IV.

EENE MOEIELIJKE KLIMPARTIJ.—DE GEIT.—DE INDIAANSCHE VROUWEN.—DE TABAK.—HET SPEL VAN DEN STIER.—LUCIEN WORDT GEWAPEND.—INTOCHT IN DE WOESTIJN.

Wij trokken midden door jonge eiken; want de zijde van den berg, sedert langen tijd door de Indianen tot hun voordeel aangewend, had allengs al haar groote boomen zien verdwijnen. Het steile, ruwe en rotsachtige pad scheen soms elke beklimming onmogelijk te maken; niettegenstaande de berekende langzaamheid onzer schreden, moesten wij dikwijls blijven stilstaan om adem te scheppen. Lucien volgde ons met een ijver, dien ik dikwijls verplicht was te temperen. Het verwonderde hem dat hij geen enkel levend wezen zag, zelfs geen enkele van die fraaie goudvliegen, die in Mexico om alle struiken gonzen. Maar de wind blies uit het Noorden, de zon bleef achter de wolken verborgen en de insecten bleven, evenals de vogels, in hunne schuilplaatsen verscholen. Naar gelang wij meer voorwaarts gingen, dwong het steile pad ons, om ons aan de struiken vast te klampen. De Encuerado, door het gewicht van zijne vracht bemoeielijkt, hielp zich met zijn handen en kon nauwelijks zijn evenwicht bewaren.

Weldra kon hij niet meer vooruit komen. Gelukkigerwijze hadden wij klimpartijen als deze voorzien. Ik vertrouwde den knaap aan Sumichrast toe, want op deze helling aan zichzelven overgelaten, zou hij kunnen vallen en zich ernstig aan een wortelstronk of een rotshoek bezeeren.

Ik drong in het kreupelhout en met mijn machete kapte ik een tak van middelmatige dikte af, waarvan ik een der uiteinden ineen punt afsneed. Ik ontrolde toen een van die lange riemen, van een meter of tien lengte en die menlazonoemt; ik bevestigde dien aan mijn stok, welken ik stevig in den grond stak. Met behulp van dezen riem, die hem als trapleuning diende, wist hij zich naar boven op te hijschen. Tot tienmaal toe moesten wij dit moeielijke werk herhalen. De weg, in plaats van beter te worden, werd steeds onbegaanbaarder. Wij wisselden van rollen, ik nam de mars op den rug, terwijl de Indiaan, van vermoeidheid uitgeput, den riem vastmaakte. Ik was juist aan mijne derde opklimming bezig, toen Sumichrast, die ons vooruit was gegaan om het terrein te verkennen, boven ons te voorschijn kwam. Toen hij mij zoo zag struikelen, en op de zij, op den neus, op de knieën zag vallen, om een stap vooruit te komen, barstte mijn reisgezel in een luiden lach uit. Ik had tijd noch lust om hem na te volgen en zijne ontijdige vroolijkheid maakte mij een weinig kregelig. Eindelijk kreeg ik de paal beet, uitgeput, geradbraakt, op 't punt om alle reizen naar den drommel te wenschen. Sumichrast deelde ons mede, dat wij nog slechts een honderdtal meters hadden af te leggen en nam de mand op den rug. Op mijne beurt toeschouwer geworden, vergaf ik spoedig zijn aanval van vroolijkheid. Niets toch was potsierlijker dan de wringingen, die hij deed, om het evenwicht te bewaren. De Encuerado alleen bleef ernstig. Wat Lucien betreft, deze bootste in zekeren zin de inspanning van Sumichrast na en scheen er klaarblijkelijk onder te lijden.

—Nu ziet ge eens, zoo sprak ik, dat de wandelingen niet altijd gemakkelijk zijn in een land, waar geen gebaande wegen bestaan.

Eindelijk kwamen wij uit dezen moeielijken pas. Gedurende dit tooneel scheen Gringalet, die bedaard op zijn achterdeel was blijven zitten, zich over onze inspanningen te verwonderen. Terwijl hij zijne ooren naar alle kanten spitste, keek hij ons, met de wenkbrauwen knippend, aan.

Misschien wenschte hij zich heimelijk geluk, dat hij op zijn gemak kon springen en dartelen, waar ongelukkige tweevoeters het loopen zoo moeielijk vonden.

De boomen verdwenen. Evenals den vorigen dag betraden onzevoeteneen granietachtigen bodem, die den bergkom uitmaakte; maar een kleine omweg bracht ons op de bergvlakte, waar eene vrij sierlijk gebouwde hut stond.

Drie kinderen namen op onze nadering de vlucht en twee magere honden kwamen met weinig vriendschappelijke bewegingen om Gringalet draaien. Eene geit, die bedaard het schaarsche gras afknabbelde, hief eensklaps den kop op, maakte verscheidene sprongen en kwam toen met neergebogen kop op Lucien toerennen. Daar ik nietvlug genoeg er bij kon komen, om dezen onverwachten aanval af te weren, begon ik te schreeuwen, hopende daardoor het beest te verschrikken; maar Gringalet, die vlugger was dan ik, wierp zich voor den aanvaller en sloeg hem op de vlucht.

—Waart ge bang? vroeg Sumichrast.

—Een weinig, antwoordde Lucien, met het hoofd knikkende.

—Maar gij hebt toch evenwel den vijand het hoofd geboden.

—Als ik was gaan vluchten, zou de geit, die sneller loopt dan ik, mij bereikt hebben. Ik wachtte haar af, om haar met mijn stok bang te maken en de stooten met haar horens te ontwijken.

—Gij hadt niet verstandiger kunnen handelen. Komaan, het ontbreekt u niet aan koelbloedigheid en dat is eene kostbare hoedanigheid bij een reiziger.

—Dat is alles goed en wel, maar in 't vervolg zal ik toch voor de geiten op mijn hoede zijn. En ik, die nogal dacht dat zij bang voor de menschen waren.

—Niet altijd, zooals gij tot uwe schade hadt kunnen ondervinden. Bovendien, zoo vervolgde Sumichrast al lachende, beschouwde uwe vijandin u misschien niet geheel en al als een mensch. Ik geloof evenwel, dat zij meer dacht met u te spelen dan u te verwonden, want zij is gewoon kinderen te zien.

Gringalet kwam op dit oogenblik te voorschijn, met hangenden staart en terneergeslagen uiterlijk, vervolgd door zijn broeders van het bergplat, die huilden in plaats van te blaffen, zooals alle honden doen, die in de eenzaamheid zijn opgegroeid.

Op het geraas, door de bewakers van het huisje teweeggebracht, kwamen twee Indiaansche vrouwen aanloopen, die, toen zij ons zagen, verbijsterd bleven staan. De jongste, die niet onlief was, droeg een soort linnen hemd en een stuk blauw wollen stof, dat om de heupen door een ceintuur, met rood stiksel versierd, werd vastgehouden. Haar haren, tot strengels gevlochten en op het voorhoofd teruggebracht, vormden eene soort van diadeem. Hare gezellin droeg op eene dergelijke kleeding nog eene soort van sluier, die, op het hoofd geplaatst, om haar neer viel als de mantel eener non.

—Dat God u beware, Maria, sprak ik tot de oudste. Wilt gij ons dezen nacht gastvrijheid verleenen?

—Ik kan u niets aanbieden.

—Gij zult ons toch wel eene kip en wat eieren willen verkoopen.

—Ik zou eerst moeten weten of mijn man gasten wil hebben.

—Zou uw man weigeren zijn dak te leenen, om reizigers eene schuilplaats aan te bieden?

Zij dacht een oogenblik na en antwoordde toen:

—Neen, hij is christen. Treedt binnen.

De vrouw riep de kinderen, die een voor een hunne angstige hoofden vertoonden en beval hun de honden weg te jagen.

Wij ontdeden ons niet zonder voldoening van onze reisbenoodigdheden, ter prooi aan eene vermoeidheid, die genoeg verklaarbaar is door de inspanning, die onze klimmerij ons gekost had. De altijd even vlugge Encuerado kwam de huishoudster ter hulp; hij blies het vuur aan, zette de ketels gereed en overtuigde zich er van of zij zindelijk waren. De vrouwen verzochten hem water te halen bij eene bron, die een honderdtal meters van de hut verwijderd was. Hij ging heen, onder 't geleide der kinderen van onze gastvrouw. Zijne gidsen, die het hoofd kaal geknipt hadden en bijna naakt waren, hadden van bamboesriet stokpaarden gemaakt, en gingen hem al dravende vooruit.

Het bergplat werd, behalve aan den kant waar langs wij gekomen waren, door hooge bergen beheerscht. De uit planken gebouwde en met riet gedekte hut, scheen zindelijk onderhouden te worden. Achter de woning strekte zich een moestuintje uit, waarin de fenkel, deze onmisbare kruiderij voor de keuken der Asteken, in overvloed groeide; daar tegenover zag men eene uitgestrekte tabakaanplanting en eene omheining, waarbinnen geiten en varkens in de beste eendracht samenleefden. De plaats scheen ons wat droevig toe; maar onder de keerkringen is het ontbreken van de zon voldoende, om het heerlijkste landschap somber te maken.

Lucien wilde het tabaksveld bezichtigen. Elke stengel, ter hoogte van meer dan een meter, verdeelde zich in takken, die met breede bladeren, van eene donkergroene kleur, versierd waren en waarvan verscheidene aan hun basis kleine oortjes hadden. De nu eens roode, dan weer geelachtige bloemen, wezen op twee verschillende soorten; de scherpe reuk had niets aangenaams. Lucien was niet weinig verbaasd toen hij hoorde, dat deze fraaie plant tot dezelfde plantenfamilie behoort als de aardappel, de tomaat, de eierplant en de piment.

—Bij de oude Asteken, sprak Sumichrast, heette de tabakpyciete; zij was het zinnebeeld der godin Cihuacohuatl of slang-vrouw.(10)In de Mexicaansche godenleer werd deze godheid als de moeder der eerste menschen beschouwd en in deze legende meenden de Europeesche missionarissen gedeeltelijk de geschiedenis van Eva terug te vinden. Tegenwoordig gaan de Indianen, die de dwalingen van hetheidendom verlaten hebben en den Christelijken godsdienst omhelsden, nog voort om de plant, die eens aan hunne oude godin was toegewijd, te gebruiken tegen den beet van vergiftige slangen.

—Daarom verbouwen zij dan ook zeker tabak? vroeg Lucien, want zij rooken nooit.

—Neen, maar zij verkoopen hun oogst aan de Kreolen, die daarentegen bijna allen rooken. Men zegt, dat het woordtabakvoortkomt van het eiland Tabago, waar de Spanjaarden deze plant ontdekten.

Omstreeks 1560 werd zij door Jean Nicot in Frankrijk ingevoerd, die er ook de peter van werd, want de geleerden noemen de tabakNicotiana. 't Is zeker, dat de tegenwoordige Mexicanen slechts sigaren en sigaretten rooken. Zij kennen de pijp nog slechts sedert korten tijd en de romanschrijvers, die zoo gaarne de Asteken voorstellen als de vredes- of oorlogspijp of de pijp der raadsvergadering rookende, zullen u doen glimlachen, als gij later hunne werken zult lezen. Gij zult u dan herinneren, hoezeer de Franschen verbaasd stonden, toen zij, hier komende, geen gesneden tabak konden krijgen, terwijl daarentegen de Indianen zich verdrongen om te zien, hoe de rook van deze plant in werktuigen van steen, aarde of porselein werd ingezogen.

—Ik herinner mij zelfs, riep Lucien uit, dat de Encuerado eens de pijp nam van een officier, die bij papa logeerde en er aan begon te rooken. Als u toen zijn leelijke gezichten eens gezien hadt!

—En wat gebeurde er toen? vroeg Sumichrast.

—De pijp maakte hem misselijk. Papa, die van niets afwist, deed hem toen een geneesmiddel nemen; maar de Encuerado heeft mij gezegd, dat het geneesmiddel lang zoo leelijk niet was, als de pijp, die hij gerookt had.

De schuldige, die bij ons was gekomen, sloeg bij deze onverwachte onthulling de oogen neer en mompelde op een toon van gezag:

—De pijp is eene uitvinding van den duivel.(11)

Door mijn reisgezellen gevolgd, naderde ik het huisje, waarvan de eigenaar naar ons toe kwam, om ons welkom te heeten. Onze gastvrouw plaatste op eene mat een aarden schotel, die een kip met rijst bevatte. De Indiaan, zijne vrouw en schoonzuster wilden ons bedienen. Lucien noodigde de kinderen uit om onzen maaltijd te deelen; maar zij wilden niet bij ons komen zitten en men moest hun stukjesvan de kip toesteken, die zij met gretigheid opaten. Aan het einde van het middagmaal bracht een hunner ons een half dozijn bananen, die zeer gaarne werden aangenomen; vervolgens ging de kleine bende, terwijl wij de koffie gebruikten, een spelletje verstoppertje spelen. Tot mijne groote voldoening zag ik dat Lucien, niettegenstaande den moeielijken tocht, die ons vermoeid had, met evenveel vuur als zijn makkers liep en sprong.

Dit spelletje moede, haalden de kinderen een jongen bok en bootsten zij een stierenjacht na. Het dier, dat zeer goed afgericht was, vervolgde de loopers en wierp hen meer dan eens omver. Dit overkwam ook Lucien. Gringalet wierp zich vol woede op het aardige dier; maar zijn meester, die dadelijk weer op de been was, hield den ijver van zijn beschermer in. Zooals wij het reeds bij het begin van ons vertrek hadden opgemerkt, volgde de hond bij voorkeur zijn jongen meester en scheen zich tot taak te hebben gesteld over zijne veiligheid te waken.

Onze gastheer vertelde ons, dat hij in het dorp Tenejapa geboren en daar ook getrouwd was; maar op zekeren dag met geweld voor het leger geprest zijnde, was hij gedeserteerd en had hij zich op deze bergvlakte gevestigd.

Sedert zes jaren waren wij de eerste blanken, die hem bezochten. Zijn velden brachten maïs, boonen en tabak op, die zijne vrouw en schoonzuster tweemaal in 't jaar in Orizava verruilden voor de voorwerpen, die voor de huishouding noodig waren. Hij gevoelde zich gelukkig en roemde de bekoorlijkheid der groote bosschen en der eenzaamheid. Hij preekte trouwens voor bekeerden.

De nadering van den nacht kondigde zich aan door eene hevige koude, waaraan wij niet meer gewoon waren. Ik riep Lucien terug, want ik wilde niet, dat hij zich bovenmate zou vermoeien. Men leende ons matten, ieder wikkelde zich in zijne dekens en ik sliep in onder het gesnork mijner gezellen.

Tegen twee uur in den morgen werd ik verstijfd wakker; Lucien was ook door en door koud. Ik haastte mij om hem met mijn deken toe te dekken, want op deze hoogte waren wij blootgesteld aan den wind, die van den vulcaan van Citlatepetl woei, en de lucht zou eerst warm worden bij het opgaan van de zon. Sumichrast kwam weldra bij mij; evenals ik, had hij zijn deken aan den knaap afgestaan en hij liep naast mij op en neer, zonder de koude te kunnen overwinnen. Ik ging wat klein hout zoeken om vuur aan te maken. Ons heên en weêr loopen had onzen gastheer gewekt en door zijne hulp konden wij ons weldra voor een knappend vuur neerzetten. De Encuerado, die nauwelijks beschut was, sliep als een gelukzalige.Eindelijk hernam de slaap, dank zij het vuur, zijne rechten en weldra sliep ik opnieuw in.

Toen ik de oogen opende, schitterde de zon aan een wolkenloozen hemel en iedereen was overeind. Sumichrast onderzocht de wapens en de schietbehoeften, want vanaf dezen dag moesten wij zelven in ons onderhoud voorzien. Daar ik mij verwonderde, dat ik zoolang geslapen had, verklaarde eene lichte stijfte in den rug mij dat spoedig en herinnerde mij aan de moeielijke opstijging van den vorigen dag. Ik beken, dat ik meer lust gevoelde om opnieuw te gaan liggen, dan op weg te gaan; maar ik moest het voorbeeld geven en hielp dus mijne makkers bij hunne voorbereidselen voor het vertrek. Men kent het gewaad van den Encuerado en van Lucien. Dat van Sumichrast en het mijne bestonden uit een pantalon van sterk linnen en van eene kiel van dezelfde stof. Als wapens droegen wij een revolver, een machete en een geweer met dubbelen loop; een weitasch, met kleine voorwerpen gevuld, hing aan onze zijde. Wij onderzochten den inhoud van de mars, die de Encuerado op den rug droeg en die hij met riemen op de borst en over het voorhoofd bevestigde. Sumichrast nam daarop een lang pak er uit, dat hij bij het begin van de reis er in had gedaan, en ontdeed het van het doek, dat het eerste omhulsel uitmaakte. Zijn glimlachen en zijn geheimzinnig uiterlijk brachten ons in spanning, eindelijk trok hij uit een papier een licht jachtgeweer, dat hij Lucien over den schouder hing.

De knaap kreeg eene kleur, beefde, verbleekte en zag ons angstig aan; hij durfde nauwelijks aan de verwezenlijking van een zijner droomen gelooven. De ontroering benam hem de spraak, hij wierp zich in de armen van zijn vriend. Mijne verbazing was even groot als de zijne. Ik had er ook wel aan gedacht om Lucien een wapen te geven; maar uit vrees voor een ongeluk, had ik besloten het niet te doen.

De Encuerado was niet minder verheugd dan zijn jonge vriend; hij begon te dansen en Sumichrast te omhelzen.

—Oh Chanito! die arme tijgers, hoeveel zullen wij er dooden, riep de oude jager uit. Wat zullen wij mooie tapijten voor uwe mama terugbrengen! Toe, laat mij uw geweer eens aanraken; men zou zeggen, dat het bepaald voor u gemaakt is. Die arme tijgers!

En de dwaze dans begon van voren af aan.

Er werd overeengekomen, dat het geweer slechts door ons zou geladen worden en dat Lucien slechts op onze aanwijzing zou schieten. Ik voegde er bij, dat het geweer, bij de minste overtreding van deze overeenkomst, in beslag zou genomen worden, en het ventje kende mijne standvastigheid. Ik raadde hem, doch tevergeefs,aan, om het geweer weer in de mand te leggen; maar dat was eene te zware opoffering en ik moest derhalve in deze vermeerdering van last, die hij trouwens moedig droeg, toestemmen.

Na een rijkelijk ontbijt werden de kompassen geregeld. Lucien nam afscheid van zijne vriendjes van een dag; ik bedankte de vrouwen, terwijl onze gastheer ons tot aan den top van den berg vergezelde.

Wij bevonden ons in een circus, links en rechts door de begroeide toppen beheerscht. Aan onze voeten spreidden zich de bergvlakten, die wij doorgetrokken waren, uit; lager nog, was de nauwelijks zichtbare vlakte. Achter ons gaapte een donkere, nauwe, steil-afgekapte afgrond, aan een onmetelijke put gelijk. Boven ons de hemel van eene lichtblauwe kleur, waarop de gieren zwarte stippels teekenden.

Op den zoom van het woud wenschte onze gids, die ons met leedwezen scheen te verlaten, ons goede reis. Sumichrast laadde het geweer van Lucien en beval te vuren, om onze intrede in de woestenij te begroeten. Het schot viel, de echo's herhaalden het beurtelings en vergrootten het; eenige wilde stemmen antwoordden er met heesche kreten op en alles verviel weer in de stilte. Na een laatsten blik op de vallei te hebben geworpen, drong ik het eerst het woud in. Van af dit oogenblik konden wij nog slechts op God en op ons zelven vertrouwen; want elke stap voorwaarts verwijderde ons meer van de menschen.

(10)In de taal der Asteken beteekentcihuatlvrouw encohuatlslang.

(10)In de taal der Asteken beteekentcihuatlvrouw encohuatlslang.

(11)Met het uitspreken van dezen banvloek stemde de Encuerado, zonder het te weten, overeen met Jacobus I, koning van Schotland, die in 1672 een boek tegen de rookers in 't licht gaf.

(11)Met het uitspreken van dezen banvloek stemde de Encuerado, zonder het te weten, overeen met Jacobus I, koning van Schotland, die in 1672 een boek tegen de rookers in 't licht gaf.

HET WOUD.—DE RAVEN.—EERSTE BIVAK.—DE EEKHOORNS.—DE KLEINE GIDS.—EEN LOFZANG IN DE WOESTIJN.

Wij bevonden ons op meer dan vijftienhonderdmeterboven de oppervlakte der zee, en de koelte van den Noordenwind overviel den knaap, die, gewoon aan het klimaat van de gematigde luchtstreek, nooit iets dergelijks gevoeld had. Uit instinct bracht hij zijn vingers aan den mond om ze te verwarmen, daar hij niets begreep van hunne verstijving. Maar zoodra de zon zekere hoogte had bereikt, dacht niemand er meer aan, over de koude te klagen.

De boomen begonnen dichter bijeen te staan. Verloren te midden der eiken- en pijnboomen, scheen Lucien, die voor het eerst die reuzen zag, welker levensjaren eeuwen telden, ten hoogste aangedaan. Hij twijfelde bijna aan de werkelijkheid van het schouwspel, dat zijn blikken trof; na van de hoogte van een berg de Lilliput-wereld aanschouwd te hebben, vroeg hij ons, of niet een tegenovergesteld zinsbedrog hem op dit oogenblik het rijk voortooverde der reuzen, waarvan zijne moeder hem de wondervolle sprookjes had verteld. Een omgeworpen eik, dien wij op onzen weg onmoetten, liet hem toe beter de grootte van die boomen te meten, welker toppen den hemel schenen te raken. De eeuwenoude, zwarte, ruwe stam, die op den bodem lag, waarin zijn val hem ten deele begraven had, stak verscheidene voeten boven ons uit, terwijl gebroken en rondom verspreide dikke takken een omvang hadden, gelijk aan onze hoogste kastanjeboomen. Een geruisch van vleugelslagen deed ons het hoofd opheffen, en twee paar buitengewoon groote raven namen hunne vlucht, terwijl zij ons met een lang gekras begroetten.

—Gaat heen, gaat heen, duivelskinderen! riep de Encuerado hen toe, gij zult ons niet bang maken, wij zijn te goede christenen.

—Tegen wien spreekt gij? vroeg Lucien, vol verbazing rondom zich ziende.

—Tegen de raven.

—Meent gij dan, dat zij u zullen verstaan?

—Of zij mij verstaan, Chanito? Die rekels hebben niets hard dan het vleesch, en omdat zij een mooien zwarten rok dragen zooals die, waarin uw papa zich bij feestelijke gelegenheden steekt, meenen zij dat hun alles geoorloofd is. Maar als een hunner van avond om het vuur durft dolen, dood ik hem en braad hem, zoo waar als ik de Encuerado ben.

De knaap zette groote oogen op, want hij verbaasde zich altijd over de hebbelijkheid van den Indiaan, die naar zijn humeur de kreten en de bewegingen der dieren uitleggende, nooit naliet te antwoorden op de denkbeeldige uitdagingen, die hij meende dat hem gedaan werden. Soms had hij het zelfs tegen levenlooze voorwerpen. De gewezen tijgerjager had zich die gewoonte ongetwijfeld eigen gemaakt in den tijd, toen hij, alleen in de bosschen levende, toegaf aan die noodzakelijkheid van te praten, aan die behoefte om zijne indrukken mede te deelen, die een bewijs zijn voor de gezelligheid van den mensch. In elk geval was het met eene kinderlijke goede trouw, dat hij zich met een blad of een vogel onderhield.

Vier uren lang togen wij, door de hitte overstelpt, door het woud. De pijnboomen en eiken volgden elkander met eene eentonige regelmatigheid op. Allengs liep het terrein meer af en de nieuwe gang, dien wij moesten aannemen, verminderde onze vermoeidheid en maakte terzelfder tijd onzen marsch sneller. Eindelijk kwamen wij in een dal. De plantengroei was veranderd: hier en daar vertoonden zich wol- en gaiacboomen en lianen.

—Halt! riep ik uit.

Ik ontdeed mij van mijne uitrusting, welk voorbeeld door mijne makkers met gretigheid gevolgd werd. De Encuerado, door zijn vriend geholpen, begon onmiddellijk droge takken te zoeken, terwijl Sumichrast en ik het gras over eeneuitgestrektheidvan verscheidene meters afmaaiden.

—Is onze dagmarsch dan volbracht? vroeg Lucien.

—Ja, antwoordde ik. Zijt gij niet vermoeid?

—Niet te zeer; ik zou nog wel wat kunnen loopen. Hebben wij veel wegs afgelegd?

—Ongeveer vier mijlen.

—En gaan we nu al rusten? Voor zoo'n beetje? Ik dacht, dat men op reis tot aan den nacht doormarcheerde.

—Drommels! zeide ik, terwijl ik hem bij zijn oor pakte, wat zijt gij een onvermoeide looper! Maar vier mijlen zijn niet zoo weinig, als men ze alle dagen opnieuw moet beginnen. Die langzaam gaat, gaat lang, zegt een oud spreekwoord, dat wij letterlijk zullen volgen, want te zware marschen zouden onze gezondheid spoedig benadeelen en dan kunt gij de reis vaarwel zeggen. Om nu tot aan den nacht door te marcheeren, zulks is alleen mogelijk als men zeker is een herberg te ontmoeten. Niemand heeft er onder deze groote boomen aan gedacht, om onzen maaltijd te bereiden, en ik veronderstel niet, dat gij lust gevoelt om van honger te sterven. Misschien moeten wij nog wel een paar mijlen maken, alvorens het wild te dooden, dat de hoofdschotel van ons middagmaal moet uitmaken.

—Aan dat alles had ik niet gedacht, antwoordde Lucien, terwijl hij het hoofd met een uitdrukking van overtuiging schudde; maar wat zullen wij van avond dan eten?

—Ik weet er nog niets van; misschien een haas, misschien een vogel, misschien ook wel een rat.

—Een rat! Nu, van zulk een beest zal ik zekerlijk niet eten.

—Ach! arme kleine, wacht maar eens tot de ware honger, waarvan gij nog slechts den naam kent, uwe ingewanden kwelt, dan zult gij zien met hoeveel lust men het eten verslindt, dat de Voorzienigheid ons toezendt, onverschillig van welken aard het dan ook zijn moge.

—Zal het dikwijls gebeuren, dat wij een dag zonder eten moeten doorbrengen?

—Ik hoop van niet, antwoordde ik, lachende om den toon van bezorgdheid van Lucien, die geheel nadenkend bleef staan.

Gedurende dit gesprek had de Encuerado, vlug als een aap, een pijnboom beklommen en zijn machete bezaaide den grond met kleine twijgen. Wij, van onzen kant, gingen ook aan den arbeid, maakten palen, die ik met een steen, welke voor hamer dienst deed, in den grond sloeg. Dooreengevlochten en met lianen(12)aaneen verbonden takken vormden een horde, die, op de palen geplaatst, een dak uitmaakten. Door zijn kleinen vriend geholpen, wien deze toebereidselen zeer vermaakten, vulde de Encuerado de hut met bladeren en bedekte de takken met een laag droog gras. Onder deze beschutting konden wij den regen, zooal niet de koude trotseeren.

Het is mij onmogelijk de verrukking van Lucien te beschrijven.

Dit huis—want hij wilde dezen eervollen naam wel geven aan de vormelooze hut, waarin hij en Gringalet alleen recht op konden staan—scheen hem een meesterstuk van bouwkunst toe en hij verbaasde zich over de vlugheid, waarmede het was opgericht. Hij hielp den Encuerado om den haard te plaatsen, zoodat hij nog slechts behoefde aangestoken te worden. Met onze geweren gewapend gingen wij er op uit om ons middagmaal te zoeken.

Toen hij zag, dat wij onze bagage achterlieten, riep Lucien uit:

—Maar als er nu eens iemand kwam, die onzen voorraad stal?

—Duivels! riep Sumichrast uit—de Encuerado antwoordde altijd met een kruis te maken, op deze geliefkoosde uitdrukking van mijn metgezel—gij denkt toch aan alles.—Maar voor zulk een ongeluk behoeven wij niet te vreezen; het is zeer waarschijnlijk, dat wij geheel alleen in het woud zijn; of als er zich nog anderen dan wij bevinden, zou er al een wonderdadig toeval noodig zijn, om ze juist bij ons bivak te brengen.

—Zijn wij dan niet op een weg?

—'t Is een weg, als ge dat zoo wilt; maar dien wij alleen gebaand hebben; men zal onze schuilplaats niet ontdekken, tenzij men ons op den voet gevolgd heeft.

De knaap schudde met een twijfelachtig gebaar het hoofd; het denkbeeld van de woestijn leert men eerst na langen tijd begrijpen. Ik herinner mij dat ik zelf, toen ik mijne eerste uitstappen in deze eenzame streken deed, telkens dacht eene hut te zullen ontmoeten of een menschelijk gelaat te zien, hetzij bij het uitkomen uit een woud, hetzij bij het volgen van een der paden, die de stieren in de Savanne banen. Vooral des nachts, als ik door slapeloosheid gekweld werd, dacht ik in de verwijderde geruchten, die mijn oor troffen, het gekraai van een haan, het blaffen van een hond of het refrein van een bekend lied te hooren.

—Maar als niemand ons bivak kan ontdekken, hoe zullen wij zelven dan doen om het terug te vinden? hernam Lucien, terwijl hij een blik achterwaarts wierp.

—Op eene even eenvoudige als moeilijke wijze: Wij zullen achter elkander loopen, en de laatste zal in de boomen en heesters een kerf maken. Dit middel om den weg terug te vinden, is veel zekerder dan de keisteentjes van klein Duimpje.

—Zal ik vooruit loopen?

—Neen, die plaats komt rechtens toe aan den besten schutter, want wij moeten het wild, dat wij zouden kunnen ontmoeten, niet laten ontsnappen. Zoolang gij nog niet weet, hoe gij u van uw geweer moet bedienen, zult gij de achterhoede uitmaken.

Deze rol scheen Lucien, die dadelijk zijn sabel trok en ons op kleinen afstand volgde, overal aan de boomen kerven gevende, die ons op den terugweg moesten geleiden, niet te mishagen.

Hij kweet zich met zooveel ijver van zijne taak, dat zijne krachten weldra uitgeput moesten zijn. De Encuerado wees hem hoe hij zich zonder veel inspanning van zijn wapen moest bedienen en de takken kon inkerven, zonder zijn gang te vertragen.

Wij kwamen op een dier opene plaatsen uit, die men dikwijls te midden der maagdelijke wouden ontmoet, zonder dat men de mogelijke oorzaak kon verklaren, welke de boomen belet daar te groeien. Daar zich geen enkel levend wezen vertoonde, kwam ik met Sumichrast overeen om den Encuerado en Lucien op de loer achter te laten, terwijl wij ons elk naar een kant zouden richten, zoo echter, dat wij aan het andere einde van de vlakte weer bij elkander zouden komen. Toen Gringalet zag, dat wij van elkander afgingen, wist hij eerst niet, welke partij te kiezen; hij liep van den een naar den ander en overlaadde ons met liefkoozingen, terwijl hij klagend huilde. Eindelijk volgde hij mij, maar nauwelijks had ik een honderdtal meters afgelegd, of hij bleef staan om na te denken. Hij meende zeker dat hij iets had vergeten, want hij verdween vol haast.

Ik liep sedert een half uur onder het loof, met gespannen oog en oor en den vinger aan den trekker, zonder het geringste wild te ontdekken. Mijn makker scheen niet veel gelukkiger dan ik, toen eensklaps een schot weergalmde.

Op hetzelfde oogenblik bemerkte ik Sumichrast, die mij een troep eekhoorns, welke de open vlakte doortrokken, aanwees.

—Hebt gij er een gedood? vroeg ik.

—Ja, maar hij is tusschen twee takken blijven hangen, op meer dan twintig meters boven den grond; dat is een verloren schot kruit.

Wij volgden met angst de sprongen van de bevallige diertjes, welker rust wij verstoord hadden; zij waren op het punt van in het woud te verdwijnen.

—Slaapt de Encuerado? riep ik vol ergernis uit.

Twee opeenvolgende schoten gaven mij antwoord en bijna op hetzelfde oogenblik kwamen Gringalet, de Encuerado en Lucien uit het bosch. Na eenige minuten zoekens stak de knaap de armen omhoog en toonde ons twee eekhoorns. Wij versnelden den pas; de Indiaan nam het wild over en sloeg den weg naar het bivak in, terwijl Lucien ons tegemoet liep.

—Papa, papa! mijn geweer heeft een eekhoorn gedood! riep hijons geheel buiten adem toe. O, mijnheer Sumichrast, ga hem eens zien, hij is geheel grijs met een staart, die op een pluim gelijkt.

—Hebt gij hem wel geschoten? vroeg ik.

—Ik heb geschoten, maar de Encuerado hield mijn geweer. Wij hebben in den hoop geschoten, want er waren er veel. Als gij hen eens hadt zien springen! Die, welken ik geschoten heb, klom op dien boom daar; hij viel als een steen neer. De Encuerado zegt, dat hij den tijd niet heeft gehad om te lijden.”

De arme jongen had zijn leerproef in het jagersvak gedaan, en zijn hart was een weinig vol, ofschoon hij fier was, zulk een bewijs van behendigheid te hebben gegeven. Sumichrast haastte zich, hem geluk te wenschen. Ofschoon ik de voorzichtigheid van den Encuerado kende, stelde ik mij toch voor hem te berispen, al was het maar om het kruit te doen besparen, en hem te waarschuwen tegen eene te groote begeerte om den knaap te laten schieten.

—Komaan, zeide ik tot Lucien, die zijn geweer aan zijne borst drukte, wees onze wegwijzer om het kampement terug te vinden. Gij hebt den weg gebaand, zorg nu dat gij ons niet laat verdolen.

Onze kleine gids bracht ons met eene zekerheid naar ons punt van uitgang terug, zooals ik geenszins verwacht had.

—De aandacht der kinderen wordt licht afgetrokken, sprak Sumichrast; hoe verklaart gij het, dat Lucien het gemaakte spoor zoo goed gevolgd heeft.

—Misschien omdat het gedeeltelijk zijn werk was, gaf ik ten antwoord.

—En ook omdat ik klein ben, viel de knaap met een klein spottend lachje in, ik zie den grond dichterbij dan u, bijna zooals Gringalet, die zoo goed zijn weg weet terug te vinden. Gij ziet wel, papa, dat klein zijn toch ergens goed voor is en dat ik u van dienst kan zijn.

Onnoodig te vragen of deze pleitreden tegen de grootte ons vermaakte.

—Zoo beschouwd zou ik er nog spijt over moeten hebben, dat ik uw broer Emile niet heb meegenomen, zijne geringere grootte zou hem nog spoediger een spoor doen terugvinden dan u.

—Wel zeker. Herinnert gij u niet, dat hij, bij onze wandelingen op den Borrego, dikwijls insecten heeft ontdekt, die gij niet gezien hadt.

Ik was nu geheel en al geslagen.

Wij gingen bij den haard zitten, waarvoor de beideeekhoornsbraadden. De Encuerado ving het vet in een pan op en begoot ze er van tijd tot tijd mede.

Het vleesch van den eekhoorn gelijkt door de kleur en den smaakop dat van den haas; onze jeugdige reisgezel at er dan ook met goeden eetlust van. Gedroogde maïskoeken, die mentotoponoemt, vervingen het brood en ieder onzer kreeg zijn afgepast deel er van. Van het vleesch kon een ieder naar hartelust bekomen.

Gringalet maakte ons ongerust; wij hadden hem de helft van een eekhoorn gegeven, maar in plaats van er in te smullen, vond hij beter er met woede overheen te rollen. Het arme dier at slechts eenige stukjestotopo. Hij moest zich toch gewennen om wild te eten, want onze maïskoeken waren te kostbaar om ze hem te geven. Ieder onzer goot een weinig water uit zijne veldflesch in een kalebas, die hem tot voerbak diende. Aldus op rantsoen gesteld, moest de arme Gringalet wel spijt gevoelen, dat hij ons gevolgd was. De zon ging zienderwijs onder.

—Welnu, vroeg Sumichrast aan Lucien, wat zegt gij nu van het rattevleesch.

—Dat zal ik u zeggen, als ik er van zal gegeten hebben.

—Hoe, ziet gij dan niet dat de eekhoorn en de rat twee zeer nastaande verwanten zijn, dat zij beiden tot de familie der knaagdieren behooren?

—'t Is waar, dat ze wel wat op elkander gelijken, zeide de knaap met een koddig gebaar.

—Vooral de soort, die voor ons middagmaal heeft gediend en die door de geleerden nog niet gerangschikt is. Zie eens. Zijn haar is zwart op den rug, grijs aan de zijden en wit onder den buik; de ooren zijn naakt in plaats van die lange haarborsteltjes te hebben, die aan de eekhoorns van Europa zulk een levendig uiterlijk geven.

—Eten de eekhoorns dan ook vleesch?

—Neen, zij vergenoegen zich met eikels en hazelnoten, waarvan zij voor den winter een grooten voorraad opdoen.

—Dan gelijkt het vleesch van den eekhoorn niet op dat van de rat, die een allesetend dier is, riep Lucien zegevierend uit.

De overtuigde en gerustgestelde toon van den jongen geleerde, perste ons een glimlach af, maar bijna op 't zelfde oogenblik gebood ik stilte, want een geraas van bewogen takken, dat onze opmerkzaamheid had getrokken, werd hoe langer zoo duidelijker. Gringalet wilde blaffen, maar de Encuerado greep hem om den snuit en bedekte hem met zijn deken. Een troep knagers, zonder twijfel dezelfden, die wij een paar uur te voren verjaagd hadden, verscheen onder het uiten van kleine kreten. Zij sprongen van tak tot tak, zonder zich om den afstand te bekommeren, wij zagen hen loopen, elkander vervolgen, zich nu eens boven, dan weer onder tot aan de uiteinden der dunste takken vooruitwagen. Twee of drie daalden langs denboom af, die vlak tegenover ons stond. Zij liepen als met kleine sprongen, hielden in, klommen weer op om dan weer naar omlaag te dalen. Beneden gekomen gingen zij op hun achterdeel zitten en zich van hun voorpooten als van handen bedienende, wreven zij zich met zulke potsierlijke bewegingen over den neus, dat Lucien zich niet kon weerhouden om te praten en ons deelgenoot van zijne bewondering te maken.

Op het voor hen zoo vreemde geluid eener menschelijke stem, namen de bevallige diertjes de vlucht, maar toch niet zoo vlug of het geweer van Sumichrast verwondde er een. De eekhoorn bleef aan den boom geklemd, waarop hij getroffen werd en viel daarna op den grond. Hij had evenwel nog de kracht om zich op te richten en den jager te bijten, die hem te schielijk wilde oprapen. De Encuerado ontdeed hem dadelijk van de huid, om hem voor ons ontbijt van den volgenden ochtend te bewaren.

De zon verdween; kreten van dieren weerklonken en de nacht kwam, met zich de volkomene stilte der woestijn brengende. De Encuerado hief een langen lofzang aan en weldra paarde Lucien zijne stem aan die van den jager. Het gezang was eenvoudig en eentonig; maar er lag iets roerends in den lof van God te hooren zingen door dat kind en dien Indiaan, beiden even eenvoudig van hart. De lofzang eindigde met een gebed, datSumichrasten ik staande en met ongedekt hoofd aanhoorden en vol overtuiging herhaalde mijn vriend hetamenvan den Encuerado: God is groot!

Na den haard van nieuw hout voorzien te hebben, dat het vuur gedurende den nacht moest onderhouden, ging men naast elkander onder de hut liggen. De wind zuchtte zachtkens in het gebladerte, en onder dien afgemeten ademtocht brachten de pijnboomen dat zwaarmoedig geluid voort, hetwelk, tot bedriegens toe, gelijkt op het geklots van de op het strand wegstervende golven. Door daar veel over te denken, gevoelde mijn slaap er de terugwerking van, want ik droomde dat ik op zee was en dat het schip, hetwelk mij voerde, op de zilveren golven dobberde.

(12)Liaan = Slingerplant.

(12)Liaan = Slingerplant.

DE KOFFIE.—DE TERPENTIJNBOOM.—DE SOEROEKOES.—DE DENNENNAALDEN.—DRIE VULKANEN IN 'T ZICHT.—DE LOOPKEVERS.—DE SCHORPIOENEN.—DE SALAMANDERS.—EEN ALARM.

Toen ik de oogen opende, bemerkte ik den Encuerado, die de koffie gereedmaakte, terwijl mijn zoon, voor het vuur gehurkt, een menigte droge takken om den ketel stapelde, op gevaar af van hem om te werpen.

—Hoe nu, Lucien, 't is nog geen dag en reeds op! Hebt gij niet goed geslapen?

—O ja, papa, antwoordde hij, mij omhelzende, maar de Encuerado heeft Gringalet wakker gemaakt, die toen op mij is komen liggen en daardoor ben ik wakker geworden. Daar ik geen slaap meer had ben ik opgestaan, om voor het vuur te zorgen.

—En gij kwijt u goed van die taak. Het water gonst reeds, en de Encuerado zal moeite hebben om den ketel van 't vuur te krijgen zonder zijne vingers te branden.

Maar de Indiaan had twee groene takken gesneden en bediende zich daarvan om den koffieketel, waarin hij tegelijkertijd de koffie en de suiker deed, van het vuur te nemen.

—Waar is de filtreer? vroeg Lucien.

—Denkt gij dan, dat wij in de stad zijn? antwoordde ik. Waarom vraagt gij ook niet een kop en schoteltje.

—Maar wij zullen dat zwarte en dikke sap nooit kunnen drinken!

—Wees maar gerust, Chanito, riep de Indiaan uit, we zullen er wel een beter aanzien aan geven. En zijn veldflesch nemende, goothij een weinig koud water op het mengsel, dat aanstonds helder werd.

—Ga nu Sumichrast wekken, zeide ik tot Lucien. De knaap naderde onzen reismakker, die nauwelijks zichtbaar was door de bladeren, die hem tot deken en tevens tot oorkussen dienden.

—Hola, hola, mijnheer Sumichrast! de soep staat op tafel.

—De soep, herhaalde Sumichrast, terwijl hij zich de oogen uitwreef. O, kleine aap, ge hebt een schoonen droom verstoord: ik had uwen leeftijd en doorliep opnieuw de bergen van mijn vaderland.

Het is goed na een overvloedigen maaltijd een kop mokka te genieten; maar wat men er ook van zeggen moge, de koffie dunkt mij nog beter des morgens om vijf uur, als men den nacht onder den blooten hemel heeft doorgebracht.

De dag brak aan. Het was een heerlijk schouwspel het woud zoo trapsgewijze licht te zien worden en de stammen zich vergulden onder de schuine stralen der zon. Eer wij ons op weg begaven, onderzocht een onzer met alle nauwkeurigheid het terrein, waarop wij gekampeerd hadden, teneinde geen dier kleine voorwerpen te vergeten, waarvan het verlies onherstelbaar zou geweest zijn. Ik merkte toen op, dat de mars van den Encuerado versierd was met de vellen der drie eekhoorns, die op deze wijze zachtjes aan moesten drogen.

Wij hadden zoo ongeveer een uur gemarcheerd, zonder eenig ander voorval, dan het ontmoeten van verschillende vogels, toen de zwaarmoedige stem van deSoeroekoeonze ooren trof. Het geluid van dezen vogel heeft veel overeenkomst met den kreet dien de Mexicaansche ossendrijvers doen hooren, als zij de, aan hunne hoede toevertrouwde dieren, bijeenverzamelen; vandaar zijn Spaansche naam vanvaquero(ossendrijver).

Wij begonnen de jacht en in minder dan een half uur waren wij in 't bezit van een mannetje en een wijfje. Lucien kon niet genoeg de fraaie vogels met gelen bek, welke gebogen was als die der roofvogels, bewonderen. Vooral het mannetje was prachtig; de veeren op den kop en van den rug hadden een goudgroenen weerschijn, terwijl de randen der vleugels en de buik, met het zuiverste karmijn getint, tusschen twee zwarte strepen, die tot aan den staart doorliepen, uitkwamen.

—Zullen wij veel van die vogels in het bosch vinden, mijnheer Sumichrast? vroeg Lucien.

—Neen, meester Zonnestraal; zij zijn vrij zeldzaam, wij zullen dan ook de huid van dien, welken wij gedood hebben, zorgvuldig bewaren.

—Is het vleesch goed?

—Uitstekend, en meer dan een lekkerbek zou er zijn maal mee willen doen. Gij zult er trouwens, als wij gaan eten, over kunnen oordeelen en gij zult zeker wel nooit menschen ontmoeten die, evenals gij,trogon massenahebben gegeten.

—Dat is toch zeker geen verwante van de rat? vroeg de knaap spottend.

—Neen, hij behoort tot de familie der klimvogels, dat wil zeggen tot de orde van die vogels, wier pooten twee teenen naar voor en twee naar achter hebben, zooals uwe vrienden, de papegaaien.

Na de huid van deSoeroekoesgoed bereid en het vleesch zorgvuldig ingepakt te hebben, vervolgden wij onzen weg.

Het terrein werd rotsachtig en de helling steiler. Ik koesterde een oogenblik de hoop dat wij onder in een ravijn eene bron zouden vinden; maar weldra moesten wij, tot onze groote spijt, opnieuw klimmen en de wolboomen en eiken achter ons laten, om niet anders dan reusachtige denneboomen te ontmoeten. De naalden,(13)die den grond bedekten, maakten dezen zoo glibberig, dat wij soms voor één pas vooruit er twee achteruit maakten. De eene val volgde op den anderen, maar er was geen gevaar bij. Soms rolden wij, alsof het afgesproken werk was, alle vier tegelijk en ieder lachte om het ongeval van zijn buurman, die op zijn beurt ook pleizier had in dat van den anderen. Lucien kwam op den inval om zich vast te houden aan den staart van Gringalet, die alleen zich ongestraft op dit moeielijk terrein kon wagen. Dit gelukte in den beginne nog al, maar op eens maakte de hond zich door een plotselingen ruk vrij en de knaap rolde als een bal voort, aldus verliezende wat hij gewonnen had. Hij stond zeer verstoord op zijn hond op en voorspelde dezen, tot straf voor zijn verraad, ook een val.

Die ongelukkige naalden dwongen ons om andermaal het werk met de paal en denlazote herhalen; want de Encuerado deed tevergeefs zijn best om ons te volgen.

»Begrijpt gij nu iets van die verwenschte boomen? preutelde de Indiaan; konden zij hunne bladeren niet houden? Waarom groeien zij niet in de vlakte, in plaats van goede Christenmenschen water en bloed te doen zweeten op een bodem, die van zich zelf reeds moeielijk genoeg is?

—De goede God heeft ze hier doen groeien, antwoordde de knaap.

—Volstrekt niet, Chanito; de goede God heeft ze geschapen;maar de drommel heeft ze op deze hoogten gezaaid. Ik heb op de hoogvlakte gereisd en daar ontmoet men dennebosschen, een bewijs, dat deze zich uit boosaardigheid hier op deze helling hebben geplaatst.

Gelukkigerwijze nam Lucien maar half de verzekeringen van den Indiaan aan; hij haastte zich dus ook mij te ondervragen.

»De dennen,” antwoordde ik, zijn boomen uit het Noorden, die slechts goed in een koud klimaat en in een dorren grond ontwikkelen. Als de Encuerado de geschiedenis zijner voorvaderen kende, zou hij u betere inlichtingen over deze boomen hebben kunnen geven; dan zou hij weten, dat zij in de godenleer der Asteken, aan de moeder der goden, aan de godin Matlacueye, gewijd waren, die, door eene zonderlinge overeenkomst, de rol speelt van de Cybele der Grieken, voor wie ook de den de bevoorrechte boom was.”

Op dit oogenblik kwamen wij langs een reus van het woud, die door een windstoot was omvergeworpen en uit welks stam door drie of vier spleten eene doorschijnende hars druppelde. Lucien wilde een dezer fraaie tranen, die hij meende dat hard waren, nemen, maar zijn vingers kleefden aaneen.

»Ik dacht, zeide hij, dat men de terpentijn verkreeg door de takken van den den fijn te stampen, zoo als men met de stengels van het suikerriet doet.

—Dan ziet ge nu, dat ge 't mis hadt,” antwoordde ik. De Indianen die de bosschen in exploitatie brengen, vergenoegen zich met een voet boven den grond eene insnijding in de boomen te maken; de hars begint er spoedig uit te vloeien en vult allengs de vaten, die men er onder geplaatst heeft, om haar op te vangen. Zoodra de boom niets meer oplevert, hakt men hem om, ten einde er takkenbossen van te maken, die men aan de huismoeders in de stad of wel aan de Indianen der vlakten verkoopt, wier arme woningen geene andere verlichting kennen dan het rookerig schijnsel van een dennetak.

Ik moest mijne verklaringen hier afbreken, ten einde Sumichrast en den Encuerado te hulp te komen, die beiden, niettegenstaande denlazo, uitgleden en den moed begonnen te verliezen. Wij konden slechts een weinig vooruit komen door allerlei zigzaglijnen te beschrijven en wij hadden twee uren noodig om een afstand van een kwartier uurs af te leggen.

Wij waren zoo ver gekomen, dat wij onze schreden door onze vallen konden tellen, toen de zoom van het woud zich aan ons vertoonde. De rotsgrond scheen ons zacht om te loopen; hij liet ons althans toe om in rechte lijn voorwaarts te gaan en zonder moeite een nieuwen top te bereiken.

Daar wachtte ons een wonderschoon schouwspel. Wij beheerschten daar alle omringende bergruggen. Aan onze linkerhand verhief zich, reusachtig en plechtstatig, de piek van Orizava ofCitlatepetl, dat wil zeggen de sterreberg, ter hoogte van 5295 meters. Lucien kon niet gelooven dat het dezelfde vulkaan was, waarvan hij elken morgen den top kon zien.

»Hij heeft een geheel anderen vorm, zeide hij.

—De berg is niet veranderd, maar wel het gezichtspunt, antwoordde Sumichrast.

—Hij schijnt hooger te zijn.

—Dat komt, omdat onze marsch er ons dichter bij heeft gebracht. Van hier onderkent men het schoone woud, dat zijn voet omringt; hooger op staan de pijnboomen dunner en verdwijnen allengs; hooger nog, wat daar in de zon schittert, zijn de ijsvelden, eindelijk bekroont de eeuwige sneeuw den krater, dien Doignon, een Franschman, het eerst in 1847 bezocht.

—De Popocatepetl, de Istaccihualt, somde de Encuerado flegmatisch op.

Werkelijk vertoonden de beide vulkanen, waarvan de Indiaan de namen had genoemd, zich achter ons. Dit gezicht alleen was voldoende om ons schadeloos te stellen voor onze klimmerij; wij konden beurtelings de drie hoogste vulkanen van Mexico bewonderen. Onze kleine reismakker kon ze niet genoeg beschouwen.

—Waar is dePopocatepetl? vroeg hij.

—Daar ginds; het is die groote kegel, die zich aan onze rechterhand bevindt,” antwoordde ik.

—De kleinste van de drie.

—Integendeel; hij meet niet minder dan 3400 meters. Dias Ordas, een der kapiteins van Fernando Cortes, heeft hem het eerst beklommen. Zijn naam beteekent »rookende berg.”

—Ja, en ik weet dat Istaccihualt beteekent »witte vrouw”, maar ik ken de hoogte van dien berg niet.

—Hij verheft zich 4786 meters boven het vlak der zee.

—Maar hoe heeft men hem dan kunnen meten?

—In de eerste plaats door wiskunstige berekeningen, en vervolgens, als men hem heeft beklommen, met behulp van den barometer, waarvan de kwikkolom daalt, naarmate men hooger komt, omdat de luchtlaag, die op den bol van het werktuig drukt, minder en minder zwaar wordt.

De Encuerado bevestigde mijn gezegde door zulk eene overtuigende hoofdbeweging, dat Lucien wel moest denken, dat hij in staat was om een berg te meten.

Ik vergat den tijd bij het aanschouwen van het prachtvolle panorama, dat zich voor onze oogen ontrolde. Rondom ons een rotsachtige, vulcanische bodem, met veelkleurige mossen bedekt; een weinig lager verborg het gebladerte der eeuwenoude boomen den grond; verderop een reeks van nu eens dorre, dan weder met somber groen bekleede bergruggen. Aan den horizon en verloren in een doorschijnenden nevel, staken de twee vulkanen van het bergvlak tegen den blauwen hemel af, en tegenover ons die andere reus, die ons in zekeren zin door zijn schaduw beschutte en waarvan de zeelieden op veertig mijlen in zee, den eeuwig besneeuwden top ontdekken.

Ik gaf met weerzin het teeken tot het vertrek. De dennenaalden kwamen weer te voorschijn en ging het opklimmen moeilijk, het dalen ging te vlug. In plaats van voorover, vielen wij nu achterover. Gringalet, die door onze dwaze bewegingen in goed humeur was geraakt, of wel te veel op zich zelven vertrouwde, maakte even eens eene buiteling, tot groot vermaak van zijn jongen meester, die hem dit ongeval voorspeld had. De Encuerado, vermoeid als hij was, kwam op het denkbeeld om zijne mars te sleepen, welk plan hij ook ten uitvoer bracht, zonder haar te veel te beschadigen en zonder de flesschen in gevaar te brengen; zoo glad was de grond.

Eindelijk kwamen wij weer aan de eikeboomen; daarna, altijd afdalende, aan den tropischen plantengroei. De merels beurden door hun afwisselenden zang onzen marsch op; talrijke insekten, kevers en vliegen, kwamen vroolijk om ons gonzen. In minder dan een uur waren wij van den herfst in de lente gekomen, na den winter van nabij gezien te hebben. Weldra dwongen de slingerplanten ons, om ons met den machete een weg te banen, maar hoe groot was niet onze vreugde, toen wij beneden in eene ravijn eene beek ontdekten omgeven door angelika en waterkers.

Onze hut was, dank zij den overvloed van bouwstoffen, spoedig opgericht. Terwijl de Encuerado den maaltijd gereed maakte, ging ik een half verrotten boomstam, die op den grond lag, onderzoeken. Eene menigte insekten, van sierlijke vormen en met metaalblauwen glans, namen de vlucht; zij behoorden tot de talrijke familie der loopkevers, die roofzuchtige torren, welke men zoowel in Europa als in Amerika aantreft.

—Waarom vliegen zij niet weg, in plaats van te loopen en zich te laten vallen? vroeg Lucien.

—Omdat zij niet vlug in 't vliegen zijn, maar des te sneller loopen, antwoordde ik.

—Ai; die, welken ik gevangen heb, maakt mijne vingers nat, en het is juist of mij dat brandt.

—Gij hebt gelijk; maar stel u gerust, dat branden heeft geen gevaar. Een groot aantal loopkevers zoeken zich te verdedigen, als zij voelen dat zij gepakt worden, door een bijtend vocht uit te spuiten; andere doen een knal hooren, door rook gevolgd, waarvan zij den naam vanbombardeerkevershebben gekregen.

—Wat eten zij dan onder die schors, waar zij zoo treurig moeten leven?

—Larven en rupsen; zij zijn bijgevolg meer nuttig dan schadelijk.

—In welke orde van insecten moet men ze rangschikken?

—In die van de schildvleugelige ofcaleopteren, omdat zij vier vleugels hebben, waarvan de bovenste, dekschilden genaamd, meer of min hard zijn, en dus hun naam rechtvaardigen, daar zij tot dekschild dienen voor de twee andere, die vliezig zijn en overdwars worden toegevouwen. Gij weet, dat de meikever ook een schildvleugelig insect is.

Een nieuw stuk schors, dat schielijk werd opgetild, liet ons twee schorpioenen met dikken buik en bijna onzichtbaren kop zien, die zich er toe bepaalden hun staart op te lichten, welke uit zes afdeelingen of segmenten bestaat, waarvan de laatste in een zeer fijnen haak uitloopt.

»O, wat leelijke dieren!” riep Lucien, achteruitwijkende; zonder hun lichte kleur zou men ze voor kreeften houden, waarvan de kop verwijderd is.

—Ja, als men ze van niet te nabij beschouwt. Gij zult misschien niet weinig verwonderd zijn als gij verneemt, dat zij verwanten van de spinnen zijn.

—Dat had ik nooit gedacht. Maar zijn zij dood, dat zij zoo onbeweeglijk blijven?

—Die, welke tot deze soort behooren, zijn langzaam en lui.Wij zullen er onder alle boomschorsen aantreffen; ik waarschuw u dan ook nu reeds, om voor hun steek op uwe hoede te zijn.

—Zou ik er dood van gaan?

—Dat niet, maar gij zoudt er eene zeer pijnlijke opzwelling van krijgen; en 't is beter die te voorkomen.

—Ik zou nu bijna geene schors meer durven aanraken.

—Zeg dan maar ook uwe verzamelingen vaarwel. De voorzichtigheid is eene goede hoedanigheid, maar zij moet niet in bangheid ontaarden.

Terwijl ik de insecten naderbij beschouwde, bemerkte ik dat eender schorpioenen, een wijfje, vier of vijf jongen op den rug droeg. Dit gezicht vermaakte Lucien zeer, vooral toen hij zag, dat het dier zwaarvallig begon te loopen.

»Ziet ge,Chanito, sprak de Encuerado, die bij ons was gekomen—een bewijs dat de keuken geen onmiddellijk toezicht behoefde—zoodra de mama der schorpioenen hun geen eten meer zal geven, zullen zij haar zelf opeten.

—Is dat waar? vroeg Lucien verbaasd.

—Al dooden de jongen hun moeder ook niet, zij zullen zich in elk geval aan haar lijk verzadigen, antwoordde ik.

Gij zult meer dan eens in de gelegenheid zijn om dit feit waar te nemen, want deze spinsoort is in de gematigde landstreek zeer talrijk.

—»O!” riep Lucien uit, ik had wel gelijk, toen ik het leelijke beesten noemde.

Toen de Indiaan een nieuw stuk boomschorsoplichtte, ontdekte hij een salamander, die zich op onbeholpen wijze zocht te verbergen.

»Gij kunt hem gerust aanvatten,er is niets van te vreezen, zeide ik tot Lucien, die achteruit was geweken.

—Maar 't is een schorpioen!

—De vrees benevelt uw gezicht; 't is een salamander, een tweeslachtig dier, van de familie der kikvorschen. De schorpioen heeft acht pooten, terwijl de salamander, die veeleer op eene hagedis gelijkt, er slechts vier heeft.

—Is hij niet vergiftig?

—Wel neen, Chanito. De Indianen (men had eens moeten hooren met welke minachting de Encuerado dien naam uitsprak) zijn er bang voor; vroeger was ik er ook bevreesd voor, maar uw papa heeft mij geleerd ze zonder vrees aan te vatten.

En de jager legde den salamander op de hand van den knaap, die uitriep:

»Hij is ijskoud en glibberig!

—Dat kan niet anders,de salamander is, evenals de visch, een koudbloedig dier. Het slijmerig vocht, dat de salamanders uitscheiden, kan hen eenige oogenblikken tegen het vuur beschutten, door hetzelfde verschijnsel, dat ons toelaat de vochtige hand in gesmolten ijzer te steken, zonder haar te verbranden.(14)Men heeft dan ook beweerd, dat deze batrachiers(15)te midden der vlammen kunnenleven. De dichters hebben van hunnen kant die arme, bijna blinde en buitengewoon vreesachtige dieren, als zinnebeeld van de dapperheid aangenomen, wat de natuurkundigen doet lachen.”

Ik ging voort in gezelschap van Sumichrast den reusachtigen boom te onderzoeken, die, half verrot door de vochtigheid van den grond, ons zeer fraaie exemplaren van verschillende insecten opleverde.

Eensklaps drong de smeekende stem van Lucien tot ons door; ik liep naar hem toe. Hij trachtte den Encuerado tegen te houden, die den salamander had genomen en zijne onbrandbaarheid op de proef wilde stellen.

»Maar, Chanito, ik zal hem niet lang op de kolen laten liggen en uw papa zegt, dat het dien dieren vrijwel onverschillig is.

Lucien wilde in die wreede proefneming niet toestemmen en bracht zelf den salamander op den boomstam terug, waar wij hem gevonden hadden.

De dag was aan 't afnemen, toen wij naar den haard terugkeerden; een verlokkende geur steeg uit de braadpan op, waarin een handvol rijst en een dersoeroekoeskookte, terwijl de andere voor het vuur braadde. Het was een merkwaardige maaltijd; eerst eene heerlijke soep, waarvan Lucien twee borden vol at; daarna kwam het overblijfsel van onzen eekhoorn en eindelijk de lekker gebraden vogel, dien de Encuerado op een laag waterkers voordiende. Water was er in overvloed en men mag over mijne bewering lachen, als men wil, de dischgenooten maakten er een overmatig gebruik van.

Een kop koffie bracht onze voldoening ten top; daarna werd de tafel aan Gringalet overgelaten, die zelfs den ketel uitlikte. Lucien, viel, naast ons liggende, weldra in slaap.

Een akelig gehuil van onzen viervoetigen reisgezel deed ons verschrikt opspringen. Wij grepen naar onze wapenen. De hond, met hangende ooren, den staart tusschen de pooten, onrustigen blik en den snuit in den wind, deed opnieuw zijn gehuil hooren, waarop het scherpe en lang aanhoudende geschreeuw van deCoyoten, de wolfsjacals van Mexico, antwoordde.

»Die hondenkinderen! denken zij dan, dat zij ons zullen bang maken? riep de Encuerado uit. En terwijl wij het vuur weer aanwakkerden, verdween hij in de duisternis.

»Zijn dat wolven, mijnheer Sumichrast? vroeg Lucien.

—Ja, mijn vriend, Amerikaansche wolven.

—Maar zij zullen den Encuerado opeten en ons aanvallen?

—Stel u maar gerust; moed is hun gebrek niet. Als zij niet uitgehongerd zijn, zullen zij zich niet in onze nabijheid wagen.

Daar viel een schot. Het woud scheen te sidderen, het geschreeuw van enkele vogels weerklonk, en terwijl de echo's met geraas den klank van de losbranding herhaalden, begon Gringalet te blaffen, hetwelk opnieuw begroet werd door de schrille kreten van de Coyoten. Eindelijk keerde de, voor een oogenblik gestoorde stilte terug en het woud hernam zijn plechtig stilzwijgen.


Back to IndexNext