Een struik hield hem boven den afgrond tegen. (blz. 96).
Een struik hield hem boven den afgrond tegen. (blz. 96).
De Encuerado nam Lucien onder zijne hoede, terwijl ik den gewonde hielp vooruitkomen. Wij wonnen, zonder te veel hindernissen, een weinig terrein; maar weldra verhief zich een bosch van brandnetelsvoor ons. Sumichrast en Lucien gingen zitten, terwijl ik, door den Encuerado geholpen, met behulp van de machete een nauw en bochtig pad baande op een bodem, waarvan de grillige slingeringen meer dan eens onzen arbeid nutteloos maakten; eindelijk bereikte ikahuéhuétésmet een somber gebladerte,—wij waren bijna de moeielijkheid te boven.
Ik keerde naar mijne gezellen terug; de stengels van de brandnetels op eenige duimen boven den grond afgesneden, dienden ons tot steunpunten. De altijd te goed vertrouwende Encuerado struikelde, zoodat zijn wang met een blad in aanraking kwam. Dit was genoeg om hem bijna onherkenbaar te maken. Alhoewel ik hem beklaagde, kon ik mij toch niet inhouden om te lachen over de gezichten, die het branden, door de vreeselijke stekels veroorzaakt, hem deed trekken. Het was een optrekken van den neus en een bewegen van de kaken, die Sumichrast zijn eigen lijden deden vergeten. Gringalet, den staart omhoog geheven, scheen het gevaar te trotseeren; ik merkte evenwel op dat hij, door zijn instinct gedreven, vermeed op de bladeren te trappen, waarmede het pad bezaaid was.
Onder de ahuéhuétés, eene soort van cypres, vertoonden zich vijf of zes slangen, die bijna onmiddellijk verdwenen. Eene enkele, ongeveer anderhalven meter lang, hield aan den voet van een boom in en wierp een vertoornden blik op ons. Gringalet liep woedend en blaffend om het kruipdier rond, dat, op zijn staart opgericht, zijn kop als eene pijl naar voren wierp. Zijne huid, van eene fraaie, goudgele kleur, met groenachtige punten bezaaid en met twee, bijna onzichtbare overlangsche zwarte strepen geteekend, wekte onze bewondering op. De Encuerado riep den hond terug, de slang rolde zich op, draaide den kop in alle richtingen rond en bewoog hare zwarte en gevorkte tong snel heen en weer. Eensklaps strekte zij zich op den bodem uit en schoof een vogel, dien wij eerst niet hadden opgemerkt en welke nog stuiptrekte, voor zich uit; daarna opende zij den bek en sloot dien herhaalde malen;—men zou gezegd hebben, dat zij geeuwde. Plotseling slikte de afschuwelijke en buitenmate opgesperde muil den kop van den vogel in en de slang bleef onbeweeglijk liggen, alsof deze eerste inspanning haar had uitgeput. De prooi was klein, in verhouding tot de grootte van de slang en twee of drie slikkingen zouden haar hebben doen verdwijnen; maar de Encuerado had voor beginsel, dat de kruipdieren in 't algemeen kwaaddoende dieren zijn; hij trok derhalve zijne machete, liep op de slang toe, die, den vogel wegwerpende, met een ruw geschuifel de vlucht nam.
»Is dat dan een ratelslang?” vroeg Lucien verwonderd.
—Neen, 't is eene gladde slang, dat wil zeggen een niet giftig kruipdier. De Indianen noemen deze degele slangen vreezen haar ten onrechte. Zij klimt met eene buitengewone behendigheid tegen de boomen op om er de vogels tot in hunne nesten op te zoeken. De beelden van den oorlogsgod der Asteken, den verschrikkelijken Huitzilipochtli, aan wien men duizenden menschen offerde, hadden het hoofd met eene gele slang omgeven en alles doet ons gelooven, dat het dier, hetwelk wij zoo even zagen, hetzelfde is, wat de Indianen hebben willen verbeelden.”
Een weinig verder meende Lucien eene lange witte slang op het gras te zien liggen. Gringalet, stoutmoediger dan gewoonlijk, greep het dier en bracht het in zijn bek aan. Het was slechts de huid eener slang. Lucien vernam toen, dat alle leden dezer familie eens per jaar verhuiden, en dat zij reeds uit hun omhulsels uit eene scheede kruipen, waarop men tot zelfs de schubben der oogen terugvindt.
Wij zetten onze afdaling voort en de Encuerado, die voorop was gegaan, kwam eensklaps terug met een grooten plantaardigen helm op het hoofd. Ik herkende de reusachtige bloem eener plant, die ik reeds op de bergen van Songolica had aangetroffen. Niets is prachtiger dan deze bloem, die vóór hare ontluiking den vorm heeft van een eend op het water. In één ochtend gaat de groote bloemkelk open en verandert in een met een helmkam versierden helm, waarvan het binnenste als met paars fluweel bekleed, de oogen verblindt. Het zaad van deze slingerplant, waarvan de Indiaansche naam mij ontgaan is, is plat en als een hart uitgesneden en draagt op een der kanten een volkomen zuiver geteekend Maltheser kruis.
Sumichrast vergat een oogenblik zijn lijden, om dit wonder te beschouwen, en Lucien, die een tweede uitgekomene bloem had gevonden, wist niets vluggers te doen, dan er zich het hoofd mede te bedekken. Maar de vuile en doordringende geur, door de prachtige bloemkelk uitgewasemd, maakte ons onpasselijk, en ik beval Lucien zijn gevaarlijk hoofddeksel weg te werpen.
Nog eenige stappen en wij kwamen op den bodem van het ravijn, waar de eerste zorg van Sumichrast en van den Encuerado was om hun blaren af te wasschen. Ik ging met Lucien op eene rots zitten, die aan eenen kant door den stroom bespoeld werd, ten einde het prachtige tooneel voor mij, te aanschouwen.
Men stelle zich een onmetelijken berg voor, als door de hand van een reus geopend, en op de geweldig vaneengeweken wanden, een mantel van groen met duizend tinten. Omlaag, als om de groote kloof te ondersteunen, een wonderlijke ophooping van rotsen met grijze en zwarte kleuren, waartusschen zich de kruin van een boomverhief, welks bladeren met bloemen waren opgeluisterd. Midden uit den geopenden berg kwam, als uit eene onzichtbare spelonk, een breede stroom met doorschijnend, stil en oogenschijnlijk onbeweeglijk water, dat op eene rots neerstortte, waarvan het midden als de steven van een schip vooruitstak. Alsof hij door den schok woedend en door het geraas dol was geworden, sprong de in schuim veranderde stroom vol toorn op en viel, door de zwarte punt der rots in twee kolommen gescheiden, weer neer, en wierp zich dan vol snelheid langs eene reusachtige trap, die hij scheen te willen verwoesten, naar omlaag. Dan nam een nieuw bekken, als eene schelp uitgehold, het vermoeide water weer op en stortte het zachtjes in een met groen omzoomden kom uit. De bedaarde stroom hernam zijn loop, stiet opnieuw tegen de steenen, die hij had meegesleept en bereikte zoo, van val tot val en van vlakte tot vlakte gaande, de valleien, die zich meer dan drie duizend voet onder ons bevonden. Deze Niagara, in verkleinde afmeting, bracht mij in herinnering, dat toen ik een jaar te voren, in het Warme Land de omstreken van Tuxtla onderzocht, mijn paard mij bij den waterval van den Ingenio had gevoerd—welke waterval onder de meest beroemde zou gerekend worden, zoo niet een woestijn den toegang zoo moeielijk maakte.
Onze beide makkers, wier lijden door de aanraking met het water wat bedaard was, kwamen naast ons zitten. Ik kon niet zeggen, welk trotsch genot wij ondervonden toen wij ons, in die wilde omgeving, voor dien onbekenden waterval bevonden, waarvan wij misschien de eerste aanschouwers waren. Achter ons schenen de zijden der bergen zich te vereenigen en het stroombed nauwer te maken. De zon baadde dit gedeelte, met groote hoornen omzoomd, waarop ijsvogels vlogen, in eene zee van licht. Een dezer vogels kwam dicht bij ons zitten; hij had eene witte keel, de bovenzijden der vleugels waren zwart en de veeren van den kop donkergroen. Dik, ineengedrongen en met een korten staart, geleek hij, zooals Lucien opmerkte, op een slecht geteekenden vogel; weldra hernam hij zijne hortende vlucht, schoor over de oppervlakte van het water, dook er met eene ongehoorde snelheid in en verdween, terwijl hij de kronkelingen van het ravijn volgde.
Lucien wees mij op een reusachtigen wilg, waarvan de over den stroom hangende takken aan hunne punten groote vruchten, in den vorm van kalebassen schenen te dragen. Ik herkende eene kolonie van die fraaie gele, met zwart gevlekte vogels(21), waaraan de Mexicanenden naam vancolandresgeven. Ten einde Lucien van zijne vergissing te overtuigen, wierp de Encuerado een grooten steen in den boom. De steen viel van tak tot tak, en deed een honderdtal vogels uit hunne nesten komen. Het was in den beginne een vreeselijk geweld van kleine kreten; maar toen het geraas over was, schoven de vogels als 't ware over het water, om in hunne onbereikbare woningen terug te keeren. Eenige bleven op den boom zitten en kweelden een lied, den nachtegaal waardig.
Wij volgden het ravijn, in de hoop een minder steilen oever te vinden dan die, welken wij gevolgd waren en een lange omweg bracht ons bij een rustig water, dat over een bed van zand stroomde. De zon scheen met vollen glans op de doorschijnende oppervlakte en dicht bij den oever wemelde het van honderden draaikevers. Lucien, die slechts terloops hun vorm kon zien, zoo snel waren hunne ronddraaiende bewegingen, hield ze voor vliegen, die op het water liepen.
—Het zijn kevers, zeide Sumichrast.
—Waarom draaien zij dan zoo?
—Om hun voedsel te zoeken, want het zijn roofkevers en zij hebben veel voedsel noodig. In Frankrijk noemt men ze gewoonlijkdraaiersofwatervlooien(22).
Lucien wilde een draaikever vangen, maar het gelukte hem niet; de Encuerado en Sumichrast, voor wie dit zeer goed was, hielpen hem weldra. Ik had eerst veel schik in de nuttelooze pogingen van mijne gezellen, en daar ik dacht behendiger dan zij te zijn, lag ik weldra bij hen. Daar lagen we dan alle vier met de hand in 't water, onbeweeglijk, met ingehouden adem, ten einde des te beter onze aandacht op de draaikevers te kunnen vestigen. De draaikevers kwamen in opeengedrongen massa, draaiden als een levend mozaïek, gingen van rechts naar links, van voor naar achter, maar hoe vlug wij ook de ondergedompelde hand naar boven brachten, het mocht ons niet gelukken er een enkelen te vangen.
Een uur ging met dat spelletje voorbij en ik geloof niet dat wij het zouden opgegeven hebben, als niet de zon had opgehouden den oever te verlichten en de draaikevers uit onze nabijheid had verdreven. Lucien zag niet zonder spijt, dat zij naar het midden trokken en de Encuerado, woedend dat hij door zulk een vluggen troep was beetgenomen, zwoer dat hij den eersten den besten, dien hij zou tegenkomen, zou vangen. Wij waren reeds ver weg, als de Indiaan nog bezig was hen met steenen te werpen en voor gekken uit te schelden, wat in zijn mond eene groote beleediging beteekende.
Een twintigtal kikvorschlarven, die in een waterplas zwommen, werden door Lucien voor visschen aangezien.
—Dat zijn kikvorschen, zeide ik hem.
—Waar zijn dan hunne pooten? vroeg hij.
—Onder die bruine huid, die hun het uiterlijk van visschen geeft, en die, als het uur der gedaanteverwisseling zal aangebroken zijn, op den rug zal opensplijten, om doortocht aan den jongen kikvorsch te verleenen. Ziehier eens de larve, die ik gevangen heb; men kan de pooten door de doorschijnende huid zien. Vandaag nog visch, dat wil zeggen door kieuwen—die kleine kwabjes die gij aan weerszijden van den kop ziet—ademende, zal hij morgen batrachier(23), en een tweeslachtig dier zijn en loopen en springen, en dat stomme wezen zal zijne buren door zijn nachtelijk gekwaak vervelen. De Tolteken, dat groote volk, hetwelk voor de Asteken in Mexico leefde, telden een kikvorsch onder hunne goden. Terwijl ik de kikvorschlarve weer in de waterplas zette, die zonder twijfel door een wassen van den stroom ontstaan was, bemerkte ik eenige witte insecten, die, onophoudelijk in beweging, zich door hortende sprongen boven het water verhieven, om er aanstonds weer in te vallen. Lucien, over hunne zonderlinge beweging verwonderd, riep uit:
—Maar ze loopen op den rug!
—Gij hebt gelijk, het zijn waterwantsen en van de familie der tettigonen of cicaden, derhalve hemipteren of halfvleugelige insecten.
Gelukkiger dan bij zijne jacht op de draaikevers, slaagde de jonge natuuronderzoeker er in om twee of drie waterwantsen te vangen.
—Maar waartoe dienen hunne vleugels? vroeg hij.
—Wel, om te vliegen en van woonplaats te veranderen.
—Wat! Kunnen de waterwantsen dan vliegen, loopen en zwemmen?
—En ik ben er zeker van, dat ze 's nachts kunnen zien, voegde de Encuerado er bij, die, men zal het zich herinneren, dit voorrecht aan de dieren benijdde.
—Wij dienen het wel aan te nemen, antwoordde ik lachende, want zij kiezen altijd den nacht uit om te reizen. Pas op dat gij u niet laat steken, want de waterwants bijt even vinnig als haar zusters de hout- en bedwantsen.
Een weinig verder bleef Lucien voor een grasachtig gewas staan, dat van boven tot beneden met ronde, platte, zwart met rood gestippelde insecten bedekt was, wat het op een ingelegd meubelstuk deed gelijken. Vol trots over zijne ontdekking, vatte hij er twee ofdrie aan; maar toen hij bemerkte, dat hun week lichaam tusschen zijne vingers meegaf, liet hij ze vol afkeer vallen.
»Hé! Wat zijn dat voor beesten?”
—Dat zijn houtwantsen, antwoordde Sumichrast, maar nog in den staat van larven; zij hebben nog geen vleugels.
»Van waar komt die reuk, die mijne vingers verpest?”
—Als men ze aanraakt, zweeten zij een geelachtig vocht, van eene zeer doordringende reuk, uit.
Lucien ging spoedig zijne handen wasschen; maar hoe hij ze ook wreef, de reuk bleef en scheen hem zeer te hinderen. Ik maakte daaruit de gevolgtrekking, dat de houtwantsen slechts in geringe hoeveelheid deel van zijne verzameling zullen uitmaken.
Na een vrij langen uitstap op den bodem van het ravijn, moesten wij weer ons punt van uitgang opzoeken; de eenige kant, waar de oever toegankelijk was. Wij vonden den waterval terug, badende in het licht. De groote bovenste vlakte geleek op een blok azuur, terwijl de kleine watervallen flonkerden, alsof zij diamanten meevoerden. Boven ons, in een rooskleurigen nevel, teekende zich flauwtjes een regenboog af.
Ik ontrukte mijne gezellen aan dit wonderschoon schouwspel.
Er had zich geen wild vertoond; maar er bevond zich nog een groot stuk van het jonge ree in de mars. Sumichrast had nog altijd pijn en de Encuerado scheen verkouden te zijn. Nu moesten wij weer naar omhoog stijgen en onder duizend voorzorgen trokken wij de plaats door, waar wij de slangen hadden gezien. Ik weet niet hoe wij met onze opstijging zouden klaargekomen zijn, als de Encuerado niet op de gedachte was gekomen om takken af te snijden, die voor stokken dienden. Vooral wilde ik Lucien de pijn besparen, die de aanraking met de »booze vrouw” veroorzaakt en met eene zucht van verlichting zag ik hem gezond en wel boven op den oever.
(21)Waarschijnlijk eene soort troepiaal of misschien de Baltimorevogel. (N. v. d. V.)
(21)Waarschijnlijk eene soort troepiaal of misschien de Baltimorevogel. (N. v. d. V.)
(22)Ook in ons land worden ze veelvuldig aldus genoemd.
(22)Ook in ons land worden ze veelvuldig aldus genoemd.
(23)Orde waartoe de kikvorschen, padden enz. behooren.
(23)Orde waartoe de kikvorschen, padden enz. behooren.
EEN NABESTAANDE VAN GRINGALET.—EEN GIDS OP VIER POOTEN.—DE INSPECTIE.—DE CROCODIL-SCHILDPAD.—DE FAZANTEN.—DE MAGNOLIA.—DE MUSKAATBOOM.—HET BLAUWE GRAS.—DE RUPS.
De zon ging onder; het was dus het raadzaamst, dat wij ons bivak van den vorigen dag weer gingen opzoeken en het opsporen van den overgang, dien wij dezen dag tevergeefs hadden gezocht, tot den volgenden dag uitstelden. Trouwens het gezicht van den waterval had ons voldoende schadeloos gesteld voor deze nuttelooze wandeling; toen dit besluit genomen was, keerden wij weer terug onder het peuzelen van onze goyava-vruchten.
De karavaan trok dus opnieuw en op goed geluk het bosch in, zonder zich te ver van den stroom te verwijderen. Het scheen ons twee of driemalen toe, alsof wij den plek bereikt hadden, waar wij den oever hadden verlaten; maar wij kwamen weldra weer in onontwarbaar kreupelhout terecht. De tijd ging voorbij en ik meende dat wij het doel reeds voorbij waren. Zooals het in dergelijke vallen meestal gebeurt, waren de gevoelens verdeeld. Een vos, die zich onder het bereik van het geweer vertoonde, brak de woordenwisseling af; ik schoot op het dier, dat neerviel. Het wilde, op het geblaf van Gringalet, opnieuw opstaan, opende bij onze nadering zijn met witte tanden gewapenden bek, schoot uit zijne gele en schitterende oogen een kwaadaardigen blik op ons en viel levenloos neer. Het was een prachtig dier, in alle opzichten gelijk aan zijne soortgenooten in Europa.
Door een zonderling toeval liet een raaf boven ons een vreeselijk gekras hooren, op het oogenblik dat de vos stierf.
»Ziedaar een raaf, die ons bedankt, dat wij hem van meester vos bevrijd hebben,” sprak Sumichrast tot Lucien.
De knaap lachte om de scherts. Niettegenstaande onze raadgevingen, wilde de Encuerado het dier, waarvan hij de huid wilde bewaren, stroopen. Gelukkig was hij in dat soort van werk zeer vlug; het duurde dan ook niet lang of de schoone pels rustte op zijn arm, in afwachting dat zij de buitenzijde van de mars zou versieren, om te drogen.
»Ik hoop dat gij de verwantschap van meester vos reeds zult herkend hebben,” sprak Sumichrast tot Lucien.
—Ja, door de kleur en den vorm gelijkt hij op den coyoot.
—Gij hebt gelijk, maar de coyoot en hij zijn neefjes van Gringalet.
—Dat zou ik niet gezegd hebben; Gringalet heeft kort haar, hij is zwart en wit gevlekt en heeft grijze oogen.
—Dat zijn bijkomende kenmerken; Gringalet is de type van de vleeschetende dieren, welke de natuurkundigen teenloopers ofdigitigradennoemen.
—Is Gringalet een teenlooper? sprak Lucien lachend.
—Wel zeker, dat wil zeggen dat hij op de teenen en niet op de voetzolen loopt, juist zooals meester vos, wiens tandstelsel volkomen gelijk is aan dat van Gringalet. Het voornaamste verschil dat tusschen beiden bestaat, is, dat de vos oogen heeft, welke ingericht zijn om des nachts te kunnen zien, welke eigenschap Gringalet niet in denzelfden graad bezit.
—Bestaan er wilde honden?
—'t Is waarschijnlijk, alhoewel het punt betwist wordt. Maar de hond, die metgezel van den mensch, is in den staat van huisdier zoozeer gewijzigd, dat wij moeite zouden hebben om hem in den wilden staat te herkennen. In elk geval zijn de coyoot, de vos en de wolf slechts soorten van wilde honden.
Wij kwamen andermaal in het kreupelhout terecht zonder een spoor van onzen doortocht te kunnen vinden. Het werd hoog tijd dat wij ons uitgangspunt terugvonden. Ik merkte op dat Gringalet, in plaats van om ons heen te huppelen, zooals zijne gewoonte was, zonder ophouden achter bleef, de ooren opstak en een klagend gehuil deed hooren.
»Drommels,” riep ik uit, »als wij Gringalet eens voor gids namen?”
Zoodra het dier zijn naam hoorde, kwam het naar mij toe. Ik streelde het.
»Komaan, zeg eens tegen uw hond, dat hij ons naar het bivak brengt,” sprak ik tot Lucien.
—Naar het bivak! naar het bivak! riep de knaap uit, terwijl hij het dier aanhaalde.
Gringalet snoof, alsof hij het werkelijk begrepen had, de lucht op en ging vooraan. Mij dacht, dat hij ons langs een langen omweg achteruit voerde. Niettegenstaande de Encuerado onophoudelijk van de goyava-vruchten at, boog hij toch onder zijne vracht, Sumichrast, wiens hand al meer en meer opzwol, schertste nog maar bij tusschenpoozen. Lucien, hoewel vermoeid, liep steeds door, telkens zijn hond toeroepende:
»Naar 't bivak! naar 't bivak!”
Allengs werd het geraas van den stroom duidelijker; onze gids begaf zich onder het kreupelhout. Terwijl wij de takken, die ons den weg versperden, afhakten, bleef Gringalet, met opstaande ooren en een opgeheven poot wachten. Eindelijk vertoonde zich de hut, door onze vreugdekreten en het geblaf van den hond begroet, dien iedereen als om strijd liefkoosde.
Een vreemd iets; ik zag met aandoening de plaats van het kampement terug, waaraan ik een eeuwig vaarwel dacht gezegd te hebben. Die half uitgedoofde stukken hout, dat afdak, door ons opgericht, maakten op mij de uitwerking als van eene vondst. Sumichrast verklaarde denzelfden indruk te hebben ontvangen. Lucien, op zijne beurt ondervraagd zijnde, verklaarde dat zijne eerste beweging was geweest een Indiaan in de hut te zoeken.
Maar Gringalet? Had hij ons dan begrepen? Zij, die de slimheid van de honden op de proef hebben gesteld, zullen er niet aan twijfelen. Het woordbivak, sedert ons vertrek ontelbare malen herhaald, heeft het oor en het geheugen van het dier zoodanig moeten treffen, dat het voor hem dezelfde beteekenis verkreeg als rust en maaltijd.
Den volgenden morgen waren wij bij het aanbreken van den dag reeds op weg, en volgden wij langzaam den loop der rivier opwaarts. De nog altijd pijnlijke hand van Sumichrast liet hem nog niet toe, zich van zijn geweer te bedienen; de Encuerado, alhoewel voor vier-en-twintig uuren misvormd, behield evenwel het volle gebruik zijner ledematen. De pasbeginnende reiziger is zonder ophouden aan zulke ongevallen blootgesteld. Te midden eener onbekende natuur verplaatst, geeft hij toe aan de behoefte om een blad af te trekken, een tak te schudden, eene bloem te plukken; maar de straf volgt spoedig en soms verschrikkelijk; uren van angst doen soms voor de onschuldige afgetrokkenheid van eene seconde boeten. De gevaren zijnin het midden der wilde wereld zoo talrijk, dat er meer moed toe behoort dan men gewoonlijk meent, om ze te durven onderstaan. Iedere ontdekker moet zich op zware beproevingen voorbereiden. Allengs komt de ondervinding te hulp aan hem, die geestkracht genoeg bezit om vol te houden. Hij leert met een oogopslag den boom herkennen, dien men moet vermijden, het gras, waarop men niet treden moet, de slingerplant, waarvan men de aanraking moet ontwijken, de vrucht, die men niet moet proeven. Daarna wordt het beheerschte lichaam gehard en gaat, zonder te klagen, daarheen, waar de ziel het voert. Men staat elk oogenblik verbaasd over de sterkte van dat armzalig omhulsel van vleesch, dat door een val gekneusd, door de takken gezweept, door de doorns verscheurd, door de insecten verslonden wordt en dat toch elken dag voortgaat met den dood, onder zijne afschrikwekkendste gedaanten—vergif, venijn, duizelingen, slapeloosheid, honger en dorst—te trotseeren.
Ik had mijne reisgezellen in oogenschouw genomen en deze overwegingen waren door mijne kortstondige inspectie bij mij opgekomen. Sumichrast, groot van gestalte, met breede schouders, tegelijkertijd zachte maar geestkrachtige trekken, een arm in een draagband, de kleeren aan flarden, had zes of zeven schrammen in 't gelaat. Met de linkerhand op een stok steunende, liep hij een weinig gebogen, met opgezwollen hals, het hemd op de borst open, zwart en door de zon gebrand onder zijn blonde haren. Achter hem, het geweer aan den draagriem over den schouder, ook een weinig gebogen, met stevigen en vastberaden stap, het voorhoofd met schrammen doorploegd, de handen gekwetst, vertoonde Lucien zijne door insectensteken doorploegde borst. Toen hij mij voorbijging, glimlachte hij, nam zijn hoed af, waaruit zijne goudblonde lokken ontsnapten, en liet een vroolijk vivat hooren. Gringalet, nu verzoend met de eekhoornvellen, liep naast zijn jongen meester. Eindelijk sloot de Encuerado, met bloote armen en voeten en met goyava-vruchten beladen, den marsch. De brave Indiaan trachtte, toen hij mij voorbijging, zijn strooien hoed op te lichten, zijn gelaat helderde op en zijn glimlach toonde mij een rij tanden, die waardiglijk met die van Gringalet konden wedijveren. Voldaan over mijne inspectie, nam ik mijn geweer opnieuw op den schouder, om de voorhoede weer in te nemen en mijne rol van wegwijzer te vervullen.
Langzamerhand werden de oevers van het ravijn met hout bedekt en de afdaling liep zonder ongeval ten einde.
Ik liep vervolgens den oever langs om eene doorwaadbare plek te vinden. Eindelijk veroorloofde eene bocht, waar het water kalm en stil voortvloeide, ons om zonder ongeval de rivier over te steken.Ik stelde toen voor halt te houden. In onze nabijheid verhieven zich hooge rotsen, met mos bedekt, die het water, bij zijn was, moest bespoelen; voor ons was een zacht hellende dam, met gras begroeid,—eene weide aan den oever van een meer.
Wij bestegen den dam, toen een voorwerp, dat wij niet goed konden onderscheiden, zich aan den zoom van het woud vertoonde, als 't ware over het gras rolde en naar ons toe kwam. Het was een reusachtige schildpad, maar een schildpad, die in snelheid met eene haas had kunnen wedijveren. De Encuerado wilde haar den weg versperren, maar werd omvergeworpen. Sumichrast, zijne pijnlijke hand vergetende, gaf het dier een slag met zijn geweerkolf, zonder andere uitkomst evenwel, dan dat hij den gang van het dier wat vertraagde. De Indiaan, woedend over zijn ongeval, ontdeed zich van zijne last en kwam met de looppas aanstormen; door onze vereenigde pogingen slaagden wij er in het dier, op twintig voet van de rivier, op den rug te krijgen.
Lucien, die door deze worsteling en door de grootte van de schildpad een weinig verschrikt was, naderde nu om haar te bezichtigen. Ik hield hem op een afstand van het dier, dat zijne groote pooten, die met verschrikkelijke klauwen gewapend waren, woedend heen en weer sloeg, terwijl het zijn bek, een soort van hoornachtigen snavel, dreigend opensperde.
»Het is eengalapago, zeide de Encuerado,en slechts goed om gedood te worden.
De chelonier,(24)dien de geleerden alligator- of crocodil-schildpad noemen, mat minstens een meter van den kop tot aan den staart. Deze laatste, alleen bijna zoo lang als het overige lichaam, droeg eene driedubbele rij van schubachtige stekels, die als tanden er in waren geplant. De grijze, ruwe en geschubde huid van het kruipdier vormde in den hals kussens van een afstootend uiterlijk, men zou ze voor ziekelijke uitwassen hebben gehouden. Het afzichtelijke dier keerde ons zijn gapenden bek toe. De schildpadvisschers zijn zeer bevreesd voor degalapagos, die, vlugger dan de gewone schildpadden, met hunne scherpe nagels of hoornachtige kaken vreeselijke wonden toebrengen. Men zegt, dat het vleesch ongezond en taai is, maar ik geloof dat dit alleen vooroordeel is.
Op het punt van te vertrekken, wilde de Encuerado het kruipdier den kop afhouwen. Sumichrast verzette zich tegen dezen nutteloozen moord en dacht er zelfs aan om de schildpad weer op haarpooten te zetten. De Indiaan wilde voor dat goede werk zijne hulp niet verleenen; hij beweerde, dat een ratelslang en eengalapagoin 't leven laten, op hetzelfde neerkwam. Tot twee of driemalen toe had het dier ons medelijden bijna met een beet beloond; want zoodra naderden wij niet, of het draaide zich op zijn rugschild rond. Wij wilden het juist aan zijn lot overlaten, toen het zich, door het terrein geholpen, weer op den buik bevond, en nauwelijks was het omgekeerd of het kwam op Lucien los.
De groote kussens van den hals, die zich ontplooiden, brachten den kop meer naar voren; door een enkelen houw met zijn machete sloeg de Encuerado den aanvaller den kop af. Toen vertoonde zich een vreemd verschijnsel, dat een sterken indruk op ons maakte. Terwijl Gringalet woedend tegen den kop tekeer ging, gingen de pooten voort met zich te bewegen en sleepten den romp mede, die weldra onder het water verdween. Al hadden wij ook dikwijlsschildpaddenwonden zien overleven, die men zou meenen dat doodelijk moesten zijn, zoo stonden wij nu toch verstomd over de kracht van het zenuwstelsel, die zich bij dit dier voordeed.
»Komaan, beste vriend, tracht nu eens zonder kop te zwemmen en pas op dat je je huis niet tegen de rotsen stuk slaat!” riep de Indiaan uit. »Wat! de vader redt je het leven en je wilt zijn zoon verwonden! Gij hadt mij niet gezien of ge dacht er niet aan dat ik ook bijten kon.
Goede reis en houd je goed.”
Men ziet het, de Indiaan was geen edelmoedige vijand; maar hij had reden om zich over degalapagoste beklagen, die hem eens, toen hij aan 't baden was, bijna eene hand hadden afgebeten.
De met gras begroeide oever bracht ons weldra in het diepe woud. Wij marcheerden sedert een uur door een doolhof van reusachtige boomen, op een kalen en vetten grond—want slechts bij het naderen der lichtingen wordt de aarde met gras bedekt,—toen de Encuerado den schreeuw van een fazant hoorde.
»Laat ons naar links afslaan, om dichter bij het wild te komen,” sprak Sumichrast zachtjes, »en laat ons vooral de bladeren niet in beweging brengen.”
»Wij zijn op den goeden weg,” mompelde de Encuerado, »luistert.... ik sta er borg voor, dat gij hem voor uw maaltijd zult hebben.”
De Indiaan zette zijne vracht neer, waarvan Sumichrast en Lucien de bewaking op zich namen, terwijl ik hem volgende achter de boomen verdween. Weldra ging mijn makker mij vooruit en bootste den roepschreeuw van de vogels, die wij vervolgden, na, ten einde hen aan te sporen om zelven te schreeuwen en ons zoodoende hunneschuilplaats te ontdekken. De nabootsing werd zoo volkomen, dat ik met den neus in den wind, voortliep, om onverwacht op den Encuerado te vallen, die in hinderlaag lag; zulk eene misrekening overkwam mij nogal dikwijls, zelfs met Sumichrast, die bijna even goed als de Indiaan, de geluiden der verschillende dieren wist na te bootsen. Een laatste schreeuw lokte op honderd pas van ons een antwoord uit en in den top van een niet hoogen eik zaten drie groote fazanten met een zwart gebronsd gevederte. Ineengedoken en achter de boomen voortkruipende, kwam ik bij den Encuerado, het oog steeds gevestigd op de vogels, die, op de dikke takken gezeten, onrustig hun halzen uitrekten en schenen te luisteren. Twee geweerschoten knalden tegelijkertijd; een der vogels viel voor onze voeten neer, de twee anderen vlogen weg; maar terwijl de eene zich boven de boomtoppen verhief, moest de andere, die gewond was, zijn makker alleen laten wegvliegen. Ik vervolgde hem zoo snel mogelijk en beschouwde hem reeds als eene zekere buit. De arme vogel kwam op den grond terecht en trachtte tevergeefs te loopen. Een vijftig pas scheidden mij er nauwelijks van, toen een tijgerkat met donker vel te voorschijn sprong, den fazant beetpakte en er mede verdween, eer ik den tijd had om van mijne verbazing te bekomen. De strooper werd door den Encuerado, die van mijne misrekening getuige was, voor schelm en afzetter uitgescholden.
Lucien beschouwde den fazant, die bijna zoo groot als een kalkoen was, maar wiens donker gevederte volstrekt niet beantwoordde aan de fraaie voorstelling, die hij er zich van gemaakt had. Hij vond den kop te klein voor het lichaam van den vogel, wiens naakte en wratachtige wangen, zooals hij zeide, er uitzagen alsof het dier twee pleisters van een schildpadhuid droeg:—welke opmerking niet van juistheid ontbloot was. Zoover mij bekend is, bezit Mexico geene enkele der fraaie, veelkleurige soorten uit Azië en Afrika.(25)
Tegen twee uur in den middag maakte Lucien de opmerking, dat de boomen dunner begonnen te staan, wat op eene lichting of op den voet van een berg duidde. Sumichrast vroeg hem, als belooning voor zijne goede opmerking, dat hij als wegverkenner zou vooruitgaan. Trots op deze zending, waarnaar hij altijd hunkerde, bracht onze jeugdige gids ons op eene opene plek, die op korten afstand een grooten, met hout begroeiden wal liet zien.
»Halt!” riep ik uit.
De geweerkolven vielen op dit bevel op den grond; de hut werd opgebouwd en de Encuerado maakte het wild klaar, dat, al waren de kleuren ook niet schitterend, daarom geen minder geurig gebraad opleverde dan zijne verwanten uit Europa.
Sumichrast, die door zijne pijnlijke hand nog altijd tot werkeloosheid veroordeeld was, bleef bij den Indiaan, terwijl ik, in gezelschap van Lucien en Gringalet, de omgeving van onze woning ging verkennen. Bij de eerste schrede zagen wij reeds eenYoloxochitl, eene soort van Magnolia. Ik riep den Encuerado, die dadelijk in den boom klom om ons eenige van de fraaie, welriekende bloemen te plukken, welke van buiten roodachtig wit en van binnen geel van kleur zijn, en waarvan de bloembladen, eer zij uitkomen, den vorm van een hart hebben en bij het opengaan eene prachtige ster vertoonen. De Indiaan bleef niet in gebreke ons te herinneren, dat een aftreksel van de glinsterende bladeren van de Yoloxochitl een middel tegen buikloop is; dat haar bloemen, zooals de vorm aanduidt, dienen om hartkloppingen te doen bedaren en dat de schors, wat hare koortsdrijvende eigenschappen aanbetreft, met die van den Kinaboom kan wedijveren. Een weinig verder zagen wij een muskaatboom, een heestergewas van ongeveer drie meter hoogte en volgeladen met nauwelijks gezette vruchten. In Mexico oogst men geen muskaatnoten, trouwens is de boom, die ze voortbrengt, vrij zeldzaam. Evenwel verbruiken de Indianen eene ongeloofelijke hoeveelheid muskaatnoten uit de Molukken, hetzij als geneesmiddel, hetzij om de spijzen te kruiden; de muskaatnoot, de kamfer en de duivelsdrek zijn de drie voornaamste geneesmiddelen der Indianen. Ik toonde vervolgens aan mijn kleinen reisgezel eene plant, die men hetblauwe grasnoemt, en waarvan de bladeren het water, waarin men ze dompelt, met eene fraaie blauwe kleur tinten. Men verbouwt in Mexico eene verscheidenheid van dit gewas om er de kleurende zelfstandigheid, gewoonlijkindigogenoemd, uit te trekken.
—Maar hoe legt men het aan, vroeg Lucien, om uit een grasgewas die donkerblauwe steenen te halen, welke ik op de markt heb zien verkoopen?
—Ongeveer half Maart, antwoordde ik, oogst men de nieuwe bladeren van den indigostruik, een heester tot de familie der leguminosen, peul- of hulsplanten behoorende, en men stampt ze in een boomstronk, die als een mortier is uitgehold, fijn.
Het sap, dat deze bladeren, die aan eene sterke drukking onderworpen worden, opleveren, is groenachtig, soms zelfs kleurloos, het wordt eerst blauw tengevolge eener gisting in de open lucht. De Indianen laten het dan in groote ketels kooken; het water verdampten de indigo slaat in den vorm van een week en lijmachtig deeg neer, dat men dan aan de zon blootstelt, om het te doen drogen.”
Toen ik bij den voet van den berg gekomen was, zag ik, dat het ons onmogelijk zou zijn dien den volgenden dag te beklimmen, zoo steil was de helling. Ik ging op een omgevallen boomstam zitten, toen ik eensklaps getroffen werd door een zeer sterke rozengeur. Lucien ontdekte onder de schors van den boom vijf of zes fraaie kevers, van een azuurblauwe kleur en met roode pooten, die in de zandachtige streken van Tehuacan veelvuldig aangetroffen worden en waarvan de dames uit die omgeving zich bedienen om het linnengoed welriekend te maken. Verrukt over zijne vondst, vervolgde Lucien zijne opsporingen, in de hoop zich een grooter aantal van deze fraaie insecten te kunnen verschaffen, die hij voor zijne moeder wilde meenemen. Hij was gaan knielen en werkte met allen ijver, toen hij mij met den vinger eene groote rups aanwees, welke over het gras kroop en naar hem toekwam.
De rups, van eene smaragdgroene kleur, droeg op den rug eene rij kleine, regelmatig geplaatste boompjes. De stam en de takken, van een levendig rood, eindigden in vertwijgde punten, van dezelfde kleur als het lichaam van het dier.
—Wat een zonderling dier! riep Lucien uit. Men zou zeggen, dat het een tuin op zijn rug draagt; waartoe dienen het die struiken?
—Dat weet men niet, en de vlinder, die uit deze rups zal ontstaan, zal geen enkel spoor behouden van die zonderling geplaatste haren.
—Zal er van die rups een vlinder komen?
—Wel zeker, alle schubvleugelige insecten, waartoe de vlinders behooren, leggen eieren waaruit rupsen komen, die meestal den boom of de plant opeten, waarop zij uitgekomen zijn. Zoodra zij de grootte, die zij hebben moeten, bereikt hebben, spinnen zij een omhulsel of cocon van meer of minder goede zijde, waarin zij zich opsluiten. Zij dragen dan den naam van poppen. In dezen cocon vormt zich de vlinder, wit of zwart, geel of groenachtig; hij blijft in zijn cocon ingebakerd als een kind in de luiers. In de lente wordt de zijden gevangenis doorgeknaagd en weldra ziet men er een prachtigen vlinder uitkomen, die met zijn slurf het sap der bloemen zuigt. Kendet gij dan al die gedaanteverwisselingen niet?
—Ik dacht, dat zij alleen bij de zijdewormen plaats hadden.
—Dan weet ge nu beter; alle rupsen en alle vlinders ondergaan die, maar er zijn veel rupsen, die niet zulke kostbare cocons weten te spinnen als de zijdeworm; eenige graven zich in de aarde; andere verbergen zich in een blad, waarvan zij de randen als een peperhuisjeomkrullen, dat hen voor den snavel der vogels beschermt, anderen graven eindelijk eene woning in een boomstam en bekleeden die met eene meer of minder fraaie zijde, waarin de pop het uur afwacht, waarop zij, van eene armzalige rups, die met zuignappen gewapende pooten heeft, herleven zal met vier in de heerlijkste kleuren schitterende vleugels.”
Het onderwerp was onuitputtelijk, maar ik stelde mijne verdere uitleggingen tot een anderen dag uit. Bovendien riep de Encuerado ons met luid geschreeuw.
(24)Cheloniers is de wetenschappelijke naam, dien men aan de familie der schildpadden geeft. (N. v. d. V.)
(24)Cheloniers is de wetenschappelijke naam, dien men aan de familie der schildpadden geeft. (N. v. d. V.)
(25)Eigenlijke fazanten bezit Mexico niet; de door Biart vermelde vogel is waarschijnlijk een Hoko-hoen of een op de Penelope-hoenders gelijkende vogel geweest (N. v. d. V.)
(25)Eigenlijke fazanten bezit Mexico niet; de door Biart vermelde vogel is waarschijnlijk een Hoko-hoen of een op de Penelope-hoenders gelijkende vogel geweest (N. v. d. V.)
HET KRUIDJE-ROER-ME-NIET.—GRINGALET EN HET STEKELVARKEN.—DE MEXICAANSCHE CAMELEON.—WOUW EN VALK.—EENE DUBBELKOPSLANG.—EENE RAADSVERGADERING VAN KALKOENEN.
Gringalet was de eenige van ons, die denfazantversmaadde. Daar wij onzen reismakker niet nuchter konden laten, gaf ik hem een stuk maïskoek, waarvan de Encuerado eene lekkere brij maakte, want hij wilde zijn woord, dat hij Gringalet had gegeven, toen deze de bron ontdekte, houden.
Lucien, die op het gras zat, vermaakte zich met de planten, die onder het bereik van zijn reisstok waren, aan te raken. Eensklaps zag hij dat de bladeren en de takken van een kleinen struik, die hij maar even aanraakte, zich sloten, zooals de baleinen van een zonnescherm, door eene onzichtbare veer bewogen, het zouden kunnen doen:—het plantje was een kruidje-roer-me-niet.
Hij riep ons, om ons de verklaring van dit verschijnsel te vragen; wij plaatsten ons rondom den struik, die met doornen gewapend en ongeveer een meter hoog was, en waarvan de fijn uitgesneden bladeren van een zacht groen, tuiltjes rooskleurige bloemen ten halve verborgen. De takjes, die door den stok waren aangeraakt, naderden tot den moederstam, en de kleine, ovale, teere en op hunne stengels opgerichte blaadjes drukten zich tegen elkander aan. Na verloop van vijf minuten openden de aangeraakte blaadjes zich opnieuw, als waren zij van hun schrik bekomen.
Het duurde evenwel niet lang, want Lucien vond er vermaak in met zijne vingers over de blaadjes te gaan, die onmiddellijk weer toevouwden, alsof zij door die lichte aanraking beleedigd waren. De Indianen noemen het kruidje-roer-mij-niet »de beschaamde.” De plant groeit zelden alleen. Een enkele slag op den stam was voldoende om oogenblikkelijk alle takken, die dan als door een gevoel van schaamte bezield schenen te zijn, te doen buigen. Toen de zon onderging, vouwden de plantjes uit eigen beweging hare teedere blaadjes toe, die slechts op den vollen dag ontluiken.
Het eerste wat Lucien deed, zoodra hij wakker werd, was naar de struiken te loopen, die den vorigen dag zijne aandacht zoozeer hadden getrokken. Met dauw overladen, schenen zij als te slapen en ontplooiden zij hunne bladeren slechts bij den eersten zonnestraal. Alvorens op weg te gaan beproefde de jonge natuuronderzoeker nogmaals de buitengewone gevoeligheid der plant, en Sumichrast vertelde hem, dat zij eene verwante is van den boom, die de Arabische gom oplevert.
De wang van den Encuerado was minder opgezwollen en Sumichrast kon zich weer van zijne hand bedienen, hoewel zij hem nog pijn deed. De berg voor ons, die te steil was om beklommen te kunnen worden, bracht ons in eene groote verlegenheid.
»Laat ons links afgaan, zeide Sumichrast, terwijl hij onder het houtgewas op een vochtigen, met gras begroeiden bodem voortliep.
Tegen den middag en terwijl de Encuerado al brommende verklaarde dat wij rechts hadden moeten houden, trad de kleine troep het bosch binnen. Eene ongelijke helling voerde ons op een top, die hoogstens een twintigtal schreden breed was en in minder dan een half uur bracht de tegenovergestelde zijde ons midden in eene verrukkelijke vallei.
»Hela! meester Zonnestraal,” riep Sumichrast, die mij de hut hielp bouwen, uit, »vergeet gij dan dat gij belast zijt met voor het vuur te zorgen?”
—Neen, antwoordde Lucien, die verdiept scheen in de beschouwing van een dooden tak, maar ik wilde een insect vangen, dat, evenals wij, eene verzameling van voorwerpen der natuurlijke historie schijnt te willen bijeenbrengen, want ik heb in zijn nest spinnen, vliegen en kleine wormen gevonden.
—Dat is een doodgraver-kever, zeide Sumichrast, hij verzamelt om zijne eieren heen het voedsel, dat de jongen, als zij zullen geboren worden, moeten verslinden; die kleine dieren zijn vol voorzorgen; laten wij ze navolgen en voor het oogenblik aan onszelven denken.
Toen de haard gereed was, trokken wij licht gewapend uit om deomgeving van ons bivak te onderzoeken. De bergen beheerschten ons van alle kanten; de vlakte, die de vallei uitmaakte, had nauwelijks een kwart mijl uitgestrektheid. Eene aangename koelte en de nabijheid van een groot aantal vogels gaven ons hoop, dat wij eene bron zouden ontmoeten, wier aanwezigheid dit stukje aarde in een waar Paradijs zou herschapen hebben. Onze opsporingen leidden tot niets meer, dan het vinden van een groenachtigen poel, door een reusachtige rots overschut, dien het warme saisoen spoedig zou doen uitdrogen.
Het geblaf van Gringalet trok onze aandacht op het woud, waar ik een Mexicaansch stekelvarken op een heester zag zitten. Het dier, dat op zijne achterste pooten zat, keek ons verbaasd aan. Na een oogenblik gestoord te zijn geweest, scheen het ons geheel en al te vergeten, trok met zijne nagels een stuk schors af en likte het ontbloote gedeelte, dat zonder twijfel met insecten bedekt was, af. Na dezelfde handeling herhaalde malen te hebben vernieuwd, naderde het dier tot op het uiterste einde van den tak, greep dien met zijn grijpstaart en raakte, door zijne zwaarte meegesleept, den grond. Zijn groot zwart oog, dat buitengewoon zacht was, stond wijd open en zijn neus bewoog zich als die van een konijn of een haas. Het was juist op 't punt zich te verwijderen, toen de Encuerado tot ons leedwezen er een schot op loste. Het arme dier rolde op den grond, drukte zijne pooten als eene hand op de wonde en rolde zich aan den voet van den boom ineen. Gringalet schoot er op toe om het te bijten, maar hij deinsde weldra onder een pijnlijk gehuil terug; hij kwam bij ons met den neus vol pennen van het stekelvarken, die niet veel langer dan twee duim, maar zeer scherp waren. De arme hond wreef zijn neus over den grond om zijn pijn te verlichten, maar verergerde daardoor zijn lijden des te meer. Lucien liep op hem toe en slaagde er in een vijftiental stekels, die diep ingedrongen waren, uit zijn neus te halen.
»Waar is toch je verstand gebleven? vroeg de Encuerado aanGringalet, terwijl hij hem neus en snuit afwiesch. Zoo maar in een stekelvarken te willen bijten! Waarlijk, ik had gedacht dat je slimmer waart. 't Is wel goed moedig te zijn, maar ik raad je toch aan om je in de bosschen van het Warme Land wat minder onbezonnen te gedragen, als je ten minste niet door een tijger verscheurd of door een miereneter gewurgd wilt worden.
Na de redevoering van den Encuerado aangehoord te hebben, beknorde Lucien hem, omdat hij op het arme dier geschoten had en kwam toen bij ons bij het doode stekelvarken. Dit had de grootte van een jongen vos, en voorpooten, die vier lange, met klauwen gewapendeteenen droegen. Dit knaagdier is zeer langzaam in zijne bewegingen, geheel en al onschadelijk en verspreidt een walgelijken muskusreuk rondom zich. Het leeft van vruchten, wortels en insecten, klimt met behendigheid op de boomen, waarbij het zich van zijn grijpstaart bedient en vlucht zelden bij de nadering van den jager, die trouwens dit nutteloos wild versmaadt.
De Encuerado herinnerde ons dat wij reeds twaalf dagen op marsch waren en dat het de eerste zondag van de Meimaand was. Wij zouden dien dag rustdag hebben gehouden, als onze ochtendjacht wat voordeeliger was geweest; maar als wij ons niet met enkele rijst wilden vergenoegen, moesten wij wel zorgen voor een vogel of een zoogdier in den pot.
Daar begonnenchibicoyos(kalkoenen) te schreeuwen; de Encuerado vertrok alleen in de aangewezen richting, want deze hoendervogels zijn moeielijk nabij te komen. In weerwil van ons roepen, volgde Gringalet den Indiaan op de hielen.
Lucien klom op de rots, die over den poel hing, gaf mij een teeken om bij hem te komen en zeide toen zachtjes:
»Zie eens, vader, wat daar een zonderling dier zit.”
Ik klom ook op de rots en vond op het rotsvlak een Mexicaanschen Cameleon, eene soort hagedis van ronden vorm, de bruine huid bezaaid met gele vlekken, die in het licht telkens veranderen. Lucien wilde het sierlijke kruipdier vangen, maar het gleed tusschen zijne beenen door en verdween, de lucht met zijn staart zweepende, onder de rots.
De Mexicaansche Cameleon leeft alleen in de bosschen en te midden der rotsen. Hij houdt zich vooral gaarne op in eikenbosschen, waar de donkere kleur van zijn lichaam versmelt met die der doode bladeren, zoodat hij met goeden uitslag hinderlagen kan leggen aan de insecten, waarmede hij zich voedt. Sumichrast, wien het gelukt was een Cameleon tam te maken, vertelde ons, dat de keel van dit kruipdier op den dag wit was, maar des nachts eene donkere kleur aannam, dat het zich gaarne liet streelen en dat het zoo vertrouwelijk was geworden, dat het de vliegen, welke men het voorhield, uit de vingers aannam. De Indianen, die voor het levende dier bang zijn, dragen het gedroogde lichaam als een behoedmiddel tegen het kwade oog.
Boven van onzen waarnemingspost zagen wij naar de fraaie vogels, die van tijd tot tijd de vlakte overtrokken, toen Sumichrast onverwacht een schot loste. Hij had een fraaien ekster gezien met een aschblauw lichaam, eene kuif op den kop en om wiens witte keel een band van zwart fluweel scheen te loopen, weshalve hij van deIndianen den naam vanCommandeur-vogelheeft gekregen. Lucien klom de rots af om den vogel op te rapen, toen een groote wouw op den ekster stortte, hem in zijne sterke klauwen pakte en er mee wegvloog. De schutter wilde den onbeschaamden strooper straffen, maar een valk, ter grootte eener vuist, vertoonde zich op zijne beurt, beschreef snel twee of drie kringen en liet zich toen op den wouw vallen. Deze ontweek den aanval en steeg hooger op, terwijl zijn tegenpartij een schreeuw van woede deed hooren en bijna op den grond terecht kwam. Maar zich opnieuw in schuine richting en met eene ongeloofelijke snelheid verheffende, kwam hij een tweede maal boven zijn vijand, wiens vlucht door den angst verflauwd werd, en stortte andermaal als een weerlicht op hem neer. Vleugels klapwiekten, eenige veeren vlogen in 't rond en de prooi viel in den val door den valk gevolgd. De wouw, overwonnen door een tegenstander, die vijfmaal kleiner was, beschreef groote kringen in de lucht en verdween. De overwinnaar, die op twintig passen van ons zat, met vurige oogen, den klauw op zijne prooi, prachtig in zijn toorn en zijne stoutmoedigheid, dreigde ons met zijn blikken. Sumichrast liet hem, als belooning voor zijn moed, zijne prooi over. De valk, over onze aanwezigheid niet zeer gerust, sloeg de klauwen, die voor zijne gestalte zeer groot waren, in zijne prooi, sloeg met de vleugels, verhief zich eerst met moeite, doch weldra met zekerder vlucht naar gelang hij hooger steeg, en bracht toen zijne buit achter de boomen in veiligheid.
Lucien, die in de vlakte al de wisselingen van dit gevecht had aanschouwd, kwam weer bij ons.
»Waarom heeft die groote vogel zich laten overwinnen door zulk een kleinen tegenstander?” vroeg hij Sumichrast.
—Omdat hij lafhartig is.
—Maar alle twee hadden hetzelfde gevederte en dezelfde vormen; ik dacht dat de laatst gekomene een jong van den anderen was.
—De laatst aangekomene is een valk en de andere een wouw. Zij behooren inderdaad tot dezelfde familie; maar de valk is de edelste en de moedigste, terwijl de wouw misschien de lafhartigste van alle roofvogels is. Men bediende zich vroeger van valken voor de jacht; want, zooals gij gezien hebt, vreest hij volstrekt niet om veel grootere tegenstanders aan te vallen.
Bovendien leert hij gehoorzamen.
—Maar de arenden zijn toch sterker dan de valken?
—De arenden zijn roofvogels, die den goeden naam niet verdienen, welken de dichters getracht hebben hun te geven; alhoewel zij veel sterker zijn, betoonen zij veel minder moed dan de valken en vallen zij slechts dieren van geringe grootte aan.
—Maar de arend is toch wel de koning der vogels; hij kan de zon toch in 't gelaat zien.
—Ja, dank zij een vlies, dat over den oogappel kan getrokken worden. Bij alle volkeren vertegenwoordigt de arend het zinnebeeld van kracht en moed; dat neemt evenwel niet weg, dat de valk in veel hooger mate dan hij de laatste dezer eigenschappen bezit; voor de vogelkundigen is hij de koning der vogels. Zooals gij weet, verbeelden de Mexicanen op hunne vlag een arend, die op een cactus zittende, eene slang verslindt.
—Is dat ook als zinnebeeld van kracht en moed?
—Neen; toen de Asteken, die men meent, dat uit het Noorden van Amerika hun oorsprong hebben, in Mexico (dat toen den naam van Anahuac droeg) aankwamen, zwierven zij langen tijd rond, alvorens zich te vestigen. Eens ontdekten zij bij een meer eene cactus, die op een rots groeide, en op de cactus een arend. Door een orakel geleid, bouwden zij op die plaats eene stad, welke eerst den naam van Tenochtitlan(26)en later dien van Mexico droeg.
Mijne geschiedkundige les werd onderbroken door eene verwijderde losbranding. Sedert lang reeds zwegen deChibicoyos, en wij verwachtten dat wij eenigen aan onzen reisgezel, die in zijne vervolging eenen grooten omweg had moeten maken, althans te oordeelen naar de richting waaruit zijn schot klonk, zouden zien verschijnen. Gelukkig maakte de gesteldheid van het terrein, dat hij onmogelijk kon verdwalen; maar al hadden wij ook vertrouwen in zijne kennis, toch vreesden wij voor zijn jachtijver.
Wij bleven op de loer staan, hopende dat het toeval ons een of ander stuk wild zou toevoeren. Eensklaps bewoog het gras aan onze rechterhand en de golvingen verrieden de aanwezigheid van een kruipdier. Weldra zagen wij dan ook eene slang, die de Indianen, evenals weleer de Grieken, slang met twee koppen noemen, zich naar den poel begeven. Deamphisbena(27), die anderhalf voet lang was, had een, aan het uiteinde opgezwollen staart, wat haar een vreemd uiterlijk en een zonderlinge beweging gaf. De met breede schubben bedekte huid had een blauwen weerschijn. Zij kroop langzaam voort en hield telkens stil, als om in den grond te pikken, maar in werkelijkheid om er de mieren en insecten op te slikken. Deze zonderlinge slang trok zeer de aandacht van Lucienen Sumichrast ried hem aan zijn geweer er op te lossen, ten einde haar van naderbij te kunnen beschouwen. Hij behoefde zijn raad geen twee maal te herhalen; de jeugdige jager, die reeds goed met zijn wapen begon om te gaan, legde aan; het schot viel en de slang verdween, omhoog springende, in het gras. Zij was geraakt en een ieder haastte zich de rots af te dalen, in de hoop haar dood te vinden. Ons zoeken leidde tot niets; het kruipdier had zich in een of ander gat verscholen, waaruit wij tevergeefs zouden getracht hebben het te verwijderen.
Daar vertoonde zich Gringalet, die weldra door den Encuerado gevolgd werd. Toen de Indiaan ons bemerkte, liet hij een verschrikkelijk hioe! hioe! hooren; zijn hoed vloog in de lucht en hij wierp een zwaar voorwerp dreunend op den grond neer en begon toen te dansen. Zijne zonderlinge bewegingen deden ons schateren van 't lachen en Lucien liep op den Indiaan toe, die nu zijn dansen veranderde in buitelingen, op het gras den kunstenmaker vertoonende.
»Een kalkoen!” riep hij ons toe.
De zware vogel met goudgroen gevederte ging van hand tot hand.
»Oh, Chanito! riep de Indiaan uit, als gij met mij meê waart gegaan, zoudt gij er een ganschen troep van gezien hebben! Ik had die leelijkechibicoyosvervolgd zonder ze zelfs te zien en ik was aan den voet van een boom gaan rusten, toen Gringalet de ooren opstak, naar den anderen kant van den berg liep en begon te blaffen, alsof hij een tweede stekelvarken zag. Ik ging op mijne beurt naar omlaag en daar weerklonken van alle kantengloe-gloes; baas Gringalet was midden in eene raadsvergadering van kalkoenen gevallen.”
—Eene raadsvergadering van kalkoenen? herhaalde Lucien.
—Ja, Chanito, de kalkoenen houden ook raad; zij reizen gewoonlijk bij troepen en te voet, ofschoon zij zeer goed kunnen vliegen om eene rivier over te trekken of te vluchten. Als nu een hunner aan de anderen een bericht wil mededeelen, laat hij een schreeuw hooren en zijne makkers vormen een kring om hem.
—En dan?
—De predikant, hervatte de Encuerado zonder de minste oneerbiedige bedoeling, buigt den hals, richt dien weder op, steekt de veeren van zijn bef op en spreidt de pennen van zijn staart als een waaier uit; daarna begint hij tot de vergadering te spreken, die de vleugels opent, een rad slaat en met goedkeurendegloe-gloesantwoordt.
De Indiaan, door het vuur van zijn verhaal medegesleept, voegde de gebaren bij de woorden, draaide in de rondte, boog zijn armenrond en bracht zijn kin op de borst om de beweging van de vogels, die hij beschreef, na te bootsen.
»Maar wat zeggen zij dan?” vroeg Lucien slim.
—Dat hangt er van af, hernam de Indiaan, aan zijn voorhoofd krabbelende. De troep, door Gringalet verrast, heeft zeker gezegd: Wat is dat voor een dier?—Een hond, zal de geleerdste geantwoord hebben.—Vrienden, laat ons de vlucht nemen. De honden zijn altijd vergezeld van menschen, en de menschen van geweren.—Een geweer! Wat is dat voor een ding?—Een ding, datpoemdoet! en de kalkoenen doodt. Daarop kwam Gringalet; dat was een dringen en een vluchten en een wegbergen; maar de Encuerado heeft den tijd gehad ompoem!te doen en dien mooientotolete dooden.
Men behoeft niet te vragen of dit verhaal onze vroolijkheid gaande maakte. Terwijl wij naar het bivak terugkeerden, vertelde Sumichrast aan Lucien, dat de kalkoen uit Amerika voortkomt, dat de Jezuïeten hem naar Europa overbrachten, waar hij goed gedijde. In den tammen staat is het gevederte van den kalkoen veel van kleur veranderd; het is rood, wit, grijs en zwart geworden. Maar wat hij niet verloren heeft, is zijne gewoonte om in troepen te gaan en zijn vormloos nest in de struiken te maken, dat de jongen den tweeden dag nadat zij uitgekomen zijn, verlaten. Eindelijk wordt de Asteeksche naam van den kalkoen—totole—door de Indianen toegepast op domme en laffe menschen.
Lucien vertelde op zijne beurt aan den Encuerado de geschiedenis van den ekster en van de slang.
»Hebt gij een maquizcoatl, een slang met twee koppen, gedood!” riep de Indiaan uit.
—Ik heb haar hoogstens gewond, daar zij ontsnapt is; maar zij had slechts één kop.
—Dan hebt gij haar niet goed aangezien; ik ben er zeker van, dat zij zich niet heeft behoeven om te keeren om te vluchten.
—Ik heb haar omhoog zien springen, dat is al.
—Hebt gij wel onder de steenen gezocht? Laat ons terugkeeren; de huid van de maquizcoatl geeft den blinden het gezicht weer. Waarom hebt gij haar laten ontsnappen?
—Wij zullen er wel eene andere vinden.
—Men vindt ze niet als men wil,—zij zijn zeldzaam, hernam de Indiaan, het hoofd schuddende.
En terwijl de kalkoen voor het vuur braadde, ging de Encuerado door Lucien vergezeld, het gat van de tweekopslang opzoeken.