Negentiende Hoofdstuk.

Negentiende Hoofdstuk.De laatste dag van het oude jaar, heeft hij niet iets plechtig weemoedigs? Het is het gevoel van scheiden, dat het menschenhart vervult, en een angstig terugdenken en vragen: wat gaf ons het oude jaar, hoeveel ontnam het ons, en wat zal het nieuwe brengen? Vreugde of smart, geluk of zwaar verlies?Er is een tijd, waarin men zulke vragen nog niet doet, een tijd, in welken men gelooft dat de toekomst met ieder dag schooner moet worden, waarin de tuin onzer droomen trotsche bloesems in overvloed draagt, en men in zalig ongeduld op het opengaan der bloeiknoppen wacht, om zich in een waarlijk fabelachtige bloemenpracht te bedwelmen; maar de tijd snelt heen, knop bij knop valt verdord ter aarde; slechts enkele bloeien eenzaam en beven, dat ook haar de ruwe hand zal vernielen, die hare zusters trof. En die eens zulke bloesems zag vallen, staat met een treurig, vragend hart aan den ingang van een nieuw jaar, vouwt bezorgd de handen, en vraagt onwillekeurig: wat zal de toekomst mij brengen? Zullen de bloesems mijner hoop verwelken of bloeien? Het is treurig, als jonge harten deze vragen reeds moeten doen, wanneer één vorst in de lente al deze zonnige geluk-belovende bloesempracht verstoort.Het was des namiddags tegen vier uur, toen de onrust Liesje naar het slot dreef; sedert vier dagen was Armyreeds weg met haar vader en zij had nog geen tijding van hem ontvangen. En heden was het oudejaar, een dag, die vroeger lieve gasten in huis bracht—maar heden? Vader niet tehuis, moeder zoo stil, tante treurig, oom en tante in de pastorie in diepe droefheid over hun lieveling. En zij?Zij ging weder de allée door naar het slot; zij wilde vragen, of zijne moeder of Nelly misschien tijding van hem hadden? De brief haars vaders was zoo kort geweest; alles was gebleken veel verwarder te zijn, dan hij gedacht had, schreef hij; wanneer hij terugkwam, was nog onbepaald—geen woord voor haar over Army!Zij moest heden iets van hem hooren.—Zij zag onder het gaan door de kale takken der boomen en de allée naar het bordes, dat juist te voorschijn kwam. Aan den hemel hingen zware, grauwe wolken, en een onaangename, zoele lucht kwam haar tegemoet; bij de spaarzame verlichting zag het oude slot er recht somber uit; zoo ledig, zoo verlaten, een waar ongeluksnest, zooals tante zeide. Hoevele jaren zijn gekomen en heengevaren over deze oude daken, en hoevele zullen nog komen en gaan, en wat zullen zij brengen? Wat men eens verloren heeft, keert niet weder, en zij, zij had zoo oneindig veel verloren, den ganschen wondervollen lentetijd der liefde; van al de schitterende bloeiknoppen waren alleen de doornen overgebleven, die zich in haar gewond hart gedrukt hadden; geen zoet geluk aan de zijde des geliefden mans, slechts een leven van krachtige zelfverloochening, een smartelijke lach, maar geene liefde voor haar. En daarom ook geen brief.Wat zou hij haar ook schrijven? Zij herinnerde zich, hare moeder eens gezien te hebben, hoe zij met een gelukkig lachje een pakje oude brieven opende, die in een kistje zorgvuldig bewaard werden. “De brieven uws vaders,” had zij gezegd, toen het jonge meisje haar vroeg, “uit den tijd, toen wij nog bruid en bruidegom waren.” Welk eene zaligheidstraalde daarbij uit de oogen harer moeder! Liesje drukte de handen op de borst en ging haastig verder.Nu trad zij uit de allée en richtte hare schreden naar het voorplein; een wagen stond voor de zijpoort. “Een wagen, hoe komt hier een wagen? Zou Army—?Maar neen, dan zou vader immers ook gekomen zijn.”Zij schudde het hoofd, toen zij om het rijtuig heen liep; het was een jammerlijke oude kast, klaarblijkelijk een rijtuig uit het dorp.Zij trad het slot binnen en bleef opeens in de gang staan; het scheen haar toe, alsof zij stemmen en voetstappen hoorde. In de lange gewelfde gang schemerde het reeds, alleen viel op de breede treden een flauw schijnsel door de trapvensters, die met het groote portaal in verbinding stonden; aarzelend ging zij verder.“Gij hebt het immers niet anders gewild,” hoorde zij de eenigszins barsche stem der oude barones zeggen, “tranen vind ik heusch geheel onnoodig, Cornelie.”Tegelijkertijd vernam Liesje het ruischen van kleederen en lichte voetstappen; op de bovenste trede verscheen de oude barones, zich half omkeerende naar hare schoondochter en Nelly. Zij was in een oude fluweelen pels gewikkeld en het trotsche gelaat kwam even onbewegelijk als altijd uit de zwarte kanten sjaal, die zij om het hoofd geslagen had, te voorschijn.“Het is bezorgdheid voor u, mamaatje,” sprak de jonge barones, “in dit weder! En gij zijt de ongemakken van het reizen niet meer gewoon.”Reizen? Zij ging op reis? Een oogenblik vervulde een gevoel van blijdschap Liesje’s hart.“De noodzakelijke gevolgen uwer handelwijze, Cornelie,” klonk het terug, “heb intusschen geen zorg! Nog ben ik niet zoo zwak, dat ik—-”“Het is te haastig opgekomen, mama, te schielijk.”“Te haastig? Ik heb met ongeduld de oogenblikken geteld;het liefst was ik nog op hetzelfde oogenblik vertrokken.”“Het valt mij onuitsprekelijk zwaar, u zonder verzoening te zien heengaan.”“Ik meen, de verzoening het meest gezocht te hebben, men wilde mij echter niet verstaan. Denkt gij, dat het mij licht valt, heen te gaan? In dit oogenblik gevoel ik al het droevige er van, welke ellendige tijden ik hier ook beleefd heb. Maar blijven onder de voorwaarden, die de toekomstige heer van Derenberg mij stelde; blijven om een leven te leiden, zooals hij mij aanbood, om mijne grondbeginselen aan zijn nieuwe, zeker niet aristocratische begrippen ten offer te brengen—dat nooit! Ik ben nog uit de oude school:Noblesse oblige!”“Zij gaat om mij,” fluisterde Liesje.“Ik geloof dat Army vertrok, in de zekere hoop, u nog weder te vinden, mama,” smeekte hare schoondochter.De oude dame lachte luidkeels. “Dio mio!” riep zij. “Hij weet zeer goed, dat hij mij hier niet meer vindt, en het is zoo goed; ik wil hem niet weêr zien. Hij wijst een aanbod af, dat hem een schitterende loopbaan opent—-”“Ik weet het,” viel hare schoondochter in de rede, “de hertog—”“Geen woord meer!” gebood de barones; zij ging de trappen af.“Blijf gerust, mevrouw de barones!” zeide een bevende stem, en Liesje boog zich in de schemering voor haar. “Blijf, het is nog niet te laat; wanneer het zóó gesteld is, dan geef ik Army de vrijheid terug; ik wist immers niet, dat er zich nog een middel tot zijne redding had opgedaan—-” Zij zweeg, en greep onwillekeurig naar de gebeeldhouwde leuning der trap. De donkere gestalte der oude dame voor haar week verschrikt terug; Nelly echter was met één sprong naast haars broeders bruid.“Wat zegt gij daar, Liesje?” vroeg zij, “wat wilt gij doen?”“Dat hadt gij vroeger moeten bedenken, mijn kind,” zeide de oude dame bits, “nu kon uw beter doorzicht te laat komen.”“Ik heb hem willen redden, hem helpen,” antwoordde Liesje bedrukt, “maar nooit wilde ik zijn geluk in den weg staan.—O, het is zeker nog niet te laat, mevrouw de barones!” riep zij smeekend, toen de oude dame, het hoofd op hare trotsche, onnavolgbare wijze in den nek werpend, haar voorbij ging. “Blijf, tot hij komt, genadige vrouw; zeg hem, dat hij geenerlei verplichting jegens mij heeft! Ik zelf maak hem vrij, opdat hij elders het geluk vinde, dat ik hem toch niet geven kan. Hij heeft mij immers niet lief.—O, blijf, blijf!”De oude dame schudde de kleine bevende handen niet af, welke haar mantel vasthielden; zij stond als betooverd en staarde op het schoone gelaat, dat haar zoo ontsteld aanzag in het schemerachtige, sombere licht van den verdwijnenden winterdag. Hare trekken bleven onveranderd; geen spoor van medelijden met het beangstigde kind blonk in de schoone oogen, geen enkel woord kwam over hare lippen.Daar klonk een haastige, welbekende voetstap door het portaal, en in het schemerlicht van de gang verscheen een slanke, mannelijke gedaante. Het jonge meisje zag hem met brandend droge oogen tegemoet—kwam hij nog? Zou zij hem hier nog ontmoeten? Moest haar deze ure dan nog zwaarder gemaakt worden? Als wilde zij niets meer zien, om sterk te blijven, sloeg zij de handen voor het gezicht.“Wat gebeurt hier?” klonk haar zijne stem haastig en opgewonden in ’t oor, “mijne verloofde weent?”Zijne verloofde! Wat deed dat woord haar onuitsprekelijk zeer—was zij toch maar weg van hier, duizend mijlen ver, om deze kwelling te ontvlieden.“Zij is verstandiger dan gij,” antwoordde de oude dame,“nog ééns staat gij aan den kruisweg, want zij is bereid terug te treden—”“Omdat gij het haar aannemelijk gemaakt hebt?” vroeg hij morrend.“Neen, Army,” kwam zijne moeder er tusschen, “Liesje hoorde toevallig, dat grootmama—”“Wat hebt gij gehoord, Liesje?” vroeg hij, zijn arm om haar heen slaande en zich tot haar nederbuigende; wat klonk zijne stem opeens teeder!Zij antwoordde niet, maar de tranen rolden haar nu uit de oogen over de teedere vingers, die nog altijd haar gelaat bedekten. Zij zag niet, hoe angstig hij haar aanschouwde; zij voelde alleen de brandende smart, dat zij hem toch nog moest laten gaan, dat zelfs een leven zonder liefde aan zijne zijde nog een paradijs was bij de ledigheid die haar wachtte, wanneer zij van hem afzag.“Liesje,” smeekte hij, “kondt gij werkelijk zoo—zoo verstandig zijn, als grootmoeder zooeven beweerde?”Zij knikte.“Ja, ja!” snikte zij, al hare zelfbeheersching verzamelende, “ik wist immers niet, dat de hertog u helpen wilde, anders—och, anders was ik nooit hier aangekomen, om—ik geloofde—ik, ik alléén kon u redden.”“Dat kunt gij ook,” sprak hij zacht, “gij alleen kunt het, anders geen mensch op de gansche wijde wereld.”Hij nam haar de handen voor het gezicht weg en zag haar in de betraande oogen.“Liesje, als gij wist, hoe ongerust ik over u geweest ben—”Zij schudde het hoofd.“Mij zweefden,” ging hij voort, “onophoudelijk een paar treurige blauwe oogen voor den geest, en een lang verleden, droevige geschiedenis van twee even zulke blauwe oogen, die van kommer en harteleed gestorven zijn; als ik daaraan dacht, greep ontzetting mij aan, en mijn angst, mijn voorgevoel was niet ongegrond, bijna was ik te laat gekomen—nietwaar?”“Neen, neen Army; het is medelijden van u; gij weet niet, wat gij van u werpt; een schitterend leven, een grootsche loopbaan—laat mij! Nog is het niet te laat,” smeekte zij.“Dwaas kind! ik weet zeer goed, wàt ik weiger, ik weet echter ook, wat ik daarvoor win—het beste, het edelste, het reinste, wat de wereld bezit.”Het was stil geworden op de oude, gewelfde trap, stil en donker; beneden reed ratelend een wagen over den straatweg.—De laatste dag des jaars liep ten einde; wat zal het nieuwe brengen?Twintigste Hoofdstuk.De aarde stond in volle lentepracht. Het eerste jonge groen tooide boom en struik; in Ervings tuin bloeiden narcissen en vlier; de goudenregen boog zich over de haag, en de met roode bloemen prijkende takken van den hagedoorn hingen zwaar neder onder al hare bloemenpracht. In het park echter wiegde de zoele wind de jonge bladeren der lindeboomen, en kuste ieder grassprietje op de smaragdgroene weilanden, als wilde hij haar vertellen van nieuwen lust en nieuw leven. En nieuwe lust en nieuw leven verkondigde ook de waterstraal, die uit het oude zandsteenen bekken kristalhelder omhoog steeg, om ruischend en fonkelend weder neer te vallen. Evenals in lang verleden tijd, stond het portaal, met zijne massieve zware vleugeldeuren, wijd open, als wist het, dat spoedig, binnen weinige weken, de gelukkige slotheer zijn jonge schoone vrouw over den ouden drempel van zijn voorvaderlijk huis zou leiden; van de trappen van het bordes was het groene mostapijt verdwenen, en de beide oude beren zagen verwonderlijk trotsch uit onder een paar groote eiken kransen, die een schalksche hand hun op de eerwaardige hoofden gezet had.De lange reeks van vensters op het slot waren geopend; slechts voor enkele hingen zware gordijnen; deze vertrekken hadden geen behoefte aan de voorjaarszon, want hun bewoonster ontbrak; zij was weg, werkelijk weg. Geen spierin haar trotsch gelaat had getrild, toen zij op dien oudejaarsavond in het ellendige rijtuig steeg, dat haar wegvoerde van de plaats, die jaren lang haar tehuis was geweest. Koud en vluchtig hadden hare lippen op het voorhoofd van hare schoon- en kleindochter gerust; zij wist wel, dat daar boven in de schemering haar kleinzoon zich een geluk had verzekerd, bij welks glans al het andere verbleekte, en dat hare oogen verblindde—aldus besloot deze eenmaal zoo bewonderde ster hare rol, en toen zij het oude bordes voorbij reed, balde zij de fijne handen, terwijl Sanna zich snikkend uit den wagen boog—voorbij, voorbij! Wat zal háár het komende jaar brengen?En nu werd de jonge heer iederen dag terug verwacht. Hij was tot aan de overname van het landgoed op de bezittingen van een vriend geweest, om zonder tijdverlies zich met zijn werkkring bekend te maken. Daar boven in het kleine torenkamertje stond Nelly met den ouden Hendrik; de beide ronde vensters waren eveneens geopend; zij zag met een glimlach van geluk naar buiten over het park, en hare blikken bleven op de in ’t zonnelicht fonkelende ramen van den papiermolen rustten, die als onder bloesems begraven lag.“Zie, Hendrik,” riep zij, “nu weet ik ook, waarom mijn broeder schreef, dat wij juist deze kamer voor hem gereed moesten maken.”“O ja, hier is een prachtig uitzicht,” zeide de oude, met een beteekenisvol lachje op het gerimpelde gelaat; mijnheer de baron zal dit vertrek niet weer willen verlaten, wanneer hij er eens in woont.”“Het is hier ook zoo wonderschoon!” riep Nelly, het kleine, ronde vertrek beschouwende; “hoe gezellig! en dan het uitzicht!”Hendrik schoof een paar ouderwetsche stoelen, die bij een klein sofatafeltje stonden, voor de honderste maal te recht; “en nu nog de eikenkransen buiten om de deur, genadige freule! Dan kan hij komen; dan is alles gereed, buiten enbinnen; ik had toch niet gedacht, dat ikdatnog beleven zou,” eindigde hij en schudde vroolijk het grijze hoofd; “het gaat wonderlijk op de wereld, genadige freule! ja wonderlijk.”Op den molen ging alles uiterlijk den ouden gang, alleen ontbrak sedert vele weken de huisvrouw; zij was met de zieke Bertha van den meesterknecht naar Italië vertrokken, maar zou spoedig terugkeeren, zooals het bericht luidde, gezond en sterk.Tante echter maakte zich bezorgd over haar lieveling; zij was naar hare meening een te stille bruid. Halve dagen lang, kon het meisje peinzend en droomend voor zich heen zien; het liefste zat zij alléén in haar kamertje en liet tante zich aftobben met de zware rollen linnen, die zij om te knippen en te naaien uit de oude kasten te voorschijn haalde. “Het is haar alles onverschillig,” mompelde zij bedroefd, toen hare oogen over deze belangrijke schatten van iedere huishouding gleden. “Zij stelt geen belang in haar uitzet; het arme kind, zij mist zooveel; zij weet immers niet hoe het is, als iemand zijn schat zoo hartelijk liefheeft.” Iederen avond echter, sedert dien oudejaarsdag, vouwden zich de oude handen tot een dankgebed, dat de oude barones weg was.Weder daalde een geurige, door de maan beschenen Mei-avond op de aarde neder, en weder zat de oude vrouw aan het venster van het kamertje, de handen gevouwen, en peinsde. Buiten ruischte weder het water op de bekende melodie; de oude klok sprak daartusschen haar eentonig tiktak en uit den hof klonk het gezang der dienstmeiden.“Waar is Liesje toch!” vroeg zij bij zich zelve. “Of hij ook geschreven heeft, wanneer hij komt?” Zij stond op en dribbelde uit de kamer; de stralen der maan dansten over het goede, oude gezicht en de sneeuwwitte muts. “Liesje! riep zij in de woonkamer—geen antwoord; zij keerde terug door de donkere gang, de trappen op. “Zij zal tochniet schreien?” dacht zij,—zij zag in het gezellige meisjeskamertje rond, nergens een spoor van de gezochte. Hoofdschuddend keerde zij zich om en richtte onwillekeurig hare schreden naar een andere deur; zacht opende zij deze; het maanlicht vervulde de kleine ruimte met een wit helder schijnsel, en in dit zilveren licht stond onbeweeglijk de liefelijke gestalte van het meisje, en zag door het venster naar buiten. Als vastgenageld bleef de oude vrouw staan, en staarde de zoo goed bekende verschijning aan: was het dan weder de tijd harer jeugd? Was het Lisette die daar stond?“Hij komt,” jubelde een zachte stem, “hij komt. Ik heb het licht gezien.” En vlug was Liesje de oude vrouw voorbijgeslopen, en toen als een liefelijke fee verdwenen.Waarlijk, daarboven flikkerde een licht in het torenkamertje; de oude vrouw hield zich vast aan het tafeltje bij het raam en tuurde naar de overzijde; de droom harer jeugd was weer ontwaakt; “Almachtige God!” zeide zij zacht en sloeg de handen in elkander,“droom ik dan, droom ik?”En toen moest zij naar beneden. Met aarzelende schreden verliet zij het huis; de tuin lag in het heldere maanlicht, een bedwelmende bloemengeur woei haar tegen; evenals in den lang, lang verleden tijd harer jeugd wandelde zij verder; de nachtegalen sloegen zoo vertrouwelijk, en van de overzijde van den weg klonk in bevende klanken het eentonig gezang der kikvorschen. Nu kwam zij aan het grindpad voor het priëel—waarlijk, daar binnen werd gefluisterd; zacht sloop zij naderbij, en boog de takken terug—daar zaten zij naast elkander op de bank; zij had den arm om zijn hals geslagen, terwijl zij haar gelaat aan zijne borst verborg, en hij kuste telkens en telkens. Nu hief zij het hoofd op, en in het heldere maanlicht, dat haar bestraalde, zag de oude vrouw een paar groote, blauwe oogen, die met de uitdrukking van het reinste geluk aan zijn gelaat hingen dat zich over haar heen boog.Behoedzaam liet zij de takken vallen en trad terug—zijhad genoeg gezien. Zacht, zeer zacht ging zij het pad weder langs, en wischte nu en dan de oogen af met haar voorschoot. Onder de lindeboomen voor de huisdeur was het donker; zij zette zich op de zandsteenen bank neder en zag naar den tuin met gevouwen handen; en hare lippen prevelden een vurige dankzegging; wat zij nauwelijks had durven hopen, was waarheid geworden.Van de overzijde des waters klonk een heldere meisjesstem tusschen al de melodieën der lente door; een licht gewaad blonk in het maanlicht; al nader en nader kwam het gezang, en duidelijk klonk ieder woord in de ooren der oude vrouw:“Stil naakt de liefde—als Lente doet,Wen zij ’t gebied herovert,—Terwijl zij rozen, vol van gloed,Aan dorre twijgen toovert.Zij wekt de schoonste melodijIn ’t hart, dat nog zoo evenGeen enk’le roos, geen schoone MeiMeer had gehoopt in ’t leven.“Liesje! Army!” riep zij luide in den tuin, toen zij onder de lindeboomen stond, “waar zijt gij?”Geen antwoord—alleen de nachtegalen vervolgden hun gezang.“Laat hen, Nelly,” sprak een oude stem naast haar, en eene hand trok haar op de bank neder, “laat hen de lente genieten! Er waren reeds zoovele stormen, vóór hunne rozen konden bloeien.”En het maanlicht trilde op de toppen der boomen; het water ruischte, en “God beware hun de rozen en de lente!” fluisterde de mond der oude vrouw, “de rozen en de lente!”

Negentiende Hoofdstuk.De laatste dag van het oude jaar, heeft hij niet iets plechtig weemoedigs? Het is het gevoel van scheiden, dat het menschenhart vervult, en een angstig terugdenken en vragen: wat gaf ons het oude jaar, hoeveel ontnam het ons, en wat zal het nieuwe brengen? Vreugde of smart, geluk of zwaar verlies?Er is een tijd, waarin men zulke vragen nog niet doet, een tijd, in welken men gelooft dat de toekomst met ieder dag schooner moet worden, waarin de tuin onzer droomen trotsche bloesems in overvloed draagt, en men in zalig ongeduld op het opengaan der bloeiknoppen wacht, om zich in een waarlijk fabelachtige bloemenpracht te bedwelmen; maar de tijd snelt heen, knop bij knop valt verdord ter aarde; slechts enkele bloeien eenzaam en beven, dat ook haar de ruwe hand zal vernielen, die hare zusters trof. En die eens zulke bloesems zag vallen, staat met een treurig, vragend hart aan den ingang van een nieuw jaar, vouwt bezorgd de handen, en vraagt onwillekeurig: wat zal de toekomst mij brengen? Zullen de bloesems mijner hoop verwelken of bloeien? Het is treurig, als jonge harten deze vragen reeds moeten doen, wanneer één vorst in de lente al deze zonnige geluk-belovende bloesempracht verstoort.Het was des namiddags tegen vier uur, toen de onrust Liesje naar het slot dreef; sedert vier dagen was Armyreeds weg met haar vader en zij had nog geen tijding van hem ontvangen. En heden was het oudejaar, een dag, die vroeger lieve gasten in huis bracht—maar heden? Vader niet tehuis, moeder zoo stil, tante treurig, oom en tante in de pastorie in diepe droefheid over hun lieveling. En zij?Zij ging weder de allée door naar het slot; zij wilde vragen, of zijne moeder of Nelly misschien tijding van hem hadden? De brief haars vaders was zoo kort geweest; alles was gebleken veel verwarder te zijn, dan hij gedacht had, schreef hij; wanneer hij terugkwam, was nog onbepaald—geen woord voor haar over Army!Zij moest heden iets van hem hooren.—Zij zag onder het gaan door de kale takken der boomen en de allée naar het bordes, dat juist te voorschijn kwam. Aan den hemel hingen zware, grauwe wolken, en een onaangename, zoele lucht kwam haar tegemoet; bij de spaarzame verlichting zag het oude slot er recht somber uit; zoo ledig, zoo verlaten, een waar ongeluksnest, zooals tante zeide. Hoevele jaren zijn gekomen en heengevaren over deze oude daken, en hoevele zullen nog komen en gaan, en wat zullen zij brengen? Wat men eens verloren heeft, keert niet weder, en zij, zij had zoo oneindig veel verloren, den ganschen wondervollen lentetijd der liefde; van al de schitterende bloeiknoppen waren alleen de doornen overgebleven, die zich in haar gewond hart gedrukt hadden; geen zoet geluk aan de zijde des geliefden mans, slechts een leven van krachtige zelfverloochening, een smartelijke lach, maar geene liefde voor haar. En daarom ook geen brief.Wat zou hij haar ook schrijven? Zij herinnerde zich, hare moeder eens gezien te hebben, hoe zij met een gelukkig lachje een pakje oude brieven opende, die in een kistje zorgvuldig bewaard werden. “De brieven uws vaders,” had zij gezegd, toen het jonge meisje haar vroeg, “uit den tijd, toen wij nog bruid en bruidegom waren.” Welk eene zaligheidstraalde daarbij uit de oogen harer moeder! Liesje drukte de handen op de borst en ging haastig verder.Nu trad zij uit de allée en richtte hare schreden naar het voorplein; een wagen stond voor de zijpoort. “Een wagen, hoe komt hier een wagen? Zou Army—?Maar neen, dan zou vader immers ook gekomen zijn.”Zij schudde het hoofd, toen zij om het rijtuig heen liep; het was een jammerlijke oude kast, klaarblijkelijk een rijtuig uit het dorp.Zij trad het slot binnen en bleef opeens in de gang staan; het scheen haar toe, alsof zij stemmen en voetstappen hoorde. In de lange gewelfde gang schemerde het reeds, alleen viel op de breede treden een flauw schijnsel door de trapvensters, die met het groote portaal in verbinding stonden; aarzelend ging zij verder.“Gij hebt het immers niet anders gewild,” hoorde zij de eenigszins barsche stem der oude barones zeggen, “tranen vind ik heusch geheel onnoodig, Cornelie.”Tegelijkertijd vernam Liesje het ruischen van kleederen en lichte voetstappen; op de bovenste trede verscheen de oude barones, zich half omkeerende naar hare schoondochter en Nelly. Zij was in een oude fluweelen pels gewikkeld en het trotsche gelaat kwam even onbewegelijk als altijd uit de zwarte kanten sjaal, die zij om het hoofd geslagen had, te voorschijn.“Het is bezorgdheid voor u, mamaatje,” sprak de jonge barones, “in dit weder! En gij zijt de ongemakken van het reizen niet meer gewoon.”Reizen? Zij ging op reis? Een oogenblik vervulde een gevoel van blijdschap Liesje’s hart.“De noodzakelijke gevolgen uwer handelwijze, Cornelie,” klonk het terug, “heb intusschen geen zorg! Nog ben ik niet zoo zwak, dat ik—-”“Het is te haastig opgekomen, mama, te schielijk.”“Te haastig? Ik heb met ongeduld de oogenblikken geteld;het liefst was ik nog op hetzelfde oogenblik vertrokken.”“Het valt mij onuitsprekelijk zwaar, u zonder verzoening te zien heengaan.”“Ik meen, de verzoening het meest gezocht te hebben, men wilde mij echter niet verstaan. Denkt gij, dat het mij licht valt, heen te gaan? In dit oogenblik gevoel ik al het droevige er van, welke ellendige tijden ik hier ook beleefd heb. Maar blijven onder de voorwaarden, die de toekomstige heer van Derenberg mij stelde; blijven om een leven te leiden, zooals hij mij aanbood, om mijne grondbeginselen aan zijn nieuwe, zeker niet aristocratische begrippen ten offer te brengen—dat nooit! Ik ben nog uit de oude school:Noblesse oblige!”“Zij gaat om mij,” fluisterde Liesje.“Ik geloof dat Army vertrok, in de zekere hoop, u nog weder te vinden, mama,” smeekte hare schoondochter.De oude dame lachte luidkeels. “Dio mio!” riep zij. “Hij weet zeer goed, dat hij mij hier niet meer vindt, en het is zoo goed; ik wil hem niet weêr zien. Hij wijst een aanbod af, dat hem een schitterende loopbaan opent—-”“Ik weet het,” viel hare schoondochter in de rede, “de hertog—”“Geen woord meer!” gebood de barones; zij ging de trappen af.“Blijf gerust, mevrouw de barones!” zeide een bevende stem, en Liesje boog zich in de schemering voor haar. “Blijf, het is nog niet te laat; wanneer het zóó gesteld is, dan geef ik Army de vrijheid terug; ik wist immers niet, dat er zich nog een middel tot zijne redding had opgedaan—-” Zij zweeg, en greep onwillekeurig naar de gebeeldhouwde leuning der trap. De donkere gestalte der oude dame voor haar week verschrikt terug; Nelly echter was met één sprong naast haars broeders bruid.“Wat zegt gij daar, Liesje?” vroeg zij, “wat wilt gij doen?”“Dat hadt gij vroeger moeten bedenken, mijn kind,” zeide de oude dame bits, “nu kon uw beter doorzicht te laat komen.”“Ik heb hem willen redden, hem helpen,” antwoordde Liesje bedrukt, “maar nooit wilde ik zijn geluk in den weg staan.—O, het is zeker nog niet te laat, mevrouw de barones!” riep zij smeekend, toen de oude dame, het hoofd op hare trotsche, onnavolgbare wijze in den nek werpend, haar voorbij ging. “Blijf, tot hij komt, genadige vrouw; zeg hem, dat hij geenerlei verplichting jegens mij heeft! Ik zelf maak hem vrij, opdat hij elders het geluk vinde, dat ik hem toch niet geven kan. Hij heeft mij immers niet lief.—O, blijf, blijf!”De oude dame schudde de kleine bevende handen niet af, welke haar mantel vasthielden; zij stond als betooverd en staarde op het schoone gelaat, dat haar zoo ontsteld aanzag in het schemerachtige, sombere licht van den verdwijnenden winterdag. Hare trekken bleven onveranderd; geen spoor van medelijden met het beangstigde kind blonk in de schoone oogen, geen enkel woord kwam over hare lippen.Daar klonk een haastige, welbekende voetstap door het portaal, en in het schemerlicht van de gang verscheen een slanke, mannelijke gedaante. Het jonge meisje zag hem met brandend droge oogen tegemoet—kwam hij nog? Zou zij hem hier nog ontmoeten? Moest haar deze ure dan nog zwaarder gemaakt worden? Als wilde zij niets meer zien, om sterk te blijven, sloeg zij de handen voor het gezicht.“Wat gebeurt hier?” klonk haar zijne stem haastig en opgewonden in ’t oor, “mijne verloofde weent?”Zijne verloofde! Wat deed dat woord haar onuitsprekelijk zeer—was zij toch maar weg van hier, duizend mijlen ver, om deze kwelling te ontvlieden.“Zij is verstandiger dan gij,” antwoordde de oude dame,“nog ééns staat gij aan den kruisweg, want zij is bereid terug te treden—”“Omdat gij het haar aannemelijk gemaakt hebt?” vroeg hij morrend.“Neen, Army,” kwam zijne moeder er tusschen, “Liesje hoorde toevallig, dat grootmama—”“Wat hebt gij gehoord, Liesje?” vroeg hij, zijn arm om haar heen slaande en zich tot haar nederbuigende; wat klonk zijne stem opeens teeder!Zij antwoordde niet, maar de tranen rolden haar nu uit de oogen over de teedere vingers, die nog altijd haar gelaat bedekten. Zij zag niet, hoe angstig hij haar aanschouwde; zij voelde alleen de brandende smart, dat zij hem toch nog moest laten gaan, dat zelfs een leven zonder liefde aan zijne zijde nog een paradijs was bij de ledigheid die haar wachtte, wanneer zij van hem afzag.“Liesje,” smeekte hij, “kondt gij werkelijk zoo—zoo verstandig zijn, als grootmoeder zooeven beweerde?”Zij knikte.“Ja, ja!” snikte zij, al hare zelfbeheersching verzamelende, “ik wist immers niet, dat de hertog u helpen wilde, anders—och, anders was ik nooit hier aangekomen, om—ik geloofde—ik, ik alléén kon u redden.”“Dat kunt gij ook,” sprak hij zacht, “gij alleen kunt het, anders geen mensch op de gansche wijde wereld.”Hij nam haar de handen voor het gezicht weg en zag haar in de betraande oogen.“Liesje, als gij wist, hoe ongerust ik over u geweest ben—”Zij schudde het hoofd.“Mij zweefden,” ging hij voort, “onophoudelijk een paar treurige blauwe oogen voor den geest, en een lang verleden, droevige geschiedenis van twee even zulke blauwe oogen, die van kommer en harteleed gestorven zijn; als ik daaraan dacht, greep ontzetting mij aan, en mijn angst, mijn voorgevoel was niet ongegrond, bijna was ik te laat gekomen—nietwaar?”“Neen, neen Army; het is medelijden van u; gij weet niet, wat gij van u werpt; een schitterend leven, een grootsche loopbaan—laat mij! Nog is het niet te laat,” smeekte zij.“Dwaas kind! ik weet zeer goed, wàt ik weiger, ik weet echter ook, wat ik daarvoor win—het beste, het edelste, het reinste, wat de wereld bezit.”Het was stil geworden op de oude, gewelfde trap, stil en donker; beneden reed ratelend een wagen over den straatweg.—De laatste dag des jaars liep ten einde; wat zal het nieuwe brengen?

De laatste dag van het oude jaar, heeft hij niet iets plechtig weemoedigs? Het is het gevoel van scheiden, dat het menschenhart vervult, en een angstig terugdenken en vragen: wat gaf ons het oude jaar, hoeveel ontnam het ons, en wat zal het nieuwe brengen? Vreugde of smart, geluk of zwaar verlies?

Er is een tijd, waarin men zulke vragen nog niet doet, een tijd, in welken men gelooft dat de toekomst met ieder dag schooner moet worden, waarin de tuin onzer droomen trotsche bloesems in overvloed draagt, en men in zalig ongeduld op het opengaan der bloeiknoppen wacht, om zich in een waarlijk fabelachtige bloemenpracht te bedwelmen; maar de tijd snelt heen, knop bij knop valt verdord ter aarde; slechts enkele bloeien eenzaam en beven, dat ook haar de ruwe hand zal vernielen, die hare zusters trof. En die eens zulke bloesems zag vallen, staat met een treurig, vragend hart aan den ingang van een nieuw jaar, vouwt bezorgd de handen, en vraagt onwillekeurig: wat zal de toekomst mij brengen? Zullen de bloesems mijner hoop verwelken of bloeien? Het is treurig, als jonge harten deze vragen reeds moeten doen, wanneer één vorst in de lente al deze zonnige geluk-belovende bloesempracht verstoort.

Het was des namiddags tegen vier uur, toen de onrust Liesje naar het slot dreef; sedert vier dagen was Armyreeds weg met haar vader en zij had nog geen tijding van hem ontvangen. En heden was het oudejaar, een dag, die vroeger lieve gasten in huis bracht—maar heden? Vader niet tehuis, moeder zoo stil, tante treurig, oom en tante in de pastorie in diepe droefheid over hun lieveling. En zij?

Zij ging weder de allée door naar het slot; zij wilde vragen, of zijne moeder of Nelly misschien tijding van hem hadden? De brief haars vaders was zoo kort geweest; alles was gebleken veel verwarder te zijn, dan hij gedacht had, schreef hij; wanneer hij terugkwam, was nog onbepaald—geen woord voor haar over Army!

Zij moest heden iets van hem hooren.—Zij zag onder het gaan door de kale takken der boomen en de allée naar het bordes, dat juist te voorschijn kwam. Aan den hemel hingen zware, grauwe wolken, en een onaangename, zoele lucht kwam haar tegemoet; bij de spaarzame verlichting zag het oude slot er recht somber uit; zoo ledig, zoo verlaten, een waar ongeluksnest, zooals tante zeide. Hoevele jaren zijn gekomen en heengevaren over deze oude daken, en hoevele zullen nog komen en gaan, en wat zullen zij brengen? Wat men eens verloren heeft, keert niet weder, en zij, zij had zoo oneindig veel verloren, den ganschen wondervollen lentetijd der liefde; van al de schitterende bloeiknoppen waren alleen de doornen overgebleven, die zich in haar gewond hart gedrukt hadden; geen zoet geluk aan de zijde des geliefden mans, slechts een leven van krachtige zelfverloochening, een smartelijke lach, maar geene liefde voor haar. En daarom ook geen brief.

Wat zou hij haar ook schrijven? Zij herinnerde zich, hare moeder eens gezien te hebben, hoe zij met een gelukkig lachje een pakje oude brieven opende, die in een kistje zorgvuldig bewaard werden. “De brieven uws vaders,” had zij gezegd, toen het jonge meisje haar vroeg, “uit den tijd, toen wij nog bruid en bruidegom waren.” Welk eene zaligheidstraalde daarbij uit de oogen harer moeder! Liesje drukte de handen op de borst en ging haastig verder.

Nu trad zij uit de allée en richtte hare schreden naar het voorplein; een wagen stond voor de zijpoort. “Een wagen, hoe komt hier een wagen? Zou Army—?Maar neen, dan zou vader immers ook gekomen zijn.”

Zij schudde het hoofd, toen zij om het rijtuig heen liep; het was een jammerlijke oude kast, klaarblijkelijk een rijtuig uit het dorp.

Zij trad het slot binnen en bleef opeens in de gang staan; het scheen haar toe, alsof zij stemmen en voetstappen hoorde. In de lange gewelfde gang schemerde het reeds, alleen viel op de breede treden een flauw schijnsel door de trapvensters, die met het groote portaal in verbinding stonden; aarzelend ging zij verder.

“Gij hebt het immers niet anders gewild,” hoorde zij de eenigszins barsche stem der oude barones zeggen, “tranen vind ik heusch geheel onnoodig, Cornelie.”

Tegelijkertijd vernam Liesje het ruischen van kleederen en lichte voetstappen; op de bovenste trede verscheen de oude barones, zich half omkeerende naar hare schoondochter en Nelly. Zij was in een oude fluweelen pels gewikkeld en het trotsche gelaat kwam even onbewegelijk als altijd uit de zwarte kanten sjaal, die zij om het hoofd geslagen had, te voorschijn.

“Het is bezorgdheid voor u, mamaatje,” sprak de jonge barones, “in dit weder! En gij zijt de ongemakken van het reizen niet meer gewoon.”

Reizen? Zij ging op reis? Een oogenblik vervulde een gevoel van blijdschap Liesje’s hart.

“De noodzakelijke gevolgen uwer handelwijze, Cornelie,” klonk het terug, “heb intusschen geen zorg! Nog ben ik niet zoo zwak, dat ik—-”

“Het is te haastig opgekomen, mama, te schielijk.”

“Te haastig? Ik heb met ongeduld de oogenblikken geteld;het liefst was ik nog op hetzelfde oogenblik vertrokken.”

“Het valt mij onuitsprekelijk zwaar, u zonder verzoening te zien heengaan.”

“Ik meen, de verzoening het meest gezocht te hebben, men wilde mij echter niet verstaan. Denkt gij, dat het mij licht valt, heen te gaan? In dit oogenblik gevoel ik al het droevige er van, welke ellendige tijden ik hier ook beleefd heb. Maar blijven onder de voorwaarden, die de toekomstige heer van Derenberg mij stelde; blijven om een leven te leiden, zooals hij mij aanbood, om mijne grondbeginselen aan zijn nieuwe, zeker niet aristocratische begrippen ten offer te brengen—dat nooit! Ik ben nog uit de oude school:Noblesse oblige!”

“Zij gaat om mij,” fluisterde Liesje.

“Ik geloof dat Army vertrok, in de zekere hoop, u nog weder te vinden, mama,” smeekte hare schoondochter.

De oude dame lachte luidkeels. “Dio mio!” riep zij. “Hij weet zeer goed, dat hij mij hier niet meer vindt, en het is zoo goed; ik wil hem niet weêr zien. Hij wijst een aanbod af, dat hem een schitterende loopbaan opent—-”

“Ik weet het,” viel hare schoondochter in de rede, “de hertog—”

“Geen woord meer!” gebood de barones; zij ging de trappen af.

“Blijf gerust, mevrouw de barones!” zeide een bevende stem, en Liesje boog zich in de schemering voor haar. “Blijf, het is nog niet te laat; wanneer het zóó gesteld is, dan geef ik Army de vrijheid terug; ik wist immers niet, dat er zich nog een middel tot zijne redding had opgedaan—-” Zij zweeg, en greep onwillekeurig naar de gebeeldhouwde leuning der trap. De donkere gestalte der oude dame voor haar week verschrikt terug; Nelly echter was met één sprong naast haars broeders bruid.

“Wat zegt gij daar, Liesje?” vroeg zij, “wat wilt gij doen?”

“Dat hadt gij vroeger moeten bedenken, mijn kind,” zeide de oude dame bits, “nu kon uw beter doorzicht te laat komen.”

“Ik heb hem willen redden, hem helpen,” antwoordde Liesje bedrukt, “maar nooit wilde ik zijn geluk in den weg staan.—O, het is zeker nog niet te laat, mevrouw de barones!” riep zij smeekend, toen de oude dame, het hoofd op hare trotsche, onnavolgbare wijze in den nek werpend, haar voorbij ging. “Blijf, tot hij komt, genadige vrouw; zeg hem, dat hij geenerlei verplichting jegens mij heeft! Ik zelf maak hem vrij, opdat hij elders het geluk vinde, dat ik hem toch niet geven kan. Hij heeft mij immers niet lief.—O, blijf, blijf!”

De oude dame schudde de kleine bevende handen niet af, welke haar mantel vasthielden; zij stond als betooverd en staarde op het schoone gelaat, dat haar zoo ontsteld aanzag in het schemerachtige, sombere licht van den verdwijnenden winterdag. Hare trekken bleven onveranderd; geen spoor van medelijden met het beangstigde kind blonk in de schoone oogen, geen enkel woord kwam over hare lippen.

Daar klonk een haastige, welbekende voetstap door het portaal, en in het schemerlicht van de gang verscheen een slanke, mannelijke gedaante. Het jonge meisje zag hem met brandend droge oogen tegemoet—kwam hij nog? Zou zij hem hier nog ontmoeten? Moest haar deze ure dan nog zwaarder gemaakt worden? Als wilde zij niets meer zien, om sterk te blijven, sloeg zij de handen voor het gezicht.

“Wat gebeurt hier?” klonk haar zijne stem haastig en opgewonden in ’t oor, “mijne verloofde weent?”

Zijne verloofde! Wat deed dat woord haar onuitsprekelijk zeer—was zij toch maar weg van hier, duizend mijlen ver, om deze kwelling te ontvlieden.

“Zij is verstandiger dan gij,” antwoordde de oude dame,“nog ééns staat gij aan den kruisweg, want zij is bereid terug te treden—”

“Omdat gij het haar aannemelijk gemaakt hebt?” vroeg hij morrend.

“Neen, Army,” kwam zijne moeder er tusschen, “Liesje hoorde toevallig, dat grootmama—”

“Wat hebt gij gehoord, Liesje?” vroeg hij, zijn arm om haar heen slaande en zich tot haar nederbuigende; wat klonk zijne stem opeens teeder!

Zij antwoordde niet, maar de tranen rolden haar nu uit de oogen over de teedere vingers, die nog altijd haar gelaat bedekten. Zij zag niet, hoe angstig hij haar aanschouwde; zij voelde alleen de brandende smart, dat zij hem toch nog moest laten gaan, dat zelfs een leven zonder liefde aan zijne zijde nog een paradijs was bij de ledigheid die haar wachtte, wanneer zij van hem afzag.

“Liesje,” smeekte hij, “kondt gij werkelijk zoo—zoo verstandig zijn, als grootmoeder zooeven beweerde?”

Zij knikte.

“Ja, ja!” snikte zij, al hare zelfbeheersching verzamelende, “ik wist immers niet, dat de hertog u helpen wilde, anders—och, anders was ik nooit hier aangekomen, om—ik geloofde—ik, ik alléén kon u redden.”

“Dat kunt gij ook,” sprak hij zacht, “gij alleen kunt het, anders geen mensch op de gansche wijde wereld.”

Hij nam haar de handen voor het gezicht weg en zag haar in de betraande oogen.

“Liesje, als gij wist, hoe ongerust ik over u geweest ben—”

Zij schudde het hoofd.

“Mij zweefden,” ging hij voort, “onophoudelijk een paar treurige blauwe oogen voor den geest, en een lang verleden, droevige geschiedenis van twee even zulke blauwe oogen, die van kommer en harteleed gestorven zijn; als ik daaraan dacht, greep ontzetting mij aan, en mijn angst, mijn voorgevoel was niet ongegrond, bijna was ik te laat gekomen—nietwaar?”

“Neen, neen Army; het is medelijden van u; gij weet niet, wat gij van u werpt; een schitterend leven, een grootsche loopbaan—laat mij! Nog is het niet te laat,” smeekte zij.

“Dwaas kind! ik weet zeer goed, wàt ik weiger, ik weet echter ook, wat ik daarvoor win—het beste, het edelste, het reinste, wat de wereld bezit.”

Het was stil geworden op de oude, gewelfde trap, stil en donker; beneden reed ratelend een wagen over den straatweg.—De laatste dag des jaars liep ten einde; wat zal het nieuwe brengen?

Twintigste Hoofdstuk.De aarde stond in volle lentepracht. Het eerste jonge groen tooide boom en struik; in Ervings tuin bloeiden narcissen en vlier; de goudenregen boog zich over de haag, en de met roode bloemen prijkende takken van den hagedoorn hingen zwaar neder onder al hare bloemenpracht. In het park echter wiegde de zoele wind de jonge bladeren der lindeboomen, en kuste ieder grassprietje op de smaragdgroene weilanden, als wilde hij haar vertellen van nieuwen lust en nieuw leven. En nieuwe lust en nieuw leven verkondigde ook de waterstraal, die uit het oude zandsteenen bekken kristalhelder omhoog steeg, om ruischend en fonkelend weder neer te vallen. Evenals in lang verleden tijd, stond het portaal, met zijne massieve zware vleugeldeuren, wijd open, als wist het, dat spoedig, binnen weinige weken, de gelukkige slotheer zijn jonge schoone vrouw over den ouden drempel van zijn voorvaderlijk huis zou leiden; van de trappen van het bordes was het groene mostapijt verdwenen, en de beide oude beren zagen verwonderlijk trotsch uit onder een paar groote eiken kransen, die een schalksche hand hun op de eerwaardige hoofden gezet had.De lange reeks van vensters op het slot waren geopend; slechts voor enkele hingen zware gordijnen; deze vertrekken hadden geen behoefte aan de voorjaarszon, want hun bewoonster ontbrak; zij was weg, werkelijk weg. Geen spierin haar trotsch gelaat had getrild, toen zij op dien oudejaarsavond in het ellendige rijtuig steeg, dat haar wegvoerde van de plaats, die jaren lang haar tehuis was geweest. Koud en vluchtig hadden hare lippen op het voorhoofd van hare schoon- en kleindochter gerust; zij wist wel, dat daar boven in de schemering haar kleinzoon zich een geluk had verzekerd, bij welks glans al het andere verbleekte, en dat hare oogen verblindde—aldus besloot deze eenmaal zoo bewonderde ster hare rol, en toen zij het oude bordes voorbij reed, balde zij de fijne handen, terwijl Sanna zich snikkend uit den wagen boog—voorbij, voorbij! Wat zal háár het komende jaar brengen?En nu werd de jonge heer iederen dag terug verwacht. Hij was tot aan de overname van het landgoed op de bezittingen van een vriend geweest, om zonder tijdverlies zich met zijn werkkring bekend te maken. Daar boven in het kleine torenkamertje stond Nelly met den ouden Hendrik; de beide ronde vensters waren eveneens geopend; zij zag met een glimlach van geluk naar buiten over het park, en hare blikken bleven op de in ’t zonnelicht fonkelende ramen van den papiermolen rustten, die als onder bloesems begraven lag.“Zie, Hendrik,” riep zij, “nu weet ik ook, waarom mijn broeder schreef, dat wij juist deze kamer voor hem gereed moesten maken.”“O ja, hier is een prachtig uitzicht,” zeide de oude, met een beteekenisvol lachje op het gerimpelde gelaat; mijnheer de baron zal dit vertrek niet weer willen verlaten, wanneer hij er eens in woont.”“Het is hier ook zoo wonderschoon!” riep Nelly, het kleine, ronde vertrek beschouwende; “hoe gezellig! en dan het uitzicht!”Hendrik schoof een paar ouderwetsche stoelen, die bij een klein sofatafeltje stonden, voor de honderste maal te recht; “en nu nog de eikenkransen buiten om de deur, genadige freule! Dan kan hij komen; dan is alles gereed, buiten enbinnen; ik had toch niet gedacht, dat ikdatnog beleven zou,” eindigde hij en schudde vroolijk het grijze hoofd; “het gaat wonderlijk op de wereld, genadige freule! ja wonderlijk.”Op den molen ging alles uiterlijk den ouden gang, alleen ontbrak sedert vele weken de huisvrouw; zij was met de zieke Bertha van den meesterknecht naar Italië vertrokken, maar zou spoedig terugkeeren, zooals het bericht luidde, gezond en sterk.Tante echter maakte zich bezorgd over haar lieveling; zij was naar hare meening een te stille bruid. Halve dagen lang, kon het meisje peinzend en droomend voor zich heen zien; het liefste zat zij alléén in haar kamertje en liet tante zich aftobben met de zware rollen linnen, die zij om te knippen en te naaien uit de oude kasten te voorschijn haalde. “Het is haar alles onverschillig,” mompelde zij bedroefd, toen hare oogen over deze belangrijke schatten van iedere huishouding gleden. “Zij stelt geen belang in haar uitzet; het arme kind, zij mist zooveel; zij weet immers niet hoe het is, als iemand zijn schat zoo hartelijk liefheeft.” Iederen avond echter, sedert dien oudejaarsdag, vouwden zich de oude handen tot een dankgebed, dat de oude barones weg was.Weder daalde een geurige, door de maan beschenen Mei-avond op de aarde neder, en weder zat de oude vrouw aan het venster van het kamertje, de handen gevouwen, en peinsde. Buiten ruischte weder het water op de bekende melodie; de oude klok sprak daartusschen haar eentonig tiktak en uit den hof klonk het gezang der dienstmeiden.“Waar is Liesje toch!” vroeg zij bij zich zelve. “Of hij ook geschreven heeft, wanneer hij komt?” Zij stond op en dribbelde uit de kamer; de stralen der maan dansten over het goede, oude gezicht en de sneeuwwitte muts. “Liesje! riep zij in de woonkamer—geen antwoord; zij keerde terug door de donkere gang, de trappen op. “Zij zal tochniet schreien?” dacht zij,—zij zag in het gezellige meisjeskamertje rond, nergens een spoor van de gezochte. Hoofdschuddend keerde zij zich om en richtte onwillekeurig hare schreden naar een andere deur; zacht opende zij deze; het maanlicht vervulde de kleine ruimte met een wit helder schijnsel, en in dit zilveren licht stond onbeweeglijk de liefelijke gestalte van het meisje, en zag door het venster naar buiten. Als vastgenageld bleef de oude vrouw staan, en staarde de zoo goed bekende verschijning aan: was het dan weder de tijd harer jeugd? Was het Lisette die daar stond?“Hij komt,” jubelde een zachte stem, “hij komt. Ik heb het licht gezien.” En vlug was Liesje de oude vrouw voorbijgeslopen, en toen als een liefelijke fee verdwenen.Waarlijk, daarboven flikkerde een licht in het torenkamertje; de oude vrouw hield zich vast aan het tafeltje bij het raam en tuurde naar de overzijde; de droom harer jeugd was weer ontwaakt; “Almachtige God!” zeide zij zacht en sloeg de handen in elkander,“droom ik dan, droom ik?”En toen moest zij naar beneden. Met aarzelende schreden verliet zij het huis; de tuin lag in het heldere maanlicht, een bedwelmende bloemengeur woei haar tegen; evenals in den lang, lang verleden tijd harer jeugd wandelde zij verder; de nachtegalen sloegen zoo vertrouwelijk, en van de overzijde van den weg klonk in bevende klanken het eentonig gezang der kikvorschen. Nu kwam zij aan het grindpad voor het priëel—waarlijk, daar binnen werd gefluisterd; zacht sloop zij naderbij, en boog de takken terug—daar zaten zij naast elkander op de bank; zij had den arm om zijn hals geslagen, terwijl zij haar gelaat aan zijne borst verborg, en hij kuste telkens en telkens. Nu hief zij het hoofd op, en in het heldere maanlicht, dat haar bestraalde, zag de oude vrouw een paar groote, blauwe oogen, die met de uitdrukking van het reinste geluk aan zijn gelaat hingen dat zich over haar heen boog.Behoedzaam liet zij de takken vallen en trad terug—zijhad genoeg gezien. Zacht, zeer zacht ging zij het pad weder langs, en wischte nu en dan de oogen af met haar voorschoot. Onder de lindeboomen voor de huisdeur was het donker; zij zette zich op de zandsteenen bank neder en zag naar den tuin met gevouwen handen; en hare lippen prevelden een vurige dankzegging; wat zij nauwelijks had durven hopen, was waarheid geworden.Van de overzijde des waters klonk een heldere meisjesstem tusschen al de melodieën der lente door; een licht gewaad blonk in het maanlicht; al nader en nader kwam het gezang, en duidelijk klonk ieder woord in de ooren der oude vrouw:“Stil naakt de liefde—als Lente doet,Wen zij ’t gebied herovert,—Terwijl zij rozen, vol van gloed,Aan dorre twijgen toovert.Zij wekt de schoonste melodijIn ’t hart, dat nog zoo evenGeen enk’le roos, geen schoone MeiMeer had gehoopt in ’t leven.“Liesje! Army!” riep zij luide in den tuin, toen zij onder de lindeboomen stond, “waar zijt gij?”Geen antwoord—alleen de nachtegalen vervolgden hun gezang.“Laat hen, Nelly,” sprak een oude stem naast haar, en eene hand trok haar op de bank neder, “laat hen de lente genieten! Er waren reeds zoovele stormen, vóór hunne rozen konden bloeien.”En het maanlicht trilde op de toppen der boomen; het water ruischte, en “God beware hun de rozen en de lente!” fluisterde de mond der oude vrouw, “de rozen en de lente!”

De aarde stond in volle lentepracht. Het eerste jonge groen tooide boom en struik; in Ervings tuin bloeiden narcissen en vlier; de goudenregen boog zich over de haag, en de met roode bloemen prijkende takken van den hagedoorn hingen zwaar neder onder al hare bloemenpracht. In het park echter wiegde de zoele wind de jonge bladeren der lindeboomen, en kuste ieder grassprietje op de smaragdgroene weilanden, als wilde hij haar vertellen van nieuwen lust en nieuw leven. En nieuwe lust en nieuw leven verkondigde ook de waterstraal, die uit het oude zandsteenen bekken kristalhelder omhoog steeg, om ruischend en fonkelend weder neer te vallen. Evenals in lang verleden tijd, stond het portaal, met zijne massieve zware vleugeldeuren, wijd open, als wist het, dat spoedig, binnen weinige weken, de gelukkige slotheer zijn jonge schoone vrouw over den ouden drempel van zijn voorvaderlijk huis zou leiden; van de trappen van het bordes was het groene mostapijt verdwenen, en de beide oude beren zagen verwonderlijk trotsch uit onder een paar groote eiken kransen, die een schalksche hand hun op de eerwaardige hoofden gezet had.

De lange reeks van vensters op het slot waren geopend; slechts voor enkele hingen zware gordijnen; deze vertrekken hadden geen behoefte aan de voorjaarszon, want hun bewoonster ontbrak; zij was weg, werkelijk weg. Geen spierin haar trotsch gelaat had getrild, toen zij op dien oudejaarsavond in het ellendige rijtuig steeg, dat haar wegvoerde van de plaats, die jaren lang haar tehuis was geweest. Koud en vluchtig hadden hare lippen op het voorhoofd van hare schoon- en kleindochter gerust; zij wist wel, dat daar boven in de schemering haar kleinzoon zich een geluk had verzekerd, bij welks glans al het andere verbleekte, en dat hare oogen verblindde—aldus besloot deze eenmaal zoo bewonderde ster hare rol, en toen zij het oude bordes voorbij reed, balde zij de fijne handen, terwijl Sanna zich snikkend uit den wagen boog—voorbij, voorbij! Wat zal háár het komende jaar brengen?

En nu werd de jonge heer iederen dag terug verwacht. Hij was tot aan de overname van het landgoed op de bezittingen van een vriend geweest, om zonder tijdverlies zich met zijn werkkring bekend te maken. Daar boven in het kleine torenkamertje stond Nelly met den ouden Hendrik; de beide ronde vensters waren eveneens geopend; zij zag met een glimlach van geluk naar buiten over het park, en hare blikken bleven op de in ’t zonnelicht fonkelende ramen van den papiermolen rustten, die als onder bloesems begraven lag.

“Zie, Hendrik,” riep zij, “nu weet ik ook, waarom mijn broeder schreef, dat wij juist deze kamer voor hem gereed moesten maken.”

“O ja, hier is een prachtig uitzicht,” zeide de oude, met een beteekenisvol lachje op het gerimpelde gelaat; mijnheer de baron zal dit vertrek niet weer willen verlaten, wanneer hij er eens in woont.”

“Het is hier ook zoo wonderschoon!” riep Nelly, het kleine, ronde vertrek beschouwende; “hoe gezellig! en dan het uitzicht!”

Hendrik schoof een paar ouderwetsche stoelen, die bij een klein sofatafeltje stonden, voor de honderste maal te recht; “en nu nog de eikenkransen buiten om de deur, genadige freule! Dan kan hij komen; dan is alles gereed, buiten enbinnen; ik had toch niet gedacht, dat ikdatnog beleven zou,” eindigde hij en schudde vroolijk het grijze hoofd; “het gaat wonderlijk op de wereld, genadige freule! ja wonderlijk.”

Op den molen ging alles uiterlijk den ouden gang, alleen ontbrak sedert vele weken de huisvrouw; zij was met de zieke Bertha van den meesterknecht naar Italië vertrokken, maar zou spoedig terugkeeren, zooals het bericht luidde, gezond en sterk.

Tante echter maakte zich bezorgd over haar lieveling; zij was naar hare meening een te stille bruid. Halve dagen lang, kon het meisje peinzend en droomend voor zich heen zien; het liefste zat zij alléén in haar kamertje en liet tante zich aftobben met de zware rollen linnen, die zij om te knippen en te naaien uit de oude kasten te voorschijn haalde. “Het is haar alles onverschillig,” mompelde zij bedroefd, toen hare oogen over deze belangrijke schatten van iedere huishouding gleden. “Zij stelt geen belang in haar uitzet; het arme kind, zij mist zooveel; zij weet immers niet hoe het is, als iemand zijn schat zoo hartelijk liefheeft.” Iederen avond echter, sedert dien oudejaarsdag, vouwden zich de oude handen tot een dankgebed, dat de oude barones weg was.

Weder daalde een geurige, door de maan beschenen Mei-avond op de aarde neder, en weder zat de oude vrouw aan het venster van het kamertje, de handen gevouwen, en peinsde. Buiten ruischte weder het water op de bekende melodie; de oude klok sprak daartusschen haar eentonig tiktak en uit den hof klonk het gezang der dienstmeiden.

“Waar is Liesje toch!” vroeg zij bij zich zelve. “Of hij ook geschreven heeft, wanneer hij komt?” Zij stond op en dribbelde uit de kamer; de stralen der maan dansten over het goede, oude gezicht en de sneeuwwitte muts. “Liesje! riep zij in de woonkamer—geen antwoord; zij keerde terug door de donkere gang, de trappen op. “Zij zal tochniet schreien?” dacht zij,—zij zag in het gezellige meisjeskamertje rond, nergens een spoor van de gezochte. Hoofdschuddend keerde zij zich om en richtte onwillekeurig hare schreden naar een andere deur; zacht opende zij deze; het maanlicht vervulde de kleine ruimte met een wit helder schijnsel, en in dit zilveren licht stond onbeweeglijk de liefelijke gestalte van het meisje, en zag door het venster naar buiten. Als vastgenageld bleef de oude vrouw staan, en staarde de zoo goed bekende verschijning aan: was het dan weder de tijd harer jeugd? Was het Lisette die daar stond?

“Hij komt,” jubelde een zachte stem, “hij komt. Ik heb het licht gezien.” En vlug was Liesje de oude vrouw voorbijgeslopen, en toen als een liefelijke fee verdwenen.

Waarlijk, daarboven flikkerde een licht in het torenkamertje; de oude vrouw hield zich vast aan het tafeltje bij het raam en tuurde naar de overzijde; de droom harer jeugd was weer ontwaakt; “Almachtige God!” zeide zij zacht en sloeg de handen in elkander,“droom ik dan, droom ik?”

En toen moest zij naar beneden. Met aarzelende schreden verliet zij het huis; de tuin lag in het heldere maanlicht, een bedwelmende bloemengeur woei haar tegen; evenals in den lang, lang verleden tijd harer jeugd wandelde zij verder; de nachtegalen sloegen zoo vertrouwelijk, en van de overzijde van den weg klonk in bevende klanken het eentonig gezang der kikvorschen. Nu kwam zij aan het grindpad voor het priëel—waarlijk, daar binnen werd gefluisterd; zacht sloop zij naderbij, en boog de takken terug—daar zaten zij naast elkander op de bank; zij had den arm om zijn hals geslagen, terwijl zij haar gelaat aan zijne borst verborg, en hij kuste telkens en telkens. Nu hief zij het hoofd op, en in het heldere maanlicht, dat haar bestraalde, zag de oude vrouw een paar groote, blauwe oogen, die met de uitdrukking van het reinste geluk aan zijn gelaat hingen dat zich over haar heen boog.

Behoedzaam liet zij de takken vallen en trad terug—zijhad genoeg gezien. Zacht, zeer zacht ging zij het pad weder langs, en wischte nu en dan de oogen af met haar voorschoot. Onder de lindeboomen voor de huisdeur was het donker; zij zette zich op de zandsteenen bank neder en zag naar den tuin met gevouwen handen; en hare lippen prevelden een vurige dankzegging; wat zij nauwelijks had durven hopen, was waarheid geworden.

Van de overzijde des waters klonk een heldere meisjesstem tusschen al de melodieën der lente door; een licht gewaad blonk in het maanlicht; al nader en nader kwam het gezang, en duidelijk klonk ieder woord in de ooren der oude vrouw:

“Stil naakt de liefde—als Lente doet,Wen zij ’t gebied herovert,—Terwijl zij rozen, vol van gloed,Aan dorre twijgen toovert.

“Stil naakt de liefde—als Lente doet,

Wen zij ’t gebied herovert,—

Terwijl zij rozen, vol van gloed,

Aan dorre twijgen toovert.

Zij wekt de schoonste melodijIn ’t hart, dat nog zoo evenGeen enk’le roos, geen schoone MeiMeer had gehoopt in ’t leven.

Zij wekt de schoonste melodij

In ’t hart, dat nog zoo even

Geen enk’le roos, geen schoone Mei

Meer had gehoopt in ’t leven.

“Liesje! Army!” riep zij luide in den tuin, toen zij onder de lindeboomen stond, “waar zijt gij?”

Geen antwoord—alleen de nachtegalen vervolgden hun gezang.

“Laat hen, Nelly,” sprak een oude stem naast haar, en eene hand trok haar op de bank neder, “laat hen de lente genieten! Er waren reeds zoovele stormen, vóór hunne rozen konden bloeien.”

En het maanlicht trilde op de toppen der boomen; het water ruischte, en “God beware hun de rozen en de lente!” fluisterde de mond der oude vrouw, “de rozen en de lente!”


Back to IndexNext