Zestiende Hoofdstuk.

Zestiende Hoofdstuk.De volgende dag bracht slecht weder; het dooide, en de sneeuw was in eens verdwenen; de natte, bruine takken strekten zich kaal naar den grauwen hemel uit; daarbij stormde en raasde het in de lucht; de elzeboomen aan den molenbeek bogen en zwaaiden in den wind.Op den molen heerschte een gedrukte stemming; de meiden in de keuken spraken zacht met elkander, en de koetsier, die zich bij haar gevoegd had, krabde zich een paar maal met een veelzeggend gelaat achter de ooren. Uit de woonkamer drong de stem van den heer des huizes duidelijk tot hier door. De jonge baron was er. Gisteren was hij er ook al eens geweest, en sedert zag Liesje zoo wit als de muur. Ermoestiets niet in orde zijn; dat was zonneklaar; ook tante zag zoo zuur als azijn—en dan de meester!De kamerdeur ging open, en tante klom de trap op, zooals Doortje door een kier van de deur zien kon.“Let op, Mina, onze juffer heeft het doorgedreven,” fluisterde zij, “tante haalt haar naar beneden; nu—waarom ook niet? Hij is een knap en voornaam heer, en lijden mochten zij elkaar al, toen hij nog als kadet met verlof te huis kwam.”Peter krabde zich weer achter de ooren.“Nu,” meende hij, “als ik mijnheer was, ik zei neen, om de oude van het slot.”“Pst!” waarschuwde Doortje, “waarlijk, zij komt de trap af; nu gaan zij in de kamer. Hoezee! een verlovingsfeest—dat zal een pret geven.”Het volgende oogenblik stond zij reeds weder bij de keukentafel, met hare borden bezig, want zij hoorde tante komen, die een oogenblik daarna de keuken binnentrad. Het oude gelaat teekende zorg, en aan de oogen was het te zien, dat zij bitter geweend hadden; zoo dachten de meiden ten minste. Zij stond een oogenblik als in gedachten verzonken, toen nam zij haar sleutelbos en ging naar de provisiekamer.“Glazen, Doortje!” beval zij, toen zijmet eenige flesschen wijn terugkwam, “en doe een schoon voorschoot aan, als gij ze binnenbrengt!”Zij zette de flesschen op de keukentafel, en ging zich de oogen afvegende, weder heen.“Mijn God!” riep het meisje, toen zij met het ledige blad uit de woonkamer terugkwam, “moet dat eene verloving heeten? Het heele gezelschap zet een gezicht, als bij een begrafenismaal; onze heer bijt zich op de lippen, alsof hij zijne tranen wil wegjagen; de vrouw schreit, alsof Liesje dood was, en de tante ook; mijnheer de baron zit als een stok naast onze juffer; ik zag juist dat hij haar de hand kuste, alsof bij eene verloving niet een flinke kus behoort; en onze Lise ziet er uit—God erbarme zich over haar; als dat een gelukkige bruid moet wezen!”Ongeveer een half uur later verliet een jong bruidspaar het oude huis; aan het venster stond de oude tante het na te zien, en onder de linde keek het bleeke gezichtje nog eenmaal om naar het venster; er was niets op te bespeuren van het zoete, zalige geluk, dat een jonge, kinderlijke bruid gevoelt; om den mond speelde een smartelijke trek, en de oogen spraken angst en lijden. De bruidegom had haar arm genomen en in den zijnen gelegd; zwijgend vervolgden zij hun weg; bij de oude linde gekomen, beefde de hand vanhet jonge meisje, en werd haar gelaat voor een oogenblik met een donkeren blos overtogen.“Zijt gij moede, Liesje? Ik liep te schielijk.”“O neen, maar ik—ik ben zoo bang voor uwe grootmoeder.”Hij beet zich op de lippen, maar zweeg; hij verkeerde zelf in een angstige spanning, en kende zijne grootmoeder genoeg om te weten, dat zij tot elke lompheid in staat was. Zij traden nu de linden-allée in; de wind huilde door de hooge boomen en deed de takken krakend tegen elkander slaan; het hooge bordes met zijn oude, zandsteenen beren lag nat en donker voor hen. Onwillekeurig vielen Liesje’s oogen op de poort. “Wat beteekent dat?” vroeg zij op eens op de wapenspreuk wijzende.“Nunquam retorsum!Nooit achteruit!” antwoordde hij.“Dat is goed,” sprak zij, diep ademhalend, en versnelde haar tred.Zoo kwamen zij bij de torendeur; een oogenblik overviel haar een gevoel van zwakheid. “Zal ik het kunnen verdragen, als zij mij beleedigt?” vroeg zij zich zelve af, en een onuitsprekelijke angst voor de trotsche grootmoeder beklemde hare borst; het was haar alsof zij nog moest terugkeeren, nog vluchten—eer het te laat was; zij gevoelde zich zoo hulpeloos, zoo verlaten; wanthij,hijhad haar immers niet lief.“Liesje,” riep jubelend een heldere stem, en in tranen uitbarstende, sloeg Nelly de armen om haar hals. “Liesje! zuster Liesje!”Zijdulddehare kussen; als een heldere zonnestraal vloog het over haar gelaat, en daar boven, op den drempel der gezellige woonkamer, strekten zich een paar armen naar haar uit, en omvatten haar al vaster en vaster, terwijl haar oor woorden van liefde opving.“Mijn lieve moeder,” fluisterde zij, en boog zich over de tengere hand, “ik zal u altijd een gehoorzame dochter zijn—en voor Army een trouwe echtgenoote.” Het laatste kwam er aarzelend en zacht uit.“Een oogenblik geduld, Liesje! Ik wil bij grootmama ons bezoek laten melden,” zeide Army.Zij knikte toestemmend; hij ging, en keerde spoedig zwijgend terug. Haar hart klopte onstuimig; onwillekeurig vouwde zij de handen, terwijl zij beurtelings rood en bleek werd, en op eens stond alles, wat de trotsche oude vrouw haar had aangedaan, in vlammend schrift voor haren geest, en voor hare oogen verscheen een liefelijk beeld—oudtante Lisette en een vroegtijdig graf op het kerkhof daar boven.“Mevrouw de barones laat zich verontschuldigen; zij heeft hoofdpijn van daag en kan niemand ontvangen.” Met deze woorden deed Sanna het jonge meisje uit haar koortsachtige gedachten opschrikken.“Dan laat ik verzoeken, mij morgen een uur te bepalen, waarop ik met mijne verloofde een bezoek kan brengen,” klonk het schijnbaar kalm; maar Army’s oogen zagen de oude meid dreigend aan, wier blik met een uitdrukking bijna van haat op de jonge bruid rustte. Deze had zich onwillekeurig hoog opgericht; Nelly greep hare hand en streelde zacht hare wangen.“Mama,” begon Army en nam op den stoel naast zijne verloofde plaats, “mijn schoonvader laat u om een onderhoud verzoeken, en het zou zeer vriendelijk van u zijn, wanneer gij heden avond met Nelly in den molen kwaamt, ten einde gemeenschappelijk onze—”“Zeker, Army, zeker! Ik zou heden toch met Nelly gekomen zijn, ingeval het weder het toelaat.”“Mevrouw de barones kan vooruit geen tijd bepalen, maar verzoekt mijnheer den luitenant, heden avond een oogenblik bij haar te komen,” luidde het antwoord dat de terugkeerende oude dienstmaagd nu bracht.“Het doet mij leed, Sanna, maar ik ben heden avond, zooals te begrijpen is, niet vrij, daar wij beneden in den molenonze verloving vieren—hoort gij Sanna, in den molen beneden! Het spijt mij voorts, Sanna, dat de barones hoofdpijn heeft, en wij dus hare tegenwoordigheid bij het feest moeten missen; voor het overige bevelen wij, verloofden, ons aan en wenschen beterschap.”“Si, Signor!” siste de oude en verdween.Het bleef stil; Army ging in de kamer op en neer; zijne moeder had het jonge meisje naast zich op de sofa getrokken, en hield hare handen stijf vast.Vreeselijk zwaar had de boodschap Liesje in de ooren geklonken. Het gevoel van haar pijnlijken toestand drukte haar met zijn geheele zwaarte; zij meende te zullen bezwijken, wanneer haar vader vernam, dat de grootmoeder van haar verloofde haar niet eens had willen zien; en dan nog tante! Maar zij had niet anders gewild; zij zou nooit klagen, had zij beloofd. Ja, als hij haar ten minste beminde, dan—“Ik moet naar huis,” sprak zij opstaande; zij had een gevoel alsof zij stikken zoude.“Waarom zoo spoedig?” vroeg Army.“Ik—ik wil te huis bericht brengen, dat mama en Nelly komen,” stamelde zij. Hij nam zijne muts. “Blijf toch hier!” verzocht zij angstig; “ik kan zeer goed alleen gaan; kom dan later met uwe moeder!”Hij haalde ongeduldig de schouders op. “Adieu, mama, tot weerziens; adieu, Nelly!” riep hij, terwijl Liesje, haar sluier voordoende, met afgewend gelaat haar de hand reikte.Buiten gierde nog altijd de storm, en weder gingen zij zwijgend naast elkander.“Gij zijt te dun gekleed,” sprak Army, en deed zijn mantel af om haar dien over de schouders te hangen.“Neen, ik ben niet koud, wezenlijk ik dank u.” Hij nam den mantel over den arm en wandelde naast haar voort.“De weg lijkt een moeras,” begon hij na een poos; “wij moeten trouwens haast aan de plek komen, waar de molenbeek buiten hare oevers is getreden—wacht! Daar zijn wijer reeds; ik zal zien of er niet een pad door het bosch te vinden is.”Zij zag in de schemering zijn slanke gestalte, die zoekende den weg langs ging; toen kwam hij terug.“Het gaat niet; het water komt aan beide kanten over de schoenen; ik zal u er over dragen.”“Neen,” riep zij achteruit tredende, “dat nooit.”“Waarom niet?”“Omdat ik niet wil, dat gij u om mijnentwille de geringste moeite geeft; mij hinderen natte voeten niet, zeker niet; wij zijn immers dadelijk te huis.”Hij antwoordde niet, en de duisternis verborg zijn gloeienden blos; zij voelde zich echter eensklaps door sterke armen opgetild en overgedragen.“Gij moet mij dit ten goede houden,” klonk het haar koel en bitter in de ooren, toen zij weer op vasten grond stond. “Eene dame kan deze plek onmogelijk zonder hulp voorbij komen.”Het overige van den weg werd zwijgend afgelegd. Toen zij de huisdeur binnentraden, gluurden nieuwsgierige gezichten der meiden uit de keuken, en kwam tante hun te gemoet: “Wat is dat een weer!” sprak zij vriendelijk, en opende hun de deur der woonkamer.“Goeden avond, tante,” zeide Army en wilde hare hand vatten, maar de oude vrouw trok ze haastig terug.“Ga gij maar eerst naar binnen, mijnheer de baron!” antwoordde zij koel, “Liesje zal wel volgen; ik heb haar eerst nog wat te zeggen, en gij zult ook nog velerlei met uw schoonvader te bespreken hebben.” Zij trok het jonge meisje aan de hand mede naar haar kamertje.“Wij krijgen bezoek, tante,” sprak deze; “Peter moet Army’s moeder en Nelly met den wagen halen.”“Goed, ik zal het zeggen.”De oude vrouw ging heen, en toen zij weder binnentrad, viel het flikkerende licht der lamp, die zij droeg op eenbeschreid gelaat, ’t welk te voren door de schemering onzichtbaar was.“Gij hebt geweend, tante?” vroeg Liesje en boog zich tot haar over.“Nu ja, kind, dat gaat zoo—laat dat maar! Ik wilde dezen avond een paar woorden tot u spreken, daar het uw verlovingsdag is.” Zij zette de lamp op de tafel en trad op het jonge meisje toe. “Zie, Liesje, ik heb altijd gemeend, dat een dag als deze vroolijker zou zijn, en gij een minder bleeke bruid zoudt wezen. Het is uw eigen wil, kind; gij zegt immers ook, dat gij gelukkig zijt en hebt uw ouders hunne toestemming op de knieën afgesmeekt; maar mij, Liesje, mij kunt gij niet misleiden; ik weet zeer nauwkeurig hoe het er in dat arme kleine hartje uitziet, en dat doet mij zoo jammerlijk zeer; ik zou haast vergaan van harteleed.”Zij keerde zich om, ging naar de commode, trok het kleedje, dat er over lag, wat terecht, en deed de laden open en dicht, waarbij haar de tranen uit de oogen op de oude handen vielen; Liesje stond nog zwijgend midden in het vertrek.“Dat gij zoo stil zijt en zoo strak, kind,” zeide de oude en droogde zich de oogen af, “dat kan mij zoo angstig maken; spreek toch mijn hartedief! Dat verlicht altijd.”“Wat zal ik zeggen, tante? Ik heb niets, waarover ik graag wil spreken,” antwoordde zij.“Kom eens bij mij, Lise!” smeekte de oude vrouw, “beloof mij één ding! Als hij ooit vergeten mocht, wat gij voor hem deedt, als hij ooit onvriendelijk jegens u is, en ik leef nog, kind, kom dan bij mij! Dan zal ik met hem spreken, en ten tweeden male zal hij het niet weer wagen.”Zij lachte slechts. “Maak u maar niet bezorgd, tante!”“En de oude barones, kind, hebt gij haar gesproken?”“Neen, tante, ik geloof dat zij mij niet wil zien.”De oude vrouw stond haastig op, en haar goedig gezichtzag er een oogenblik onbeschrijfelijk bitter uit; zij had een hard woord op de lippen, maar een blik op het bleeke meisje vóór haar deed haar zwijgen.“Hemelsche goedheid,” mompelde zij slechts, “en dat alles zonder liefde!” en weder vulden tranen hare oogen.Buiten reed juist de wagen dreunend over de brug, om de dames van het slot te halen; tegelijkertijd werd ook de huisdeur opengedaan, en vernam men een luid gesprek en daarop Doortjes beklagenden uitroep:“Och lieve Hemel!”“Dat is de oude Thomas uit de pastorie,” zeide tante en opende de deur. Het was zoo; daar stond de oude, kromme man, met de van regen druipende muts in de hand, en Doortje riep tante toe:“Ach, hoor eens aan, Kareltje van Dominé is gestorven, zoo even; wat spijt mij dat!”“Karel?” vroeg Liesje en stond eensklaps nevens den ouden man; “Karel?”“Ja, juffer, om zes uur is hij ingeslapen; ach, juffer Lise, die arme moeder en vader! Het was zulk een prachtige jongen; God, wat is dat een droefheid, daar beneden! Gij kunt het u niet voorstellen!”Het jonge meisje stond nog met hoed en mantel om. Zonder zich te bedenken, ging zij naar de voordeur.“Waar wilt gij heen, kind? In dit weder?”“Ik wil naar oom, naar de pastorie; tante—laat mij, bid ik u!”En reeds stond zij weder buiten en kampte tegen den wind, om vooruit te komen. De kreten der oude vrouw stierven weg in den storm, en over haar heen bogen zich de takken der elzeboomen aan den ruischenden molenbeek in wilden strijd. Daar kwam haar een wagen te gemoet; zij ging ter zijde om hem voorbij te laten, en zette toen schielijker haar weg voort. Het scheen haar eene weldaad toe, dit stormachtige weder; het was immers eene kwelling naasthem in een dichte kamer te zitten; oogenschijnlijk was het een beeld van zoet geluk, en inderdaad was er geen schaduw van te vinden; hij had haar niet lief; hij had haar alleen om den wille van haar geld begeerd. Het gevoel van blijde opoffering, waarmede zij hem hare hand had aangeboden, maakte plaats voor het vernederende van ’t geen zij geleden had; en hij zelf, die het offer aannam, wat deed hij om die vernedering te verzachten? Was het dan zoo moeilijk, haar goede kameraad te zijn?Hoe wild schudde de oude linde hare takken, en hoe jaagden de wolken aan den donkeren hemel! En daar beneden in het dorp, in de pastorie, dáár werden tranen geweend, bittere, heete tranen—door wie maar weenen kon!Maar zij wilde niet, zij wilde immers niet, dat de menschen haar medelijdend zouden aanzien, vader en moeder, tante, zelfs Doortje en Mina—neen, dat was vreeselijk, dat kon zij niet verdragen.Klonken daar geen haastige schreden achter haar? Ja, en dan de roep “Liesje! Liesje!” Zij stond stil, dat waszijnestem; o, als zij hem nu eens te gemoet kon gaan en zich aan zijn arm vastklemmen kon; als hij nu eens zeide: “Ik maakte mij bezorgd over u, daarom kom ik,” maar neen, vader heeft hem zeker mij achterna gezonden, of misschien zou hij ieder ander gevolgd zijn; hij moest immers in zulk een storm geene dame alleen hebben laten gaan.“Maar Liesje, ik bid u,” klonk nu zijne stem, “hoe kunt gij in zulk weêr uitgaan! Uwe ouders zijn half dood van angst over u; hier is een doek van tante voor u, en wacht even, de wagen moet aanstonds hier zijn; ik heb gezegd, dat hij oogenblikkelijk zou worden nagezonden. Gij zijt toch nog altijd de kleine goedhartige Lise, wier goed hart in lichte laaie staat bij het ongeluk van vreemden!” vervolgde hij, haar den doek omslaande.Zij lachte bitter. “De pastoriebewoners zijn geene vreemden voor mij; zij behooren als ’t ware tot onze familie.”Hij antwoordde niets op dit bitse gezegde; juist kwam ook de wagen en hield bij hen stil. “Mag ik met u gaan?” vroeg hij, haar bij het instijgen helpende, “of wilt gij liever alleen rijden?”Zij wilde het laatste toestemmend beantwoorden, toen haar blik op hem viel; hij was slechts in zijn rok, zonder overjas.“Ik wil niet, dat gij om mijnentwille kou vat,” zeide zij zacht, “ik bid u, ga zitten!”Na een korten rit hield de wagen stil; Liesje steeg alleen uit en trad de pastorie binnen; het was donker in de gang en stil; zij bereikte tastend de deur der woonkamer en klopte aan. Bijna huiveringwekkend luid klonk het, maar geen vriendelijk “binnen” liet zich hooren. Een onverklaarbare angst overviel haar hier in het huis des doods; maar moedig tastte zij verder. Daar was de trap, en hierboven, rechts, het studeerkamertje; zacht klopte zij aan; weder geen antwoord, maar door eene reet scheen licht—zij opende de deur en zag naar binnen; daar zat oom de predikant bij de tafel, het gezicht in de handen verborgen, en vóór hem lag de opengeslagen bijbel.“Oom! oom!”riep zij snikkend en legde het hoofd op zijn schouder.“Lise, gij goed kind! Ja, een zware bezoeking is over ons gekomen,” sprak hij ernstig, en streek haar over de natte, bruine vlechten;“en zijt gij in dat weer hier gekomen? Wat zijt gij altijd medelijdend! Nietwaar—onze Karel, Liesje! onze lieve, flinke jongen—o, het valt zwaar, niet tegen God te morren. Mijn arme Rosine! Hij was immers haar trots.”“Ach oom, oom!” snikte zij diep bedroefd; “waarom is het leven toch zoo treurig, zoo moeilijk!”“Gij hadt hier niet heen moeten komen, goed kind,” werd haar toegefluisterd, en de kleine vrouw met vochtige, roodgeweende oogen, die binnengekomen was, hief haar hoofdop enkustehaar. “Het maakt u van streek, en gij zoudt ziek kunnen worden.”“Mag ik Karel niet nog eens zien? ik bid u tante!” vroeg zij nog altijd snikkend.In de kamer daarnaast lag een bleeke knaap op het sneeuwwitte kussen; zij trad zacht naderbij en staarde op de lieve, welbekende trekken—hoe dikwijls had die mond “tante Liesje” tegen haar gezegd, hoe vaak hadden die groote oogen haar lachend aangezien, en nu zoo stil, zoo stom! De kleine vrouw drukte het gelaat weer in de kussens van het bedje, en de vader stond aan de andere zijde en staarde op dat, wat hem was overgebleven van zijne droomen der toekomst. Liesje’s tranen echter hielden op te vloeien; er straalde zulk een wondervolle vrede van het kinderaangezichtje daar voor haar—hoe schoon moest het zijn, zoo zacht te slapen, met zulk een gelukkig lachje, zonder de smart des levens te hebben ondervonden!“Ween niet, tante! Hij slaapt zoo rustig! hij ziet er zoo gelukkig uit.” Toen keerde zij zich om en ging langzaam heen.In het kamertje bleef zij staan. “Oom,” sprak zij zacht enlegdede kleine hand op zijn arm,“ik heb een vraag op het hart, die ik niet langer onderdrukken kan.”“O, spreek, mijn Liesje. Heb ik gelijk, als ik meen dat het u en Army betreft?”“Ja, oom; o, gij hebt ervan gehoord? Ik kan niet heengaan, zonder dat gij mij gezegd hebt, hoe ik handelen moet.” Zij ging op de kleine sofa zitten. “Mijn vader weigerde zijne toestemming,” vervolgde zij, “en tante zeide, dat mijne vereeniging met Army een ongeluk was voor mij, oom, omdat hij niet aan mij, maar alleen aan mijn geld dacht; vader deed een beroep op mijn meisjestrots.—Eerst voegde ik mij naar zijn wil; het was zulk een verschrikkelijk gevoel dat te ondervinden, ik wilde ook sterk zijn, oom, maar toen—toen kwam zijne moeder en jammerde, hij wilde weg naarAmerika, en toen, oom, voelde ik mij naar hem toegedreven, en ik bad hem, niet weg te gaan; ik was half waanzinnig van angst en smart. Hij moest mij beschouwen als een goede kameraad, heb ik tegen hem gezegd. En toen heeft mijn vader ingewilligd, omdat ik hem zoo vurig smeekte; op mijne knieën heb ik gelegen—ik zou immers gestorven zijn, als Army naar Amerika had moeten gaan, zonder dat ik alles beproefd had om hem te redden; Army weet niet eens welk een strijd het gekost heeft. En nu valt het mij zoo onuitsprekelijk zwaar, als ik naast hem sta; bij elke schrede aan zijne zijde doet mij het hart zoo zeer, en nu komt mijn trots er tegen op, dat ik wel is waar zijne verloofde ben, maar niet zijn beminde. Ach, oom, ik ben zoo ongelukkig!”Zij barstte in tranen uit en verborg haar hoofd in het canapékussen.“Kindlief,” sprak de geestelijke, en streek haar zacht over het rijke, volle haar, terwijl hij zich naast haar zette en hare hand greep; “mij schiet een oude spreuk te binnen uit het album mijner Rosine; haar oude grootmoeder schreef die er in, toen zij als jong meisje het ouderlijk huis verliet, om in den vreemde als onderwijzeres in haar levensonderhoud te voorzien. Wanneer gij eens in tweestrijd zijt met uw gevoel, mijn geliefd kind, en beleediging of gekrenkte ijdelheid strijden met den lust tot vergeven, tot liefhebben, laat dan de liefde zegepralen, zelfs al laadt gij den schijn van vernedering op u! Het heerlijkste, het schoonste, wat eene vrouw vermag te doen, is te beminnen, altijd te beminnen, al wordt haar ook ongelijk aangedaan.Heb geduld, kind,” vervolgde hij, toen het meisje hem met oogen vol tranen aanzag, “hij heeft eerst onlangs een bittere teleurstelling ondervonden, en de bewustheid, dat hij een stap doet, die in geen enkel opzicht in zijn voordeel kan worden uitgelegd, zal pijnlijk genoeg voor hem wezen. Hij zal dat overwinnen, en u dankbaar zijn, dat gij hem van schande en gebrek gered hebten op zekeren dag bespeurt gij een vonkje liefde voor u in zijn hart, dat, door ootmoed en toegevendheid, met onvermoeide voorkomendheid gekoesterd en aangekweekt, eens tot een heldere vlam opflikkert. Maar wacht u er voor, dat gij de zwakke vonk niet uitdooft door uwe fijngevoeligheid; behandel hem als een ziek kind!”Liesje was opgestaan. “Ik dank u oom!” sprak zij zacht, “en, nietwaar? gij zult mijne ouders en tante geruststellen, dat ik nog gelukkig zal worden? Ik wil vriendelijk en voorkomend jegens Army zijn, en zal mijne gevoeligheid bestrijden. Ach, als vader slechts niet boos op mij en Army wilde zijn! Hij is zoo somber en droefgeestig.”“Het valt hem moeilijk, niet bezorgd te zijn, mijn kind; gij zijt zijn eenigste dochter, en gij komt in zulke verwarde omstandigheden, in een gansch anderen kring. Maak er hem geen verwijt van, dat zijn voorhoofd zich rimpelt, en evenzoomin uwe tante! De oude vrouw heeft u zoo lief. Zij zullen weder vroolijk zien, wanneer zij u tevreden weten aan Army’s zijde, endatligt in uwe macht—gij bemint hem, en gij weet: de liefdeduldtalles, zij verdraagt alles, zij hoopt alles.”“Dat is het rechte woord, oom,” sprak zij met verhelderden blik en reikte hem de hand; “ik zal het tot waarheid maken. Vaarwel, oom! Ik kom morgen terug en—-ach, lieve oom! Karel is veel smart bespaard!”Buiten bij de wagentrede stond Army; hij hielp haar instijgen en nam nevens haar plaats. Weder reden zij zwijgend door den nacht naar buiten.“Army,” zeide zij eensklaps en legde hare hand op zijn schouder, “ik was wel ontstemd en onvriendelijk? Vergeef het mij—ik kom zoo even uit een sterfhuis—”Hij nam hare hand in de zijne en keerde zich naar haar toe.“Ik heb een verzoek aan u,” ging zij voort, eer hij kon antwoorden. “Gij weet, mijn vader gaf met een bezwaardgemoed zijne toestemming tot onze verbintenis. Vergeef hem Army! Ik ben immers zijn eenig kind—help mij de wolken van zijn voorhoofd verdrijven! Houdt u slechts een weinig, alsof gij mij liefhebt, en laat hem gelooven, dat gij gelukkig zijt! Ik zal het ook doen—ik ben het immers ook,” voegde zij er zacht bij.Hij zweeg.“Wilt gij dat doen, Army?” vroeg zij aarzelend.Reeds rolde de wagen over de molenbrug en het fabrieksgebouw voorbij; hij reed om de kale linde tot voor de huisdeur. Army hield het hoofd afgewend en zag naar buiten. Doortje kwam juist met de lantaarn uit de deur, en liet de wagentrede neer; hij sprong er uit en bood Liesje de hand om uit te stijgen; een trek van diepe ontroering lag op zijn gezicht. Hij zou zich houden,alsofhij haar liefhad! En als hij nu tot haar zei:“mijn hart klopt in waarheid warm voor u, voor u, beminnenswaardige, met het reinste gemoed; ik voel een adem des vredes in uwe nabijheid, die mij de wonden van een onzaligen hartstocht zacht verkoelt,”—zou zij dat gelooven? Dat was immers het ellendigste—hij had haar vertrouwen verloren—Hij zag naar haar op—hij wilde haar antwoorden; maar wat? Ja, dat wist hij op dit oogenblik niet te zeggen, en reeds boog zich bij het schommelende licht der lantaarn een bekoorlijk hoofd uit den wagen; de kleine pelsmuts zat eenigszins scheef op de zware, bruine vlechten; het fijne gezicht was nog rood van het weenen, toch lag er een zacht beschaamd lachje om den bloeienden mond, dat twee bekoorlijke kuiltjes nog dieper groefde; de oogen echter staarden, als om antwoord smeekend, in de zijne en deden hem getroffen achteruit wijken. Waar had hij ooit zulke oogen gezien? Zij zagen hem zoo smartvol aan, als zochten zij een verloren geluk.—Bijna ontstuimig trok hij haar tot zich, en blikte diep in de droeve sterren, die steeds schitterender werden—De wagen was weggereden, en Doortje liep haastig uitden storm naar binnen. Het was duister om die beide jonge lieden daar buiten; weder wilde hij spreken, en weder sloten zich zijne lippen. “Zij zou u toch niet gelooven,” sprak hij bij zich zelven.En zij waagde het niet, het hem nog eens te vragen, toen hij hare handen langzaam losliet. “Hij wil niet liegen,” dacht zij en trad over den ouden drempel; “hij wil niets beloven, wat hij niet kan volbrengen—hij bemint mij immers niet.” En het licht in de stralende oogen verdoofde weder, en zij drukte de beide handen op het hart. “Ach hij bemint mij immers niet!”Zeventiende Hoofdstuk.“En gij zegt, Hendrik, mijne grootmoeder heeft die beiden te zamen gezien?”“Francis heeft het mij in vertrouwen verteld, heer luitenant, den avond vóór haar verdwijnen.”De jonge officier zat in een der groote leunstoelen in zijn kamer en zag onderzoekend en met kennelijke belangstelling den ouden man aan, die in eerbiedige houding dicht bij hem stond en in wiens trekken een lichte verlegenheid zichtbaar was. Army had hem nog laat in den avond laten roepen; hij wilde weten, welke beweegredenen zijne grootmoeder had, en waarin de haat wortelde, die zich ook heden weder geopenbaard had in de minachtende bejegening zijner bruid; uit een onpartijdigen mond wilde hij hooren, waarop de toespelingen zijns aanstaanden schoonvaders doelden. Hij had besloten, het met Hendrik te beproeven, en de oude man was inderdaad op zijne vragen aarzelend en verlegen begonnen te verhalen van baron Frits, die de schoone Lisette daar beneden in den molen zoo lief had gehad.“In dien tijd,” voer de oude voort, “kwam baron Frits op een avond zoo recht vroolijk aanrijden; ik nam hem zijn overjas af, want het was koud, deed toen het torenkamertje open en maakte vuur in den haard aan—”“Het torenkamertje?” viel de jonge officier den verhaler driftig in de rede.“Ja, heer luitenant. Baron Frits woonde daar altijd; ik weet ook wel waarom; hij kon van daar het venster zijner liefste zien—ik maakte dan vuur aan, haalde hem een flesch madera en hielp hem van kleederen verwisselen. Hij vroeg naar alles, wat er was voorgevallen, of zijn broeder reeds weder te huis was; ik antwoordde hem op alles, en zei dat de meester binnen drie dagen terug werd verwacht; en daarop, hoe Mevrouw zijne moeder het maakte, benevens zijne schoonzuster en al zoo wat meer; ondertusschen zocht hij aanhoudend in de schuifladen van zijn schrijftafel, en vroeg eindelijk angstig: “Hendrik, hebt gij hier opgeruimd, toen ik onlangs zoo haastig ben vertrokken?”“Ja, zeker, mijnheer de baron,” zeide ik.“Hebt gij niet een klein gouden hart gevonden?”“Neen,” en hij ging voort met zoeken, en ik zocht mede, maar er werd niets gevonden; eindelijk hield hij op, maar zag zeer treurig. “Weet gij, Hendrik!” sprak hij toen, “dat is een groot verlies voor mij; vijftig daalders geef ik u, als gij mij het hart terug bezorgt; toen nam hij hoed en stok, want hij droeg altijd burgerkleeding als hij hier was, en zeide, dat hij nog eene wandeling in het park ging doen, vóór hij zijne opwachting bij de dames wilde maken; maar ik wist wel, waar hij heen wilde.”“Mij spookten de vijftig daalders in het hoofd, heer luitenant, en dus begon ik weder te zoeken, en te zoeken, maar ik vond niets; daarop nam ik het licht en ging in de aangrenzende slaapkamer, waar ik nauwelijks binnen was, of ik verbeeldde mij, dat ik de deur heel, heel zachtjes hoorde openen, en toen ik haastig de woonkamer weder binnentrad, deinsde ik terug, want daar stond Sanna, die, mij ziende, van schrik neerviel.”“Weet gij, heer luitenant, ik ben nu oud en kalm geworden, maar toen kon ik het magere vrouwspersoon, met de koude, grauwe oogen, het zwarte haar, en de gele kleur niet uitstaan; het was altijd een valsch schepsel, en daarom stoofik in drie duivelsnaam op haar toe, en vroeg, wat zij hier te zoeken had. “De genadige vrouw wil weten, wanneer baron Frits terugkomt?” Zij noemde mij toen altijd Enrico, want zij was trotsch op haar Italiaansche afkomst. “Waar is mijnheer de baron?” vroeg zij nog eens.“Loop naar de koekoek!” riep ik,“en spioneer hier niet. Ik weet niet, waar hij is;” ik wilde haar daarmede de deur uitschuiven. “Hoor!” zeide zij, en toen ik luisterde, hoorden wij beneden in het dorp de doodsklokken luiden; zij begon zich te bekruisen en een Ave Maria op te zeggen; intusschen schoof ik haar evenwel naar buiten: “Maak dat maar buiten af! Verstaat gij?”Toen keerde zij zich bij de deur om, en sprak:“Weet gij, Enrico, wie er gestorven is? Lompenmolenaars Lisette is het.”Lompenmolenaars Lisette! Ik beefde van schrik; heilige vader, wat zal baron Frits zeggen? was mijne eerste gedachte; hij ging zoo vroolijk, zoo gelukkig naar haar toe en nu dood, dat lieve, jonge wezen! Het was een prachtstuk, heer, als men dat meisje zag; of men nu lompenmolenaars Liesje, ik wil zeggen: de bruid van mijnheer den baron aanziet of hare oudtante Lisette, is precies hetzelfde; Liesje is als uit haar gezicht gesneden. Terwijl ik daar zoo stond, stak er een storm op, dat de boomen bogen, de oude muren kraakten, en men allerlei geluiden hoorde. Baron Frits kwam niet en kwam niet, en onderwijl werd het weder al erger en erger het scheen alsof de orkaan den toren wilde omverrukken; het oog kon in de duisternis geen voorwerp onderscheiden, hoe ik mij ook inspande en het gezicht tegen het venster drukte. De klok van het slot had reeds tien geslagen, en nog keerde hij niet terug. Heer, het was een vreeselijke nacht! Op eens vloog de deur open, en toen ik mij omkeerde, vielen mijn ontstelde oogen op baron Frits—hij stond reeds midden in de kamer, en voor zijne voeten lag bleek en bevend de dolle Francis, die de handen angstig smeekend tot hem opgeheven hield.“Verzoek mijne schoonzuster, Hendrik,” sprak hij met toonlooze stem, “of zij zich de moeite wil geven, een oogenblik hier te komen!” Ik vloog naar de deur, heer luitenant; ik wist, er moest iets verschrikkelijks gebeurd zijn, toen ik de verslagen houding van het meisje zag, en juist toen ik de deur openrukte, stond mevrouw de barones—uwe grootmoeder—buiten en wilde naar binnen gaan. Zij deinsde terug, toen zij haar zwager zag; een oogenblik voer een hevige schrik haar door de leden. Zij verborg schielijk iets in den zak van haar kleed en trad toen schijnbaar kalm het vertrek binnen.Heer luitenant, een schoonere vrouw dan zij, was er niet; zooals zij daar stond in het lange, witte nachtgewaad, de zwarte lokken half losgemaakt en met haar groote, donkere oogen in het bleeke gelaat, als een engel der onschuld, tegenover het arme, kermende schepsel op den vloer.“Mio caro amico,” riep zij den baron toe, “wat beteekent dat?”en wees verwondert met de hand naar Francis.“Kom binnen, schoonzuster!” antwoordde hij ruw. “Ga, Hendrik, en sluit de deur!”—Toen eerst keerde hij zijn gelaat naar mij toe—mijnheer; ik was toen een ruwe, wilde borst—maar ik heb gesidderd, zoo zag hij er uit. De oogen schenen weggezonken; het jonge, bloeiende gelaat was oud en vervallen van waanzinnige smart, en de mond beefde van hevigen toorn. Van mijn leven vergeet ik dat gezicht niet, noch den doodsangst, dien ik gevoelde, toen ik de deur achter de barones sloot; de tanden klapperden mij van ontsteltenis, en als vastgenageld bleef ik in de gang staan. Sanna sloop ook naderbij, en zoo stonden wij beiden en waagden het nauwelijks adem te halen. Eerst was het onverstaanbaar, wat zij daarbinnen spraken; men hoorde slechts de zachte stem der barones en het snikken van Francis; toen echter vernamen wij de met een donderende stem uitgesproken woorden van baron Frits duidelijk; moordenares noemde hij de barones en vervloekte haar en haar huis; ik stondstom en stijf, toen de deur plotseling openvloog, de barones naar buiten stormde, en als een gejaagd ree de gang langs en de trappen afvloog; verschrikkelijk zag zij er uit, en daar beneden sloeg zij, als naar een steun reikende, de armen om den pilaar en gleed bewusteloos ter aarde; ik zie haar nog voor mij, de witte, ineengezonkene gedaante, en hoe Sanna haar schreiend volgde en op hare armen wegdroeg. Op hetzelfde oogenblik werd Francis naar buiten gestooten, en stond de baron in de deur: “Mijn paard!” beval hij met heesche stem, en terwijl ik naar beneden ijlde liep Francis het portaal door in donker en stormweer naar buiten. Ik bracht den baron zijn paard voor; hij wrong er zich op met zijn bleek, ontdaan gezicht—het arme dier, het steigerde hoog op, zoo drukte hij het de sporen in de zijden, en weg vloog hij, zoodat ik meende er moest een ongeluk geschieden. Toen kwam hij op eens terug; ik stond nog in wind en weder op de trappen van het bordes en luisterde naar het naderbij komende paardengetrappel. Hij wierp mij een geldstuk toe.“Hoor eens, Hendrik,” zeide hij, “ga gij naar mijn oude moeder en zeg haar voor mij vaarwel; mij ziet zij nimmer weer—” Het laatste verstond ik nauwelijks; de wind verwaaide het, òf zijne stem werd door snikken verbroken, ik weet het niet; hij gaf mij de hand, toen was hij weg, en is nooit teruggekomen.Francis zag ik echter nog eens; zij lag daar boven onder de oude boomen op de knieën, en toen zij hem in den duisteren nacht zag wegrijden, gaf zij zulk een hartverscheurenden gil, dat ik er heen liep. Dáár, mijnheer, daar vond ik een arm ongelukkig schepsel, dat van berouw en smart verging; toen bemerkte ik, dat zij niet zoo slecht was; ik troostte haar in haar ellende—nu, toen heeft zij mij verhaald, dat baron Frits en de schoone Lisette gescheiden moesten worden—dat zij gestorven was, omdat men haar had doen gelooven, dat hij haar ontrouw was en—dat is alles wat ik weet.”“Meent gij, Hendrik, dat mijne grootmoeder werkelijk—”De stem van den jongen man klonk dof.“O, mijnheer, mij voegt het niet iets slechts van mijne meesters te gelooven; ik heb immers geen bewijs er voor, dat baron Frits reden had tot zulk een vreeselijke vervloeking; maar dit weet ik zeker, dat hij met de barones sedert eenigen tijd niet op een goeden voet stond, omdat—och, hij had zich eens in hare zaken gemengd; daarbij was zij gruwelijk trotsch; zij had voor geen geld ter wereld lompenmolenaars Lisette als schoonzuster erkend; en daarom—mijnheer de luitenant—neem het mij niet kwalijk! ik durf het u immers wel zeggen, ik heb u in den wieg zien liggen en tot een jonkman zien opgroeien. Duidt het mij niet euvel—Liesje—”“Is mijne bruid, Hendrik—”“Ik weet het, en heb mij verblijd, toen ik u beiden zag, zooals ik nooit geloofd had, mij ooit weer te zullen verheugen—ach, mijnheer, houdt uwe bruid in eere, en laat haar niet uit uwe oogen gaan! Men kan angstig worden voor zulk een jong wezen, hier boven in het slot; vergeef mij, heer baron! Mijn hart drong mij, u dit te zeggen; zij gelijkt zooveel op Lisette, vooral dezelfde oogen, even zoo blauw, diep en helder, en dezelfde uitdrukking er in. Zulke oogen vergeet men niet. God geve haar enkel vreugdetranen!”De stem van den oude was ontroerd toen hij weg ging, en het “goeden nacht” klonk zeer onduidelijk in Army’s ooren; hij lette er ook niet op—voor zijn geest stonden zij ook, die blauwe kinderoogen, maar zoo smartelijk, zoo bang, en onuitsprekelijk droevig, als hij ze dezen avond gezien had.“Dezelfde oogen,” herhaalde hij halfluid, “dezelfde uitdrukking!” en hij zag naar de beeltenis der schoone Agnese Mathilde. Het licht was diep neergebrand; het flikkerde slechts nu en dan flauw op, en het roode, volle haar wasbijna onzichtbaar in het matte schijnsel; de twee donkere, droevige oogen echter staarden uit het bleeke gelaat onafgewend op den jongen man, zoo smartvol, zoo bang, als zochten zij een verloren geluk. Dat waren de oogen, waaraan hij gedacht had bij het uitstijgen uit den wagen—de oogen der schoone Agnese Mathilde!Achttiende Hoofdstuk.Den volgenden morgen ging Army naar den molen; zijn aanstaande schoonvader wenschte een onderhoud met hem. Liesje zag hij niet; tante, die uit de keuken kwam, en de kamerdeur voor hem opende, antwoordde op zijne vragen, dat het jonge meisje nog sliep; een weinig rust zou wel noodig zijn en goeddoen, als men den geheelen nacht geweend had.Een donkere schaduw lag op zijn gelaat, toen hij de kamer zijns schoonvaders binnentrad; hij had verlangd Liesje te zien, na den vorigen avond, en de gedachte, dat zij den ganschen nacht geweend had, lag hem zwaar op het hart. Hij moest eenige oogenblikken wachten. De heer Erving was boven in het kantoor; onwillekeurig sloeg hij zijne blikken in het rond; het was een gezellig vertrek, met donkere tapijten, groene meubels en gordijnen; op een groote schrijftafel stond een portret; het was eene photographie van Liesje uit hare kinderjaren; het lieve gezichtje zag er recht schalksch uit. Hij hield de beeltenis omhoog, om het beter te zien, en had het nog in de hand, toen de heer Erving binnentrad.Op het gelaat van den statigen man lag eene uitdrukking, die men er anders niet op vond, van zorg en spanning; hij had zeker dien nacht weinig geslapen. “Vergeef mij, dat ik u liet wachten!” begon hij het gesprek en reikte den jonkman zijn hand. “Ga zitten,” vervolgde hij, “enlaat ons dadelijk tot onze zaken overgaan!—Ik zal niet veel onnoodige woorden gebruiken,” ging hij voort en schoof een stoel voor zich bij de tafel. “Vooreerst denk ik, reizen wij te zamen naar uw garnizoen, om daar de zaken te regelen; dan dient gij uw ontslag uit den dienst in—Gij kunt het mij niet kwalijk nemen, dat ik dit zoo bepaald verlang! zij is mijn eenig kind”—zijne stem beefde bij deze woorden—“en ik wil haar ten minste in mijne nabijheid, onder mijne bescherming houden.”Army boog toestemmend, maar het bloed steeg hem gloeiend heet naar de wangen.“Ik verlang niets onredelijks,” voer de andere voort; “gij weet, dat mijne familie in vroegere jaren van de uwe een aanzienlijk deel der omliggende landerijen gekocht heeft. Nu is Liesje ons eenig kind, en ik heb met mijne vrouw overlegd, dat het het beste zou zijn, dat gij weder werdt, wat uwe voorouders waren, heer van Derenberg. Ik heb heden morgen vroeg reeds aan Hellwig geschreven, hoe de zaken staan, en hem tot eene samenkomst te S. uitgenoodigd, hoofdzakelijk met het doel, om te beproeven, hoeveel wij van de landerijen van uw erfgoed, die bovendien niet in goede handen zijn, weder machtig kunnen worden, om ze dan weder tot één geheel te vereenigen; zooals wij hopen, zal het met het meerendeel gelukken. Van u verwacht ik daarvoor, dat gij u—-” hij hield plotseling op, trad naar de schrijftafel en zocht tusschen zijne papieren.“Ik heb niet lichtvaardig mijne toestemming gegeven,” wendde hij zich weder tot den jongen man, en zijne stem klonk week en zacht, “want ik vrees, dat mijne dochter vele vernederingen tegemoet gaat; maar zij wilde niet anders.—Ik ken u eigenlijk alleen uit uw jeugd, want als jongeling hebt gij mijn huis niet weer betreden, maar het weinige, dat ik van u weet, is niet van dien aard, om u onvoorwaardelijk mijn vertrouwen te schenken. Gij hebt tot nu toe getrouw de voetstappen uwer grootmoeder gevolgd, die inmenschen van mijn stand zeer ondergeschikte wezens ziet; uwe voorouders—ik weet het—dachten anders. Ik heb u thans het liefste gegeven, dat wij, mijne ziekelijke vrouw en ik, op de gansche wereld bezitten, en daarvoor eisch ik, dat gij mijn kind zult beschermen en in eere houden; ik wil niet, dat zij door uwe grootmoeder zóó behandeld zal worden als uwe ongelukkige moeder; deze belofte kan ik van u verlangen, en gij zult mij die nu geven; zoodra ik tranen in het oog mijns kinds zie, stel ik u daarvoor verantwoordelijk. Kunt gij mij beloven alles te doen, om mijn kind voor den hoogmoed dier vrouw te behoeden?”Hij hield hem de hand toe. Het liefst was Army den man om den hals gevallen; Derenberg zou hem weder toebehooren, zijn schoonste droom verwezenlijkt worden! En toch lag er een drukkende last op zijne blijdschap.“Het zal Liesje nimmer berouwen, dat zij mij van een donkere toekomst redde,” antwoordde hij, toen zijne hand in die van Erving lag; “ik zal weten haar te beschermen in ieder opzicht—ook voor mijne grootmoeder; ik moet dadelijk naar haar toe.”Een snelle, onderzoekende blik van Erving gleed over het gelaat van den jongen man vóór hem; hij scheen kalm, alleen zijne oogen fonkelden. “Laat u niet door drift vervoeren!” vermaande de oudere man, en lag de hand op Army’s schouder, “zij is en blijft de moeder uws vaders en den ouderdom moet men eeren. Ik verlang niets anders, dan dat zij mijn kind geen kwaad doet, voor ’t overige mag zij handelen, zooals zij wil. Dus bedaard, Army, hoort gij wel? Zij is een oude vrouw.”Het was de eerste maal, dat hij den jongen officier bij zijn voornaam aansprak. Diep geroerd zag deze tot hem op; dàt was de man, van wien hij eenmaal in dwazen trots gezegd had, dat hij niet onder zijn dak kon verkeeren, en nu zorgde hij voor hem als een vader! Hem dankte hij nu alles, alles, zijn geheele toekomst.“Ga nu, Army!” vermaande hij, toen deze zijn hand greep en zwijgend drukte, “en heden namiddag vertrekken wij. Ga—en nog eens—bedaard!”Hij ging als in een droom; boven aan het einde der allée dook reeds het slot op en het prachtige met wapens getooide bordes. Één oogenblik rustte zijn blik daarop; hij gevoelde zich heden zoo nietig, zoo ellendig. Hij richtte het hoofd op, en een trek van vastberadenheid lag op zijn gelaat, toen hij de trap opging, die naar de kamer zijner grootmoeder voerde. Daar kwam Nelly hem tegemoet loopen; hare oogen schitterden als zonneschijn.“Hoe maakt het Liesje, Army?” vroeg zij, en sloeg de beide armen om zijn hals. Hij zag haar in het lachende, gelaat.“Wilt gij mij een genoegen doen, kleine?” vroeg hij, en streek haar de lokken van het voorhoofd. Zij knikte haastig.“Ga dan naar haar toe—ja? Maar spoedig, aanstonds, en zeg haar dat ik haar laat groeten, en zij niet meer moet weenen; ik laat haar dit dringend verzoeken—hoort gij?” Hij maakte driftig hare handen los en keerde zich om; toen hij een verbaasde, vragende uitdrukking op haar gelaat las, riep hij haar toe: “Ga toch spoedig, en blijf wat bij haar. Ik moet nu met grootmama spreken.”In de gang sloop Sanna hem voorbij, haar groet was eenigszins snibbig.“Kan ik grootmama nu spreken?” vroeg hij.“Ik was reeds tweemaal in uw kamer, heer baron,” antwoordde zij, “mevrouw uwe grootmama wacht met ongeduld.”Hij ging haar schielijk voorbij en trad binnen. De oude dame zat op hare gewone plaats bij den haard: zij knikte vluchtig met het hoofd en wees op een stoel. “Gij hebt mij lang laten wachten,” sprak zij.“Ik had een noodzakelijk onderhoud met mijn aanstaanden schoonvader,” antwoordde hij, plaats nemende, “hij waszoo goed, mij de plannen voor onze toekomst mede te doelen.”“De proef is dus toch gelukt?” vroeg zij, zijn eigene woorden gebruikende. “Nu, in ieder geval hebt gij nog geene ringen gewisseld; er kan dus nog over de zaak gesproken worden.” Hij maakte een ongeduldige beweging. “Gij veroorlooft toch, dat ik nog een paar woorden spreek?” vroeg zij.Army maakte een lichte buiging en plotseling viel zijn oog op een brief, dien de tengere vingers zijner grootmoeder vasthielden; hij kende dat stevige, roomkleurige papier, en op eens vloog het bloed hem gloeiend heet naar het hart.“Vooreerst,” begon de oude dame en nam van het nevens haar staand tafeltje een tweeden brief, “is hier een zeer minzaam schrijven van den hertog; hij wenscht uwe omstandigheden te leeren kennen, en belooft mij, in ieder opzicht uwe belangen te zullen bevorderen; dat is eene belofte, waarvan gij den omvang, naar ik hoop, op prijs zult weten te stellen; uwe plaats als officier is verzekerd, uwe carrière buiten allen twijfel.” Zij zag hem uitvorschend aan. “Mijn raad is deze, gij maakt een einde aan die belachelijke comedie daar beneden in den molen en vertrekt dadelijk naar S.”“Grootmama,” antwoordde hij bedaard, “dat kan u onmogelijk ernst zijn.”“Dat is het—in waarheid,” verzekerde zij, “gij hebt hals over kop de laagste betrekkingen aangeknoopt, en ik wil u daarvoor andere geven, meer overeenkomstig uwen stand.”“Meer overeenkomstig mijn stand?” vroeg hij, “dat zal bezwaarlijk zijn; de betrekkingen, die ik aanvaard, zijn de beste die er zijn.”“Misschien compagnon van mijnheer uw schoonvader—lompenmolenaar numero twee! nietwaar?”“Ik bid u, grootmama, laat ons van dat onderwerp afstappen! Ik zal nimmer mijn woord terugnemen, zelfs niet, wanneer uw voorstel mij kon verleiden—zoo veel te minder echter, nu ik geen lust gevoel terug te treden.”“Dan verlaatikhet huis!” riep zij toornig, “nog voordat uwe vrouw er den voet inzet.”“Dat zou mij spijten, grootmama. Gij kunt met een weinig vriendelijkheid zooveel goed maken; trouwens wanneer gij—”“Het is toch beter, dat ik ga, meent gij?” vroeg zij. “Goed, Army, dat wil ik ook, ziehier,ditis een uitkomst.”Zij hield hem het roomkleurige briefje onder de oogen; hij herkende de sierlijke hand zijner trouwelooze bruid; onwillekeurig trad hij terug. “Blanka?” vroeg hij toonloos; “schrijft zij u?”“Weet gij, wat zij mij schrijft? Zij verzoekt mij, haar op eene reis naar Italië te begeleiden, omdat de overste door dienstplichten verhinderd wordt, mede te gaan. Het liefste zou ik haar dit vod met de vleiendste woorden in het aangezicht smijten, maar onder deze omstandigheden is er geen anderen uitweg; ik neem haar aanbod aan.”“Gij wilt—gij kunt dat? Kunt gij tot haar gaan, die mij bedrogen heeft, grootmama?” vroeg de jonge man en greep hare hand.“Mij blijft niets anders over; ik wil met die lieden daar beneden geene gemeenschap hebben; ik wil het niet, en ik doe het niet,” hield zij vol.“Dan is het zeker beter dat gij gaat,” sprak hij zacht en keerde zich om.“Dat is dan de dank voor al mijne liefde! Dat is de vervulling aller verwachtingen, die ik op u gebouwd heb!” bracht zij uit. “Incredibile! Als ik mij u voorstel, daar beneden in het kantoor op den stoel uws schoonvaders!” vervolgde zij in één adem, “schrijvende, of de boeken houdende, gij, die het vooruitzicht op een schitterende loopbaan zoo onzinnig verwerpt!”“Ik had tevreden moeten zijn, zoo mijn schoonvader mij den kantoorstoel had aangewezen, maar hij heeft het beter met mij gemaakt; Liesje brengt als bruidschat onzeoude familiegoederen mede, ik zal weder heer op Derenberg wezen.”Hij had langzaam gesproken en op ieder woord gedrukt.Zij keerde zich met één ruk om; haar groote oogen zagen hem verbaasd aan, als geloofde zij zijne woorden niet. “Duur genoeg betaald!” bracht zij met moeite uit.“Hoe zoo?”“Omdat gij voor uw leven aan eene vrouw geketend zult zijn, die uws gelijken met den nek zal aanzien, en eindelijk, die gij niet liefhebt, niet kunt liefhebben!”“Wie zegt u dat?” vroeg hij, en een fijn lachje speelde om zijn mond, “zou het laatste zoo onmogelijk zijn? Mij dacht, gij weet het tegendeel uitondervinding. Denk slechts aan mijn gestorven oudoom Frits en de schoone Lisette!—”De oude dame antwoordde niet; met een driftig gebaar ging zij weder in den leunstoel zitten, en hare vingers verkreukelden Blanka’s brief; maar haar gelaat was wit geworden, zoo wit, als de strooken harer muts.“Mijn zwager heeft er nimmer aan gedacht, dat meisje te trouwen,” sprak zij eindelijk, “daarin moet ik hem verdedigen; het was een minnarij, zooals heeren die bij dozijnen plegen te hebben; de bekendheid met deze geschiedenis moest u juist van de onzinnige gedachte terughouden, een meisje uit dat huis tot uwe vrouw te maken!”“O, toch niet, integendeel! Als iets mij nog in mijn besluit konde versterken, dan zou het dit zijn, dat ik daarmede een gedeelte van hetgeen zinnelooze hoogmoed en onedele wraak eens misdeden, vergoeden zou.”“Deze duistere toespelingen zijn mij geheel onbegrijpelijk,” viel zij hem in de rede, en stond driftig op; “de broeder uws grootvaders was een mensch, die geene zelfbeheersching bezat, die een los, lichtzinnig leven leidde—hij is gestorven, God weet waar? Hij was een huichelaar, die zijn lichtzinnige gedachten, onder het masker van een rechtschapen, achtenswaardig uiterlijk, voortreffelijk wist te verbergen; hetspijt mij, dat gij u eene legende op den mouw hebt laten spellen, waarin deze zedeprekende huzaren-officier met die Lisette de rol van heilige vervult.—Maar juist daarom, wijl reeds eenmaal zulke onpassende betrekkingen aangeknoopt werden tusschen ons en hen daar beneden, betrekkingen die—Gode zij dank!—door een verstandige bemoeiing verbroken werden, juist dáárom, herhaal ik u, zal ik nooit of nimmer het meisje als uwe bruid beschouwen, nooit of nimmer haar mijne hand reiken; en volhardt gij bij uw voornemen—goed, dan ga ik—ik weet nu waarheen—” zij hief Blanka’s brief omhoog; “en hoewel het mij zwaar valt, dezen stap te doen bij haar, die u bedroog, ik verkies dit boven het vooruitzicht met deze persoon in hetzelfde huis te leven.”Haar lippen beefden, en haar oogen fonkelden van toorn.“Goed, ga dan, grootmama! Het doet mij leed, dat de zaken zoo loopen. Maar gij zoudt het volste recht hebben te zeggen, dat ik geen man ben, slechts een verwijfde droomer, wien het weinigje ongeluk de armen verlamd heeft—wanneer ik mijn besluit veranderde; als man van eerkanik het niet; ikwilhet niet, omdat ik niet zoo dwaas zijn zal, een gansche gelukkige toekomst van mij te werpen.”“Gijzelf beveelt mij dus te gaan?” vroeg de oude dame ademloos.“O neen, grootmama; het liefste zag ik, dat gij in mijn huis uw verder leven vreedzaam doorbracht, maar daar gij mij de keuze laat: gij of zij—zeg ik van ganscher harte: “mijne bruid!””Hij had luid gesproken, en zijne woorden klonken oprecht gemeend.“Goed,” antwoordde zij, “ik ga; en wanneer gij ook op uwe knieën voor mij laagt, en gij allen te zamen mij handenwringend smeektet om te blijven, ik zou toch gaan. Het is schandelijk; het is ongehoord—” zij trok met bevende haast aan de scheldkoord en begon onderscheiden laadjes vanhaar schrijftafel open te trekken: brieven, kistje, kleine doosjes vlogen er verward door elkander uit.“Mijne reiskoffers,” beval zij der binnentredende Sanna: “pak uw goed ook. Wij vertrekken.”Op dit oogenblik vloog een klein, blinkend voorwerp over het tapijt en bleef voor Army’s voeten liggen; hij nam het op en beschouwde het—het was een klein gouden hart, bekrast en dof, waarop de letters L. E. waren gegraveerd. Hij staarde er langen tijd op; het was hem onmogelijk een woord te spreken; hij ging naar haar toe, en hield haar het kleine, gouden hartje voor. Zij vestigde haar oogen er op; toen greep zij opeens het blad van de tafel, om zich vast te houden; het rood week uit hare wangen, en een vale bleekheid verspreidde zich over haar gelaat. Geen geluid verbrak de stilte; alleen de kleine beeldjes op de schrijftafel stootten zacht tegen elkander, zóó zwaar leunde de bevende barones er op.“Ik heb geen recht, u verwijten te doen,” sprak hij ten laatste, en trok de hand, die het kleine voorwerp vasthield, terug. “Gij zijt de moeder mijns vaders, en—het zou ook nutteloos zijn. Maar ik zal dubbele moeite doen, aan mijne bruid te vergoeden, wat gij eens misdaan hebt aan een jong, beminnelijk schepsel; God geve, dat het mij moge gelukken!” Hij keerde zich om en wilde heengaan.Daar trad Sanna hem in den weg.“Wat wilt gij van mijne meesteres?” riep zij, “ik heb het gouden amulet den baron Frits ontnomen; ik alleen deed het. Mijne signora is onschuldig. Jaag mij weg, mijnheer, maar ontneem haar niet haar tehuis, de eenige plaats, waar zij haar hoofd kan nederleggen!” De oude meid was op den vloer gegleden en strekte smeekend de handen naar hem uit; in hare koude, grauwe oogen blonk een traan.“Ik zend uwe gebiedster niet weg,” zeide Army, geroerd door de trouw van het oude, hardvochtige schepsel, “integendeel,—”“Sta op!” beval de barones toornig, “en doe, wat ik u bevolen heb—geen woord meer. Ik vertrek nog heden!”“Misericordia!” snikte de oude in haar doodsangst, en greep de plooien van het zwarte kleed harer meesteres; “laat mij medegaan, signora Eleonora! Ik sterf zonder u.”Hij zag droevig naar de gebiedende gestalte, die daar midden in het vertrek stond, het hoofd trotsch in den nek geworpen; scherp en vijandig blikten de zwarte oogen hem aan, als stond een vreemde bedelaar voor haar, dien zij de deur wilde wijzen. Hij had haar altijd zoo liefgehad, zoo bewonderd, zijne schoone grootmoeder; zelfs thans, nu de nimbus, met welke zijn hart haar eens omgaf, geweken was, zelfs nu zegepraalde deze liefde; hij vergat haar heerschzucht, hare hardheid; hij zag slechts de trotsche, bevelende vrouw, die hem eenmaal met afgodische teederheid opvoedde. “Grootmama!” smeekte hij, en trad eene schrede nader, “laat vergeten zijn, wat eens gebeurd is! Ik geef u de hand er op, niets zal u hier aan het verleden herinneren—”“Ga!” sprak zij kortaf, en wenkte hem met de hand op hare bevallige manier ten afscheidsgroet; “ga! Ik wil alleen zijn; ik heb nog veel te regelen.”Hij trad op haar toe. “Vaarwel!” zeide hij, “en zoo gij ooit heimwee gevoelt, kom dan! Gij zult—”“Adieu!” viel zij hem in de rede, en onttrok hem de hand, die hij aan zijne lippen wilde brengen. “Gij hebt gekozen.” Zij keerde hem den rug toe.“O, de vloek! de vloek!O, mio dio!” snikte de oude dienstmaagd, die nog altijd handenwringend op den vloer geknield lag.“Gekken!” hoorde hij zijne grootmoeder zeggen; toen viel de deur tusschen hem en haar in het slot.

Zestiende Hoofdstuk.De volgende dag bracht slecht weder; het dooide, en de sneeuw was in eens verdwenen; de natte, bruine takken strekten zich kaal naar den grauwen hemel uit; daarbij stormde en raasde het in de lucht; de elzeboomen aan den molenbeek bogen en zwaaiden in den wind.Op den molen heerschte een gedrukte stemming; de meiden in de keuken spraken zacht met elkander, en de koetsier, die zich bij haar gevoegd had, krabde zich een paar maal met een veelzeggend gelaat achter de ooren. Uit de woonkamer drong de stem van den heer des huizes duidelijk tot hier door. De jonge baron was er. Gisteren was hij er ook al eens geweest, en sedert zag Liesje zoo wit als de muur. Ermoestiets niet in orde zijn; dat was zonneklaar; ook tante zag zoo zuur als azijn—en dan de meester!De kamerdeur ging open, en tante klom de trap op, zooals Doortje door een kier van de deur zien kon.“Let op, Mina, onze juffer heeft het doorgedreven,” fluisterde zij, “tante haalt haar naar beneden; nu—waarom ook niet? Hij is een knap en voornaam heer, en lijden mochten zij elkaar al, toen hij nog als kadet met verlof te huis kwam.”Peter krabde zich weer achter de ooren.“Nu,” meende hij, “als ik mijnheer was, ik zei neen, om de oude van het slot.”“Pst!” waarschuwde Doortje, “waarlijk, zij komt de trap af; nu gaan zij in de kamer. Hoezee! een verlovingsfeest—dat zal een pret geven.”Het volgende oogenblik stond zij reeds weder bij de keukentafel, met hare borden bezig, want zij hoorde tante komen, die een oogenblik daarna de keuken binnentrad. Het oude gelaat teekende zorg, en aan de oogen was het te zien, dat zij bitter geweend hadden; zoo dachten de meiden ten minste. Zij stond een oogenblik als in gedachten verzonken, toen nam zij haar sleutelbos en ging naar de provisiekamer.“Glazen, Doortje!” beval zij, toen zijmet eenige flesschen wijn terugkwam, “en doe een schoon voorschoot aan, als gij ze binnenbrengt!”Zij zette de flesschen op de keukentafel, en ging zich de oogen afvegende, weder heen.“Mijn God!” riep het meisje, toen zij met het ledige blad uit de woonkamer terugkwam, “moet dat eene verloving heeten? Het heele gezelschap zet een gezicht, als bij een begrafenismaal; onze heer bijt zich op de lippen, alsof hij zijne tranen wil wegjagen; de vrouw schreit, alsof Liesje dood was, en de tante ook; mijnheer de baron zit als een stok naast onze juffer; ik zag juist dat hij haar de hand kuste, alsof bij eene verloving niet een flinke kus behoort; en onze Lise ziet er uit—God erbarme zich over haar; als dat een gelukkige bruid moet wezen!”Ongeveer een half uur later verliet een jong bruidspaar het oude huis; aan het venster stond de oude tante het na te zien, en onder de linde keek het bleeke gezichtje nog eenmaal om naar het venster; er was niets op te bespeuren van het zoete, zalige geluk, dat een jonge, kinderlijke bruid gevoelt; om den mond speelde een smartelijke trek, en de oogen spraken angst en lijden. De bruidegom had haar arm genomen en in den zijnen gelegd; zwijgend vervolgden zij hun weg; bij de oude linde gekomen, beefde de hand vanhet jonge meisje, en werd haar gelaat voor een oogenblik met een donkeren blos overtogen.“Zijt gij moede, Liesje? Ik liep te schielijk.”“O neen, maar ik—ik ben zoo bang voor uwe grootmoeder.”Hij beet zich op de lippen, maar zweeg; hij verkeerde zelf in een angstige spanning, en kende zijne grootmoeder genoeg om te weten, dat zij tot elke lompheid in staat was. Zij traden nu de linden-allée in; de wind huilde door de hooge boomen en deed de takken krakend tegen elkander slaan; het hooge bordes met zijn oude, zandsteenen beren lag nat en donker voor hen. Onwillekeurig vielen Liesje’s oogen op de poort. “Wat beteekent dat?” vroeg zij op eens op de wapenspreuk wijzende.“Nunquam retorsum!Nooit achteruit!” antwoordde hij.“Dat is goed,” sprak zij, diep ademhalend, en versnelde haar tred.Zoo kwamen zij bij de torendeur; een oogenblik overviel haar een gevoel van zwakheid. “Zal ik het kunnen verdragen, als zij mij beleedigt?” vroeg zij zich zelve af, en een onuitsprekelijke angst voor de trotsche grootmoeder beklemde hare borst; het was haar alsof zij nog moest terugkeeren, nog vluchten—eer het te laat was; zij gevoelde zich zoo hulpeloos, zoo verlaten; wanthij,hijhad haar immers niet lief.“Liesje,” riep jubelend een heldere stem, en in tranen uitbarstende, sloeg Nelly de armen om haar hals. “Liesje! zuster Liesje!”Zijdulddehare kussen; als een heldere zonnestraal vloog het over haar gelaat, en daar boven, op den drempel der gezellige woonkamer, strekten zich een paar armen naar haar uit, en omvatten haar al vaster en vaster, terwijl haar oor woorden van liefde opving.“Mijn lieve moeder,” fluisterde zij, en boog zich over de tengere hand, “ik zal u altijd een gehoorzame dochter zijn—en voor Army een trouwe echtgenoote.” Het laatste kwam er aarzelend en zacht uit.“Een oogenblik geduld, Liesje! Ik wil bij grootmama ons bezoek laten melden,” zeide Army.Zij knikte toestemmend; hij ging, en keerde spoedig zwijgend terug. Haar hart klopte onstuimig; onwillekeurig vouwde zij de handen, terwijl zij beurtelings rood en bleek werd, en op eens stond alles, wat de trotsche oude vrouw haar had aangedaan, in vlammend schrift voor haren geest, en voor hare oogen verscheen een liefelijk beeld—oudtante Lisette en een vroegtijdig graf op het kerkhof daar boven.“Mevrouw de barones laat zich verontschuldigen; zij heeft hoofdpijn van daag en kan niemand ontvangen.” Met deze woorden deed Sanna het jonge meisje uit haar koortsachtige gedachten opschrikken.“Dan laat ik verzoeken, mij morgen een uur te bepalen, waarop ik met mijne verloofde een bezoek kan brengen,” klonk het schijnbaar kalm; maar Army’s oogen zagen de oude meid dreigend aan, wier blik met een uitdrukking bijna van haat op de jonge bruid rustte. Deze had zich onwillekeurig hoog opgericht; Nelly greep hare hand en streelde zacht hare wangen.“Mama,” begon Army en nam op den stoel naast zijne verloofde plaats, “mijn schoonvader laat u om een onderhoud verzoeken, en het zou zeer vriendelijk van u zijn, wanneer gij heden avond met Nelly in den molen kwaamt, ten einde gemeenschappelijk onze—”“Zeker, Army, zeker! Ik zou heden toch met Nelly gekomen zijn, ingeval het weder het toelaat.”“Mevrouw de barones kan vooruit geen tijd bepalen, maar verzoekt mijnheer den luitenant, heden avond een oogenblik bij haar te komen,” luidde het antwoord dat de terugkeerende oude dienstmaagd nu bracht.“Het doet mij leed, Sanna, maar ik ben heden avond, zooals te begrijpen is, niet vrij, daar wij beneden in den molenonze verloving vieren—hoort gij Sanna, in den molen beneden! Het spijt mij voorts, Sanna, dat de barones hoofdpijn heeft, en wij dus hare tegenwoordigheid bij het feest moeten missen; voor het overige bevelen wij, verloofden, ons aan en wenschen beterschap.”“Si, Signor!” siste de oude en verdween.Het bleef stil; Army ging in de kamer op en neer; zijne moeder had het jonge meisje naast zich op de sofa getrokken, en hield hare handen stijf vast.Vreeselijk zwaar had de boodschap Liesje in de ooren geklonken. Het gevoel van haar pijnlijken toestand drukte haar met zijn geheele zwaarte; zij meende te zullen bezwijken, wanneer haar vader vernam, dat de grootmoeder van haar verloofde haar niet eens had willen zien; en dan nog tante! Maar zij had niet anders gewild; zij zou nooit klagen, had zij beloofd. Ja, als hij haar ten minste beminde, dan—“Ik moet naar huis,” sprak zij opstaande; zij had een gevoel alsof zij stikken zoude.“Waarom zoo spoedig?” vroeg Army.“Ik—ik wil te huis bericht brengen, dat mama en Nelly komen,” stamelde zij. Hij nam zijne muts. “Blijf toch hier!” verzocht zij angstig; “ik kan zeer goed alleen gaan; kom dan later met uwe moeder!”Hij haalde ongeduldig de schouders op. “Adieu, mama, tot weerziens; adieu, Nelly!” riep hij, terwijl Liesje, haar sluier voordoende, met afgewend gelaat haar de hand reikte.Buiten gierde nog altijd de storm, en weder gingen zij zwijgend naast elkander.“Gij zijt te dun gekleed,” sprak Army, en deed zijn mantel af om haar dien over de schouders te hangen.“Neen, ik ben niet koud, wezenlijk ik dank u.” Hij nam den mantel over den arm en wandelde naast haar voort.“De weg lijkt een moeras,” begon hij na een poos; “wij moeten trouwens haast aan de plek komen, waar de molenbeek buiten hare oevers is getreden—wacht! Daar zijn wijer reeds; ik zal zien of er niet een pad door het bosch te vinden is.”Zij zag in de schemering zijn slanke gestalte, die zoekende den weg langs ging; toen kwam hij terug.“Het gaat niet; het water komt aan beide kanten over de schoenen; ik zal u er over dragen.”“Neen,” riep zij achteruit tredende, “dat nooit.”“Waarom niet?”“Omdat ik niet wil, dat gij u om mijnentwille de geringste moeite geeft; mij hinderen natte voeten niet, zeker niet; wij zijn immers dadelijk te huis.”Hij antwoordde niet, en de duisternis verborg zijn gloeienden blos; zij voelde zich echter eensklaps door sterke armen opgetild en overgedragen.“Gij moet mij dit ten goede houden,” klonk het haar koel en bitter in de ooren, toen zij weer op vasten grond stond. “Eene dame kan deze plek onmogelijk zonder hulp voorbij komen.”Het overige van den weg werd zwijgend afgelegd. Toen zij de huisdeur binnentraden, gluurden nieuwsgierige gezichten der meiden uit de keuken, en kwam tante hun te gemoet: “Wat is dat een weer!” sprak zij vriendelijk, en opende hun de deur der woonkamer.“Goeden avond, tante,” zeide Army en wilde hare hand vatten, maar de oude vrouw trok ze haastig terug.“Ga gij maar eerst naar binnen, mijnheer de baron!” antwoordde zij koel, “Liesje zal wel volgen; ik heb haar eerst nog wat te zeggen, en gij zult ook nog velerlei met uw schoonvader te bespreken hebben.” Zij trok het jonge meisje aan de hand mede naar haar kamertje.“Wij krijgen bezoek, tante,” sprak deze; “Peter moet Army’s moeder en Nelly met den wagen halen.”“Goed, ik zal het zeggen.”De oude vrouw ging heen, en toen zij weder binnentrad, viel het flikkerende licht der lamp, die zij droeg op eenbeschreid gelaat, ’t welk te voren door de schemering onzichtbaar was.“Gij hebt geweend, tante?” vroeg Liesje en boog zich tot haar over.“Nu ja, kind, dat gaat zoo—laat dat maar! Ik wilde dezen avond een paar woorden tot u spreken, daar het uw verlovingsdag is.” Zij zette de lamp op de tafel en trad op het jonge meisje toe. “Zie, Liesje, ik heb altijd gemeend, dat een dag als deze vroolijker zou zijn, en gij een minder bleeke bruid zoudt wezen. Het is uw eigen wil, kind; gij zegt immers ook, dat gij gelukkig zijt en hebt uw ouders hunne toestemming op de knieën afgesmeekt; maar mij, Liesje, mij kunt gij niet misleiden; ik weet zeer nauwkeurig hoe het er in dat arme kleine hartje uitziet, en dat doet mij zoo jammerlijk zeer; ik zou haast vergaan van harteleed.”Zij keerde zich om, ging naar de commode, trok het kleedje, dat er over lag, wat terecht, en deed de laden open en dicht, waarbij haar de tranen uit de oogen op de oude handen vielen; Liesje stond nog zwijgend midden in het vertrek.“Dat gij zoo stil zijt en zoo strak, kind,” zeide de oude en droogde zich de oogen af, “dat kan mij zoo angstig maken; spreek toch mijn hartedief! Dat verlicht altijd.”“Wat zal ik zeggen, tante? Ik heb niets, waarover ik graag wil spreken,” antwoordde zij.“Kom eens bij mij, Lise!” smeekte de oude vrouw, “beloof mij één ding! Als hij ooit vergeten mocht, wat gij voor hem deedt, als hij ooit onvriendelijk jegens u is, en ik leef nog, kind, kom dan bij mij! Dan zal ik met hem spreken, en ten tweeden male zal hij het niet weer wagen.”Zij lachte slechts. “Maak u maar niet bezorgd, tante!”“En de oude barones, kind, hebt gij haar gesproken?”“Neen, tante, ik geloof dat zij mij niet wil zien.”De oude vrouw stond haastig op, en haar goedig gezichtzag er een oogenblik onbeschrijfelijk bitter uit; zij had een hard woord op de lippen, maar een blik op het bleeke meisje vóór haar deed haar zwijgen.“Hemelsche goedheid,” mompelde zij slechts, “en dat alles zonder liefde!” en weder vulden tranen hare oogen.Buiten reed juist de wagen dreunend over de brug, om de dames van het slot te halen; tegelijkertijd werd ook de huisdeur opengedaan, en vernam men een luid gesprek en daarop Doortjes beklagenden uitroep:“Och lieve Hemel!”“Dat is de oude Thomas uit de pastorie,” zeide tante en opende de deur. Het was zoo; daar stond de oude, kromme man, met de van regen druipende muts in de hand, en Doortje riep tante toe:“Ach, hoor eens aan, Kareltje van Dominé is gestorven, zoo even; wat spijt mij dat!”“Karel?” vroeg Liesje en stond eensklaps nevens den ouden man; “Karel?”“Ja, juffer, om zes uur is hij ingeslapen; ach, juffer Lise, die arme moeder en vader! Het was zulk een prachtige jongen; God, wat is dat een droefheid, daar beneden! Gij kunt het u niet voorstellen!”Het jonge meisje stond nog met hoed en mantel om. Zonder zich te bedenken, ging zij naar de voordeur.“Waar wilt gij heen, kind? In dit weder?”“Ik wil naar oom, naar de pastorie; tante—laat mij, bid ik u!”En reeds stond zij weder buiten en kampte tegen den wind, om vooruit te komen. De kreten der oude vrouw stierven weg in den storm, en over haar heen bogen zich de takken der elzeboomen aan den ruischenden molenbeek in wilden strijd. Daar kwam haar een wagen te gemoet; zij ging ter zijde om hem voorbij te laten, en zette toen schielijker haar weg voort. Het scheen haar eene weldaad toe, dit stormachtige weder; het was immers eene kwelling naasthem in een dichte kamer te zitten; oogenschijnlijk was het een beeld van zoet geluk, en inderdaad was er geen schaduw van te vinden; hij had haar niet lief; hij had haar alleen om den wille van haar geld begeerd. Het gevoel van blijde opoffering, waarmede zij hem hare hand had aangeboden, maakte plaats voor het vernederende van ’t geen zij geleden had; en hij zelf, die het offer aannam, wat deed hij om die vernedering te verzachten? Was het dan zoo moeilijk, haar goede kameraad te zijn?Hoe wild schudde de oude linde hare takken, en hoe jaagden de wolken aan den donkeren hemel! En daar beneden in het dorp, in de pastorie, dáár werden tranen geweend, bittere, heete tranen—door wie maar weenen kon!Maar zij wilde niet, zij wilde immers niet, dat de menschen haar medelijdend zouden aanzien, vader en moeder, tante, zelfs Doortje en Mina—neen, dat was vreeselijk, dat kon zij niet verdragen.Klonken daar geen haastige schreden achter haar? Ja, en dan de roep “Liesje! Liesje!” Zij stond stil, dat waszijnestem; o, als zij hem nu eens te gemoet kon gaan en zich aan zijn arm vastklemmen kon; als hij nu eens zeide: “Ik maakte mij bezorgd over u, daarom kom ik,” maar neen, vader heeft hem zeker mij achterna gezonden, of misschien zou hij ieder ander gevolgd zijn; hij moest immers in zulk een storm geene dame alleen hebben laten gaan.“Maar Liesje, ik bid u,” klonk nu zijne stem, “hoe kunt gij in zulk weêr uitgaan! Uwe ouders zijn half dood van angst over u; hier is een doek van tante voor u, en wacht even, de wagen moet aanstonds hier zijn; ik heb gezegd, dat hij oogenblikkelijk zou worden nagezonden. Gij zijt toch nog altijd de kleine goedhartige Lise, wier goed hart in lichte laaie staat bij het ongeluk van vreemden!” vervolgde hij, haar den doek omslaande.Zij lachte bitter. “De pastoriebewoners zijn geene vreemden voor mij; zij behooren als ’t ware tot onze familie.”Hij antwoordde niets op dit bitse gezegde; juist kwam ook de wagen en hield bij hen stil. “Mag ik met u gaan?” vroeg hij, haar bij het instijgen helpende, “of wilt gij liever alleen rijden?”Zij wilde het laatste toestemmend beantwoorden, toen haar blik op hem viel; hij was slechts in zijn rok, zonder overjas.“Ik wil niet, dat gij om mijnentwille kou vat,” zeide zij zacht, “ik bid u, ga zitten!”Na een korten rit hield de wagen stil; Liesje steeg alleen uit en trad de pastorie binnen; het was donker in de gang en stil; zij bereikte tastend de deur der woonkamer en klopte aan. Bijna huiveringwekkend luid klonk het, maar geen vriendelijk “binnen” liet zich hooren. Een onverklaarbare angst overviel haar hier in het huis des doods; maar moedig tastte zij verder. Daar was de trap, en hierboven, rechts, het studeerkamertje; zacht klopte zij aan; weder geen antwoord, maar door eene reet scheen licht—zij opende de deur en zag naar binnen; daar zat oom de predikant bij de tafel, het gezicht in de handen verborgen, en vóór hem lag de opengeslagen bijbel.“Oom! oom!”riep zij snikkend en legde het hoofd op zijn schouder.“Lise, gij goed kind! Ja, een zware bezoeking is over ons gekomen,” sprak hij ernstig, en streek haar over de natte, bruine vlechten;“en zijt gij in dat weer hier gekomen? Wat zijt gij altijd medelijdend! Nietwaar—onze Karel, Liesje! onze lieve, flinke jongen—o, het valt zwaar, niet tegen God te morren. Mijn arme Rosine! Hij was immers haar trots.”“Ach oom, oom!” snikte zij diep bedroefd; “waarom is het leven toch zoo treurig, zoo moeilijk!”“Gij hadt hier niet heen moeten komen, goed kind,” werd haar toegefluisterd, en de kleine vrouw met vochtige, roodgeweende oogen, die binnengekomen was, hief haar hoofdop enkustehaar. “Het maakt u van streek, en gij zoudt ziek kunnen worden.”“Mag ik Karel niet nog eens zien? ik bid u tante!” vroeg zij nog altijd snikkend.In de kamer daarnaast lag een bleeke knaap op het sneeuwwitte kussen; zij trad zacht naderbij en staarde op de lieve, welbekende trekken—hoe dikwijls had die mond “tante Liesje” tegen haar gezegd, hoe vaak hadden die groote oogen haar lachend aangezien, en nu zoo stil, zoo stom! De kleine vrouw drukte het gelaat weer in de kussens van het bedje, en de vader stond aan de andere zijde en staarde op dat, wat hem was overgebleven van zijne droomen der toekomst. Liesje’s tranen echter hielden op te vloeien; er straalde zulk een wondervolle vrede van het kinderaangezichtje daar voor haar—hoe schoon moest het zijn, zoo zacht te slapen, met zulk een gelukkig lachje, zonder de smart des levens te hebben ondervonden!“Ween niet, tante! Hij slaapt zoo rustig! hij ziet er zoo gelukkig uit.” Toen keerde zij zich om en ging langzaam heen.In het kamertje bleef zij staan. “Oom,” sprak zij zacht enlegdede kleine hand op zijn arm,“ik heb een vraag op het hart, die ik niet langer onderdrukken kan.”“O, spreek, mijn Liesje. Heb ik gelijk, als ik meen dat het u en Army betreft?”“Ja, oom; o, gij hebt ervan gehoord? Ik kan niet heengaan, zonder dat gij mij gezegd hebt, hoe ik handelen moet.” Zij ging op de kleine sofa zitten. “Mijn vader weigerde zijne toestemming,” vervolgde zij, “en tante zeide, dat mijne vereeniging met Army een ongeluk was voor mij, oom, omdat hij niet aan mij, maar alleen aan mijn geld dacht; vader deed een beroep op mijn meisjestrots.—Eerst voegde ik mij naar zijn wil; het was zulk een verschrikkelijk gevoel dat te ondervinden, ik wilde ook sterk zijn, oom, maar toen—toen kwam zijne moeder en jammerde, hij wilde weg naarAmerika, en toen, oom, voelde ik mij naar hem toegedreven, en ik bad hem, niet weg te gaan; ik was half waanzinnig van angst en smart. Hij moest mij beschouwen als een goede kameraad, heb ik tegen hem gezegd. En toen heeft mijn vader ingewilligd, omdat ik hem zoo vurig smeekte; op mijne knieën heb ik gelegen—ik zou immers gestorven zijn, als Army naar Amerika had moeten gaan, zonder dat ik alles beproefd had om hem te redden; Army weet niet eens welk een strijd het gekost heeft. En nu valt het mij zoo onuitsprekelijk zwaar, als ik naast hem sta; bij elke schrede aan zijne zijde doet mij het hart zoo zeer, en nu komt mijn trots er tegen op, dat ik wel is waar zijne verloofde ben, maar niet zijn beminde. Ach, oom, ik ben zoo ongelukkig!”Zij barstte in tranen uit en verborg haar hoofd in het canapékussen.“Kindlief,” sprak de geestelijke, en streek haar zacht over het rijke, volle haar, terwijl hij zich naast haar zette en hare hand greep; “mij schiet een oude spreuk te binnen uit het album mijner Rosine; haar oude grootmoeder schreef die er in, toen zij als jong meisje het ouderlijk huis verliet, om in den vreemde als onderwijzeres in haar levensonderhoud te voorzien. Wanneer gij eens in tweestrijd zijt met uw gevoel, mijn geliefd kind, en beleediging of gekrenkte ijdelheid strijden met den lust tot vergeven, tot liefhebben, laat dan de liefde zegepralen, zelfs al laadt gij den schijn van vernedering op u! Het heerlijkste, het schoonste, wat eene vrouw vermag te doen, is te beminnen, altijd te beminnen, al wordt haar ook ongelijk aangedaan.Heb geduld, kind,” vervolgde hij, toen het meisje hem met oogen vol tranen aanzag, “hij heeft eerst onlangs een bittere teleurstelling ondervonden, en de bewustheid, dat hij een stap doet, die in geen enkel opzicht in zijn voordeel kan worden uitgelegd, zal pijnlijk genoeg voor hem wezen. Hij zal dat overwinnen, en u dankbaar zijn, dat gij hem van schande en gebrek gered hebten op zekeren dag bespeurt gij een vonkje liefde voor u in zijn hart, dat, door ootmoed en toegevendheid, met onvermoeide voorkomendheid gekoesterd en aangekweekt, eens tot een heldere vlam opflikkert. Maar wacht u er voor, dat gij de zwakke vonk niet uitdooft door uwe fijngevoeligheid; behandel hem als een ziek kind!”Liesje was opgestaan. “Ik dank u oom!” sprak zij zacht, “en, nietwaar? gij zult mijne ouders en tante geruststellen, dat ik nog gelukkig zal worden? Ik wil vriendelijk en voorkomend jegens Army zijn, en zal mijne gevoeligheid bestrijden. Ach, als vader slechts niet boos op mij en Army wilde zijn! Hij is zoo somber en droefgeestig.”“Het valt hem moeilijk, niet bezorgd te zijn, mijn kind; gij zijt zijn eenigste dochter, en gij komt in zulke verwarde omstandigheden, in een gansch anderen kring. Maak er hem geen verwijt van, dat zijn voorhoofd zich rimpelt, en evenzoomin uwe tante! De oude vrouw heeft u zoo lief. Zij zullen weder vroolijk zien, wanneer zij u tevreden weten aan Army’s zijde, endatligt in uwe macht—gij bemint hem, en gij weet: de liefdeduldtalles, zij verdraagt alles, zij hoopt alles.”“Dat is het rechte woord, oom,” sprak zij met verhelderden blik en reikte hem de hand; “ik zal het tot waarheid maken. Vaarwel, oom! Ik kom morgen terug en—-ach, lieve oom! Karel is veel smart bespaard!”Buiten bij de wagentrede stond Army; hij hielp haar instijgen en nam nevens haar plaats. Weder reden zij zwijgend door den nacht naar buiten.“Army,” zeide zij eensklaps en legde hare hand op zijn schouder, “ik was wel ontstemd en onvriendelijk? Vergeef het mij—ik kom zoo even uit een sterfhuis—”Hij nam hare hand in de zijne en keerde zich naar haar toe.“Ik heb een verzoek aan u,” ging zij voort, eer hij kon antwoorden. “Gij weet, mijn vader gaf met een bezwaardgemoed zijne toestemming tot onze verbintenis. Vergeef hem Army! Ik ben immers zijn eenig kind—help mij de wolken van zijn voorhoofd verdrijven! Houdt u slechts een weinig, alsof gij mij liefhebt, en laat hem gelooven, dat gij gelukkig zijt! Ik zal het ook doen—ik ben het immers ook,” voegde zij er zacht bij.Hij zweeg.“Wilt gij dat doen, Army?” vroeg zij aarzelend.Reeds rolde de wagen over de molenbrug en het fabrieksgebouw voorbij; hij reed om de kale linde tot voor de huisdeur. Army hield het hoofd afgewend en zag naar buiten. Doortje kwam juist met de lantaarn uit de deur, en liet de wagentrede neer; hij sprong er uit en bood Liesje de hand om uit te stijgen; een trek van diepe ontroering lag op zijn gezicht. Hij zou zich houden,alsofhij haar liefhad! En als hij nu tot haar zei:“mijn hart klopt in waarheid warm voor u, voor u, beminnenswaardige, met het reinste gemoed; ik voel een adem des vredes in uwe nabijheid, die mij de wonden van een onzaligen hartstocht zacht verkoelt,”—zou zij dat gelooven? Dat was immers het ellendigste—hij had haar vertrouwen verloren—Hij zag naar haar op—hij wilde haar antwoorden; maar wat? Ja, dat wist hij op dit oogenblik niet te zeggen, en reeds boog zich bij het schommelende licht der lantaarn een bekoorlijk hoofd uit den wagen; de kleine pelsmuts zat eenigszins scheef op de zware, bruine vlechten; het fijne gezicht was nog rood van het weenen, toch lag er een zacht beschaamd lachje om den bloeienden mond, dat twee bekoorlijke kuiltjes nog dieper groefde; de oogen echter staarden, als om antwoord smeekend, in de zijne en deden hem getroffen achteruit wijken. Waar had hij ooit zulke oogen gezien? Zij zagen hem zoo smartvol aan, als zochten zij een verloren geluk.—Bijna ontstuimig trok hij haar tot zich, en blikte diep in de droeve sterren, die steeds schitterender werden—De wagen was weggereden, en Doortje liep haastig uitden storm naar binnen. Het was duister om die beide jonge lieden daar buiten; weder wilde hij spreken, en weder sloten zich zijne lippen. “Zij zou u toch niet gelooven,” sprak hij bij zich zelven.En zij waagde het niet, het hem nog eens te vragen, toen hij hare handen langzaam losliet. “Hij wil niet liegen,” dacht zij en trad over den ouden drempel; “hij wil niets beloven, wat hij niet kan volbrengen—hij bemint mij immers niet.” En het licht in de stralende oogen verdoofde weder, en zij drukte de beide handen op het hart. “Ach hij bemint mij immers niet!”

De volgende dag bracht slecht weder; het dooide, en de sneeuw was in eens verdwenen; de natte, bruine takken strekten zich kaal naar den grauwen hemel uit; daarbij stormde en raasde het in de lucht; de elzeboomen aan den molenbeek bogen en zwaaiden in den wind.

Op den molen heerschte een gedrukte stemming; de meiden in de keuken spraken zacht met elkander, en de koetsier, die zich bij haar gevoegd had, krabde zich een paar maal met een veelzeggend gelaat achter de ooren. Uit de woonkamer drong de stem van den heer des huizes duidelijk tot hier door. De jonge baron was er. Gisteren was hij er ook al eens geweest, en sedert zag Liesje zoo wit als de muur. Ermoestiets niet in orde zijn; dat was zonneklaar; ook tante zag zoo zuur als azijn—en dan de meester!

De kamerdeur ging open, en tante klom de trap op, zooals Doortje door een kier van de deur zien kon.

“Let op, Mina, onze juffer heeft het doorgedreven,” fluisterde zij, “tante haalt haar naar beneden; nu—waarom ook niet? Hij is een knap en voornaam heer, en lijden mochten zij elkaar al, toen hij nog als kadet met verlof te huis kwam.”

Peter krabde zich weer achter de ooren.

“Nu,” meende hij, “als ik mijnheer was, ik zei neen, om de oude van het slot.”

“Pst!” waarschuwde Doortje, “waarlijk, zij komt de trap af; nu gaan zij in de kamer. Hoezee! een verlovingsfeest—dat zal een pret geven.”

Het volgende oogenblik stond zij reeds weder bij de keukentafel, met hare borden bezig, want zij hoorde tante komen, die een oogenblik daarna de keuken binnentrad. Het oude gelaat teekende zorg, en aan de oogen was het te zien, dat zij bitter geweend hadden; zoo dachten de meiden ten minste. Zij stond een oogenblik als in gedachten verzonken, toen nam zij haar sleutelbos en ging naar de provisiekamer.

“Glazen, Doortje!” beval zij, toen zijmet eenige flesschen wijn terugkwam, “en doe een schoon voorschoot aan, als gij ze binnenbrengt!”

Zij zette de flesschen op de keukentafel, en ging zich de oogen afvegende, weder heen.

“Mijn God!” riep het meisje, toen zij met het ledige blad uit de woonkamer terugkwam, “moet dat eene verloving heeten? Het heele gezelschap zet een gezicht, als bij een begrafenismaal; onze heer bijt zich op de lippen, alsof hij zijne tranen wil wegjagen; de vrouw schreit, alsof Liesje dood was, en de tante ook; mijnheer de baron zit als een stok naast onze juffer; ik zag juist dat hij haar de hand kuste, alsof bij eene verloving niet een flinke kus behoort; en onze Lise ziet er uit—God erbarme zich over haar; als dat een gelukkige bruid moet wezen!”

Ongeveer een half uur later verliet een jong bruidspaar het oude huis; aan het venster stond de oude tante het na te zien, en onder de linde keek het bleeke gezichtje nog eenmaal om naar het venster; er was niets op te bespeuren van het zoete, zalige geluk, dat een jonge, kinderlijke bruid gevoelt; om den mond speelde een smartelijke trek, en de oogen spraken angst en lijden. De bruidegom had haar arm genomen en in den zijnen gelegd; zwijgend vervolgden zij hun weg; bij de oude linde gekomen, beefde de hand vanhet jonge meisje, en werd haar gelaat voor een oogenblik met een donkeren blos overtogen.

“Zijt gij moede, Liesje? Ik liep te schielijk.”

“O neen, maar ik—ik ben zoo bang voor uwe grootmoeder.”

Hij beet zich op de lippen, maar zweeg; hij verkeerde zelf in een angstige spanning, en kende zijne grootmoeder genoeg om te weten, dat zij tot elke lompheid in staat was. Zij traden nu de linden-allée in; de wind huilde door de hooge boomen en deed de takken krakend tegen elkander slaan; het hooge bordes met zijn oude, zandsteenen beren lag nat en donker voor hen. Onwillekeurig vielen Liesje’s oogen op de poort. “Wat beteekent dat?” vroeg zij op eens op de wapenspreuk wijzende.

“Nunquam retorsum!Nooit achteruit!” antwoordde hij.

“Dat is goed,” sprak zij, diep ademhalend, en versnelde haar tred.

Zoo kwamen zij bij de torendeur; een oogenblik overviel haar een gevoel van zwakheid. “Zal ik het kunnen verdragen, als zij mij beleedigt?” vroeg zij zich zelve af, en een onuitsprekelijke angst voor de trotsche grootmoeder beklemde hare borst; het was haar alsof zij nog moest terugkeeren, nog vluchten—eer het te laat was; zij gevoelde zich zoo hulpeloos, zoo verlaten; wanthij,hijhad haar immers niet lief.

“Liesje,” riep jubelend een heldere stem, en in tranen uitbarstende, sloeg Nelly de armen om haar hals. “Liesje! zuster Liesje!”

Zijdulddehare kussen; als een heldere zonnestraal vloog het over haar gelaat, en daar boven, op den drempel der gezellige woonkamer, strekten zich een paar armen naar haar uit, en omvatten haar al vaster en vaster, terwijl haar oor woorden van liefde opving.

“Mijn lieve moeder,” fluisterde zij, en boog zich over de tengere hand, “ik zal u altijd een gehoorzame dochter zijn—en voor Army een trouwe echtgenoote.” Het laatste kwam er aarzelend en zacht uit.

“Een oogenblik geduld, Liesje! Ik wil bij grootmama ons bezoek laten melden,” zeide Army.

Zij knikte toestemmend; hij ging, en keerde spoedig zwijgend terug. Haar hart klopte onstuimig; onwillekeurig vouwde zij de handen, terwijl zij beurtelings rood en bleek werd, en op eens stond alles, wat de trotsche oude vrouw haar had aangedaan, in vlammend schrift voor haren geest, en voor hare oogen verscheen een liefelijk beeld—oudtante Lisette en een vroegtijdig graf op het kerkhof daar boven.

“Mevrouw de barones laat zich verontschuldigen; zij heeft hoofdpijn van daag en kan niemand ontvangen.” Met deze woorden deed Sanna het jonge meisje uit haar koortsachtige gedachten opschrikken.

“Dan laat ik verzoeken, mij morgen een uur te bepalen, waarop ik met mijne verloofde een bezoek kan brengen,” klonk het schijnbaar kalm; maar Army’s oogen zagen de oude meid dreigend aan, wier blik met een uitdrukking bijna van haat op de jonge bruid rustte. Deze had zich onwillekeurig hoog opgericht; Nelly greep hare hand en streelde zacht hare wangen.

“Mama,” begon Army en nam op den stoel naast zijne verloofde plaats, “mijn schoonvader laat u om een onderhoud verzoeken, en het zou zeer vriendelijk van u zijn, wanneer gij heden avond met Nelly in den molen kwaamt, ten einde gemeenschappelijk onze—”

“Zeker, Army, zeker! Ik zou heden toch met Nelly gekomen zijn, ingeval het weder het toelaat.”

“Mevrouw de barones kan vooruit geen tijd bepalen, maar verzoekt mijnheer den luitenant, heden avond een oogenblik bij haar te komen,” luidde het antwoord dat de terugkeerende oude dienstmaagd nu bracht.

“Het doet mij leed, Sanna, maar ik ben heden avond, zooals te begrijpen is, niet vrij, daar wij beneden in den molenonze verloving vieren—hoort gij Sanna, in den molen beneden! Het spijt mij voorts, Sanna, dat de barones hoofdpijn heeft, en wij dus hare tegenwoordigheid bij het feest moeten missen; voor het overige bevelen wij, verloofden, ons aan en wenschen beterschap.”

“Si, Signor!” siste de oude en verdween.

Het bleef stil; Army ging in de kamer op en neer; zijne moeder had het jonge meisje naast zich op de sofa getrokken, en hield hare handen stijf vast.

Vreeselijk zwaar had de boodschap Liesje in de ooren geklonken. Het gevoel van haar pijnlijken toestand drukte haar met zijn geheele zwaarte; zij meende te zullen bezwijken, wanneer haar vader vernam, dat de grootmoeder van haar verloofde haar niet eens had willen zien; en dan nog tante! Maar zij had niet anders gewild; zij zou nooit klagen, had zij beloofd. Ja, als hij haar ten minste beminde, dan—

“Ik moet naar huis,” sprak zij opstaande; zij had een gevoel alsof zij stikken zoude.

“Waarom zoo spoedig?” vroeg Army.

“Ik—ik wil te huis bericht brengen, dat mama en Nelly komen,” stamelde zij. Hij nam zijne muts. “Blijf toch hier!” verzocht zij angstig; “ik kan zeer goed alleen gaan; kom dan later met uwe moeder!”

Hij haalde ongeduldig de schouders op. “Adieu, mama, tot weerziens; adieu, Nelly!” riep hij, terwijl Liesje, haar sluier voordoende, met afgewend gelaat haar de hand reikte.

Buiten gierde nog altijd de storm, en weder gingen zij zwijgend naast elkander.

“Gij zijt te dun gekleed,” sprak Army, en deed zijn mantel af om haar dien over de schouders te hangen.

“Neen, ik ben niet koud, wezenlijk ik dank u.” Hij nam den mantel over den arm en wandelde naast haar voort.

“De weg lijkt een moeras,” begon hij na een poos; “wij moeten trouwens haast aan de plek komen, waar de molenbeek buiten hare oevers is getreden—wacht! Daar zijn wijer reeds; ik zal zien of er niet een pad door het bosch te vinden is.”

Zij zag in de schemering zijn slanke gestalte, die zoekende den weg langs ging; toen kwam hij terug.

“Het gaat niet; het water komt aan beide kanten over de schoenen; ik zal u er over dragen.”

“Neen,” riep zij achteruit tredende, “dat nooit.”

“Waarom niet?”

“Omdat ik niet wil, dat gij u om mijnentwille de geringste moeite geeft; mij hinderen natte voeten niet, zeker niet; wij zijn immers dadelijk te huis.”

Hij antwoordde niet, en de duisternis verborg zijn gloeienden blos; zij voelde zich echter eensklaps door sterke armen opgetild en overgedragen.

“Gij moet mij dit ten goede houden,” klonk het haar koel en bitter in de ooren, toen zij weer op vasten grond stond. “Eene dame kan deze plek onmogelijk zonder hulp voorbij komen.”

Het overige van den weg werd zwijgend afgelegd. Toen zij de huisdeur binnentraden, gluurden nieuwsgierige gezichten der meiden uit de keuken, en kwam tante hun te gemoet: “Wat is dat een weer!” sprak zij vriendelijk, en opende hun de deur der woonkamer.

“Goeden avond, tante,” zeide Army en wilde hare hand vatten, maar de oude vrouw trok ze haastig terug.

“Ga gij maar eerst naar binnen, mijnheer de baron!” antwoordde zij koel, “Liesje zal wel volgen; ik heb haar eerst nog wat te zeggen, en gij zult ook nog velerlei met uw schoonvader te bespreken hebben.” Zij trok het jonge meisje aan de hand mede naar haar kamertje.

“Wij krijgen bezoek, tante,” sprak deze; “Peter moet Army’s moeder en Nelly met den wagen halen.”

“Goed, ik zal het zeggen.”

De oude vrouw ging heen, en toen zij weder binnentrad, viel het flikkerende licht der lamp, die zij droeg op eenbeschreid gelaat, ’t welk te voren door de schemering onzichtbaar was.

“Gij hebt geweend, tante?” vroeg Liesje en boog zich tot haar over.

“Nu ja, kind, dat gaat zoo—laat dat maar! Ik wilde dezen avond een paar woorden tot u spreken, daar het uw verlovingsdag is.” Zij zette de lamp op de tafel en trad op het jonge meisje toe. “Zie, Liesje, ik heb altijd gemeend, dat een dag als deze vroolijker zou zijn, en gij een minder bleeke bruid zoudt wezen. Het is uw eigen wil, kind; gij zegt immers ook, dat gij gelukkig zijt en hebt uw ouders hunne toestemming op de knieën afgesmeekt; maar mij, Liesje, mij kunt gij niet misleiden; ik weet zeer nauwkeurig hoe het er in dat arme kleine hartje uitziet, en dat doet mij zoo jammerlijk zeer; ik zou haast vergaan van harteleed.”

Zij keerde zich om, ging naar de commode, trok het kleedje, dat er over lag, wat terecht, en deed de laden open en dicht, waarbij haar de tranen uit de oogen op de oude handen vielen; Liesje stond nog zwijgend midden in het vertrek.

“Dat gij zoo stil zijt en zoo strak, kind,” zeide de oude en droogde zich de oogen af, “dat kan mij zoo angstig maken; spreek toch mijn hartedief! Dat verlicht altijd.”

“Wat zal ik zeggen, tante? Ik heb niets, waarover ik graag wil spreken,” antwoordde zij.

“Kom eens bij mij, Lise!” smeekte de oude vrouw, “beloof mij één ding! Als hij ooit vergeten mocht, wat gij voor hem deedt, als hij ooit onvriendelijk jegens u is, en ik leef nog, kind, kom dan bij mij! Dan zal ik met hem spreken, en ten tweeden male zal hij het niet weer wagen.”

Zij lachte slechts. “Maak u maar niet bezorgd, tante!”

“En de oude barones, kind, hebt gij haar gesproken?”

“Neen, tante, ik geloof dat zij mij niet wil zien.”

De oude vrouw stond haastig op, en haar goedig gezichtzag er een oogenblik onbeschrijfelijk bitter uit; zij had een hard woord op de lippen, maar een blik op het bleeke meisje vóór haar deed haar zwijgen.“Hemelsche goedheid,” mompelde zij slechts, “en dat alles zonder liefde!” en weder vulden tranen hare oogen.

Buiten reed juist de wagen dreunend over de brug, om de dames van het slot te halen; tegelijkertijd werd ook de huisdeur opengedaan, en vernam men een luid gesprek en daarop Doortjes beklagenden uitroep:

“Och lieve Hemel!”

“Dat is de oude Thomas uit de pastorie,” zeide tante en opende de deur. Het was zoo; daar stond de oude, kromme man, met de van regen druipende muts in de hand, en Doortje riep tante toe:

“Ach, hoor eens aan, Kareltje van Dominé is gestorven, zoo even; wat spijt mij dat!”

“Karel?” vroeg Liesje en stond eensklaps nevens den ouden man; “Karel?”

“Ja, juffer, om zes uur is hij ingeslapen; ach, juffer Lise, die arme moeder en vader! Het was zulk een prachtige jongen; God, wat is dat een droefheid, daar beneden! Gij kunt het u niet voorstellen!”

Het jonge meisje stond nog met hoed en mantel om. Zonder zich te bedenken, ging zij naar de voordeur.

“Waar wilt gij heen, kind? In dit weder?”

“Ik wil naar oom, naar de pastorie; tante—laat mij, bid ik u!”

En reeds stond zij weder buiten en kampte tegen den wind, om vooruit te komen. De kreten der oude vrouw stierven weg in den storm, en over haar heen bogen zich de takken der elzeboomen aan den ruischenden molenbeek in wilden strijd. Daar kwam haar een wagen te gemoet; zij ging ter zijde om hem voorbij te laten, en zette toen schielijker haar weg voort. Het scheen haar eene weldaad toe, dit stormachtige weder; het was immers eene kwelling naasthem in een dichte kamer te zitten; oogenschijnlijk was het een beeld van zoet geluk, en inderdaad was er geen schaduw van te vinden; hij had haar niet lief; hij had haar alleen om den wille van haar geld begeerd. Het gevoel van blijde opoffering, waarmede zij hem hare hand had aangeboden, maakte plaats voor het vernederende van ’t geen zij geleden had; en hij zelf, die het offer aannam, wat deed hij om die vernedering te verzachten? Was het dan zoo moeilijk, haar goede kameraad te zijn?

Hoe wild schudde de oude linde hare takken, en hoe jaagden de wolken aan den donkeren hemel! En daar beneden in het dorp, in de pastorie, dáár werden tranen geweend, bittere, heete tranen—door wie maar weenen kon!

Maar zij wilde niet, zij wilde immers niet, dat de menschen haar medelijdend zouden aanzien, vader en moeder, tante, zelfs Doortje en Mina—neen, dat was vreeselijk, dat kon zij niet verdragen.

Klonken daar geen haastige schreden achter haar? Ja, en dan de roep “Liesje! Liesje!” Zij stond stil, dat waszijnestem; o, als zij hem nu eens te gemoet kon gaan en zich aan zijn arm vastklemmen kon; als hij nu eens zeide: “Ik maakte mij bezorgd over u, daarom kom ik,” maar neen, vader heeft hem zeker mij achterna gezonden, of misschien zou hij ieder ander gevolgd zijn; hij moest immers in zulk een storm geene dame alleen hebben laten gaan.

“Maar Liesje, ik bid u,” klonk nu zijne stem, “hoe kunt gij in zulk weêr uitgaan! Uwe ouders zijn half dood van angst over u; hier is een doek van tante voor u, en wacht even, de wagen moet aanstonds hier zijn; ik heb gezegd, dat hij oogenblikkelijk zou worden nagezonden. Gij zijt toch nog altijd de kleine goedhartige Lise, wier goed hart in lichte laaie staat bij het ongeluk van vreemden!” vervolgde hij, haar den doek omslaande.

Zij lachte bitter. “De pastoriebewoners zijn geene vreemden voor mij; zij behooren als ’t ware tot onze familie.”

Hij antwoordde niets op dit bitse gezegde; juist kwam ook de wagen en hield bij hen stil. “Mag ik met u gaan?” vroeg hij, haar bij het instijgen helpende, “of wilt gij liever alleen rijden?”

Zij wilde het laatste toestemmend beantwoorden, toen haar blik op hem viel; hij was slechts in zijn rok, zonder overjas.

“Ik wil niet, dat gij om mijnentwille kou vat,” zeide zij zacht, “ik bid u, ga zitten!”

Na een korten rit hield de wagen stil; Liesje steeg alleen uit en trad de pastorie binnen; het was donker in de gang en stil; zij bereikte tastend de deur der woonkamer en klopte aan. Bijna huiveringwekkend luid klonk het, maar geen vriendelijk “binnen” liet zich hooren. Een onverklaarbare angst overviel haar hier in het huis des doods; maar moedig tastte zij verder. Daar was de trap, en hierboven, rechts, het studeerkamertje; zacht klopte zij aan; weder geen antwoord, maar door eene reet scheen licht—zij opende de deur en zag naar binnen; daar zat oom de predikant bij de tafel, het gezicht in de handen verborgen, en vóór hem lag de opengeslagen bijbel.

“Oom! oom!”riep zij snikkend en legde het hoofd op zijn schouder.

“Lise, gij goed kind! Ja, een zware bezoeking is over ons gekomen,” sprak hij ernstig, en streek haar over de natte, bruine vlechten;“en zijt gij in dat weer hier gekomen? Wat zijt gij altijd medelijdend! Nietwaar—onze Karel, Liesje! onze lieve, flinke jongen—o, het valt zwaar, niet tegen God te morren. Mijn arme Rosine! Hij was immers haar trots.”

“Ach oom, oom!” snikte zij diep bedroefd; “waarom is het leven toch zoo treurig, zoo moeilijk!”

“Gij hadt hier niet heen moeten komen, goed kind,” werd haar toegefluisterd, en de kleine vrouw met vochtige, roodgeweende oogen, die binnengekomen was, hief haar hoofdop enkustehaar. “Het maakt u van streek, en gij zoudt ziek kunnen worden.”

“Mag ik Karel niet nog eens zien? ik bid u tante!” vroeg zij nog altijd snikkend.

In de kamer daarnaast lag een bleeke knaap op het sneeuwwitte kussen; zij trad zacht naderbij en staarde op de lieve, welbekende trekken—hoe dikwijls had die mond “tante Liesje” tegen haar gezegd, hoe vaak hadden die groote oogen haar lachend aangezien, en nu zoo stil, zoo stom! De kleine vrouw drukte het gelaat weer in de kussens van het bedje, en de vader stond aan de andere zijde en staarde op dat, wat hem was overgebleven van zijne droomen der toekomst. Liesje’s tranen echter hielden op te vloeien; er straalde zulk een wondervolle vrede van het kinderaangezichtje daar voor haar—hoe schoon moest het zijn, zoo zacht te slapen, met zulk een gelukkig lachje, zonder de smart des levens te hebben ondervonden!

“Ween niet, tante! Hij slaapt zoo rustig! hij ziet er zoo gelukkig uit.” Toen keerde zij zich om en ging langzaam heen.

In het kamertje bleef zij staan. “Oom,” sprak zij zacht enlegdede kleine hand op zijn arm,“ik heb een vraag op het hart, die ik niet langer onderdrukken kan.”

“O, spreek, mijn Liesje. Heb ik gelijk, als ik meen dat het u en Army betreft?”

“Ja, oom; o, gij hebt ervan gehoord? Ik kan niet heengaan, zonder dat gij mij gezegd hebt, hoe ik handelen moet.” Zij ging op de kleine sofa zitten. “Mijn vader weigerde zijne toestemming,” vervolgde zij, “en tante zeide, dat mijne vereeniging met Army een ongeluk was voor mij, oom, omdat hij niet aan mij, maar alleen aan mijn geld dacht; vader deed een beroep op mijn meisjestrots.—Eerst voegde ik mij naar zijn wil; het was zulk een verschrikkelijk gevoel dat te ondervinden, ik wilde ook sterk zijn, oom, maar toen—toen kwam zijne moeder en jammerde, hij wilde weg naarAmerika, en toen, oom, voelde ik mij naar hem toegedreven, en ik bad hem, niet weg te gaan; ik was half waanzinnig van angst en smart. Hij moest mij beschouwen als een goede kameraad, heb ik tegen hem gezegd. En toen heeft mijn vader ingewilligd, omdat ik hem zoo vurig smeekte; op mijne knieën heb ik gelegen—ik zou immers gestorven zijn, als Army naar Amerika had moeten gaan, zonder dat ik alles beproefd had om hem te redden; Army weet niet eens welk een strijd het gekost heeft. En nu valt het mij zoo onuitsprekelijk zwaar, als ik naast hem sta; bij elke schrede aan zijne zijde doet mij het hart zoo zeer, en nu komt mijn trots er tegen op, dat ik wel is waar zijne verloofde ben, maar niet zijn beminde. Ach, oom, ik ben zoo ongelukkig!”

Zij barstte in tranen uit en verborg haar hoofd in het canapékussen.

“Kindlief,” sprak de geestelijke, en streek haar zacht over het rijke, volle haar, terwijl hij zich naast haar zette en hare hand greep; “mij schiet een oude spreuk te binnen uit het album mijner Rosine; haar oude grootmoeder schreef die er in, toen zij als jong meisje het ouderlijk huis verliet, om in den vreemde als onderwijzeres in haar levensonderhoud te voorzien. Wanneer gij eens in tweestrijd zijt met uw gevoel, mijn geliefd kind, en beleediging of gekrenkte ijdelheid strijden met den lust tot vergeven, tot liefhebben, laat dan de liefde zegepralen, zelfs al laadt gij den schijn van vernedering op u! Het heerlijkste, het schoonste, wat eene vrouw vermag te doen, is te beminnen, altijd te beminnen, al wordt haar ook ongelijk aangedaan.Heb geduld, kind,” vervolgde hij, toen het meisje hem met oogen vol tranen aanzag, “hij heeft eerst onlangs een bittere teleurstelling ondervonden, en de bewustheid, dat hij een stap doet, die in geen enkel opzicht in zijn voordeel kan worden uitgelegd, zal pijnlijk genoeg voor hem wezen. Hij zal dat overwinnen, en u dankbaar zijn, dat gij hem van schande en gebrek gered hebten op zekeren dag bespeurt gij een vonkje liefde voor u in zijn hart, dat, door ootmoed en toegevendheid, met onvermoeide voorkomendheid gekoesterd en aangekweekt, eens tot een heldere vlam opflikkert. Maar wacht u er voor, dat gij de zwakke vonk niet uitdooft door uwe fijngevoeligheid; behandel hem als een ziek kind!”

Liesje was opgestaan. “Ik dank u oom!” sprak zij zacht, “en, nietwaar? gij zult mijne ouders en tante geruststellen, dat ik nog gelukkig zal worden? Ik wil vriendelijk en voorkomend jegens Army zijn, en zal mijne gevoeligheid bestrijden. Ach, als vader slechts niet boos op mij en Army wilde zijn! Hij is zoo somber en droefgeestig.”

“Het valt hem moeilijk, niet bezorgd te zijn, mijn kind; gij zijt zijn eenigste dochter, en gij komt in zulke verwarde omstandigheden, in een gansch anderen kring. Maak er hem geen verwijt van, dat zijn voorhoofd zich rimpelt, en evenzoomin uwe tante! De oude vrouw heeft u zoo lief. Zij zullen weder vroolijk zien, wanneer zij u tevreden weten aan Army’s zijde, endatligt in uwe macht—gij bemint hem, en gij weet: de liefdeduldtalles, zij verdraagt alles, zij hoopt alles.”

“Dat is het rechte woord, oom,” sprak zij met verhelderden blik en reikte hem de hand; “ik zal het tot waarheid maken. Vaarwel, oom! Ik kom morgen terug en—-ach, lieve oom! Karel is veel smart bespaard!”

Buiten bij de wagentrede stond Army; hij hielp haar instijgen en nam nevens haar plaats. Weder reden zij zwijgend door den nacht naar buiten.

“Army,” zeide zij eensklaps en legde hare hand op zijn schouder, “ik was wel ontstemd en onvriendelijk? Vergeef het mij—ik kom zoo even uit een sterfhuis—”

Hij nam hare hand in de zijne en keerde zich naar haar toe.

“Ik heb een verzoek aan u,” ging zij voort, eer hij kon antwoorden. “Gij weet, mijn vader gaf met een bezwaardgemoed zijne toestemming tot onze verbintenis. Vergeef hem Army! Ik ben immers zijn eenig kind—help mij de wolken van zijn voorhoofd verdrijven! Houdt u slechts een weinig, alsof gij mij liefhebt, en laat hem gelooven, dat gij gelukkig zijt! Ik zal het ook doen—ik ben het immers ook,” voegde zij er zacht bij.

Hij zweeg.

“Wilt gij dat doen, Army?” vroeg zij aarzelend.

Reeds rolde de wagen over de molenbrug en het fabrieksgebouw voorbij; hij reed om de kale linde tot voor de huisdeur. Army hield het hoofd afgewend en zag naar buiten. Doortje kwam juist met de lantaarn uit de deur, en liet de wagentrede neer; hij sprong er uit en bood Liesje de hand om uit te stijgen; een trek van diepe ontroering lag op zijn gezicht. Hij zou zich houden,alsofhij haar liefhad! En als hij nu tot haar zei:“mijn hart klopt in waarheid warm voor u, voor u, beminnenswaardige, met het reinste gemoed; ik voel een adem des vredes in uwe nabijheid, die mij de wonden van een onzaligen hartstocht zacht verkoelt,”—zou zij dat gelooven? Dat was immers het ellendigste—hij had haar vertrouwen verloren—

Hij zag naar haar op—hij wilde haar antwoorden; maar wat? Ja, dat wist hij op dit oogenblik niet te zeggen, en reeds boog zich bij het schommelende licht der lantaarn een bekoorlijk hoofd uit den wagen; de kleine pelsmuts zat eenigszins scheef op de zware, bruine vlechten; het fijne gezicht was nog rood van het weenen, toch lag er een zacht beschaamd lachje om den bloeienden mond, dat twee bekoorlijke kuiltjes nog dieper groefde; de oogen echter staarden, als om antwoord smeekend, in de zijne en deden hem getroffen achteruit wijken. Waar had hij ooit zulke oogen gezien? Zij zagen hem zoo smartvol aan, als zochten zij een verloren geluk.—Bijna ontstuimig trok hij haar tot zich, en blikte diep in de droeve sterren, die steeds schitterender werden—

De wagen was weggereden, en Doortje liep haastig uitden storm naar binnen. Het was duister om die beide jonge lieden daar buiten; weder wilde hij spreken, en weder sloten zich zijne lippen. “Zij zou u toch niet gelooven,” sprak hij bij zich zelven.

En zij waagde het niet, het hem nog eens te vragen, toen hij hare handen langzaam losliet. “Hij wil niet liegen,” dacht zij en trad over den ouden drempel; “hij wil niets beloven, wat hij niet kan volbrengen—hij bemint mij immers niet.” En het licht in de stralende oogen verdoofde weder, en zij drukte de beide handen op het hart. “Ach hij bemint mij immers niet!”

Zeventiende Hoofdstuk.“En gij zegt, Hendrik, mijne grootmoeder heeft die beiden te zamen gezien?”“Francis heeft het mij in vertrouwen verteld, heer luitenant, den avond vóór haar verdwijnen.”De jonge officier zat in een der groote leunstoelen in zijn kamer en zag onderzoekend en met kennelijke belangstelling den ouden man aan, die in eerbiedige houding dicht bij hem stond en in wiens trekken een lichte verlegenheid zichtbaar was. Army had hem nog laat in den avond laten roepen; hij wilde weten, welke beweegredenen zijne grootmoeder had, en waarin de haat wortelde, die zich ook heden weder geopenbaard had in de minachtende bejegening zijner bruid; uit een onpartijdigen mond wilde hij hooren, waarop de toespelingen zijns aanstaanden schoonvaders doelden. Hij had besloten, het met Hendrik te beproeven, en de oude man was inderdaad op zijne vragen aarzelend en verlegen begonnen te verhalen van baron Frits, die de schoone Lisette daar beneden in den molen zoo lief had gehad.“In dien tijd,” voer de oude voort, “kwam baron Frits op een avond zoo recht vroolijk aanrijden; ik nam hem zijn overjas af, want het was koud, deed toen het torenkamertje open en maakte vuur in den haard aan—”“Het torenkamertje?” viel de jonge officier den verhaler driftig in de rede.“Ja, heer luitenant. Baron Frits woonde daar altijd; ik weet ook wel waarom; hij kon van daar het venster zijner liefste zien—ik maakte dan vuur aan, haalde hem een flesch madera en hielp hem van kleederen verwisselen. Hij vroeg naar alles, wat er was voorgevallen, of zijn broeder reeds weder te huis was; ik antwoordde hem op alles, en zei dat de meester binnen drie dagen terug werd verwacht; en daarop, hoe Mevrouw zijne moeder het maakte, benevens zijne schoonzuster en al zoo wat meer; ondertusschen zocht hij aanhoudend in de schuifladen van zijn schrijftafel, en vroeg eindelijk angstig: “Hendrik, hebt gij hier opgeruimd, toen ik onlangs zoo haastig ben vertrokken?”“Ja, zeker, mijnheer de baron,” zeide ik.“Hebt gij niet een klein gouden hart gevonden?”“Neen,” en hij ging voort met zoeken, en ik zocht mede, maar er werd niets gevonden; eindelijk hield hij op, maar zag zeer treurig. “Weet gij, Hendrik!” sprak hij toen, “dat is een groot verlies voor mij; vijftig daalders geef ik u, als gij mij het hart terug bezorgt; toen nam hij hoed en stok, want hij droeg altijd burgerkleeding als hij hier was, en zeide, dat hij nog eene wandeling in het park ging doen, vóór hij zijne opwachting bij de dames wilde maken; maar ik wist wel, waar hij heen wilde.”“Mij spookten de vijftig daalders in het hoofd, heer luitenant, en dus begon ik weder te zoeken, en te zoeken, maar ik vond niets; daarop nam ik het licht en ging in de aangrenzende slaapkamer, waar ik nauwelijks binnen was, of ik verbeeldde mij, dat ik de deur heel, heel zachtjes hoorde openen, en toen ik haastig de woonkamer weder binnentrad, deinsde ik terug, want daar stond Sanna, die, mij ziende, van schrik neerviel.”“Weet gij, heer luitenant, ik ben nu oud en kalm geworden, maar toen kon ik het magere vrouwspersoon, met de koude, grauwe oogen, het zwarte haar, en de gele kleur niet uitstaan; het was altijd een valsch schepsel, en daarom stoofik in drie duivelsnaam op haar toe, en vroeg, wat zij hier te zoeken had. “De genadige vrouw wil weten, wanneer baron Frits terugkomt?” Zij noemde mij toen altijd Enrico, want zij was trotsch op haar Italiaansche afkomst. “Waar is mijnheer de baron?” vroeg zij nog eens.“Loop naar de koekoek!” riep ik,“en spioneer hier niet. Ik weet niet, waar hij is;” ik wilde haar daarmede de deur uitschuiven. “Hoor!” zeide zij, en toen ik luisterde, hoorden wij beneden in het dorp de doodsklokken luiden; zij begon zich te bekruisen en een Ave Maria op te zeggen; intusschen schoof ik haar evenwel naar buiten: “Maak dat maar buiten af! Verstaat gij?”Toen keerde zij zich bij de deur om, en sprak:“Weet gij, Enrico, wie er gestorven is? Lompenmolenaars Lisette is het.”Lompenmolenaars Lisette! Ik beefde van schrik; heilige vader, wat zal baron Frits zeggen? was mijne eerste gedachte; hij ging zoo vroolijk, zoo gelukkig naar haar toe en nu dood, dat lieve, jonge wezen! Het was een prachtstuk, heer, als men dat meisje zag; of men nu lompenmolenaars Liesje, ik wil zeggen: de bruid van mijnheer den baron aanziet of hare oudtante Lisette, is precies hetzelfde; Liesje is als uit haar gezicht gesneden. Terwijl ik daar zoo stond, stak er een storm op, dat de boomen bogen, de oude muren kraakten, en men allerlei geluiden hoorde. Baron Frits kwam niet en kwam niet, en onderwijl werd het weder al erger en erger het scheen alsof de orkaan den toren wilde omverrukken; het oog kon in de duisternis geen voorwerp onderscheiden, hoe ik mij ook inspande en het gezicht tegen het venster drukte. De klok van het slot had reeds tien geslagen, en nog keerde hij niet terug. Heer, het was een vreeselijke nacht! Op eens vloog de deur open, en toen ik mij omkeerde, vielen mijn ontstelde oogen op baron Frits—hij stond reeds midden in de kamer, en voor zijne voeten lag bleek en bevend de dolle Francis, die de handen angstig smeekend tot hem opgeheven hield.“Verzoek mijne schoonzuster, Hendrik,” sprak hij met toonlooze stem, “of zij zich de moeite wil geven, een oogenblik hier te komen!” Ik vloog naar de deur, heer luitenant; ik wist, er moest iets verschrikkelijks gebeurd zijn, toen ik de verslagen houding van het meisje zag, en juist toen ik de deur openrukte, stond mevrouw de barones—uwe grootmoeder—buiten en wilde naar binnen gaan. Zij deinsde terug, toen zij haar zwager zag; een oogenblik voer een hevige schrik haar door de leden. Zij verborg schielijk iets in den zak van haar kleed en trad toen schijnbaar kalm het vertrek binnen.Heer luitenant, een schoonere vrouw dan zij, was er niet; zooals zij daar stond in het lange, witte nachtgewaad, de zwarte lokken half losgemaakt en met haar groote, donkere oogen in het bleeke gelaat, als een engel der onschuld, tegenover het arme, kermende schepsel op den vloer.“Mio caro amico,” riep zij den baron toe, “wat beteekent dat?”en wees verwondert met de hand naar Francis.“Kom binnen, schoonzuster!” antwoordde hij ruw. “Ga, Hendrik, en sluit de deur!”—Toen eerst keerde hij zijn gelaat naar mij toe—mijnheer; ik was toen een ruwe, wilde borst—maar ik heb gesidderd, zoo zag hij er uit. De oogen schenen weggezonken; het jonge, bloeiende gelaat was oud en vervallen van waanzinnige smart, en de mond beefde van hevigen toorn. Van mijn leven vergeet ik dat gezicht niet, noch den doodsangst, dien ik gevoelde, toen ik de deur achter de barones sloot; de tanden klapperden mij van ontsteltenis, en als vastgenageld bleef ik in de gang staan. Sanna sloop ook naderbij, en zoo stonden wij beiden en waagden het nauwelijks adem te halen. Eerst was het onverstaanbaar, wat zij daarbinnen spraken; men hoorde slechts de zachte stem der barones en het snikken van Francis; toen echter vernamen wij de met een donderende stem uitgesproken woorden van baron Frits duidelijk; moordenares noemde hij de barones en vervloekte haar en haar huis; ik stondstom en stijf, toen de deur plotseling openvloog, de barones naar buiten stormde, en als een gejaagd ree de gang langs en de trappen afvloog; verschrikkelijk zag zij er uit, en daar beneden sloeg zij, als naar een steun reikende, de armen om den pilaar en gleed bewusteloos ter aarde; ik zie haar nog voor mij, de witte, ineengezonkene gedaante, en hoe Sanna haar schreiend volgde en op hare armen wegdroeg. Op hetzelfde oogenblik werd Francis naar buiten gestooten, en stond de baron in de deur: “Mijn paard!” beval hij met heesche stem, en terwijl ik naar beneden ijlde liep Francis het portaal door in donker en stormweer naar buiten. Ik bracht den baron zijn paard voor; hij wrong er zich op met zijn bleek, ontdaan gezicht—het arme dier, het steigerde hoog op, zoo drukte hij het de sporen in de zijden, en weg vloog hij, zoodat ik meende er moest een ongeluk geschieden. Toen kwam hij op eens terug; ik stond nog in wind en weder op de trappen van het bordes en luisterde naar het naderbij komende paardengetrappel. Hij wierp mij een geldstuk toe.“Hoor eens, Hendrik,” zeide hij, “ga gij naar mijn oude moeder en zeg haar voor mij vaarwel; mij ziet zij nimmer weer—” Het laatste verstond ik nauwelijks; de wind verwaaide het, òf zijne stem werd door snikken verbroken, ik weet het niet; hij gaf mij de hand, toen was hij weg, en is nooit teruggekomen.Francis zag ik echter nog eens; zij lag daar boven onder de oude boomen op de knieën, en toen zij hem in den duisteren nacht zag wegrijden, gaf zij zulk een hartverscheurenden gil, dat ik er heen liep. Dáár, mijnheer, daar vond ik een arm ongelukkig schepsel, dat van berouw en smart verging; toen bemerkte ik, dat zij niet zoo slecht was; ik troostte haar in haar ellende—nu, toen heeft zij mij verhaald, dat baron Frits en de schoone Lisette gescheiden moesten worden—dat zij gestorven was, omdat men haar had doen gelooven, dat hij haar ontrouw was en—dat is alles wat ik weet.”“Meent gij, Hendrik, dat mijne grootmoeder werkelijk—”De stem van den jongen man klonk dof.“O, mijnheer, mij voegt het niet iets slechts van mijne meesters te gelooven; ik heb immers geen bewijs er voor, dat baron Frits reden had tot zulk een vreeselijke vervloeking; maar dit weet ik zeker, dat hij met de barones sedert eenigen tijd niet op een goeden voet stond, omdat—och, hij had zich eens in hare zaken gemengd; daarbij was zij gruwelijk trotsch; zij had voor geen geld ter wereld lompenmolenaars Lisette als schoonzuster erkend; en daarom—mijnheer de luitenant—neem het mij niet kwalijk! ik durf het u immers wel zeggen, ik heb u in den wieg zien liggen en tot een jonkman zien opgroeien. Duidt het mij niet euvel—Liesje—”“Is mijne bruid, Hendrik—”“Ik weet het, en heb mij verblijd, toen ik u beiden zag, zooals ik nooit geloofd had, mij ooit weer te zullen verheugen—ach, mijnheer, houdt uwe bruid in eere, en laat haar niet uit uwe oogen gaan! Men kan angstig worden voor zulk een jong wezen, hier boven in het slot; vergeef mij, heer baron! Mijn hart drong mij, u dit te zeggen; zij gelijkt zooveel op Lisette, vooral dezelfde oogen, even zoo blauw, diep en helder, en dezelfde uitdrukking er in. Zulke oogen vergeet men niet. God geve haar enkel vreugdetranen!”De stem van den oude was ontroerd toen hij weg ging, en het “goeden nacht” klonk zeer onduidelijk in Army’s ooren; hij lette er ook niet op—voor zijn geest stonden zij ook, die blauwe kinderoogen, maar zoo smartelijk, zoo bang, en onuitsprekelijk droevig, als hij ze dezen avond gezien had.“Dezelfde oogen,” herhaalde hij halfluid, “dezelfde uitdrukking!” en hij zag naar de beeltenis der schoone Agnese Mathilde. Het licht was diep neergebrand; het flikkerde slechts nu en dan flauw op, en het roode, volle haar wasbijna onzichtbaar in het matte schijnsel; de twee donkere, droevige oogen echter staarden uit het bleeke gelaat onafgewend op den jongen man, zoo smartvol, zoo bang, als zochten zij een verloren geluk. Dat waren de oogen, waaraan hij gedacht had bij het uitstijgen uit den wagen—de oogen der schoone Agnese Mathilde!

“En gij zegt, Hendrik, mijne grootmoeder heeft die beiden te zamen gezien?”

“Francis heeft het mij in vertrouwen verteld, heer luitenant, den avond vóór haar verdwijnen.”

De jonge officier zat in een der groote leunstoelen in zijn kamer en zag onderzoekend en met kennelijke belangstelling den ouden man aan, die in eerbiedige houding dicht bij hem stond en in wiens trekken een lichte verlegenheid zichtbaar was. Army had hem nog laat in den avond laten roepen; hij wilde weten, welke beweegredenen zijne grootmoeder had, en waarin de haat wortelde, die zich ook heden weder geopenbaard had in de minachtende bejegening zijner bruid; uit een onpartijdigen mond wilde hij hooren, waarop de toespelingen zijns aanstaanden schoonvaders doelden. Hij had besloten, het met Hendrik te beproeven, en de oude man was inderdaad op zijne vragen aarzelend en verlegen begonnen te verhalen van baron Frits, die de schoone Lisette daar beneden in den molen zoo lief had gehad.

“In dien tijd,” voer de oude voort, “kwam baron Frits op een avond zoo recht vroolijk aanrijden; ik nam hem zijn overjas af, want het was koud, deed toen het torenkamertje open en maakte vuur in den haard aan—”

“Het torenkamertje?” viel de jonge officier den verhaler driftig in de rede.

“Ja, heer luitenant. Baron Frits woonde daar altijd; ik weet ook wel waarom; hij kon van daar het venster zijner liefste zien—ik maakte dan vuur aan, haalde hem een flesch madera en hielp hem van kleederen verwisselen. Hij vroeg naar alles, wat er was voorgevallen, of zijn broeder reeds weder te huis was; ik antwoordde hem op alles, en zei dat de meester binnen drie dagen terug werd verwacht; en daarop, hoe Mevrouw zijne moeder het maakte, benevens zijne schoonzuster en al zoo wat meer; ondertusschen zocht hij aanhoudend in de schuifladen van zijn schrijftafel, en vroeg eindelijk angstig: “Hendrik, hebt gij hier opgeruimd, toen ik onlangs zoo haastig ben vertrokken?”

“Ja, zeker, mijnheer de baron,” zeide ik.

“Hebt gij niet een klein gouden hart gevonden?”

“Neen,” en hij ging voort met zoeken, en ik zocht mede, maar er werd niets gevonden; eindelijk hield hij op, maar zag zeer treurig. “Weet gij, Hendrik!” sprak hij toen, “dat is een groot verlies voor mij; vijftig daalders geef ik u, als gij mij het hart terug bezorgt; toen nam hij hoed en stok, want hij droeg altijd burgerkleeding als hij hier was, en zeide, dat hij nog eene wandeling in het park ging doen, vóór hij zijne opwachting bij de dames wilde maken; maar ik wist wel, waar hij heen wilde.”

“Mij spookten de vijftig daalders in het hoofd, heer luitenant, en dus begon ik weder te zoeken, en te zoeken, maar ik vond niets; daarop nam ik het licht en ging in de aangrenzende slaapkamer, waar ik nauwelijks binnen was, of ik verbeeldde mij, dat ik de deur heel, heel zachtjes hoorde openen, en toen ik haastig de woonkamer weder binnentrad, deinsde ik terug, want daar stond Sanna, die, mij ziende, van schrik neerviel.”

“Weet gij, heer luitenant, ik ben nu oud en kalm geworden, maar toen kon ik het magere vrouwspersoon, met de koude, grauwe oogen, het zwarte haar, en de gele kleur niet uitstaan; het was altijd een valsch schepsel, en daarom stoofik in drie duivelsnaam op haar toe, en vroeg, wat zij hier te zoeken had. “De genadige vrouw wil weten, wanneer baron Frits terugkomt?” Zij noemde mij toen altijd Enrico, want zij was trotsch op haar Italiaansche afkomst. “Waar is mijnheer de baron?” vroeg zij nog eens.“Loop naar de koekoek!” riep ik,“en spioneer hier niet. Ik weet niet, waar hij is;” ik wilde haar daarmede de deur uitschuiven. “Hoor!” zeide zij, en toen ik luisterde, hoorden wij beneden in het dorp de doodsklokken luiden; zij begon zich te bekruisen en een Ave Maria op te zeggen; intusschen schoof ik haar evenwel naar buiten: “Maak dat maar buiten af! Verstaat gij?”Toen keerde zij zich bij de deur om, en sprak:

“Weet gij, Enrico, wie er gestorven is? Lompenmolenaars Lisette is het.”

Lompenmolenaars Lisette! Ik beefde van schrik; heilige vader, wat zal baron Frits zeggen? was mijne eerste gedachte; hij ging zoo vroolijk, zoo gelukkig naar haar toe en nu dood, dat lieve, jonge wezen! Het was een prachtstuk, heer, als men dat meisje zag; of men nu lompenmolenaars Liesje, ik wil zeggen: de bruid van mijnheer den baron aanziet of hare oudtante Lisette, is precies hetzelfde; Liesje is als uit haar gezicht gesneden. Terwijl ik daar zoo stond, stak er een storm op, dat de boomen bogen, de oude muren kraakten, en men allerlei geluiden hoorde. Baron Frits kwam niet en kwam niet, en onderwijl werd het weder al erger en erger het scheen alsof de orkaan den toren wilde omverrukken; het oog kon in de duisternis geen voorwerp onderscheiden, hoe ik mij ook inspande en het gezicht tegen het venster drukte. De klok van het slot had reeds tien geslagen, en nog keerde hij niet terug. Heer, het was een vreeselijke nacht! Op eens vloog de deur open, en toen ik mij omkeerde, vielen mijn ontstelde oogen op baron Frits—hij stond reeds midden in de kamer, en voor zijne voeten lag bleek en bevend de dolle Francis, die de handen angstig smeekend tot hem opgeheven hield.

“Verzoek mijne schoonzuster, Hendrik,” sprak hij met toonlooze stem, “of zij zich de moeite wil geven, een oogenblik hier te komen!” Ik vloog naar de deur, heer luitenant; ik wist, er moest iets verschrikkelijks gebeurd zijn, toen ik de verslagen houding van het meisje zag, en juist toen ik de deur openrukte, stond mevrouw de barones—uwe grootmoeder—buiten en wilde naar binnen gaan. Zij deinsde terug, toen zij haar zwager zag; een oogenblik voer een hevige schrik haar door de leden. Zij verborg schielijk iets in den zak van haar kleed en trad toen schijnbaar kalm het vertrek binnen.

Heer luitenant, een schoonere vrouw dan zij, was er niet; zooals zij daar stond in het lange, witte nachtgewaad, de zwarte lokken half losgemaakt en met haar groote, donkere oogen in het bleeke gelaat, als een engel der onschuld, tegenover het arme, kermende schepsel op den vloer.

“Mio caro amico,” riep zij den baron toe, “wat beteekent dat?”en wees verwondert met de hand naar Francis.

“Kom binnen, schoonzuster!” antwoordde hij ruw. “Ga, Hendrik, en sluit de deur!”—Toen eerst keerde hij zijn gelaat naar mij toe—mijnheer; ik was toen een ruwe, wilde borst—maar ik heb gesidderd, zoo zag hij er uit. De oogen schenen weggezonken; het jonge, bloeiende gelaat was oud en vervallen van waanzinnige smart, en de mond beefde van hevigen toorn. Van mijn leven vergeet ik dat gezicht niet, noch den doodsangst, dien ik gevoelde, toen ik de deur achter de barones sloot; de tanden klapperden mij van ontsteltenis, en als vastgenageld bleef ik in de gang staan. Sanna sloop ook naderbij, en zoo stonden wij beiden en waagden het nauwelijks adem te halen. Eerst was het onverstaanbaar, wat zij daarbinnen spraken; men hoorde slechts de zachte stem der barones en het snikken van Francis; toen echter vernamen wij de met een donderende stem uitgesproken woorden van baron Frits duidelijk; moordenares noemde hij de barones en vervloekte haar en haar huis; ik stondstom en stijf, toen de deur plotseling openvloog, de barones naar buiten stormde, en als een gejaagd ree de gang langs en de trappen afvloog; verschrikkelijk zag zij er uit, en daar beneden sloeg zij, als naar een steun reikende, de armen om den pilaar en gleed bewusteloos ter aarde; ik zie haar nog voor mij, de witte, ineengezonkene gedaante, en hoe Sanna haar schreiend volgde en op hare armen wegdroeg. Op hetzelfde oogenblik werd Francis naar buiten gestooten, en stond de baron in de deur: “Mijn paard!” beval hij met heesche stem, en terwijl ik naar beneden ijlde liep Francis het portaal door in donker en stormweer naar buiten. Ik bracht den baron zijn paard voor; hij wrong er zich op met zijn bleek, ontdaan gezicht—het arme dier, het steigerde hoog op, zoo drukte hij het de sporen in de zijden, en weg vloog hij, zoodat ik meende er moest een ongeluk geschieden. Toen kwam hij op eens terug; ik stond nog in wind en weder op de trappen van het bordes en luisterde naar het naderbij komende paardengetrappel. Hij wierp mij een geldstuk toe.

“Hoor eens, Hendrik,” zeide hij, “ga gij naar mijn oude moeder en zeg haar voor mij vaarwel; mij ziet zij nimmer weer—” Het laatste verstond ik nauwelijks; de wind verwaaide het, òf zijne stem werd door snikken verbroken, ik weet het niet; hij gaf mij de hand, toen was hij weg, en is nooit teruggekomen.

Francis zag ik echter nog eens; zij lag daar boven onder de oude boomen op de knieën, en toen zij hem in den duisteren nacht zag wegrijden, gaf zij zulk een hartverscheurenden gil, dat ik er heen liep. Dáár, mijnheer, daar vond ik een arm ongelukkig schepsel, dat van berouw en smart verging; toen bemerkte ik, dat zij niet zoo slecht was; ik troostte haar in haar ellende—nu, toen heeft zij mij verhaald, dat baron Frits en de schoone Lisette gescheiden moesten worden—dat zij gestorven was, omdat men haar had doen gelooven, dat hij haar ontrouw was en—dat is alles wat ik weet.”

“Meent gij, Hendrik, dat mijne grootmoeder werkelijk—”

De stem van den jongen man klonk dof.

“O, mijnheer, mij voegt het niet iets slechts van mijne meesters te gelooven; ik heb immers geen bewijs er voor, dat baron Frits reden had tot zulk een vreeselijke vervloeking; maar dit weet ik zeker, dat hij met de barones sedert eenigen tijd niet op een goeden voet stond, omdat—och, hij had zich eens in hare zaken gemengd; daarbij was zij gruwelijk trotsch; zij had voor geen geld ter wereld lompenmolenaars Lisette als schoonzuster erkend; en daarom—mijnheer de luitenant—neem het mij niet kwalijk! ik durf het u immers wel zeggen, ik heb u in den wieg zien liggen en tot een jonkman zien opgroeien. Duidt het mij niet euvel—Liesje—”

“Is mijne bruid, Hendrik—”

“Ik weet het, en heb mij verblijd, toen ik u beiden zag, zooals ik nooit geloofd had, mij ooit weer te zullen verheugen—ach, mijnheer, houdt uwe bruid in eere, en laat haar niet uit uwe oogen gaan! Men kan angstig worden voor zulk een jong wezen, hier boven in het slot; vergeef mij, heer baron! Mijn hart drong mij, u dit te zeggen; zij gelijkt zooveel op Lisette, vooral dezelfde oogen, even zoo blauw, diep en helder, en dezelfde uitdrukking er in. Zulke oogen vergeet men niet. God geve haar enkel vreugdetranen!”

De stem van den oude was ontroerd toen hij weg ging, en het “goeden nacht” klonk zeer onduidelijk in Army’s ooren; hij lette er ook niet op—voor zijn geest stonden zij ook, die blauwe kinderoogen, maar zoo smartelijk, zoo bang, en onuitsprekelijk droevig, als hij ze dezen avond gezien had.

“Dezelfde oogen,” herhaalde hij halfluid, “dezelfde uitdrukking!” en hij zag naar de beeltenis der schoone Agnese Mathilde. Het licht was diep neergebrand; het flikkerde slechts nu en dan flauw op, en het roode, volle haar wasbijna onzichtbaar in het matte schijnsel; de twee donkere, droevige oogen echter staarden uit het bleeke gelaat onafgewend op den jongen man, zoo smartvol, zoo bang, als zochten zij een verloren geluk. Dat waren de oogen, waaraan hij gedacht had bij het uitstijgen uit den wagen—de oogen der schoone Agnese Mathilde!

Achttiende Hoofdstuk.Den volgenden morgen ging Army naar den molen; zijn aanstaande schoonvader wenschte een onderhoud met hem. Liesje zag hij niet; tante, die uit de keuken kwam, en de kamerdeur voor hem opende, antwoordde op zijne vragen, dat het jonge meisje nog sliep; een weinig rust zou wel noodig zijn en goeddoen, als men den geheelen nacht geweend had.Een donkere schaduw lag op zijn gelaat, toen hij de kamer zijns schoonvaders binnentrad; hij had verlangd Liesje te zien, na den vorigen avond, en de gedachte, dat zij den ganschen nacht geweend had, lag hem zwaar op het hart. Hij moest eenige oogenblikken wachten. De heer Erving was boven in het kantoor; onwillekeurig sloeg hij zijne blikken in het rond; het was een gezellig vertrek, met donkere tapijten, groene meubels en gordijnen; op een groote schrijftafel stond een portret; het was eene photographie van Liesje uit hare kinderjaren; het lieve gezichtje zag er recht schalksch uit. Hij hield de beeltenis omhoog, om het beter te zien, en had het nog in de hand, toen de heer Erving binnentrad.Op het gelaat van den statigen man lag eene uitdrukking, die men er anders niet op vond, van zorg en spanning; hij had zeker dien nacht weinig geslapen. “Vergeef mij, dat ik u liet wachten!” begon hij het gesprek en reikte den jonkman zijn hand. “Ga zitten,” vervolgde hij, “enlaat ons dadelijk tot onze zaken overgaan!—Ik zal niet veel onnoodige woorden gebruiken,” ging hij voort en schoof een stoel voor zich bij de tafel. “Vooreerst denk ik, reizen wij te zamen naar uw garnizoen, om daar de zaken te regelen; dan dient gij uw ontslag uit den dienst in—Gij kunt het mij niet kwalijk nemen, dat ik dit zoo bepaald verlang! zij is mijn eenig kind”—zijne stem beefde bij deze woorden—“en ik wil haar ten minste in mijne nabijheid, onder mijne bescherming houden.”Army boog toestemmend, maar het bloed steeg hem gloeiend heet naar de wangen.“Ik verlang niets onredelijks,” voer de andere voort; “gij weet, dat mijne familie in vroegere jaren van de uwe een aanzienlijk deel der omliggende landerijen gekocht heeft. Nu is Liesje ons eenig kind, en ik heb met mijne vrouw overlegd, dat het het beste zou zijn, dat gij weder werdt, wat uwe voorouders waren, heer van Derenberg. Ik heb heden morgen vroeg reeds aan Hellwig geschreven, hoe de zaken staan, en hem tot eene samenkomst te S. uitgenoodigd, hoofdzakelijk met het doel, om te beproeven, hoeveel wij van de landerijen van uw erfgoed, die bovendien niet in goede handen zijn, weder machtig kunnen worden, om ze dan weder tot één geheel te vereenigen; zooals wij hopen, zal het met het meerendeel gelukken. Van u verwacht ik daarvoor, dat gij u—-” hij hield plotseling op, trad naar de schrijftafel en zocht tusschen zijne papieren.“Ik heb niet lichtvaardig mijne toestemming gegeven,” wendde hij zich weder tot den jongen man, en zijne stem klonk week en zacht, “want ik vrees, dat mijne dochter vele vernederingen tegemoet gaat; maar zij wilde niet anders.—Ik ken u eigenlijk alleen uit uw jeugd, want als jongeling hebt gij mijn huis niet weer betreden, maar het weinige, dat ik van u weet, is niet van dien aard, om u onvoorwaardelijk mijn vertrouwen te schenken. Gij hebt tot nu toe getrouw de voetstappen uwer grootmoeder gevolgd, die inmenschen van mijn stand zeer ondergeschikte wezens ziet; uwe voorouders—ik weet het—dachten anders. Ik heb u thans het liefste gegeven, dat wij, mijne ziekelijke vrouw en ik, op de gansche wereld bezitten, en daarvoor eisch ik, dat gij mijn kind zult beschermen en in eere houden; ik wil niet, dat zij door uwe grootmoeder zóó behandeld zal worden als uwe ongelukkige moeder; deze belofte kan ik van u verlangen, en gij zult mij die nu geven; zoodra ik tranen in het oog mijns kinds zie, stel ik u daarvoor verantwoordelijk. Kunt gij mij beloven alles te doen, om mijn kind voor den hoogmoed dier vrouw te behoeden?”Hij hield hem de hand toe. Het liefst was Army den man om den hals gevallen; Derenberg zou hem weder toebehooren, zijn schoonste droom verwezenlijkt worden! En toch lag er een drukkende last op zijne blijdschap.“Het zal Liesje nimmer berouwen, dat zij mij van een donkere toekomst redde,” antwoordde hij, toen zijne hand in die van Erving lag; “ik zal weten haar te beschermen in ieder opzicht—ook voor mijne grootmoeder; ik moet dadelijk naar haar toe.”Een snelle, onderzoekende blik van Erving gleed over het gelaat van den jongen man vóór hem; hij scheen kalm, alleen zijne oogen fonkelden. “Laat u niet door drift vervoeren!” vermaande de oudere man, en lag de hand op Army’s schouder, “zij is en blijft de moeder uws vaders en den ouderdom moet men eeren. Ik verlang niets anders, dan dat zij mijn kind geen kwaad doet, voor ’t overige mag zij handelen, zooals zij wil. Dus bedaard, Army, hoort gij wel? Zij is een oude vrouw.”Het was de eerste maal, dat hij den jongen officier bij zijn voornaam aansprak. Diep geroerd zag deze tot hem op; dàt was de man, van wien hij eenmaal in dwazen trots gezegd had, dat hij niet onder zijn dak kon verkeeren, en nu zorgde hij voor hem als een vader! Hem dankte hij nu alles, alles, zijn geheele toekomst.“Ga nu, Army!” vermaande hij, toen deze zijn hand greep en zwijgend drukte, “en heden namiddag vertrekken wij. Ga—en nog eens—bedaard!”Hij ging als in een droom; boven aan het einde der allée dook reeds het slot op en het prachtige met wapens getooide bordes. Één oogenblik rustte zijn blik daarop; hij gevoelde zich heden zoo nietig, zoo ellendig. Hij richtte het hoofd op, en een trek van vastberadenheid lag op zijn gelaat, toen hij de trap opging, die naar de kamer zijner grootmoeder voerde. Daar kwam Nelly hem tegemoet loopen; hare oogen schitterden als zonneschijn.“Hoe maakt het Liesje, Army?” vroeg zij, en sloeg de beide armen om zijn hals. Hij zag haar in het lachende, gelaat.“Wilt gij mij een genoegen doen, kleine?” vroeg hij, en streek haar de lokken van het voorhoofd. Zij knikte haastig.“Ga dan naar haar toe—ja? Maar spoedig, aanstonds, en zeg haar dat ik haar laat groeten, en zij niet meer moet weenen; ik laat haar dit dringend verzoeken—hoort gij?” Hij maakte driftig hare handen los en keerde zich om; toen hij een verbaasde, vragende uitdrukking op haar gelaat las, riep hij haar toe: “Ga toch spoedig, en blijf wat bij haar. Ik moet nu met grootmama spreken.”In de gang sloop Sanna hem voorbij, haar groet was eenigszins snibbig.“Kan ik grootmama nu spreken?” vroeg hij.“Ik was reeds tweemaal in uw kamer, heer baron,” antwoordde zij, “mevrouw uwe grootmama wacht met ongeduld.”Hij ging haar schielijk voorbij en trad binnen. De oude dame zat op hare gewone plaats bij den haard: zij knikte vluchtig met het hoofd en wees op een stoel. “Gij hebt mij lang laten wachten,” sprak zij.“Ik had een noodzakelijk onderhoud met mijn aanstaanden schoonvader,” antwoordde hij, plaats nemende, “hij waszoo goed, mij de plannen voor onze toekomst mede te doelen.”“De proef is dus toch gelukt?” vroeg zij, zijn eigene woorden gebruikende. “Nu, in ieder geval hebt gij nog geene ringen gewisseld; er kan dus nog over de zaak gesproken worden.” Hij maakte een ongeduldige beweging. “Gij veroorlooft toch, dat ik nog een paar woorden spreek?” vroeg zij.Army maakte een lichte buiging en plotseling viel zijn oog op een brief, dien de tengere vingers zijner grootmoeder vasthielden; hij kende dat stevige, roomkleurige papier, en op eens vloog het bloed hem gloeiend heet naar het hart.“Vooreerst,” begon de oude dame en nam van het nevens haar staand tafeltje een tweeden brief, “is hier een zeer minzaam schrijven van den hertog; hij wenscht uwe omstandigheden te leeren kennen, en belooft mij, in ieder opzicht uwe belangen te zullen bevorderen; dat is eene belofte, waarvan gij den omvang, naar ik hoop, op prijs zult weten te stellen; uwe plaats als officier is verzekerd, uwe carrière buiten allen twijfel.” Zij zag hem uitvorschend aan. “Mijn raad is deze, gij maakt een einde aan die belachelijke comedie daar beneden in den molen en vertrekt dadelijk naar S.”“Grootmama,” antwoordde hij bedaard, “dat kan u onmogelijk ernst zijn.”“Dat is het—in waarheid,” verzekerde zij, “gij hebt hals over kop de laagste betrekkingen aangeknoopt, en ik wil u daarvoor andere geven, meer overeenkomstig uwen stand.”“Meer overeenkomstig mijn stand?” vroeg hij, “dat zal bezwaarlijk zijn; de betrekkingen, die ik aanvaard, zijn de beste die er zijn.”“Misschien compagnon van mijnheer uw schoonvader—lompenmolenaar numero twee! nietwaar?”“Ik bid u, grootmama, laat ons van dat onderwerp afstappen! Ik zal nimmer mijn woord terugnemen, zelfs niet, wanneer uw voorstel mij kon verleiden—zoo veel te minder echter, nu ik geen lust gevoel terug te treden.”“Dan verlaatikhet huis!” riep zij toornig, “nog voordat uwe vrouw er den voet inzet.”“Dat zou mij spijten, grootmama. Gij kunt met een weinig vriendelijkheid zooveel goed maken; trouwens wanneer gij—”“Het is toch beter, dat ik ga, meent gij?” vroeg zij. “Goed, Army, dat wil ik ook, ziehier,ditis een uitkomst.”Zij hield hem het roomkleurige briefje onder de oogen; hij herkende de sierlijke hand zijner trouwelooze bruid; onwillekeurig trad hij terug. “Blanka?” vroeg hij toonloos; “schrijft zij u?”“Weet gij, wat zij mij schrijft? Zij verzoekt mij, haar op eene reis naar Italië te begeleiden, omdat de overste door dienstplichten verhinderd wordt, mede te gaan. Het liefste zou ik haar dit vod met de vleiendste woorden in het aangezicht smijten, maar onder deze omstandigheden is er geen anderen uitweg; ik neem haar aanbod aan.”“Gij wilt—gij kunt dat? Kunt gij tot haar gaan, die mij bedrogen heeft, grootmama?” vroeg de jonge man en greep hare hand.“Mij blijft niets anders over; ik wil met die lieden daar beneden geene gemeenschap hebben; ik wil het niet, en ik doe het niet,” hield zij vol.“Dan is het zeker beter dat gij gaat,” sprak hij zacht en keerde zich om.“Dat is dan de dank voor al mijne liefde! Dat is de vervulling aller verwachtingen, die ik op u gebouwd heb!” bracht zij uit. “Incredibile! Als ik mij u voorstel, daar beneden in het kantoor op den stoel uws schoonvaders!” vervolgde zij in één adem, “schrijvende, of de boeken houdende, gij, die het vooruitzicht op een schitterende loopbaan zoo onzinnig verwerpt!”“Ik had tevreden moeten zijn, zoo mijn schoonvader mij den kantoorstoel had aangewezen, maar hij heeft het beter met mij gemaakt; Liesje brengt als bruidschat onzeoude familiegoederen mede, ik zal weder heer op Derenberg wezen.”Hij had langzaam gesproken en op ieder woord gedrukt.Zij keerde zich met één ruk om; haar groote oogen zagen hem verbaasd aan, als geloofde zij zijne woorden niet. “Duur genoeg betaald!” bracht zij met moeite uit.“Hoe zoo?”“Omdat gij voor uw leven aan eene vrouw geketend zult zijn, die uws gelijken met den nek zal aanzien, en eindelijk, die gij niet liefhebt, niet kunt liefhebben!”“Wie zegt u dat?” vroeg hij, en een fijn lachje speelde om zijn mond, “zou het laatste zoo onmogelijk zijn? Mij dacht, gij weet het tegendeel uitondervinding. Denk slechts aan mijn gestorven oudoom Frits en de schoone Lisette!—”De oude dame antwoordde niet; met een driftig gebaar ging zij weder in den leunstoel zitten, en hare vingers verkreukelden Blanka’s brief; maar haar gelaat was wit geworden, zoo wit, als de strooken harer muts.“Mijn zwager heeft er nimmer aan gedacht, dat meisje te trouwen,” sprak zij eindelijk, “daarin moet ik hem verdedigen; het was een minnarij, zooals heeren die bij dozijnen plegen te hebben; de bekendheid met deze geschiedenis moest u juist van de onzinnige gedachte terughouden, een meisje uit dat huis tot uwe vrouw te maken!”“O, toch niet, integendeel! Als iets mij nog in mijn besluit konde versterken, dan zou het dit zijn, dat ik daarmede een gedeelte van hetgeen zinnelooze hoogmoed en onedele wraak eens misdeden, vergoeden zou.”“Deze duistere toespelingen zijn mij geheel onbegrijpelijk,” viel zij hem in de rede, en stond driftig op; “de broeder uws grootvaders was een mensch, die geene zelfbeheersching bezat, die een los, lichtzinnig leven leidde—hij is gestorven, God weet waar? Hij was een huichelaar, die zijn lichtzinnige gedachten, onder het masker van een rechtschapen, achtenswaardig uiterlijk, voortreffelijk wist te verbergen; hetspijt mij, dat gij u eene legende op den mouw hebt laten spellen, waarin deze zedeprekende huzaren-officier met die Lisette de rol van heilige vervult.—Maar juist daarom, wijl reeds eenmaal zulke onpassende betrekkingen aangeknoopt werden tusschen ons en hen daar beneden, betrekkingen die—Gode zij dank!—door een verstandige bemoeiing verbroken werden, juist dáárom, herhaal ik u, zal ik nooit of nimmer het meisje als uwe bruid beschouwen, nooit of nimmer haar mijne hand reiken; en volhardt gij bij uw voornemen—goed, dan ga ik—ik weet nu waarheen—” zij hief Blanka’s brief omhoog; “en hoewel het mij zwaar valt, dezen stap te doen bij haar, die u bedroog, ik verkies dit boven het vooruitzicht met deze persoon in hetzelfde huis te leven.”Haar lippen beefden, en haar oogen fonkelden van toorn.“Goed, ga dan, grootmama! Het doet mij leed, dat de zaken zoo loopen. Maar gij zoudt het volste recht hebben te zeggen, dat ik geen man ben, slechts een verwijfde droomer, wien het weinigje ongeluk de armen verlamd heeft—wanneer ik mijn besluit veranderde; als man van eerkanik het niet; ikwilhet niet, omdat ik niet zoo dwaas zijn zal, een gansche gelukkige toekomst van mij te werpen.”“Gijzelf beveelt mij dus te gaan?” vroeg de oude dame ademloos.“O neen, grootmama; het liefste zag ik, dat gij in mijn huis uw verder leven vreedzaam doorbracht, maar daar gij mij de keuze laat: gij of zij—zeg ik van ganscher harte: “mijne bruid!””Hij had luid gesproken, en zijne woorden klonken oprecht gemeend.“Goed,” antwoordde zij, “ik ga; en wanneer gij ook op uwe knieën voor mij laagt, en gij allen te zamen mij handenwringend smeektet om te blijven, ik zou toch gaan. Het is schandelijk; het is ongehoord—” zij trok met bevende haast aan de scheldkoord en begon onderscheiden laadjes vanhaar schrijftafel open te trekken: brieven, kistje, kleine doosjes vlogen er verward door elkander uit.“Mijne reiskoffers,” beval zij der binnentredende Sanna: “pak uw goed ook. Wij vertrekken.”Op dit oogenblik vloog een klein, blinkend voorwerp over het tapijt en bleef voor Army’s voeten liggen; hij nam het op en beschouwde het—het was een klein gouden hart, bekrast en dof, waarop de letters L. E. waren gegraveerd. Hij staarde er langen tijd op; het was hem onmogelijk een woord te spreken; hij ging naar haar toe, en hield haar het kleine, gouden hartje voor. Zij vestigde haar oogen er op; toen greep zij opeens het blad van de tafel, om zich vast te houden; het rood week uit hare wangen, en een vale bleekheid verspreidde zich over haar gelaat. Geen geluid verbrak de stilte; alleen de kleine beeldjes op de schrijftafel stootten zacht tegen elkander, zóó zwaar leunde de bevende barones er op.“Ik heb geen recht, u verwijten te doen,” sprak hij ten laatste, en trok de hand, die het kleine voorwerp vasthield, terug. “Gij zijt de moeder mijns vaders, en—het zou ook nutteloos zijn. Maar ik zal dubbele moeite doen, aan mijne bruid te vergoeden, wat gij eens misdaan hebt aan een jong, beminnelijk schepsel; God geve, dat het mij moge gelukken!” Hij keerde zich om en wilde heengaan.Daar trad Sanna hem in den weg.“Wat wilt gij van mijne meesteres?” riep zij, “ik heb het gouden amulet den baron Frits ontnomen; ik alleen deed het. Mijne signora is onschuldig. Jaag mij weg, mijnheer, maar ontneem haar niet haar tehuis, de eenige plaats, waar zij haar hoofd kan nederleggen!” De oude meid was op den vloer gegleden en strekte smeekend de handen naar hem uit; in hare koude, grauwe oogen blonk een traan.“Ik zend uwe gebiedster niet weg,” zeide Army, geroerd door de trouw van het oude, hardvochtige schepsel, “integendeel,—”“Sta op!” beval de barones toornig, “en doe, wat ik u bevolen heb—geen woord meer. Ik vertrek nog heden!”“Misericordia!” snikte de oude in haar doodsangst, en greep de plooien van het zwarte kleed harer meesteres; “laat mij medegaan, signora Eleonora! Ik sterf zonder u.”Hij zag droevig naar de gebiedende gestalte, die daar midden in het vertrek stond, het hoofd trotsch in den nek geworpen; scherp en vijandig blikten de zwarte oogen hem aan, als stond een vreemde bedelaar voor haar, dien zij de deur wilde wijzen. Hij had haar altijd zoo liefgehad, zoo bewonderd, zijne schoone grootmoeder; zelfs thans, nu de nimbus, met welke zijn hart haar eens omgaf, geweken was, zelfs nu zegepraalde deze liefde; hij vergat haar heerschzucht, hare hardheid; hij zag slechts de trotsche, bevelende vrouw, die hem eenmaal met afgodische teederheid opvoedde. “Grootmama!” smeekte hij, en trad eene schrede nader, “laat vergeten zijn, wat eens gebeurd is! Ik geef u de hand er op, niets zal u hier aan het verleden herinneren—”“Ga!” sprak zij kortaf, en wenkte hem met de hand op hare bevallige manier ten afscheidsgroet; “ga! Ik wil alleen zijn; ik heb nog veel te regelen.”Hij trad op haar toe. “Vaarwel!” zeide hij, “en zoo gij ooit heimwee gevoelt, kom dan! Gij zult—”“Adieu!” viel zij hem in de rede, en onttrok hem de hand, die hij aan zijne lippen wilde brengen. “Gij hebt gekozen.” Zij keerde hem den rug toe.“O, de vloek! de vloek!O, mio dio!” snikte de oude dienstmaagd, die nog altijd handenwringend op den vloer geknield lag.“Gekken!” hoorde hij zijne grootmoeder zeggen; toen viel de deur tusschen hem en haar in het slot.

Den volgenden morgen ging Army naar den molen; zijn aanstaande schoonvader wenschte een onderhoud met hem. Liesje zag hij niet; tante, die uit de keuken kwam, en de kamerdeur voor hem opende, antwoordde op zijne vragen, dat het jonge meisje nog sliep; een weinig rust zou wel noodig zijn en goeddoen, als men den geheelen nacht geweend had.

Een donkere schaduw lag op zijn gelaat, toen hij de kamer zijns schoonvaders binnentrad; hij had verlangd Liesje te zien, na den vorigen avond, en de gedachte, dat zij den ganschen nacht geweend had, lag hem zwaar op het hart. Hij moest eenige oogenblikken wachten. De heer Erving was boven in het kantoor; onwillekeurig sloeg hij zijne blikken in het rond; het was een gezellig vertrek, met donkere tapijten, groene meubels en gordijnen; op een groote schrijftafel stond een portret; het was eene photographie van Liesje uit hare kinderjaren; het lieve gezichtje zag er recht schalksch uit. Hij hield de beeltenis omhoog, om het beter te zien, en had het nog in de hand, toen de heer Erving binnentrad.

Op het gelaat van den statigen man lag eene uitdrukking, die men er anders niet op vond, van zorg en spanning; hij had zeker dien nacht weinig geslapen. “Vergeef mij, dat ik u liet wachten!” begon hij het gesprek en reikte den jonkman zijn hand. “Ga zitten,” vervolgde hij, “enlaat ons dadelijk tot onze zaken overgaan!—Ik zal niet veel onnoodige woorden gebruiken,” ging hij voort en schoof een stoel voor zich bij de tafel. “Vooreerst denk ik, reizen wij te zamen naar uw garnizoen, om daar de zaken te regelen; dan dient gij uw ontslag uit den dienst in—Gij kunt het mij niet kwalijk nemen, dat ik dit zoo bepaald verlang! zij is mijn eenig kind”—zijne stem beefde bij deze woorden—“en ik wil haar ten minste in mijne nabijheid, onder mijne bescherming houden.”

Army boog toestemmend, maar het bloed steeg hem gloeiend heet naar de wangen.

“Ik verlang niets onredelijks,” voer de andere voort; “gij weet, dat mijne familie in vroegere jaren van de uwe een aanzienlijk deel der omliggende landerijen gekocht heeft. Nu is Liesje ons eenig kind, en ik heb met mijne vrouw overlegd, dat het het beste zou zijn, dat gij weder werdt, wat uwe voorouders waren, heer van Derenberg. Ik heb heden morgen vroeg reeds aan Hellwig geschreven, hoe de zaken staan, en hem tot eene samenkomst te S. uitgenoodigd, hoofdzakelijk met het doel, om te beproeven, hoeveel wij van de landerijen van uw erfgoed, die bovendien niet in goede handen zijn, weder machtig kunnen worden, om ze dan weder tot één geheel te vereenigen; zooals wij hopen, zal het met het meerendeel gelukken. Van u verwacht ik daarvoor, dat gij u—-” hij hield plotseling op, trad naar de schrijftafel en zocht tusschen zijne papieren.

“Ik heb niet lichtvaardig mijne toestemming gegeven,” wendde hij zich weder tot den jongen man, en zijne stem klonk week en zacht, “want ik vrees, dat mijne dochter vele vernederingen tegemoet gaat; maar zij wilde niet anders.—Ik ken u eigenlijk alleen uit uw jeugd, want als jongeling hebt gij mijn huis niet weer betreden, maar het weinige, dat ik van u weet, is niet van dien aard, om u onvoorwaardelijk mijn vertrouwen te schenken. Gij hebt tot nu toe getrouw de voetstappen uwer grootmoeder gevolgd, die inmenschen van mijn stand zeer ondergeschikte wezens ziet; uwe voorouders—ik weet het—dachten anders. Ik heb u thans het liefste gegeven, dat wij, mijne ziekelijke vrouw en ik, op de gansche wereld bezitten, en daarvoor eisch ik, dat gij mijn kind zult beschermen en in eere houden; ik wil niet, dat zij door uwe grootmoeder zóó behandeld zal worden als uwe ongelukkige moeder; deze belofte kan ik van u verlangen, en gij zult mij die nu geven; zoodra ik tranen in het oog mijns kinds zie, stel ik u daarvoor verantwoordelijk. Kunt gij mij beloven alles te doen, om mijn kind voor den hoogmoed dier vrouw te behoeden?”

Hij hield hem de hand toe. Het liefst was Army den man om den hals gevallen; Derenberg zou hem weder toebehooren, zijn schoonste droom verwezenlijkt worden! En toch lag er een drukkende last op zijne blijdschap.

“Het zal Liesje nimmer berouwen, dat zij mij van een donkere toekomst redde,” antwoordde hij, toen zijne hand in die van Erving lag; “ik zal weten haar te beschermen in ieder opzicht—ook voor mijne grootmoeder; ik moet dadelijk naar haar toe.”

Een snelle, onderzoekende blik van Erving gleed over het gelaat van den jongen man vóór hem; hij scheen kalm, alleen zijne oogen fonkelden. “Laat u niet door drift vervoeren!” vermaande de oudere man, en lag de hand op Army’s schouder, “zij is en blijft de moeder uws vaders en den ouderdom moet men eeren. Ik verlang niets anders, dan dat zij mijn kind geen kwaad doet, voor ’t overige mag zij handelen, zooals zij wil. Dus bedaard, Army, hoort gij wel? Zij is een oude vrouw.”

Het was de eerste maal, dat hij den jongen officier bij zijn voornaam aansprak. Diep geroerd zag deze tot hem op; dàt was de man, van wien hij eenmaal in dwazen trots gezegd had, dat hij niet onder zijn dak kon verkeeren, en nu zorgde hij voor hem als een vader! Hem dankte hij nu alles, alles, zijn geheele toekomst.

“Ga nu, Army!” vermaande hij, toen deze zijn hand greep en zwijgend drukte, “en heden namiddag vertrekken wij. Ga—en nog eens—bedaard!”

Hij ging als in een droom; boven aan het einde der allée dook reeds het slot op en het prachtige met wapens getooide bordes. Één oogenblik rustte zijn blik daarop; hij gevoelde zich heden zoo nietig, zoo ellendig. Hij richtte het hoofd op, en een trek van vastberadenheid lag op zijn gelaat, toen hij de trap opging, die naar de kamer zijner grootmoeder voerde. Daar kwam Nelly hem tegemoet loopen; hare oogen schitterden als zonneschijn.

“Hoe maakt het Liesje, Army?” vroeg zij, en sloeg de beide armen om zijn hals. Hij zag haar in het lachende, gelaat.

“Wilt gij mij een genoegen doen, kleine?” vroeg hij, en streek haar de lokken van het voorhoofd. Zij knikte haastig.

“Ga dan naar haar toe—ja? Maar spoedig, aanstonds, en zeg haar dat ik haar laat groeten, en zij niet meer moet weenen; ik laat haar dit dringend verzoeken—hoort gij?” Hij maakte driftig hare handen los en keerde zich om; toen hij een verbaasde, vragende uitdrukking op haar gelaat las, riep hij haar toe: “Ga toch spoedig, en blijf wat bij haar. Ik moet nu met grootmama spreken.”

In de gang sloop Sanna hem voorbij, haar groet was eenigszins snibbig.

“Kan ik grootmama nu spreken?” vroeg hij.

“Ik was reeds tweemaal in uw kamer, heer baron,” antwoordde zij, “mevrouw uwe grootmama wacht met ongeduld.”

Hij ging haar schielijk voorbij en trad binnen. De oude dame zat op hare gewone plaats bij den haard: zij knikte vluchtig met het hoofd en wees op een stoel. “Gij hebt mij lang laten wachten,” sprak zij.

“Ik had een noodzakelijk onderhoud met mijn aanstaanden schoonvader,” antwoordde hij, plaats nemende, “hij waszoo goed, mij de plannen voor onze toekomst mede te doelen.”

“De proef is dus toch gelukt?” vroeg zij, zijn eigene woorden gebruikende. “Nu, in ieder geval hebt gij nog geene ringen gewisseld; er kan dus nog over de zaak gesproken worden.” Hij maakte een ongeduldige beweging. “Gij veroorlooft toch, dat ik nog een paar woorden spreek?” vroeg zij.

Army maakte een lichte buiging en plotseling viel zijn oog op een brief, dien de tengere vingers zijner grootmoeder vasthielden; hij kende dat stevige, roomkleurige papier, en op eens vloog het bloed hem gloeiend heet naar het hart.

“Vooreerst,” begon de oude dame en nam van het nevens haar staand tafeltje een tweeden brief, “is hier een zeer minzaam schrijven van den hertog; hij wenscht uwe omstandigheden te leeren kennen, en belooft mij, in ieder opzicht uwe belangen te zullen bevorderen; dat is eene belofte, waarvan gij den omvang, naar ik hoop, op prijs zult weten te stellen; uwe plaats als officier is verzekerd, uwe carrière buiten allen twijfel.” Zij zag hem uitvorschend aan. “Mijn raad is deze, gij maakt een einde aan die belachelijke comedie daar beneden in den molen en vertrekt dadelijk naar S.”

“Grootmama,” antwoordde hij bedaard, “dat kan u onmogelijk ernst zijn.”

“Dat is het—in waarheid,” verzekerde zij, “gij hebt hals over kop de laagste betrekkingen aangeknoopt, en ik wil u daarvoor andere geven, meer overeenkomstig uwen stand.”

“Meer overeenkomstig mijn stand?” vroeg hij, “dat zal bezwaarlijk zijn; de betrekkingen, die ik aanvaard, zijn de beste die er zijn.”

“Misschien compagnon van mijnheer uw schoonvader—lompenmolenaar numero twee! nietwaar?”

“Ik bid u, grootmama, laat ons van dat onderwerp afstappen! Ik zal nimmer mijn woord terugnemen, zelfs niet, wanneer uw voorstel mij kon verleiden—zoo veel te minder echter, nu ik geen lust gevoel terug te treden.”

“Dan verlaatikhet huis!” riep zij toornig, “nog voordat uwe vrouw er den voet inzet.”

“Dat zou mij spijten, grootmama. Gij kunt met een weinig vriendelijkheid zooveel goed maken; trouwens wanneer gij—”

“Het is toch beter, dat ik ga, meent gij?” vroeg zij. “Goed, Army, dat wil ik ook, ziehier,ditis een uitkomst.”

Zij hield hem het roomkleurige briefje onder de oogen; hij herkende de sierlijke hand zijner trouwelooze bruid; onwillekeurig trad hij terug. “Blanka?” vroeg hij toonloos; “schrijft zij u?”

“Weet gij, wat zij mij schrijft? Zij verzoekt mij, haar op eene reis naar Italië te begeleiden, omdat de overste door dienstplichten verhinderd wordt, mede te gaan. Het liefste zou ik haar dit vod met de vleiendste woorden in het aangezicht smijten, maar onder deze omstandigheden is er geen anderen uitweg; ik neem haar aanbod aan.”

“Gij wilt—gij kunt dat? Kunt gij tot haar gaan, die mij bedrogen heeft, grootmama?” vroeg de jonge man en greep hare hand.

“Mij blijft niets anders over; ik wil met die lieden daar beneden geene gemeenschap hebben; ik wil het niet, en ik doe het niet,” hield zij vol.

“Dan is het zeker beter dat gij gaat,” sprak hij zacht en keerde zich om.

“Dat is dan de dank voor al mijne liefde! Dat is de vervulling aller verwachtingen, die ik op u gebouwd heb!” bracht zij uit. “Incredibile! Als ik mij u voorstel, daar beneden in het kantoor op den stoel uws schoonvaders!” vervolgde zij in één adem, “schrijvende, of de boeken houdende, gij, die het vooruitzicht op een schitterende loopbaan zoo onzinnig verwerpt!”

“Ik had tevreden moeten zijn, zoo mijn schoonvader mij den kantoorstoel had aangewezen, maar hij heeft het beter met mij gemaakt; Liesje brengt als bruidschat onzeoude familiegoederen mede, ik zal weder heer op Derenberg wezen.”

Hij had langzaam gesproken en op ieder woord gedrukt.

Zij keerde zich met één ruk om; haar groote oogen zagen hem verbaasd aan, als geloofde zij zijne woorden niet. “Duur genoeg betaald!” bracht zij met moeite uit.

“Hoe zoo?”

“Omdat gij voor uw leven aan eene vrouw geketend zult zijn, die uws gelijken met den nek zal aanzien, en eindelijk, die gij niet liefhebt, niet kunt liefhebben!”

“Wie zegt u dat?” vroeg hij, en een fijn lachje speelde om zijn mond, “zou het laatste zoo onmogelijk zijn? Mij dacht, gij weet het tegendeel uitondervinding. Denk slechts aan mijn gestorven oudoom Frits en de schoone Lisette!—”

De oude dame antwoordde niet; met een driftig gebaar ging zij weder in den leunstoel zitten, en hare vingers verkreukelden Blanka’s brief; maar haar gelaat was wit geworden, zoo wit, als de strooken harer muts.

“Mijn zwager heeft er nimmer aan gedacht, dat meisje te trouwen,” sprak zij eindelijk, “daarin moet ik hem verdedigen; het was een minnarij, zooals heeren die bij dozijnen plegen te hebben; de bekendheid met deze geschiedenis moest u juist van de onzinnige gedachte terughouden, een meisje uit dat huis tot uwe vrouw te maken!”

“O, toch niet, integendeel! Als iets mij nog in mijn besluit konde versterken, dan zou het dit zijn, dat ik daarmede een gedeelte van hetgeen zinnelooze hoogmoed en onedele wraak eens misdeden, vergoeden zou.”

“Deze duistere toespelingen zijn mij geheel onbegrijpelijk,” viel zij hem in de rede, en stond driftig op; “de broeder uws grootvaders was een mensch, die geene zelfbeheersching bezat, die een los, lichtzinnig leven leidde—hij is gestorven, God weet waar? Hij was een huichelaar, die zijn lichtzinnige gedachten, onder het masker van een rechtschapen, achtenswaardig uiterlijk, voortreffelijk wist te verbergen; hetspijt mij, dat gij u eene legende op den mouw hebt laten spellen, waarin deze zedeprekende huzaren-officier met die Lisette de rol van heilige vervult.—Maar juist daarom, wijl reeds eenmaal zulke onpassende betrekkingen aangeknoopt werden tusschen ons en hen daar beneden, betrekkingen die—Gode zij dank!—door een verstandige bemoeiing verbroken werden, juist dáárom, herhaal ik u, zal ik nooit of nimmer het meisje als uwe bruid beschouwen, nooit of nimmer haar mijne hand reiken; en volhardt gij bij uw voornemen—goed, dan ga ik—ik weet nu waarheen—” zij hief Blanka’s brief omhoog; “en hoewel het mij zwaar valt, dezen stap te doen bij haar, die u bedroog, ik verkies dit boven het vooruitzicht met deze persoon in hetzelfde huis te leven.”

Haar lippen beefden, en haar oogen fonkelden van toorn.

“Goed, ga dan, grootmama! Het doet mij leed, dat de zaken zoo loopen. Maar gij zoudt het volste recht hebben te zeggen, dat ik geen man ben, slechts een verwijfde droomer, wien het weinigje ongeluk de armen verlamd heeft—wanneer ik mijn besluit veranderde; als man van eerkanik het niet; ikwilhet niet, omdat ik niet zoo dwaas zijn zal, een gansche gelukkige toekomst van mij te werpen.”

“Gijzelf beveelt mij dus te gaan?” vroeg de oude dame ademloos.

“O neen, grootmama; het liefste zag ik, dat gij in mijn huis uw verder leven vreedzaam doorbracht, maar daar gij mij de keuze laat: gij of zij—zeg ik van ganscher harte: “mijne bruid!””

Hij had luid gesproken, en zijne woorden klonken oprecht gemeend.

“Goed,” antwoordde zij, “ik ga; en wanneer gij ook op uwe knieën voor mij laagt, en gij allen te zamen mij handenwringend smeektet om te blijven, ik zou toch gaan. Het is schandelijk; het is ongehoord—” zij trok met bevende haast aan de scheldkoord en begon onderscheiden laadjes vanhaar schrijftafel open te trekken: brieven, kistje, kleine doosjes vlogen er verward door elkander uit.

“Mijne reiskoffers,” beval zij der binnentredende Sanna: “pak uw goed ook. Wij vertrekken.”

Op dit oogenblik vloog een klein, blinkend voorwerp over het tapijt en bleef voor Army’s voeten liggen; hij nam het op en beschouwde het—het was een klein gouden hart, bekrast en dof, waarop de letters L. E. waren gegraveerd. Hij staarde er langen tijd op; het was hem onmogelijk een woord te spreken; hij ging naar haar toe, en hield haar het kleine, gouden hartje voor. Zij vestigde haar oogen er op; toen greep zij opeens het blad van de tafel, om zich vast te houden; het rood week uit hare wangen, en een vale bleekheid verspreidde zich over haar gelaat. Geen geluid verbrak de stilte; alleen de kleine beeldjes op de schrijftafel stootten zacht tegen elkander, zóó zwaar leunde de bevende barones er op.

“Ik heb geen recht, u verwijten te doen,” sprak hij ten laatste, en trok de hand, die het kleine voorwerp vasthield, terug. “Gij zijt de moeder mijns vaders, en—het zou ook nutteloos zijn. Maar ik zal dubbele moeite doen, aan mijne bruid te vergoeden, wat gij eens misdaan hebt aan een jong, beminnelijk schepsel; God geve, dat het mij moge gelukken!” Hij keerde zich om en wilde heengaan.

Daar trad Sanna hem in den weg.

“Wat wilt gij van mijne meesteres?” riep zij, “ik heb het gouden amulet den baron Frits ontnomen; ik alleen deed het. Mijne signora is onschuldig. Jaag mij weg, mijnheer, maar ontneem haar niet haar tehuis, de eenige plaats, waar zij haar hoofd kan nederleggen!” De oude meid was op den vloer gegleden en strekte smeekend de handen naar hem uit; in hare koude, grauwe oogen blonk een traan.

“Ik zend uwe gebiedster niet weg,” zeide Army, geroerd door de trouw van het oude, hardvochtige schepsel, “integendeel,—”

“Sta op!” beval de barones toornig, “en doe, wat ik u bevolen heb—geen woord meer. Ik vertrek nog heden!”

“Misericordia!” snikte de oude in haar doodsangst, en greep de plooien van het zwarte kleed harer meesteres; “laat mij medegaan, signora Eleonora! Ik sterf zonder u.”

Hij zag droevig naar de gebiedende gestalte, die daar midden in het vertrek stond, het hoofd trotsch in den nek geworpen; scherp en vijandig blikten de zwarte oogen hem aan, als stond een vreemde bedelaar voor haar, dien zij de deur wilde wijzen. Hij had haar altijd zoo liefgehad, zoo bewonderd, zijne schoone grootmoeder; zelfs thans, nu de nimbus, met welke zijn hart haar eens omgaf, geweken was, zelfs nu zegepraalde deze liefde; hij vergat haar heerschzucht, hare hardheid; hij zag slechts de trotsche, bevelende vrouw, die hem eenmaal met afgodische teederheid opvoedde. “Grootmama!” smeekte hij, en trad eene schrede nader, “laat vergeten zijn, wat eens gebeurd is! Ik geef u de hand er op, niets zal u hier aan het verleden herinneren—”

“Ga!” sprak zij kortaf, en wenkte hem met de hand op hare bevallige manier ten afscheidsgroet; “ga! Ik wil alleen zijn; ik heb nog veel te regelen.”

Hij trad op haar toe. “Vaarwel!” zeide hij, “en zoo gij ooit heimwee gevoelt, kom dan! Gij zult—”

“Adieu!” viel zij hem in de rede, en onttrok hem de hand, die hij aan zijne lippen wilde brengen. “Gij hebt gekozen.” Zij keerde hem den rug toe.

“O, de vloek! de vloek!O, mio dio!” snikte de oude dienstmaagd, die nog altijd handenwringend op den vloer geknield lag.

“Gekken!” hoorde hij zijne grootmoeder zeggen; toen viel de deur tusschen hem en haar in het slot.


Back to IndexNext