haar en zij lachte hem toe.

“Mijn beste man! mijn lieve kind!” sprak zacht de vrouw aan het venster.

Tiende Hoofdstuk.Op het slot had de tijding van den dood der gravin Stontheim niet veel droefheid veroorzaakt; de jonge barones en Nelly hadden de gestorvene in ’t geheel niet gekend. Nelly had een krans van immortellen gevlochten en die met eene betuiging van deelneming naar Blanka gezonden, daarop hadden de drie dames zich in rouwgewaad gestoken, om aan den uiterlijken vorm te voldoen, hoofdzakelijk ter wille van Blanka, die, volgens het schrijven van Army, voor een langdurig verblijf op Derenberg kon verwacht worden. Army en haar vader zouden haar vergezellen.En thans was de dag hunner komst daar. In Blanka’s vertrek waren de ramen wijd open gezet, en de frissche herfstlucht vervulde de weelderige en gezellige kamer; de zon scheen helder op de bleekgroene, zijden behangsels, en op de donzige kussens van dezelfde stof; overal prijkten frisch geplukte herfstbloemen in vazen en mandjes, en Nelly onderzocht zorgvuldig, of het verwende kind ook aan iets gebrek zou kunnen hebben. In haar eenvoudig, zwart wollen kleed geleek zij in dit schitterend boudoir bijna een betooverde prinses, die door het toeval of door een goede fee weder in de prachtige omgevinggeplaatstwas, waarin zij eigenlijk thuis behoorde. Het ovale, rooskleurige gezichtje kwam bekoorlijk uit bij het zwarte kleed, en de blanke handen, die uit de krippen manchetten te voorschijnkwamen, waren haast te klein voor een volwassen meisje.“Dit is toch een recht lieve kamer, grootmama,” sprak zij, tot de oude dame opziende, die juist op den drempel verscheen.“Zeker! maar voor u,mio cuore, zou ik blauw veel liever vinden.”“O, voor mij!” lachte zij; “ik en een kamer met zijden behangsels en kanten gordijnen! Ik zou mij ongelukkig gevoelen in dezen geur en glans.”“Gij zoudt het wel leeren, mijn kind, u daarin gelukkig te gevoelen.”Het jonge meisje keek op; dat klonk zoo ernstig.“Als mijn kleine Nelly heel lief is,” vervolgde de oude dame, het verbaasde meisje naderende, “en haar best doet, haar onbeschaafde manieren af te leggen, dan geef ik haar misschien zulk een prachtig kamertje tot een Kerstgeschenk.”“Gij, grootmama?” riep de kleine ongeloovig. “O neen, ik zou veel liever een kamertje hebben zooals Liesje, met wit en blauw gebloemd katoen—dat ziet er zoo beelderig uit.”De oude barones haalde de schouders op en keerde zich om, want hare schoondochter trad binnen.“Daar wordt mij een groot pak japonstoffen en stalen gezonden; hebt gij dat besteld?” vroeg zij; “ik denk dat het eene vergissing is, want er zijn zijden meubelstoffen bij, en allerhande dingen, die wij onmogelijk kunnen gebruiken.”“Ikheb dat besteld, Cornelie,” verklaarde de aangesprokene ongeduldig; “laat die zaken op mijne kamer brengen!”Nelly vloog heen, om het bevel te volvoeren, en de beide vrouwen stonden zwijgend tegenover elkander.“Maar,” vroeg eindelijk de jongste, “waartoe is dat noodig?”“Hebt gij u reeds in den spiegel bezien, Cornelie?” was hetbitse antwoord; “in die plunje kunt gij u ter nauwernood aan onze lieden vertoonen, nog minder op eene bruiloft.”Zij lachte.“Ik heb reeds inkoopen gedaan, mama; voor Nelly een wit kleed, en voor mij een zwart zijden.”“Slechtste kwaliteit, dunne taf, paardrijders zijde, zooals men dat noemt, ik ken dat,” antwoordde de dame spotachtig. “Genoeg, het blijft er bij; ik koop, wat ik oordeel dat noodig is—”“Maar, mama!”“Gij zult zeker vragen, waar komt het geld vandaan? Hoor eens, Cornelie, die firma heeft vroeger duizenden aan mij verdiend en zal ook nu nog wel de gravin Derenberg krediet geven—dat is voorloopig voldoende; laat mij voor het overige zorgen. Of wilt gij misschien, dat het huwelijk uws zoons plaats hebbe in een ledige zaal, waar de gordijnen ternauwernood nog aan de stokken blijven hangen, omdat zij door de mot zijn verteerd, en de overtrekken der meubels vol gaten zijn, zoo groot als die schotel daar? Uwe schoondochter zou geraakt den neus optrekken, denkt gij dat ook niet?”“O, daaraan dacht ik niet,” antwoordde de bleeke vrouw zacht, en sloot de deur, daar een koele tocht de zijden gordijnen ver naar binnen waaide. “Ik dacht slechts,” voegde zij er terugkeerende bij, terwijl zij tegen den prachtigen salonvleugel leunde, die Blanka voor den zomer had laten komen, omdat zij, volgens haar zeggen, op het oude klavier in de woonkamer niet kon spelen, “ik dacht, omdat wij zoo geheelen famillezijn—”“Dat is weer een van uw overdreven denkbeelden, Cornelie! Army is geen weggeloopen knaap, die dáár bruiloft viert, waar hij toevallig een meisje aantreft; hij stamt af uit een der edelste geslachten des lands en zijne bruid is onze bloedverwante; daarom zal ik er voor zorgen, dat deze plechtigheid ten minste naar behooren gevierd worde. Uwe maniervan denken over zulke zaken zou van een lam een tijger maken, Cornelie!”De oude dame ging met een hoogrood gelaat hare schoondochter voorbij en trad aan het venster.“Ik moet u toch dringend verzoeken, Cornelie,” ging zij voort, “uw burgerlijke denkbeelden in vele zaken te laten varen, wanneer Blanka hier is; zij zouden een uitstekend middel zijn om haar het verblijf hier te verbitteren; zij kan die eeuwige kleingeestigheid en zuinigheid, die zelfs de boter voor iedere boterham afweegt, evenmin verdragen als ik, en voor alle dingen moeten wij nu zorgen, haar vast te houden—vast te houden tot elken prijs. Is eenmaal het ‘amen’ na de inzegening uitgesproken, dan zijn al onze bezwaren uit den weg geruimd.”Een donker rood had de wangen der schoondochter bedekt, en tranen kwamen haar in de oogen. Voor wie spaarde zij? Voor wie zorgde zij? Waarom ging zij zoo slecht gekleed? Opdat die grillige vrouw dáár zoo weinig mogelijk het drukkende der armoede zou gevoelen, en al was het ook maar gedeeltelijk, zóó zou kunnen leven als vroeger; zij zond elken avond Sanna met thee en koudvleesch naar boven terwijl Nelly en zij zich met een eenvoudige boterham tevreden stelden.“Nu schreit gij waarschijnlijk ook nog, Cornelie,” klonk weder de stem, die het Duitsch zoo hard en hoekig uitsprak, terwijl zij in hare moedertaal de zachtheid zelve scheen, “misericordia! wat zijn die Duitsche vrouwen toch gevoelige schepsels; ik kan mij zelve haast geen meester blijven, als ik dien tranenvloed zie stroomen; wat ik u zooeven zeide, was slechts tot ons aller bestwil—als gij het maar begrijpen wildet!”Op dit oogenblik kwam Nelly weder binnen. “Het is al vijf uur, mama, en even na zessen kunnen wij hen verwachten; de tafel is beneden reeds gedekt, en Hendrik zal zoo dadelijk hier vuur aanleggen en de vensters sluiten—ikben zoo nieuwsgierig,” ging zij voort,“wat zij al te vertellen zullen hebben, hoe Blanka de rouw staat en hoe het testament is uitgevallen.” Zij zag bij deze woorden hare moeder aan en bespeurde de tranen in hare oogen. “Schrei niet, mama!” fluisterde zij, “zoo aanstonds komt Army, onze lieve Army.”“Het testament?” vroeg de grootmoeder, “mon Dieu, Army de helft, zij de helft en onderscheidene legaten aan oude bedienden, hospitaal enz., en misschien ook aan den overste, die wel opgepast zal hebben ook zijn deel te krijgen.”“Ja, grootmoedertje, maar weet u nog wel, dat Army ons indertijd vertelde, dat Blanka overal gehouden werd voor de eenige erfgename—?”“Och kom! Dan staat de zaak nog gunstiger—de man heeft altijd de beschikking over het vermogen zijner vrouw; trouwens, ik geloof het niet; tante Stontheim hield te veel van Army.”“Maar, wanneer nu het testament eens vóór dien tijd gemaakt is?”“Dan heeft zij zeker een codicil er aan toegevoegd,” antwoordde de oude dame ongeduldig.“Wist ik slechts precies, wanneer zij kwamen!” zeide Nelly; “de gewone post komt stipt om half acht aan, maar Army schreef, dat zij met extrapost reisden, en dientengevolge aan het station eerst wat rusten, en tusschen zeven en acht uur, tegen het middageten, hier zouden zijn. Geduld, geduld! Zal ik dat nooit leeren? Zie het heerlijke avondrood, nu wordt het gauw donker; ik verlang zoo naar Army.”Langzamerhand werd slot en park in duisternis gehuld, en aan den hemel schitterden ster aan ster in fonkelenden glans; in de gezellige woonkamer was de lamp nog niet opgestoken, slechts het vuur in den haard wierp een schemerachtig licht in het vertrek. Moeder en dochter waren alleen: want de oude barones had de kamer verlaten. Het jonge meisje daar in de diepe vensternis staarde met groote, peinzendeoogen naar het lichtend gewemel daar boven; zij knielde naast den stoel harer moeder en sloeg den arm om haar heen; de diep bewogen vrouw hield haar zakdoek voor het gelaat; haar borst ging op en neer onder een zacht geween.“Mijn goed moedertje,” bad de kleine met zoete stem, “schrei uw lieve oogen toch niet rood! Wat moet Army denken, als hij komt? Och! grootmama meent het niet zoo kwaad—”“Och, Nelly, dat is het niet,” antwoordde zacht de weenende vrouw, “maar reeds den ganschen dag vervolgt mij eene onrust, een angst, die niet te beschrijven is.—God geve slechts, dat den jongen niets is overkomen!”“Maar, mama,” troostte de dochter en drukte haar blond kopje stijf tegen hare borst, “wat zou hem dan overkomen zijn? Hij rijdt op dit oogenblik zeker in den ouden, gelen postwagen en zit tegenover zijne Blanka, in de aangenaamste stemming die hij wenschen kan; de overste vertelt anekdoten, en zij verheugen zich allen in het vooruitzicht van een warm avondmaal, en van uw vriendelijk gezicht, mijn moedertje.”De barones schrikte opeens. “Wat scheelt u, mama?” vroeg Nelly angstig.“Ik meende zijn stap te hooren,” antwoordde fluisterend de moeder; “hebt gij niets gehoord, Nelly?”“Neen, mama; het is immers ook onmogelijk.”Het werd stil in het ruime vertrek; de fluisterende stemmen zwegen; niets werd gehoord als alleen het knetteren van het vuur in den haard, en nu en dan een bange zucht uit het beangstigde moederhart. Maar dáár—dáár—ja, dat waszijnstap in de gang; “Nelly,” riep de jonge barones met half gesmoorde stem, en het jonge meisje vloog op en naar de deur, die geopend werd—een man trad binnen.“Army!” jubelde de zuster. “Army!” klonk het ook van de lippen der moeder, “Army, zijt gij het?”“Ja, mama,” antwoordde hij met doffe stem, als dwong hij zich met moeite om kalm te schijnen.“Mijn beste jongen,” zeide de moeder teeder, en omhelsde hem. “Army, lieve Army,” vleide Nelly, “maar zeg, waar is Blanka?”Hij stond bij den haard, nog met mantel en muts, en het flauwe schijnsel van het uitgaande vuur was niet voldoende om zijne gelaatstrekken te onderscheiden.“Army,” vroeg nu ook zijne moeder, “waar is uwe bruid?”“Ik heb geene bruid meer.” Zijne stem stokte van smart.Nelly gaf een gil van schrik, zijne moeder sprak geen woord; dat was het ongeluk, waarvan zij een voorgevoel had gehad—zij drukte alleen zijne hand vast in de hare, als konde zij hem daardoor onttrekken aan een woesten, naren droom.“Maak mij niet week, mama!” bad hij en drong haar zachtjes naar een dichtbij staanden stoel, “het helpt niets; hoe kon ik mij ook verbeelden—” hij lachte bitter—“dat zij—steek het licht op, Nelly!” sprak hij toen kortaf, “en bereid grootmama voor! Ik heb niet veel tijd; morgen moet ik weder weg.”Met bevende handen ontstak Nelly de lamp; haar helder licht bescheen Army’s bleeke trekken; hij stond nog op dezelfde plaats en staarde somber voor zich uit.“Army, mijn lieve Army!” fluisterde zijne zuster, en sloeg snikkend hare armen om hem heen.Hij streek haar gedachtenloos over het haar.“Daar is grootmama!” riep zij toen en liep de oude dame tegemoet.“Army,” vroeg deze, haastig binnentredende, “wat beteekent dat? Ik wilde Sanna niet gelooven, die beweerde, dat zij u in de gang ontmoet had. Waar is Blanka? Waar is de overste? Wat beduidt het, dat gij alleen—?”“Dat beteekent,” antwoordde hij langzaam, en op elk woord drukkende, “dat mijne bruid mij heden morgen evenvoor ons vertrek, genadig heeft ontslagen; zij heeft mij niet lief, liet zij mij zeggen, als grond voor haar plotseling besluit, en, die reden is geldig genoeg, bij God!”Weder lachte hij spotachtig. De oude dame waggelde achteruit, als van den bliksem getroffen.“Het is niet mogelijk,” stamelde zij doodsbleek.“Dat zeide ik heden morgen ook, toen de overste mij dit uiteenzette en verklaarde,” voer Army voort, “en ik heb wel honderd keer de hand aan mijn hoofd gebracht, en mij afgevraagd, of ik ook krankzinnig of iets dergelijks geworden was. Maar neen, het is een feit, Blanka van Derenberg is mijne bruidnietmeer.”“Army, was er dan niets voorafgegaan? vroeg zijne moeder, die als verpletterd in haar stoel zat.“Wat voorafgegaan was?” antwoordde hij op snijdenden toon.“Ja, de opening van het testament. Blanka van Derenberg is eenige erfgename van het groote vermogen—dat is alles. Waarom zou zij een man huwen, dien zij niet bemint? Maar wees gerust, grootmama—” hij naderde de sidderende vrouw, die zich met beide handen aan een stoel vastklemde, “zij heeft toch een edel karakter; zij vermoedt, dat mijne verloving mij onkosten heeft veroorzaakt, en daarom liet zij mij door haar vader berichten, dat zij bereid was al mijne schulden te betalen. Dat was toch één troost voor den afgedankten bruidegom, voor den dommen jongen, die met dwaze liefde aan dit valsche schepsel hing!”Hij had gedurende het gesprek met een kristallen bokaal gespeeld, dien hij gedurig ronddraaide; nu wierp hij dien op den grond, dat hij kletterend uit elkander sprong en de scherven over den vloer rolden.“Army!” klonk het angstig van de lippen zijner moeder, terwijl zij hare bevende handen naar den opgewonden jongeling uitstrekte. De oude barones had zich in hare volle lengte opgericht. “Dat zullen wij ons niet laten welgevallen,” sprak zij toornig. “Blanka erft in ieder geval slechts ondervoorwaarde, dat gij haar echtgenoot wordt; ik heb nog een brief van tante Stontheim—”“Denkt gij dan,” vroeg Army, die in een oogwenk voor haar stond, “denkt gij dan, dat ik haar ooit weer zou willen aanzien? Al lag zij voor mij op de knieën, ik zou haar wegstooten, en al moest ik verhongeren, en gij allen met mij, geen cent nam ik van haar aan; eerder een kogel door den kop.—Ja wel, een kogel, dat zou nog het verstandigste zijn; dat heeft immers mijn vader ook geholpen, zooals Blanka mij zeide, toen ik haar nog eenmaal dringend verzocht, met mij hier op Derenberg te wonen; zij was bang—verklaarde zij—in dit sombere nest, waar de laatste eigenaar zich zelf van het leven had beroofd; ha, ha! Allemaal redenen, waar een verstandig mensch niets tegen zeggen kan!” Zijn stem klonk heesch en half krankzinnig; de felste smart sprak uit zijn ontstelde trekken.“Mama! mama!” riep het meisje op hartverscheurenden toon, “Army is ziek, hij weet niet meer wat hij zegt.”De bleeke vrouw stond op van haar stoel, naderde haren zoon en greep zijne hand; zij wilde spreken, maar hare lippen bewogen zich zonder geluid voort te brengen; hare oogen zagen hem zoo smartelijk biddend aan, alsof zij zeggen wilden: heb medelijden met mij, heb ik nog niet genoeg geleden in mijn leven? Hij zag ze niet, die smeekende blikken; ongeduldig poogde hij zijn hand uit de hare los te maken: “het is genoeg, mama! Ik denk niet aan sterven; ik zal leven—voor u. Hier is overigens een brief van den overste voor de baronesse van Derenberg,” voegde hij er bij, een brief uit zijn borstzak halende en die op de tafel werpende, “misschien eene verklaring, waarom het zoo het beste is, en zoo al meer.”Hij streek met beide handen door zijn donker haar, en ging naar het venster; toen verliet hij haastig het vertrek.Een oogenblik heerschte er stilte binnen. Het fijne papiervan den geopenden brief knarste in de handen der oude barones.“Zie hier, Cornelie!” riep zij, “daar staat het; wat heb ik u zoo even gezegd?”“Een andere grond voor het verzoek mijner dochter aan uwen kleinzoon,” las zij, “om haar de vrijheid terug te geven, is deze, dat de Derenbergsche betrekkingen haar niet bevallen; hetwaarom?zult gij mij wel besparen; waarom zullen wij elkander hatelijkheden zeggen, nu wij op het punt staan onze betrekking voor het vervolg geheel af te breken—” “Ziet gij,” viel zij zich zelve toornig in de rede, “dat is het gevolg uwer, het gevolg van Nelly’s onhandigheid in den omgang met het verwende meisje. Daar hebt gij nu de resultaten. Army heeft aan u, aan u alleen, het verlies van al zijne vooruitzichten te danken! O, het is vreeselijk, aan zoovele domme denkbeelden, zulke bekrompen gevoelens geketend te zijn—het ongeluk mijns levens!”De oude dame balde hare handen en zag met de diepste minachting op moeder en dochter neer.“Mij moogt gij beleedigen, grootmama!”—Nelly ging voor hare moeder staan, als om haar te beschermen—“maar laat mama er buiten! Vergeef mij dat ik het waag, zóó tot u te spreken! Maar ik kan niet anders. Mama was altijd vriendelijk jegens Blanka, vriendelijker dan gij het geweest zijt.Ikheb Blanka trouwens nooit liefgehad, omdat ik gevoelde, dat zij zich alleen met Army verloofde, omdat tante het wenschte. En nu zeg ik: Army mag God op zijne knieën danken, dat alles zoo gegaan is. En daarom bid ik u, grootmama, krenk mama niet door onverdiende verwijten om der wille van dat valsche, gevoellooze schepsel, dat zelfs onzen vader nog in het graf belastert, en hem tot een zelfmoordenaar—Almachtige God!” viel zij zichzelve in de rede, en was reeds naast hare bewustelooze moeder op den vloer geknield, om te trachten de onmachtige op te heffen.“O, cielo, cielo!” mompelde de oude dame, “welk een leven, welk een afgrijselijk leven!”—Middernacht had reeds lang geslagen en nog altijd zat Nelly bij het bed harer koortsige moeder. Zij was de eenige die hare zinnen bij elkander gehouden had bij den treurigen omkeer der zaken. Zij had de afgematte, bewustelooze moeder te bed gebracht, en zooveel mogelijk alle toebereidselen weggenomen, die men gemaakt had om den vorigen avond de bruid van den eenigen zoon te ontvangen. Zij was zacht door de gang geslopen en had aan de deur van Army’s kamer geluisterd; de stappen van den rusteloos heen en weer gaande hadden haar geruststellend in de ooren geklonken. En nu zat zij weder te luisteren naar de ademhaling der koortsachtige moeder, en drukte nu en dan een zachten kus op die magere handen, die zij zoo vast op de snel ademende borst gedrukt hield. De grauwe schemering van den aanbrekenden dag werd door de gordijnen zichtbaar en kleurde zich langzamerhand met een mat rooskleurig licht.Nelly trad aan het venster; daar beneden lag het park; de bladeren der boomen lagen nat en zwaar op den met rijp bedekten grond; de roode toppen der sorbeboomen kwamen helder uit het herfstachtig gele loof te voorschijn, en over het woud zweefde een fijne, witte nevel, die in de toppen der hooge boomen van het park hing als een lichten, doorschijnenden sluier, door de opgaande zon zacht gekleurd. Moede van het nachtwaken, leunde Nelly met het hoofd tegen de ruiten en sloot de oogen—toen zij op eens het geluid van een verschuivenden stoel achter zich hoorde.“Mama,” riep zij, toen zij hare moeder met koortsachtige haast het eene kleedingstuk na het andere zag aantrekken.“Ik heb zoo lang geslapen, Nelly, en heb niet eens Army getroost; het is reeds morgen—neen, laat mij, ik moetnaar hem toe; hij mag het geloof aan de menschheid niet geheel verliezen; daar is hij nog veel te jong voor. Houd mij niet terug, Nelly; hij zal niet slapen; men slaapt niet gemakkelijk na zulk een leed.”Zij gunde het jonge meisje ter nauwernood den tijd, dat zij haar een doek omsloeg en ijlde weg. Nelly waagde het niet, haar te volgen; zij sloop naar de zijdeur en luisterde; daar weerklonk plotseling een gil. Haastig vloog zij de gang door. De deur van haars broeders kamer stond open; daar binnen stond hare moeder, zich bevende aan de tafel vasthoudende.In een oogwenk overzag zij het vertrek—dáár het oude ledikant, de kussens omgewoeld, op de tafel een half geledigde flesch wijn, benevens een glas; boven de sofa het ledige behangsel; het groote portret, dat daar gehangen had, stond met de voorzijde tegen den muur; daar lagen zijne epauletten naast den degen op een stoel—maar Army—waar was Army?“Hij is weg!” stamelden de bleeke lippen der bevende vrouw; “hij is weg, Nelly—als hij—als hij evenals zijn vader—?”“Wat dan, mama? wat dan, om Gods wil?”“Wanneer hij, Nelly, wanneer hij—o, ik—mijn God!” sprak zij buiten zich zelve.“Vlieg, Nelly, zoek hem!” smeekte zij haastig, “ik kan het niet; zeg hem, dat hij bij mij moet blijven! Eenmaal heb ik het verschrikkelijke beleefd—eenmaal, dat is genoeg; een tweede maal zou ik het niet overkomen.”“Mama,” vroeg Nelly in doodsangst, “wat bedoelt gij?”“Gauw, gauw! ga toch, vlieg! Hij mag niet sterven; hij moet leven. Ga, anders brengen zij mij hem hier ook zoo bleek en bloedend—” zij huiverde en wees naar de deur. Het beangste kind had hare moeder begrepen, en als met gieren-klauwen greep de vrees haar hart aan; zij ijlde weg—waar, waar zou zij het eerste zoeken? Onwillekeurig liepzij de trappen af, de toren deur stond aan; haastig vloog zij over het voorplein, de stenen beren langs, de linden-allée op. De wanhopende gebaren harer moeder, de verschrikkelijke toespeling op haar vader, dit alles wekte bij haar een akelig vermoeden op. Zij drukte de handen op hare borst en stond stil. Waar zou Army zijn?“Army,” riep zij, maar het was als bleef het geluid in haar keel steken. “Army!”—alles was doodstil rondom haar.Vochtig en nat lagen de verwelkte bladeren aan hare voeten; een paar kleine vogels fladderden in de takken en keken met nieuwsgierige oogen naar het beangste, jonge menschenkind daarbeneden; “Army!” stootte zij nog eenmaal met alle kracht uit, en daarop een lang aangehouden galm—als een gejubel klonk het; zóó hadden zij elkander als kinderen altijd geroepen; datmoesthij hooren.Geen antwoord werd echter vernomen; slechts een gefluister ging door de oude lindeboomen, als schudden zij ontkennend de hoofden, om te zeggen: hij is hier niet. Aan den dijk misschien, aan den dijk—dacht zij, en toen zij zich nu door het dichte geboomte voortspoedde, greep haar een nooit gevoelde huivering aan in deze stilte, deze eenzaamheid. Hoe, als zij hem vond? Als hij niet meer hooren kon, dat zij hem riep? Als hij bleek en bloedend—? Haar hart kromp ineen, maar toch schreed zij voorwaarts.Daar lag het kleine donkere water zoo kalm, alsof er storm noch onweer in de wereld was; waterplanten en verwelkte bladeren dreven onbeweeglijk op de gladde oppervlakte, en de steenen bank aan den oever was ledig. Haastig ging zij verder; de omlaag hangende takken sloegen haar in het gezicht en schudden de dauw in hare blonde haren. De rand van haar kleed sleepte zwaar en vochtig achter haar aan; verder, altijd verder! Angstig zag zij rechts en links, en van tijd tot tijd klonk de naam haars broeders door de morgenlucht. Luister—schreden—! Gejaagd vloog zij verder; daar was het traliehek, de ééne deur was geopend; reeds was zij erdoorgegaan—het was een arbeider, die, zijne muts afnemende, haar voorbij ging, de onverwachte verschijning verwonderd aanstarende; toen bleef hij staan; zij had een beweging gemaakt, alsof zij iets wilde zeggen; maar daar zij zweeg, vroeg de man:“Zoekt gij iets, genadige freule?”“Och neen, neen, ik wilde met mijn broeder eene morgenwandeling doen—hebt gij hem misschien gezien?”“Den luitenant, meent gij? Ja, dien ben ik tegengekomen, een eindje achter den lompenmolen.”“Ik dank u!” snikte zij en sloeg den weg naar den molen in; haastig schreed zij voorwaarts. Daar zag zij het woonhuis reeds; daar lag de brug—voorbij, voorbij! Daar in huis sliepen allen nog. Verder maar! Dáár—almachtige God—daar viel een schot; het klonk haar zoo duidelijk, zoo vreeselijk in de ooren; zij sloeg, onwillekeurig een steun zoekende, den arm om den dichtst bijstaanden boom; toen zonk zij ter aarde. Zij zag niet meer, hoe een oude vrouw, zoo schielijk als hare beenen haar dragen konden, over den molenbrug kwam aanloopen; hoe een goed, vriendelijk gezicht, met een witte muts op, zich angstig over haar heenboog; zij hoorde den hulpkreet niet die over de bevende lippen kwam:“O, hemel! Nelly, onze Nelly! wat is er nu weder gebeurd?”

Op het slot had de tijding van den dood der gravin Stontheim niet veel droefheid veroorzaakt; de jonge barones en Nelly hadden de gestorvene in ’t geheel niet gekend. Nelly had een krans van immortellen gevlochten en die met eene betuiging van deelneming naar Blanka gezonden, daarop hadden de drie dames zich in rouwgewaad gestoken, om aan den uiterlijken vorm te voldoen, hoofdzakelijk ter wille van Blanka, die, volgens het schrijven van Army, voor een langdurig verblijf op Derenberg kon verwacht worden. Army en haar vader zouden haar vergezellen.

En thans was de dag hunner komst daar. In Blanka’s vertrek waren de ramen wijd open gezet, en de frissche herfstlucht vervulde de weelderige en gezellige kamer; de zon scheen helder op de bleekgroene, zijden behangsels, en op de donzige kussens van dezelfde stof; overal prijkten frisch geplukte herfstbloemen in vazen en mandjes, en Nelly onderzocht zorgvuldig, of het verwende kind ook aan iets gebrek zou kunnen hebben. In haar eenvoudig, zwart wollen kleed geleek zij in dit schitterend boudoir bijna een betooverde prinses, die door het toeval of door een goede fee weder in de prachtige omgevinggeplaatstwas, waarin zij eigenlijk thuis behoorde. Het ovale, rooskleurige gezichtje kwam bekoorlijk uit bij het zwarte kleed, en de blanke handen, die uit de krippen manchetten te voorschijnkwamen, waren haast te klein voor een volwassen meisje.

“Dit is toch een recht lieve kamer, grootmama,” sprak zij, tot de oude dame opziende, die juist op den drempel verscheen.

“Zeker! maar voor u,mio cuore, zou ik blauw veel liever vinden.”

“O, voor mij!” lachte zij; “ik en een kamer met zijden behangsels en kanten gordijnen! Ik zou mij ongelukkig gevoelen in dezen geur en glans.”

“Gij zoudt het wel leeren, mijn kind, u daarin gelukkig te gevoelen.”

Het jonge meisje keek op; dat klonk zoo ernstig.

“Als mijn kleine Nelly heel lief is,” vervolgde de oude dame, het verbaasde meisje naderende, “en haar best doet, haar onbeschaafde manieren af te leggen, dan geef ik haar misschien zulk een prachtig kamertje tot een Kerstgeschenk.”

“Gij, grootmama?” riep de kleine ongeloovig. “O neen, ik zou veel liever een kamertje hebben zooals Liesje, met wit en blauw gebloemd katoen—dat ziet er zoo beelderig uit.”

De oude barones haalde de schouders op en keerde zich om, want hare schoondochter trad binnen.

“Daar wordt mij een groot pak japonstoffen en stalen gezonden; hebt gij dat besteld?” vroeg zij; “ik denk dat het eene vergissing is, want er zijn zijden meubelstoffen bij, en allerhande dingen, die wij onmogelijk kunnen gebruiken.”

“Ikheb dat besteld, Cornelie,” verklaarde de aangesprokene ongeduldig; “laat die zaken op mijne kamer brengen!”

Nelly vloog heen, om het bevel te volvoeren, en de beide vrouwen stonden zwijgend tegenover elkander.

“Maar,” vroeg eindelijk de jongste, “waartoe is dat noodig?”

“Hebt gij u reeds in den spiegel bezien, Cornelie?” was hetbitse antwoord; “in die plunje kunt gij u ter nauwernood aan onze lieden vertoonen, nog minder op eene bruiloft.”

Zij lachte.

“Ik heb reeds inkoopen gedaan, mama; voor Nelly een wit kleed, en voor mij een zwart zijden.”

“Slechtste kwaliteit, dunne taf, paardrijders zijde, zooals men dat noemt, ik ken dat,” antwoordde de dame spotachtig. “Genoeg, het blijft er bij; ik koop, wat ik oordeel dat noodig is—”

“Maar, mama!”

“Gij zult zeker vragen, waar komt het geld vandaan? Hoor eens, Cornelie, die firma heeft vroeger duizenden aan mij verdiend en zal ook nu nog wel de gravin Derenberg krediet geven—dat is voorloopig voldoende; laat mij voor het overige zorgen. Of wilt gij misschien, dat het huwelijk uws zoons plaats hebbe in een ledige zaal, waar de gordijnen ternauwernood nog aan de stokken blijven hangen, omdat zij door de mot zijn verteerd, en de overtrekken der meubels vol gaten zijn, zoo groot als die schotel daar? Uwe schoondochter zou geraakt den neus optrekken, denkt gij dat ook niet?”

“O, daaraan dacht ik niet,” antwoordde de bleeke vrouw zacht, en sloot de deur, daar een koele tocht de zijden gordijnen ver naar binnen waaide. “Ik dacht slechts,” voegde zij er terugkeerende bij, terwijl zij tegen den prachtigen salonvleugel leunde, die Blanka voor den zomer had laten komen, omdat zij, volgens haar zeggen, op het oude klavier in de woonkamer niet kon spelen, “ik dacht, omdat wij zoo geheelen famillezijn—”

“Dat is weer een van uw overdreven denkbeelden, Cornelie! Army is geen weggeloopen knaap, die dáár bruiloft viert, waar hij toevallig een meisje aantreft; hij stamt af uit een der edelste geslachten des lands en zijne bruid is onze bloedverwante; daarom zal ik er voor zorgen, dat deze plechtigheid ten minste naar behooren gevierd worde. Uwe maniervan denken over zulke zaken zou van een lam een tijger maken, Cornelie!”

De oude dame ging met een hoogrood gelaat hare schoondochter voorbij en trad aan het venster.

“Ik moet u toch dringend verzoeken, Cornelie,” ging zij voort, “uw burgerlijke denkbeelden in vele zaken te laten varen, wanneer Blanka hier is; zij zouden een uitstekend middel zijn om haar het verblijf hier te verbitteren; zij kan die eeuwige kleingeestigheid en zuinigheid, die zelfs de boter voor iedere boterham afweegt, evenmin verdragen als ik, en voor alle dingen moeten wij nu zorgen, haar vast te houden—vast te houden tot elken prijs. Is eenmaal het ‘amen’ na de inzegening uitgesproken, dan zijn al onze bezwaren uit den weg geruimd.”

Een donker rood had de wangen der schoondochter bedekt, en tranen kwamen haar in de oogen. Voor wie spaarde zij? Voor wie zorgde zij? Waarom ging zij zoo slecht gekleed? Opdat die grillige vrouw dáár zoo weinig mogelijk het drukkende der armoede zou gevoelen, en al was het ook maar gedeeltelijk, zóó zou kunnen leven als vroeger; zij zond elken avond Sanna met thee en koudvleesch naar boven terwijl Nelly en zij zich met een eenvoudige boterham tevreden stelden.

“Nu schreit gij waarschijnlijk ook nog, Cornelie,” klonk weder de stem, die het Duitsch zoo hard en hoekig uitsprak, terwijl zij in hare moedertaal de zachtheid zelve scheen, “misericordia! wat zijn die Duitsche vrouwen toch gevoelige schepsels; ik kan mij zelve haast geen meester blijven, als ik dien tranenvloed zie stroomen; wat ik u zooeven zeide, was slechts tot ons aller bestwil—als gij het maar begrijpen wildet!”

Op dit oogenblik kwam Nelly weder binnen. “Het is al vijf uur, mama, en even na zessen kunnen wij hen verwachten; de tafel is beneden reeds gedekt, en Hendrik zal zoo dadelijk hier vuur aanleggen en de vensters sluiten—ikben zoo nieuwsgierig,” ging zij voort,“wat zij al te vertellen zullen hebben, hoe Blanka de rouw staat en hoe het testament is uitgevallen.” Zij zag bij deze woorden hare moeder aan en bespeurde de tranen in hare oogen. “Schrei niet, mama!” fluisterde zij, “zoo aanstonds komt Army, onze lieve Army.”

“Het testament?” vroeg de grootmoeder, “mon Dieu, Army de helft, zij de helft en onderscheidene legaten aan oude bedienden, hospitaal enz., en misschien ook aan den overste, die wel opgepast zal hebben ook zijn deel te krijgen.”

“Ja, grootmoedertje, maar weet u nog wel, dat Army ons indertijd vertelde, dat Blanka overal gehouden werd voor de eenige erfgename—?”

“Och kom! Dan staat de zaak nog gunstiger—de man heeft altijd de beschikking over het vermogen zijner vrouw; trouwens, ik geloof het niet; tante Stontheim hield te veel van Army.”

“Maar, wanneer nu het testament eens vóór dien tijd gemaakt is?”

“Dan heeft zij zeker een codicil er aan toegevoegd,” antwoordde de oude dame ongeduldig.

“Wist ik slechts precies, wanneer zij kwamen!” zeide Nelly; “de gewone post komt stipt om half acht aan, maar Army schreef, dat zij met extrapost reisden, en dientengevolge aan het station eerst wat rusten, en tusschen zeven en acht uur, tegen het middageten, hier zouden zijn. Geduld, geduld! Zal ik dat nooit leeren? Zie het heerlijke avondrood, nu wordt het gauw donker; ik verlang zoo naar Army.”

Langzamerhand werd slot en park in duisternis gehuld, en aan den hemel schitterden ster aan ster in fonkelenden glans; in de gezellige woonkamer was de lamp nog niet opgestoken, slechts het vuur in den haard wierp een schemerachtig licht in het vertrek. Moeder en dochter waren alleen: want de oude barones had de kamer verlaten. Het jonge meisje daar in de diepe vensternis staarde met groote, peinzendeoogen naar het lichtend gewemel daar boven; zij knielde naast den stoel harer moeder en sloeg den arm om haar heen; de diep bewogen vrouw hield haar zakdoek voor het gelaat; haar borst ging op en neer onder een zacht geween.

“Mijn goed moedertje,” bad de kleine met zoete stem, “schrei uw lieve oogen toch niet rood! Wat moet Army denken, als hij komt? Och! grootmama meent het niet zoo kwaad—”

“Och, Nelly, dat is het niet,” antwoordde zacht de weenende vrouw, “maar reeds den ganschen dag vervolgt mij eene onrust, een angst, die niet te beschrijven is.—God geve slechts, dat den jongen niets is overkomen!”

“Maar, mama,” troostte de dochter en drukte haar blond kopje stijf tegen hare borst, “wat zou hem dan overkomen zijn? Hij rijdt op dit oogenblik zeker in den ouden, gelen postwagen en zit tegenover zijne Blanka, in de aangenaamste stemming die hij wenschen kan; de overste vertelt anekdoten, en zij verheugen zich allen in het vooruitzicht van een warm avondmaal, en van uw vriendelijk gezicht, mijn moedertje.”

De barones schrikte opeens. “Wat scheelt u, mama?” vroeg Nelly angstig.

“Ik meende zijn stap te hooren,” antwoordde fluisterend de moeder; “hebt gij niets gehoord, Nelly?”

“Neen, mama; het is immers ook onmogelijk.”

Het werd stil in het ruime vertrek; de fluisterende stemmen zwegen; niets werd gehoord als alleen het knetteren van het vuur in den haard, en nu en dan een bange zucht uit het beangstigde moederhart. Maar dáár—dáár—ja, dat waszijnstap in de gang; “Nelly,” riep de jonge barones met half gesmoorde stem, en het jonge meisje vloog op en naar de deur, die geopend werd—een man trad binnen.

“Army!” jubelde de zuster. “Army!” klonk het ook van de lippen der moeder, “Army, zijt gij het?”

“Ja, mama,” antwoordde hij met doffe stem, als dwong hij zich met moeite om kalm te schijnen.

“Mijn beste jongen,” zeide de moeder teeder, en omhelsde hem. “Army, lieve Army,” vleide Nelly, “maar zeg, waar is Blanka?”

Hij stond bij den haard, nog met mantel en muts, en het flauwe schijnsel van het uitgaande vuur was niet voldoende om zijne gelaatstrekken te onderscheiden.

“Army,” vroeg nu ook zijne moeder, “waar is uwe bruid?”

“Ik heb geene bruid meer.” Zijne stem stokte van smart.

Nelly gaf een gil van schrik, zijne moeder sprak geen woord; dat was het ongeluk, waarvan zij een voorgevoel had gehad—zij drukte alleen zijne hand vast in de hare, als konde zij hem daardoor onttrekken aan een woesten, naren droom.

“Maak mij niet week, mama!” bad hij en drong haar zachtjes naar een dichtbij staanden stoel, “het helpt niets; hoe kon ik mij ook verbeelden—” hij lachte bitter—“dat zij—steek het licht op, Nelly!” sprak hij toen kortaf, “en bereid grootmama voor! Ik heb niet veel tijd; morgen moet ik weder weg.”

Met bevende handen ontstak Nelly de lamp; haar helder licht bescheen Army’s bleeke trekken; hij stond nog op dezelfde plaats en staarde somber voor zich uit.

“Army, mijn lieve Army!” fluisterde zijne zuster, en sloeg snikkend hare armen om hem heen.

Hij streek haar gedachtenloos over het haar.

“Daar is grootmama!” riep zij toen en liep de oude dame tegemoet.

“Army,” vroeg deze, haastig binnentredende, “wat beteekent dat? Ik wilde Sanna niet gelooven, die beweerde, dat zij u in de gang ontmoet had. Waar is Blanka? Waar is de overste? Wat beduidt het, dat gij alleen—?”

“Dat beteekent,” antwoordde hij langzaam, en op elk woord drukkende, “dat mijne bruid mij heden morgen evenvoor ons vertrek, genadig heeft ontslagen; zij heeft mij niet lief, liet zij mij zeggen, als grond voor haar plotseling besluit, en, die reden is geldig genoeg, bij God!”

Weder lachte hij spotachtig. De oude dame waggelde achteruit, als van den bliksem getroffen.

“Het is niet mogelijk,” stamelde zij doodsbleek.

“Dat zeide ik heden morgen ook, toen de overste mij dit uiteenzette en verklaarde,” voer Army voort, “en ik heb wel honderd keer de hand aan mijn hoofd gebracht, en mij afgevraagd, of ik ook krankzinnig of iets dergelijks geworden was. Maar neen, het is een feit, Blanka van Derenberg is mijne bruidnietmeer.”

“Army, was er dan niets voorafgegaan? vroeg zijne moeder, die als verpletterd in haar stoel zat.

“Wat voorafgegaan was?” antwoordde hij op snijdenden toon.“Ja, de opening van het testament. Blanka van Derenberg is eenige erfgename van het groote vermogen—dat is alles. Waarom zou zij een man huwen, dien zij niet bemint? Maar wees gerust, grootmama—” hij naderde de sidderende vrouw, die zich met beide handen aan een stoel vastklemde, “zij heeft toch een edel karakter; zij vermoedt, dat mijne verloving mij onkosten heeft veroorzaakt, en daarom liet zij mij door haar vader berichten, dat zij bereid was al mijne schulden te betalen. Dat was toch één troost voor den afgedankten bruidegom, voor den dommen jongen, die met dwaze liefde aan dit valsche schepsel hing!”

Hij had gedurende het gesprek met een kristallen bokaal gespeeld, dien hij gedurig ronddraaide; nu wierp hij dien op den grond, dat hij kletterend uit elkander sprong en de scherven over den vloer rolden.

“Army!” klonk het angstig van de lippen zijner moeder, terwijl zij hare bevende handen naar den opgewonden jongeling uitstrekte. De oude barones had zich in hare volle lengte opgericht. “Dat zullen wij ons niet laten welgevallen,” sprak zij toornig. “Blanka erft in ieder geval slechts ondervoorwaarde, dat gij haar echtgenoot wordt; ik heb nog een brief van tante Stontheim—”

“Denkt gij dan,” vroeg Army, die in een oogwenk voor haar stond, “denkt gij dan, dat ik haar ooit weer zou willen aanzien? Al lag zij voor mij op de knieën, ik zou haar wegstooten, en al moest ik verhongeren, en gij allen met mij, geen cent nam ik van haar aan; eerder een kogel door den kop.—Ja wel, een kogel, dat zou nog het verstandigste zijn; dat heeft immers mijn vader ook geholpen, zooals Blanka mij zeide, toen ik haar nog eenmaal dringend verzocht, met mij hier op Derenberg te wonen; zij was bang—verklaarde zij—in dit sombere nest, waar de laatste eigenaar zich zelf van het leven had beroofd; ha, ha! Allemaal redenen, waar een verstandig mensch niets tegen zeggen kan!” Zijn stem klonk heesch en half krankzinnig; de felste smart sprak uit zijn ontstelde trekken.

“Mama! mama!” riep het meisje op hartverscheurenden toon, “Army is ziek, hij weet niet meer wat hij zegt.”

De bleeke vrouw stond op van haar stoel, naderde haren zoon en greep zijne hand; zij wilde spreken, maar hare lippen bewogen zich zonder geluid voort te brengen; hare oogen zagen hem zoo smartelijk biddend aan, alsof zij zeggen wilden: heb medelijden met mij, heb ik nog niet genoeg geleden in mijn leven? Hij zag ze niet, die smeekende blikken; ongeduldig poogde hij zijn hand uit de hare los te maken: “het is genoeg, mama! Ik denk niet aan sterven; ik zal leven—voor u. Hier is overigens een brief van den overste voor de baronesse van Derenberg,” voegde hij er bij, een brief uit zijn borstzak halende en die op de tafel werpende, “misschien eene verklaring, waarom het zoo het beste is, en zoo al meer.”

Hij streek met beide handen door zijn donker haar, en ging naar het venster; toen verliet hij haastig het vertrek.

Een oogenblik heerschte er stilte binnen. Het fijne papiervan den geopenden brief knarste in de handen der oude barones.

“Zie hier, Cornelie!” riep zij, “daar staat het; wat heb ik u zoo even gezegd?”“Een andere grond voor het verzoek mijner dochter aan uwen kleinzoon,” las zij, “om haar de vrijheid terug te geven, is deze, dat de Derenbergsche betrekkingen haar niet bevallen; hetwaarom?zult gij mij wel besparen; waarom zullen wij elkander hatelijkheden zeggen, nu wij op het punt staan onze betrekking voor het vervolg geheel af te breken—” “Ziet gij,” viel zij zich zelve toornig in de rede, “dat is het gevolg uwer, het gevolg van Nelly’s onhandigheid in den omgang met het verwende meisje. Daar hebt gij nu de resultaten. Army heeft aan u, aan u alleen, het verlies van al zijne vooruitzichten te danken! O, het is vreeselijk, aan zoovele domme denkbeelden, zulke bekrompen gevoelens geketend te zijn—het ongeluk mijns levens!”

De oude dame balde hare handen en zag met de diepste minachting op moeder en dochter neer.

“Mij moogt gij beleedigen, grootmama!”—Nelly ging voor hare moeder staan, als om haar te beschermen—“maar laat mama er buiten! Vergeef mij dat ik het waag, zóó tot u te spreken! Maar ik kan niet anders. Mama was altijd vriendelijk jegens Blanka, vriendelijker dan gij het geweest zijt.Ikheb Blanka trouwens nooit liefgehad, omdat ik gevoelde, dat zij zich alleen met Army verloofde, omdat tante het wenschte. En nu zeg ik: Army mag God op zijne knieën danken, dat alles zoo gegaan is. En daarom bid ik u, grootmama, krenk mama niet door onverdiende verwijten om der wille van dat valsche, gevoellooze schepsel, dat zelfs onzen vader nog in het graf belastert, en hem tot een zelfmoordenaar—Almachtige God!” viel zij zichzelve in de rede, en was reeds naast hare bewustelooze moeder op den vloer geknield, om te trachten de onmachtige op te heffen.

“O, cielo, cielo!” mompelde de oude dame, “welk een leven, welk een afgrijselijk leven!”—

Middernacht had reeds lang geslagen en nog altijd zat Nelly bij het bed harer koortsige moeder. Zij was de eenige die hare zinnen bij elkander gehouden had bij den treurigen omkeer der zaken. Zij had de afgematte, bewustelooze moeder te bed gebracht, en zooveel mogelijk alle toebereidselen weggenomen, die men gemaakt had om den vorigen avond de bruid van den eenigen zoon te ontvangen. Zij was zacht door de gang geslopen en had aan de deur van Army’s kamer geluisterd; de stappen van den rusteloos heen en weer gaande hadden haar geruststellend in de ooren geklonken. En nu zat zij weder te luisteren naar de ademhaling der koortsachtige moeder, en drukte nu en dan een zachten kus op die magere handen, die zij zoo vast op de snel ademende borst gedrukt hield. De grauwe schemering van den aanbrekenden dag werd door de gordijnen zichtbaar en kleurde zich langzamerhand met een mat rooskleurig licht.

Nelly trad aan het venster; daar beneden lag het park; de bladeren der boomen lagen nat en zwaar op den met rijp bedekten grond; de roode toppen der sorbeboomen kwamen helder uit het herfstachtig gele loof te voorschijn, en over het woud zweefde een fijne, witte nevel, die in de toppen der hooge boomen van het park hing als een lichten, doorschijnenden sluier, door de opgaande zon zacht gekleurd. Moede van het nachtwaken, leunde Nelly met het hoofd tegen de ruiten en sloot de oogen—toen zij op eens het geluid van een verschuivenden stoel achter zich hoorde.

“Mama,” riep zij, toen zij hare moeder met koortsachtige haast het eene kleedingstuk na het andere zag aantrekken.

“Ik heb zoo lang geslapen, Nelly, en heb niet eens Army getroost; het is reeds morgen—neen, laat mij, ik moetnaar hem toe; hij mag het geloof aan de menschheid niet geheel verliezen; daar is hij nog veel te jong voor. Houd mij niet terug, Nelly; hij zal niet slapen; men slaapt niet gemakkelijk na zulk een leed.”

Zij gunde het jonge meisje ter nauwernood den tijd, dat zij haar een doek omsloeg en ijlde weg. Nelly waagde het niet, haar te volgen; zij sloop naar de zijdeur en luisterde; daar weerklonk plotseling een gil. Haastig vloog zij de gang door. De deur van haars broeders kamer stond open; daar binnen stond hare moeder, zich bevende aan de tafel vasthoudende.

In een oogwenk overzag zij het vertrek—dáár het oude ledikant, de kussens omgewoeld, op de tafel een half geledigde flesch wijn, benevens een glas; boven de sofa het ledige behangsel; het groote portret, dat daar gehangen had, stond met de voorzijde tegen den muur; daar lagen zijne epauletten naast den degen op een stoel—maar Army—waar was Army?

“Hij is weg!” stamelden de bleeke lippen der bevende vrouw; “hij is weg, Nelly—als hij—als hij evenals zijn vader—?”

“Wat dan, mama? wat dan, om Gods wil?”

“Wanneer hij, Nelly, wanneer hij—o, ik—mijn God!” sprak zij buiten zich zelve.

“Vlieg, Nelly, zoek hem!” smeekte zij haastig, “ik kan het niet; zeg hem, dat hij bij mij moet blijven! Eenmaal heb ik het verschrikkelijke beleefd—eenmaal, dat is genoeg; een tweede maal zou ik het niet overkomen.”

“Mama,” vroeg Nelly in doodsangst, “wat bedoelt gij?”

“Gauw, gauw! ga toch, vlieg! Hij mag niet sterven; hij moet leven. Ga, anders brengen zij mij hem hier ook zoo bleek en bloedend—” zij huiverde en wees naar de deur. Het beangste kind had hare moeder begrepen, en als met gieren-klauwen greep de vrees haar hart aan; zij ijlde weg—waar, waar zou zij het eerste zoeken? Onwillekeurig liepzij de trappen af, de toren deur stond aan; haastig vloog zij over het voorplein, de stenen beren langs, de linden-allée op. De wanhopende gebaren harer moeder, de verschrikkelijke toespeling op haar vader, dit alles wekte bij haar een akelig vermoeden op. Zij drukte de handen op hare borst en stond stil. Waar zou Army zijn?

“Army,” riep zij, maar het was als bleef het geluid in haar keel steken. “Army!”—alles was doodstil rondom haar.

Vochtig en nat lagen de verwelkte bladeren aan hare voeten; een paar kleine vogels fladderden in de takken en keken met nieuwsgierige oogen naar het beangste, jonge menschenkind daarbeneden; “Army!” stootte zij nog eenmaal met alle kracht uit, en daarop een lang aangehouden galm—als een gejubel klonk het; zóó hadden zij elkander als kinderen altijd geroepen; datmoesthij hooren.

Geen antwoord werd echter vernomen; slechts een gefluister ging door de oude lindeboomen, als schudden zij ontkennend de hoofden, om te zeggen: hij is hier niet. Aan den dijk misschien, aan den dijk—dacht zij, en toen zij zich nu door het dichte geboomte voortspoedde, greep haar een nooit gevoelde huivering aan in deze stilte, deze eenzaamheid. Hoe, als zij hem vond? Als hij niet meer hooren kon, dat zij hem riep? Als hij bleek en bloedend—? Haar hart kromp ineen, maar toch schreed zij voorwaarts.

Daar lag het kleine donkere water zoo kalm, alsof er storm noch onweer in de wereld was; waterplanten en verwelkte bladeren dreven onbeweeglijk op de gladde oppervlakte, en de steenen bank aan den oever was ledig. Haastig ging zij verder; de omlaag hangende takken sloegen haar in het gezicht en schudden de dauw in hare blonde haren. De rand van haar kleed sleepte zwaar en vochtig achter haar aan; verder, altijd verder! Angstig zag zij rechts en links, en van tijd tot tijd klonk de naam haars broeders door de morgenlucht. Luister—schreden—! Gejaagd vloog zij verder; daar was het traliehek, de ééne deur was geopend; reeds was zij erdoorgegaan—het was een arbeider, die, zijne muts afnemende, haar voorbij ging, de onverwachte verschijning verwonderd aanstarende; toen bleef hij staan; zij had een beweging gemaakt, alsof zij iets wilde zeggen; maar daar zij zweeg, vroeg de man:

“Zoekt gij iets, genadige freule?”

“Och neen, neen, ik wilde met mijn broeder eene morgenwandeling doen—hebt gij hem misschien gezien?”

“Den luitenant, meent gij? Ja, dien ben ik tegengekomen, een eindje achter den lompenmolen.”

“Ik dank u!” snikte zij en sloeg den weg naar den molen in; haastig schreed zij voorwaarts. Daar zag zij het woonhuis reeds; daar lag de brug—voorbij, voorbij! Daar in huis sliepen allen nog. Verder maar! Dáár—almachtige God—daar viel een schot; het klonk haar zoo duidelijk, zoo vreeselijk in de ooren; zij sloeg, onwillekeurig een steun zoekende, den arm om den dichtst bijstaanden boom; toen zonk zij ter aarde. Zij zag niet meer, hoe een oude vrouw, zoo schielijk als hare beenen haar dragen konden, over den molenbrug kwam aanloopen; hoe een goed, vriendelijk gezicht, met een witte muts op, zich angstig over haar heenboog; zij hoorde den hulpkreet niet die over de bevende lippen kwam:

“O, hemel! Nelly, onze Nelly! wat is er nu weder gebeurd?”


Back to IndexNext