DE AARDNOTEN.—EEN MAALTIJD VAN WILDE KATTEN.—NIEUWE TOCHT IN DE GROT.—DE VLEERMUIZEN.—OPGRAVINGEN IN EEN GRAF.
Wij liepen midden door het kreupelhout voort, in de hoop een of ander stuk smakelijker wild op te jagen dan de toeza's, toen onze voeten verwarden in de vezelige en kruipende takken van de aardnoot. Ofschoon de stengels nog met witte bloemen bedekt waren, wroette de Encuerado toch den grond om, waarin de vruchten zich verbergen, om geheel rijp te worden, en verzamelde er eenige van. Detlalcacahuatl, dien de plantenkundigen onder de familie der peulvruchten rangschikken enarachidenoemen, brengt geelachtige en gerimpelde peulen voort, waarin zich twee of drie amandels bevinden, welke men eet, na ze in de schil boven het vuur geroosterd te hebben. De smaak heeft veel weg van dien van de kastanje. Dearachide, tegenwoordig veel in Europa verbouwd, levert eene olie op, die niet gemakkelijk rans wordt en waarvan de Spanjaarden zich bedienen voor de zeepbereiding.
Lucien en de Encuerado waren over deze vondst meer verheugd dan wij, want zij hielden veel van deze aardnoten, welke, bij gelegenheid van de godsdienstige feesten, aan den ingang der kerken in Mexico bij gansche stapels verkocht worden.
De zon begon onder te gaan; de honger gebood ons wat meer haast te maken; ik geleidde derhalve mijne makkers naar het mollenveld. Nauwelijks hadden wij onzen marsch hervat, of vijf of zes konijnen kwamen, zeer onvoorzichtig, bijna tusschen onze beenen loopen. Lucien was zoo gelukkig er een te schieten, terwijl Sumichrasteen tweede doodde, en de Encuerado ging, met deze buit beladen, naar den haard terug.
Door dit buitenkansje over ons middagmaal gerust gesteld zijnde, vervolgde ik mijne wandeling tot aan het begin eener lichting in 't bosch, waar de grond, met gaten overdekt, de woonplaatsen der mollen deed herkennen. Wij gingen elk in de schaduw van een boom zitten. Het toeval had mij onder een ijzerhoutboom, waarvan de stam de best geharde bijl weerstand biedt, doen plaats nemen. Tegenover mij verhief zich eentepehuage, een soort van mahonieboom met donker gebladerte, die vroeg of laat een groot handelsartikel tusschen Europa en Mexico zal worden, want het fraaie roode, met zwart geaderde hout, maakt hem zeer geschikt voor het vervaardigen van fijne meubelen.
Gringalet was den Indiaan gevolgd. Ik beval Lucien stilte aan, opdat wij de handelingen der mollen, die met het ondergaan der zon uit hunne gaten komen, konden gadeslaan. Werkelijk kwam een, daarna twee, drie, vervolgens twintigtoeza'ste voorschijn; in minder dan een kwartier telde ik er over de honderd, die den grond omwoelden, speelden en vochten, onder het uiten van scherpe kreten. Lucien had er veel vermaak in, ze zoo op hun achterdeel te zien zitten, om wortels of schors af te knabbelen. Met een enkel geweerschot zouden wij onzen voorraad vet verdubbeld kunnen hebben; maar dat zou kruit vermorsen zijn geweest. Vreezende, dat wij voor de verleiding zouden bezwijken, meende ik het teeken tot vertrek te geven, toen ik eene groote ongerustheid bij de bende, wier spelen ons zoo zeer had vermaakt, opmerkte. Alle mollen, deftig op hun achterlijf gezeten, schudden hunne groote koppen heen en weer, lieten hunne lange, gele snijtanden zien, en schenen de lucht in te snuiven. Eensklaps ijlden allen op hunne holen toe. Eenjaguaretehad hen verschrikt, door midden tusschen hen in te springen. De nieuw aangekomene, eene soort wilde kat van eene zwarte kleur, sloeg twee of drie slachtoffers tegen den grond, en liet een soort van gemauw hooren.
Op dit geroep kwamen twee jongen te voorschijn, die tegelijk op den eersten mol den besten aanvielen. Ieder hunner greep de prooi van zijn kant aan, spuwde, op de manier der katten en sloeg er met de nagels in. De moeder, verplicht om door een veelbeteekenend geknor de orde te herstellen, gaf ieder harer verscheurende kinderen eene prooi, ging toen liggen en geeuwde verscheidene keeren, terwijl haar jongen de arme knaagdieren begonnen te verscheuren. Toen deze verzadigd waren, verslond zij met gulzigheid wat overbleef, zonder het derde dier, waar de jonge roofdieren onophoudelijk om rondliepen, een oogenblik uit het oog te verliezen. Zoodra zij er te dicht bijkwamen, liet zij dadelijk haar geknor hooren, en de jongen schenen zeer goed te weten, wat die moederlijke waarschuwing beteekende, want zij gingen plat op den grond liggen, en kropen met hangenden kop achteruit. Toen haar maal geëindigd was, nam dejaguareteden onaangetasten mol in haar bek en verwijderde zich, zonder ons bemerkt te hebben.
»Wat zegt gij van die kleine veelvraten?” vroeg Sumichrast aan Lucien.
—Dat zij allerliefst zijn, met hun zwart en glanzend vel; zij ge lijken op groote katten.
—De katten zijn er ook neefjes van.
—Vallen dejaguaretenook menschen aan?
—Neen; als wij evenwel hare jongen hadden willen aanraken, zou zij zich op ons geworpen hebben.
—Om ons op te eten?” vroeg Lucien, groote oogen opzettende.
—In de eerste plaats om ons te bijten en met hare nagels te verscheuren. In 't algemeen zijn alle wilde dieren of vleeschetende dieren, zooals de geleerden ze noemen, altijd te duchten, en hoe gering ook hunne grootte moge zijn, men moet ze nooit uittarten. Als wij lijf aan lijf tegen de jaguarete moesten vechten, is het zeer waarschijnlijk, dat wij meer gehavend uit den strijd zouden komen dan zij.
Ik voerde meester en leerling naar den voet van den berg terug. De nacht viel in; gelukkig toonde het vuur, door den Encuerado aangestoken, ons den weg naar onze schuilplaats. Wij vonden er vermaak in, om uit de verte te zien, hoe de Indiaan om het vuur liep, deftig tegenover Gringalet ging zitten, met wien hij zeker praatte, want hij zwaaide met de armen en streek met de hand over den rug van het goede dier. Plotseling stond de hond op, stak zijne ooren in de hoogte, en liep op ons toe, terwijl de Encuerado een vlammend stuk hout boven zijn hoofd hield, om onzen weg te verlichten.
Bij het aanbreken van den dag werden wij door de stem van den Indiaan gewekt. De grauwe lucht dreigde ons met een van die fijne regens, die eeuwig schijnen te zullen duren. Sumichrast sneed eenige, van bladeren voorziene takjes af, waarmede hij ons voorging, alvorens wij de grot binnen trokken.
»Waar moeten die takken toe dienen?” vroeg Lucien verwonderd.
—Tata Sumichrast wil vleermuizen vangen, Chanito.
—Om ze op te eten?
—O neen! maar misschien zouden ze toch wel goed smaken.
—Het vleesch smaakt overheerlijk,” viel Sumichrast hem in de rede; »vooral de vleugel is een fijn boutje, dat ik u ten zeerste aanbeveel...”
Maar mijn metgezel kon zich niet goed houden, toen hij het verschrikte gelaat van Lucien zag, zoodat zijne scherts mislukte.
De Encuerado verdween al tastende in de grot; aan den ingang geplaatst, hielden wij ons gereed, om onze verzameling te vermeerderen. TweeChéiropteren—een Grieksche naam, die handvleugeligen beteekent en door de geleerden aan de vleermuizen is gegeven—vielen door onze takken. Lucien raakte ze met niet al te veel weerzin aan, en de vorm van hun bek verbaasde hem nog meer dan hunne vleugels. Die, welke hij dan ook onderzocht, had in 't midden gespleten en als 't ware omgekrulde lippen; de andere, met een platten neus en nog afzichtelijker gelaat, had in plaats van ooren, twee gaten, waarin de zwarte, schitterende oogen lagen; bovendien was het vlies der vleugels zoo dun en doorschijnend, dat men zou meenen, het bij de minste inspanning te zien scheuren. Het arme dier kwam langzamerhand weer bij, liet zijne fijne en scherpe tanden zien en sleepte zich over den grond voort. Sumichrast nam het op en haakte het met den klauw, waarin de voorarm eindigt, vast, om Lucien te laten zien, op welke wijze zij zich aan de muren der grotten, die altijd vol oneffenheden zijn, vastklampen.Eensklaps liet de vleermuis zich vallen, en verdween in de sombere diepte, die voor haar gaapte.
De vleermuis, die een onvolmaakt wezen is, heeft langen tijd de nieuwsgierigheid der natuurkundigen gaande gemaakt. La Fontaine laat haar reeds het bekende versje zeggen: »Ik ben een vogel, zie maar naar mijne vleugels; maar ik ben ook eene muis en leve de ratten;” en de geleerden beschreven haar als een vogel, die haren in plaats van veeren, en tanden in plaats van een snavel heeft. Geoffroi Saint-Hilaire heeft het eerst geleerd, dat de vleugels van de vleermuis niet anders zijn dan eene buitengewone verlenging van de vingers van het dier, die onderling door een vlies, van een bewonderenswaardig weefsel, verbonden zijn. Ik wees Lucien andermaal op de wijsheid van den Schepper, en op de eenvoudige middelen, die Hij gebruikt, om de wezens, die het heelal bevolken, in 't oneindige af te wisselen.
»Dat is de eerste keer,” riep de Encuerado verontwaardigd uit, »dat men den duivel gebruikt om den goeden God te loven.”
»De vleermuizen hebben niets met uw duivel gemeens,” zeide Sumichrast; het zijn slechts dieren, die een weinig zonderlinger zijn dan de andere.
»O, Tata Sumichrast, hebt gij dan hun vleugels nooit goed bekeken? De Satan, die op het schoone beeld in de kerk van Orizava, door Sint-Michiel onder den voet wordt getreden, heeft ze precieshetzelfde. En wat nu de grotten aanbetreft, wie weet niet, dat het de monden van de hel zijn?
»Laat ons dan in de hel gaan!” riep Lucien, die de bijgeloovigheid van zijn vriend niet deelde, uit.
Toegerust zooals den vorigen dag, daalden wij in de put neer, en den linker wand volgende, kwamen wij achtereenvolgens in eene ruime zaal, waar het water als een aanhoudende regen naar beneden viel. Zeer belastigd door die ijskoude druppels, welke door onze kleeren drongen, ried ik Sumichrast aan terug te keeren; maar in plaats van er gevolg aan te geven, drong hij in een bochtigen gang door. Ik sloot den marsch, en volgde met de oogen mijne makkers, die klommen of daalden, al naar gelang de oneffenheden van den grond. Soms moest men wel ophouden, om over een steen of een waterplas te komen.
Eindelijk zag ik, dat mijne makkers weer overeind stonden, wij waren in eene zaal gekomen, die zoo ruim was, dat wij onze fakkels te vergeefs omhoog hielden, om het bovenste gewelf te kunnen verlichten. Honderden vleermuizen omringden ons; Lucien vertrok geen spier, en als hij ze zoo, gelijk groote vlinders om zijne fakkel zag zweven, zonder die aan te raken, stond hij verbaasd over de zekerheid van hunne vlucht. Verdoofd door het gekrijsch van deze geheimzinnige dieren, stelde ik op nieuw voor om terug te keeren; maar Sumichrast drong er op aan om verder te gaan. Hij vindt het weinig waarschijnlijk, dat de vleermuizen, die des nachts hun voedsel in 't veld gaan zoeken, om naar buiten te komen den nauwen weg zouden volgen, die ons hier had gebracht. Er moest dus een tweede ingang bestaan. Mijn makker en de Encuerado gingen op de ontdekking uit, want ik durfde mij, in gezelschap van mijn zoon, niet verder op dezen glibberigen grond wagen. De twee verkenners klommen groote, opeengestapelde rotsen over, kwamen verscheidene meters boven ons, en verdwenen plotseling.
De vleermuizen kwamen allen naar ons toe, en dreven de vrijmoedigheid zoo ver, dat zij ons met hunne vleugels raakten. Mijne voorzichtigheid mishaagde aan Lucien, die stoutmoedig was geworden. Na verloop van vijf minuten riep de stem van Sumichrast mij, en ik richtte mij naar de hoop steenen, vroeger door mijne gezellen beklommen.
De opstijging was moeielijk; niettegenstaande zijn tegenspartelen wilde ik de hand van Lucien niet loslaten. Ik had wel gelijk gehad; hij gleed eensklaps uit, ik liet mijn fakkel vallen en daar lagen wij in eene volslagene duisternis op de puinhoopen.
»Pas op, dat ge geen beweging maakt,” riep ik uit, »ge weet niet, welke afgronden ons kunnen omringen.”
»Wat is het donker! Men zou zeggen, dat de duisternis een lichaam heeft, dat zij op mijn oogen drukt.”
»Dat komt, omdat wij op eene diepte zijn, waar het licht, zelfs niet door terugkaatsing, binnendringt. Even als u, komt het mij voor, alsof men mij een doek op de oogen legt. Roep den Encuerado.”
Het gewelf weerkaatste den naam van den Indiaan, die onmiddellijk antwoordde.
De vleermuizen hadden hunne vlucht vertraagd; ter nauwernood hoorden wij nog eenig zacht gepiep; maar daar blonk een zwak licht, en het geraas begon opnieuw. Lucien deelde zijn vriend ons ongeval mede; deze wilde zich haasten, en rolde zelf verscheidene malen over de steenen. Eindelijk toch verscheen hij, stak onze fakkels aan, en ging ons op den gevaarlijken bodem voor. Toen wij de instorting over waren, kwamen wij in eene zaal met stalactieten opgeluisterd; in het midden daarvan flikkerden de toortsen van Sumichrast. Mijn reisgezel stapelde al het hout, dat wij nog hadden, op elkander en stak het aan. De muren van de grot schitterden, alsof zij met kristallen sterren bedekt waren. Van den bodem, van het gewelf, van de muren kaatsten duizenden diamanten veelkleurige straalbundels terug. Het zou minder verrukte toeschouwers dan wij waren, verblind hebben. Maar weldra noodzaakte een dikke en bijtende rook ons om heen te gaan, en eenige schreden door een gang, brachten ons midden in eene onmetelijke zaal, die door eene natuurlijke ronde opening verlicht werd.
Ik begroette den hemel met vreugde; toen ik den grond onderzocht, bevond ik, dat hij bedekt was met brokstukken van gebakken aarde.
Ik begon een groot gat te graven, en het duurde niet lang of er kwam eene laag van vochtige kolen te voorschijn. De Encuerado ging eenige takken afsnijden, waaraan de, tot een punt gevormde uiteinden, ons het werk veel vergemakkelijkten. Na twee uren van onverpoosden arbeid, waren wij er in geslaagd een weinig meer dan een vierkanten meter van eene vochtige, zwarte vette aarde, bloot te leggen.
Ik was uitgeput, en niettegenstaande mijne nieuwsgierigheid ten hoogste was opgewekt, moest ik Sumichrast buiten de grot volgen, om een weinig frissche lucht in te ademen. Gringalet, die alleen in het bivak was achtergebleven, huilde van tijd tot tijd; ik riep hem, en van rots tot rots springende, was hij spoedig bij ons. Er viel eene fijne regen; geheel vervuld van mijne uitgravingen, was ik blijde, dat de toestand van de lucht tot voorwendsel kon dienen, om het vertrek tot den volgenden dag uit te stellen. Nauwelijkshadden mijne makkers een weinig adem geschept of ik riep hen weer tot den arbeid terug. Hoe grooter het gat werd, dat de Encuerado groef, des te meer opgewonden werd hij, en meende hij goud te bespeuren.
Volgens de meening van elken Indiaan toch, verbergen de spelonken en grotten ongehoorde schatten, die door de natuur gevormd of er door den mensch verborgen zijn, en altijd door een boozen geest bewaakt worden, die wel zijne schatten laat zien, maar niet toelaat dat men ze medeneemt.
»Lach niet, Tatita,” zeide mij de Indiaan, »en vooral niet in dit oogenblik.
En hij vertelde ons dat een zijner vrienden, die eens zijne kudde op de bergen hoedde, zich in het kreupelhout begeven had om eene zijner geiten op te zoeken. Het dier vluchtte steeds verder en voerde hem bij den ingang eener grot. De Indiaan aarzelde eerst, maar ontdeed zich toen van al zijne kleeren, om des te zekerder te zijn, dat hij geen ijzer bij zich had, en drong daarop in de grot binnen. Hij deinsde echter terug, verblind door het zien van vijftig uiteengevallen kisten, waar het gemunte goud uitstroomde. In plaats van partij te trekken van zulk een buitenkansje, en zich het bezit van zulk een schat te verzekeren, door een van de op den grond gevallen munten meê te nemen, was de ongelukkige zoo hard hij kon naar zijn dorp teruggekeerd, om zijne ontdekking aan zijne vrienden mede te deelen. Op denzelfden avond gingen zij, vijf in getal, en van rieten schoppen voorzien op weg, met het doel om de schat in veiligheid te brengen. Men kampeerde in den omtrek van de grot, en de nacht werd doorgebracht met flesschen brandewijn op de gezondheid van den goeden geest te ledigen. Bij het aanbreken van den dag volgde men den gids op den voet; men klom, men daalde, zonder evenwel de plaats terug te vinden, waar de even geziene schatten zich nog bevinden.
»Kon hij den weg niet meer terug vinden?” vroegLucien, wien dit verhaal veel belang inboezemde.
—Neen, Chanito! want de grot was voor hem voor altijd onzichtbaar geworden.
—Onzichtbaar! en waarom?
—Omdat hij ijzer bij zich had gehouden.
—Maar ge hebt ons gezegd, dat hij naakt was,” hernam Sumichrast.
—Hij had zijn vuurslag in de hand gehouden!”
De treurige toon, waarop de Encuerado dezen laatsten volzin had uitgesproken, ontlokte zelfs aan Lucien een glimlach.
Ik ging de grot weer binnen, en na de reeds bloot gelegde laag kolen zorgvuldig verwijderd te hebben, vond ik eene kleine urn van gebakken steen, met asch gevuld. De urn droeg op eene der zijden eene grijnzende figuur, en bevatte eene schelp, zoogenaamde Jacobs-schelp, en den schedel van een vogel.
Door een langen leertijd aan dergelijke ontdekkingen gewoon geraakt, twijfelde ik niet, of er zou zich weldra een schedel voor onze oogen vertoonen. Werkelijk kwam er een schedel te voorschijn, daarna wervels en scheenbeenderen; toen pijlspitsen in vuursteen, en ten slotte gebroken figuurtjes. Ongelukkigerwijze konden wij er niet aan denken om deze schatten mede te nemen; ik gaf dezen ondankbaren arbeid derhalve op. Onze eerste zorg was om denlazolos te maken, en zoodra het maal was afgeloopen, hield men zich bezig om de bagage in orde te brengen, ten einde den volgenden morgen gereed te zijn om te vertrekken.
EEN GEFORCEERDE MARSCH.—DE ZWEMVOGELS.—DE KRUISDRAGENDE BLOEMEN.—PLANTAARDIGE ZEEP.—EEN SCHOTEL VAN DEN ENCUERADO.—DE SCHERMDRAGENDE BLOEMEN.—DE BLOEDZUIGER.—EEN ONVERWACHTE GAST.
De regen bleef bijna den ganschen nacht doorvallen, en tegen vier uur in den morgen werd ik bibberend wakker. Het was Hemelvaartsdag, en alvorens hij het vuur aanstak, hief de Encuerado een gezang aan en sprak een gebed uit. De koffie versterkte ons een weinig, en ieder nam zijne vracht op, om den voet van den berg te bereiken. Alvorens ik in het woud trok, wierp ik nog een blik op de nauwelijks doorzochte grot, waar zoovele geologische wetenswaardigheden bedolven bleven.
De zon vertoonde zich slechts bij tusschenpoozen door de grijze wolken, die door den Oostenwind met kracht werden voortgedreven. De grond, doorweekt door een regen, die reeds vier-en-twintig uren aanhield, maakte onzen marsch zeer moeielijk. Een ijzerhoudende en glibberige klei deed ons telkens vallen. Dit moeielijke terrein voerde onze kwade luim ten top, en besmeurde onze kleeren met groote roode vlekken; ik voor mij, verwenschte inwendig het reizen en vooral den regen.
Bij het verlaten van dit akelig ravijn, rolde Gringalet, die ongetwijfeld een wildspoor geroken had, zich woedend over den grond. Wij waren reeds ver toen hij bij ons terug kwam, overdekt met eene laag rooden oker, die hem het zonderlingste uiterlijk gaf, wat men zich slechts kan voorstellen. Het goede dier liep van links naar rechts, sprong en blafte, als of hij zich ten taak had gesteldons te vermaken. Hij slaagde er ook in, en onze stap werd vlugger. Eene kleine vlakte, waar de zon ons met hare stralen overstroomde, bracht onze goede luim weer terug; onze kleeren droogden op en met de vochtigheid vervloog ook het onaangename gevoel, waaraan wij ten prooi waren.
Wij waren op het punt andermaal onder de hoornen te gaan, toen de Encuerado staan bleef.
»Wat beweegt zich daar?” vroeg hij.
—Herten,” antwoordde ik, na door mijn kijker gezien te hebben.
Iedereen ging zich achter de heesters verbergen, in de hoop dat een der fraaie dieren onder het bereik van een kogel zou komen. De Encuerado wilde herhaalde malen de vlakte omtrekken, maar ik verzette er mij tegen; de afstand was te groot. Een uur vervloog met naar de dieren te zien, die graasden, dartelden, elkander likten, zonder dat een enkele zich in onze nabijheid waagde. Ongeduldig over deze rol, trad Sumichrast uit zijn schuilhoek te voorschijn, en zoodra zij hem zagen, namen de herten de vlucht. Eigenlijk was deze halt niet nutteloos geweest; dank zij de hitte van de zon, was de grond meer begaanbaar geworden, en al neuriënde nam mijn vriend de taak op zich, ons verder te voeren.
De tijd voor het opslaan van het bivak was sedert lang voorbij en nog liepen wij door. Wij gingen over een vlakken bodem, die niet veel goeds voorspelde; het water uit de grot, waarmede wij onze veldflesschen gevuld hadden, had zulk een flauwen smaak, dat wij vurig verlangden eene bron te ontmoeten.
Daar ik den horizon niet kon onderzoeken, gelastte ik den Encuerado in een zeer hoogen boom te klimmen. De Indiaan bereikte den hoogsten tak, liet zijne oogen overal rondgaan en kwam vrij treurig naar beneden, want hij had niets bespeurd. De vermoeidheid dwong ons halt te houden. De hut werd gebouwd, het vuur aangestoken, en de pot met water en rijst gevuld. Geen onzer bezat den moed om op de jacht uit te gaan. De nacht brak trouwens aan, en Lucien begon te slapen. Een uur na het ondergaan der zon lagen wij naast elkander; de Encuerado had zijne aardnoten vergeten, en was ingeslapen, zonder het aangevangen gezang te kunnen ten einde brengen.
Ik werd wakker door het geschreeuw der zevenkleurigetangaras, eene soort vliegensnappers(29), die in troepen leven. Lucien beklaagde zich, even als wij, over een weinig stijfte in de gewrichten, een gevolg van onzen te langen marsch van den vorigen dag. De karavaanging hinkende op weg, maar de aanwezigheid der vogels kondigde de nabijheid van een ravijn aan. Langzamerhand verdween de verdooving uit onze ledematen, wij trokken langs eene zachte helling naar omlaag, en de plantengroei nam een meer tropisch karakter aan. Onder het voortloopen merkte ik eenige peperstruiken op, daarna kwamen er heesters, waaruit duizenden kardinalen opvlogen. Door deze fraaie vogels met hun rood gevederte geleid, kwam ik onverwacht aan den oever eener beek, die zonder geraas over een bed van wit zand voortvloeide.
In een oogwenk verhief de haard zijne vlammen hemelwaarts. Vlinders, waterjuffers en vogels vlogen om de bloeiende struiken. Het was een waar concert van gegons en gekweel, een licht windje speelde door het gebladerte en verfrischte de lucht. Aan ons geluk ontbrak nog slechts een stuk wild. Nauwelijks waren wij gaan zitten om wat adem te scheppen, of eene vlucht eenden streek dicht bij ons neer. Een pletonsvuur verwelkomde hen, en vier slachtoffers bedekten den grond met hunne witte, bruine en blauwe veeren.
»Dat zijn de eerste zwemvogels, die wij ontmoeten,” sprak Sumichrast. »'t Zal niet lang duren of wij plassen in de moerassen.”
—Aan welke vogels zijn de eenden verwant?” vroeg Lucien.
—Aan de zwanen en ganzen, meester Zonnestraal,” antwoordde mijn vriend. »Alle vogels van deze orde hebben, zooals de naam vanpalmipeden(30), dien de natuurkundigen er aan geven, aanduidt, de teenen door een zwemvlies verbonden. De eenden, waarvan men in Mexico een groot aantal verscheidenheden kent, hebben een platten snavel; hun korte en naar achter geplaatste beenen maken dat zij waggelend loopen, maar met des te meer gemakkelijkheid zwemmen.
—Maar hoe kunnen zij met zulke voeten op de boomen zitten?
—De eenden gaan niet op boomen zitten, zij brengen den dag door met in het water te plassen, en slapen achter het riet verborgen.
—Dan moeten zij altijd nat zijn.
—Toch niet; de natuur heeft de veeren van de zwemvogels met een soort olieachtig vernis overdekt, dat ze ondoordringbaar voor water maakt. De eenden vereenigen zich tot groote vluchten, vliegen met groote gemakkelijkheid, en gaan, al naar de jaargetijden, van het eene gewest in het andere over. Zij zijn zoo talrijk op de wateren, die de stad Mexico omringen, dat de jagers ze aan de Indianen overlaten.”
Terwijl de Encuerado het middagmaal gereed maakte, nam ik mijne makkers mee naar den oever der beek. Weldra ontdekten wij waterkers, eene gelukkige vondst voor reizigers, wien het vleesch begint te vervelen. Lucien onderzocht de witte kruisvormige bloemen van de kostbare plant, welke vorm aan de geheele familie den naam van kruisbloemigen (cruciferen) heeft verschaft; deze gewassen bevatten eene scherpe en vluchtige olie, die haar tegen de scheurbuik doet gebruiken. De kool (brassica oleracea), de raap (br. rapae), de radijs (raphanus sativus) en de mosterd (sinapis alba), zijn bladen, wortels of zaden van kruisbloemige planten. Bij deze lijst zou men nog kunnen voegen de rammenas en de colza, waarvan het zaad eene goede lampolie oplevert, de steenraket of zangerskruid, een volksgeneesmiddel, in Frankrijk tegen de verkoudheid aangewend, de herdersbeurs, waarvan de Mexicanen een afkooksel maken om wonden mede te wasschen, hetlepidum piscidium, door de inboorlingen van Oceania gebruikt om de visschen te verdooven, ten einde zich er gemakkelijker meester van te kunnen maken.
—Gij vergeet het lepelblad, zoo nuttig voor de zeevarenden, ter bestrijding van de scheurbuik,” voegde Sumichrast mij toe.
—Gij hebt gelijk, maar ik geloof dat ik er genoeg van gezegd heb, om meester Zonnestraal de kruisdragende planten niet meer te doen vergeten.
Eenige schreden verder deinsde Lucien, die een heester genaderd was om insecten, die onder de bladeren verborgen konden zijn, te zoeken, verbaasd terug, toen hij zag dat de heester bedekt was met fraaie boomkikvorschen (hyla viridis). In plaats van in het water te gaan, vluchtten zij het bosch in. Sumichrast verklaarde aan den jongen jager, dat de boomkikvorschen, waarvan de teenen in slijmachtige schijven eindigen, zich door deze inrichting aan de bladeren en zelfs aan gladde voorwerpen kunnen vasthouden.
»In Europa,” voegde hij er bij, »doet men ze in flesschen, die half met water gevuld zijn, en de boeren beweren dat het dier goed of slecht weer voorspelt, naar gelang het buiten het water blijft of er zich indompelt. De boomkikvorsch, evenals hare zuster, de waterkikvorsch, begraaft zich des winters in het slijk en blijft daar in verdoofden toestand. Deze soort van slaap, die haar in de koude luchtstreken voor den honger moet vrijwaren, moet in Mexico, waar zij altijd haar voedsel vindt, eene andere oorzaak hebben. De huid van den boomkikvorsch scheidt een vergif af.
—Kom eens hier,” riep Lucien eensklaps, »daar staat een appelboom.
Ik liep naar hem toe, en vond er een heester van ongeveer viermeter hoogte, bedekt met geelachtige, roodgevlekte vruchten, zooals de api-appeltjes. Ik herkende den boom, dien de Mexicanen zeepboom noemen. De ontdekking kwam goed van pas en Sumichrast hielp ons de vruchten te verzamelen, die ons in staat zouden stellen, om onze kleeren eens goed te wasschen. Lucien wilde de kleine appels, die doorschijnend zijn als vruchten van was, proeven, maar de samentrekkende smaak beviel hem niet, zoodat hij ze vol afkeer weg wierp.
Een kwartier later lagen wij op den boord der beek geknield, en wieschen wij om 't best ons linnengoed. De vruchten van den zeepboom geven een overvloedig schuim, en de wasch laat niets te wenschen over. In het Gematigde Land vervangt een wortel,amoligenoemd, de zeep; in het Warme Land bedient men zich van een knolgewas,amolitogeheeten, in het land der Misteken of de provincie Oajaca vinden de arme lieden eene natuurlijke zeep in de schors van dequillaja saponaria, een boom uit de familie der roosachtige gewassen.
Europa bezit ook eene plantaardige zeep, deSaponariaof het Zeepkruid, een klein plantje, dat aan de anjelieren verwant is en waarvan de roode bloempjes langs de kanten van sloten staan. De huisvrouwen bedienen er zich van om zijden stoffen te wasschen, en de verlepte kleuren weer helder te maken.
Uitgerust en opgefrischt, gingen wij bij het vuur liggen, met een stuk gebraad met waterkers en eene eend met rijst, door piment gekruid, in 't verschiet. Bij het eerste hapje trok ik een leelijk gezicht, waaraan Sumichrast, door eene soortgelijke betuiging, beantwoordde. De rijst had een ongenietbaren aromatischen smaak. De Encuerado zag ons zegevierend aan.
»Wat drommel hebt ge toch in het eten gedaan?” riep ik uit.
—Niet waar,Tatita, dat is lekker?
—'t Is afschuwelijk, ge hebt ons vergeven.
Ik had den reuk van eene soort van koriander, waarmede de Indianen, als zij er toe in de gelegenheid zijn, hunne spijzen kruiden, herkend. Sumichrast was, evenals ik, in de eerste beet blijven steken; Lucien evenwel, die een weinig de voorkeur van den Encuerado voorde culantrodeelde, smulde. Ons maal bestond derhalve slechts uit een gerecht; ik liet aan de twee vrienden de in rijst gekookte eend over en vergenoegde mij met het gebraad.
De Indiaan, die meende dat wij liever de versche plant hadden dan de andere, die door het kooken veel van haar geur verloren had, bood ons er eenige stengels van aan. Hij was evenwel slechts ten halve schuldig; wij aten dikwijls met genoegen van zijne nationalekeuken en onze tegenzin voor de kruiderij, die door zijne landgenooten het meest op prijs wordt gesteld, mocht hem dan ook met het volste recht verbazen.
Gringalet raakte de gekookte rijst met de punt van de tanden aan en rolde zich woedend over de takjes koriander, die op den grond waren blijven liggen, waardoor zijn fraai toilet wel wat bedorven werd. Ik nam mijne makkers mede naar den oever der beek, en bracht ze weldra te midden van een geheel boschje van het stinkende gewas. Ik nam de vlucht. Sumichrast, moediger dan ik, gunde zich den tijd om aan Lucien te verklaren, dat deze talrijke familie, die men schermdragende planten (umbelliferae) noemt, omdat de bloemen als een scherm (umbella) geplaatst zijn, de selderie, de peterselie, den wortel, de pastinake, de anijs, de angelica en twintig andere planten omvat, waarvan de reuk alleen voldoende is om de verwantschap te herkennen. Door insnijdingen te maken in de stengels van twee schermdragende planten, verkrijgen de inboorlingen denopoponaxen hetgalbanum, twee gomsoorten, waarvan zij pleisters maken tegen de maagpijn.
DeAssa-foetidaof het duivelsdrek, waarvan de reuk zooveel aantrekkelijks heeft voor de Indianen der beide halfronden, is ook een voortbrengsel van een schermdragend gewas.
Dicht bij het water gezeten, zagen wij, dat eene kleine baai zich met visschen vulde. Lucien ging het vlindernet halen en de Encuerado trachtte ze er mee te vangen. Hij kreeg evenwel maar vier of vijf kleine vischjes, die hij weer in het water wierp, benevens een anderen visch, van een aanhangsel aan den staart voorzien, waar wij met al onze wetenschap niet uit wijs konden worden. Ik beschouwde hem langen tijd; het lichaam, dat eene bruine kleur had, door twee gele strepen geteekend, was doorschijnend. Ik zou aan eene afwijking van den gewonen vorm gedacht hebben, ware het niet dat verscheidene, geheel gelijke voorwerpen, op dezelfde plaats rondzwommen. Ik wierp het half doode dier weer in 't water, het zonk, kwam weer naar boven, bewoog zich een weinig en was op 't punt weer weg te zwemmen, toen een dikke bloedzuiger zich aan zijne zijde vasthechtte.
Sumichrast ving het vischje opnieuw op en pakte den bloedzuiger, eene geelachtige soort en van gemiddelde grootte, vast.
»Onder welke dieren zoudt gij dezen rangschikken? vroeg hij aan Lucien.
—Onder de kruipdieren, waarop hij in 't klein gelijkt.
—Dan zoudt ge u vergissen; hij behoort tot de anneliden of geringde dieren. Merk wel op, dat het lichaam uit ringen gevormdis, zooals dat van den aardworm. De bloedzuiger heeft aan elk der uiteinden van het lichaam eene zuignap, waardoor hij zich stevig aan de voorwerpen, welke hij ontmoet, kan vastzuigen. Eene dezer zuignappen, die van den kop, welken hij op 't oogenblik lang uitstrekt, is van binnen van drie scherpe tanden voorzien, die hem in staat stellen om de huid te doorboren van het dier, waaruit hij het bloed wil zuigen. Al zwemt de bloedzuiger ook met veel snelheid en golvend, zooals de slangen, zoo merkt gij toch op, dat hij op uwe hand alle levendigheid verloren heeft. Hij kan niet vooruitkomen, dan door zijne twee uiteinden bijeen te brengen en de tijd, dien hij daartoe noodig heeft, veroorlooft hem buiten het water slechts langzaam vooruit te komen.
—In mijn land,” zeide de Encuerado, »vangt men de bloedzuigers in de moerassen. Zij, die zich op deze vangst toeleggen, wroeten in het slijk en komen er dan gewoonlijk uit, het lichaam geheel met bloedzuigers bedekt.
—Laten zij zich dan steken?
—Neen, Chanito, althans niet vrijwillig, want de steek van deze bloedzuigers laat eene jeukte na, die minstens vier-en-twintig uren duurt.
—Daarom hebben rijke lieden er ook niets op tegen, om de Europeesche bloedzuigers, die niet dezelfde onaangename eigenschap hebben, duur te betalen,” antwoordde ik.
De zon begon lager te staan; honderden vogels verzamelden zich op den oever der beek. Gele, blauwe, groene en roode vleugels zwierden in alle richtingen door de lucht. Wij keerden naar het bivak terug, telkens staan blijvende om de groote verscheidenheid in gevederte en gezang te bewonderen. Daar waren goudvinken van een violetkleurig zwart, met oranjen buik en den kop en wangen met blauwe veertjes versierd; dikbekken, met goudkleurige keel; meesjes met azuurblauw en wit getooid, welke de Mexicanen primeveren (eerstelingen van de lente) noemen. Een troepjecentzontles—duizendstemmen—kweelden liederen, die een nachtegaal waardig zouden zijn.
De zon, achter gouden wolken verborgen, overgoot de boomen en struiken met een zacht licht. Allengs zwegen de stemmen; de beek alleen murmelde, terwijl vogels over ons heen vlogen om de bergen te bereiken. Het werd duister in 't Oosten; de sterren begonnen éen voor éen aan den donkeren hemel te schitteren, en levende vonken glinsterden in de struiken. De nacht was reeds aangebroken en nog meende ik een geruisch van vleugels, gebladerte en stemmen te hooren; onbestemde geruchten, die het oor bekooren, terwijl het oog overal stralen ziet, die den geest tot God verheffen.
Ik sliep reeds meer dan twee uren, toen het geblaf van Gringalet mij plotseling deed opspringen. Ik was even spoedig als mijne makkers, die verontrust waren door eene beweging in het gebladerte, op de been. Het werd weer stil en ik begon reeds aan een valsch alarm van den hond te denken, die evenwel niet ophield met grommen. Ik wilde opnieuw gaan liggen, toen Sumichrast mij zijne hand op den schouder legde; de kop van eene monsterachtige slang gleed over den grond, en het lichaam, dat ongeveer vijf meters lengte had, ontrolde zich langzaam voor den haard.
Ik herkende de zwarte slang der suikerplantages, alleen te vreezen om hare grootte, en die de planters op hunne velden lokken, welke zij van schadelijke knaagdieren zuivert. De nabijheid van zulk een gast had niets opbeurends, want degene onzer, dien hij in zijne kronkels had genomen, zou zonder veel moeite plat gedrukt zijn. Wij wisten niet al te goed wat te doen; terugtrekken zou wellicht den vijand aanlokken zijn en als wij schoten, zonder hem doodelijk te verwonden, zou onze onhandigheid ons aan de grootste gevaren bloot stellen. Ik hield Gringalet tegen, want het zien daarvan kon de lust van de slang opwekken, terwijl de Encuerado zonder geraas de hut verliet. De slang hief den kop op en haalde hare ringen nauwer aan, sloeg haar flikkerend oog, waarin de vlam van het vuur weerkaatste, rond, en wendde zich naar onzen kant toe. Sumichrast maakte zich gereed te schieten, toen een schot weerklonk; ik meende een vreemden, onmogelijk te omschrijven kreet te hooren, daarna stortte het dak van de hut onder vreeselijke schokken ineen.
Er ontstond een oogenblik van verwarring; de gewonde slang was over ons heengegaan. Ik maakte mij zoo spoedig mogelijk uit de takken los, terwijl ik den verbaasden Lucien beschermde en achteruit trok. Toen ik mij omkeerde, zag ik Sumichrast naar den Encuerado toegaan, die, nog met zijn machete in de hand, de slang in drie stukken had gehouwen. Het ware gevaarlijk geweest deze stukken, die over den bebloeden grond wentelden, en waarvan er een in den haard terecht kwam en dien uitwierp, te naderen. De jager stelde alle pogingen in 't werk om de afgesneden deelen te beletten weer bij elkander te komen; hij meende, zooals trouwens alle Indianen doen, dat de brokstukken van het dier zich van zelf weer tot een geheel vereenigen. Ik beken, dat men geneigd zou zijn aan dit volksbijgeloof waarde te hechten, als men ziet, hoe twee gedeelten van eene slang zich ineenrollen, tegen elkander wrijven, zich omkronkelen, alsof een geheim instinct het dier aanspoorde om eene verbinding te zoeken, welke het leven er aan moest teruggeven.
Door hunne blinde bewegingen verdwenen de brokstukken van de zwarte slang eindelijk in het struikgewas. Ik onderzocht Gringalet van kop tot teen; onze waakzame reismakker had, even als wij, eenige kleine kneuzingen van weinig beteekenis.
»Drommels, drommels! riep Sumichrast. Wij hebben ons niet zeer moedig gedragen. In plaats van ons bang te maken, hadden wij stilletjes moeten blijven liggen, de slang zou ons niet aangevallen hebben en ons dak zou ons nog beschutten.
»Eind goed al goed, hernam ik lachende; maar ik moet toestemmen dat wij aan meester Zonnestraal, die in 't vervolg voor alle slangen bevreesd zal zijn, een beter voorbeeld hadden kunnen geven.
Toch niet, zeide Lucien, als ik ze maar niet alleen tegenkom. En met de zorgeloosheid aan zijne jaren eigen, sliep hij weer in. Alvorens dit voorbeeld te volgen, wakkerde de Encuerado het vuur wat aan en maakte hij een compliment aan Gringalet, die hem in 't gezicht likte. Deze vrijmoedigheid haalde hem eene les in de beleefdheid op den hals, waarvan ik het einde niet hoorde.
(29)DeTangaraszijn hoofdzakelijk vruchtenetende vogels. (N. v. d. V.)
(29)DeTangaraszijn hoofdzakelijk vruchtenetende vogels. (N. v. d. V.)
(30)Vanpalmahandpalm enpesvoet. De door een zwemvlies verbonden teenen van den voet, doet dezen op een handpalm gelijken, vandaar de naam. (N. v. d. V.)
(30)Vanpalmahandpalm enpesvoet. De door een zwemvlies verbonden teenen van den voet, doet dezen op een handpalm gelijken, vandaar de naam. (N. v. d. V.)
WILDE DAHLIA'S.—EEN BETREURENSWAARDIG ONGEVAL.—DE WOLFSMELKBOOMEN.—DE WASCHRAT.—DE STROOM.—DE ENCUERADO HOEDENMAKER.—NIEUW MIDDEL OM BOOZE GEESTEN TE VERDRIJVEN.—DEANHINGA.
Den volgenden dag, die de negentiende was na ons vertrek uit Orizava, vergeleek men de Kompassen en werd de reisroute veranderd. Tot nu toe hadden wij in de richting van het Noord-Oosten langs de provinciën Puebla en Veracruz geloopen, maar zonder evenwel de Cordilleras te verlaten, welker wouden en talrijke valleien nog niet onderzocht zijn. Naar de berekeningen van Sumichrast en ook de mijne moesten wij op dit oogenblik op de hoogte van de provincie Mexico zijn en wij kwamen overeen dat wij ons naar het Westen zouden richten, alsof wij op de hoofdstad van Mexico afgingen.
»Waarom blijven wij niet voorwaarts gaan?” vroeg Lucien.
—»Omdat onze reis eenmaal een einde moet hebben,” antwoordde ik; »tot nu toe zijn wij getrokken door wat men het Gematigde Land noemt. Van heden af zullen wij op het Koude Land toegaan en binnen twee of drie dagen zullen wij woningen aantreffen.
—Zullen wij dan weer menschen zien?
—Ik hoop het. Mishaagt die gedachte u dan?
Neen; maar het zal mij zoo vreemd voorkomen, als ik weer menschen en woningen zie.
—»Drommels, drommels!” riep Sumichrast uit, »gij zijt zoo waar reeds een wilde geworden.”
—Ik vind het zoo aangenaam te voet te reizen, dat ik wel zouwillen, dat de reis nog lang duurde.... maar op voorwaarde, dat ik Mama van tijd tot tijd eens mag omhelzen.
—»Arme Zonnestraal,” sprak Sumichrast, »als ik er aan denk dat gij het volgend jaar op eene kostschool zult zijn; dan eerst zult gij aan ons leven van nu denken.”
—Maar als het vacantie is, papa, en u weer eene reis onderneemt, dan mag ik toch weer mee, daar ik toch goed kan loopen.
—Alvorens aan eene andere reis te denken, zullen wij eerst die, welke wij nu ondernomen hebben, ten einde brengen. Gij schijnt te vergeten, dat wij het moeielijkste gedeelte van onze taak nog volbrengen moeten.
—Het Koude Land doortrekken?
—Neen, dat zullen wij slechts terloops zien; maar het Warme Land belooft ons meer dan ééne kwelling.
—»Bah!” sprak Lucien, terwijl hij mij omhelsde, »het Warme Land is bijna mijn land; ik zal er mij zoo goed houden, dat u aan Mama zult kunnen zeggen, dat ik een man ben.”
De zon schitterde reeds toen ik het teeken tot vertrek gaf. Wij verlieten nooit zonder leedwezen de bivaks, die wij bij een waterstroom hadden opgeslagen. Meestal kostte het ons moeite ons van die gastvrije schuilplaatsen los te rukken, om ons weer op weg naar het onbekende te begeven. Een kwartier uurs verliep met op den Encuerado te wachten, die met alle geweld de stukken van de zwarte slang wilde terugvinden; daarna nog een tweede met het vullen van onze veldflesschen, het landschap te beschouwen en de vlucht der vogels met het oog te volgen. Sumichrast opperde het denkbeeld dat het, na zulk een slechten nacht, niet kwaad zou zijn als wij een beteren, temidden van zulk een verrukkelijk oord doorbrachten.
»Welzeker,” riep ik uit, »de weekelijkheid zal over de geestkracht, de lafheid over den moed zegevieren! Laten wij ons als Romeinen van het tweede keizerrijk gedragen. Laten wij morgen, overmorgen maar eerst vertrekken! Laat ons het gedenkwaardig verblijf te Capua vergeten! O! zoon van Helvetia, wat zou de schim van Willem Tell wel zeggen, als hij u hooren kon?”
Mijn makker verwijderde zich met groote schreden, Lucien en den Encuerado, die verbaasd stond over mijne gebaren en mijn declamatorischen toon, met zich mede voerende. Toen ik de kleine karavaan bereikt had, wenschte ik haar geluk over haar ijver, en ik verklaarde dat Willem Tell, Guatimatzin en Napoleon tevreden konden zijn.
De beek wees den weg aan, dien wij volgen moesten; wij gingen langs hare oevers, beschut door de heesters en opgevroolijkt doorde vogels, die er langs vlogen. Sumichrast wees ons dahlia's aan, de bloem die geheel volmaakt zou zijn, als zij geur bezat. Uit Mexico oorspronkelijk, vanwaar zij in Europa werd ingevoerd, bereikt de dahlia eene hoogte van ongeveer een meter en brengt zij enkele, bleekgele bloemen voort. Door de kweeking heeft men dubbele bloemen verkregen, die duizenden tinten vertoonen en een sieraad van onze tuinen zijn. Veel Mexicanen, die voor veel geld dahlia's in Frankrijk en in Holland koopen, weten zelfs niet, dat de plant uit hun land afkomstig is.
De gekookte en gezouten knollen van de dahlia worden door de Indianen gegeten; 't is een melig, flauw en weinig gezocht voedsel. De wilde aardappel, 't is waar, is al niet veel beter en wie weet of de kweeking, na onze tuinen met deze heerlijke plant verrijkt te hebben, onze tafel niet den een of anderen tijd met de sappig geworden knollen der dahlia's zal begiftigen.
De beek beschreef talrijke kronkelingen en onze begeerte om haar niet te verlaten, bracht ons herhaalde malen van onzen weg af; eindelijk liep zij naar links; ik groette haar als een vriend, van wien men noode afscheid neemt, maar in de hoop dat haar grillige loop haar weer op onzen weg zou voeren.
Onze marsch ging nu naar omhoog; nu eens trokken wij door lichtingen, dan weer door boschjes. Eensklaps opende zich voor ons eene uitgestrekte prairie en Sumichrast voerde ons door hooge, witachtige planten. Na verloop van een kwartier uurs begon onze gids te niezen, Lucien volgde zijn voorbeeld, daarna kwam de beurt aan den Encuerado, vervolgens ook aan mij en aan Gringalet. Deze opeenvolgende uitbarstingen werden door lachen en veelvuldige »God zegene je” begroet; maar eene levendige prikkeling in de keel en aan de oogen vergezelde weldra het niezen.
»Drommels, drommels!” riep mijn vriend uit, »wat beteekent die misplaatste grap?”
Ik sloeg de oogen rondom mij; wij waren omringd door wolfsmelkplanten en onze zorgeloosheid had ons dit ongeval op den hals gehaald.
De lust tot lachen verging ons; wij hadden het midden der vlakte bereikt; het was te laat om terug te keeren. Al hoestende, traanoogende en niezende voerde ik mijne gezellen door de verwenschte planten, waarbij ik opmerkte, dat zij elken anderen plantengroei verstikten. Reeds was mij eens in het Warme Land dergelijk ongeval overkomen en ik vreesde voor de gevolgen van zulke eene wezenlijke vergiftiging. Sumichrast en Lucien bloedden uit den neus; ik versnelde den pas nog meer. Eindelijk drongen wij, met roodeen opgezwollen oogen en een gevoel in de keel, alsof zij door eene ijzeren hand werd toegeknepen, het bosch in. Onze eerste zorg was ons gelaat wat te betten en de keel te gorgelen, zonder ook den ongelukkigen Gringalet te vergeten, die van dat alles niets begreep en zijn snuit over den grond wreef.
De Encuerado bromde tusschen zijne tanden en wilde de wolfsmelkplanten vernietigen. Ik had veel moeite om hem te beletten den oorlog te beginnen tegen de planten, die ons in zulk een erbarmelijken toestand hadden gebracht; zich van zijne mars ontdaan hebbende, bood hij aan ons te wreken en keerde hij elk oogenblik naar het noodlottige veld terug. Hij wilde het in brand steken; dat was het onmogelijke beproeven. Hij moest zich dus met scheldwoorden vergenoegen; ze waren kort maar krachtig, want de toestand van zijne keel veroorloofde hem nauwelijks te spreken.
Ter prooi aan een onverdraaglijk onaangenaam gevoel, drongen wij het woud in, een weinig op goed geluk voortloopende, in de hoop, dat wij eene bron zouden ontmoeten. Eindelijk werd het terrein vlak; vervolgens voerde eene steile helling ons in de bedding van een opgedroogden stroom; eenige schreden verder brachten ons bij een plas groenachtig water—het manna in de woestijn.
Onze gezichten waren opgezwollen, de oogleden brandden, de mond was droog en het niezen wilde maar geen einde nemen; dien dag werd er noch over eene hut noch over een haard gesproken. Door de koorts verteerd, strekte een ieder zich in de schaduw uit en zocht in den slaap een weinig verlichting voor zijn lijden.
Lucien, die zeer terneergeslagen was, verdroeg zijn lijden met een moed, die mij aandeed. Ik droeg zorg zijne oogen van tijd tot tijd uit te wasschen en hem te drinken te geven.
Hij sliep in; maar hij had, evenals wij, een gevoel, alsof zijn hoofd te zwaar voor zijne schouders was geworden.
Toen de zon onderging, maakte ik den Indiaan wakker.
Onze gezichten bleven opzwellen; de Encuerado zag mij verwonderd aan en sliep weer in. Er moest vuur aangemaakt en koffie gezet worden; maar ik geloof niet, dat het ons een van allen mogelijk zou geweest zijn te eten. Met een langzaamheid en eene linkschheid, die ik niet kon overwinnen, gelukte het mij eindelijk eenige droge takken bijeen te rapen en het water aan 't koken te brengen. Toen riep ik mijne gezellen; zij dronken, zonder eenig besef te hebben van den dienst, dien ik hun bewees, en vielen toen weer in een zwaren slaap.
De zon kondigde minstens tien uur aan, toen Lucien, het voorbeeld gevende, ons overreedde om op te staan.
Met zulk een opgezwollen en pijnlijk gelaat konden wij er niet aan denken op weg te gaan. Sumichrast deelde zijn leerling eenige korte bijzonderheden mede over de wolfsmelkboomen, waarvan vele Afrikaansche soorten in hunne groeiwijze op reusachtige cactussen gelijken. De planten van deze familie, kruiden, struiken of heesters, bevatten een melkachtig, scherp en vergiftig sap.
Eene verscheidenheid, welke men slechts zelden in Mexico aantreft, maar die men zegt, dat in Brazilië zeer algemeen is, is de phosphoriseerende wolfsmelkplant,—die des nachts licht geeft. Demancenilla, in welks sap de vroegere Caraïben de pijlpunten dompelden, welke zij vergiftig wilden maken, behoorde tot deze plantenorde; maar de reizigers en later de dichters, zijn veel te ver gegaan met te beweren, dat het voldoende was in zijne schaduw te gaan liggen, om den eeuwigen slaap in te gaan.
Het melksap van de wolfsmelkplanten (eupharbiaceeën) wordt soms in de geneeskunde gebruikt en de olie uit de zaden van den wonderboom is een wormafdrijvend purgeermiddel, hetwelk de kinderen zelfs maar al te goed kennen.
„Dat is eene mooie familie,” riep de Encuerado uit, die een afschuw van de wonderolie had; »zoo beschouwd, zijn alle leden giftmengers en moordenaars.”
—»Behalve de manioc, welke detapioccaeoplevert, waarvan gij zooveel houdt,” antwoordde ik.
—»Is de manioc een verwante van de wolfsmelkboomen?” sprak de Indiaan, met een twijfelachtig gelaat.
—Zeer zeker, en wanneer zij, die haar verzamelen, niet de voorzorg namen haar in zeer ruim water af te wasschen, zoudt gij er niet van kunnen eten, zonder uw leven er bij in te schieten.
—»Wel nu,” zeide de Encuerado, vol overtuiging, »de duivel van mijnheer Sumichrast mag van mijnentwege de geheele familie halen en detapioccaop den koop toe, ik zal er mij niet over beklagen.
In den namiddag verklaarden Sumichrast en Lucien, dat zij honger hadden; dat was een goed teeken. Ik nam mijn geweer, dat mij wel honderd pond scheen te wegen, en door mijne makkers gevolgd, ging ik strompelend den loop van de stroombedding op.
Wij ontmoetten verschillende waterpoelen en daarna van de bergen losgescheurde en zonderling op elkander gestapelde rotsen. Ik klom bij den oever op, van plan om mij met het eerste stuk wild, dat zich zou voordoen, te vergenoegen. Ik zag evenwel niet anders dan koningstoccoms, met zwart, geel en rood gevederte; maar die vogels waren te vlug, dan dat ik er aan denken kon ze te vervolgen. Eeneekhoorn liet zich echter schieten; 't was wel een schraal maal voor vijf hongerige magen.
Sumichrast, die vooruit was gegaan, bleef staan en gaf ons een teeken om stil te zijn. Mijne oogen drongen op het bed van den stroom en bij een met water gevuld gat zag ik eentejorof waschrat. Het dier, dat een grijs met zwart gestreept vel bezat, had een spitsen snuit als die van de buidelrat; het was op zijn achterdeel gezeten, dompelde zijne pooten in het water en wreef ze tegen elkander aan. De Encuerado schoot, de rat sprong op en weldra kon Lucien hare prachtige huid en haar fraaien staart bewonderen. Het dier was bezig eene hagedis te wasschen, alvorens haar te verslinden, aan welke onverklaarbare gewoonte het zijn bijnaam te danken heeft.
Detejor(procyon lotor) wordt veel in Mexico aangetroffen. Hij behoort tot de familie der beren, maar is veel kleiner en veel vlugger; hij is vleeschetend en tevens insektenetend. Hij klimt met veel gemak op de boomen, en als hij zijn verblijf dicht bij eene woning heeft opgeslagen, vernietigt hij in korten tijd al het pluimgedierte. Detejorwordt zonder veel moeite tam gemaakt, loopt zijn meester te gemoet en zoekt zijne liefkoozingen; evenwel bijt hij, evenals de eekhoorn, waarop hij door zijne levendigheid gelijkt, onverwacht de hand die hem voedt. Het vleesch van den procyon is blank, zacht en malsch.
De Encuerado had dahliabollen verzameld en onder de asch gebraden; daar dit voedsel ons niet smaakte, misschien omdat onze ontstoken keel ons niet toeliet de fijnheid er van te erkennen, gaf ik het aan Gringalet, die er zich aan te goed deed.
De nacht brak aan, de hemel bedekte zich met grauwe wolken, die hevig werden voortgedreven, ofschoon de boomen om ons heen onbeweeglijk bleven.
Het was te laat om eene hut te bouwen en evenals den vorigen nacht strekte ieder zich op goed geluk op een bed van droog mos uit.
Ik werd stijf van koude wakker; er blonk geene enkele ster aan den hemel. Er bleef mij van de onpasselijkheid, door de wolfsmelkplanten veroorzaakt, nog slechts een weinig zwaarte in het hoofd en eene lichte ontsteking in de keel over. Ik trachtte weer in te slapen en viel in eene soort van pijnlijke soezerij. Ik meende roofvogels te hooren schreeuwen en in het bosch een geloei te vernemen. Ik stond op om die nachtmerrie te verdrijven; maar ik droomde niet, de dag brak aan, de vogels namen onder wild gekrijsch de vlucht, een dof geraas, gelijk aan dat van den wind, die de boomen van het woud doet schudden, klonk zonder ophouden in mijne ooren. Ik riep Sumichrast en den Encuerado; deze laatste riep vol schrik uit:
»De stroom!”
Lucien opnemende, droeg ik hem op mijne armen weg, terwijl de Indiaan in alle haast de over den grond verspreide voorwerpen bijeenzocht. Ik bereikte door mijne beide makkers en Gringalet gevolgd, den dam. Lucien, in zijn slaap gestoord, had den tijd niet om te vragen wat er aan de hand was. Een woedend geraas maakte ons bijna doof; een geelachtige watermassa ging ons voorbij; ik zag een mijner dekens drijven en bijna terzelfder tijd vielen de rotsen in als door eene onzichtbare macht voortgesleept, en stieten tegen elkander aan, onder den drang van een vloeibare lawine.
Een minuut later en het ware met ons gedaan geweest, of althans met ons goed en onze wapenen, zonder welke onze toestand zeer hachelijk zou geworden zijn.
Onze hoeden dreven met de deken weg; dit verlies was ons zeer onaangenaam, want geen onzer, behalve de Encuerado, kon onder de stralen eener tropische zon blootshoofds loopen. Het ontmoeten van een palmboom zou ons er over getroost hebben, want de Indiaan kon, evenals al zijne landgenooten, stroo en riet vlechten. Inmiddels bedekte ieder zich het hoofd met de breede bladeren van eene plant, die op de oevers der stroomende wateren groeit en waarvan de Indiaansche vrouwen zich soms bij wijze van zonnescherm bedienen.
Wij wisten bij ondervinding met welke snelheid de rivieren soms overstroomen.
Een maand later, tegen het tijdstip van de regelmatig terugkeerende regenbuien, zouden wij het nooit gewaagd hebben midden in eene stroombedding te kampeeren. Wij hadden den vorigen dag evenwel opgemerkt, dat de lucht vol grauwe wolken werd, wat ons op onze hoede had moeten doen zijn.
De woedende stroom ging voort, zonder moeite ontzaglijke steenblokken meesleepende; maar de waterhoogte vermeerderde niet en toonde aan, dat hij even spoedig weer zou opdrogen als hij gezwollen was. De Encuerado moest zich met een slijkerig water vergenoegen om de koffie te koken; maar als wij onze kieskeurigheid van beschaafde menschen hadden willen behouden, zouden wij de reis hebben moeten opgeven! Een ander ongeval hield ons trouwens bezig; het overgebleven gedeelte van de waschrat, dat voor ons ontbijt had moeten dienen, was, evenals onze zak rijst door den stroom meegesleurd.
Wij gingen, weinig opgebeurd door deze reeks tegenspoeden, op weg.
Alle ongesteldheid was gelukkig verdwenen; maar wij bleven de wolfsmelkboomen en den stroom een kwaad hart toedragen. Eenlange marsch, gedurende welken wij nog den loop van de onverwacht ontstane rivier verscheidene malen verloren en weer teruggevonden hadden, bracht ons eindelijk aan een heuvel, aan welks voet een uitgestrekt moeras lag. De Encuerado die, bij gebrek aan wild, hier en daar wat riet had uitgetrokken, begon dadelijk hoeden voor ons te vlechten.
Terwijl ik hem in gezelschap van Lucien achterliet, ging ik met Sumichrast uit om eenig wild op te sporen.
Toen wij van onze nuttelooze wandeling terugkwamen, vond ik mijn zoon reeds in 't bezit van een hoofddeksel in den vorm van een trechter; de Encuerado bood er mij ook een aan, die, naar het zeggen van mijn vriend, mij op een Chinees deed gelijken. Nadat ik een weinig uitgerust was, wilde ik opnieuw op de jacht gaan. Het geraas van den stroom scheen de vogels verdreven te hebben. Er vertoonde zich ternauwernood nu en dan een muschvogel, die het schot kruit, dat hij gekost zou hebben, niet waard was. Ik vertrok opnieuw in gezelschap van Sumichrast, die op zijne beurt een mooien punthoed op had gekregen.
Deze nieuwe loop putte ons geheel uit, zonder ons een anderen buit op te leveren dan eentangara, waarvan het schitterend gevederte onzen honger niet kon doen bedaren. De Encuerado en Lucien bemerkten ons, midden in het moeras staande; de jonge visscher liep op ons toe met zijn nieuw hoofddeksel in de hand; in zijne haast vergat hij, dat de bodem van een moeras bijna altijd glibberig is en ik zag hem plat op zijn buik op eene laag waterplanten vallen. Met één sprong was de Encuerado bij hem en hielp hem overeind; maar in plaats van zich over zijn val te bekommeren, sloeg Lucien zijne bedroefde oogen naar den Indiaan op.
Zijn hoed bevatte een gedeelte van de visch, die zij met het vlindernet hadden gevangen en waarvan meer dan een derde in het modderige water van het moeras verdwenen was.
»Drommels, drommels!” sprak Sumichrast, om het bedrukte gelaat van den visscher lachende, »wij zijn bepaald betooverd.”
Deze scherts werd door den Encuerado voor ernst opgenomen; hij sloeg zich voor het voorhoofd, alsof hij plotseling eene ingeving had gekregen.
»Dat is de geest van de grot!” riep hij uit. O! die rekel, en dat na alles wat hij mij te danken heeft en de voorzorg, die ik genomen heb.
—»Welke voorzorg?” vroeg Lucien.
—Ik heb zeven witte keisteentjes opgeraapt en er een mooi kruis mee geteekend.
—Wat heeft hij met dat kruis te maken?
—Hoe, Chanito, hij weet dat wij christenen zijn en durft ons aanvallen! Wacht een beetje! Ik zal hem den boozen geest, dien hij in mijn lichaam heeft gezonden, terugsturen en spoedig ook.
En tegen een boom leunende met zijn hoofd omlaag en de beenen in de lucht, begon de Encuerado als een bezetene met de beenen te spartelen. Nu eens viel hij links, dan weer rechts, maar na elken val stond hij op om dadelijk zijne houding van clown weer aan te nemen. Bij het zien van die lichaamsverwringingen kon geen onzer zijn ernst bewaren.
Lucien lachte dat de tranen hem over de wangen liepen, te meer nog daar de Indiaan, als om het tooneel nog grappiger te maken, zijn gebaren deed vergezeld gaan van scheldwoorden aan het adres van den geest van de grot.
Eindelijk beval ik hem zijne natuurlijke houding weer aan te nemen en zich stil te houden.
»Denkt gij, dat hij vertrokken zal zijn?” vroeg hij met een onverstoorbaren ernst.
—»Zeker,” antwoordde ik; »op de wijze waarop gij hem geschud hebt, moet hij wel door den mond of de ooren naar buiten zijn gegaan.”
—Nu uwe beurt, Chanito!
Lucien, die verrukt was dat hij ook die kunsten eens zou mogen uithalen, poogde herhaalde malen zich op het hoofd in evenwicht te houden, maar door zijn lachen beheerscht, vond hij de kracht niet om zich op te heffen. Hoe meer de Encuerado hem toeriep, dat hij den ernst moest bewaren, die voor het welslagen van de bewerking noodig was, des te onweerstaanbaarder werd het lachen. De goede Indiaan, die meende dat een geest bepaald een lichaam moest verlaten, dat met het hoofd omlaag is geplaatst, vatte de beenen van zijn jongen meester vast en schudde hem als een zak, dien men ledigen wil. Sumichrast maakte een einde aan de geestverdrijving, door te verklaren dat de geest op de vlucht was gegaan. Toen naderde de Encuerado mijn metgezel en stelde dezen voor ook hem te helpen, zooals hij Lucien had gedaan.
»Nu is het genoeg,” sprak ik, zoodra het lachen mij toeliet te spreken. »Sumichrast en ik bezitten een ander middel om geesten te verdrijven.”
De Encuerado zag mij met bewondering aan, meer dan ooit overtuigd dat mijne macht die van de toovenaars van zijn land ver te boven ging.
Wij waren den haard genaderd; Lucien herhaalde vol ernst dewoorden van den Indiaan aan 't adres van den booze, toen Gringalet begon te huilen.
De Encuerado had het arme dier bij zijne achterste pooten gevat en schudde hem met den kop omlaag, heen en weer.
»'t Is voor uw bestwil,” zeide hij. »Begrijpt gij dan niet, dat de geest, dien gij in het lijf hebt, u tot de eene of andere dwaasheid zou verleiden?”
Lucien vloog zijn trouwen vriend te hulp, die eindelijk door den Indiaan werd losgelaten. Weinig erkentelijk voor de goede bedoelingen van den Encuerado te zijnen opzichte, bleef Gringalet boos op hem en gedurende een dag of drie naderde hij hem slechts met wantrouwen.
Na dit tooneel hield de zorg voor het middagmaal ons geheel bezig. Als de jacht goed was geweest, zou zij ons het vet geleverd hebben om onzen visch te bakken. Terwijl wij zoo over ons weinig geluk klaagden, bemerkte ik een troep vogels, die op de manier der eenden vlogen; zij beschreven een grooten kring en zetten zich op den top van een boom neer. De Encuerado schoot en een vogel viel naar beneden. Het door den Indiaan gedoode wild was eenanhinga(31), een der zonderlingste zwemvogels, die men maar zien kan. Men stelle zich een vogel voor met het lichaam van eene zeer groote eend, den hals eener zwaan, met een rechten, puntigen snavel, die langer dan de kop is, met van zwemvliezen voorziene pooten en groote, sterk bevederde vleugels. Deanhingaduikt en zwemt met dezelfde kracht, zwemt onder het water, zit op boomen en zoekt den hoogsten top uit om er zijn nest op te bouwen.
Het vleesch van deanhingais weinig gezocht; men beweert, dat het hard en taai is. Stemde de honger mij tot toegevendheid? Ik weet het niet; maar ik vond, dat het even malsch was als van de eend. Het vet van den vogel, dat zorgvuldig werd opgevangen, diende om de visschen te bakken. Deze, ik moet het bekennen, kwamen ons minder sappig voor dan het zwarte vleesch van den zwemvogel. Smaakte deze een weinig naar visch, de andere smaakten grondig; evenwel ging het gansche menu naar binnen.
Toen de nacht aanbrak, teekende de maan den omtrek der boomen tegen den blauwen hemel af en de Encuerado, blijde te weten dat hij onttooverd was, vergastte ons op een nog niet gehoorden lofzang, die er niet weinig toe bijbracht om ons te doen inslapen.