(13)Aldus noemt men de smalle en puntige bladeren van den denneboom, die daarom ook naaldboom of naaldgewas genoemd wordt.
(13)Aldus noemt men de smalle en puntige bladeren van den denneboom, die daarom ook naaldboom of naaldgewas genoemd wordt.
(14)Dank zij de bolvormige gedaante van het water, die door den Heer Bouchigny werd ontdekt.
(14)Dank zij de bolvormige gedaante van het water, die door den Heer Bouchigny werd ontdekt.
(15)Batrachiers is de soortnaam der kikvorschen, salamanders enz.
(15)Batrachiers is de soortnaam der kikvorschen, salamanders enz.
DE ZALF VAN KATTENOOGEN.—HET GORDELDIER.—LUCIEN EN DE VARENPLANT.—DE INGESTORTE BERG.—DE SPECHT.—DEBASILISCUS.—EEN NIEUW DENKBEELD VAN DEN ENCUERADO.
Gringalet, die het alarm had gemaakt, was ook de eerste om weer in te slapen. Wat mij aangaat, ik wachtte met zekere ongerustheid op den terugkeer van den Encuerado. Toen de Indiaan na een kwartier uurs niet verscheen, begon ik te gelooven dat hij, door de duisternis misleid, zich van het bivak had verwijderd, in plaats van het te naderen. Na hem twee of driemaal geroepen te hebben, zonder antwoord te ontvangen, maakte ik mij gereed om mijn geweer af te schieten, opdat het geluid van de losbranding hem op den weg zou brengen, toen zijn keelgeluid mijn oor bereikte.
—Hoe komt het bij je op, om op zulk een uur een geheel nutteloos wild te vervolgen! riep ik uit, toen ik hem te voorschijn zag komen.
—Ik wilde aan die schreeuwers een les geven, heer.
—Hebt gij er dan een gedood?
—Ik heb hem slechts een kogel in 't lijf kunnen jagen, en heb hem toen vervolgd.
—Op gevaar af van in een kloof te vallen. Zoo ver ik weet kunt gij toch des nachts niet zien.
—Niet veel, en dat is uwe schuld, hernam de Encuerado op een toon van verwijt.
—Wat! is dat mijne schuld!
—Herhaalde malen hebben debrujos(toovenaars) mij een zalfaangeboden, bestaande uit de oogen van katten, maar zij wilden mij te duur verkoopen.
Gij weet nu veel meer dan de toovenaars, en als gij mij de woorden hadt willen leeren, die men moet uitspreken om aan de zalf haar kracht te verleenen, zou ik sedert lang des nachts kunnen zien, wat u, zoowel als mij, van groot nut zou zijn.
Dat was een oud sprookje, en al wat ik den Indiaan zou hebben gezegd over mijne onmacht om hem oogen te geven, die de duisternis kunnen doorboren, zou hem niet overtuigd hebben. Ik vergenoegde mij dus met hem aan te sporen om te gaan slapen.
Het was reeds helder dag, toen Sumichrast mij wekte. De beek, die wij konden overspringen, kabbelde nu eens over de keien of gleed zwijgend en als in slaap gedompeld over het zand van de bedding. De planten, die de beide oevers omzoomden, strengelden zusterlijk hare takken dooreen en hare bloemen schenen elkander hare geuren te ruilen. Van de takken der groote boomen hingen witte mossen naar omlaag, wat hen op reusachtige grijsaards deed gelijken; de zon vergulde de stammen met hare opkomende stralen en uit de toppen der boomen steeg de zachte lofzang, door de zangvogels gekweeld, ten hemel. Onze oogen, aan de betrekkelijk dorre streken, die wij den vorigen dag doorgetrokken waren, gewoon, rustten met welgevallen op dit lachende en grootsche tooneel; wij ondervonden te midden van deze kalme en weelderige natuur, een werkelijk welbehagen. Met leedwezen maakten wij aanstalten om op te breken.
»Als wij eens na den middag vertrokken?” zei Sumichrast.
—En als wij nu eens eerst morgen verder gingen?.... hernam ik.
Deze ondervragingen beantwoordden zoo wel aan het algemeen verlangen, dat onze reisbagage in een oogwenk weer op den grond lag. Ons eerste werk was een bad te nemen; toen kwamen wij op de gedachte om ons goed te wasschen. Lucien, door den Encuerado geholpen, die, daar hij een leeren gewaad op het bloote lichaam droeg, niets voor zichzelven te wasschen had, lachte hartelijk toen hij ons zoo in bleekers veranderd zag, en bracht het er van zijn kant, niet al te slecht af. Daarna belastte hij zich er mede om Gringalet een bad te geven, wiens wit en zwart gevlekt gewaad wel een sopje noodig had. Ongelukkigerwijze ging hij, zoodra hij uit het water kwam, in het zand rollen en kwam toen naar zijn teleurgestelden meester huppelen.
Wij doolden links en rechts rond, in de hoop van nog eenige insecten te vinden, toen Gringalet de ooren opstak en zijn tandenliet zien. Een geraas van dorre bladeren trok onze aandacht op eene steilte tegenover ons en waar wij een gordeldier zich zagen verpoozen.
Gewoonlijk gaan deze dieren des nachts uit, om zich te vermaken en hun voedsel te zoeken. Dat, hetwelk wij zoo op den vollen dag aantroffen, had de grootte van een flink konijn. Zijn ooren, die de gedaante van een peperhuisje hadden, oprichtende, stak hij zijn puntigen snuit omhoog, om beter in de takken te kunnen snuffelen. De kop, die buitengewoon klein was, gaf het een potsierlijk uiterlijk. Eensklaps begon het den grond met zijne voorpooten, die met vreeselijke nagels gewapend zijn, om te krabben; van tijd tot tijd stak het den puntigen neus in de holte, die het gegraven had. Ik was de beek overgetrokken en naderde het dier behoedzaam, toen ik zag, dat het met zijn arbeid ophield, den kop vol onrust liet hangen en, snel als het weerlicht, zich tot een bal oprolde en van de steilte liet vallen. Het kwam juist voor mijne voeten terecht, zoodat ik het slechts behoefde op te rapen. Gringalet, die boven op het taluut verscheen, gaf mij de uitlegging van deze overhaaste vlucht.
Ik vervoegde mij met mijn gevangene, die niet de minste poging deed om zich te verdedigen of te ontsnappen bij mijne makkers. Lucien onderzocht met belangstelling de dwarse schubben, die den rug van het gordeldier bedekten, welks rooskleurige huid als 't ware doorschijnend scheen. Hij vernam dat dit weerlooze dier, hetwelk zich met insecten en wortels voedt, tot de orde der tandeloozen behoort, eene klasse zoogdieren, welker tandstelsel onvolledig is.
»Maar,” zeide hij, »ik heb wel eens platen gezien, waar de gordeldieren zijn afgebeeld met eenpantseruit kleine vierkante stukjes bestaande.
—Dat is eene andere soort, die eveneens in Mexico voorkomt, antwoordde Sumichrast.
Toen er over gesproken werd om het dier dood te maken, verzette Lucien er zich uit alle macht tegen. Hij vroeg om het levend meê te mogen nemen of het weer in vrijheid te stellen, beiden onaannemelijke voorstellen. Gringalet maakte een einde aan de woordenwisseling door het gordeldier, dat de Encuerado aan een poot had vastgebonden, te wurgen. De knaap, woedend en droevig tevens, wilde den hond slaan en verbaasde zich over zijne wreedheid.
»Hij heeft aan zijn instinct gehoorzaamd, zeide Sumichrast.
—Een mooi instinct, antwoordde Lucien schreiende, een arm dier te dooden, dat niemand kwaad doet!
—Hij heeft ons de moeite bespaard het zelf te dooden. De menschen en de vleeschetende dieren zouden niet kunnen bestaan, alszij niet andere dieren opofferden. Hebt gij gister niet een eekhoorn gedood? En gij hebt uw aandeel ook niet geweigerd van de mooie vogels, welker veeren u zoo verrukt hadden.
—Ja, maar ik heb den eekhoorn niet met mijne tanden gedood. Dat maakte een groot verschil.
—Voor u, dat is mogelijk; maar voor den eekhoorn? Nu, als de gelegenheid zich weer aanbiedt, moet gij uw geweer eens aan Gringalet leenen.
Lucien glimlachte door zijn tranen heen en zijne verontwaardiging bedaarde allengs. Zeker, of men eene kip den hals omdraait of door een geweerschot doodt, de einduitslag blijft volkomen dezelfde, en toch heb ik nooit tot het eerste kunnen besluiten. Lucien echter, die eene vrouwelijke teergevoeligheid bezat, werd meer dan eens boos op den Encuerado, die moeielijk aan de bekoring kon weerstaan om op het wild, dat onder zijn bereik kwam, te schieten, onverschillig of het van nut kon zijn of niet. Wij hadden goed hem er over onderhanden te nemen; hij beweerde dat,als God aan den mensch de wet had opgelegd om te dooden, ten einde zich te voeden, hij hem ook beveelt de schadelijke dieren te vernietigen, die de bondgenooten van den Booze zijn. Ongelukkigerwijze waren alle dieren, met uitzondering van honden en paarden, in de oogen van den Encuerado schadelijk.
Met het geweer over den schouder, klommen wij den loop der beek op, meestal genoodzaakt om een weg door een warboel van planten te banen. Ik bespeurde een mooien boomvaren, waarvan de nog niet ontwikkelde bladeren den vorm van een bisschopsstaf hadden. Lucien merkte op, dat deze struik een zonderling uiterlijk had.
»Gij hebt gelijk, antwoordde ik hem. Jussieu heeft de planten in drie groote orden ingedeeld: de nietlobbige, de eenlobbige en de tweelobbige. De varens zijn nietlobbige planten; zij hebben geen zichtbare bloemen; zij zijn verwant aan de wieren en de paddestoelen. Zij verkrijgen alleen onder de keerkringen de afmetingen van die, welke gij hier voor oogen hebt; in de koude luchtstreken, gaat hunne grootte nauwelijks eenige voeten te boven. De varens maakten bijna den eenigen plantengroei uit van de eerste wereld en in de venen vindt men dikwijls de indrukselen van reusachtige soorten, welke nu verdwenen zijn. Daar hij nieuwsgierig was om de stengels in den vorm van een bisschopsstaf van naderbij te bezichtigen, liet Lucien ons vooruitgaan en kroop onder de varenplant. Daar de bladeren van dezen struik van onder met lange doorns gewapend zijn, voelde hij zich tegengehouden,toenhij zich bij ons wilde vervoegen. Zijnepogingen dienden slechts om hem nog meer vast te maken. Hij riep mij met eene angstige stem, en niet wetende wat hem overkomen was, haastte ik mij om naar hem toe te gaan.
Ik vond hem druk bezig met zich te weeren tegen de doorns, die zijne handen en gelaat schramden. De Encuerado had zijne mars neergezet om schielijker te kunnen gaan, en liep den verschrikten Sumichrast voorbij.
Ik haastte mij den knaap te bevrijden, wiens handen en gelaat vol lange schrammen waren.
»Waarom hebt gij er nietaan gedacht, dat gij, door u zoo te weer te stellen, u nog meer verwardet.
—Ik zag dat gij u verwijderdet, en ik wist niet wat mij tegen hield en werd toen bang; maar ik schrei niet, papa, en toch steken ze erg, die varendoorns.
De Encuerado stroopte de mouwen van zijn buis op, nam zijn kapmes en liep op den struik toe.
Schaamt gij u niet, riep hij uit, om een kind aan te vallen?
't Is wel noodig aan zijn top bisschopsstaven te dragen, als men zich zoo beneemt! Probeer eens om mijn kleed beet te nemen! Ik wist wel, dat ge dat niet zoudt durven! Maar dat doet er niet toe, ik zal je voor je boosheid straffen.
De arme plant werd, helaas! weldra tot rede gebracht; in een oogwenk bleven er nog slechts de stukken van over. Na een uur gemarcheerd te hebben kwam het hoofd van de kolonne onverwachts bij een stuk van een ingestorten berg. Het was een grootsch schouwspel; de opgehoopte en op elkander gestapelde rotsen hadden in haar val de omliggende boomen verpletterd. Wij hadden een niet te ontwarren menigte opeengehoopte stammen, reusachtige wortels, en hangende rotsen, die elk oogenblik konden neerstorten, voor ons. Het onheil moest eerst kortelings gebeurd zijn, want hier en daar vertoonde een tak nog zijn groene pluim en het gras had nog niet den tijd gehad de groote scheur op te vullen. De wilde grootheid van dat tooneel vervulde Lucien met zooveel verbazing, dat hij met zijn gesnap ophield. Wij voegden ons stilzwijgend bij Sumichrast, die zich te midden der rotsen had begeven; het werd toen duidelijk, dat een waterstroom door de instorting was opgevuld. Het water liep met een dof geraas onder ons. Aan onze linkerhand, aan den voet van den ingestorten berg, strekte zich eene groote watervlakte uit, door een kom omgeven, die men zou zeggen, dat door menschenhanden gemaakt was.
Rondom ons bleef alles stil en eenzaam. En toch hadden de omringende struiken meer dan één gast moeten herbergen, maar devogels hadden, door de instorting verschrikt, de vlucht genomen.
»Hoe is die groote berg kunnen instorten?” vroeg Lucien.
—Daarover kan men slechts gissingen maken, antwoordde Sumichrast; misschien heeft de beek den voet der rotsen ondermijnd en zoo het evenwicht verstoord; wellicht heeft eene spleet allengs eene voldoende hoeveelheid water laten indringen om deze massa mede te sleepen.
—Het geraas moet zeker wel zeer groot geweest zijn?
—Verschrikkelijk en de schok moet den grond op verscheidene mijlen in 't rond hebben doen schudden.
—Hebt gij wel ooit een berg zien instorten?
—Ja, vijf jaar geleden, in gezelschap van uw papa. Een geheel bosch verdween voor onze oogen door eene instorting,dievier of vijf hutten van Indianen overstelpte.
Over een jaar zal deze naakte zijde weer met een dichten plantengroei bedekt zijn; het mos zal deze witachtige rots als met een tapijt omgeven en de beek zal haar loop weer hernomen hebben. Als het toeval ons weer op deze plaats terugbracht, zouden wij moeite hebben om onder de bloemen en bladeren het tooneel van verwoesting terug te vinden, waarvan wij de herinnering met ons meê zullen dragen.”
Ik trok de beek over ten einde het bivak van de tegenovergestelde zijde, die wij gevolgd waren, te bereiken.
Eensklaps trof een geluid als dat van een hamer, die op een boomstam slaat, onze aandacht.
»Gij hebt gezegd, dat er niemand in het bosch was!” riep Lucien uit.
—Stil,dat is de schrijnwerker-vogel, antwoordde de Encuerado.
En iedereen sloop onder de struiken, om den gevederden werkman, die ons zijne tegenwoordigheid verried, te naderen. Tien minuten verliepen; de specht, een zeer wantrouwende vogel, scheen zich verwijderd te hebben,wij wilden reeds onze vervolging opgeven, toen drie slagen, met regelmatige tusschenpoozen gegeven, bijna boven ons weerklonken.
Decarpintero(schrijnwerker) had zeer schitterende gele oogen; de roode veeren van zijn kop staken tegen de schors van een eik af, terwijl het zwarte lichaam met witte veeren gestreept was. Hij klom met veel vlugheid langs een stam op, steunde op de staartpennen en sloeg opnieuw drie vérklinkende slagen, waarna hij dadelijk aan den anderen kant van den stam ging zien.
»Lomperd, mompelde de Encuerado, hij denkt dat hij een boom, die dikker is dan ik, met zijn drie slagen kan doorboren! Komaan, hij zal opgegeten worden.
En hij schoot op den vogel, dien hij raakte.
»Is 't waar, papa, dat de specht dien dikken boom wilde doorboren?”
—Neen, mijn jongen; dat is eene volksmeening, die door niets gerechtvaardigd wordt; de specht klopt tegen den boom met het doel om de insekten, die onder de schors verborgen zijn, te verschrikken, en om zich meester te kunnen maken van de vluchtenden, voert hij de beweging uit, welke de Encuerado zoo verkeerd heeft uitgelegd.
Sumichrast deed Lucien opmerken dat de specht, met behulp van zijn kegelvormigen bek desnoods de schorsen kan oplichten, waaronder hij zijn voedsel vindt; dat zijne, met naar achter gebogen doorntjes bezette tong, zeer geeigend is om de larven te grijpen en dat eindelijk de stijve en veerkrachtige staartpennen hem een zeer nuttig steunpunt aanbieden, bij de uitoefening van zijn vermoeienden arbeid.
»Gij hebt dikwijls tegenover mij gelijk,” sprak de Encuerado, maar gij moogt het zoo dikwijls herhalen als gij wilt, dat de spechten de boomen niet uithollen, ik heb het zelf gezien.
—Gij hebt tot op zeker punt gelijk, antwoordde Sumichrast; sommige soorten maken hun nest in doode boomstammen, die zij gemakkelijker met hun bek kunnen bewerken. Maar om een gat in een gezonden boom te maken, dat is eene andere vraag.
Terwijl de Encuerado dentatoeof het gordeldier en de specht, die voor ons middagmaal moesten dienen, gereed maakte, volgden wij den benedenloop der beek, welker aangename frischheid ons aantrok. Eensklaps wees Lucien ons eenbasiliscusaan, die op een steen zat, en waarvan een zonnestraal ons de gele, groene en roode tinten liet bewonderen.
Deze soort leguaan, die in niets op den fabelachtigenbasiliscusder Grieken gelijkt, hief zich bij onze nadering op, blies zijn keel vol lucht en schudde den vliezigen kam, die zijn kop versierde, heên en weêr. Zijn goudkleurig oog scheen den horizon te ondervragen; zonder twijfel had hij ons bemerkt; zijn slap lichaam werd stijf en met een vluggen sprong stortte hij zich in de beek. Het sierlijke kruipdier zwom met opgerichte borst en de achterpooten zweepten de golfjes als roeiriemen.
Weldra verdween het, tot groot verdriet van Lucien, die het van naderbij had willen beschouwen.
Bij het vuur teruggekeerd, zetten wij onze bagage gereed voor het vertrek van den volgenden dag.
Daar het nog een uur dag bleef, bleef Lucien bij den Encuerado,en ging ik met Sumichrast den weg verkennen, dien wij voornemens waren te volgen.
De zon ging onder en wij naderden langzaam het bivak, toen de klagende stem van Gringalet onze ooren trof. Ik versnelde den pas, want de hond huilde alsof hij iemand verloren had. Hijgende kwam ik bij de hut. Alles was in orde; maar Lucien en de Encuerado waren verdwenen. Ik zag mijn makker vol angst aan.
»De Encuerado zal eene wandeling zijn gaan maken en hij zal vertrokken zijn zonder den hond, die waarschijnlijk sliep, zeide Sumichrast.
Ik liet een roepkreet hooren. Hoe groot was niet mijne verwondering, toen ik hoorde dat men boven mijn hoofd er op antwoordde. Mijn zoon en de Encuerado bevonden zich dertig voet boven den grond, in het gebladerte van een dikken boom verborgen. Mijn eerste beweging was om den Indiaan eene goede uitbranding te geven.
—Breng hem niet in de war, zeide Sumichrast, hij heeft al zijne koelbloedigheid noodig om naar omlaag te komen.
Ten prooi aan een gemakkelijk te begrijpen angst, volgde ik alle bewegingen van Lucien, dien de bladeren mij dikwijls beletten te zien.
Doe maar zachtjes aan, sprak de Encuerado. Zet uw voet daar neer. Goed zoo. Vat nu dezen tak en laat u glijden. Wees maar niet bevreesd, ik zal u niet loslaten. Wat zal uw papa fier en tevreden zijn, als hij weet dat gij zoo hoog geklommen zijt!
De Indiaanvergistezich; ik was noch fier, noch tevreden. De stam van den boom had vijf of zes voet omvang; de eerste takken groeiden twee of drie meter boven den grond en ik kan mij niet begrijpen, hoe de knaap er aan had kunnen komen. Wat den aap betreft, die Encuerado genoemd wordt, ik wist dat er geen hinderpaal bestond, die dezen kon tegenhouden.
Ik moet bekennen dat ik, bij het zien van de behendigheid en de koelbloedigheid van den jongen kunstenmaker, mijn toorn voelde bedaren. 't Is waar, Sumichrast riep mijne herinneringen te voorschijn en wilde met mij wedden dat ik, onder minder zorgvuldig toezicht dan dat van den Encuerado, meer dan eens in den top van een populier was geklommen. Eindelijk bereikten de twee gymnasten de onderste bladeren, en ademde ik vrijer.
—Vader, riep de knaap mij toe, wij zijn tot boven in den top geklommen; er is daar een nest en een eekhoorngat.
—Zijt gij gek geworden? viel ik hem in de rede, terwijl ik mij tot den Indiaan richtte.
—Gek! herhaalde deze met eene bewonderenswaardige naïveteit, waarom?
—Kondt gij een niet wat minder hoogen boom uitzoeken?
—Wilt gij dan niet, dat Chanito leert klimmen? Bovendien heeft mevrouw hem aan mij toevertrouwd.
—Wilt gij hem daarom aan 't gevaar blootstellen van zijn beenderen te breken?
—Ik ben geen kind, antwoordde de Indiaan fier, terwijl hij op een tak ging staan.
—Komaan, 't is nu genoeg met die gymnastiek, kom maar naar omlaag. God weet, hoe ge dat zult aanleggen. Ik had mijn volzin nauwelijksgeëindigd, of Lucien kwam op den grond neer, ondersteund door denlazo, dien de Encuerado hem onder de armen had gebonden. Na tot op de eerste takken te zijn geklommen, terwijl hij een der uiteinden van den riem vasthield, had de Indiaan hetzelfde middel gebruikt om den knaap naar zich toe te hijschen.
—Wat ge gedaan hebt, is niet redelijk; men begint niet met op een wild paard te rijden. Lucien kan niet in de boomen klimmen, zeide ik hem, toen hij op zijne beurt beneden was.
—Lucien kan even goed klimmen als ik, hernam de schuldige; hij heeft nooit een oranjeappel uit uw tuin gegeten, dien hij niet zelf geplukt had.
—Daar hoor ik wat nieuws, zeide ik, mijn zoon aanziende, die eene kleur kreeg. In elk geval zijn oranjeboomen geen wolboomen en gij steldet hem aan 't gevaar bloot dood te vallen.
—Neen, ik hield hem vast. Gij weet wel, dat als Chanito door mijne schuld kwam te sterven, ik voor hem dood zou zijn.
—Maar dat zou hem niet in 't leven terugbrengen. De reis biedt reeds gevaren genoeg aan, zonder dat men ze tot zijn vermaak behoeft te vermeerderen; ik wil u heelhuids en gezond in Orizava terugbrengen; herhaal zulke klimpartijen derhalve niet meer.”
Na aldus mijne strafpredikatie gehouden te hebben, keerde ik hem de hielen toe, want met den Encuerado kwam men nooit aan 't laatste woord. Ik was er evenwel van overtuigd, dat hij het waagstuk, dat mij zoo mishaagd had, niet opnieuw zou doen, en dat was al wat ik wilde.
Bij het avondmaal betoonde Gringalet niet den minsten afkeer voor het vleesch van dentatoe, waarvan de smaak Lucien aan dien van het speenvarken herinnerde.
—Zijn de tatoes zeldzaam? vroeg hij. Men verkoopt ze nooit op de markt.
—Zij zijn integendeel zeer algemeen, antwoordde Sumichrast, en de Indianen vergasten zich er op, telkens als zij die dieren, welke hunne kleine tuinen verwoesten, kunnen meester worden.
—Wat wil die naam van tatoe toch zeggen?
—Het is een woord, dat in Paraguaya gebruikt wordt, maar waarvan ik de beteekenis niet ken. De Asteken noemen het dierayotachitl, dat wil zeggen, Kalebas-Konijn:
Konijn, wegens de ooren; Kalebas, omdat het de gewoonte heeft zich als een bal op te rollen en zoo aan den vorm van deze vrucht herinnert.”
De Encuerado was ingeslapen. Lucien ging eveneens onder de hut en ik zag hoeSumichrastvol zorg de bladeren, die ons tot matras dienden, te recht lei, terwijl hij zelf zich op goed geluk af neervlijde. Minder tot slapen geneigd dan mijne makkers, zag ik hen beurtelings aan, zooals zij daar sliepen en dacht ik aan het toeval, dat, na ons uit verschillende rassen en onder verschillende luchtstreken te hebben doen geboren worden, ons hier onder een zelfde dak en te midden van deze eenzaamheid had gebracht. Wij konden allen op elkander rekenen, want in onze vorige reizen was onze wederzijdsche vriendschap op de proef gesteld. Door de wijze waarop Lucien de vermoeienis doorstond, verheugde ik mij, dat ik hemonder de hoede van zulke bewakers had meêgenomen. Toen ik in de hut ging om ook te gaan slapen, maakte ik Gringalet wakker, die, alvorens opnieuw naast zijn meester te gaan liggen, dezen de handen likte: dat was een vertrouwde vriend te meer; »de hond, het beste, wat er in den mensch is,” zooals Charlet zich uitdrukte.
EEN FEESTMAAL VAN GIEREN.—HET DRAKENBLOED.—DE KORAAL-SLANG.—DE BOSCHUIL.—DE MEXICAANSCHE MOLLEN.—DE TOEKANS OF PEPERVOGELS.—DE SCOLOPENDERS.—DE ENCUERADO KLEERMAKER.—ZONSONDERGANG.
Met het aanbreken van den dag vertrokken, liepen wij zwijgend voort, nu eens klimmende, dan weer dalende, beurtelings dicht begroeide en opene plaatsen doortrekkende, toen een troep gieren onze aandacht trok. Een afzichtelijk schouwspel vertoonde zich aan onze blikken. Een coyote—zonder twijfel die, welken de Encuerado den vorigen dag gewond had—lag half verslonden op den grond en een vijftigtal gieren kwamen beurt om beurt een stuk vleesch van het lijk afscheuren.
»Wat afschuwelijke dieren!” riep Lucien uit. »Hoe is 't mogelijk dat de stank hen niet afschrikt?”
—»'t Is juist die stank, die hen aantrekt, antwoordde ik; als zij zoo in de lucht zweven en den gezichteinder met hun lichtgeel oog doorvorschen, zoekt hun fijne reuk in de lucht naar de uitwasemingen, welke de rottende lichamen, waarmede zij zich voeden, van zich geven.”
De zwarte gieren zijn zoo talrijk in de steden van Mexico, waar zij heel vertrouwelijk in de straten leven, dat onze kleine reisgezel ze sedert lang kende; maar hij was nooit bij hunne gemeenschappelijke maaltijden tegenwoordig geweest. Het gezicht van die naakte, zwarte, gerimpelde halzen, die in het kreng van het dier dompelden, vervulde hem met walging.
»Bah!” riep hij uit; »wat vieze vogels!”
—Wat wilt gij! Zij gehoorzamen aan hun instinct; gij zult in 't vervolg beter de beteekenis van roofvogels vatten, onder welken naam de natuurkundigen de gieren, arenden, valken, uilen en boschuilen samenvatten. Gij weet dat de wetenschap, die de zeden der vogels beschrijft,ornithologieof vogelkunde wordt genoemd. Cuvier, die groote rangschikker, verdeelt het gevederde volkje in zes orden: roofvogels, vinkvogels, klimvogels, hoendervogels, steltenloopers en zwemvogels. Om alle verwarring te voorkomen, heeft men de orden weer in familiën, de familiën in geslachten, de geslachten in soorten en de soorten in stammen verdeeld.
—Maar hoe kan men daaruit wijs worden?
—Door sommige eigenaardige kenmerken, die tot uitgangspunt dienen. De roofvogels, bij voorbeeld, hebben kromme bekken en nagels, tot aan de knieën of tot aan de pooten bevederde beenen, drie teenen naar voren en één naar achteren staande; de nagels van den duim en den middelsten vinger zijn sterker dan die van de andere vingers. De gieren, die gij daar voor u ziet, de eenigen, die in troepen leven, behooren tot het geslachtcatharte.(16)
Zie eens, daar zijn er, die zich op een afstand houden. Men zou zeggen, dat zij bang zijn.
Dat zijn de verzadigden; zij verteren nu, en als geen gevaar hen tot vluchten dwingt, blijven zij onbeweeglijk zitten, tot de zon ondergaat.
—Vallen zij nooit levende dieren aan?
—Zeer zelden; zij zijn lafhartig en schijnen niet van versch vleesch te houden.
Wij hadden reeds sedert lang het afschuwelijk gezelschap achter ons gelaten, toen Lucien eensklaps uitriep:
»O, Papa, daar is een boom, die bloedt!
—Dat is eenpterocarpus, dat wil zeggen een gewas, waarvan de vruchten weefsels bezitten, die op vogelvleugels gelijken. Het roode sap, dat uit de schors vloeit, is hetdrakenbloed, aldus door de oude Grieken genoemd, die het een fabelachtigen oorsprong toeschrijven. Debloedboom—zooals de Indianen hem noemen—is een verwante van de asperges en de lelies, en de gom, die hij uitzweet, wordt gebruikt tegen den buikloop.
De Encuerado maakte eenige stukken van het kostbare voortbrengsel los; daarna doopte hij zijne vingers in de nog vloeibare druppels, om er de beenen en pooten van Gringalet meê in tesmeeren, die zoo in 't bezit kwam van roode laarzen. Bij slot van rekening kon deze bewerking slechts nuttig voor het dier zijn, want het drakenbloed, dat rijk aan looistof is, zou de weefsels toehalen; maar het eerste gevoel scheen het dier lastig te vallen en hij liep verder, de pooten op een allerkoddigste manier oplichtende.
»Gringalet loopt juist als de Encuerado, toen hij op zekeren dag zijn mooie blauwe schoenen heeft willen aantrekken, hernam Lucien lachende.
—Heeft de Encuerado blauwe schoenen aangehad? riep Sumichrast uit.
—Ja, laatst hadden wij menschen te eten en mama had aan Chema(17)gezegd, dat hij zich zoo net mogelijk moest kleeden. Hij is toen dadelijk een paar schoenen gaan koopen, die hij in een winkel gezien had, en toen men aan tafel ging, kwam hij met zijn mooie schoenen aan en een witte das om.
—Een das! herhaalde Sumichrast, die van de eene verbazing in de andere viel.
—Ja, eene werkelijke das. Daar hij nooit anders dan sandalen had gedragen, kon hij niet anders loopen, dan door de voeten op te heffen, zooalsGringaletdoet. Mama raadde hem aan, zijn gewoon schoeisel aan te doen, doch hij wilde niet; maar hij werd er wel voor gestraft, want hij deed een verkeerden stap en brak een stapel borden. Na dit ongeluk kon hij er pas toe besluiten om zijn schoenen uit te doen; maar daar hij er niet geheel en al van kon scheiden, hing hij ze om zijn hals en vervolgde hij met deze mooie versiering trotsch zijn dienst.
Het avontuur was maar al te waar en Sumichrast kon zijn lachen niet inhouden.
»Waarom hingt ge die schoenen om uw hals, in plaats van ze in een hoek te zetten? vroeg hij den Indiaan.
—Dat heb ik gedaan, toen iedereen wist dat ze van mij waren, antwoordde hij.
Ons kamp werd opgeslagen bij den ingang van eene nieuwe lichting in 't woud. De Encuerado had vijf of zes vinken geschoten, ons middagmaal was dus verzekerd. Nauwelijks hadden wij onzen arbeid als bouwmeesters voltooid, of Lucien, die ronddoolde, overal de steenen en boomstronken oplichtende om nieuwe insekten te vinden, riep mij met luid geschreeuw. Toen ik bij hem was gekomen bemerkte ik, diep in een gat, een koraalslang, die ongeveer een meter lang was. Op zich zelve gerold, hield het kruipdier zich onbeweeglijken ik bewonderde zijne prachtige, roode huid, die op gelijke afstanden door glinsterend zwarte banden doorsneden was. De Encuerado sneed spoedig een tak af, die in een vork uitliep en hield daarmede de slang tegen den grond gedrukt. De gevangene wikkelde zich dadelijk los; de kronkels ontrolden zich en de dreigende kop werd zichtbaar. Gringalet blafte vol woede, maar dorst toch niet naderbij komen. De Indiaan trok zijn sabel—het vooruitzicht op een onverwachten schotel maakte hem vroolijk.
Slangenvleesch is een Indiaansche kost. Vóór de verovering van Mexico door de Spanjaarden, kwam zelfs de ratelslang bij plechtige feestelijkheden op tafel. Descorides(18)beschreef het vleesch van adders als versterkend en het kwam voor in de theriac, dat wondergeneesmiddel onzer voorvaderen, hetwelk een der voornaamste voorwerpen uitmaakte van den Venetiaanschen handel. Niettegenstaande al deze voorbeelden werd de schotel, dien de Encuerado voorstelde, met algemeene stemmen verworpen.
Na de slang den kop te hebben afgehouwen, gingen wij op onderzoek uit. Terwijl wij een troep eekhoorns vervolgden, kwamen wij weer aan den rand der lichting terug, zonder ze te hebben kunnen naderen. Niet ver van de vlakte bespeurde Sumichrast een kleinen rosachtigen boschuil, die eensklaps in een gat verdween, dat in den voet van een ouden boom uitgehold was. Ieder hield zich gedurende een tiental minuten doodstil, ten einde de gangen van den jagenden vogel na te gaan. Eindelijk kwam hij geheel onverwacht weer te voorschijn, onbeweeglijk voor den ingang van zijn schuilplaats; recht op de beenen staande, geleek hij op een schildwacht, die in zijn schilderhuis op post staat. Plotseling begon hij te beven, het lichaam boog langzaam naar voren, zijn groote gele oogen knipten herhaalde malen dicht, daarna met de snelheid van een pijl langs den grond scherende, wierp hij zich in het hooge gras.
Spoedig kwam hij met opstaande veeren en klapwiekend terug, in zijn bek een muisje houdende, dat hij in zijne onderaardsche woning bracht. Het was de soort boschuil, die menathene hypogoeanoemt en welke veelvuldig in de savannen wordt aangetroffen. Hij jaagt bij dag zoowel als bij nacht.
»Een vreemde vogel, zeide Lucien; hij joeg mij met zijn oogen, die vuur schoten en zijn krommen bek vrees aan.
—Hij maakt iedereen beangst, Chanito, antwoordde de Encuerado, en als hij zich des nachts bij eene hut gaat nederzetten en zijn naargeestiggeschreeuw doet hooren, voorspelt hij den spoedigen dood van een van hen, die naar hem luisteren.
—O, dat is niet waar, hernam Lucien, want er was een uil in een gat van den muur van onzen tuin, en papa heeft nooit gewild dat men hem verjoeg. En toch maakte hij er geen kwaad uit om alle avonden te schreeuwen.
—Uw papa weet altijd de kwade invloeden te bezweren.Bovendien was de vogel in den muur een steenuil.
—In Europa, zoowel als in Amerika, worden de boschuilen en hunne verwanten; de steenuilen, kerkuilen, de buizerds, al te maal nachtroofvogels, door het volk als vogels van slechte voorbeteekenis beschouwd, hernam Sumichrast op zijne beurt. Hun vreemd gelaat, hunne geheimzinnige gewoonten wekken een afkeer op, die soms in vrees overgaat. Men doet evenwel verkeerd ze te vreezen; in werkelijkheid is de droefgeestige jager, dien gij zoo juist gezien hebt, even als alle van zijne soort, meer nuttig dan schadelijk voor den mensch, want hij vernietigt een groot aantal kleine zoogdieren, zooals springmuizen, spitsmuizen, zevenslapers en veldmuizen, die de oogsten verwoesten. Gij weet zeker wel dat de uil, bij de oude Grieken, de vogel van Minerva was; in de oogen der Asteken vertegenwoordigde hij de godin van het kwaad.
Op korten afstand van de plaats, waar de muizeneter verdwenen was, zag men de groote gaten, welke detuza's,(19)door de landbouwers zeer gevreesdeMexicaanschemollen, graven. Dit dier bereikt de grootte van een jonge kat, leeft in troepen en werkt op eene, voor de reizigers zeer gevaarlijke wijze den grond om, waar hij zich gevestigd heeft, want dezen voelen den grond eensklaps onder zich instorten. De Encuerado, die zeer verlekkerd was op het vleesch dertuza's, waarvan de vroeger Mexicaansche markten altijd voorzien waren, plaatste zich in hinderlaag, in de hoop er een te dooden. Nauwelijks waren vijf minuten verloopen of er klonk een schot en kwam de jager terug, een vrij leelijk dier, met donkerbruin haar, korte pooten en bijna onzichtbare ooren en oogen in de hand houdende. De bek was met zeer groote snijtanden gewapend en aan weerszijde van de kaken bevond zich een ruime zak, die met aarde gevuld was. Lucien verklaarde, dat hij nooit het vleesch van zulk een dier zou aanraken, en liet reeds bij voorbaat zijn aandeel aan den Encuerado over.
Onze aandacht werd opnieuw naar het woud getrokken door het geschreeuw van vijf of zestoekans(pepereters) en nogmaals gingen wij op de jacht. Deze klimvogels zijn buitengewoon wantrouwend en hunne grillige vlucht brengt den vervolger ieder oogenblik van streek. Het gelukte mij evenwel er een van te schieten; de andere namen, onder een toorniggeschreeuw, de vlucht.
»Hoe kan hij het gewicht van zulk een grooten bek dragen? vroeg Lucien, die den vogel, wiens fraaie groene en gele veeren zijn bewondering opwekten, had opgeraapt.
—Daarin heeft de natuur voorzien; de groote bek, die u zoo zwaar toeschijnt, bestaat uit een zeer licht, sponsachtig weefsel, antwoordde ik.
—Is hetgeen hij eet dan zoo hard?
—Integendeel; zijn buigzame bek kan niets fijn maken, en hij voedt zich met niets anders dan vleezige vruchten, die hij vrij onbeholpen openmaakt. Als wij dicht genoeg bij hem hadden kunnen komen, zoudt gij gezien hebben, dat hij bessen plukt, die in de hoogte gooit, om ze daarna in zijn wijden bek op te vangen.
—Maar waartoe dient dan zulk een groote bek?
—Daar kan ik u geen antwoord op geven, want de natuurkundigen, wien deze vraag even veel belang inboezemt, hebben er nog geen verklaring van weten te geven.
—Ik ben dus geleerder dan zij, sprak de Encuerado op een professoralen toon.
—Weet gij waarom de toekans zulk een grooten bek hebben?
—'t Is de wijsheid van den Schepper, die hem hun zoo gegeven heeft.
Daar twijfelen wij geen oogenblik aan, hernam Sumichrast lachende, maar waarom heeft Hij hem dien gegeven?
—Omdat die gebrande en tot poeder gestampte bek het eenige werkzame middel tegen de vallende ziekte is. De toekans zijn lang niet algemeen en als hun bek nu niet grooter was dan die van andere vogels van hunne grootte, zou men nooit het geneesmiddel in voldoende hoeveelheid kunnen bekomen.”
De verklaring van den Encuerado was bij slot van rekening evenveel waard, als onze twijfelingen. Ik herinnerde mij inderdaad, dat de Indianen een groot geheim maken van zeker poeder tegen de vallende ziekte, en dat het niets bijzonders is, den kop van een toekan tegen den muur eener hut te zien hangen, als voorbehoedmiddel tegen den St.-Vitusdans.
In plaats van uit te rusten doolde Lucien langs alle kanten rond, boombasten en steenen opheffende, met den ijver van een nieuwelingin de insektenkunde. Na de ontmoeting met de koraalslang, nam hij alle voorzorgen, die mij gerust konden stellen, want men weet nooit in welke gesteldheid men het dier zal vinden, welks rust men komt storen. De knaap riep mij: hij had een nestscolopenders, gewoonlijk duizendpooten genoemd, ontdekt en durfde er niet aan te raken. De verraste duizendpooten rolden zich op, en hunne bleekblauwe kleur verminderde een weinig den afkeer, dien zij gewoonlijkinboezemen. Het was niet zonder eenige aarzeling, dat Lucien, door Sumichrast aangemoedigd, er een op de palm van zijne hand plaatste; het insekt ontrolde een voor een zijne geledingen, waarvan elk voorzien was van twee paar pooten, die in haakjes eindigden, en begon toen met een langzaamheid te loopen, die den kleinen nieuwsgierige teleurstelde.
»Waartoe dient het toch vier en veertig pooten te hebben, riep hij uit, als men veel langzamer gaat dan een loopkever, die er slechts zes heeft?
Alleen de Encuerado was in staat dit geheim op te lossen; maar hij bewaarde het stilzwijgen.
—Zijn die beesten vergiftig, Mijnheer Sumichrast?
—Men zegt het; doch alleen enkele soorten—die, welke gij nu gadeslaat, kunnen bij voorbeeld ongestraft aangeraakt worden.
—Zie, daar is een kleine scolopender, die slechts twaalf pooten heeft.
Dat komt omdat die pas uit het ei gekomen is; naargelang zij ouder worden, neemt ook het aantal ringen en pooten toe. Dat is een van de bijzonderheden van de duizendpooten.
—Wat zijn die ringen hard! men zou zeggen, dat het een pantser is.
—Dat is er ook werkelijk een; de scolopenders vormen, als 't ware, de afscheiding tusschen de insecten en de schaaldieren. Zij zijn na aan de kreeften verwant.
—Zie eens, papa, ik heb daar een chocolaadkleurigen worm gevonden, die ook duizend pooten heeft.
—Dat is geen worm, maar een julus, een neefje van de duizendpooten. Kaak hem maar niet te veel aan, want hij zou aan uwe vingers een vuilen reuk mededeelen.”
Wij hervatten onzen marsch naar het kampement, waarheen Lucien en de Encuerado ons voorgingen. De lucht was warm, zonder verstikkend te zijn; de zon zond ons hare stralen, die door het gebladerte getemperd werden, in schuinsche richting toe; de vogels zongen, en deze dag kon, even als de vorige, onder de minst vermoeiende van onze reis geteld worden. Wij waren te midden vanhet Gematigde Land, omringd door witte en zwarte eiken, wolboomen, ceders, olmen engaiacboomen. De slingerplanten groeiden slechts van afstand tot afstand, als 't ware alleen om hare tegenwoordigheid aan te kondigen, en de muskieten, die in het Warme Land zoo talrijk zijn, maakten het ons niet al te lastig. De ver van elkander verwijderde boomen veroorloofden ons op ons gemak rond te loopen; wij waren wel in een maagdelijk woud, maar nog te hoog boven de vlakte, dan dat wij te worstelen hadden tegen het onontwarbaar net van een tropischen plantengroei.
Detuza, door rijst omringd, werd voorgediend.
Al is het uiterlijke van dit dier ook onaangenaam, zijn vleesch heeft evenwel een heerlijken smaak. Ik gaf er een boutje van aan Lucien om af te kluiven; hij vond het zoo lekker, dat hij zijn kalebas, die voor bord diende, opnieuw bijhield. Sumichrast vertelde hem toen, dat hij aan den mol smulde, ofschoon hij meende dat hij een lijster at; hij stond verstomd, maar tastte toch moedig zijne tweede portie aan. Na den maaltijd haalde de Encuerado uit een zakje van agavevezel eene naald en eene els te voorschijn en begon de broek, die eenige dagen te voren zoo gehavend was, te herstellen. Twee eekhoornvellen waren den nauwgezetten kleermaker, die ook de knieën met de ondoordringbare stof voerde, ter nauwernood voldoende.
Lucien, die over deze oplapperij verrukt was, wilde dadelijk zijn verstelde pantalon beproeven. Hij draaide, liep, bukte en was gelukkig over het geratel, dat de droge huiden veroorzaakten. Gringalet, die scheen te slapen, kwam plotseling met eene zichtbare verwondering naar zijn meester toe. Met uitgestrekten hals, schitterende oogen en hangende ooren, gereed desnoods den terugtocht aan te nemen, waagde de hond het aan het werk van den Encuerado te snuffelen, schudde veelbeteekenend den kop en niesde. Hij hervatte twee of driemaal deze handelwijze en scheen zeer nadenkend te zijn.
»Hij heeft er verstand van en vindt, dat het niet al te slecht genaaid is, sprak de Encuerado met voldoening.
Maar na eene nauwkeuriger kennismaking begon het beest eensklaps te blaffen en vatte de met zooveel moeite bijeengebrachte stukken beet en trachtte ze te verscheuren.
»De lomperd meent, dat de eekhoorn leeft!” riep de Indiaan uit.
Twintig maal weggejaagd, kwam Gringalet telkens weer tot den aanval terug, en dat wel met zooveel ijver, dat hij een nieuwe scheur in de pantalon maakte. Toen werd de Encuerado boos en de gestrafte hond ging bij het vuur liggen, maar niet zonder detanden te laten zien aan de zonderlinge voering, die hem zoo mishaagde.
De zon ging onder. Haar gouden stralen, die door de takken speelden, schenen een voor een naar den hemel terug te stijgen, en allengs omhulde de duisternis het gansche woud. Reeds hadden wij een groep rondom het bivak gevormd, toen eene rooskleurige tint de toppen der boomen verlichtte en tot onder het loof doordrong. Daar dit zonderlinge lichteffect bleef aanhouden, keerden wij naar de lichting terug, ten einde het beter waar te nemen. De hemel scheen als in vuur te staan; een breede, schitterende straalbundel schoot uit het Oosten voort; twee of drie bloedkleurige wolken vluchtten met veel snelheid. Het schitterende licht werd hoe langer zoo levendiger, maar zonder te stralen en zonder de minste verblinding te veroorzaken. Eenige vogelstemmen lieten zich hooren en enkele valken, die naar hun nest terugkeerden, hielden een oogenblik hunne vlucht in, en bleven besluiteloos in de ruimte rondzweven.
»De wind zal morgen met veel geweld blazen, sprak de Encuerado; ik heb de lucht nog eens zoo in vuur gezien en twee dagen later wierp een verschrikkelijke orkaan de meeste hutten van mijn dorp om.
—Wij zullen er wel met een Zuidenwind afkomen even als die, welke het ons op den dag van ons vertrek zoo lastig maakte,” antwoordde Sumichrast.
Te recht of ten onrechte schreef ik dit verschijnsel aan den stand der wolken toe. De sterkte van het licht nam nog toe, 't was als of het een enkele bliksemstraal was. De nacht nam weer de overhand en alleen het schijnsel van het vuur geleidde ons naar onze schuilplaats.