(31)Anhingo Levallantii, de Amerikaansche verwante van den Slangenhalsvogel (Plotus Levallantiiofmelanagaster).(Noot v. d. V.)
(31)Anhingo Levallantii, de Amerikaansche verwante van den Slangenhalsvogel (Plotus Levallantiiofmelanagaster).
(Noot v. d. V.)
MIDDEN DOOR DE MIEREN.—EEN TROEP HAZEN.—DE ZWARTE IGUANO.—EEN ANDER LAND.—HERINNERINGEN UIT DE KINDSHEID.—DE LUCHTSPIEGELING.—EEN VUUR IN DE VLAKTE.
Tegen tien uur in den morgen waren wij reeds verscheidene heuvels overgetrokken en volgden wij een nauwe, met varenplanten bekleede kloof. Lucien opende den marsch, door den Encuerado op den voet gevolgd; hij bracht ons allengs op eene rotstrap, die in het regenseizoen ongetwijfeld tot afvoer van het water diende. De steile weg dwong ons herhaalde malen tot stilstaan, teneinde adem te scheppen. De heesters kruisten hunne takken boven onze hoofden en zonden ons hunne welriekende geuren toe; maar Sumichrast, die door zijne lengte gedwongen was om half gebukt te loopen, herhaalde van tijd tot tijd zijn geliefkoosden uitroep.
De jonge gids, verlangende een minder moeielijk pad te bereiken, had zijn wegonverpoosdvervolgd. Ik hoorde hem den Encuerado roepen en weldra zag ik hem onbeweeglijk midden in de kloof staan en naar zijne voeten zien, alsof een onzichtbare hinderpaal hem den weg versperde. Toen ik bij hem gekomen was, begreep ik zijne verlegenheid; de grond was bedekt met roode mieren; men kononmogelijkvoortgaan zonder ze bij honderden te vertrappen, een onvrijwillige moord, dien men niet kan bedrijven zonder zich aan pijnlijke beten bloot te stellen.
De Encuerado stroopte de halffladderende pijpen van zijn leeren broek op en wierp zich midden in den vijand, maar het steile terrein veroorloofde hem niet den levenden stroom zoo spoedig over te komen, als hij gehoopt had. Deze poging, die op een effengrond slechts kinderspel zou geweest zijn, werd op eene helling gevaarlijk. Tot overmaat van ramp gleed de Indiaan uit en lag nu, plat op den buik, midden tusschen de mieren. Hij stond op, overdekt met de nijdige dieren; aan den overkant der kolonne gekomen, kleedde hij zich haastig uit, teneinde zich te ontdoen van de duizenden tegenstanders, welker venijnige kaken in zijn vleesch drongen.
Door den val van den Indiaan in de war gebracht, verspreidde de bende zich en verbreedde zij hare gelederen; nieuwe regimenten rukten aan, hoopten zich op en hieven hunne dreigende koppen omhoog. Ik wilde mijn zoon niet aan de kwelling hunner beten blootstellen; ik nam hem op mijn rug en ging op mijne beurt voorwaarts. De vracht vertraagde mijn loop zoozeer, dat ik mieren tot aan mijn hals toe had, toen ik bij den Encuerado was aangekomen. Ik zette Lucien op den grond, want ik hield het niet langer uit; ik ging toch te zijner hulp en bevrijdde hem van zijn vijanden, op gevaar af van mij nog meer te laten bijten. Door den Encuerado geholpen, bevrijdde ik den knaap van zijn vijanden; hij had niet veel letsel bekomen, hoogstens een twintigtal beten. De woedende Indiaan rukte graszoden uit, die hij naar den vijand slingerde. De reeds vertoornde insekten verspreidden zich nu nog meer en bedekten eene oppervlakte, dubbel zoo groot als die, welke zij eerst besloegen. Ik dacht aan mijn vriend, die een weinig lager stond adem te scheppen en toomde den toorn van den Encuerado in.
Sumichrast naderde; verwonderd over onze luchtige kleeding, opende hij een paar verbaasde oogen, ging eenige schreden voorwaarts en liet toen zulk een vervaarlijk »drommels, drommels!” hooren, dat wij in een schaterlach uitbarstten, waarin hij evenwel volstrekt niet deelde: hij was dan ook den Rubicon nog niet overgetrokken.
Zonder met onze bewegingen op te houden, om het jeuken tegen te gaan, overlaadden wij hem met allerlei raadgevingen. Hij wilde uit het ravijn gaan, door tegen den wand op te klimmen—moeite te vergeefs, de helling was te steil. Hij sneed een tak met bladeren af en veegde den grond schoon; maar het pad werd even spoedig weer gevuld als het geopend is. Sumichrast ging peinzend zitten, Gringalet, dien dit tooneel verwonderde, ging naar hem toe; ons geschreeuw doet hem midden in den mierenhoop stilstaan, maar hij bleef er niet lang.
Terwijl de Encuerado en Lucien den armen hond ontlastten van den vijand, dien hij zoo dwaaslijk had uitgetart, trok Sumichrast de helsche kolonne met eene stoicynsche gelatenheid door. Eenkwartier uurs later zetten wij onze opstijging voort, als mannen van ondervinding redekavelende over de beten der mieren en het gevoel, dat zij te weeg brengen.
Met Lucien aan 't hoofd bereikten wij eindelijk eene naakte bergvlakte en trokken tusschen ontzaglijke rotsblokken door. Sumichrast sloeg een uitgedroogd geultje in, en hij, die zich straks zoo beklaagde dat hij in gebukte houding moest loopen, noodzaakte ons nu op handen en voeten te gaan; Lucien gaf hem dan ook met woeker de schimpscheuten terug, die hij van hem ontvangen had. Eene laatste krachtige inspanning bracht ons op een bergrug; wij gingen onder struikgewas door om eensklaps op eene zandige vlakte terecht te komen, te midden van een vijftigtal hazen, die eerst de vlucht namen, nadat Lucien en de Encuerado er twee gedood hadden.
Om drie uur in den namiddag voerde ik mijne makkers nog altijd door de vlakte; de temperatuur was zacht en een licht windje maakte, dat wij zonder te veel vermoeidheid de brandende zonnestralen verduurden. Wij werden nog slechts omringd door eenige magere struiken, die op een witachtigen bodem groeiden. Sumichrast stelde voor zonder schuilplaats te kampeeren. Een vuur van droog gras zou voldoende zijn om onzen slaap te beschermen; maar voor de keuken was hout noodig. Ieder ging in eene verschillende richting om hout te sprokkelen en de zon was reeds onder eer de kok in staat was om het wild gereed te maken.
Den volgenden morgen verguldde de zon eensklaps de vlakte met een fraaie gouden kleur. Roofvogels zweefden in de lucht en bij onze eerste schreden begon Gringalet reeds jacht op de hazen te maken. Deze dieren, die gewoonlijk zoo vreesachtig zijn, zagen ons met eene bedaarde nieuwsgierigheid, die ons zeer verwonderde, voorbijtrekken. Wij zagen ze bij hunne legers met opgerichte ooren en onbeweeglijk zitten, hunne groote zwarte oogen wijd geopend. Bij deze gelegenheid verzekerde de Encuerado ons, dat de haas nooit de oogen toe doet,—zelfs niet om te slapen.
Aan het einde van de vlakte versperde een zandheuvel ons den weg en de warmte begon het ons lastig te maken. De weerkaatsing vooral deed de oogen pijnlijk aan. Onze voeten woelden wolken van stof op. Lucien, die een onvermoeibare looper was geworden, was ons gewoonlijk vooruit en won veel weg op ons, terwijl wij bleven staan om adem te scheppen. Wij hadden bijna den top van den heuvel bereikt, terwijl hij ons reeds vier of vijf honderd pas voor was, toen ik zag dat hij zijn geweer aanlegde en schoot. Ik liep op hem toe, terwijl hij verder den top beklom en daarop verdween, mij toeroepende dat hij een draak had gedood.
Ik vond den jongen jager terug; hij stond voor een prachtigen iguano (cyclura acanthura), die inderdaad op het fabelachtige dier gelijkt, dat ons door de dichters beschreven is. De huid van den fraaienSauriërhad een zilvergrijzen weerschijn, die vooral op den rugkam zeer duidelijk was. Het dier stierf juist, toen de Encuerado bij ons kwam, die zich de handen wrijvende uitriep:
»Dat is eenguachi-chevé, wat zullen wij een lekker avondmaal hebben.”
—»Hebt gij er dan al meer gezien?” vroeg Lucien.
—Dat is een dier uit mijn land, Chanito; het is zeer overvloedig in de vlakten, die naar den Stillen Oceaan afdalen. Die dieren kunnen leven zonder te eten; men bewaart ze soms twee maanden met vastgebonden pooten en dichtgenaaiden bek.
—Met dicht genaaiden bek!
—Ja, Chanito, om te beletten dat zij mager worden. Op uw leeftijd en tegen de vasten, ging ik met mijne broers op de iguanojacht. Wij zochten bij voorkeur de lage gronden op, die in den regentijd onder water staan. Daar vonden wij in holle boomen of in gaten, die zij in het vochtige slijk hadden gemaakt, de zwarte iguano, die wij bij den staart er uittrokken.
—Bijten zij dan niet?
—Oh, ja. Chanito, zij bijten zeer goed en krabben nog beter; wij droegen dan ook wel zorg ze bij den hals te vatten en de pooten en kaken vast te binden; soms vervolgden wij ze op de boomen; maar dan lieten de iguano's zich zonder gevaar van een hoogte van twintig of dertig voet vallen en ontsnapten ons meestal.
Sumichrast vulde deze inlichtingen aan, door den jongen natuuronderzoeker mede te deelen, dat de iguano—een verwante van de hagedis—tot een meter lang wordt; dat het wijfje twintig à dertig eieren legt, die door de inlandsche lekkerbekken zeer gezocht zijn en dat de groene soort—iguana rhinolopha—een dunnen en platten staart heeft en veel beter zwemt dan de zwarte, welks met stekels bezette staart minder tot zwemmen geschikt is. Het ontmoeten van een groenen iguano kondigt dan ook bijna altijd de nabijheid van een waterstroom aan, terwijl men weet dat de zwarte iguano, die zeer bevreesd voor de crocodillen is, zich van de rivieren verwijderd houdt.
Lucien wilde eerst zelf het wild dragen; maar onder het gewicht van zijn draak bezwijkende, gaf hij het spoedig aan den Encuerado over. Er vertoonde zich weer een nieuwe heuvel; de grond werd bij elke schrede dorder; ternauwernood groeide hier en daar een klein grasgewas met blauwe bloempjes. Toen de tweede top bereikt was,ontplooide zich eene grenzenlooze vlakte voor onze oogen;—wij waren op het middelste bergvlak van Mexico, in het Koude Land en op 2.500 meter boven de oppervlakte der zee.
Welk eene verandering! Op een witten grond, die zoo licht en droog was, dat het minste windje dien medevoerde, verhieven zich hier en daar vijf of zes bijna bladerlooze boomen en vervolgens eenige doornachtige met stof bedekte struiken; een weinig verder verbaasden reusachtige cactussen ons door hun zonderlingen bouw. De zon, door het zand teruggekaatst, vermoeide het gezicht. Ik richtte den marsch eenigszins naar rechts, waar zich een weinig groen vertoonde en onze tent van bladeren werd onder Peruaansche peperstruiken opgericht.
»Wat een leelijk land!” riep Lucien uit. „Zijn wij dan niet meer in Mexico?”
—»Zeker,” antwoordde ik; »maar wij zijn op het groote bergvlak, bijna op de hoogte van Mexico en Puebla.”
—Moeten wij die groote vlakte overtrekken? Ik zie er noch dieren noch vogels, men zou zeggen, dat de boomen dorst hebben.
—Gij hebt meer gelijk dan gij misschien wel denkt, want het regent hier niet meer dan viermaal in 't jaar. En toch is deze grond, die op het eerste gezicht zoo dor schijnt, uitstekend ter bebouwing geschikt. Hij brengt koren, gerst, aardappelen, peren, appelen, kersen, perziken, druiven, in één woord, alle Europeesche vruchten voort, die in de gematigde luchtstreek niet kunnen groeien, omdat de warmte ze te spoedig doet ontwikkelen. Eindelijk groeit op dit bergvlak demaguey,—agave mexicana, eene wonderbare plant, die aan de Mexicanen evenveel diensten bewijst als de cocospalm aan de bewoners van Afrika.
De Encuerado was onder een peperstruik neergehurkt en zijne blikken dwaalden over den onmetelijken horizon. Wij bevonden ons toch op de hoogte vanzijnland en hij kon meenen, dat hij in de nabijheid van zijn dorp was.
»Waar denkt ge zoo aan?” vroeg ik, terwijl ik hem op den schouder klopte.
—Oh, Tatita, waarom hebt gij mij gestoord? Hier ben ik even geleerd als gij, en ik zou u op mijne beurt de namen kunnen noemen van al de bloemen, welke hare hoofdjes naar mij toeneigen, alsof zij mij herkenden. Ik heb dikwijls in deze vlakte rondgedoold; ik heb die struiken, die boomen, die planten reeds vroeger gezien... Gij lacht, Chanito. Welnu! gij zult het zien! laat Tatita het maar gerust zeggen, als ik de waarheid niet spreek.—»Zie hier,” sprak de Indiaan, terwijl hij opstond en een plantje met dunne en witachtigebladeren uittrok, dit is dealfilerillo, dien de moeders aan de kinderen geven, om ze van de keelpijn te genezen. De boomen, welke ons overschaduwen, zijn de valsche peperboomen, die men tevergeefs in het Warme Land zou zoeken; hunne fraaie roode trossen zullen vruchten opleveren, die hier verloren gaan, maar die evenwel dienen om de buikpijn te doen bedaren. Zie, Chanito, dat is eenmizquitl, een doornachtige boom, waarop wij gom zullen vinden. Wat heb ik u gezegd? Ziedaar reeds drie stukken; gij kunt ze zuigen; eerst zullen ze u wel bitter toeschijnen, maar ge zult spoedig aan den smaak gewennen. Tatita, gij hebt mij in mijn land teruggebracht.
—Wij zijn op dezelfde lijn, het is dus geen wonder, dat gij hier denzelfden plantengroei aantreft als dien, te midden waarvan gij zijt opgegroeid!
De Indiaan bleef peinzend; Sumichrast en ik zagen hem met nieuwsgierigheid aan en Lucien, verwonderd hem zoo ontroerd te zien, bleef geheel ongerust bij hem staan.
—»Daar is het Engelenkruid,” hernam de Encuerado eensklaps. »Wat was mijne moeder verheugd, toen ik haar een takje van dit gras had meegebracht.”
—»Welke eigenschappen heeft het dan?” vroeg ik.
—»Het verschaft droomen, die ons ten hemel voeren; het is dat zeldzame bloempje, dat het kind Jezus in de vlakten van Bethlehem ging plukken. Ziet ge, Chanito, zonder uwe tegenwoordigheid zouden wij dat plantje, dat de moeders uit mijn land zoo verheugd maakt, niet gevonden hebben.
De Indiaan verviel weer in zijne droomerij, nu eens zijn blik over den ruimen gezichteinder latende dwalen, dan weer het gras, dat aan zijne voeten groeide, uittrekkende. »Er ontbreekt nog maar eenlataniaaan, om het landschap volkomen te maken,” sprak hij.
Na verloop van een oogenblik liep hij naar de struiken toe en knielde neer; hij had een bundeltje van die gele vergeet-mij-nietjes gevonden, die men in zijn land het »doodenbloempje” noemt. Weldra hoorde ik hem snikken.
»Oh, Chema, wat scheelt er toch aan?” riep Lucien uit, terwijl hij op zijn vriend toeijlde.
De Indiaan stond op en nam den knaap in zijne armen. »Ik had eene moeder, ik had broers, ik had een Vaderland,” sprak hij; »en deze bloemen herinneren mij, dat zij, die ik lief heb gehad, in het graf slapen.”
—»Houdt gij dan niet veel van mij?” hernam Lucien, hem omhelzende.
Als eenig antwoord drukte de Encuerado hem zoo vast tegenzijne borst, dat hij hem een lichten kreet ontlokte; daarna droeg hij hem naar het bivak.
Dit tooneel had ons ontroerd; met langzame schreden en zonder een woord te wisselen gingen wij, mijn vriend en ik, naast elkander voort. »O! macht van den dorpstoren en van de herinneringen der jeugd!” dacht ik, »welk paleis zal ooit zooveel waarde hebben als het ouderlijk dak; welk geluk zal ooit dat der eerste kinderjaren evenaren? De herder, die groot-vizier is geworden, zal altijd in eene kist het ruwe kleed bewaren, waaronder hij meende ongelukkig te zijn. O roem! o fortuin! hebben de machtigste opkomelingen wel ooit hunne jeugd kunnen vergeten? en dacht Napoleon, toen hij beheerscher der wereld was geworden, nooit aan de tafel, zonder tafellaken, die zijne moeder met vijgen en olijven bedekte?
De honger bracht mij tot meer prozaïsche gedachten. Het blanke en sappige vleesch van den Iguano was eene smullerij zoowel voor Gringalet als voor ons. Het maal duurde langer dan naar gewoonte; wij waren over het vaderland aan 't praten geraakt en dat onderwerp was onuitputtelijk. Ik herinnerde mijn vriend er aan, dat hij een paar dagen te voren even ontroerd was geweest als de Indiaan, toen hij twee vlinders zag verdwijnen, die hij meende tot eene soort uit zijn land te behooren en ik stelde deze herinnering tegenover het plan, dat hij zoo dikwijls had geuit, om midden in de eenzaamheid te gaan wonen, teneinde daar onbekend te leven en te sterven.
Op het groote bergvlak blijft de zon een weinig langer schijnen dan in de warme gewesten. Hoe meer de zon de aarde naderde, des te meer begon de hemel in eene purperen tint te gloeien en aan onze rechterhand zag ik de oneffenheden van de Cordilleras uit het land van den Encuerado, zich afteekenen. Allengs nam de witachtige grond een doorschijnend uiterlijk aan; onze misleide oogen waanden eene onmetelijke watervlakte te zien, waarboven overstroomde boomen hunne groene koppen uitstaken.
De maan kwam op, en verre van een einde aan de luchtspiegeling te maken, deed zij het gezichtsbedrog nog duidelijker voorkomen. Ik besloot den heuvel af te dalen, ten einde Lucien van deze zonderlinge dwaling onzer zintuigen te overtuigen.
»Ik heb wel gezien dat de vlakte droog is,” sprak hij, zich omkeerende, »maar hoe meer wij het bivak naderen, des te meer zou men zeggen, dat het water achter ons stijgt.”
—»De luchtlagen zijn ongelijk verwarmd,” antwoordde ik, »en hare weerkaatsing, die de lichtstralen doet afwijken, keert eendeels de voorwerpen, die de vlakte bedekken, om en toont ons ze anderdeels veel hooger dan ze werkelijk zijn.
—Maar wij zien water, waar het toch niet is.
—Telt gij den hemel dan voor niets? 't Is de hemel, die, omgekeerd zijnde, zich aan onze voeten als een spiegel vertoont. Maar de lucht koelt af en gij kunt waarnemen, dat het verschijnsel langzaam verdwijnt, alsof eene onzichtbare hand deze denkbeeldige watervlakte tot aan de grenzen van den horizon terugschoof.
Terwijl onze blikken, op het vlak gevestigd, de uitwerkselen van de luchtspiegeling in al hunne bijzonderheden volgden, flikkerde er plotseling een verwijderd licht op. Luide kreten begroetten dit onbekende bivak; vervolgens verloor een ieder, de oogen op het onbeweeglijk schijnsel gevestigd, zich in eindelooze gissingen. Wij verwachtten er eerst den volgenden dag woningen te ontmoeten, en het woordland, na eene lange reis aan boord van een schip uitgesproken, had geen dieperen indruk op ons kunnen maken, dan het zien van dat lichtend stipje. Niet dan nadat wij het hadden zien uitgaan, dachten wij er aan te gaan rusten. De lucht werd koel, en toch stak de Encuerado het vuur, dat ons zou kunnen verraden, niet meer aan. Helaas! sedert twintig dagen hadden wij geen enkel menschelijk wezen ontmoet, en na de vreugde van onze gelijken terug te zien, was ons tweede gevoel dat van wantrouwen; van alle wezens is de wilde mensch zeker wel de minst menschelijke.
MIST EN DAUW.—HET KOUDE LAND.—HOOZEN EN WERVELWINDEN.—DE BARBARIJSCHE VIJGEN.—DE KAARSCACTUSSEN.—DE VIZNAGA.—TELEURGESTELDE HOOP.—DON BENITO COYOTEPEC.
De zon kondigde hare komst nog niet aan en reeds waren wij overeind en gereed om op weg te gaan. Wij rilden van kou, want op het hooge bergvlak, hetwelk wij bereikt hadden en dat de inwoners der lagere streken met den naam van het Koude Land bestempelen, zijn de ochtendstonden zeer koud. Op de diepe duisternis volgde een vaag schemerlicht, en daarna kwam een lichte nevel op, die ons als een stortregen doornat maakte.
»Wat is dat nu?” riep Lucien uit, »het heeft niet geregend en toch zijn wij nat.”
—Dat is de dauw, Chanito, hij is in het Warme Land bijna even overvloedig als de mist.
—Zijn mist en dauw dan niet hetzelfde?
—»Niet geheel en al,” antwoordde ik; »de dauw is gewoonlijk weldoende en valt alleen des morgens, terwijl de Mexicanen zeer bevreesd zijn voor de mist, die na het ondergaan der zon komt en aanvallen van koorts verwekt.
—Maar vanwaar komt dat water?
—Uit de lucht, die er altijd eene zekere hoeveelheid van bevat, en dat zij op den grond, de planten en steenen afzet, naar gelang deze door de uitstralingen kouder worden.
Op dit oogenblik werd onze aandacht getrokken door eenen eersten straal, die, eene dunne wolk doorborende, de vlakte als een lichtgevende pijl overtrok. De horizon, die tot dusverre zichtbaar wasgeweest, bedekte zich met een vlokachtigen nevel, die zich trapsgewijze tot onze voeten uitstrekte. De nu vrij geworden zon steeg boven de toppen uit en haar levendig licht overstroomde den hemel. Allengs verdunde de nevel, de boomen vertoonden van verre hunne ronde toppen, terwijl zich hier en daar groote scheuren in den half doorschijnenden sluier openden, die even spoedig verdween als hij op was gekomen.
De kijker ging van hand tot hand en ieder zocht de hut te ontdekken, waarvan de haard ons gister zijn schijnsel had toegezonden. Het zoeken was vergeefsch, de weerkaatsing van het licht verblindde ons en beperkte het vergezicht; maar eenmaal de hoogte genomen zijnde, konden wij zonder vrees voorwaarts gaan; wij moesten, volgens onze berekening, den volgenden dag op zijn laatst woningen ontmoeten.
Gringalet liet zijne tong hangen; hij vond het loopen op dezen salpeterachtigen grond, waar de Mimosa's de stralen der zon tusschen hare wijd uiteenstaande bladeren temperden, moeielijk. Welk een tegenstelling met de heerlijke streken, die wij tot nu toe doorloopen hadden.
»Uw land is niet zoo mooi als het mijne,” sprak Lucien tot den Encuerado.
—Mijn land is mooier dan dat, waar wij nu doortrekken, Chanito; in de eerste plaats heeft het bergen en bosschen en het regent er ook soms.
—Zullen wij nu sneeuw zien vallen, nu wij in het Koude Land zijn?
—»Neen,” antwoordde Sumichrast glimlachende, »gij zult geene sneeuw zien vallen dan het volgende jaar, als gij in Frankrijk zult zijn. De winters in het Koude Land van Mexico herinneren meer aan onze Europeesche lentes; maar toch bereiken zij nooit eene temperatuur, die de tropische vruchten doet rijpen; het Koude Land verdient slechts zijn naam als men zijn klimaat vergelijkt met dat van het Warme of het Gematigde Land.
—Ik vind, dat men het slecht genoemd heeft: want op dit oogenblik is het bijna even warm, als op den dag, toen de Zuidenwind zoo hard gewaaid heeft. Gringalet schijnt als ik te denken,—hij laat zijne tong nog langer hangen dan naar gewoonte.
—»Drommels! drommels!” riep Sumichrast uit, »de opmerking van meester Zonnestraal duidt aan, dat hij een waarnemer van de eerste soort zal worden. Gij hebt honderdmaal gelijk,” vervolgde hij, terwijl hij zijne hand op den schouder van den knaap legde; »in de vlakten van het Koude Land is de warmte nog lastiger dan zelfs in het Warme Land, waar een voortdurend zweeten aan de te fellesteken van de zon tegenstand biedt. Een marsch van eenige dagen onder dit klimaat zou onze huid zwarter maken dan het geheele overige gedeelte van de reis.”
Mijn makker bleef eensklaps staan, en wees ons met den vinger den gezichteinder aan.
—Rook! riep Lucien uit.
—»Neen, Chanito,” antwoordde de Encuerado, »'t is eentornado.” Ik had eerst dezelfde gedachte als mijn zoon, toen ik eene dunne kolom slof tot aan de wolken zag opstijgen. Het was echter slechts een dwarlwind, die na een oogenblik verdween.
—»De wind waait toch niet,” hernam Lucien; »hoe kan het stof zoo hoog stijgen?
—»Gij moogt u met recht verwonderen; want geen enkele geleerde heeft de werkelijke oorzaak van dit verschijnsel verklaard,” gaf ik ten antwoord.
—Zouden wij meê gesleurd worden, als wij ons in een dezer dwarlwinden bevonden.
—Neen, Chanito, detornadozou ons alleen omwerpen.
—Hebt gij dit dan wel eens beproefd?
—Ja, als ik met de kinderen van mijn dorp speelde en er in onze nabijheid eentornadokwam, vonden wij er pleizier in om er doorheen te loopen.
Op honderd schreden van ons, zonder dat het minste windje de lucht bewoog, dwarrelde het zand en steeg het snel naar omhoog. Het gedraai was duizelingwekkend en had slechts op eene uitgestrektheid van ongeveer een voet plaats. Zonder merkbare oorzaak ontstaan, verdween het verschijnsel even zoo, en het stof viel naar gelang de zwaarte met meer of minder snelheid neer.
Lucien verging van begeerte om door een dezertornado'ste loopen; maar zij vertoonden zich altijd buiten ons bereik.
»Zou men er eindelijk niet in slagen om eene verklaring te vinden voor de hoozen en typhons,” vroeg Sumichrast, »als men dit verschijnsel, dat zich bijna onophoudelijk op de groote bergvlakten van Mexico voordoet, bestudeerde? De dwarlwinden zijn toch niet anders dan hoozen in 't klein.
—»Een hoos? wat is dat?” vroeg Lucien.
—Eenmeteorologischverschijnsel, gelijk aan dat, wat gij nu gezien hebt, maar duizendmaal aanzienlijker; want het rukt boomen uit en neemt de woningen mee, die het op zijn doortocht ontmoet.
—Hebt gij er wel eens eene gezien, papa?
—Eenmaal slechts, op zee. De Engelsche pakketboot, waarop ik mij bevond, had juist de haven van Sint-Thomas verlaten; wijwaren nog dwars voor het eiland; er woei eene lichte bries; de lucht bleef helder, het water golfde zonder te schuimen, toen de zee recht tegenover ons over eene groote uitgestrektheid in beweging begon te komen; eene ontzaglijke waterzuil verhief zich snel en vormde eene donkere en onheilspellende wolk. Na verloop van een kwartier uurs bleef het verschrikkelijke verschijnsel, dat zich gelukkig van ons af bewoog, onbeweeglijk. De wolk, die voortdurend opzwol, werd zienderweg grooter en nam eene donkerblauwe tint aan, terwijl de waterkolom, die haar voedde, donkergrijs afstak. Een dof gerommel, gelijk aan een verwijderden donderslag, deed zich zonder ophouden hooren. De waterzuil brak onverwacht in 't midden door, een gedeelte van het vocht viel met een verschrikkelijken plons in de zee terug en een overvloedige regen overstroomde ons. Een half uur later voeren wij weer onder een wolkeloozen hemel en op een sluimerenden Oceaan.
—»En wat zou er gebeurd zijn, als de hoos het vaartuig had bereikt?” vroeg Lucien.
—Dan zouden wij waarschijnlijk verzwolgen zijn geworden.
—Wat zult ge bang geweest zijn, Tatita!
—»Zeker, en ik was niet de eenige; de officieren en matrozen volgden den loop van de hoos met zichtbaren angst.”
Zoo pratende hadden wij ons te midden der raketcactussen—cactus opuntia,—gewoonlijkBarbarijsche vijgengenoemd, begeven. Deze planten, met gele bloemen bedekt, zouden eene maand later met vreugdekreten begroet zijn geworden; dan zou elke stengel ons eene van die waterachtige vruchten hebben aangeboden, waarop de Kreolen zoo verlekkerd zijn. Lucien bleef voor een paar van deze planten staan, welker grootte wel in staat was zijne verwondering op te wekken. Sumichrast maakte van dit onderzoek gebruik, om hem te vertellen dat de cactussen—een Grieksch woord dat doornig beteekent—uit Amerika voortkomen; dat zij in droge en zandachtige bodems groeien en doorns in plaats van bladeren dragen.
»Gij vergeet te zeggen,” voegde de Encuerado er bij, »dat de laatste scheuten van dentuneroonder de asch gebakken, ons dezen avond eenen heerlijken schotel zullen opleveren.
Een weinig verder werden de Barbarijsche vijgen vervangen door eene soort, kaarscactussen genoemd, (cactus cereusder geleerden). Verscheidene dezer planten groeiden alleen staande tot eene hoogte van drie of vier meter: anderen hadden twee of drie geledingen, wat hun een nog zonderlinger uiterlijk gaf. Eene derde soort, die langs den grond kruipt, maakte onzen marsch zeer moeielijk en dwong ons telkens om wijdbeens te stappen. Niettegenstaande onze voorzorgengebeurde het meer dan eens, dat wij ons vel aan de scherpe stekels, die ons van alle kanten bedreigden, openscheurden.
Ik plaatste mij opnieuw aan 't hoofd van de kolonne; want tusschen de kaarscactussen als 't ware bekneld, konden wij niet op één gelid loopen. Ik beklom een heuveltje, vanwaar mijne blikken den ruimen gezichteinder doorzochten. Nooit en in geen enkel land ter wereld kan zulk eene grondige verandering zich in zoo weinig uren voordoen. Geen boomen,geen heesters, geen struiken meer. Overal schenen de cactussen, die twintig verschillende vormen aannamen,—ronde, rechte, kegelvormige, platte—er vermaak in te vinden door hun zonderling uiterlijk de verbeelding te trotseeren. Nu eens wedijverden naast elkander staande kaarscactussen, wie de hoogste zou zijn en bereikten soms eene lengte van acht tot tien meter, terwijl de jonge scheuten eene borstwering of een dier ondoordringbare heggen schenen te vormen, waarmede de Indianen van het bergvlak hunne woningen omringen. Verderop spreidden groote bollen, die met rooskleurige, hoornachtige en doorschijnende doornen waren bezet, hunne ronde vormen ten toon, van een gewas niets dan de kleur hebbende. Hier en daar vormde eene kruipende soort groote bundels, waaruit met scherpe punten gewapende stengels kwamen; men zou gezegd hebben eene honderdkoppige hydra te zien.
»Zou men niet meenen in eene dier Hollandsche plantenhuizen te zijn overgeplaatst, opgevuld met vetplanten met gouden bloemen?” zeide Sumichrast.
—Ja, antwoordde ik, maar dan zou men zich moeten verbeelden dat men ze door de lens van een microscoop beschouwt.
Wat zou een Parijzenaar wel van deze viznaga zeggen?
De plant, die ik bedoelde, had minstens eene hoogte van twee meter bij een omtrek van drie of vier meter.
»Toen ik herder was,” sprak de Encuerado, »voerde ik mijne geiten in de vlakten waar de viznaga's groeien. Met behulp van mijne machete hakte ik eene der zijden in en dan begonnen mijne geiten onmiddellijk het merg, dat er in zit, op te eten. Zoo holden zij er allengs een gat in uit, waarin twee of drie harer gemakkelijk te gelijk konden staan, en deze schuilplaats beschutte mij voor de stralen van de zon en de koelte van den nacht.
—»Och!” riep Lucien vol geestdrift uit, »als wij op dit veld moeten kampeeren, moeten wij een huis in de viznaga uithollen.
Ik onderzocht opnieuw den gezichteinder; niets verried de nabijheid van menschen. Overal spreidden de cactussen hunne verschillende bloemen uit, maar bijna alle waren geel of rood. Boven onseen hemel van vuur, die slechts door gieren doorkruist werd; op den grond honderden hagedissen, met levendige, hortende bewegingen.
Ik sloeg opnieuw den weg tusschen de cactussen in, door de hitte uitgeput, en het hoofd vermoeid door de weerkaatsing van het licht, sleepten wij ons op onze beenen voort.
Ik begon te vreezen, dat wij reeds voorbij de plek waren, waar wij den vorigen avond het licht hadden zien schitteren.
Het oplettende oog van den Encuerado ontdekte op een cactus opgedroogde sporen van inkervingen.
De Indiaan ging als verkenner voorop, door Lucien gevolgd.
»Een pad,”riep deze eensklaps uit.
—»Een mimosa,” zeide Sumichrast, die door zijne hooge gestalte boven ons uitstak.
—»Eene hut,” mompelde de Encuerado, staan blijvende en een vinger op den mond leggende.
Wij wisselden een blik; daarna, voorovergebogen naar het punt, door onzen makker aangewezen, onderzocht ieder onzer een dak van gras, waarvan men slechts den top kon zien.
Ik onderzocht vlug mijne wapens en schreed met omzichtigheid voorwaarts, weldra door Sumichrast gevolgd. Lucien, de Encuerado en Gringalet vormden de achterhoede.
Wij waren ontroerd; de gedachte dat wij onze gelijken zouden weerzien, deed onze harten kloppen; maar zouden wij vrienden of vijanden ontmoeten?
Het pad werd breeder; wij waren nauwelijks tweehonderd schreden van de hut verwijderd en verwonderden ons zeer dat de honden, die gewoonlijk om de hutten der inboorlingen zwerven, niet blaften. Sumichrast, die vooruit was gegaan, keerde terug.
»Deze stilte schijnt mij niets goeds te voorspellen,” sprak hij; »laten wij oppassen, dat wij niet in eene hinderlaag vallen; ik ben er volstrekt niet op gesteld om gekneveld te worden.”
Terwijl wij het pad aan onze linkerhand lieten liggen, drongen wij tot groote verbazing van Lucien weer onder de cactussen door.
»Zijn wij dan in een land van wilden?” vroeg hij mij.
—»Misschien, en dat noodzaakt ons voorzichtig te zijn,” gaf ik ten antwoord.
—Zou men ons kwaad doen?
—Het gezicht van onze wapens alleen zou de begeerlijkheid der Indianen kunnen opwekken; hier, waar zij niemand rekenschap hebben te geven, zou niets hun beletten ons uit te schudden en naakt weg te zenden.
—Zijn het dan geen christenen?
—»Zeker, Chanito, zij moeten het zijn, maar de booze weet ieder mensch te verleiden,” mompelde de Indiaan.
En na zich van zijne mars ontdaan te hebben, verdween hij al kruipende.
Onder andere omstandigheden zou het angstige gelaat van Lucien, toen hij ons zooveel voorzorgen zag nemen, om eene menschelijke woning te naderen, ons vermaakt hebben; maar verre van te lachen, leenden wij aan het minste gerucht het oor.
Daar klonk het hioe, hioe! van den Encuerado; ik hielp mijn vriend om onze bagage te dragen, terwijl Lucien vooruitliep.—De hut was leeg.
Na verloop van een uur, dat de knaap had gebruikt om rondom de hut, wier muren uit gedroogde leem bestonden, te dolen, gaf ik het teeken tot vertrek. De Indiaan ging voorop, het nog zichtbare spoor van een pad volgende. Het huisje, dat nauwelijks groot genoeg was om drie personen te bevatten, geleek meer op eene schuilplaats dan op eene woning; naar het beweren van den Encuerado, die in zulke zaken een goed zegsman was, moest het bij een grooter gebouw behooren. Na een vrij langen marsch kruiste een tweede pad datgene, dat wij volgden; de indrukken van bloote voeten waren er in zichtbaar—'t waren voeten van vrouwen en kinderen.
De Encuerado voerde ons naar links; de cactussen ruimden hunne plaats voor Mimosa's in; maar onze oogen ondervroegen tevergeefs den horizon; de onmetelijke witte vlakte, door de zon met licht overgoten, strekte zich uit zoo ver uit als het oog reikte.
Dit vooruitzicht bekoelde onzen ijver; aangespoord door het licht, dat wij den vorigen avond bemerkt hadden, liepen wij van den morgen af, in de hoop eene woning te ontmoeten. Wij hadden nauwelijks gegeten en met de moedeloosheid deden ook de honger en de dorst zich gevoelen. Lucien stelde voor een viznaga uit te hollen, in welk voorstel hij door den Encuerado ondersteund werd, die hem verzekerde dat men zich zelfs de weelde van een venster kon veroorloven en met alle roofdieren spotten, door den ingang met kaarscactussen te versperren. Men begrijpt hoezeer het denkbeeld om binnen eene plant te kampeeren, onzen jongen reisgezel moest toelachen. Misschien zouden wij hem geholpen hebben om zijn wensch tot werkelijkheid te maken, had niet het blaffen van een hond onze aandacht getrokken.
De marsch werd met moed hervat; eene kleine helling bracht ons bij boomvarens, welke verandering in den plantengroei ons vangoede voorbeteekenis scheen. Terwijl wij maar altijd het pad volgden, hield de Encuerado stand op eene hoogte, vanwaar men eene kleine, groene vallei overzag, die door een beekje doorsneden werd; tot mijne groote vreugde telde ik tot zelfs zes hutten van waaierpalm.
Dit gezicht verdreef onze vermoeidheid als bij tooverslag en Sumichrast daalde met groote schreden de helling af; nu en dan kraaide een haan, klokte een kalkoen of blafte een hond en ik kan niet zeggen, welke heerlijke gewaarwordingen die geluiden bij ons opwekten. Hoe meer wij naderden, des te meer ontnamen de heesters, die den weg omzoomden, ons het gezicht op de hutten. Daar klonk een gehinnik, en een man op een ongezadeld mager paard gezeten, verscheen op honderd schreden van ons.
»Halt!” riep ik mijnen makkers toe.
En mijn geweer op den rug dragende en met mijn punthoed in de hand ging ik alleen naar den ruiter toe, die eensklaps zijn paard had ingehouden.
»Ave Maria!” sprak ik, naar hem toegaande.
—»Dat haar naam gezegend zij,” antwoordde de ruiter, zijn hoed afnemende, waaruit de grijze haren te voorschijn kwamen.
—Spreekt mijn vader Spaansch?
—Een weinig.
—Is hij het hoofd van zijn dorp?
—Wat wilt gij?
—Water en een dak.
—Gij zijt niet alleen? in wiens naam komt gij?
—Wij zijn reizigers en doortrekken de bosschen om planten en dieren te zoeken, die genezen kunnen.
—Zijt gij gewapend?
—Wij hebben een kind te beschermen en de dieren van het woud zijn wreed.
—Spreekt gij de waarheid?
Ik riep Lucien, die voor den grijsaard zijn hoofd ontblootte en hem groette.
»Mijn kind, dat God van u een heilige make.”
—Zijn wij uwe gasten?
—»Ja, gij zijt de gasten vanCoyotepec; komt mede.”
Sumichrast en de Encuerado naderden op hunne beurt den ruiter, die afsteeg en ons den weg wees. Hij onderhield zich met den Encuerado in de taal der Misteken, welk taaleigen alleen Lucien, die het nog jong zijnde van zijn vriend geleerd had, verstond. Te oordeelen naar de wijze waarop de grijsaard ons bekeek, raadde ik,dat de Encuerado ons voorstelde als bekwame blanke toovenaars.
Coyotepec—steenen chacal—kon ongeveer zeventig jaren oud zijn. Hij was in dit ravijn geboren, dat hij, ik weet niet waarom,mond van den bergnoemde. Nog jong door een zijner ooms naar Puebla gebracht zijnde, verliet hij reeds spoedig de groote stad om de hut van zijn vader weer op te zetten en voor hem bestond het gansche heelal uit zijn grondgebied. Zijne zes kinderen, die allen gehuwd waren, woonden bij hem en de kleine kolonie telde niet minder dan een dertigtal personen. Het was een Indiaan van het ras der Tlascaliers, van eene middelmatige gestalte, eene bruine gelaatskleur, sterk en vlug als een man van veertig jaar. Hij droeg een hoed van palmboomstroo en zijne kleeding bestond uit eene soort van wit linnen jas, om het middel vastgebonden en een katoenen broek, die nauwelijks de knieën bedekte.
»Welke is de naastbijzijnde stad?” vroeg Sumichrast.
—Puebla.
—Hoever is dat van hier?
—Acht dagen marsch.
Daar de gewone marsch van een Indiaan tien mijlen per dag is, vertegenwoordigde de afstand ongeveer tachtig mijlen.
De grijsaard kon ons geene andere aardrijkskundige inlichtingen geven; hij kende den naam van Orizava en Tehuacan, maar hij had die steden nooit bezocht, en kende den afstand niet, die ons er van verwijderde. Sedert veertig jaren waren wij, met uitzondering van de bloedverwanten van zijne schoonzonen en schoondochters, die hem eens per jaar kwamen bezoeken, de eersten die zijne eenzaamheid verstoorden.
Wij trokken de beek over een boomstam over en onze gids hield voor eene hut stil. Vier bijna naakte kinderen, waarvan het oudste tien jaar kon zijn, beschouwden ons met eene grappige nieuwsgierigheid. Nooit hadden zij nog een blanke gezien, en ofschoon onze door de zon gebronsde huid deze eigenschap zeer verminderde, was hunne nieuwsgierigheid zeer natuurlijk. Eene jonge vrouw, wier kleeding uit een om de heupen gerold stuk stof bestond, begroette ons in gebroken Spaansch en heette ons welkom. De grijsaard stelde ons aan zijn oudsten zoon voor, die omstreeks veertig jaar oud kon zijn en Torribio heette. Minder eenvoudig in zijne kleeding dan zijn vader, droeg hij een broek, die op de zijden open en met zilveren knoopjes versierd was, een katoenen hemd en een vilten hoed met verlakt leer overtrokken. De kleine kolonie verzamelde cochenielje, die de oudste zoon in Puebla ging verkoopen; vandaar zijne meer beschaafde kleeding. De grijsaard noodigde ons ten slotteuit zijne hut binnen te gaan, waarheen een groot gedeelte der familie zich ook begaf.
Hij riep zijne vrouw, een klein besje, in een lang katoenen gewaad gekleed; vervolgens sprak hij, op zijne kinderen en kleinkinderen wijzende:
»Gij zijt mijne gasten! dit huis is het uwe en ziedaar uwe dienstknechten en dienstmaagden.”
BLANKEN EN ZWARTEN.—WIJ WORDEN SCHRIJNWERKERS.—DE ENCUERADO GAAT PREEKEN.—DE WAAIERPALMEN.—DE ADVOCAATBOOM.—DE KOESKOES.—DE GIER.—EENE MOEIELIJKE ONDERHANDELING.—DE ENCUERADO BAL-ONDERNEMER.
De woning, zoo edelmoedig te onzer beschikking gesteld, was eene ruime loods, door wanden van bamboe in drie vertrekken verdeeld. Op den grond uitgespreide matten dienden voor bed; het verdere huisraad bestond uit twee bankjes. De Encuerado veegde eene der kamers uit en richtte voor ons eene slaapstede in, veel zachter dan wij sedert een twintigtal dagen hadden gebruikt. Een troep kinderen van beider kunne, in 't kleed der onschuld gehuld, maakte een kring om ons en volgde onze bewegingen met verbaasde blikken. Ik heb nog vergeten te gewagen van een half dozijn honden, bij welke de tegenwoordigheid van Gringalet in den beginne eene soort van razernij had opgewekt; maar weldra vergenoegden zij zich nog maar met brommen, als de indringer in hunne nabijheid kwam.
Toen ons goed in de loods was gebracht, ging ik op eenige schreden van de hut op eene hoogte zitten, van waar men de beek overzag. Sumichrast vervoegde zich bij mij, met eene uit tabaksbladeren gerolde sigaar in den mond. Langzamerhand begon de zon lager te staan, de kinderen begonnen in onze nabijheid te spelen en plasten in het kristalheldere water. Ik spoorde Lucien, die van begeerte verging om eveneens te doen, aan hen na te volgen. Nauwelijks had hij zich ontkleed, of de jonge Indianen, die hem met eene zichtbare nieuwsgierigheid hadden aangestaard, barstten inlachen uit en kakelden onder elkander als jonge papegaaien.
»Waarom lachen zij toch zoo hard, als zij mij aanzien?” vroeg Lucien aan den Encuerado.
—Om uwe blanke huid; wat wilt gij er aan doen? Zij hebben er nooit eene van die kleur gezien.
—Vinden zij die dan zoo belachelijk? vroeg Sumichrast op zijne beurt.
—»Een beetje,” hernam de Indiaan, »maar maak u daar niet ongerust over, Chanito; 't is in elk geval uwe schuld niet.
Ons lachen paarde zich toen aan dat der jonge Indianen en was oorzaak, dat er zich tusschen Sumichrast en mij een lang gesprek ontspon. De Encuerado, dien wij meenden dat ons om onze blanke huid benijdde, beklaagde ons dus, evenals hij door de Nubiërs beklaagd zou worden, omdat hij slechts eene koperkleurige huid bezat.
»Maar,” sprak Lucien, die bij ons was gekomen op het oogenblik toen het gesprek begon, »waarom hebben niet alle menschen dezelfde kleur? Waar ligt dat aan, mijnheer Sumichrast.”
—Aan den invloed van het licht, dat het pigment meer of minder kleurt, mijn vriend.
—Het pigment.
—Ja, eene bruine zelfstandigheid, die zich onder de huid bevindt en die haar eene meer of minder donkere tint verleent.
—Dan hebben de Europeanen zeker geen pigment?
—Zij bezitten het, evenals alle andere menschenrassen; slechts is het bij hen niet over het gansche lichaam verspreid. De bruine vlekken of zomersproeten, die het gelaat en de handen van sommige personen bedekken, worden voortgebracht door het pigment, dat door de huid heenkomt.
—»Beteekent dat dan dat de negers in Europa wit zouden worden,” gaf Lucien ten antwoord.
—»Neen,” antwoordde ik lachende, »de zon schijnt in Europa even goed als in Amerika, en hare inwerking, hoe zwak die ook zijn moge, is voldoende om het pigment donker te kleuren.”
—»Maar als men hen in de schaduw grootbracht,” riep de Encuerado uit.
—Daartoe zou eene volkomen duisternis gevorderd worden en dat is onmogelijk.
Op dit oogenblik riep onze gastheer ons. Op eene kreupele tafel, met een klein katoenen tafellaken gedekt, dampte eene magere soep vanmaïskoekenen tomaten, waaraan iedereen eer bewees. Deze schotel werd opgevolgd door eene kip, toebereid met eene saus vanpiment en in 't vet gebraden bruine boonen; daarna spreidden pataten—Convolvulus batata—de levendige kleuren van hun meelachtig vleesch ten toon, te midden van eene siroop, waarvan de Encuerado en Lucien smulden. Een groote kom koffie voerde onze tevredenheid ten top. In plaats van brood aten wij versch bereide maïskoeken. Misschien had nooit een maaltijd ons zoo heerlijk toegeschenen. Het wild, dat sedert ons vertrek ons gewoon voedsel uitmaakte, begon ons te vervelen; wij vergastten ons het meest aan de boonen en aan de koeken, welke mentortillasnoemt.
Toen de maaltijd geëindigd was, nam Lucien zijne plaats in 't midden der kinderen weer in, die, op den oever der beek gezeten, bladeren van den waaierpalm vlochten.
Een hunner maakte een sprinkhaan, die zeer goed geslaagd mocht heeten, en de jongens, verrukt over den lof van hunnen gast, wedijverden in vindingrijkheid. Zij schonken hem een stier, eene kip, een korfje en andere voorwerpen, die zeer aardig waren, vooral wat de gebruikte stof en de bekwaamheid der uitvoering betreft.
Lucien was over deze geschenken verrukt. Daar hij vond, dat onze bewondering de zijne niet evenaarde, wendde hij zich tot den Encuerado, die als een kenner zijn oordeel uitsprak over de voorwerpen, die men hem vertoonde.
»Kunt gij dan ook de bladeren van den waaierpalm vlechten?
—Ja, Chanito, ik kan ook sprinkhanen, paarden en zelfs vogels maken.
—En gij hebt er nooit een voor mij gevlochten.
—Daarin vergist gij u; toen ge nog klein waart, maakte ik uwe wieg er vol mee. Als u dat vermaak kan doen, zal ik u leeren er zelf te vlechten.
Bij het aanbreken van den nacht verdwenen de kinderen, en onze gastheer kwam ons goeden nacht wenschen. Ik sprak hem over het vuur, dat wij den vorigen dag gezien hadden.
»Dat is Juan,” zeide hij.
—Wie is dat, Juan?
—De oudste van mijne kleinzonen; hij bewaakt in de vlakte een troep geiten, die ons toebehoort.
Den volgenden morgen werd ik gewekt door de stem van den grijsaard en ik stond terzelfder tijd als Sumichrast nog geheel droomerig op; zoo goed had ik geslapen. Lucien en de Encuerado, die eerder wakker waren dan ik, hadden reeds, door de jongste kinderen geleid, het ravijn onderzocht; de oudste waren reeds naar hunne krachten aan den arbeid, hetzij om hout te sprokkelen of om op het veld te werken.
Onze eerste zorg bestond in het uitpakken der insecten en vogelhuiden, die wij sedert ons vertrek bereid hadden. De geheele kolonie omringde ons en de Hemel weet hoeveel vragen ons gedaan werden. Tot onzen grooten spijt konden wij slechts de merkwaardigste van onze vondsten bewaren. Tot dusverre hadden de huiden in de mars de plaats ingenomen van de verbruikte levensmiddelen; maar toen ik de lijst van onze schatten opmaakte, begreep ik, dat, als wij onzen voorraad vernieuwd zouden hebben, de Encuerado onmogelijk met zulk eene vermeerdering zou kunnen loopen. Wij begonnen derhalve een groot getal voorwerpen, onder talrijke uitroepingen van leedwezen, ter zijde te leggen, toen het mij eensklaps inviel om Coyotepec over de jaarlijksche reis van zijn zoon te ondervragen.
»Hij vertrekt binnen een veertien dagen,” antwoordde de oude man.
—Alleen?
—Neen, hij neemt drie van de grootste jongens en zes ezels mede.
—Zijn de ezels beladen?
—Ja, maar de jongens vertrekken met ledige handen.
Na verloop van een uur (want een Indiaan neemt nooit overhaast een besluit) kwam ik met mijn gastheer overeen, dat hij twee kisten, waarin wij onze schatten zouden bergen, naar Puebla zou doen overbrengen en dat zijn zoon zijne reis eenige dagen zou vervroegen.
Dit buitenkansje maakte ons weer opgeruimd; het zou ons in staat stellen onze verzamelingen te bewaren, in plaats van er een gedeelte van langs den weg te werpen, zooals wij reeds dikwijls hadden moeten doen.
Wij moesten kisten hebben, maar Coyotepec bezat noch zaag, noch hamer, noch spijkers. Hij stond mij eenige ruwe planken af en zoo waren wij in schrijnwerkers veranderd.
De Encuerado en Sumichrast maakten het hout met een houthakkersbijl gelijk en ik vervaardigde houten pennen. Wij werkten zonder ophouden tot den volgenden avond door. Een weinig voor het ondergaan der zon hadden wij twee groote en vrij lichte doozen gereed, een werk dat veel moeielijker is dan men wel denkt, eer men er aan begint.
De volgende dag, Pinksterzondag, vond ons vol bewondering voor onzen arbeid staan. De Encuerado had juist gedaan met het vlechten van eenige matten, die de kisten omhullen moesten, teneinde den inhoud voor vocht te vrijwaren. Tegen elf uur verzamelde de familie van onzen gastheer zich voor de woning; de vrouwen en jonge meisjes waren gekleed in roode en blauwe jurken, de borst was bedekt met een hemdje van geborduurd katoen, de jonge knapenhadden eene soort van kiel zonder mouwen aan. De oude vrouw verscheen het laatst, zij droeg om den hals een snoer paarlen van groote waarde. De vrouwen hadden sieraden van ruw koraal en de vingers waren bedekt met zilveren ringen.
»Wij vereenigen ons des Zondags op het uur der godsdienstoefeningen om gezamenlijk ons gebed te doen en God te danken, die de vruchten aan de takken der boomen hangt en ons in gezondheid bewaart,” sprak Coyotepec.
—Wij zijn Christenen als gij,” antwoordde ik.
Iedereen ging knielen, de grijsaard bad eene litanie en vervolgens een aantal Ave Maria's. Een der jonge meisjes zong vervolgens een lofzang, waarvan het refrein door de aanwezigen in koor herhaald werd. Nauwelijks had de zangster haar lied geëindigd of de in geestdrift geraakte Encuerado verzocht het gehoor niet op te staan en hief toen een zijner geliefkoosde lofzangen aan. Hij hield ons zoo een half uur in de zon, toen ik, vermoeid van het knielen, hem een teeken gaf om op te houden. Vergeefsche moeite, mijn dienaar scheen mij niet te bemerken; zijn gebaren en kreten nog vermeerderende, herhaalde hij, tot driemaal toe, hetzelfde vers.
»Amen!” riep ik, opstaande, uit.
Men volgde mijn voorbeeld en vrij geworden verwijderde ik mij, terwijl de Indianen den Encuerado omringden om hem geluk te wenschen.
Ik had nog geen bezoek gebracht aan het ravijn, dat te midden van het Koude Land de voortbrengselen van het Warme Land bevatte. Ik riep Sumichrast en Lucien, en geleid door Torribio den ezeldrijver, die elk jaar de reis naar Puebla onderneemt, ging ik den loop der beek op. De Encuerado, daartoe door de vergadering uitgenoodigd, dreunde een nieuwen lofzang op.
Onze gids geleidde ons eerst naar zijne hut, die doorlataniasof waaierpalmen omgeven was. Deze fraaie boom, tot de familie der palmen behoorende, heeft een zonderling en tevens aangenaam voorkomen. Uit den top ontspringen lange bladstelen, aan welker uiteinde een breed blad slingert, dat eerst opgevouwen is, maar later, als het zich opent, op een met punten bezetten waaier gelijkt. De Indianen snijden deze bladeren aan reepen, om er matten,petatesgenaamd, van te maken, die in Mexico een groot handelsartikel zijn. Bovendien worden zij gebruikt om er korfjes, bezems, blaasbalgen en een aantal andere voorwerpen van te maken.(32)
De hut van Torribio bestond slechts uit een enkel vertrek; de haard was buiten onder een afdak; deze woning van de allereenvoudigste soort had noch stoelen, noch tafels, noch banken; Sumichrast bewonderde dezen eenvoud, dien ik een weinig te landelijk vond; maar mijn vriend vond, terwijl hij het leven der beschaafde menschen, voor wie de weelde eene menigte behoeften heeft in 't leven geroepen, vergeleek met dat van deze lieden, die alles weten te ontberen, dat het geluk slechts voor hen bestaat.
Nauwelijks waren wij de hut uit of ik bemerkte aan mijne linkerhand een prachtigen advokaatboom—persea gratissima—waarvan de vrucht een moes geeft, dat de naam van plantaardige boter draagt. De advokaatvruchtahuacateder Indianen, heeft den vorm van eene groote peer; het vleesch, van eene lichtgroene kleur, is boterig, met een aangenamen smaak, die aan alle tongen behaagt. Men eet haar ontoebereid of wel toebereid met zout, olie en azijn; Gringalet was er evenzeer op verlekkerd als zijn jonge meester.
»Heeft de advokaatboom dan geen verwanten?” vroeg Lucien glimlachende.
—Zeer zeker; hij behoort tot de familie der laurierboomen, waarvan geen enkel ander lid eetbare vruchten oplevert; zijne verwanten zijn evenwel van groot belang voor het huishoudelijk gebruik. In de eerste plaats hebben wij den edellaurier—laurus nobilis—waarvan de bladeren in de keuken onmisbaar zijn, en welks vruchten eene olie opleveren, die in de geneeskunde aangewend wordt. Vervolgens komt de kamferboom—laurus camphora—uit welks bladeren men den kamfer trekt; dan hebben wij den kaneelboom—laurus cinnamomum—waarvan de bast de kaneel oplevert, en eindelijk den sassafras, waarvan het aromatisch hout zeer geprezen wordt als zweetverwekkend geneesmiddel.
Onze gids voerde ons door een veld met Turksche tarwe of maïs. Dit kostbare grasgewas, dat Europa aan Amerika te danken heeft, vervangt bij de Asteken het koren. Zij maken er hun gewoon brood oftortillasvan, een soort pannekoeken, welke vooral de Indiaansche vrouwen uitstekend weten te bereiden. Voor zij geheel rijp is wordt de maïs gekookt of geroosterd gegeten; in Mexico vervangt zij de gerst en de haver als voedsel voor paarden en hoornvee.
Toen Torribio in zijne beplanting was binnengegaan brak hij eenige stengels door, zonder ze evenwel van den hoofdstam te scheiden.
»Waarom worden die arme planten zoo geknakt? Ze zullen zoo dood gaan,” riep Lucien uit.
—Ja, maar in de eerste plaats omdat het jaarlijksche planten zijn en onze gids verhaast hun dood maar met enkele dagen; bovendienzijn de aren, die hij afbreekt, rijp en zullen ze aan den stengel, die ze draagt, drogen. Deze methode, die even eenvoudig als afdoende is, kan slechts aangewend worden in landen, waar de winter in werkelijkheid slechts eene lente is.”
Achter het maïsveld bevond zich eene haag, overdekt met lange goudgele vezels. Deze vezels, die geheel en al zonder bladeren waren, omgaven de struiken als met een dikken mantel.
»Wat is dat toch voor eene zonderlinge plant?” vroeg Lucien.
—EenSacatlaxcale, antwoordde Torribio.
—Een soort koeskoes,” hernam Sumichrast; eene plant uit de familie derconvolvulaceeënof winden. In Europa vernietigt men de daar bestaande soort, die zich om de planten slingert en ze verstikt; hier laat men deSacatlaxcalegroeien, want men weet er goed gebruik van te maken.
—Wat kan men dan toch wel met die teere stengeltjes, die onder mijn vingers breken, doen?
Men kneust ze en droogt ze in de zon, hernam Torribio. Als men nu iets zwart of geel wil verven, behoeft men ze slechts met ijzer of aluin te koken.”
Terwijl wij de oevers van het ravijn afklommen, kon Lucien niet nalaten van zulk eene fraaie gelegenheid gebruik te maken om zich de hand mooi geel te verven. Toen wij op eene zekere hoogte waren aangekomen, strekten wij ons op het gras uit. Met een enkelen oogopslag overzagen wij de oase. De beek kronkelde voort, overschaduwd door de groene boomen; hier en daar ontdekte men tusschen boschjes waaierpalmen de onregelmatig verspreide hutten. Mijne blikken zochten de hut van onzen gastheer op, en door mijn kijker zag ik den Encuerado nog altijd aan 't preeken. Hij had zeker gedaan met zingen, want zijne toehoorders zaten op den grond gehurkt om hem.
Lucien had den kijker genomen en nu merkte ik op, dat Torribio zeer verlangend was om er ook eens door te zien. Ik zeide dus aan Lucien, dat hij hem dien zou leenen. Toen onze gids zag, dat de boomen nader bij hem kwamen, wist hij zich eerst geen rekenschap van dat gezichtsverschijnsel te geven. Ik richtte de glazen zoo, dat hij de groep voor de hut kon zien; nooit heeft een menschelijk gelaat zulk eene verwondering uitgedrukt. De Indiaan, die geheel verbazing was, verloor weldra al zijne deftigheid. Telkens als het hem gelukte eene hut te ontdekken, gaf hij zich nauwelijks den tijd haar te onderzoeken, maar rolde hij zich over den grond en schaterde van 't lachen. Twee of drie malen stak ik de hand uit om mijn kijker weer in mijn bezit te nemen; maar Torribio drukte hem aanzijne borst, als een kind, hetwelk men een stuk speelgoed wil ontnemen. Eindelijk gaf hij hem terug en het speet mij waarlijk dat ik er geen tweeden had, om hem dien te kunnen schenken.
Sumichrast ging voorop, om het ravijn om te loopen. Plotseling namen de vogels, die op den oever der beek keuvelden, de vlucht; in de lucht zweefde een havik. De vogel schoot naar omlaag en kwam onder het bereik van onze geweren; er viel een schot en de getroffen vogel viel, al ronddraaiende, op twintig schreden afstand neer. Lucien ging hem opzoeken.
»'t Is een valk,” riep hij ons toe.
—Gij hebt gelijk,” antwoordde Sumichrast; »'t is de havik van Cayenne, herkenbaar aan zijn met aschkleurige veertjes bedekten kop, aan zijn bruin lichaam en aan de zwarte staartpennen.
»Gaat u hem afstroopen?
—Zeker, mijn beste Zonnestraal; in de eerste plaats is deze roofvogel niet zeer algemeen en bovendien moeten wij, gedurende de enkele dagen, die wij hier zullen vertoeven, er voor zorgen dat de kisten, die wij met zooveel moeite gemaakt hebben, vol komen.”
Op dit oogenblik ging een goudvink met rood, wit en bruin gevederte in onze nabijheid zitten.
't Is depyrrhula telasco, sprak mijn vriend, eene soort, die door den beroemden ornitholoog Lesson ontdekt is op zijne reis naar Lima. Och, als wij maar niet zoo zuinig op ons kruit moesten zijn....
—Ik heb kruit,” mompelde Torribio.
—Hebt gij kruit?” riep ik uit, »wilt gij er ons van verkoopen?
—Neen,” antwoordde de Indiaan kortweg.
—Waarom niet?” hernam ik. »Zijt gij dan een jager? Ge gaat toch immers weldra naar Puebla en dan kunt ge uwen voorraad weer vernieuwen.
—Ik verkoop mijn kruit niet.
—'t Is goed, dan zullen wij er maar niet meer over spreken.
Een boom, die van den eenen oever tot den anderen was gegooid, diende als brug over de beek. Weldra hield de zon op het ravijn te vergulden. Wij bevonden ons tegenover de woning van den ouden man, waarbij eene hut stond, gelijk aan die van onzen gids. De hemel had eene bleekblauwe kleur; wij zagen even de eentonige vlakte, bezaaid met sombere cactussen, terwijl boven ons zich die frissche oase ontplooide, die door de groote tegenstelling nog bekoorlijker scheen. De vogels zongen in de struiken en vlogen de een vóór en de andere ná weg om den boom te bereiken, in wier takken zij misschien geboren waren. Er woei een lauw koeltje; ik stond op om te vertrekken.
»Ik heb kruit,” herhaalde eensklaps Torribio.
—Maar ik weet ook, dat gij het niet verkoopen wilt.
—Neen, dat wil ik ook niet.
—Het kruit behoort mij reeds toe,” dacht ik, en na een twintigtal schreden gedaan te hebben, hervatte ik:
—Als uw kruit van goede hoedanigheid is, zal ik het niet van u koopen; neen, ik weet dat een man slechts een woord heeft. Evenwel, als gij wildet, zou ik u een ruil voorslaan.
—Wat zoudt gij mij dan wel willen geven?” antwoordde Torribio, met eene gemaakte onverschilligheid; »ik heb uwe vogels niet noodig en mijn geweer is zoo goed als het uwe, al is het ook niet zoo mooi.
—Dat is waar ook, laat ons er niet meer over spreken.
En ik volgde steeds mijn gids, die zeer langzaam liep.
Hij keerde zich nogmaals om.
»De tooverglazen,” bracht hij er met moeite uit.
—»Komaan, eindelijk zijn wij er!” mompelde Sumichrast.
—Dat is afgedaan; als uw kruit althans goed is.
—»Zoudt gij ze me geven?” riep de Indiaan uit, wiens oogen schitterden.
—Mannen hebben slechts éen woord.
Torribio versnelde zijne schreden zoozeer, dat Lucien ons hard loopende moest bij houden. Toen wij de beek over waren bracht onze gids ons weer in zijne hut en toonde ons vier bussen Amerikaansch kruit, en in goeden staat, benevens vijf of zes pond verschillende soorten van jachthagel.
Deze vondst verheugde mij buitengewoon; maar ik hield mij even bedaard als mijn gastheer, die op den grond neerhurkte en zijn kin op de knieën liet rusten.
»Daar hebt gij den kijker,” sprak ik.
Zijn trekken bleven onwrikbaar; maar zijne oogen flikkerden en zijne hand beefde een weinig, toen hij het voorwerp zijner begeerte vasthield. Ik legde hem uit, hoe hij er zich van moest bedienen en hoe hij het instrument moest schoonmaken; daarna ging ik, beladen met de kostbare bussen en gevolgd door mijne metgezellen, naar de hut van Coyotepec terug.
»Waarom heeft Torribio niet dadelijk gezegd, dat hij zijn kruit tegen den kijker wilde ruilen?” vroeg Lucien.
—Omdat een Indiaan zooveel mogelijk zijne begeerten en hartstochten verbergt.
—Maar u, waarom heeft u hem dan niet terstond het instrument aangeboden?
—»Als ik mij te begeerig had getoond, zou hij den ruil misschiengeweigerd hebben, en een Indiaan komt zeer moeielijk op het eens uitgesproken woord terug.”
Ik riep den Encuerado, die verbluft stond toen hij zag, dat onze jachtmunitie verdriedubbeld was. Lucien vertelde hem den koop, dien ik met Torribio gedaan had.
»De kijker diende tot niet heel veel,” sprak de Indiaan, »terwijl dit kruit ons toelaat menig mooi schot te doen, zonder dat je er een verwijt van wordt gemaakt.” Nauwelijks was het middagmaal afgeloopen of ik hoorde de tonen van een guitaar; na des morgens zijne toehoorders gesticht te hebben, had mijn dienaar ze door een zeer behendige toespraak weten te overtuigen, dat de dag met een bal moest besloten worden. Het voorplein van de woning van den grijsaard kon, goed aangeveegd zijnde, uitstekend voor balzaal dienen. Twee knetterende haarden vervingen de lusters en de waskaarsen. Weldra vertoonden de vrouwen zich in groot toilet, dat wil zeggen, de haren vol bloemen. DeJarabe, het volkslied, weerklonk; dansers en danseressen trippelden op de maat af; Lucien, die zich bij de kinderen had aangesloten, wilde aan de kleine Indiaansche meisjes de polka en de mazurka leeren; Sumichrast lachte, dat hij schaterde. Het werd nog erger toen wij onze blikken op den Encuerado sloegen; nog nooit had ik hem zulke kuitenflikkers zien slaan. Hij zong, kraste op den guitaar en sprong ter zelfder tijd. Tegen tien uur nam ik Lucien mee om hem te noodzaken zich ter ruste te begeven. Hij sliep in, niettegenstaande al het geraas van den guitaar en het zingen.
Ik spreidde de houten van het vuur uiteen en raadde iedereen aan om te gaan rusten. Men kuste mijne handen, omhelsde mij zelfs, maar gehoorzaamde ook en de kleine vallei viel weldra in diepe stilte. Toen ik bij mijn bed kwam, snurkte de Encuerado, met het hoofd op den rug van Gringalet rustende, reeds.