(26)Steen en cactus.
(26)Steen en cactus.
(27)Amphisbenais de naam der wroetslangen, waartoe ook de dubbelkopslang behoort. Zij vormen den overgang tusschen de hagedissen enz. en de slangen; bij sommige soorten treft men nog zeer korte pooten aan. (N. v. d. V.)
(27)Amphisbenais de naam der wroetslangen, waartoe ook de dubbelkopslang behoort. Zij vormen den overgang tusschen de hagedissen enz. en de slangen; bij sommige soorten treft men nog zeer korte pooten aan. (N. v. d. V.)
EEN VUURBOL.—DE LANTAARNS VAN ONZEN-LIEVEN-HEER.—HET STINKDIER.—DE JALAPPE.—EENE LUCHTREIS.—DE ORCHIDEEËN.—BIVAK BIJ DEN INGANG VAN EENE GROT.—GRINGALET EN DE KEVERS.—EEN TERMIETENNEST.
De zon verliet ons weldra en wij bleven bij het vuur zitten praten. Eindelijk nam de Encuerado Lucien mede naar de rots en hief daar een der bijna niet eindigende lofzangen aan, waarvan zijn geheugen ruim voorzien was. Ons vuur verlichtte den grooten steen met zijn rood schijnsel; men zou het voor een reusachtig voetstuk gehouden hebben, met twee bronzen beelden er op. Een reiziger, die onverwacht de vallei zou binnengekomen zijn, ware voor deze spookachtige verschijning teruggedeinsd; indien een of ander roofdier in den omtrek ronddoolde, zouden onze reusachtige schaduwen voldoende geweest zijn, om het op de vlucht te drijven.
Wij dachten er reeds aan om Lucien terug te roepen, ten einde ons onder de hut ter ruste te begeven, toen de Encuerado ons riep. Naar den kant van het Oosten, boven den top der bergen, schitterde eene groote lichtende schijf. De maan was ternauwernood in haar eerste kwartier en bovendien scheen de bol, die den vorm eener ellips aannam, zich voort te bewegen. Werkelijk daalde zij langzaam langs de boschachtige bergruggen. Lucien en de Encuerado overlaadden ons met vragen, waarop wij niet wisten te antwoorden. De roode ellips, die geen stralen vertoonde, nam hare richting naar ons toe.
»Wat is dat?” riep Sumichrast uit.
—»Een vuurbol!” riep ik uit, door eene plotselinge gedachte getroffen.
—Als ik mijn geweer had, zou ik er op goed geluk af op schieten, sprak de Encuerado en wilde schielijk zijn wapen krijgen.
»Blijf hier,” sprak ik; »die bol bevat misschien den bliksem, en men moet dien niet nutteloos naar zich toe trekken.” Op hetzelfde oogenblik ging de meteoor ons voorbij; wij hadden ons met het gelaat op den grond geworpen, daar wij het onbekende vreesden. Toen ik het waagde op te staan, was hij reeds ver weg, maar scheen toch onbeweeglijk te zijn. Uit zijn middenpunt schoten onophoudelijk in beweging zijnde stralen; het licht, dat van binnen wit was, nam aan de randen eerst gele, dan roode en eindelijk blauwe tinten aan. Een bliksemstraal van eene buitengewone sterkte verblindde ons eensklaps; eene verschrikkelijke ontploffing, door alle echo's herhaald, maakte ons bijna doof; daarna verviel alles weer in stilte en in duisternis.
Terwijl wij naar het bivak terugkeerden, bestormden Lucien en de Encuerado ons met vragen.
»Wat zijn toch vuurbollen?” vroeg de knaap.
—Volgens het zeggen der geleerden, antwoordde Sumichrast, zijn het brokstukken van planeten, die in de ruimte dwalen en die, onverwacht in ons planetenstelsel getrokken, aan de aantrekkingskracht onzer aarde gehoorzamen en krachtens de wet der zwaartekracht op hare oppervlakte neervallen.
—Maar waaruit bestaan zij dan?
—Gewoonlijk uit zwavel, chroom en ijzer. Het verschijnsel der vallende sterren staat in nauw verband met dat der vuurbollen en de neergeworpen brokstukken heeten aëroliden.
—Wilt gij ons wijsmaken, dat er steenen van den hemel regenen? vroeg de Encuerado.
—Zeker, en als ik mij niet vergis heeft men in uw land de grootste bekende aërolide gevonden, want zij weegt niet minder dan vijfduizend kilo's. Morgen zullen wij gaan zoeken naar die, welke aan het einde der vallei moet neergevallen zijn.
—Geven die steenen dan licht? hernam de Indiaan.
—Neen, maar door de snelheid van den val ontbranden zij.
—En vanwaar kwam de vuurbol, die langs ons heenging?
—Van de maan, van de sterren, misschien wel van de zon.
De Encuerado kneep zijne oogen half dicht en begon te lachen, om hetgeen hij dacht dat eene scherts was. Hij lachte zelfs zoo hartelijk, dat zijne vroolijkheid zich aan ons mededeelde.
»Wat denkt gij dan, dat de zon en de maan zijn?” vroeg Lucien hem.
—De lantaarns van Onzen-lieven-Heer, antwoordde de Indiaan vol ernst.
Gewoon aan de kinderlijke onwetendheid van zijn vriend, maar die altijd willende bestrijden, trachtte onze kleine reismakker hem ons planetenstelsel duidelijk te maken. De grootte, die hij de sterren toeschreef, vermaakte den Indiaan zeer. Toen eindelijk de jonge sterrenkundige meende de overwinning te hebben behaald, omhelsde zijn tegenspreker hem en zeide:
»Uw vertelseltje is heel mooi! Och, wat zou ik 'n plezier hebben, als ik al die fraaie geschiedenissen in de boeken kon lezen.”
—Dàt 'n vertelseltje! riep Lucien verontwaardigd uit.
—Drommels, wat anders. Te willen beweren, dat de aarde een bol is, die rondwandelt, en dat er sterren zijn, grooter dan zij! Ik heb meer dan één nacht doorgebracht met er naar te kijken, en het zijn wel degelijk lantaarns, hoor!
—Maar als gij ze dan hebt gadegeslagen, viel Sumichrast hem in de rede, dan moet ge ook opgemerkt hebben, dat zij van plaats veranderen.
—Omdat de Engelen niet altijd dezelfde aansteken en omdat de goede God rijk genoeg is...
—Kom, laat ons gaan slapen, riep ik uit, om een einde te maken aan eene woordenwisseling, die ik bij ondervinding wist, dat slechts op eene nederlaag van Sumichrast en Lucien kon uitloopen.
Den volgenden morgen was mijn eerste werk mijne metgezellenmeête nemen om naar den vuurbol te zoeken. De vuurbol was bijna over ons heengegaan en ik geloofde zeker er de brokstukken van te zullen vinden. Na een uur van nutteloos ronddolen, moest ik wel aannemen, dat onze oogen zich in den afstand vergist hadden. De Encuerado liet wel eenige ongeloovige lachjes hooren, bij het vernemen van mijne gissingen en die van Sumichrast, maar hij was edelmoedig genoeg om geen misbruik te maken van de meerdere sterrenkundige wetenschap, die hij meende te bezitten.
Toen het uur van het vertrek was aangebroken, trok ik opnieuw de vallei door en daarna den berg beklimmende, voerde ik mijne makkers op een bergvlak.
Ik volgde zooveel mogelijk den vermeenden weg van den vuurbol. Reeds drong de Encuerado het bosch binnen, toen Sumichrast aan zijne rechterhand een afgebroken boom bemerkte. Ik snelde de helling af, en weldra bevond ik dat de grond op eene uitgestrektheid van twintig meter bezaaid was met zwarte of groene opgezwollen steenen, waarvan verscheidene op ijzersintels geleken.
Ongetwijfeld had de getroffen boom de uitbarsting van den meteoor veroorzaakt en was onder den schok bezweken.
»Dat zijn de stukken van een lantaarn,” zeide Lucien tot den Encuerado, die een grooten steen met metaalachtigen glans had opgeraapt.
De Indiaan schudde het hoofd zonder te antwoorden. Die omgeworpen boom, die zwartgebrande stam, dat verdorde en als 't ware verbrande gras, die steenen, zoo vreemd van uiterlijk, wierpen klaarblijkelijk zijne theorieën omver. Ieder onzer vermeerderde zijne vracht met een aërolide en daarop het bergvlak weer bereikende, trokken wij het bosch in.
Een geweerschot van Sumichrast maakte dezen voor den geheelen dag gelukkig; hij had een kruisbek van groenachtige kleur, in Europa nog onbekend, geschoten.
»Wat een vreemde vogel! riep Lucien uit. Hoe kan hij met zulk een scheeven bek eten?”
—Zijn bek, antwoordde Sumichrast lachende, is geschikt voor zijn soort van voedsel. Deze kruisbek, dien wij hier bij toeval aantreffen—want men vindt hem gewoonlijk slechts op den top der bergen—voedt zich met wortels, bladknoppen en dennezaden. Met zijne twee sterke, en zoo zonderling geplaatste kaken, knijpt hij, als met eene schaar, de uiteinden der takjes af, die een vogel met spitsen bek nauwelijks zou kunnen beschadigen.
—God denkt aan alles, mompelde de Encuerado, die de huid van den vogel hielp bereiden; ik heb altijd gedacht dat die arme dieren verminkt waren.
Tegen den middag voerde de weg ons bij toeval diep in eene nauwe vallei, te midden van eene menigte heesters, die ons uitnoodigden daar ons bivak op te slaan. In een oogwenk was de grond van takken gezuiverd en de hut opgericht. Nauwelijks waren wij gezeten om wat adem te scheppen, of een licht geruisch in het kreupelhout trok onze aandacht; een dier met gepluimden staart sprong van een heester. Gringalet ging er op los, maar een verpestende stank deed hem terugdeinzen en ons bijna stikken. Een Zorilla(28), wiens vormen en kleur aan de eekhoorns herinneren, had de lucht van ons bivak vergiftigd.
Er bleef ons niets anders over dan te vertrekken, want de stank zou deze plaats verscheidene dagen onbewoonbaar maken. De Encuerado kon geen scheldwoorden genoeg vinden, om ze het dier naar den kop te werpen; eigenlijk had dit niet anders gedaan dan gebruik gemaakt van de verdedigingsmiddelen, waarmede de natuurhet begiftigd heeft. Iedereen nam zijne vracht droevig op, niet zonder een teleurgestelden blik op de hut te hebben geworpen. Sumichrast opende den marsch en bleef niet staan, voor hij uitgeput aan den ingang van een grot was gekomen.
Nog geheel onpasselijk door den stank, dien de Zorilla had verspreid en ons niet andermaal aan een soortgelijk ongeval willende blootstellen, was onze eerste zorg, alvorens de hut op te richten, om de struiken en heesters goed te doorzoeken.
Eenige vogels, die wij onderweg gedood hadden, bespaarden ons de moeite eener verdere jacht, iedereen begon zich derhalve met zijne kleerkast bezig te houden. Vooral onze schoenen riepen hard om hulp. Sumichrast wierp zich op als meester-schoenlapper. Ik zag niet zonder eenige vrees, hoe hij met onervaren hand in het reserve stuk leer, dat wij bezaten, ging snijden. De sandalen van den Encuerado gaven hem op ons veel voor, hij had slechts een zool en een riem noodig om een schoeisel voor zijn voet te vinden. Ongelukkigerwijze gaf de gevoeligheid van onze huid meer dan eens aan Sumichrast reden, om zich te beklagen, dat hij niet als Indiaan geboren was.
De altijd vindingrijke Encuerado vond evenwel het middel om op oude zolen stukken van de vossehuid te lappen en voor Lucien een paar laarsjes te maken, die even sterk als weinig sierlijk waren. Hij beloofde er voor ons ook zulke te zullen maken, en Sumichrast, die zich tamelijk wel van zijn lapwerk gekweten had, benoemde hem tot den gewonen en buitengewonen sandaalmaker van onze Majesteiten.
Den volgenden morgen drongen wij met het aanbreken van den dag eene nauwe bergkloof in, waar wij onmogelijk naast elkander konden gaan. Den ganschen ochtend liepen wij tusschen twee muren, met mos, varens en orchideeën begroeid. De vochtige bodem onderhield rondom ons eene zeer aangename frischheid, maar de doortocht, door omgeworpen boomstammen versperd, maakte den marsch zeer moeielijk.
De kloof liep zoo lang voort, dat ik werkelijk bevreesd begon te worden, en ik vroeg mijzelven af, of wij niet in een doodloopenden weg waren. De loodrechte wanden maakten de minste afwijking onmogelijk; boven ons kruisten de takken der boomen zich en verborgen zij de lucht. Geen enkele vogel vervroolijkte door zijn gezang deze eenzaamheid en de varenplanten werden zoo talrijk, dat men gemeend zou hebben in een hoekje van de oorspronkelijke wereld te zijn; om de vergelijking nog meer te rechtvaardigen, zagen wij bij onze nadering talrijke kruipdieren vluchten, die ons tot de grootste omzichtigheid aanspoorden.
Met zijn machete in de hand klom Lucien met de meeste behendigheid op de omgevallen stammen, die ons den weg versperden. Weldra zakten onze voeten in een vloeibaar slijk en ik ontdekte een dun straaltje kristalhelder water, dat tusschen twee rotsen doorzijpelde. De kloof werd nog nauwer; als zich op dit oogenblik een wild dier vertoond had, zouden wij hem den doortocht hebben moeten betwisten. Eene soortgelijke ontmoeting behoorde niet tot de onmogelijkheden en tot zijn grooten spijt moest Lucien naar de achterhoede gaan. De ruimte werd een weinig breeder, het terrein werd meer open en de kleine kolonne kou sneller vooruitkomen. Wij liepen zwijgend tusschen deze granieten muren, van een streng en indrukwekkend uiterlijk voort, in de hoop dat zij eensklaps wijder zouden worden en op eene vlakte konden uitkomen. Bij elke schrede stelde eene nieuwe bocht onze verwachting te leur en als ooit een doorgang den naam van Duivelskloof verdiende, dan was het wel de eindelooze spleet, die wij zoo langen tijd reeds volgden. Bij alle hoogten dreigden overhangende rotsen neer te storten, meer dan een vulde zelfs het nauwe pad. Eindelijk liet eene laatste bocht ons eene lichting zien; maar onze vreugde was van korten duur; een loodrechte afgrond gaapte voor onze voeten.
Wij keken elkander onthutst aan; wij waren gevangen! Links en rechts een muur van meer dan honderd voet hoog en onmogelijk over te komen; voor ons een afgrond met loodrechte wanden. Wat te doen? Sumichrast ontstak de raadspijp, terwijl de Encuerado, zich aan de rotsen vastklampende, den afgrond met de oogen peilde.
Wij zaten bij een slingerplant met dunne takken, koordvormige, rood gekleurde bladeren, die hier en daar eene violetblauwe bloemkelk verborgen. Ik herkende de plant, die de jalappe voortbrengt en door de Indianentalonpablegenoemd wordt. Ik deed haar Lucien opmerken, die weldra twee of drie peervormige wortels uitgegraven had. De jalappe, die haar naam aan de stad Jalappe, van waar men haar vroeger naar Vera-Cruz uitvoerde, ontleend heeft, groeit in 't wild op alle bergen van het Gematigde Land. Ongelukkigerwijze verwoesten de Indianen de plant, door alle knollen uit te graven, en het tijdstip is niet ver meer verwijderd waarop dit, in Europa zoo veelvuldig gebruikt purgeermiddel, geheel ontbreken zal, zooals gebeurd is met den Kinaboom, dien men vernietigd heeft, zonder aan de toekomst te denken.
Ik naderde den afgrond en bemerkte den Encuerado, die, meer dan twintig voet beneden mij, met de vlugheid van een aap over den gladden bodem kroop. Ik beval hem bij ons te komen; maar hij kon niet terug en bleef onbeweeglijk in eene vrij hachelijkestelling. Sumichrast haastte zich eenlazote brengen, dien ik onzen koenen reisgezel toewierp; maar in plaats van naar boven te klimmen, liet hij zich vier of vijf voet lager glijden en ging schrijlings op den stam van een boom zitten, die schuins gegroeid was en riep ons toe denlazolos te laten. Na denlazoom een sterken tak geknoopt te hebben, verdween hij.
Toen liet Sumichrast zich tot den boom afglijden. (blz. 127).
Toen liet Sumichrast zich tot den boom afglijden. (blz. 127).
Spoedig vertoonde hij zich weer, ging opnieuw op den boomstam zitten, om welken hij denlazogerold had en berichtte ons, dat wij onze nederdaling zonder veel gevaar ten uitvoer konden brengen. Sumichrast maakte een tweedenlazogereed.
»Hoe zullen wij hem vastmaken? vroeg Lucien. Er zijn geen dikke takken op den rand.”
—De riem is lang en ik zie daar een heester met vrij stevige takken.
—Maar dan is delazoverloren, niemand zal naar boven kunnen klimmen om hem los te maken.
—Drommels! drommels! herhaalde Sumichrast verscheidene malen, meester Zonnestraal heeft gelijk.
En ieder onzer trachtte de moeielijkheid op te lossen, door meer of minder uitvoerbare middelen voor te stellen.
»Ik heb het gevonden!” riep ik met minstens evenveel voldoening uit, als Archimedes, toen hij uit het bad kwam. Mijn machete nemende, maakte ik twee palen van gemiddelde dikte, die ik dicht bij elkander, op drie pas van den afgrond in den bodem stak. Terwijl Sumichrast met een geïmproviseerd heiblok dit werk nog meer bevestigde, kapte ik een tak van ongeveer een voet lengte af, in 't midden waarvan ik denlazostevig vastknoopte en dien ik dwars achter mijne palen plaatste. Ik berekende dat, als wij eenmaal de plaats zouden bereikt hebben, waar zich de Encuerado bevond, het voldoende zou zijn aan denlazoeene sterk golvende beweging te geven, om den tak los te maken. Toen deze voorbereidselen afgeloopen waren, ging de mars zich bij hem, die haar gewoonlijk droeg, vervoegen. Toen liet Sumichrast, de zwaarste onder ons, zich tot den zoo gelukkig geplaatsten boom afglijden. De palen gaven slechts eenige strepen mee. Zijne nederdaling voortzettende, verdween mijn makker spoedig onder den Indiaan; daarna kwam de beurt aan onzen voorraad, die dit tweede gedeelte van de reis er goed afbracht.
Het ongeduld van Lucien was buitengewoon groot; deze luchtreis bekoorde hem.
»Nu uwe beurt,” sprak ik, zoodra ik den riem weer had opgehaald.
—Wilt u me vastbinden? vroeg hij geheel teleurgesteld.
—Hoe denkt gij dan naar beneden te komen?
—Door mij aan denlazovast te houden, zooals de Encuerado en mijnheer Sumichrast.
—Uw vuisten zijn daar nog niet sterk genoeg voor, er valt niet aan te denken, ik wil mij niet aan 't gevaar blootstellen u in den afgrond te zien vallen.
—Och, vadertje, laat mij het beproeven.
—Volstrekt niet, want als de proefneming mislukte, zoudt gij niet meer in de gelegenheid zijn haar te hernieuwen.
Lucien liet zich, niet zonder een weinig spijtigheid te betoonen, vastbinden, terwijl zijn verbaasde hond om hem stond te blaffen.
»Geduld maar! Geduld maar! sprak ik tot hem; je beurt zal ook wel komen, dan zal je zoo blij niet zijn.”
De riem gleed langzaam af en weldra was de knaap tusschen de takken van den boom. Daar bond de Encuerado hem met dezelfde zorgvuldigheid en niet minder stevige knoopen, opnieuw vast. Over den afgrond gebogen, hoorde ik Sumichrast den Encuerado bevelen den riem met meer of minder snelheid te laten vieren. Toen ik zag dat hij behouden was aangekomen, gevoelde ik mij van eene groote zorg bevrijd; ik begon Gringalet, die niet ophield met janken, sedert zijn meester verdwenen was, vast te binden.
Niettegenstaande zijn angst liet ik den hond in de lucht bengelen; hij spartelde, huilde, en ontsnapte bijna aan de handen van den Encuerado, die hem, terwijl hij hem lager liet zakken, het nuttelooze van zijn geschreeuw en het gevaarlijke van zijn spartelen onder 't oog bracht. Na de palen en den dwarsstok nog eens goed onderzocht en mij overtuigd te hebben dat niets vergeten was, gleed ik op mijne beurt naar beneden. Ik schudde daarop den riem, dien ik gelukkig los kreeg. Onder mij bemerkte ik Sumichrast en Lucien, op een nauwen voorsprong zittende, welke langs eene rotsachtige helling naar den voet van den berg voerde. Ik vervoegde mij bij hen, door den Encuerado gevolgd.
Wij hadden het dwarshout tusschen twee stevige takken bevestigd; ditmaal schudde ik lang aan den riem zonder dien los te kunnen krijgen. Mijne nuttelooze pogingen moede, wilde ik het reeds opgeven, toen het stuk hout eensklaps meegaf en mij bijna dood had geslagen. Sumichrast en Lucien waren vooruitgegaan.
De marsch werd bezwaarlijk, en het was niet altijd gemakkelijk om op die, nu eens gladde, dan weer hobbelige rotsen zijn evenwicht te bewaren. Wij liepen tusschen twee heggen van Orchideeën door, eene soort vetplanten, waarvan Mexico duizenden soorten bezit; bijna bij elke schrede staan blijvende om de eene of andere van deze fraaie planten te bewonderen, die zoo zonderling van vorm zijn enzulke schitterende bloemen hebben, gewoonlijk echter zonder geur. De Encuerado wees ons verscheidene planten van de lynx-bloem, die door de Indianen »slangenbloem” wordt genoemd, en wier vijf, met gele punten bezaaide bloembladen, met rose, violet en wit gemarmerd zijn. Iets verder herinnerde eene andere bloem, deoceloxochitl, tijgerbloem, door hare kleur aan de huid van het dier, waar de Indianen haar den naam van hebben gegeven. Hier en daar eene bloem plukkende, was Lucien weldra in 't bezit van een ruiker, zooals de rijkste plantenkassen er hem geen zouden hebben kunnen leveren; hij zou den naam van al die fraaie planten wel hebben willen kennen, maar hij moest zich nu tevreden stellen met te vernemen, dat, met uitzondering van de vanielje en de Orchidee, die haar naam aan de geheele familie heeft gegeven, en wier gedroogde knollen onder den naam vansalepbekend zijn, geene enkele van het schitterende legioen der Orchideeën, iets voor de kunsten noch voor de nijverheid oplevert.
Wij hadden den voet van den berg bereikt: reeds groeiden eenige struiken om ons, toen eene onmetelijke rotsmassa ons tot een omweg dwong.
Ik ging voorop en een onvrijwillig uitglijden bracht mij voor den ingang van eene grot. Op mijn geroep ijlden mijne makkers naar mij toe; ik deed twee of drie schreden onder het gewelf, onder welks beschutting wij den nacht besloten door te brengen.
Terwijl ik, door Lucien geholpen, hout verzamelde, ruimde de Encuerado den grond op en hakte Sumichrast een paar struiken om, die ons het vrije uitzicht belemmerden. Ik beval den Indiaan het vuur aan te maken, waarvan de rook ons zou helpen den ingang van de grot te vinden; daarna moest men er op uit om voor het maal te zorgen.
Toen ik in de vlakte was gekomen, kon ik beter oordeelen over het kunststuk, dat wij volbracht hadden. Tot op de hoogte der grot ongeveer, struiken en kreupelhout; hooger op de Orchideeën, wier levendig gekleurde bloemen en opaalgroene bladeren, sterk op de zwart en grijs getinte rotsen afstaken; hooger nog een rechte, gladde, onoverkoombare muur, daarna de kloof waardoor wij gekomen waren. Sumichrast voerde ons door het struikgewas naar de bosschen, waar de met welriekende bloemen bedekte broodboomen verkondigden, dat wij het Warme Land en een anderen plantengroei naderden. Weldra verhief een groote magonie-boom—swietenia mahogoni—met talrijke twijgen en donkergroene bladeren, zich voor onze oogen; een weinig verder versmoorde een omgevallen wolboom vijf of zes struiken. De wolboom—eriodendron anfractuosum—door de Indianenpochotlgeheeten, is een der grootste bekende boomen; depeulvormige vruchten bevatten een zijdeachtig dons, dat de zonderlinge eigenschap bezit van in de zon op te zwellen.
Ik was juist bezig Lucien op deze bijzonderheid opmerkzaam te maken, toen een vreeselijk gegons zich deed hooren. Een honderdtal Hercules-kevers, die uit een struik waren opgevlogen, kwamen met kracht tegen de takken van den boom terecht. Een er van viel ons voor de voeten. Lucien wilde hem tegen den grond houden, maar het dier worstelde zich los en vervolgde zijn weg.
—Och! riep de knaap uit, die kever is sterker dan ik.
—Hij draagt ook niet voor niets den naam vanHercules, antwoordde Sumichrast lachende. Zoo als gij ondervindt is zijne kracht even opmerkenswaardig als zijne grootte. 't Is een inwoner vanBrazilië, dien men slechts nu en dan eens in Mexico aantreft.
—En reist hij altijd in troepen?
—Neen, het geval is zelfs zeldzaam genoeg, om er aanteekening van te houden.
—'t Is of ik een reuk van snuif in den neus krijg, sprak Lucien, niezende.
—Drommels! Drommels! 't Zijn de kevers, welke dien van zich geven, hernam Sumichrast. Dat is nog eene bijzonderheid, die ik aanteekenen moet.
—Zie eens, Papa! hoe ze aan elkander gaan hangen en zoo een grooten tros vormen. Bijten zij niet met die groote kaken?
—Wat gij voor hunne kaken aanziet, zijn hunne horens, maar de plaatsing er van verontschuldigt uwe vergissing. Merk wel op, dat het bovengedeelte van het lichaam van het insect zwart en glanzend is, terwijl de dekschilden van een grijsachtig groen en met donkere puntjes gestippeld zijn.
—Daar is er een, die geen horens heeft.
—Dat is een wijfje, hetwelk een plaatsje opzoekt, waar het haar eieren kan leggen!
Wij sloegen met veel nieuwsgierigheid het gaan en komen der kolonie gade, die door onze tegenwoordigheid volstrekt niet beangst scheen, toen Gringalet, die ook aan 't niezen geraakte, eensklaps klagend begon te janken. De Encuerado had hem drie of vier kevers op den rug gezet, die hunne, met dubbele haken gewapende pooten, in de huid van hun rijdier sloegen. De Indiaan, zelf verbaasd over het gevolg zijner proefneming, haastte zich den armen hond, die zich over den grond rolde, ter hulp te komen; hij kreeg hem te pakken, maar had veel moeite om hem van zijne lastige ruiters te bevrijden. Een hunner klampte zich zelfs aan de hand van den grappenmaker vast, wiens vreemde gezichten ons zeer vermaakten. Als hij een pootvan het insect losmaakte, vond dit altijd gelegenheid om zich met een anderen, het had er zes, vast te haken. Boos, omdat hij met zulk een tegenstander moest worstelen, trok de Encuerado met een ruk het dier los, zoodat het bloed uit zijne koperkleurige hand parelde. Altijd tot wraakneming bereid, dreigde hij den geheelen troep te vernietigen; maar terwijl ik over zijn booze luim lachte, belette ik hem toch zulk een nutteloozen moord te begaan.
»Ziet me die mooie heeren eens aan, riep hij uit. Omdat men zegt dat het Herculessen zijn, meenen zij de vingers van hun evennaaste te mogen verscheuren? Lummels, wier neus langer dan hun lichaam is, en die Gringalet met blaffen op de vlucht kan krijgen!
—Pak ze, pak ze dan!” riep hij den hond toe.
Maar deze vluchtte met hangenden staart en de ooren in den nek, in plaats van aan te vallen, en ik merkte dat van dien dag af, het geringste gegons van een insect voldoende was, om hem onrustig te maken.
Sumichrast, die een der kevers had gegrepen, bedekte dezen met een steen, die, beider verhouding in aanmerking genomen, hem had moeten verpletteren; maar de Hercules op zes pooten sleepte, tot groote verwondering van Lucien, zijne vracht bijna zonder inspanning voort. Weldra hernamen de kevers een voor een hunne vlucht, en kwamen zij om ons zweven. Wij moesten nog eens terugwijken, uit vrees dat een, misschien, zijn buitengewoon lange horens in onze oogen zou steken.
Gringalet nam den terugtocht aan. Lucien ging zitten, om op zijn gemak te kunnen lachen, want de Encuerado had, in plaats van zich te verwijderen, zijne machete getrokken, nam eene uitdagende houding aan, en zijne vijanden uitscheldende, als een held uit Homerus, daagde hij ze uit om hem te naderen.
Eindelijk ging de weer vereenigde troep aan het uiteinde van een tak van den wolboom hangen, voor welken boom de Hercules-kever eene bijzondere voorkeur schijnt te hebben.
Wij hadden onzen maaltijd geheel vergeten; wij gingen dus, ieder een kant uit, op de jacht. Ik ging, door Lucien en Gringalet gevolgd, langs den zoom van het woud. Zoo liepen wij ongeveer een uur, zonder iets gevonden te hebben, toen vier patrijzen met aschkleurigen buik, bruingele vleugels en een kuifje op den kop, op vijftig pas afstand van ons opvlogen, om een weinig verder neer te strijken.
Toen zij goed onder schot waren, beval ik Lucien terzelfder tijd als ik te schieten en twee dezer vogels, die de geleerden Sonini-patrijzen noemen, kwamen in ons bezit. Deze fraaie hoendervogels worden zelden in Mexico aangetroffen, althans in dat gedeelte waar wij ons bevonden.
Ik sloeg den weg naar het bivak in, dezen keer het woud binnen dringende.
»Oh! Papa, wat eene groote spons!” riep Lucien eensklaps uit.
Eene vormelooze, poreuse, geelachtige massa verhief zich aan onze rechterhand, drie of vier voet boven den grond. Ik herkende het nest van den termiet, dien de MexicanenComejennoemen.
»Dat is een nest van witte mieren,” zeide ik tot Lucien; »het zijn insecten van de orde der adervleugeligen en verwanten van de waterjuffers.”
—Maar waar zijn ze dan?
—Dat zal ik u laten zien.
Ik schopte met den voet tegen de sponsachtige massa, en oogenblikkelijk kwamen er eene menigte insecten uit, die zeer op mieren geleken en naar alle kanten rondliepen, als om de oorzaak te zoeken van het geraas, dat hen gestoord had. Lucien wilde ze meer van nabij bezichtigen.
»Pas op, de termieten, die gij nu ziet, zijn slechts weerlooze arbeidsters; maar spoedig zullen de soldaten verschijnen, en als dezen bij u kunnen komen, zullen ze u tot bloedens toe bijten.
Lucien keek mij eens aan, denkende dat ik schertste.
»Ik spreek in allen ernst, haastte ik mij er bij te voegen; de termieten, zoowel als de bijen en mieren, waarop zij op 't eerste gezicht veel gelijken, leven in gezelschap en bouwen nesten, die nog veel grooter zijn dan dat, hetwelk gij hier voor u ziet. Dit nest, zeer regelmatig in celletjes verdeeld, bevat een koning, eene koningin, werklieden en soldaten. De werklieden zijn bekwame bouwmeesters, die zich belasten met het bouwen, onderhouden en zoo noodig vergrooten van de zonderlinge woning, die gij voor eene spons hebt aangezien.
»De soldaten hebben niets anders te doen dan te strijden tegen den vijand, wie hij ook zijn moge, die den vrede van de kolonie zou komen verstoren.”
»Maar ik zie duizenden gaten; heeft elke termiet dan eene afzonderlijke kamer?”
»Ten naasten bij: er is in de eerste plaats eene kamer voor de koningin, die de grootste is; dan eene voor den koning; dan de kinderkamer, waar de werksters de eieren inbrengen, welke de koningin dag en nacht legt.
—Wat zou ik dat alles eens gaarne willen zien!”
Overtuigd dat het voorbeeld beter is dan de duidelijkste verklaring, sloeg ik opnieuw op het nest.
De werksters, die reeds bijna allen verdwenen waren, keerden onmiddellijk terug, om de bedreigde plek te onderzoeken. Ik streekmet veel geraas mijne machete links en rechts er over, en in een oogwenk scheen de geheele oppervlakte te leven. Toen bepaalde ik mij er toe, om slechts op één punt met mijn geraas voort te gaan en weldra zag ik de soldaten, aan hun grooten kop herkenbaar, te voorschijn komen; eindelijk sloeg ik een stuk van het gebouw af, en legde zoodoende eene menigte witte puntjes bloot: dat waren de eieren, welke de werksters met veel overhaasting naar het binnenste van het gebouw in veiligheid brachten.
Na zoodoende alles in rep en roer gebracht te hebben, haastte ik mij Lucien mee te trekken, want de soldaten bedekten reeds den grond, en ik kende te goed de felheid hunner beten, om er mij willens en wetens aan bloot te stellen.
»Maar ik heb de koningin niet gezien,” riep mijn kleine makker uit.
—Zij bevindt zich in het middelste gedeelte van het gebouw, en is in eene cel ingemetseld, waaruit zij onmogelijk zou kunnen ontsnappen, want de omvang van haar lichaam is gelijk aan dien van twintig of dertig werksters. Sumichrast, die de termieten veel heeft waargenomen, beweert, dat eene koningin ongeveer tachtigduizend eieren per dag legt. Nauwelijks zijn de kleine termieten geboren, of ze worden naar ruime kamers gebracht, waar ze gevoed worden, tot ze sterk genoeg zijn om zelven te arbeiden. Tegen het regenseizoen worden er eenige witte mieren geboren, die vier vleugels hebben, zoodat ze verderop nieuwe kolonies kunnen stichten; maar die vleugels zijn van korten duur; het is gebeurd, dat ik er gansche hoopen van heb ontmoet, waarvan ik mij de aanwezigheid niet kon verklaren.
»En hoe bouwen de termieten hunne woningen?
»Die, welke wij gezien hebben, schijnt gebouwd te zijn van aarde, doorweekt met eene soort gom, welke het insect door den mond afscheidt. Over het algemeen hebben de onderaardsche gangen van een termietennest gewelven, die schijnen te bestaan uit hout, dat door eene of andere kleverige stof stevig is gemaakt. Deze insecten zijn, evenals de mieren, allesetend en als dezen dragen zij zorg in hunne magazijnen een overvloedigen voorraad op te stapelen.”
Wij begonnen den berg te beklimmen, en toen ik naar boven keek, was ik geheel verwonderd mijne twee makkers reeds bij het vuur te zien zitten.
(28)Surilhoof stinkdier.
(28)Surilhoof stinkdier.
EENE NIEUWE SOORT FAKKELS.—EERSTE BLIK IN DE GROT.—DE LICHTKEVERS.—DE GOTHISCHE ZAAL.—STALACTIETEN EN STALAGMIETEN.—EEN KERKHOF DER CHICHIMETEN.—DE INDISCHE NOTENBOOM.—DE BUIDELRAT EN HARE JONGEN.
Lucien was met de twee patrijzen vooruitgegaan; toen ik op mijne beurt bij het vuur aangekomen was, vond ik er een grooten mol die voor het vuur gebraden werd, en waarvan Sumichrast het vet zeer zorgvuldig opving.
»Hoe hebt ge dat dier gedood? vroeg ik mijnen makker, ik heb u niet hooren schieten.
»De Encuerado heeft het met een slag met de geweerkolf gedood; terzelfder tijd hebben uwe twee geweerschoten ons naar de grot doen terugkeeren.
»En met welk doel verzamelt gij dat vet? Moet dat misschien een of anderen schotel voorspellen?
»Neen; maar ik ben van plan de grot te onderzoeken en met dat vet zullen wij eene lamp maken, waarvan het licht ons van veel nut kan zijn.
Ik juichte het denkbeeld van Sumichrast toe, en daar hij eene gansche kolonie mollen had ontdekt, stelde ik voor, om er na het middagmaal eenigen te gaan vangen, ten einde zóó het aantal lampen te vermeerderen. Bovendien hoopte ik op die wandeling wel een harsachtigen boom te ontmoeten, waarvan de takken als fakkels dienst zouden kunnen doen. Lucien kon zijne blijdschap nauwelijks bedwingen, en zou wel zonder uitstel in de grot hebben willen doordringen. Hij gunde zich nauwelijks den tijd om te eten en beknordeden Encuerado over zijne langzaamheid, eene indirecte manier om ons ook tot meer spoed aan te sporen.
Nadat wij opnieuw het woud bereikt hadden, gingen wij een denne- of pijnboom opzoeken, waarvan de met hars gevulde takken ons zouden veroorloven de mollen te sparen. Toen Lucien ons die beide boomen hoorde noemen, vroeg hij, waarin zij van elkander verschilden.
»De sparreboom, zeide Sumichrast, groeit gewoonlijk op hooge bergen, binnen in het vasteland, terwijl de denneboom op de oevers groeit, waarvan hij het beweeglijke zand op den duur vast en vruchtbaar maakt. Deze twee boomen behooren tot de familie der conifeeren of kegeldragenden. Zij verschillen slechts door hunne vruchten; de kegelvruchten van den denneboom worden gevormd uit de in hout verouderde schubben van den kelk en bevatten een zaad, dat door eene vliesachtigen vleugel omgeven wordt. De kegels van den spar zijn dun, taai, niet houtachtig, en deze laatste eigenschap helpt de plantenkundigen vooral in hunne rangschikking.”
De geleerde uitlegging van Sumichrast liet veel te wenschen over. Ik maakte dit op uit de talrijke vragen van Lucien, maar zonder een exemplaar der beide boomen voor oogen te hebben, was het ook moeielijk hun verschillend kenmerk beter te verklaren.
Na eene lange, vruchtelooze wandeling, bleven wij voor eengaiacboommet donkergroen gebladerte, en hooger dan die, welken wij tot dusverre ontmoet hadden, staan. Ik wist, dat hij eene hars bevatte, dat vooral door de Engelschen als tandmiddel wordt gebruikt; maar de hardheid van het hout, dat onze wapens stomp zou gemaakt hebben, deed ons besluiten verder te gaan.
Een weinig verder ontdekte de Encuerado een amberboom, een boom, vooral kostbaar door den balsem, die uit de ingekerfde takken vloeit en die door de Indianen, bij wijze van wierook, gebrand wordt. Hij klom langs den kwastigen stam van den reuzenboom op en hakte er takken af, die Sumichrast in kleine stukken verdeelde, nadat ik ze van de bladeren ontdaan had. Dit werk werd door het naderen van den avond onderbroken en met een zwaren takkenbos beladen, trokken wij naar den haard terug.
Nauwelijks waren wij daar aangekomen, of ik gaf Lucien de voldoening, van eene onzer fakkels te mogen beproeven. De tak ontbrandde al knetterend, en bij onze eerste schreden in het gewelf namen vier of vijf vleermuizen met een licht gepiep de vlucht. Ik hield Lucien bij de hand en weldra kon hij nog maar alleen rechtop loopen. Wij bevonden ons in eene ruime zaal, waarvan het gewelf in koepelvorm, te lager werd, naarmate wij verder voortschreden. Een hoopje roodachtigeaarde in een hoek, trok de aandacht van Sumichrast, die er eenige fossiele beenderen in hoopte te vinden. Om onzen reisgezel geschaard, moesten wij, bij het schijnsel van de fakkels, die een dikken, onwelriekenden rook gaven, een groep van eene fantastische uitwerking hebben gemaakt. Er verliep meer dan een halfuur, zonder dat onze opgravingen tot de geringste ontdekking leidden. De Encuerado, die onder het gewelf en den grond was doorgekropen, liet eensklaps een kreet van verrassing hooren; hij was bijna in een soort van put gevallen.
In een oogwenk lag ik plat op den buik, en kroop ik in de richting van den Indiaan voort; Lucien kon, dank zij zijne geringe grootte, op handen en voeten kruipen; het kostte hem dan ook niet veel moeite om vooruit te komen. Weldra peilden onze oogen de diepte van de uitgraving; de brandende overblijfselen vielen op een hoop steenen, ter diepte van vier of vijf meters. De Encuerado slingerde eene fakkel, waarvan het weifelend licht ons aan de linkerzijde eene groote opening liet zien, de ruimte in. Gelukkig over deze ontdekking, namen wij den terugtocht aan, en stelden wij de verdere onderzoeking tot den volgenden morgen uit.
De nacht was duister en gedurende onze afwezigheid was het vuur bijna geheel uitgegaan. Boven ons scheen een boom, waarvan wij nauwelijks den vorm konden onderscheiden, met sterretjes bedekt te zijn. Lucien zette groote oogen op, want hij begreep niets van dit verschijnsel, dat teweeg werd gebracht door honderden lichtkevers, die van weerszijden van de borst eene gele vlek hebben, welke in de duisternis lichtgevend wordt.
Niets is aardiger, dan die duizenden glinsterende puntjes te zien omhoog gaan, te zien neerdalen en elkander met eene ongekende snelheid te zien kruisen; men zou gezegd hebben, dat het een boom met vurige bloemen was, die door den wind werd heên en weêr geslingerd. De Encuerado naderde met eenCucuyo, die zijne hand met een groenachtigen glans verlichtte. Lucien nam hem in de hand: de twee lichtgevende vlekken schenen hem twee groote oogen te zijn. Eensklaps gaf het insect een duw aan de vingers van den knaap, die ons heel verbaasd aankeek. »Deze kevers,” zeide Sumichrast, »behooren tot de snelkevers ofelateriden. Elater is een Grieksch woord, dat veerkrachtig beteekent, en deCucuyoheeft u bewezen, dat hij den familienaam verdient, dien de geleerden er aan gegeven hebben. Beziet hun lichaamsbouw eens goed; de hoeken van het borststuk verlengen zich in scherpe punten; boven eindigt het middelste gedeelte van de borst eveneens in eene punt, welke het dier, naar willekeur, in de holte duwt, die zich onder het tweede paar pooten bevindt. Meteene speld, die door dezen natuurlijken ring gestoken wordt, bevestigen de vrouwen uit het volk, in het warme land, den snelkever, zonder hem te verwonden, in hun haar.
Leg hem nu eens op den rug.
—Hij houdt zich dood! riep Lucien uit.
—Ja, zooals veel andere insecten doen, die hun pooten samentrekken en zich laten vallen, om zóó den mensch, als hij ze wil grijpen, te misleiden.
—O, wat springt hij!
—Dat is ook het eenige middel, wat hij bezit, om weer overeind te komen, als hij bij toeval op zijn rug is gevallen. Zie eens, hij steekt de punt, waarin zijne borst uitloopt, tegen den rand van het lager liggende gat; dan heft hij eensklaps den kop op. Paf... paf... men zou zeggen dat het eene veer is, die losspringt. Bij de eerste poging is het hem niet gelukt; maar nu... zie, hij is reeds op de beenen, en vliegt zelfs al weg!”
De eerste beweging van Lucien was, om deCucuyo, wiens weg door de lichtende vlekken werd aangewezen, achterna te loopen; maar het uur om te gaan rusten was reeds lang verstreken, en iedereen zocht zich zoo goed mogelijk onder dak te brengen, om over den ontdekkingstocht van den volgenden dag te droomen.
De aanbrekende dag vond ons reeds op en door een kop koffie versterkt. De muskieten hadden het ons den ganschen nacht lastig gemaakt; dat waren nog slechts de voorloopers van de legioenen, wier aanvallen wij later te verduren zouden hebben. Lucien, die vol ongeduld was, verloor den ingang van de grot geen oogenblik uit het oog, en volgde met spanning al onze bewegingen. Een holle steen, dien de Encuerado gevonden had, werd met vet gevuld, een stukje linnen diende voor wiek, en onze nieuwerwetsche lamp brandde al knetterende.
Toen ik de takken uitdeelde, die ons tot fakkels moesten dienen, bemerkte ik, dat zich een geelachtige, doorschijnende traan aan elk der uiteinden gevormd had. Deze hars heeft, door hare kleur en haar reuk, aan den boom, die haar voortbrengt, den naam vanliquidambar(vloeibare amber) doen geven. Eindelijk drong ik, door mijne makkers gevolgd, in de grot door; de Encuerado zette de lamp op den rand der put neer, en de vleermuizen, die wij reeds den vorigen dag gestoord hadden, begonnen zwijgend rond te fladderen.
Voorafgegaan door Sumichrast, waagde ik mij op den bodem der diepte. Een nauwe gang voerde ons in eene ruime zaal, waarvan de duisternis ons eerst belette de uitgestrektheid te peilen. Terwijl mijn vriend het terrein onderzocht, keerde ik op mijne schreden terug, enweldra kwam Lucien, aan een riem bengelende, bij ons. Dank zij de behendigheid van den Indiaan, kwam ook de lamp brandende beneden, eindelijk verscheen de Encuerado op zijne beurt. Lucien liet niet de minste vrees blijken; ik moest zelfs zijn ijver intoomen. Door den nauwen gang te volgen, kwamen wij weer bij Sumichrast, en het geleek wel op eene spookachtige verschijning, zooals hij daar stond, de fakkel boven zijn hoofd zwaaiende, om de duisternis, die ons omringde, te doorboren.
Nadat de lamp aan den ingang van den gang was neêrgezet, nam ieder onzer eene fakkel, en ging het, schrede voor schrede, voorwaarts. Sumichrast en de Indiaan volgden den linkerwand, terwijl ik den rechterwand langs liep, mijn zoon aan de hand geleidende. Onze fakkels gaven slechts een onzeker licht en lieten niet meer dan drie schreden vooruit zien. Een weinig verder bedekten afgevallen steenen den grond; alvorens mij op dit moeielijk terrein te wagen, wierp ik een blik op mijne makkers. Zij waren verdwenen; maar de lamp die rustig aan den ingang, boven mij, brandde, wees het punt aan, vanwaar zij vertrokken waren. Ik riep—een vreeselijk geraas weerklonk. Lucien kwam schielijk dichter tegen mij aan.
»Dat is de echo, die ons het antwoord van Sumichrast en den Encuerado overbrengt,” haastte ik mij hem te zeggen. »Zij zijn in eene andere zaal. Roep ze ook eens.”
De stem van den knaap klonk eenigszins ontroerd. Oogenblikkelijk schenen de sombere gewelven zijne woorden te herhalen, en het geraas werd grooter, hoe meer het zich verwijderde, alsof duizenden personen elkander een orderwoord toeriepen. Een vreeselijk »hioe, hioe!” overstemde dat geraas, en reeds vertoonde zich het gelaat van den Encuerado aan onze linkerhand, als de echo nog het roepen herhaalde.
»Kom eens gauw naar de mooie kerk zien. Eene kerk van diamanten, Chanito!”
Ik naderde den ingang van eene schuine galerij, op wier helling ik mij, den Encuerado volgende, begaf. Allengs verwijderden de muren zich van elkander, en ik bevond mij in eene onmetelijke zaal, versierd met stalactieten, waar Sumichrast zijne brandende fakkel neerzette.
De Encuerado had gelijk; men zou gemeend hebben in eene gothieke zaal te zijn. Men kan zich onmogelijk eene vreemder, zonderlinger en grilliger bouwstijl uitdenken.
Nooit heeft een schilder van een toovertooneel, schitterender effecten uitgedacht. Honderden kolommen daalden van het gewelf neer, om zich in den grond vast te zetten. Het was eene bewonderenswaardige dooreenmengeling van spitsbogen, roosvensters, boomenen reusachtige bloemkorven. Hier en daar beelden, door de natuur gebijteld; Lucien merkte vooral eene vrouw op, met een langen sluier bedekt en die haar arm boven het hoofd omboog; geen bijtel van een beeldhouwer had haar levendiger kunnen voortbrengen; dan weer waren het wanstaltige dierenmuilen, monsterachtige koppen, geheele dieren, als 't ware in dreigende houdingen versteend. Het gezichtsbedrog werd grooter of kleiner naargelang het lichtspel, en meer dan een half geziene boom verdween als een droom in dit tooverpaleis.
Terwijl wij zoo onzen weg vervolgden, raakten lange naalden, die van het gewelf afdaalden, onze hoofden.
»Dat zijn stalactieten,” sprak ik tot den verrukten Lucien. »Het regenwater, dat door den berg sijpelt, lost op zijn doortocht de kalkbestanddeelen, die hij bevat, op, en brengt, als het verdampt, die fraaie afzetsels voort, die gij daar voor oogen hebt.
—Daar is eene naald, die uit den grond opstijgt.
—Dat is een stalagmiet; die groeit van beneden naar omhoog, en niet van boven naar beneden, zooals de stalactieten, welke bovendien met eene buis doorboord zijn. Sla uwe oogen eens op en zie naar die fraaie naald, aan wier uiteinde een druppel water glinstert. Door haar eigen zwaarte meegesleept, valt die vloeibare parel, welke reeds eene lichte laag kalk op de stalactiet heeft afgezet, op de stalagmiet, waarvan de top afgerond is. Langzamerhand zullen de twee naalden tot elkander komen, en eene kolom te meer in de grot vormen, welke met den tijd eindelijk geheel gevuld zal zijn.
—Groeien de steenen dan in 't water?” vroeg Lucien, met een nadenkend gelaat.
—Dat wil zeggen, dat het water kalkachtige bestanddeelen in opgelosten toestand bevat; zoodra het water verdampt is, vormt de steen zich weer.
—»Als men het zoo neemt,” sprak de Encuerado op zijne beurt, »zouden de keisteenen in de rivieren smelten.”
—Dat gebeurt ook; maar ze smelten, wel te verstaan, niet zoo gemakkelijk als suiker. Herinnert gij u niet dat deRio Blanco, (witte rivier) bijna melkwitte golven voortstuwt, die eene witachtige laag afzetten, op de met haar in aanraking blijvende takken en bladeren?
—Dat is waar,” antwoordde de Indiaan, die dikwijls de versteeningen had bewonderd, waarmede de twee oevers van de Witte Rivier bedekt zijn.
—»Maar het water, dat hier valt, is helder,” bracht Lucien er tegen in, terwijl hij met zijn fakkel een natuurlijk waterbekken naderde.
—Het bevat niettemin opgeloste kalkzouten, zooals trouwens alle wateren en vooral het bronwater. Daarom maken de huisvrouwen er geen gebruik van, omdat het de zeep niet kan oplossen en de groenten, die men er in kookt, hard maakt.
—Begrijpt gij dat? vroeg de Encuerado aan Lucien.
—Ja, een weinig.
—Gij zijt wel te benijden. Gister vielen de steenen van de zon of de maan, en dwaalden, geheel in vuur, rond; nu worden zij door het water gemaakt. Morgen zalTataSumichrast ons vertellen, dat zij van den wind komen.”
De Indiaan ging boos weg; wij volgden hem lachende, hoe langer zoo meer verrukt over het schouwspel, dat zich aan onze blikken vertoonde. Ongelukkig verlichtten onze fakkels slechts op zeer gebrekkige wijze, en de zware rook, dien zij afwierpen, maakten de bogen en gewelven zwart. Een groote gladde steen versperde ons eensklaps den weg, en noodzaakte ons te kruipen. Ik ging voorop, en in een nauwen gang voortloopende, bereikte ik eene soort van klein kamertje. Ik uitte een kreet van verbazing; vijf of zes regelmatig geplaatste doodshoofden schenen hunne ledige oogholten op mij te vestigen.
»O! vader,” sprak Lucien, mij bij mijne kleeren vasthoudende, »zijn wij dan op een kerkhof?”
—Ja, mijn vriend; ik meen een kerkhof te herkennen van de Chichimeken. Dit volk, dat vóór de Tolteken en Asteken in Mexico woonde, had de gewoonte zijne dooden in spelonken te begraven.
Sumichrast onderzocht nieuwsgierig een doodshoofd, dat hij had opgeraapt, en waarvan de witte en voltallige tanden aantoonden, dat het had toebehoord aan een, op jeugdigen leeftijd gestorven man. Eenige schreden verder lagen vijf of zes andere schedels op den grond, omgeven door fijne stalactieten; zij schenen ons door de staven van eene gevangenis aan te staren.
Deze schedels lagen daar misschien meer dan duizend jaren in hunne nissen, die klaarblijkelijk uitgegraven waren om ze te bewaren. De bodem van de grot had zich naderhand opgehoogd. Hoeveel licht kon hij over de oude geschiedenis van Mexico doen opgaan! De Encuerado verbrak zonder moeite eene eerste laag kalkgrond en legde eene soort leemaarde bloot, waaruit hij een klein potje van gebakken aarde haalde. Ik ging op mijne beurt aan 't graven; mijne vingers ontmoetten een hard voorwerp;—het was een steenen beeldje. Ik had nauwelijks mijne vondst losgemaakt, of de arm van Lucien verving den mijnen, en bracht, tot groote vreugde van den knaap, eene fantastische schildpad naar boven, waarvan de staarttot fluitje diende. Door deze vondsten aangemoedigd, waren wij gaan knielen, om de kalkkorst over eene groote uitgestrektheid los te breken; maar onze fakkels begonnen te verbleeken, en het was in de nauwe, met rook gevulde ruimte niet meer uit te houden. Sumichrast klaagde over suizingen in de ooren; ik gevoelde mij zelven onwel en met weerzin gaf ik het teeken tot het vertrek.
De lamp, die uitgegaan was, vervulde de eerste zaal met een stinkenden walm, die onze onpasselijkheid nog deed toenemen. De Encuerado en Lucien verlieten het eerst de spelonk, waaruit ik bijna op hetzelfde oogenblik als Sumichrast te voorschijn trad, en toen ik bij den ingang der grot kwam, werd ik bijna verblind door de stralen der zon.
Een algemeen gelach weerklonk; wij zagen er allen uit als negers of schoorsteenvegers. Er viel niet aan te denken om ons te wasschen, de inhoud van onze veldflesschen was te kostbaar, en zou ook niet voldoende geweest zijn. Daar de grot water bevatte, bood de Encuerado aan, zich op te offeren, maar de rook, die uit de put opsteeg, maakte mij ongerust, en ik verzette mij, voor het oogenblik, tegen het afdalen van den Indiaan.
Wij stonden verbaasd over den langen duur van onzen onderzoekingstocht, die niet minder dan vier uren had beloopen. 't Is waar, de gesteldheid van den bodem had ons gedwongen dien bij elke schrede te peilen.
Ofschoon wij besloten hadden onzen weg te vervolgen, zoodra wij uit de grot zouden zijn, deden de vermoeidheid en de begeerte om nog eenmaal de wonderbare gewelven, die ons zoo bekoord hadden, te bezoeken, ons onze verdere reis tot den volgenden morgen uit stellen.
Na een uur rustens gingen wij uit, om iets voor het middagmaal op te sporen.
Ik onderzocht vol nieuwsgierigheid den omtrek van ons kampement. De aanwezigheid der doodshoofden in de grot bewees, dat een stam Indianen de omstreken bewoond had; maar de Chichimeken bouwden slechts hutten, en de tijd had alle sporen van hun verblijf aldaar vernietigd.
Ik kan niet zeggen, met welk eene voldoening ik de bosschen, het groen, de insecten, de bloemen en de zon terugzag. Het inwendige van grotten stemt den mensch tot zwaarmoedigheid, ongetwijfeld door de stilte en de duisternis; want de fraaie zaal der stalactieten had op zich zelve niets droevigs.
Zij maakte een diepen indruk op den geest van Lucien; hij werd niet moede ons te ondervragen.
»Deze natuurlijke holten,” zeide Sumichrast hem, »komen veelvuldig in gipsbergen, maar veelvuldiger nog in vulkanische en kalkachtige massa'svoor. Eenige, die zoo oud zijn als de wereld, dagteekenen van de eerste opheffingen van de oppervlakte van den aardbol, toen de vloeibare stof, die den kern der aarde uitmaakt, de nauwelijks vast geworden korst ophief, om zich naar buiten te kunnen uitstorten en de bergketenen te vormen.
—Is het binnenste der aarde dan vloeibaar geweest?
—Zij is het nog, zooals de vulkanen dat aantoonen; maar de tijd der groote verschijnselen is voorbij. De vloeibare massa is op de oppervlakte steviger geworden, naarmate zij meer afkoelde; daarna is het water deze korst, waarvan de dikte zeer gering is in verhouding tot de massa onzer aarde, komen veranderen en bewoonbaar maken.
—Maar waaruit bestaat die gesmolten stof, die onder onze voeten brandt?
—Uit de grondstoffen, die gij om u ziet; graniet, porfier, bazalt, die men daarom vulkanische of vuurrotsen noemt, in tegenstelling met deneptunische, zooals het gips, het pleister, de leem, waarvan de opeenhooping aan het water wordt toegeschreven.
Die wetenschap wordt degeologieof kennis der aarde genoemd, waarvan de studie u wellicht later zal aanlokken.
—Kunnen alle vulkanische steenen dan smelten?
—Ja, maar op voorwaarde, dat zij aan eene hitte worden blootgesteld, zoo groot, als die van den kern der aarde, en die eene hevigheid bereikt, waarvoor onze verbeelding terugdeinst. Om nu op de grotten terug te komen, zijn er eenige, die haar ontstaan te danken hebben aan de oplossende kracht van het water. Zoo kan de bron, die wij uit den ingestorten berg hebben zien ontspringen, op een gegeven tijdstip uitdrogen of van richting veranderen, en aan de nieuwsgierigheid van toekomstige reizigers zalen te zien geven, die allengs door stalactieten gevuld zullen worden.
Ons geologisch gesprek werd door een uitroep van den Encuerado onderbroken, die een Indischen notenboom ontdekt had, welken de Mexicanen »boom van St. Ignatius”noemenen waarvan de bruine vruchten met eene houtachtige schors, die den vorm van kleine meloenen hebben, heen en weer slingerden en met een droog gedruisch tegen elkander aansloegen. De Encuerado vertelde aan Lucien, dat die vruchten eensklaps met een sterken knal openspringen, en dat de platte boonen, die zij bevatten, een in zijne provincie veel gebruikt purgeermiddel zijn. De Indiaan had er bij kunnen voegen, dat de zaden van den Indischen notenboom—dehura crepitansder geleerden—purgeerenop de manier der vergiften, en dat meer dan een van zijne landgenooten gestorven is, omdat hij het drankje had ingenomen, door de oude misteeksche vrouwen er uit bereid.
Sumichrast voerde ons naar het woud, waar de hooge boomen ons beschutten. Na een vrij langen marsch, waarop wij slechts eksters ontmoetten, zeide ik tot den Encuerado, dat hij ons naar het molsveld moest terugvoeren. Eensklaps beval onze reismakker stil te zijn; aan onze linkerhand vertoonde zich eene buidelrat met vijf jongen. Het dier naderde onverschillig een boom van middelmatige dikte, waar het, met behulp van zijn grijpstaart, opklom. De beangstigde jongen verdrongen zich onder een klagend gepiep aan den voet van den boom. De buidelrat daalde daarop weer naar beneden; nauwelijks was zij aan den voet van den boom gekomen of hare familie stortte zich hals over kop in den buidel der moeder. Aldus beladen, klom het diertje weer langzaam tegen den boom op, en ging bedaard op een der eerste takken zitten. De jongen, die rosachtig haar hadden, en van welken wij niets dan den spitsen neus en de zwarte oogjes konden zien, schenen ons boven van een balkon aan te zien. Een hunner waagde zich naar buiten en ging op de takken wandelen, en weldra had de kleine bende zich naar alle kanten verspreid. Even als in de fabel, beval Sumichrast Lucien om in de handen te klappen, terwijl ik den Encuerado verbood op het arme dier te schieten. Door het geklap verschrikt, vluchtten de kleinen naar hunne moeder, die hare lange ooren oprichtte en ons eene dubbele rij witte tanden liet zien. Een onvoorzichtige viel, door zijne overhaasting om den beschermenden buidel te bereiken, naar beneden. In een oogwenk was de buidelrat bij hem, terwijl zij ons met haar bek dreigde; zoodra haar schat voltallig was, verdween zij er mede in het kreupelhout.
»Waarom hebt gij mij verboden om op detlacuachete schieten?” vroeg de Encuerado mij.
»Waartoe dient het een arm dier te dooden, dat ons van geen nut kan zijn?
—Gij weet wel, dat dat arme dier op de zolders komt, de kippen en levensmiddelen opeet, zonder nog te spreken van het geraas, dat de jongen maken.
—Ja; maar deze is geheel onschuldig aan al die misdaden, zij leeft te ver van de steden.”
Dit tooneel had Lucien zeer vermaakt. Ik vertelde hem, dat de buidelratten, de Kangaroes en verschillende andere zoogdieren, waarvan de wijfjes een zak of buidel bezitten, om de jongen in te verbergen, om die reden buideldieren ofmarsupialengenoemd worden.
De buidelrat is in Mexico zeer algemeen. Haar lange, spitse en zeer sterk gespleten snuit, is met twee en vijftig vervaarlijke tanden gewapend, ofschoon het dier zich slechts met eieren, insecten en vogels voedt. Bij de soorten, welke geen buikzak hebben, klimmen de jongen, zoodra zij loopen kunnen, op den rug hunner moeder, en klampen zich met hunne grijpstaartjes aan den staart der moeder vast, die te dien einde naar voren wordt gebogen. Dit instinct is misschien nog opmerkenswaardiger dan dat, hetwelk hen aandrijft, om in den buidel der moeder eene schuilplaats te zoeken.
De tijd ging voorbij; wij moesten noodzakelijk naar het mollenveld terug, en de Encuerado beloofde, dat hij eene goede jacht zou maken, zonder een schot te lossen.