De Encuerado nam zijnmacheteen sneed een prachtigen stengel af. (blz. 11).
De Encuerado nam zijnmacheteen sneed een prachtigen stengel af. (blz. 11).
Tegen elf uur in den ochtend werd de warmte drukkend en Lucien vroeg, wanneer het tijd was om te ontbijten. Wij trokken op dit oogenblik juist door een plantage, ja ik mag wel zeggen een bosch van suikerriet. De stengels, die bijna twee meter lengte hadden, warennu eens geelachtig, dan weer met blauw geaderd. Deze laatste soort zal zeker de voorkeur boven de andere verkrijgen; ofschoon minder dik geeft zij een veel zekerder opbrengst. De Encuerado nam zijnmachete(een korte sabel, die den bewoners van het Warme Land onontbeerlijk is), sneed een prachtigen stengel af, schilde dien en bood er ons eenige stukken van aan. Het suikerriet is verbazend hard, men moet het geheel en al fijn hakken om de cellen, die het suikerhoudende vocht bevatten, en dat men er anders onmogelijk uit zou kunnen persen, te verbreken. Mijne makkers begonnen het merg te kauwen en Gringalet scheen er niet minder op verlekkerd dan zij.
Niet ver van het veld met suikerriet was een troep Indianen bezig een andere plantage te ontginnen. De grond was met asch bedekt. De meesterknecht verklaarde ons dat, als men het riet oogst, men het eerst van de lange bladeren ontdoet, die op den grond blijven liggen. Onder den invloed der tropische zon zijn deze bladeren in acht dagen droog en geel geworden; men steekt ze dan in brand, en de asch dient tot mest. Vijf of zes Asteken bewerken dezen oogenschijnlijk onvruchtbaren grond, met een ploeg van zeer eenvoudig maaksel, namelijk een paal die op twee houten schijven, die wielen zonder spaken vormen, gedragen en door twee ossen, door een juk aan elkander verbonden, getrokken werd.
Sumichrast nam den knaap bij de hand en zeide: »'t Is goed, dat men de geschiedenis kent van hetgeen men eet. In 't latijn heet het suikerrietsaccharum officinalis, dat wil zeggen suiker uit de apotheken, omdat het product van deze plant zoo zeldzaam was, dat men het slechts bij de apothekers verkocht. De plant zelf, zegt men, dat uit Indië komt. Zooals gij ziet, is het een bundel wortels, die van zes tot twintig stengels voortbrengt, die met meer of minder dicht bijelkander staande knoopen zijn voorzien, waarvan het aantal ook zeer afwisselt. De meest gezochte soort, het zoogenaamde riet van Taïti, heeft paarse strepen. De plant, die ge daar voor u ziet, is zeer opmerkenswaardig van grootte, want zij is zeker vier meter hoog.
—Het gelijkt wel wat op maïsplanten, zeide Lucien.
—Met dit onderscheid, dat de maïs slechts een scheut geeft. Ha, zie eens, die Indiaan gaat met zijn machete de mooie plant, die ik u aanwees, afhakken. Met een enkelen houw snijdt hij de plant schuins door en zoo dicht bij den grond als maar mogelijk is. Hij ontdoet haar van de bladeren en met een tweeden houw van zijn hakmes, snijdt hij er den groenen kruin af, die als voeder voor het vee zal dienen; nu verdeelt hij haar in stukken, zorg dragende steeds tusschen de knoopen te snijden, want hij wil haar gebruiken om een nieuw veld te bezaaien.
—Bezaaien, herhaalde Lucien? Zijn die knoopen dan zaden?
—Neen, meester Zonnestraal; maar het zaad van het suikerriet ontwikkelt zich te langzaam; het heeft vier jaar noodig om een plant te vormen, die wat kan opbrengen. En daar de snuiters van uwe soort nog al talrijk zijn en veel confituren en koekjes verbruiken, moest men wel een middel uitdenken om spoediger deopgegetensuiker te vervangen. Dit middel nu heeft men gevonden. Ieder dezer stukken wordt in den grond gestopt, en de knoop, die boven den grond bladeren zal voortbrengen, zal in den grond wortels geven. Zoo groot als hij nu is, zal hij schielijk groeien en na een jaar of hoogstens achttien maanden, zal hij, dank zij de zon, een twaalftal stengels voortbrengen, even fraai als hij zelf is.
Gedurende dit onderhoud was de Encuerado, wien zijn vracht het stilstaan moeielijk maakte, doorgegaan en men moest hard loopen om hem in te halen.
Onder het loopen door zag de knaap nog, hoe het stuk suikerriet, dat men onder zijn oogen had afgesneden, onder den grond werd gestopt. Weldra vertoonde eene pas aangelegde plantage, waar de jonge scheuten, gelijk aan die van een opkomend grasperk, den grond met een groen kleed bedekten, zich aan hunne oogen. Sumichrast groef den grond een weinig op en liet zijn opgetogen leerling een stuk van den stengel zien, die reeds met blaadjes en worteltjes voorzien was.
Eensklaps werd ik bij het omdraaien van een pad door een heer te paard gegroet: het was de rentmeester van de plantage die wij doortrokken.
—Heila! don(3)Luciano, waar gaat gij aldus uitgerust heen? riep de nieuw aangekomene mij toe.
—Een bezoek brengen aan de bosschen van de Cordilleras, antwoordde ik.
—De Hemel sta mij bij! En gaat de Senorito(4)met u meê?
—Wel zeker. Dat God u behoede en tot weerzien, Antonio.
—Tot weerzien? Bij de ziel van mijn vader, dat woord zult ge eerst straks mogen zeggen. De huishoudster heeft eieren en gebraden boonen en ik moet nog ergens een paar flesschen Spaanschen wijn hebben, die wij op uwe gelukkige reis zullen ledigen, als gij tenminste de gastvrijheid van een arm man niet versmaadt.
Daar wij nog nuchter waren, pasten wij wel op om zulk eene hartelijke uitnoodiging van de hand te wijzen. De rentmeester wildeden jongen reiziger met alle geweld voor zich op het paard nemen, en deze wilde niets liever.
—Drommels, drommels! riep Sumichrast uit, gij gaat hem bij het begin van de reis al bederven.
—Dat is een halve mijl minder voor zijn arme beentjes, antwoordde Antonio. En zijn paard de sporen gevende rende hij weg, ten einde de noodige bevelen voor het ontbijt te geven.
Gringalet, die geheel verbijsterd was zijn meester zoo te zien weggaan, hief zijn schranderen kop naar ons omhoog, scheen ons te ondervragen, stak de ooren op, alsof hij naar de steeds onduidelijker wordende stappen van het paard luisterde, hief eindelijk een klagend gehuil aan en liep uit al zijn macht de beide ruiters achterna.
Daar het mij verwonderde den Encuerado niet meer te zien, keek ik om, denkende dat hij achter was gebleven, en wel spoedig zou komen, toen Sumichrast eensklaps begon te lachen. Bij den draai van den weg bemerkte ik den ruiter met den hond naast zich, en den Indiaan die, niettegenstaande zijn vracht, naast het paard voortdraafde, zonder zich voorbij te laten rijden.
Dit heldenstukje van mijn knecht verbaasde mij niet zeer, want ik geloof niet dat er op de wereld onvermoeibaarder loopers zijn dan de Mexicanen. Om twaalf uur, juist toen de klok de werklieden terugriep, kwam ik op het binnenplein van de fabriek aan, waar ik mijn kleinen reisgezel reeds op den grond zag zitten. Met zijn hond naast zich, beschouwde hij met verrukking eenige eenden, die in een modderigen poel rondplasten.
(2)Een personage uit de werken van Aimard.
(2)Een personage uit de werken van Aimard.
(3)Don = Mijnheer.
(3)Don = Mijnheer.
(4)Senorito = Jongeheer.
(4)Senorito = Jongeheer.
DE SUIKER.—GRINGALET IN DE STROOP.—EEN IDEE VAN DEN ENCUERADO.—INDIAANSCH AVONDMAAL.
Het ontbijt was, dank zij den Spaanschen wijn, dien onze gastheer beloofd had, zeer opgewekt. De Indiaansche werklieden, hunne vrouwen en kinderen, verzamelden zich vol nieuwsgierigheid voor de vensters van het huis. Lucien was in de wolken, want die nieuwsgierigheid gold vooral hem. Gringalet, die door zijn natuurgenooten uit de fabriek veel minder hartelijk was ontvangen dan wij, verliet zijn meester niet en toonde te pas of te onpas zijn tanden.
Alvorens wij vertrokken, wilde Sumichrast aan zijn leerling laten zien hoe de suiker gemaakt wordt. Hij geleidde hem eerst naar een molen, die onder een ruim afdak was geplaatst. Daar werd het riet, dat door een Indiaan tusschen de rollen werd gestoken, door twee houten cilinders, die om een spil draaiden, welke door middel van een as, door twee aan een juk gekoppelde ossen in beweging werd gebracht, fijn gemalen. Het werktuig steunde en scheen uit elkander te zullen springen door de kracht, welke de twee sterke dieren, die men door gebaren en door de stem aanwakkerde, er op uitoefenden. Lucien zag dat de stengels, die in stukken van een meter, schuins waren afgesneden, door de twee rollen gegrepen en platgeperst werden. Na deze machtige drukking te hebben ondergaan, kwamen zij bijna geheel droog van onder de rollen te voorschijn, terwijl het suikerachtige sap in een grooten bak liep, die uit een boomstam gemaakt was. Zoodra de bak vol was, werd er een groote klep geopend, niet ongelijk aan die, welke gebruikt worden om het water uit de badkuipen te laten wegvloeien; het troebele en drabbige sap liep dooreen goot, vanwaar het in een steenen vergaarbak kwam. Bij dit neervallen liep het door de mazen van een zak, die uit aloë-vezels was gemaakt en werd daarin zoo goed en zoo kwaad als 't kon gefiltreerd. Daarna bracht men het in verbazend groote koperen ketels, die op een groot fornuis stonden. De gekneusde suikerrietstengels, die in de zon spoedig droogden, werden gebruikt om het vuur te onderhouden, dat het sap, waarvan men ze beroofd had, aan 't koken moest brengen.
Bij den zak van aloë-vezels, waarin zich zonder ophouden het afval van het riet ophoopte, bevond zich een knaap van ongeveer twaalf jaren, wiens werk het was telkens den zak te ledigen. Lucien trok mij aan mijn kleeren, om er mij opmerkzaam op te maken dat de knaap slechts één arm had.
—Waar hebt ge uw linkerarm verloren,pobrecito(5)? vroeg ik.
—Tusschen de rollen, die het riet fijn malen, senor.(6)
—Was 't uw schuld?
—Helaas, ja! Vader, die bij de machine werkte en dien ik hielp door de ossen aan te sporen, had mij verboden om dicht bij de rollen te komen. Eens verwijderde hij zich eenige oogenblikken; ik wilde op mijn eigen houtje een stengel fijn malen; maar mijn vinger werd gegrepen en mijn arm verpletterd.
—Dat was een verschrikkelijke straf voor uwe ongehoorzaamheid.
—Veel verschrikkelijker dan gij wel denkt, mijn goede mijnheer; mijn vader is zes maanden geleden gestorven; ik heb veel broers, en als ik mijn beide armen had, kon ik minstens een kwart piaster daags verdienen en mijne moeder helpen.
—En hoeveel verdient ge nu, met van den ochtend tot den avond op dien zak te passen?
—Een medio!(7)
Ik zag Lucien eens aan, die mij in de armen vloog.
—Ik zal altijd gehoorzaam zijn, riep hij geheel ontroerd uit; maar mag ik nu dien armen jongen mijn beurs geven?
—Geef hem een piaster, mijn kind; wij kunnen nog meer ongelukkigen ontmoeten, en wij moeten wat overhouden om dezen ook te kunnen helpen.
—O, mijn jongeheer, riep de arme verminkte knaap uit, terwijl hij met bewondering het geldstuk beschouwde, dat voor hem zestien dagen werks vertegenwoordigde, wat zullen we goed voor u bidden!â€
Daarna haastte hij zich om den zak, die bijna overliep, weer te ledigen.
De wijze van bewerking, die in de fabriek, welke wij bezochten gevolgd werd, was uiterst eenvoudig en oorspronkelijk. De Europeesche fabrikanten gebruiken ijzeren cilinders, die door stoom of water in beweging worden gebracht en zuig- en perspompen, die het sap zeer snel naar de ketels brengen, waar het door gisting geklaard moet worden.
Maar om een goed denkbeeld te krijgen van de verschillende bewerkingen, die de winning van suiker eischt, was de hacienda(8)van Antonio, waar alle bewerkingen open en bloot plaats hadden, veel te verkiezen boven die, welke de nieuwere nijverheid van verbeterde werktuigen heeft voorzien.
Toen de jonge bezoeker dat dikke, modderige, door talrijke brokken stengel verontreinigde vocht zag, dat men zoo voor zijn oogen met een reusachtige schuimspaan rondroerde, had hij moeite om te gelooven, dat men er ooit die mooie witte kristallen, die hij zoo gaarne knabbelde, uit kon gewinnen.
—Maar waar is dan toch de suiker? vroeg hij.
—Daar, voor u, antwoordde Sumichrast. Het suikerriet bevat, evenals alle gewassen, een zekere hoeveelheid water, waarin de suiker zich in opgelosten toestand bevindt; het is voldoende er dit water aan te onttrekken om de prismatische kristallen te doen ontstaan. Zie, de inhoud van dezen ketel begint te koken, er komt een zwartachtig schuim op, dat men er zorgvuldig afschept, want na twee of drie dagen, als het gegist heeft, zal men er door distillatie den brandewijn oftafiauithalen, waarvan de Encuerado zooveel houdt. De nevel, die boven den ketel opstijgt, bewijst dat het sap begint te klaren; nog eenige oogenblikken en het zal in stroop veranderd zijn en als het koud wordt, kristalliseeren. Wij zullen de uitkomsten van deze laatste bewerking eens gaan zien.
Wij kwamen onder eene ruime galerij, waar vormen van gebakken aarde, die de gedaante van omgekeerde suikerbrooden hadden, op een rei op een stelling van balken stonden, die vrij wel op flesschenrekken geleken. De werklieden goten de kokende siroop in deze vormen, die vooraf nat waren gemaakt. Een weinig verder toonde men ons het kooksel van den vorigen dag, dat reeds begon te kristalliseeren, welke geheimzinnige arbeid der natuur door een Indiaan, die het vocht langzaam schudde, werd bevorderd. Uit een vorm, die aan het onderste einde open was, vloeide een dik vocht, waaraan men den naam vanmelassegeeft en die gebruikt wordt om er rum en peperkoek van te maken. De bodem of de voet vanhet suikerbrood scheen nu geel en kleverig te zijn.—Terwijl wij een donkeren gang doorgingen, bemerkte Lucien twee bijna halfnaakte werklieden, die bezig waren om klei aan te mengen en er zoo eene soort van pap van te maken.
—Wat een knoeiboeltje! riep hij vol overtuiging uit; wat zou mama wel zeggen als zij hier was, zij heeft mijn broertje en zusje laatst nog zoo beknord!
—Wat hadden zij dan uitgevoerd?
—Zij hadden slijk gemaakt om er een stad van te bouwen en een grooten kleibak in den grooten gang van het huis.
—En welke rol hebt gij daarbij gespeeld?
—Ik was de bouwmeester, maar ik heb evengoed knorren gehad als de anderen.
—Dat wil ik graag gelooven, zei Sumichrast, die zijn ernst niet kon bewaren; maar laten wij die werklieden eens volgen, dan zult gij zien, dat zij niet voor hun plezier slijk maken.
Lucien zag tot zijne groote verwondering, dat het ledige gedeelte der vormen, waaruit men de stroop had laten loopen, met de zwarte vloeistof gevuld werd.
—Dat zijn verloren suikerbrooden! riep hij uit.
—Integendeel, ze zullen nu wit worden. Het water, dat de brij bevat, zal langzamerhand doorsijpelen en de stroop, die de kristallen omgeeft, voor zich uitdrijven, en deze veelvuldig herhaalde bewerking levert die sponsachtige suikerpap op, waarvan de groote korrels nog den smaak van het riet behouden, maar waarvan de Europeanen, gewoon aan de fraaie voortbrengselen van hunne raffinaderijen, niet houden.
Er bleef nog slechts over om de droogstoven te bezichtigen, waar de opgestapelde suikerbrooden droogden en op een kooper wachtten.
Terwijl wij op onze schreden terugkeerden, vielen wij bijna in een grooten, met den grond gelijk liggenden en openstaanden vergaarbak vol stroop, waarvan de schuimende oppervlakte op eene bedriegelijke wijze op den ongelijken en glibberigen bodem van de fabriek geleek. De ongelukkige Gringalet behoedde ons, ten zijnen koste, voor dit ongeval. Rusteloos als al zijne soortgenooten, ging hij, links en rechts snuffelende, vooruit, alsof men hem gelast had een verloren voorwerp terug te zoeken—eensklaps schoot hij door onze beenen door om ons vooruit te komen en verdween plotseling in het dikke vocht. Ik haalde er hem dadelijk uit en haastte mij hem naar buiten te brengen. Nauwelijks stond hij weer op zijn pooten, of hij rolde zich in alle richtingen rond en stond toen op, vol hout- en stroostoppeltjes, en geen vorm van hond meer vertoonende.Ik riep hem naar de poel, maar het arme dier was geheel uit het veld geslagen en verblind en scheen mij niet te hooren. Men behoeft niet te vragen of de werklieden in een algemeen geschater uitbarstten! Alleen Lucien, die meende dat zijn hond zou sterven, volgde hem wanhopig. Het dier, zonder twijfel hem willende geruststellen, liep naar zijn meester toe, sprong liefkoozend tegen hem op en bedekte hem van het hoofd tot de voeten met de strooperige massa. Daar ik het ongeval niet had kunnen beletten, nam ik de beste partij en lachte er om als de anderen.
Terwijl de Encuerado den hond wiesch, maakte de huishoudster de kleeren van Lucien schoon. Daarop vervolgden wij onzen weg.
Don Antonio beklaagde ons, als een echte Mexicaan, dat wij, evenals de Indianen, te voet gingen; hij beklaagde vooral onzen kleinen reismakker en beschuldigde ons van wreedheid.
—Hij moet leeren zich van zijne voeten te bedienen, daarvoor heeft de goede God ze hem gegeven, antwoordde Sumichrast, die er vermaak in vond den rentmeester het hoofd te bieden.
—Maar waar dienen de paarden dan toe?
—Om zich den hals te breken. Bovendien zijn er te veel gebrekkelijkheden in het leven, dat men zich nog vrijwillig die van een paard behoeft te geven.
—Het paard een gebrek?
—Wel zeker, vooral bij menschen van uwe soort, want gij zoudt het evenmin zonder een rijdier kunnen stellen als een kreupele zonder krukken.
Don Antonio floot tusschen zijn tanden zonder te antwoorden, maakte zijn paard los, nam Lucien voor zich op het zadel en vergezelde ons meer dan een uur ver. Daar zijn plicht hem eindelijk naar de hoeve terugriep, drukte hij ons de handen en wendde den teugel. Wij konden hem niet meer zien, toen nog zijne stem, die ons eene goede reis wenschte, tot ons doordrong.
Wij moesten eene prairie(9)doortrekken; de warmte was verstikkend en wij liepen naast elkander voort zonder een woord te wisselen. De gang van Lucien werd bemoeielijkt door zijne weitasch en zijne veldflesch, die, trots al zijne pogingen, steeds naar voren kwamen. Eensklaps bemerkte ik, dat hij zich van dat lastig tuig bevrijd had.
—Hola, riep ik uit, waar is uw voorraad gebleven?
—De Encuerado heeft ze willen dragen.
—De Encuerado heeft reeds een last te dragen, die zwaar genoegis, vriendje, en ge moet u aan uwe eigene vracht gewennen. Na eenige dagen zal het u evenwel niet meer hinderen, dank zij de gewoonte, die dikwijls gemakkelijk maakt wat eerst onmogelijk scheen.
—Senor, sprak de Encuerado, Chanito (dien naam was hij gewoon aan Lucien te geven) is vermoeid; 't is voor den eersten keer, dat hij reist; ik zal hem zijne weitasch morgen teruggeven.
—'t Is beter, dat hij er zich reeds van heden af aan gewent. Geef hem zijne vracht, die in evenredigheid met zijne krachten is, terug, anders zal ik hem moeten beknorren.
De Indiaan preutelde alvorens te gehoorzamen; daarna nam hij den knaap bij de hand, bleef een weinig achter en ik hoorde hem fluisteren:
—Als ge niet meer kunt loopen, Chanito, moet ge het maar zeggen, dan zal ik u op mijnen korf zetten.
—Ja, dat moest ge eens probeeren, sprak ik, mij omkeerende, dan stuur ik u met hem naar huis terug.
—Mijne schouders behooren mij toe, antwoordde de Indiaan in allen ernst, en als ik uwe bagage maar draag, mag ik ze gebruiken zooals mij goeddunkt.
Bij het hooren van deze redeneering proestte Sumichrast van 't lachen, ik stapte schielijk vooruit om het niet eveneens te doen. Ik was evenwel bevreesd, dat Lucien vanaf den eersten dag te veel op de goedheid van den Encuerado zou leeren rekenen; ik was dus zeer blijde toen ik hoorde, dat hij herhaalde malen het aanbod van de hand wees om boven op den korf te klimmen, in welk denkbeeld de goede Indiaan, met zijne gewone koppigheid, die ik sinds lang kende, bleef volharden. Zekerlijk in de meening verkeerende, dat zijne waardigheid op het spel stond met het bewijs te leveren, dat hij nog zwaarder vracht kon dragen, nam hij Gringalet, die met de tong uit den bek hem op de hielen volgde, beet, plaatste hem op zijne mars, en den Indiaanschen draf aannemende, liep hij ons als een zegevierend veldheer voorbij. Gringalet, geheel verbaasd, wilde eerst uit de mars springen en jankte van angst; maar weldra ging hij zonder veel omslag liggen, tot groot genoegen van mijn zoon, wien dit tooneel zeer vermaakte.
De vlakte, die wij doortrokken, scheen geen einde te nemen.
—Het geeft ons niet veel of wij al loopen, sprak Lucien, wij komen niet vooruit.
—Dat hebt gij gelukkig mis, antwoordde Sumichrast. Zie maar eens recht voor u, en gij zult zien dat de boomen, die straks nog in elkander schenen te versmelten, zich nu vrij van elkander vertoonen.
—Bedoelt u het bosch, dat wij van hier bemerken?
—Gij ziet eenige boomen, die in dat gedeelte van de vlakte verspreid staan, voor een bosch aan.
—Vergist mijnheer Sumichrast zich niet, vader?
—Neen, mijn jongen, maar meer geoefenden dan gij zouden er zich door laten bedriegen; op een afstand gezien, schijnt het alsof de voorwerpen dicht opeen staan. Toen wij, bijvoorbeeld, dezen morgen den grooten weg volgden, herhaaldet gij zonder ophouden, dat hij in een punt uitliep; maar gij hebt u kunnen overtuigen dat uwe oogen u bedrogen hebben. Hetzelfde is nu het geval; die boomen zullen hoe langer zoo meer van elkander komen, hoe meer wij zullen naderen en gij zult zeer verwonderd staan, als gij strak zult zien, hoe ver zij van elkander verwijderd zijn. Hetzelfde gezichtsbedrog bieden ons de sterren aan, die millioenen mijlen van elkander verwijderd zijn en die toch zoozeer den hemel opvullen, dat uw broer Emile, een avond of wat geleden het betreurde, niet groot genoeg te zijn om er een handvol van te kunnen nemen.
—En vergeet nooit, voegde Sumichrast er bij, dat het gezicht en de verbeelding dikwijls samenspannen om ons te bedriegen.
—Zooals in de fabel van de kameelen en de drijvende stokken.
—Bravo! jonge geleerde. Kent gij die fabel dan?
—Laatst op een avond in een slecht verlichte kamer komende, meende ik een grooten grijzen man op een stoel te zien zitten en nam ik schreeuwende de vlucht. Papa heeft mij toen bij de hand genomen en mij naar het donkere vertrek teruggebracht en toen zag ik dat de reus, die mij zooveel schrik had aangejaagd, niets anders was dan een broek, dien men op een stoel had gehangen. Den volgenden dag heeft mama mij de fabel van de kameelen geleerd.
In 't voorbijgaan toonde ik Lucien een kleinen doornachtigen boom, een soort mimosa, door de Indianenhuizachigenoemd, waarvan zij de peulen gebruiken om stoffen zwart te verven en er eene inkt van vrij goede hoedanigheid van te maken. Allengs kreeg de vlakte een minder eentonig uiterlijk. Vlinders vlogen om ons heen en de jeugdige natuuronderzoeker wilde beginnen er jacht op te maken. Ik moest zijn ijver intoomen, want ik wilde onze spelden en doozen bewaren voor de zeldzamer soorten, die wij hoopten te vinden, zoodra wij de bewoonde plaatsen achter den rug zouden hebben. Eindelijk bereikte de karavaan, met hangende beenen, den voet der bergen.
Het was vijf uur; de avond naderde en men moest zonder toeven naar eene schuilplaats omzien. Eene hut van bamboe vertoonde zich gelukkig aan onze blikken. Een oude Indiaan, slechts in een oudenbroek gekleed en een hoed met gerafelde randen op, verwarmde zijne vermagerde ledematen in de stralen der ondergaande zon. Bij onze nadering stond hij op en bood ons gastvrijheid aan. Zijne gezellin, wier kleeding uit een linnen hemd bestond met roode draden omboord, kwam op zijn geroep naar buiten, en was vol verrukking over de lieftalligheid van den jongen blanken reiziger, die geheel en al in hare gunst kwam, toen hij haar in hare taal groette. Wij hadden een marsch van zeven mijlen afgelegd; mijn zoon, 't is waar, had, dank zij het paard van don Antonio, minder geloopen dan wij.
Men diende ons rijst en boonen voor. Na afloop van dit eenvoudig maal, dat met versch water werd gekruid, wilde ik Lucien overhalen om naast ons op eene groote mat plaats te nemen, maar terwijl Sumichrast en ik lui bleven liggen, ging de kleine drommel zien hoe de kippen van onze gastvrouw op de takken van een dooden boom gingen zitten, om er den nacht door te brengen, of doolde hij in gezelschap van den Encuerado links en rechts rond. Deze vond in de hut eeneguitaarmet drie snaren, en bleef er gedurende een uur hetzelfde deuntje op krassen, tot groote vreugde van den knaap, maar niet tot ons genot.
Eindelijk werden de dekens uitgerold en beval ik te gaan rusten. Gringalet ging in de hut aan de voeten van zijn jongen meester liggen. De Encuerado bleef liever in de open lucht slapen, gelukkig, naar hij zeide, den hemel boven zijn hoofd te zien en te gevoelen dat de lucht in zijn mond kwam zonder eerst door een muur te moeten gaan.
(5)Pobrecito= arme jongen.
(5)Pobrecito= arme jongen.
(6)Senor = mijnheer.
(6)Senor = mijnheer.
(7)Vijftien cents.
(7)Vijftien cents.
(8)Hacienda = hoeve.
(8)Hacienda = hoeve.
(9)Prairie = groote, uitgestrekte grasvlakte.
(9)Prairie = groote, uitgestrekte grasvlakte.
HET ONTWAKEN.—EEN LILLIPUTWERELD.—DE ENCUERADO EN DE FLESSCHEN.—DOOD AAN DE DISTELS.—DE INDIAANSCHE KOLENBRANDERS.
Ik stond lang voor het aanbreken van den dag op en wekte mijne makkers. Lucien wreef zich twee- of driemaal over de oogen en trachtte zich rekenschap te geven van de plaats, waar hij zich bevond. Eindelijk wilde hij zijn deken weer over zich trekken en maakte aanstalten om weer in te slapen.
—Kom, kom, luiaard, riep ik uit, hoort ge den haan niet kraaien? hij zegt, dat wij reeds weer op weg moesten zijn. Zie eens om u en gij zult bemerken, dat de vogels en de insecten reeds aan den arbeid zijn.
De knaap stond geheel verstijfd op en rekte zich al geeuwende uit.
—Oh, Papa, mijn geheele lichaam doet mij pijn, ik zal niet meer kunnen gaan.
—Stel je gerust, antwoordde ik, hem ondersteunende, gij gevoelt wat vermoeidheid en stijfheid; maar uwe ledematen zullen spoedig hunne veerkracht terug bekomen. Ga u een weinig bij het vuur van onze gastvrouw, die een kop koffie voor ons gereed maakt, warmen.
Het ventje verwijderde zich al hinkende.
—Doen uw knieën en kuiten u ook zoo zeer als de mijne? vroeg hij aan den Encuerado.
—Neen, Chanito, wij hebben gisteren nog niet genoeg geloopen.
—Wat, hebben wij niet genoeg geloopen? Papa zegt dat wij zeven mijlen van Orizava verwijderd zijn.
—Ja, dat is veel voor u, 't is zelfs te veel; daarom wilde ik uookop mijne mars plaatsen. Laat eens zien, waar hebt gij pijn?
—Binnen in de knieën, de beenen en de armen.
—Wacht eens, ik zal u genezen.
De Encuerado legde Lucien daarop voor het vuur en begon hem op de Indiaansche manier te wrijven en het geheele lichaam met kracht te kneden. Daarna dwong hij hem met groote schreden te gaan en vervolgens om te loopen, waarna hij hem een kop warme koffie gaf. Aldus versterkt zijnde kreeg de knaap zijne opgeruimdheid weer en was hij de eerste, die van vertrekken sprak.
Ik gaf aan de oude luidjes, die ons zoo goed ontvangen hadden, eene kleine belooning, en de karavaan begon haar tweeden dagmarsch; Gringalet liep, met den neus in den wind, voorop.
Toen de zon opkwam was de lucht met grijze wolken bedekt, die door een stevigen noordenwind met kracht werden voortgedreven; maar dit weer, hoewel droevig, zou onzen marsch begunstigen. Een kalkachtige berg rees voor ons op; men moest de steile helling opklimmen en twintigmaal staan blijven om adem te scheppen. Lucien, met naar den grond hangend hoofd, zweette en blies om in het gelid te blijven. Eindelijk kwamen wij op den top en konden wij uitrusten.
Toen hij een blik naar omlaag wierp, zag de knaap een uitgestrekte prairie, met struiken bezaaid, voor zich. Hij beschouwde in stilte het panorama, dat zich voor zijn oogen ontrolde, maar zonder zich nauwkeurig rekenschap te kunnen geven van hetgeen hij bemerkte.
—Zie eens, wat zijn dat voor zwarte stippen, die daar in de vlakte loopen, vroeg hij mij.
—Dat zijn stieren, antwoordde ik.
—Stieren! Maar zij zijn niet grooter dan Gringalet.
—Ge weet toch reeds, dat men niet op den schijn moet vertrouwen; denk maar eens aan de boomen van gisteren, die u toeschenen een bosch uit te maken.
—Maar als de stieren van deze hoogte gezien op schapen gelijken, moeten de schapen, op haar beurt, op vliegen gelijken.
—Gij kunt er u dadelijk van overtuigen; ik zie daar ginds een troep geiten.
—Dat kleine zwarte hoopje, dat als een mierennest dooreenkrioelt?
—Juist; zie maar eens door mijn kijker.
—Met den verrekijker gewapend, waarvan hij zich in den beginne vrij onhandig bediende, uitte Lucien een kreet.
—Ik zie ze, ik zie ze! Wat zijn ze lief, zij loopen en dringen zich tegen elkander aan; een kleine jongen leidt ze.
—'t Is zonder twijfel een man, dien de afstand kleiner maakt.
—Oh, wat zou ik gaarne menschen willen zien.
—Welnu, zie dan eens naar ginder aan den voet van dien boschachtigen heuvel; de witte streep, die gij voor een bijna ongebaand pad zoudt kunnen houden, is de groote weg; misschien kunt ge wel eene Indianen-familie zien voorbij gaan.
Lucien richtte den kijker eenige oogenblikken, zonder iets te bespeuren; maar eensklaps uitte hij een nieuwen kreet.
—Hebt gij menschen ontdekt?
—Ja, menschen, paarden, muilezels; maar 't is het rijk van Lilliput!
—Gij hebt gelijk, sprak Sumichrast. Wie weet of Docter Swift de wereld niet van den top van een berg heeft gezien, toen hij het plan voor Gulliver opvatte?
—Papa, waarom heeft u mij nooit op den Borrego gebracht om mij die kleine boomen, die kleine wegen, die kleine dieren te laten zien? 't Is of men de groote speelgoeddoos van mijn zusje om heeft geworpen.
Wij lachten hartelijk om deze vergelijking, die evenwel niet zonder juistheid was, en ik ontrukte den jongen opmerker aan zijne beschouwing. De top was weldra overschreden en wij begonnen af te dalen. Ik nam Lucien bij de hand, want de helling was zoo scherp, dat men duizend voorzorgen moest nemen om niet op de naakte rotsen te vallen. Herhaalde malen gleed ik uit en schramde ik mijn armen aan de struiken. Sumichrast, die op zijne beurt den knaap geleidde, verkeerde weldra in denzelfden toestand als ik. Soms sleepte de helling ons mede en waren wij verplicht hard te loopen; er bleef dan geene andere keus dan zich te laten vallen, op gevaar van zich te verwonden; want eenmaal aan 't loopen, zou men slechts stand hebben kunnen houden aan den voet van den berg. Niettegenstaande zijne belofte van voorzichtig te zullen loopen en zijne schreden te meten, weigerde ik Lucien aan zichzelven over te laten. Eindelijk hadden wij tot onze groote voldoening reeds twee derden van den weg zonder ongeval afgelegd toen de Encuerado, zijn evenwicht verliezende, verscheidene buitelingen maakte; de mars en de drager rolden om het hardst naar beneden en verdwenen in het kreupelhout.
—Pas op Lucien, riep ik mijn reisgezel toe, die eenige passen voor mij uitging.
Vol ongerustheid volgde ik het spoor van den Encuerado. Ik verwachtte den armen Indiaan geheel ontwricht en misschien dood te vinden en op goed geluk uitte ik den verzamelkreet, waaraan hij gewoon was. Hij antwoordde er bijna onmiddellijk op en zijne stem klonk niet onder mij, maar aan mijne linkerhand. Ik kon mijn loopniet vroeger inhouden dan toen ik een boschje kreupelhout ontmoette, waaraan ik mij vastklampte. Daarna in schuine richting gaande, kwam ik weldra bij mijn braven Indiaan, die reeds bezig was zijne vracht op te beuren.
—Hebt gij niets gebroken? riep ik uit.
—Neen, Tatita, alle flesschen zijn heel.
—Maar gij, ongelukkige!
—O! mijn neus en armen zijn wat ontveld en mijn lichaam is wat gekneusd; maar er is geen enkele scheur in mijn vest of in mijn broek, voegde hij er bij, terwijl hij een blik van welgevallen op zijn leeren kleeding wierp.
—Komaan, daar zijt gij goed afgekomen.
—Oh Senor, wat is God toch goed! niettegenstaande de teenen hulsen, hadden alle flesschen kunnen breken en ze zijn allen heel.â€
Ik, voor mij, zag veeleer de hand van God in de wonderbare redding van den Encuerado. Wat de mars aanbetreft, deze was door den Indiaan zoo stevig ingepakt, dat ik er mij niet zeer over verwonderde dat onze voorraad niets geleden had.
—Laat uw verzamelkreet hooren, zeide ik tegen den Indiaan. Sumichrast, die ons niet zien kan, moet wel denken dat gij dood zijt.
—Chanito, hioe, hioe, hioe, Chanito!
—Ohé, ohé, antwoordde Lucien.
En bijna op het zelfde oogenblik verscheen hij, bleek en radeloos. Hij liep op zijn vriend toe, wierp zich om zijn hals en drukte hem in zijn armen; de goede Indiaan, die niet ontroerd was door zijn vreeselijken val, scheen geroerd te zijn door dit blijk van genegenheid.
—Het was maar voor de grap, zeide hij, gij zult mij wel andere toeren zien uitvoeren.â€
—Maar uw gezicht is vol bloed.
—Dat is ook maar voor de grap! Wilt gij, dat ik het nog eens doe?
—Neen, neen! riep de knaap uit, terwijl hij den Indiaan bij zijn kiel greep.
Ik verbond den Indiaan; mijn zoon troostte zich en wij dachten er aan om onzen weg te vervolgen.
—Hè, sprak Lucien spottend, op het oogenblik dat de Indiaan zijn mars weer op den rug nam, als ik daar nu eens in was geweest!
—Dan zou ik niet gevallen zijn, zeide de Indiaan met allen ernst.
—In een oogenblik waren wij beneden aan den berg. Lucien maakte verrukt een bokkesprong, waardoor ik ontdekte, dat zijn pantalon van achter een vreeselijk gat had.
—Dat is een mooi begin, zeide ik, waar hebt gij uw pantalon zoo toegetakeld?
—Dat is mijne schuld, antwoordde Sumichrast verlegen. Daar wij spoediger beneden wilden zijn en ik voor een nieuwen val vreesde, heb ik hem aangeraden om te gaan zitten en zich te laten glijden. Ik had de zeer natuurlijke gevolgen van deze verkeerde handeling niet voorzien.
—Maar Papa, wat doet dat er toe? sprak Lucien, men ziet het toch niet.
—Als men naar mij had willen luisteren, viel de Encuerado in, dan zou hij een leeren pantalon gehad hebben, waarin men zich den hals kan breken zonder hem te beschadigen. Maar stel u maar gerust, Chanito, wij zullen dat wel verstellen met de huid van den eersten eekhoorn, die onder het schot van mijn geweer komt.
Wij waren nu in eene donkere bergkloof, temidden van dicht kreupelhout; voor ons verhief zich een met hout begroeide berg, dien wij moesten overklimmen. Op de struiken volgden weldra reusachtige distels, die ons noodzaakten om met de uiterste omzichtigheid te gaan. Deze lastige planten werden zoo talrijk, dat wij gedwongen waren de machete in de hand te nemen, om een doorgang te banen. De Encuerado, die zijne mars op den grond had gezet, onderwees Lucien hoe hij zijne korte sabel moest houden en behandelen en toonde hem aan, dat een houw van boven naar beneden, als het wapen aan de hand ontsnapt of slechts een zwakken tegenstand ontmoet, gevaarlijk kan worden voor hem, die het vast houdt. Verrukt over deze les, opende onze jonge pionnier, door verscheidene stengels te gelijk af te houwen, ons eene laan, meer nog dan een pad. Eindelijk stonden de distels dunner gezaaid; Sumichrast ging voorop, terwijl hij de laatste hinderpalen uit den weg ruimde en voerde ons in het kreupelhout.
Het uur voor het ontbijt was aangebroken; al voortgaande zochten wij met den blik eene geschikte plaats voor eene halt, toen de afgemeten slagen van eene bijl onze ooren troffen. Dit geraas verried de nabijheid van houthakkers, die zeker wel een voorraad van maïskoeken en boonen zouden hebben en ik besloot naar hen toe te gaan, ten einde onze mondbehoeften te besparen. Na een uur van eene moeielijke klimmerij en terwijl wij reeds wanhoopten den Indiaan te bereiken, wiens bijl wij niet meer hoorden, riep Lucien uit:
—Papa, zie, daar is vuur!
Op hetzelfde oogenblik begon Gringalet woedend te blaffen, en eenige verdere stappen brachten ons bij eene brandende kolenmijt. De kolenbrander, die op ons bezoek niet bedacht was, had eene bijl met langen steel genomen. De tegenwoordigheid van den knaap scheen hem gerust te stellen.
—Goeden dag, don José, sprak ik, mij van den naam bedienende, dien men in Mexico aan alle Indianen geeft.
—Dat God u in gezondheid beware, antwoordde hij in slecht Spaansch.
—Moet gij alleen die mijt bewaken?
—Neen, ik heb zes makkers.
—Zoo; dat een uwer ons dan wat maïskoeken verkoope en ons wat water geven.
—Wij hebben noch water noch koeken.
—Ik ben zeker dat gij beiden zult vinden, hernam ik, en stopte hem een halven piaster in de hand.
De Indiaan nam zijn strooien hoed af, krabbelde zich het hoofd en twee vingers in de mond stekende deed hij een lang gefluit hooren. Bijna op hetzelfde oogenblik werden de takken vaneen gedaan en een jongen van ongeveer vijftien jaar, die voor eenig kleedingstuk een zwembroek aan had, kwam te voorschijn en bleef als verlamd van schrik staan.
—Loop naar de hut, vraag om koeken en piment en breng ze hier, zeide de houthakker in de taal der Asteken.
—Dat is niet noodig, antwoordde ik in hetzelfde taaleigen: Wij zullen in de hut beter kunnen ontbijten.
De houthakker zag mij met eene kinderlijke verwondering aan en nam mijne hand om die op zijne borst te leggen. Ik sprak zijne taal, derhalve moest ik een vriend zijn; dit gevoelen is eigen aan alle menschen, welke overigens ook hunne maatschappelijke stelling moge zijn.
Terwijl wij den jongen Indiaan op den voet volgden, kwamen wij na vijf minuten gaans bij eene zeer oorspronkelijke woning.
—Vier palen, die een dak ondersteunden, gevormd van takken met hunne bladeren er aan. De houthakkers in Mexico maken slechts tijdelijke schuilplaatsen; want zoodra het jaargetijde der regens nadert, verlaten zij de bosschen. Eene jonge Indiaansche vrouw warmde voor ons een dozijn van die koeken van maïsmeel, die mentortillasnoemt, en die de inboorlingen in de plaats van brood eten. Ten slotte bracht zij ons een kalebas vol boonen, welke de honger ons heerlijk deed smaken.
—Waarom dient men ons niet eerst het vleesch voor? vroeg Lucien.
—Omdat zij het niet hebben, antwoordde Sumichrast.
—Hebben die Indianen geen vleesch? Arme menschen! Maar wat eten zij dan 's middags?
—Weet gij dan niet, dat de Indianen zich slechts drie of viermaal in 't jaar op ossenvleesch vergasten en dat hun gewone maaltijd uit zwarte boonen, rijst, piment en maïsmeel bestaat? Zijt gij ons middagmaal van gister vergeten?
—Ik dacht dat men, daar wij wat laat gekomen waren, het vleesch reeds op had. Moeten wij gedurende de gansche reis van boonen leven?
—Neen, onze maaltijden zullen niet zoo goed geregeld zijn als gij wel schijnt te denken. Wij zullen vleesch op tafel hebben als de jacht goed is geweest; een weinig rijst als zij slecht is, en boonen telkens als de Voorzienigheid op onzen weg eene bewoonde hut zal plaatsen.
—En zullen wij dan geen nagerecht hebben? vroeg de knaap met een koddig gebaar.
—Zeker, Chanito, antwoordde de Encuerado, er zal nog vandaag een nagerecht zijn. Misschien niet zoo goed als dat, hetwelk de keukenmeid thuis bereidt; maar 't is toch zoet, zie maar.
De Indiaansche bracht een kalebas gevuld met water en een klein brood zwarte suiker, dat ongeveer een half pond woog.
—Wat is dat?
—Panela, antwoordde de Indiaan.
—De suiker der armen, sprak op zijne beurt Sumichrast; het sap van suikerriet dat gij gister gezien hebt, houdt veel werklieden bezig, die men vrij duur betaalt, omdat zij dag en nacht moeten werken, en dit verhoogt den prijs van de witte suiker zeer. Er zijn nu suikerfabrieken, waar men die kosten vermijdt. Men stelt zich tevreden met het sap zoodanig te koken, dat het vast wordt als 't koud is, daarna giet men het in een hollen boomstam, waarin gaten zijn in de gedaante van afgeknotte kegels. Die zwarte suiker kost de helft minder dan de andere.
—Dat geloof ik wel, sprak de knaap, zij bevat al het vuile schuim, dat wij gister gezien hebben.
—Dat maakt ze veel beter, Chanito, riep de Encuerado uit—er is meer smaak aan.
En een stuk van depanelanemende, doopte hij het in het water van de kalebas en zoog er met welbehagen aan. Lucien waagde het toen ook om van dit nagerecht te proeven, waarvan de zoete smaak zijn afkeer weldra overwon.
Toen de maaltijd afgeloopen was, wilde Lucien weten hoe de houtskool gemaakt werd. Sumichrast bracht hem bij een pas omgehakten eikenboom, waarvan een Indiaan de kleine takken, door middel van een werktuig, dat den vorm van een groot snoeimes had, in stukken van twee of drie duimen afsneed. Een weinig verder waren twee mannen bezigom deze stukken hout op een schoongemaakt stuk grond in cirkelvormige lagen op te stapelen. Het gebouw had reeds twee meter in omtrek en ongeveer dezelfde hoogte, ofschoon het nog maar half voltooid was, zooals Lucien kon opmerken toen hij terug kwam bij den Indiaan, die de brandende mijt bewaakte. Daar scheen het hout, met aarde bedekt, een van die landelijke, met riet gedekte koepeltjes te vormen, zooals men er in sommige tuinen ziet. Op den top danste eene blauwe vlam, die bewees dat de inwendige massa brandde. De Indiaan draaide om de mijt heen en wierp natte aarde op de openingen, die de vlam maakte. Want, zooals Sumichrast het zeer goed uitdrukte, om houtskool van goede kwaliteit te bekomen, moet men het hout in de oven bakken.
—En als het vuur uitging? vroeg Lucien.
—Dan moet het werk van voren af aan begonnen worden.
—Maar als het nu eens aan een kant brandde?
—Dan kreeg men een slecht, rookend goedje, half hout, half kool, dat een zeer onaangenamen reuk zou geven. Het hout van de mijt, die wij hier voor ons hebben, zal dezen avond nog geheel verkoold zijn; het vuur, dat in 't midden is aangestoken, zoekt reeds langs alle kanten een uitweg. Weldra zullen de Indianen de opening aan den top, waarboven dat blauwevlammetjedanst, met aarde dicht stoppen. Dan gaat het vuur, van lucht beroofd, eindelijk van zelf uit. Over acht dagen zal uwe mama wellicht deze kool kopen, die gij hier hebt zien branden.
—Maar als de kool bleef doorbranden?
—Dan zou de Indiaan, tot zijn grooten spijt, niets dan asch vinden; maar hij zal wel oppassen, dat hij de vrucht van zijn arbeid niet verliest. Hij zal evenveel voorzorgen nemen om op te passen, dat het vuur weer aangaat, als hij er nu neemt om te maken dat het niet uitgaat.
Een weinig verder was een man bezig om biezen zakken met koud geworden kool te vullen; daar hij meer dan een dag noodig had om de stad te bereiken, omhulde hij zijn zakken met een soort van citroenkruid, waarvan de doordringende reuk in Mexico de komst van een kolenbrander aankondigt; dit is een voorzorgsmaatregel om de kool tegen het vocht te vrijwaren.
—Ik dacht niet, zeide Lucien, toen ik de Indianen vier kleine zakken met houtskool op hun rug zag dragen, dat zij daarvoor in het bosch hadden moeten leven, groote boomen moesten omhakken en gedurende verscheidene nachten hunne mijten bewaken.
—Evenmin, antwoordde ik, als de kleine jongens uit Europa, als zij langs een suikerriet-plantage gaan, er aan denken, dat men zonderdie plant niet dat suikergoed zou kunnen maken, dat zoowel het gezicht als den smaak streelt.
—Maar, papa, heb ik u niet aan de Mexicanen hooren zeggen, dat men in Europa suiker maakt uit beetwortelen?
—Zeker, en als 't moest zou men er nog uit eene groote menigte andere wortels, planten en vruchten kunnen trekken; maar de beetwortel of suikerbiet alleen bevat er in voldoende hoeveelheid van om met voordeel bewerkt te kunnen worden.
Het uur van vertrekken naderde; ik maakte dan ook een einde aan de nimmer ophoudende vragen van den jongen reiziger. Ik vernam van onzen gastheer, dat als wij het pad bleven opklimmen, dat ons tot hen had gevoerd, wij in minder dan twee uren aan eene hut, boven op eene bergvlakte zouden komen. De Indianen vergaten evenwel, dat de kleine beenen van Lucien onzen marsch konden vertragen.