(16)Van het Grieksche woordcathartes, dat „ik zuiver” beteekent. Werkelijk helpt deze vogel om de straten der steden, waarvan de reiniging niet goed geregeld is, te zuiveren.
(16)Van het Grieksche woordcathartes, dat „ik zuiver” beteekent. Werkelijk helpt deze vogel om de straten der steden, waarvan de reiniging niet goed geregeld is, te zuiveren.
(17)Verkleinwoord van José-Maria.
(17)Verkleinwoord van José-Maria.
(18)Een beroemd Grieksch geneesheer uit de eerste eeuw der Christelijke jaartelling.
(18)Een beroemd Grieksch geneesheer uit de eerste eeuw der Christelijke jaartelling.
(19)Saccophorus mexicanus, meer op een rat dan op een mol gelijkende; daar zij aan de wangen een grooten zak hebben, worden zijSaccophorus, zakdragers, genoemd.
(19)Saccophorus mexicanus, meer op een rat dan op een mol gelijkende; daar zij aan de wangen een grooten zak hebben, worden zijSaccophorus, zakdragers, genoemd.
DE ZUIDENWIND.—DE ORKAAN.—EEN SLECHTE NACHT.—DE ONTWORTELDE BOOM.—DE SALSAPARILLE.—GRINGALET ONTDEKT EENE BRON.—BIVAK.
De voorspelling van den Encuerado scheen zich te zullen verwezenlijken. Tegen drie uur in den ochtend maakte een dof geraas ons wakker; de boomen sidderden; toen nam het geluid af en verdween, om weldra met meer geweld weer los te breken. Ik verhaastte zooveel mogelijk het gereedmaken van de koffie; de tusschenpoozende windvlagen verspreidden twee of driemaal de brandende stukken hout van den haard, waarvan de warme asch ons bijna blind maakte. Dit ongeval hadden wij te wijten aan de nabijheid der lichting, vanwaar de wind woedend en toomeloos naar ons toe kwam.
Nauwelijks was de dag aangebroken of ik voerde, ongerust over den toestand van den dampkring, mijne makkers onder de boomen. De ruw dooreen geschudde hooge toppen wierpen eene hagelbui van kleine takjes en doode bladeren op ons. Het geraas van de tegen elkander slaande takken maakte ons doof; wij liepen treurig en zwijgend voort, geen enkel insect, geen vogel bespeurende en zeer ongerust over ons middagmaal.
Tegen den middag ging de wind liggen; stroomen van warmte, die van uit den grond schenen op te komen, verstikten ons. Lucien sprak geen woord; maar in spijt van onze waarschuwingen bracht hij herhaalde malen zijne veldflesch aan de lippen, welke handelwijze zijne dorst nog slechts kon vermeerderen. Gringalet volgde ons met hangende ooren en staart stap voor stap, zonder als naargewoonte te springen. Ik geloof, dat wij op dat oogenblik de eenige wezens waren, die onder deze, in een oven veranderde schaduwen, in beweging waren.
Het ontmoeten van eenige rotsen deed ons besluiten den pas te versnellen, want wij rekenden er op, dat wij eene beek zouden ontmoeten. IJdele hoop;—de rotsen verdwenen en maakten plaats voor een doolhof van boomen. Als er wat gras geweest was, dan zouden wij zeker er toe zijn overgegaan, om onze hut op te slaan, zoozeer bemoeielijkte de droge warmte, die door den Zuidenwind werd aangevoerd, onzen marsch.
Andermaal vertoonden zich rotsen, maar zoo groot en zoo dicht tegen elkander, dat zij de nabijheid van een berg aankondigden.
»Aio, Aio Chanito! riep de Indiaan verheugd uit, vooruit, vooruit! wij komen aan den eindpaal onzer kwellingen.”
De knaap glimlachte en nam den versnelden pas achter zijn gids aan, terwijl Sumichrast zijn stappen langer maakte, zoodat hij mij vooruitkwam. Weldra kwam ik in 't gevolg mijner makkers op eene dorre vlakte, tegenover een steilen wand uit.
Na een weinig adem te hebben geschept, gaf ik als mijne meening te kennen, dat wij de vermoeidheid moesten overwinnen en den berg opklimmen; maar niemand maakte aanstalte om op te staan.
Mijn arme Lucien lag hijgende, met drogen mond, bloedende lippen en hoogrood gezicht op de steenen; hij had gedacht, dat de dagtaak voltooid was. Zoodra hij evenwel zag, dat wij weer op marsch gingen, stond hij op en volgde ons zonder eene enkele klacht te uiten. Ik wilde zijne vracht verlichten; maar hij weigerde heldhaftig en regelde zijn pas naar dien van den Encuerado. Gringalet liet zijn tong buitengewoon lang hangen en ging onophoudelijk zitten—dat was zonder twijfel zijne manier om te getuigen, dat hij gaarne een verandering in de lengte van den weg zou hebben voorgeslagen.
»Wij hebben ongelijk gehad over de schaduw te klagen, sprak Sumichrast; hier, op deze opene vlakte, is de warmte nog ondraaglijker dan onder de boomen. De zon steekt alsof hare stralen van naaldepunten voorzien waren.
—Niet drinken, Chanito, niet drinken!.. riep de Encuerado Lucien toe.
De arme jongen liet zijne veldflesch weer langs zijne zijde hangen en sloeg zulk een bedroefden blik op mij, dat ik hem in mijne armen sloot.
»Laat ons stil houden, sprak mijn vriend, terwijl hij onder een reusachtig rotsblok ging zitten, ik verklaar mij overwonnen.”
Het was eene groote verlichting voor ons, toen wij voelden dat wijzaten en van onze vracht ontlast waren; maar in plaats van ons, als naar gewoonte, te haasten om hout te sprokkelen, den haard gereed te maken en eene hut te bouwen, bleven wij onbeweeglijk zitten en zonder een woord te wisselen den horizon aanstaren. Aan onze voeten strekte zich, zoover wij zien konden, de toppen van een onmetelijk bosch uit. Wij hadden den vulkaan van Orizava achter ons gelaten; aan onze rechterhand staken de zwarte uitsnijdingen van de toppen van deCordillerastegen de roode lucht af; beneden ons vlogen eenige uruba- of raafgieren rond, de eenige levende wezens, die wij sedert den vorigen dag gezien hadden.
Het was ongeveer vier uur; een brandende wind zweepte ons gelaat en gaf hetzelfde gevoel, dat men ondervindt, als men voor een heeten oven staat, waarvan de mond plotseling geopend wordt. De Zuidenwind begon op nieuw te blazen. Weldra volgden dan ook de windstooten elkander op, en de top van het woud golfde als eene vloeibare vlakte.
Ik poogde tevergeefs te worstelen tegen de zenuwachtige neergedruktheid, die zich van mij had meester gemaakt. Met brandende oogen, gekloven lippen en een zwaar hoofd, dacht geen onzer er aan te eten; alleen de dorst maakte het ons lastig en wij moesten Lucien bewaken, ten einde hem te beletten zijne veldflesch ledig te drinken. Wij lieten hem op een stukje maïskoek knabbelen, dat hij, met evenveel moeite als wij, kon doorslikken; daarna zagen wij, achter de rots beschut, vol angst hoe de reuzen, die ons omringden, bogen en den grond met hunne dikke takken veegden.
De zon ging bleek en zonder stralen onder, en als verzonken in geelachtige wolken, die niet veel goeds voorspelden. De wind hijgde en blies bij stooten. Een oogenblik van verpoozing liet ons toe in alle haast wat kruiden bijeen te garen; daarop zagen wij, naast elkander gezeten, een somberen, droevigen nacht zonder sterren naderen. Eene betrekkelijke koelte kwam een oogenblik onze uitgeputte longen wat verlichting brengen. Lucien sliep in; Sumichrast en de Encuerado poogden zijn voorbeeld te volgen; Gringalet, die bij hen neergekropen was, scheen bevreesd te zijn om zich van ons te verwijderen. Weldra was ik nog maar alleen wakker. Welk een nacht! tegen negen uur barstten de windvlagen met een ongehoord geweld los; zonder onze steenen schuilplaats zouden wij opgenomen zijn geworden. Uit het woud rees een geraas op, gelijk aan dat der opgezweepte golven tegen het strand; de takken braken met een geluid, dat aan onophoudelijke losbrandingen deed denken, en woest voortgejaagde bladeren bedekten ons met hunne overblijfselen. Van tijd tot tijd vervulde een dof, onverklaarbaar en steedstoenemend geraas mijne ziel met schrik. Ik leende vol angst met ingehouden adem het oor; het geraas scheen vol ongekende gevaren te naderen; daarna hoorde men eensklaps een scheuren, dat alle andere geluiden overheerschte, gevolgd door schokken en een gekraak, dat door de echo's werd weerkaatst; het was een eeuwenoude boom die, door den orkaan overwonnen, neerviel. Dan weer zou men gezegd hebben, dat eene menigte menschen in die duisternis, waar het oog niet kon doorboren, met elkander worstelden; men hoorde de wanluidende kreeten vanhetgevecht, de klagende stem der gewonden; dan deed een verschrikkelijke schok de aarde beven en overstemde dien onmetelijken doodskreet.
Toen, ik beken het, betreurde ik het bitterlijk, dat ik Lucien had meêgenomen: ik herinnerde mij dat men mij de gevaren, waarmede de toorn der natuur ons nu bedreigde, had voorspeld. Bij het hooren van die onheilspellende geluiden van den storm, in die duisternis, die op zich zelf reeds een gevaar was, gevoelde ik dat mijn voornemen begon te wankelen, en ik dacht er ernstig aan den volgenden dag den terugweg naar Orizava in te slaan.
Tegen middernacht bedaarde de storm een weinig en gaf ik aan de vermoeidheid toe.
Maar nauwelijks had ik de oogen gesloten, of ik sprong plotseling op, verbijsterd alsof honderd donderslagen te gelijk weerklonken. De duisternis bleef altijd even diep, de wind was nog toegenomen en nauwelijks zweeg de echo van een neergevallen boom of een andere woudreus waggelde, om op zijne beurt neer te storten. Mijn makkers waren allen wakker geworden.
—Wat is dat, mijnheer Sumichrast? vroeg Lucien heel zachtjes.
—Een orkaan, mijn vriend.
—Men zou zeggen, dat een reus al schreeuwende en fluitende en op zijn doortocht alle boomen brekende, door het woud rent.
—Als het dat nog maar was! antwoordde Sumichrast, maar 't is erger, 't is de zuidenwind, de sirocco van de Mexicaansche kusten.
—Zou hij ons meesleuren?
—Ik hoop van neen, dank zij de rots, die ons beschut.
Een boom stortte in onze nabijheid om, en zijn val overdekte ons met stof. Tegen elkander aangedrukt, ondervonden wij telkens een nieuwen schrik. Wij durfden elkander onze indrukken niet mededeelen, uit vrees van onzen kleinen makker, die zich tegen mij aandrukte nog meer te beangstigen. Te midden van deze algemeeneverwoestingzou een tak, door een windvlaag meegevoerd, voldoende geweest zijn om ons als zandkorreltjes weg te vegen. Ik was vanmeerdan een orkaan getuige geweest, maar die, van dezen afgrijselijken nacht, overtrof alles wat men zich kan voorstellen.
Eindelijk brak de dag aan; de zon kwam als bestoven op en verlichtte de onheilen van dezen verschrikkelijken nacht. Overal lagen gebroken, ontwortelde en half aan de slingerplanten, die in de takken verward waren, hangende boomen, op den grond of slingerden heen en weer, even als die reusachtige krijgstuigen, welke de oudenstormrammennoemden. Lucien bleef sprakeloos voor het schouwspel, dat zich aan zijne blikken vertoonde. Een gekraak weerklonk; een waggelende woudreus helde langzaam over, beschreef een snellen boog en verbrijzelde zijne takken tegen den grond: tien seconden hadden het werk van eeuwen vernietigd.
De Encuerado wilde een pas of tien buiten de rots doen, maar door een windvlaag overvallen, had hij nog slechts den tijd om zich op den grond te werpen. Er moest een besluit genomen worden; er viel niet aan te denken om vuur aan te maken en toch gevoelden wij, na het vasten van den vorigen dag en na een slapeloozen nacht, de behoefte aan een versterkenden drank. Onmerkbaar werden de windvlagen minder veelvuldig, maar zonder nog iets in kracht te verliezen. Eene diepe stilte volgde bij wijlen op de duizend geluiden van den storm, de bladeren bleven onbeweeglijk, men zou hebben kunnen meenen, dat de orkaan bedaard was. Plotseling kwam het verschrikkelijk geraas op nieuw op, een onzichtbare ademtocht ging voorbij en overdekte de aarde andermaal met verbrijzelde takken.
Wij begonnen een weinig stoutmoediger te worden, toen een verschrikkelijk gekraak zich plotseling boven onze hoofden deed hooren; een reusachtige pijnboom, die honderd voet boven ons op den berg stond, waggelde, stortte neer en rolde met een vreeselijk geraas de helling af. De Encuerado had, snel als de bliksem, Lucien beetgenomen en ging met hem langs de rots op den grond liggen; ik had nauwelijks den tijd om hem na te volgen. De terneergeworpen reus daalde met snelle sprongen naar beneden, alles wat hij op zijn doortocht ontmoette verbrijzelende en rotsstukken achter zich meesleepende. Hij stiet tegen onze schuilplaats, die een dof geluid gaf maar toch den schok weerstond, overschreed met een grooten sprong den hinderpaal en rolde den berg af, waarvan wij slechts halverwege waren, terwijl een stortvloed van steenen ons dreigde te verpletteren.
Ik stond geheel ontdaan op. Het gevaar was zeer ernstig geweest. Het reusachtige blok, waaraan wij ons behoud te danken hadden, was verscheidene strepen voortgeschoven. Als dit geval in den nacht ware gebeurd, zou de angst ons onze schuilplaats hebben doen verlatenen dan waren wij verloren geweest. Ik dankte eerst God en toen den Encuerado, die, het dichtst bij Lucien zijnde, zich gehaast had dezen met zijn lichaam te beschermen. De knaap viel hem om den hals.
»Ik zal aan Mama vertellen, dat gij mij het leven hebt gered,” riep hij uit, hem omhelzende.
De Encuerado wilde antwoorden; maar ontroerd door de liefkoozingen van zijn lieveling, kon hij hem slechts in zijne armen drukken, terwijl twee tranen langs zijne wangen rolden.
»Uwe Heerschap is wel goed zich zooveel moeite te geven om ons hare kracht te laten zien,” zeide de Indiaan, den wind toesprekende om zijne ontroering te verbergen; »wat een fraai mirakel om een pijnboom te ontwortelen, die bijna van ouderdom gestorven was en hem langs de helling van een berg af te rollen! Ik zou met mijn machete evenveel kunnen doen, als ik er lust toe had. Ja, blaas maar, blaas maar, en gooi ons nog maar eens een boom op den rug, opdat wij wel verzekerd zouden zijn dat de Booze uw meester is.”
Niettegenstaande al den ernst van het oogenblik, was Gringalet de eenige, die dit gesprek zonder glimlachen aanhoorde; hij wreef zelfs met zijn neus tegen het been van den redenaar, als om zijne instemming met diens redevoering te betoonen.
De orkaan bedaarde; maar hij kon tegen den avond weer in kracht verdubbelen; het verstand raadde ons derhalve aan van de kalmte gebruik te maken, om ons te verwijderen. De Encuerado nam zijne mars op en goed rondziende, ging hij ons op den berg voor. Ik hield Lucien bij de hand; want het stond te vreezen, dat een waggelende boom plotseling weer zou neerstorten en onzen weg schoonvegen. De warmte, die ons bij voortduring lastig viel, maakte onzen marsch zeer moeielijk. De lippen van onzen kleinen reisgezel waren geheel en al gebarsten; hij kon met moeite spreken. De dorst kwelde ons; men moest haar evenwel verduren, en het weinigje water, wat in onze veldflesschen was, besparen. Wij bereikten de plaats, waar, een uur te voren, de boom had gestaan, die ons met den ondergang had bedreigd. Een onmetelijk, gapend gat, liet ons de afgescheurde wortels van den reus zien; de aarde was reeds opgedroogd. Weldra was de helling weer met hout begroeid. Wij kwamen met veel moeite, uitgeput, hijgende en uitgehongerd vooruit, want sedert den vorigen dag hadden wij niets dan maïskoeken gegeten. Onze roode en opgezwollen oogen maakten ons onkenbaar.
—Vader, ik ben erg vermoeid, sprak Lucien zacht.
—Wij ook, lieve jongen; maar moed gehouden, laat ons nog wat doorloopen, ons leven is er meê gemoeid.
—Ik heb dorst, vader, en het water in mijne veldflesch is lauw.
—'t Is beter dat gij niet drinkt; want twee of drie teugen water gedurende het loopen genomen, maken de huiduitwasemingen gemakkelijker en vermeerderen de dorst, in plaats van haar te stillen.
De kleine jongen zuchtte en zocht eene toevlucht bij zijn vriend, die hem aanraadde op een keisteentje te zuigen, een middeltje om de dorst te bedriegen, door de speekselafscheiding op te wekken.
Niettegenstaande al onze inspanningen, kwamen wij slechts weinig vooruit en een overvloedig zweet putte ons nog meer uit. Gelukkig toonde alles het einde van den storm aan. De Encuerado ging vooruit, zigzaglijnen beschrijvende, als iemand die eene gedachte in 't hoofd heeft en met den neus in den wind naar iets snuffelt. Ik zag hem zich eensklaps van zijne vracht ontdoen, onder het struikgewas verdwijnen en weldra terugkomen, de handen vol met eene soort van moerbeziën, de vruchten van de salsaparillaplant, welker zuurachtige smaak Lucien weer wat opfrischte. De gangen van den Encuerado waren alzoo opgehelderd. Wij volgden den Indiaan. Hij had een boschje van deze struiken gezien, maar ons, uit vrees voor teleurstelling, eerst zijne ontdekking verborgen. Ik kan onmogelijk zeggen, hoeveel genoegen ons deze, zoo onverwacht gevonden bessen, deden. De struik, die kruipende en doornachtige stengels had, groeide in overvloed op de steile helling. Daar Gringalet geen deel kon nemen aan onze smulpartij, gaf Sumichrast hem een kalebas met water, dat hij gretig opslurpte.
Wij hervatten, dank zij deze zoo ter goeder uur gevonden wijnachtige bessen, met meer moed onzen marsch. De Encuerado vulde zijne muts met de gevonden vruchten, en liep moedig blootshoofds vooruit. Een half uur klimmens voerde ons buiten het woud. Ik bemerkte dat Gringalet verdwenen was; ik riep hem herhaalde malen en nu kwam hij met opgeheven staart en vochtigen snuit van onder een boschje struikgewas te voorschijn. Sumichrast ging op ontdekking uit en riep ons met vroolijke stem toe:
»Eene bron!”
Men liep, wie er het eerst komen zou. Onder een dicht boschje van Salsaparille ving onze reisgezel in zijne naast elkander geplaatste handen een dun straaltje helder water op, dat tusschen twee rotsen doorsijpelde. Hij begoot met welgevallen zijn gelaat en armen; ieder onzer volgde deze heilzame wasschingen na. Ik spoorde vervolgens tot het vertrek aan; de onheilspellende geluiden van den orkaan gonsden nog in mijne ooren, en er bevond zich in onze nabijheid geene enkele schuilplaats. Na onze veldflesschen gevuld te hebben, hervatten wij onze opstijging, opgebeurd door de gesprekkenvan den Encuerado, die Gringalet met zijne vondst gelukwenschte en hem eene heele reeks lekkere maaltijden beloofde.
Lucien had een weinig van zijne opgeruimdheid teruggekregen; hij zocht beziën of plukte de geelachtige bloemen van de Salsaparille en onderzocht de plant, waarvan hij de vezelachtige wortels kende, die de Indianen op de markten verkochten.
Het uur, waarop wij vreesden dat de windvlagen weer met verdubbeld geweld zouden losbreken, naderde, het werd dus zaak naar eene schuilplaats uit te zien. De mossen en vlechten bedekten de rotsen met een veelkleurig kleed en naar gelang wij hooger kwamen, verlichtte een frisschere lucht onze longen. Ten slotte eindigde onze klimmerij op eene bergvlakte, waar hier en daar een korte, door den wind en de stormen gebogen boom groeide. Tegenover ons, maar ver genoeg om er niets van te vreezen te hebben, verhieven zich nieuwe toppen. Er bleef ons nu nog slechts over om eene plaats voor het bivak te vinden.
Sumichrast bleef bij drie reusachtige steenen staan, die zoodanig geplaatst waren, dat zij tusschen elkander eene ruimte overlieten, groot genoeg om er als in eene vesting te kampeeren. Daar konden wij de windvlagen trotseeren; maar de toestand van den dampkring liet ons hopen, dat wij niets meer van den orkaan te vreezen hadden. Wij gingen er allen op uit om brandstof te zoeken en weldra verheugde een groot vuur ons door zijn schijnsel, maar herinnerde ons tevens, dat wij niets te braden hadden.
De zon zond ons, bij haar ondergaan, de schitterende lichtbundels harer laatste stralen toe. De hemel was blauw, de lucht frisch—ik had mijn denkbeeld om terug te keeren laten varen.—De nacht brak aan en een fijne regen zuiverde den dampkring en de vochtige grond wasemde gezonde geuren uit. Door de vermoeidheid overmand en in onze dekens gewikkeld, vielen wij weldra in een diepen slaap.
HET KONIJN.—DE WILDE AARDAPPELEN.—EEN MOEIELIJKE WEG.—EEN KRATER.—DE IJZEL.—DE STROOM.—HET JONGE REE.—DE CICADEN.—DE WATERJUFFERS.
Toen ik den volgenden morgen de oogen opende, schitterde de zon aan een azuren hemel. Ik wakkerde het vuur wat aan en verwijderde mij, het geweer op den schouder, om een of ander stuk wild te schieten, ten einde mijne makkers bij het ontwaken te verrassen. Ik marcheerde sedert ongeveer een kwartier in de heidestruiken, die mij aan het geboorteland herinnerden, toen een te veel vertrouwend konijn onder het bereik van mijn geweer kwam huppelen.
Bij mijn terugkeer werd ik als een zegevierend veldheer begroet. Ik vond allen op en om den haard vergaderd. Iedereen was vlug en wel te moede. De verschrikkelijke beproevingen van den vorigen dag schenen vergeten te zijn. Lucien had, niettegenstaande zijne gebarstene lippen, al zijne opgeruimdheid teruggekregen. De Encuerado maakte zich van het konijn meester, dat in een oogwenk gestroopt was en op de gloeiende kolen lag.
»Welnu, wat zegt ge wel van de orkanen?” vroeg Sumichrast aan Lucien, die toezag hoe hij zijn geweer schoonmaakte.
—Ik had nooit gedacht dat de wind, die onzichtbaar is, zulke groote boomen kon ontwortelen en meesleuren, als die, welke over ons heen gesprongen is.
—Waart gij erg bang?
—Een weinig, maar gij ook; want gij waart bleek.
—Dat komt omdat het gevaar nog veel grooter was dan gij wel gedacht hebt. De ontwortelde boom, die, zooals gij het uitdruktet,over ons heen is gesprongen, had in zijn ongelijke sprongen op den voet van den rots kunnen neervallen, die omverwerpen en ons verpletteren.
—Is de wind dan sterker in de bosschen dan in de steden?
—Neen, want de windvlagen van gisteren zullen zeker geheele dorpen vernield hebben. 't Was een van die tropische orkanen die, gelukkig, slechts met zeer groote tusschenpoozen losbarsten. Meer dan een Indiaan is nu aan 't werk om zijne verwoeste hut weer op te richten. Lucien, geheel nadenkend geworden, was aan den voet van een boom gaan zitten en toen ik langs hem ging, zag ik dat hij tranen in de oogen had.
»Wat scheelt er toch aan?” riep ik uit.
—Ik denk aan Mama en mijne broertjes; mijnheer Sumichrast zegt dat de storm geheele dorpen moet vernield hebben; wat zal er van hen geworden zijn?
—Stel u gerust, mijn jongen. Steenen muren bieden, Goddank, weerstand aan den wind. Overigens zal men dezen orkaan niet in Orizava gevoeld hebben. In elk geval zou Mama eer over ons bezorgd moeten zijn; want zij weet dat wij midden in het woud moeten zijn.”
Ik omhelsde mijn kleinen Lucien en stelde hem zoo goed mogelijk gerust, daarin geholpen door den Encuerado, die hem meenam om op het gebraad te passen.
Detochtliof het Mexicaansche konijn, welks beeld in den kalender der Asteken het eerste jaar van eene eeuw verbeeldde, verschilt, naar ik meen, van onze Europeesche soorten, ofschoon het ten naastebij hetzelfde haar en dezelfde gewoonten heeft.
»Herkent gij de familie van het dier, dat voor ons ontbijt zal dienen?” vroeg Sumichrast zijn leerling.
—Ja, 't is een knaagdier.
—Bravo! maar waaraan herkent gij dat?
—Aan zijne kaak, die geen hoektanden heeft en aan zijne groote snijtanden en aan zijne achterpooten, die grooter dan de voorpooten zijn.
—Komaan, gij hebt een goed geheugen. Gij dient nog te weten dat het konijn, die naaste verwante van de haas, in Europa beschouwd wordt als uit Afrika afkomstig te zijn. De Asteken offerden eertijds groote hoeveelheden van deze dieren aan de godin Centeutl, de Céres der Mexicaansche godenleer, en de edelen droegen mantels uit konijnenhaar, met katoen vermengd, geweven. Hazenvleesch willen de Indianen over het algemeen niet eten, voorgevende dat de haas zich met lijken voedt, van welke dwaling men nog niet geslaagd is hen te genezen.
Wij deden eer aan ons wild als gasten, die zich weten schadeloos te stellen voor een gedwongen vasten; daarna zette de karavaan zich zonder dralen weer in beweging. Op de overvloedige en dichte Salsaparillestruiken volgden gedrongene heesters. Hoe meer wij evenwel den berg naderden, des te krachtiger vertoonde zich ook de plantengroei; de punten der rotsen staken niet meer van alle kanten boven de teelaarde uit. Hier en daar vlogentangarasmet zwarten rug, gelen buik en violetblauwe keel, en een aantal andere veelkleurige vogels, allen tot de talrijke familie der vinkvogels behoorende, rond. Wij waren op 't punt de helling op te gaan, toen de Encuerado, aan wiens scherp oog niets ontsnapte, uitriep:
»Aardappelen!”
Lucien liep op den Indiaan toe, wiens machete reeds den grond om eene kleine, kruidachtige plant met ovale bladeren, die overdekt waren met groene, weeke bessen, omwoelde. Weldra kwamen kleine, gerimpelde knollen, welke onze vingers zonder veel moeite fijn drukten, te voorschijn. Er vertoonden zich verscheidene struiken van de kostbare vrucht, die Europa aan Amerika te danken heeft, en de Encuerado beloofde aan Gringalet de weelde van een schotel gebraden aardappelen.
Onze afdaling voerde ons weldra te midden van rotsen, die aan den chaos herinnerden. Onophoudelijk dwong eene hindernis ons te springen, te glijden, een langen omweg te maken, ten einde verder te kunnen gaan. Overigens werd de temperatuur frisscher waardoor de marsch minder moeielijk werd gemaakt. Geen boomen, geen struiken, geen heesters meer; hier en daar een weinig gras of eene zwakke plant, die, van uit de holte van eene rots gele bloemen naar de zon uitstrekte en waarvan de wind de bladeren meevoerde.
De wisselvalligheid van onzen weg voerde ons nogmaals op het bergvlak. Alle kammen, die wij bespeurden, waren kaal; eene diepe stilte heerschte om ons. Ik bleef staan om adem te halen.
Het tooneel, dat wij voor ons hadden, trof door zijne strenge grootheid. Sumichrast dacht aan de bergen van Zwitserland, die hij zoo dikwijls doorkruist had, plukte bloemen af, die hem vreemd schenen aan de keerkringen en zocht zich hare namen te herinneren. Twee vlinders vlogen spelende over ons heen.
»Dat is eene soort van de Alpen!” riep mijn vriend uit. Het terrein liet hem niet toe de wispelturige insecten lang te vervolgen; hij bleef een oogenblik over den met scherpe punten bezaaiden afgrond gebukt, en volgde met het oog de gevleugelde bloemen, die hem een vluchtig beeld van het vaderland hadden gebracht. Een doolhof van rotsen voerde ons voor een bijna loodrechten muur,van meer dan tweehonderd voet hoogte. Deze onverwachte hinderpaal sloeg ons uit het veld. Langs welken kant nu een doortocht te zoeken? Het onderzoek van het terrein deed ons besluiten links af te slaan; deze richting scheen ons de meest zekere. Van tijd tot tijd werd de muur wat lager; wij beproefden evenwel tevergeefs hem over te klimmen, door ons aan de uitstekende punten vast te klemmen. Eene gelukkiger poging bracht ons bijna, maar niet zonder moeite, aan het doel, soms hing de rots over, dan klom ik op de schouders van Sumichrast en als ik er in slaagde een platform te bereiken, heesch ik Lucien aan den riem op, daarna Gringalet, die zich gaarne tot deze handeling leende en vervolgens Sumichrast en den Encuerado.
Eindelijk was men de verschrikkelijke hinderpaal te boven; aan den anderen kant was de grond bezaaid met vulkanische steenen.
Wij liepen, ofschoon het reeds vier uur was, maar altijd door, in de hoop een boom of struik te ontmoeten, aan welks voet wij ons bivak zouden kunnen opslaan. De Encuerado zette een oogenblik zijne mars neer, om eene rots, in den vorm van eene naald te beklimmen, en waarvan de zonderlinge stand aan den beroemden scheeven toren van Pisa herinnerde. Op den top gekomen, riep de Indiaan onstoe dat hij een groep boomen bespeurde. De koude begon ons lastig te vallen; wij moesten hout hebben om een haard te kunnen oprichten en vonden dus den moed om nog verder te marcheeren. De afgelegde afstand was niet zeer groot; maar de hellingen, de omwegen, de klimming hadden ons vermoeid. Allengs werden de rotsen zeldzamer en minder opeengedrongen; eene uitgestrekte vlakte, een weinig in den vorm van trechter uitgehold, hier en daar met kleine heesters begroeid, vertoonde zich onverwacht aan onze blikken. Op den achtergrond zagen wij een dichte groep pijnboomen en eene glinsterende oppervlakte, die een meer bleek te zijn; eene heerlijke oase, in dit sombere landschap verborgen.
Het werd hoog tijd dat wij onder dak kwamen, want wij klappertandden van de koude. Op een boom geklommen hakte de Encuerado de noodige bouwstoffen voor het oprichten der hut af, terwijl Lucien van de heesters alle doode takken brak, in welken arbeid ik hem spoedig hielp. De ondergaande zonverrasteons, toen wij juist met ons werk gereed waren. Het water van het meer nam eene zwarte kleur aan, de bergkammen naar den kant van het Westen, teekenden op de lucht zonderlinge uitsnijdingen af en de wind deed uit de denneboomen een plechtigen en ernstigen lofzang opstijgen, aan welke bijzonderheid deze soort ongetwijfeld den naam vanpinus religiosus(heilige denneboom) te danken heeft. Naarmate de zonnestralenverdwenen en de duisternis den hemel bedekte, werd ook de stilte dieper. Eensklaps verdwenen de laatste lichtschemeringen; de duisternis liet ons ter prooi aan eene dier aandoeningen, welke alleen zij kunnen begrijpen, die zich in de tegenwoordigheid van de groote natuurtooneelen hebben bevonden.
Lucien ondervond, zonder het te weten, de dubbele majesteit van de duisternis en de eenzaamheid; hij bleef stilzwijgen, en liet zijn blik van den hemel tot de aarde dwalen. De sterren kwamen schitterend en in ontelbare menigte op, en weerkaatsten zich op de onbeweeglijke vlakte van het meer. Eensklaps scheen een lichtstraal over het water te zweven, barstte toen als een vuurpijl uiteen en verbreedde zich tot lichtbundels; het was de glans van onzen haard, dien de Encuerado had aangestoken.
Eene levendige en bijtende koude had zich van ons meester gemaakt; onze dekens waren niet meer voldoende om ons tegen den wind te beschutten. Gelukkig hadden wij eene voldoende hoeveelheid brandstof verzameld, om het bivakvuur den ganschen nacht te kunnen onderhouden. Onze maaltijd was zuinig, maar vroolijk. Gringalet, Lucien en de Encuerado kropen de een na den ander onder de dennenbladeren; Sumichrast volgde weldra hun voorbeeld; ik bleef alleen op, daar ik geen de minste neiging gevoelde om te slapen.
Welk eene tegenstelling! Den vorigen dag, op hetzelfde uur, werden wij verdoofd door den ontketenden wind; het woud zond aan de echo's vreeselijke geluiden toe; wij, arme atomen, onder een waggelenden steen beschut, ademden hijgende eene brandende lucht in. Nauwelijks waren vierentwintig uren verloopen of onze schreden hadden ons op een granietgrond gevoerd, waar de koude ons hinderde; nu was het niet meer het geraas, maar de stilte, die in mijne ziel de droomerijen der eenzaamheid opwekte.
De morgenstond vond ons op, verstijfd van koude en nauwelijks in staat om de lippen te bewegen. De Encuerado wakkerde het vuur van den haard wat op, ten einde ons spoedig de koffie gereed te maken. Eene eerste lichtschemering werd zichtbaar; de grond, met een lijkkleed van ijzel bedekt, glinsterde. Lucien, die dit verschijnsel voor de eerste maal zag, kon het niet genoeg bewonderen. Sumichrast verklaarde hem dat de dauwdroppelen, die in de warme streken elken morgen op het gras schitteren, op deze hoogte bevriezen en die doorschijnende naalden vormden, welke de lichtbreking wit doet schijnen.
De stralen der zon verwarmden ons niet, ik bespoedigde dan ook de toebereidselen tot het vertrek. Na den oever van het meer langs te zijn gegaan, begaf de kleine karavaan zich opnieuw tusschen derotsen. De top, dien zij overtrok was, daar viel niet aan te twijfelen, de krater van een uitgebranden vulkaan. Ik wierp een laatsten blik op de onmetelijke, door bergkammen omgeven baai, alvorens tusschen de reusachtige steenen, die eertijds door den vulkaanwaren uitgebraakteen nieuwen tocht te beginnen, die even moeilijk zou zijn als die van den vorigen dag. Meer dan eens gebeurde het, dat wij blind liepen en ontmoedigd gingen zitten.
Ik onderzocht een laatste maal den horizon; onze voeten betraden den hoogsten top van de Cordilleras; voor ons, en zoover het oog reikte, verhieven zich met hout begroeide bergpieken, waarvan de hoogte trapsgewijze verminderde. Eindelijk zouden wij dan weer de tropische natuur terugvinden en langzamerhand de vlakken en bosschen van het warme Land bereiken. De weg scheen recht en gemakkelijk te zijn; maar hoeveel valleien moesten doorgetrokken, hoeveel hinderpalen nog niet overwonnen worden eer wij de verwachte grens bereikten!
De afdaling geschiedde langs een reuzentrap, waarvan elke trede zeven tot acht voet hoogte kan gehad hebben. Lucien en Gringalet maakten meermalen aan den riem hangende, de reis; maar wij kwamen zonder ongeval alle hinderpalen te boven. Ik kan niet zeggen met hoeveel genoegen ik de pijnboomen terugzag. Wij zochten tevergeefs om ons naar de sporen van den orkaan, deze zijde van den berg was van den geesel bevrijd gebleven.
De helling werd zacht, onze marsch sneller en weldra vertoonden zich enkele eiken. Een onbestemd geluid deed ons luisteren, en de Encuerado, die meer gewoon was dan wij, om op een afstand over de geluiden te oordeelen, kondigde ons een bergstroom aan. Eekhoorns brachten de takken langs onzen weg in beweging, de pepereters schenen ons uit te dagen, maar wij wilden het water bereiken. Weldra omringden ons eike- en berkeboomen, daarna wolboomen enahuehuetes. Het terrein werd vlakker en na minder dan een half uur bracht de Encuerado ons op den rand van eene onmetelijke bergkloof, waarin een woelig water bruischte. De steile oever werd spoedig zachter en het bivak opgeslagen. Terwijl wij takken afkapten legde Sumichrast een vinger op zijn mond en greep zijn geweer. Een licht geraas deed zich onder de struiken hooren en onze reismakker verdween.
Wij luisterden met ingehouden adem, toen de schreeuw van den uil weerklonk: dat was een roepkreet en de Encuerado gleed op zijne beurt onder de struiken.
»Waarom heeft mijnheer Sumichrast den Encuerado geroepen?” vroeg Lucien mij zachtjes.
—Zonder twijfel omdat hij een wildspoor ontdekt heeft.
Nauwelijks had ik mijn volzin geëindigd, of een geritsel van droge bladeren trok mijne aandacht. Een blauwe vos ging met hangenden staart en vurigen blik langs mij heen. Ik schoot, doch zonder het dier te raken, dat zich onder de boomen verloor, door Gringalet vervolgd. Bijna op hetzelfde oogenblik kondigde eene losbranding mij aan, dat de Encuerado geschoten had.
Lucien was zeer ontstemd, dat ik den vos gemist had; ik, voor mij, betreurde het, dat ik een lading kruit had vermorst en misschien op onhandige wijze het wild op de vlucht had gedreven, dat mijne makkers vervolgden. Ik zette daarop mijn arbeid van houtkappen voort, en beval Lucien vuur te slaan en den haard aan te steken. Dank zij de lessen van den Encuerado, kweet hij er zich behendiger van dan ik verwacht had.
Een roepkreet van Sumichrast, waarop Lucien antwoordde, bracht den teleurgestelden jager weer bij ons.
»Op welk dier hebt gij geschoten?” riep hij mij toe.
—Op een vos, dien ik gemist heb; waart gij soms bezig hem te vervolgen?
—Neen; ik had eene ree en haar jong gezien, maar ik kon er niet bijkomen.
—En de Encuerado?
—Die zal wel een vogel geschoten hebben, om niet met leege handen terug te komen.
—Chanito, hioe! hioe! Chanito!
—Ohe, ohe! antwoordde de knaap.
Weldra kwam de Encuerado terug, een jonge ree op zijne schouders dragende.
»Wat een lief diertje!” riep Lucien uit, »waarom hebt gij het niet levend gevangen?”
—Omdat alleen een kogel even hard kan loopen, Chanito.
—En de moeder? vroeg Sumichrast.
—Daar heb ik niet bij kunnen komen; wij hebben daar trouwens ook meer vleesch dan wij voor vandaag en morgen noodig hebben.
Lucien was het jonge hert genaderd; het was altijd een zijner wenschen geweest om een dezer dieren levend te bezitten. Hij bezag de fijne beenen en den spitsen snuit van het arme dier, welks met gelijkmatige witte vlekken bezaaide bruingele rug met den leeftijd van kleur verandert.
»Laat eens hooren, meester Zonnestraal, waaronder zoudt gij dat zoogdier rangschikken?” vroeg Sumichrast aan Lucien.
—Het gelijkt op geen van al die soorten, welke ik ken.
—Kom, kom! En de geiten, de koeien en de schapen dan. 't Is een herkauwer, een dier dat drie of vier magen heeft. De onderkaak bezit acht snijtanden, terwijl de bovenkaak alleen voorzien is van een soort kussentjes of eeltplaten.
—Dat is waar, zeide Lucien, na den bek van het jonge ree geopend te hebben.
—Alle herkauwers slikken eerst hun voedsel door, dat in een eerste maag komt; daarna brengen zij het weer in den mond terug om het opnieuw te kauwen; dat noemt menherkauwen. Gij hebt zeker meer dan eens eene koe of een schaap onbeweeglijk en voortdurend kauwende in de zon zien liggen.
—Ja wel,antwoorddeLucien, en de Encuerado heeft mij altijd verzekerd, dat zij dan bitter gras hadden gegeten.
—Zijne verklaring heeft evenveel waarde als die van de Mexicanen, die zeggen dat een dier, dat herkauwt, de krant leest. Wat deze orde van dieren nog kenmerkt, zijn hun gespleten hoeven.
—En dat zij horens hebben!
—Niet allen; de kameel, het lama en de steenbok bijvoorbeeld, hebben er geene.”
Nu moest men nog beslissen hoe onze ree gereedgemaakt zou worden. Na eene kleine beraadslaging werd besloten vrij spel aan den Encuerado te laten, waarna ik onder in de bergkloof afdaalde. Na de steenen en schorsen te hebben opgelicht, ontdekte ik verschillende soorten loopkevers. Lucien ving op een struik eenige insekten van zonderlinge vormen; Sumichrast herkende daarin bij den eersten oogopslagtettigonna'sof walsvormige cicaden.
—Dat zijnhemipterenof halfvleugelige insecten, zeide hij, en derhalve verwanten van de wantsen en krekels; deze insecten hebben noch boven-, noch onderkaken; hun mond wordt gevormd door een geleden zuigbek, die langs de borst wordt gelegd en dien gij duidelijk kunt zien. Het geslacht der cicaden is vrij talrijk en de twee soorten, die gij gevonden hebt, zijn aan Mexico eigen.
—Hier is er een, die op eene kip gelijkt en een andere, die den vorm van een bootje heeft.
—Gij hebt gelijk en ge zult er nog wel met veel zonderlinger vormen ontmoeten.
Terwijl hij de diertjes, welker uiterlijk hem zoo boeide, op de hand liet loopen, zag Lucien ze eensklaps opspringen en verdwijnen; hij wilde naar de heesters, waarop hij ze gevangen had, terugkeeren, toen zijne aandacht afgetrokken werd door een zeer groote waterjuffer, die men in Mexico gewoonlijkDuivelspaardenen in Frankrijkjuffers(20)noemt. Na eenig rondvliegen ging het fraaie insect op eene plant zitten en viel weldra onder het net van den jongen jager. De gevangene had groenachtige oogen, een geel lichaam en zwart en rood geteekende vleugels. Het boog zijn spitsen buik naar binnen, alsof het de hand, die het gevangen hield, wilde steken en bewoog zijne vleugels met een metaalachtig geluid. Uit den bek hing een half verslonden muskiet en ofschoon zelf gehavend, vervolgde het zijn maaltijd, tot groote verbazing van mijn zoon, die niet dacht, de gewoonten van den tijger terug te vinden bij een insect van zulken sierlijken vorm en oogenschijnlijk zoo onschadelijk.
»Dat is een huidvleugelige of adervleugelige ofneuroptere, aldus genoemd naar de netvormige aderen, die gij op de vleugels, ten getale van vier, kunt zien. Dit insect leeft eerst, in de gedaante van larve, in het water; in dien toestand—waarin het een jaar verblijft—gelijkt het op wat gij in de hand hebt, alleen zijn de vleugels slechts door knopjes aangeduid, die bij elke huidverwisseling groeien en langer worden. Die knopjes dienen als 't ware tot koker voor de fraaie gazen vleugels, die de neuropteren en vooral de waterjuffers kenmerken.
—Hoe, leven de waterjuffers eerst in 't water, evenals de visschen?
—Ja, en zij toonen zich daar niet minder vraatzuchtig dan het volkomen insect. De larve wordt pop en verslindt met gulzigheid hagedissen en kleine visschen; na korter of langer tijd, al naar de soorten, komt zij uit het water, door langs een rietstengel op te klimmen en blijft daar een tijdlang onbeweeglijk aan de zonnestralen blootgesteld; eensklaps springt de huid, die den kop bedekt, open en de met zwart, blauw of groen gekleurde waterjuffer neemt haar vlucht, en stort zich op de eerste vlieg of den eersten vlinder, dien zij ontmoet.”
De kreet van den Encuerado onderbrak mijne les. Dat was de etensklok.
(20)In ons land noemt men ze glazenmakers en waterjuffers.
(20)In ons land noemt men ze glazenmakers en waterjuffers.
EENE BLAUWE HAGEDIS.—DE INDIAANSCHE PEREBOOMEN.—DE BOOZE VROUW.—NEST GELE SLANGEN.—EEN PLANTAARDIGE HELM.—DE IJSVOGEL.—DE TROEPIALEN.—JACHT OP DRAAIKEVERS.—DE KIKVORSCHENLARVE.—EENE VERZAMELING WANTSEN.
Op de onveranderlijke rijstsoep der groote dagen volgden de op den vuurgloed gebraden reebouten, omgeven door aardappelen. De kostelijke knolvrucht, in den wilden staat verzameld, herinnert slechts in de verte aan den smaak van den gekweekten aardappel. In plaats van meelachtig is zij week, doorschijnend en bijna zonder smaak. Dit nam evenwel niet weg, dat wij er in smulden en alle eer bewezen aan het wildbraad, dat de Encuerado goed met piment had ingewreven om den geur er van te vermeerderen.
Terwijl wij eene sigaar rookten, die Sumichrast, naar gelang de omstandigheden, de rust-, raad-, of spijsverteringspijp noemde, keerde Lucien naar den struik terug, waarop hij de cicaden had gevonden, deed er een grooten voorraad van op en vond nog eene derde soort, die de gedaante van een triangel had met twee aan de basis zittende hoorns. Hij liep naar ons toe om ons deze miniatuurstieren te laten zien en poogde daarop, met een langen stok als hefboom gewapend, een grooten met mos overdekten boomstronk op te heffen. Hij slaagde er niet zonder veel moeite in, en zag toen tusschen den wortel verborgen, een fraaie hagedis met groenachtigen rug en azuurblauwe keel en zijden, welke verscheidenheid ons nog onbekend was. Het diertje, waarschijnlijk door het licht verblind, lietzich pakken, boog daarop den kop omlaag en beet den knaap in den vinger, die haar toen liet vallen. De Encuerado pakte de vluchteling evenwel weer beet.
»Weet gij niet, dat de hagedissen geen kwaad doen?vroeg Sumichrast aan Lucien.
—Daarom bijten ze dan zeker, hernam de knaap, zijne hand schuddende.
—Ja, antwoordde de natuurkundige, maar stel u gerust, hare beet is nooit vergiftig.
De nacht kwam. Eene menigte insecten begonnen om het vuur te dwarrelen en verbrandden zich de vleugels alsof het niets ware. Sumichrast verzamelde op deze wijze verschillende nachtvlinders. Lucien wilde de oorzaak kennen, die zooveel arme beestjes tot de vlam aantrok. Twee of drie groote kevers kwamen, in plaats van zooals de andere insecten om het vuur heen te vliegen, met groot geraas aansnorren en wierpen zich op de gloeiende kolen.
—Zie eens waartoe de onbezonnenheid voert, sprak Sumichrast. Als wij van af ons vertrek maar voort waren geloopen, zonder voor onze voeten te zien, zouden wij lang op den bodem van een afgrond liggen.
—Maar de kevers en vlinders vliegen uit vrije verkiezing in de vlam, antwoordde de Encuerado op zijn onverstoorbaren redeneertrant.
—Maar zij weten niet dat zij brandt, hernam ik.
—Dat is waar, mompelde de Indiaan op een medelijdenden toon, de arme drommels kunnen geen vuur maken.
De vermoeidheid deed ons onze gemakkelijke jacht opgeven en wij sliepen onder eene zoele lucht in, die ons te aangenamer was, als wij aan het lijden van den vorigen nacht dachten.
Onze slaap werd onderbroken door het herhaalde geroep van eene schaar sierlijke vinkvogels, door de Mexicanen »wekkers” (despertadores) geheeten. De dag vertoonde zich ternauwernood en in spijt van de voorspelling van den Encuerado had het niet geregend. De glans van het opnieuw aangewakkerde haardvuur verdreef onze gevederde buren, maar dank zij hun geschreeuw vond de eerste zonnestraal ons geheel voor de reis gereed. Op het punt zijnde van te vertrekken, ontstond er eene nieuwe woordenwisseling. Wij moesten over het ravijn en door den stroom.
De Encuerado zeide, dat wij de rivier op, een waadbare plek moesten zoeken en dat was ook mijne meening. Sumichrast hield daarentegen staande, dat wij veel meer kans hadden de oevers lager te zien worden, als wij de tegenovergestelde richting volgden;zijne meening hield de overhand en hij wees ons den weg, terwijl hij met zijn machete een pad door het struikgewas baande.
Daar wij hardnekkig den rand van het ravijn volgden, kwamen wij slechts met buitengewoon veel moeite vooruit. Het geraas van den stroom, die grooter scheen te worden, trok ons naar het woud, waar de afwezigheid van gras en kreupelhout ons toeliet vlugger te loopen.
De boomen begonnen dunner te staan en wij kwamen weer in het struikgewas terecht, om eindelijk op eene vlakte uit te komen, die vol met Indiaansche pereboomen stond. Deze struiken leverden ons eene menigte nog groene vruchten op, waarop wij allen zeer verlekkerd waren. De Encuerado maakte van dezen onverwachten oogst gebruik, om de ledige plaatsen in zijne mars aan te vullen. De wildegoyavaboomof Indiaansche pereboom is eene soort van myrth, die in het Gematigde Land overal in 't wild groeit en eene hoogte van verscheidene meters bereikt. De vruchten, die zelden rijp worden zonder door de vogels en insecten aangevreten te zijn, hebben een smeltend, suikerachtig en zeer geurig vleesch, vol pitten; men beschouwt ze als koortsverdrijvend en samentrekkend. De gekweekte struik verandert van uiterlijk; de takken worden lang en komen vol met bladeren, die aan den onderkant zilverachtig zijn en de vruchten bereiken de grootte van een citroen, waarvan zij ook den vorm en de kleur hebben.
Lucien, die van struik tot struik ging om de mooiste vruchten te plukken, bewees ons, dat de lessen van zijn leermeester niet tevergeefs waren geweest en dat hij goed in de boomen wist te klimmen.
Iedereen nam zijne vracht, waarvan hij zich een oogenblik ontdaan had, weder op; maar toen de Encuerado zijne mars weer op den rug wilde nemen, kon hij haar onmogelijk opheffen. Ik hielp hem en raadde hem aan ten minste de helft van zijn oogst achter te laten, doch hij wilde mijn raad niet opvolgen. Maar bij de eerste schreden, die hij deed, waggelde hij als iemand, die dronken is en viel hij onder zijne last neer, terwijl degoyavavruchtenover den grond rolden.
Ons gelach kwetste de eigenliefde van den goeden Indiaan.
»Arme Jose-Marie!” riep hij uit, met ten hemel geheven handen. »Je wordt oud. Wat een schande! niet eens meer een handje volgoyava'ste kunnen dragen. In je jonge jaren zouden drie zulke manden vol nog niet zwaar genoeg zijn geweest om je knieën te doen buigen als een oud paard. Arme Jose-Marie.”
De Encuerado overdreef wel een weinig zijne vroegere kracht,in elk geval viel het hem zwaar om een groot gedeelte van de vruchten, die hij verzameld had, achter te laten en ons aandringen vermeerderde nog zijne teleurstelling. Om hem te troosten moest ik hem in herinnering brengen, dat degoyavavruchtenin vierentwintig uren bedorven zijn en dat zijne mars er meer bevatte, dan wij konden opeten.
Sumichrast ging ons een twintigtal passen vooruit; eensklaps bleef hij staan en deinsde achteruit. Toen ik bij hem was, peilden mijne blikken een ontzaglijken afgrond, op welks bodem de rivier zich met groot geraas uitstortte. Het water hoopte zich eerst zwijgend en als slapende in een groot bekken op, wierp zich vervolgens tegen eene onmetelijke rots, om dan weer loeiende en schuimende in twee takken te voorschijn te komen, die, na zich vereenigd te hebben, duizenden watervallen vormden. De lust bekroop ons om in den afgrond af te dalen, ten einde dit wonderschoon tafereel van alle kanten te kunnen beschouwen.
Alvorens in het struikgewas te dringen, legden wij de doozen en weitasschen af, want de onderneming vereischte al onze vlugheid. Zoolang men zich aan de planten en heesters kon vastklampen, scheen het neerdalen slechts een kinderspel; maar weldra betraden onze voeten een rooden ijzerhoudenden grond, die door eene afstorting geheel kaal was geworden. Sumichrast waagde zich het eerst op dit gevaarlijk terrein, dat bij den derden pas onder hem instortte. Hij rolde de helling af, klampte zich instinctmatig aan de eerste takken de beste, die hij grijpen kon vast, welke hijonmiddellijk, onder het uiten van een kreet weer los liet. Gelukkig hield een heester hem boven den afgrond tegen. Ik sloeg mijn hakken diep in den lossen bodem, om mijn vriend hulp te bieden, die, het gelaat door pijn samengetrokken, zijne rechter hand, welke reeds geheel rood, opgezwollen en met witte blaren bedekt was, naar mij ophief. De tak, dien hij in zijn val had vastgegrepen, behoorde aan eene reusachtige brandnetel, die de Indianenmala mujer, booze vrouw, noemen. Deze plant groeit slechts op vochtige oevers,—uit boosaardigheid, zeide de Encuerado, ten einde eene kwade poets te spelen aan den reiziger, naar wien hare verraderlijke groene stengels en behaarde bladeren zich uitstrekken.
Het lijden van Sumichrast bedroefde ons, want wij kenden bij eigen ondervinding de ondragelijke branding, welke de steken van de »booze vrouw” veroorzaken.