XXII.

(32)Deze plant of althans een naaste verwante ervan, deLatania borbonica(Livistonia sinensis), is een der beste en fraaiste kamerplanten, die wij hebben. De bladeren ontwikkelen zich juist, zooals Biart het hier beschrijft (Noot v. d. V.)

(32)Deze plant of althans een naaste verwante ervan, deLatania borbonica(Livistonia sinensis), is een der beste en fraaiste kamerplanten, die wij hebben. De bladeren ontwikkelen zich juist, zooals Biart het hier beschrijft (Noot v. d. V.)

DE GALWESPEN.—EEN AFGROND.—DE KAPPERS.—SALADE VAN PORTULAC.—DE BEDROGEN JAGERS.—GRAFGRAVENDE INSECTEN.—DE ZANDKEVERS.—CACTUS EN COCHENIELJE. DE MEXICAANSCHE WIJN.—AFSCHEID VAN ONZEN GASTHEER.

Zoodra de morgenstond aanbrak riep ik Sumichrast en Lucien. De Encuerado sliep zoo rustig na zijne heldendaden van den vorigen dag, dat ik zijn slaap eerbiedigde. Mijn plan was den geheelen dag te gaan jagen, ten einde de ledige ruimte in de kisten, welke Torribio naar Puebla zou brengen, te vullen. Ik voerde mijne gezellen naar het benedengedeelte van de vallei; alles sliep nog in de hutten en Gringalet kon met opgerichten staart voorbij zijne soortgenooten gaan.

Na verloop van twintig minuten bevonden wij ons in een nauw pad, omzoomd metguapaques—(ostrya mexicana)—een boom behoorende tot de familie der cupuliferen of beker dragende boomen, en die door zijn uiterlijk aan onzen eik, zijn verwante, herinnert.

»Zie eens, papa,” riep Lucien uit; »men zou zeggen dat die bladeren met vruchten beladen zijn.»

—Dat zijn uitwassen, veroorzaakt door het steken van een insect, tot de orde der huidvleugeligen (hymenoptera) behoorende en hetwelk de geleerdencynipsnoemen.

—Hoe kan een insect die fraaie, ronde, met stekels bezette balletjes maken?

—De buik van decynipsof galwesp bevat een hollen angel, waarvan de kanten gewapend zijn met tandjes, die de gedaante van eene pijlpunt hebben. Het insect bedient zich van dat werktuig omin de planten, waar aan het zijne eieren toevertrouwt, te steken; de uittreding van het sap veroorzaakt die wratten, die men vooral aan rozelaars, vijgeboomen en eiken opmerkt. Een der galwespen van den eikenboom geeft het ontstaan aan de galnoten, eene zelfstandigheid, die zeer rijk aan looistof is en waarvan men zich bedient bij de bereiding van schrijfinkt.

—Als een van die insecten mij in de hand stak, zouden er dan ook zulke bollen ontstaan?” vroeg Lucien.

—De galwespen hebben het slechts op planten voorzien,” hernam mijn vriend; »maar zij hebben neven—de sluipwespen bij voorbeeld,—die hunne eieren in de lichamen van sommige rupsen leggen. Zoodra de larven uitgekomen zijn, beginnen zij aan het dier, dat ze draagt, te knagen, zonder het evenwel te dooden.

—'t Is gelukkig, dat die dieren ons sparen.

—Er zijn er ook ten onzen gerieve: denkt gij dan niet aan demoyocuile, die vlieg, die zoo goed hare familie onder onze huid weet te herbergen; zonder nog te spreken van deniqua, die onder onze nagels een huis graaft, dat zij met eieren opvult?

—En de schurftmijt,” hernam ik, een heel klein diertje, dat eene zeer leelijke en lastige ziekte veroorzaakt.

Ik had van Coyotepec vernomen, dat het ravijn op ongeveer drie mijlen van zijne woning plotseling eindigt en dat het water der beek zich daar in een afgrond verliest. Ik richtte mij dan naar dat punt, nu eens voorafgegaan, dan weer gevolgd door Gringalet, die er vermaak in vond de kleine rivier over te zwemmen en in het gras te rollen.

Het kronkelige pad voerde ons in een grooten door groen omzoomden trechter; na een honderd schreden kwam men aan rotsen, in den vorm van pyramiden en ondersteund door de reusachtige wortels van een kleinen boom met schaarsch gebladerte. Het water gleed zonder geraas over de steenen en verdween onder een laag gewelf, dat achter lischplanten met gele en roode bloemen verborgen was.

Lucien, over den afgrond gebogen, wilde weten waar dat water bleef.

»Misschien wordt het opgeslorpt door de zandige bodems, waarop het valt,” zeide ik; »misschien komt het weer in de valleien te voorschijn, waar het terrein even laag wordt als zijne bedding.”

—Gebeurt het dikwijls dat de beken zoo onder den grond gaan?

—Ja; vooral in Mexico, waar die onderaardsche monden, den naam vanSumiderodragen. Dicht bij Chiquihuite, ongeveer vijf mijlen van den weg, die van Vera-Cruz naar Cordova voert, verdwijnteene breede rivier in een grot, die meer dan een mijl lengte heeft.

—Wat zou ik zulk een fraai schouwspel gaarne willen zien.

—Uw wensch zal vervuld worden, als wij niet te veel in het Warme Land verdwalen.

Sumichrast had ons verlaten om in de struiken te kruipen. Er viel een schot en de jager keerde terug, een prachtige vogel, wiens rood gevederte gouden en purperen weerschijnen had, in de hand houdend.

»Dat is een fraai heer, dien hebben wij nog niet ontmoet,” riep Lucien uit.

—Het is de prachtigste onder de vinkvogels van Amerika,” gaf ik ten antwoord, »'t is deampelis pompadora(33); maar zijn schitterend gewaad duurt niet lang. Binnen weinige dagen zouden die veeren, die zoo levendig schitteren, uitgevallen zijn en vervangen worden door een dof en donker gewaad. Deze rui, die veel vogels eigen is, heeft meer dan eens de ornithologen op een dwaalspoor gebracht, daar zij als eene nieuwe soort beschouwden wat slechts een voorwerp was, dat door eene verandering in het gevederte onkenbaar was geworden.

Een lang vertoeven bij denSumiderostelde ons in 't bezit van een twaaftal vogels van verschillende soorten, onder andere verschillendeTangaras, die alleen aan Amerika eigen zijn, en van een paar fraaie koekoeks van eene geelachtig bruine kleur en met een waaiervormigen staart, die op deze plaats op den trek waren.

»Waarom?” zoo vroeg Lucien, »zegt gij dikwijls, dat een vogel uit Brazilië, uit Guyana of uit Peru is, terwijl gij hem toch in Mexico vindt?

—Omdat veel vogels op sommige tijdstippen van het jaar trekken,” antwoordde mijn vriend, »en men ze op groote afstanden aantreft van de landen, waar ze geboren zijn. Deze fraaiemerel, bijvoorbeeld, verschijnt slechts tegen de lente in Mexico, weshalve men hem den naam vanprimavera, eerste van de lente, heeft gegeven.

—Zie toch eens die fraaie gele bloemen, papa, zij verbergen zoovolkomen den stam van den boom, dat men zou meenen, dat hij zevoortbrengt.

—Dat zijn de bloemen van dentropoeolumof wilden kapper, die zijn naam te danken heeft aan het in den vorm van een monnikskap verlengde kelkblad. De kapper is in Europa aangekweekt, waar men de in azijn ingelegde vruchten eet en met de bloemen de sla toebereidt.

—Kennen de Mexicanen ze dan niet? ik heb er bij hen nooit op tafel gezien.

—Dat is waar, en toch zou de prikkelende smaak van de bloemen van dentropoeolumhun wel behagen; misschien vinden zij dat de smaak te flauw is, omdat zij te veel gewoon zijn aan het piment.

—»Gij hebt de kruiderijen, ik de salade,” riep mijn vriend eensklaps uit.

Hij liet ons een handvol planten zien, die men portulak noemt.

Deze plant, die in alle vochtige bodems in overvloed groeit, geeft roode bloemen, die zich des avonds sluiten, om des morgens opnieuw open te gaan. Ik verzamelde de vleezige bladen, terwijl Sumichrast, die een plant vol met zaad had gezien, aan Lucien de ronde gleuf (portula), die zij bezitten, toonde en waaraan de plant haar familienaam vanportulaceeën(portulakken) te danken heeft.

Maïskoeken en onze salade verschaften ons een landelijk ontbijt, dat aan den oever der beek werd voorgediend. Lucien smulde in dit eenvoudige maal en ik moest zijn eetlust, die door de prikkelende bloemen nog werd opgewekt, matigen.

Toen onze maaltijd afgeloopen was, poogde Sumichrast tegen den wal op te klimmen; maar de grond zakte telkens onder hem in en hij viel twee- of driemaal op zijn neus. Ik liet Lucien aan zijn lot over, want het vallen leverde niet het minste gevaar op. Minder zwaar dan wij, bereikte hij zonder moeite den bovenkant van de vlakte en lachte zeer oneerbiedig over onze pogingen.

»Pas op je ooren,” riep mijn vriend hem toe; »als ik bij je kom zullen ze mij tot steunmiddel dienen.

Aldus schertsende zocht hij tevergeefs naar een beter beklimbare plek; wij maakten ons boos en onze onmacht vermaakte Lucien. Eindelijk ontdeed ik mij van mijn geweer en weitasch en zoo opgelicht gelukte het mij eindelijk naar boven te komen.

»Dat is alles goed en wel,” sprak Sumichrast, zich vastklampende en waggelende, »maar hoe zal ik nu bij u komen, nu ik twee geweren en twee weitasschen te dragen heb.

—»Wacht een weinig!” riep Lucien uit.

En naar de helling ijlende verdween hij weldra. Ik hoorde hem spoedig daarop met zijne machete een tak afkappen en kort daarna kwam hij weer met een bamboestengel boven.

»Wij zullen mijnheer Sumichrast visschen;” zeide hij, nog geheel buiten adem.

Op den wal zittende stak ik mijn vriend den stok toe; hij pakte hem vast en won zoo wat terrein en bracht allengs ons jachtgereedschap omhoog. Na mij geweren en weitasschen te hebben aangereikt kwam hij zelf ook bij ons. In plaats van meester Zonnestraal bij zijne ooren te pakken, omhelsde hij hem, om hem voor zijn uitmuntend denkbeeld te bedanken.

Het ravijn liep ongeveer tweehonderd passen verder ten einde en wij bevonden ons te midden der cactussen. Lucien deed zijn best om hagedissen te vangen; maar Gringalet, die zeker dacht heel slim te doen, liep altijd voor hem uit en verjoeg zoo de diertjes. Toch slaagde de jonge jager er in om eene mooie groene hagedis te vangen, eenAnolis, die, driester dan de gewone hagedissen, in de vingers, die haar vast hielden, zocht te bijten, en de keelhuid, die doorschijnend is als een vlindervleugel, vol toorn opblies.

Eensklaps begon Gringalet onrustig te blaffen; een scherp gefluit antwoordde er op en daarna de stem van den jakhals. Ik riep den hond terug en met den vinger aan den trekker van mijn geweer, ging ik voorzichtig voorwaarts, mijn vriend op den voet volgende en Lucien bevelende naast mij te blijven. Onze stille gangverrasteeenige gladslangen, die in de zon lagen te slapen. Daar weerklonk het geroep van den nachtuil. Ik wisselde met mijn reisgezel een blik van verwondering; het was noch het uur, noch de plaats om dien vogel te ontmoeten. Een nieuw gejank en een nieuw blaffen deden zich hooren; maar ditmaal zoo dicht bij, dat ik staan bleef. Gringalet sprong voorwaarts en daar verschenen vier kinderen, die Gringalet cactusbladeren als een schild voorhielden.

»Drommels, drommels!” sprak Sumichrast, »als ik mij niet vergis zijn dat de uil, de jakhals en de hond, die ons zoozeer in spanning hebben gehouden.”

Mijn reisgezel vergiste zich niet; de jonge Indianen brachten levensmiddelen aan hun ouderen broeder, die belast was met het hoeden van een troep geiten; en om de eentonigheid van den weg wat te verkorten hadden zij zich vermaakt met het geluid van verschillende dieren zoo volmaakt na te bootsen, dat wij er door misleid werden.

Tegen drie uren verliet mijn vriend, die de vogels, welke bij gedood had, wilde bereiden, ons om de woning van Coyotepec te bereiken. Ik vervolgde mijne wandeling in gezelschap van Lucien enbleef staan bij het lijk van eene muis, welke eenige doodgravers bezig waren te begraven.

De insecten, vijf in getal, groeven de aarde om de muis op, ten einde die er onder te stoppen. De doodgravers, die zoo druk aan 't werk waren, hadden eene taak ondernomen, die zij niet in minder dan vierentwintig uren ten einde konden brengen; twee der aardwerkers lichtten het lijk aan eene zijde op, terwijl de andere met hunne pooten de aarde er onderuit haalden. De kleine mijnwerkers haalden zonder tusschenpoozen den grond onder hunne prooi uit.

»Welk doel hebben zij toch met die muis te willen begraven?” vroeg Lucien mij.

—Zij denken aan hunne kinderen. Zij zullen hunne eieren onder het begraven dier leggen en als de larven geboren worden zullen deze zich voeden met de overblijfselen van het lijk, in welks nabijheid de voorzorg der ouders hen geplaatst heeft.”

Ik stoorde de ijverige doodgravers, die, tot hun ongeluk, tot eene niet veel verspreide soort behoorden. Hun voelsprieten, die den knotsvorm vertoonden, eindigden plotseling in een knopje en hun dekvleugels, die schitterend zwart waren, werden door eene gele streep doorsneden. Ik mocht den grond en de prooi zooveel omkeeren als ik wilde, ik vond er maar vier.

Op een pad, dat de nabijheid van het dal aankondigde, vertoonden zich zandkevers. Lucien maakte er jacht op, maar de vlugheid der insecten stelde zijne pogingen te leur.

»Wat zijn die vliegen slim,” riep hij uit, »ik kan er geene enkele vangen.”

—Dat zijn geen vliegen maar kevers en verwant met de loopkevers. Geef mij uw net.

Lucien wilde nog eens beproeven om een zandkever te vangen en hij kreeg er inderdaad twee. De schoone metaalglans van hunne bruine, met gele puntjes bezaaide dekschilden bekoorden hem, maar de insecten ontsnapten, na hem gebeten te hebben.

»Welke kaken,” zeide hij, zijn vinger schuddende; »gelukkig dat die beestjes maar heel klein zijn. Leven de zandkevers dan niet in 't bosch?”

—Zij vertoeven bij voorkeur op droge en zandige plaatsen; zij loopen en vliegen zeer snel; maar het is niet moeielijk ze te vangen, want, zooals gij ziet, vallen zij weer spoedig op den grond. Deze fraaie kever bezit eene buitengewone vraatzucht; daar is er een, die eene groote vlieg heeft gevangen en die hij bezig is te verscheuren. De grillige vlucht van een hertskever voerde ons op den rand van het ravijn: terwijl wij het pad, dat talrijke door struikgewas beschaduwde zigzaglijnen vormde, volgden, kwamen wij vooreene hut terecht. Voor de deur was eene jonge vrouw, die ik als eene der danseressen van den vorigen avond herkende, bezig een stuk katoen te weven. Het weefgetouw, dat de schering bevatte en aan den eenen kant aan een boomstam was bevestigd en aan den anderen kant om het middel van de arbeidster was gerold, was tegelijkertijd eenvoudig en samengesteld, zooals alle oorspronkelijke gereedschappen. Lucien zag met nieuwsgierigheid toe, en ziende hoe de weefster telkens de kleur van haar garen veranderde, begreep hij hoe de Indiaansche vrouwen beneden om hare rokken die zonderlinge teekeningen vervaardigen, die hare verbeelding uitdenkt.

Tegenover de hut groeidennopales-cactussen.

»Kijk die planten, waarvan het zien den Encuerado zeker zou aandoen, want men vindt ze overal in zijn land, eens goed aan, sprak ik tot Lucien. »De talrijke bruine puntjes, die gij op de bladeren bemerkt, zijn halfvleugelige insecten van de familie der galwespen, cochenieljes, zooals men ze gewoonlijk noemt. Zij hebben geen vleugels en leven op kosten van de cactussen, waaruit zij met hun zuigsnuit het sap zuigen. Alleen de mannetjes kunnen zich bewegen, de wijfjes zijn veroordeeld om te sterven, waar zij geboren zijn. Op een gegeven oogenblik zullen die kleine insecten duizenden eieren leggen en hun lichaam zal met een wolachtig mos bedekt worden, dat tot beschutting voor de jonggeborenen moet dienen. Men oogst de cochenielje als zij rijp is, om eene uitdrukking der Indianen te bezigen, door de plant met een lang, buigzaam mes af te schrappen, waarna de insecten levend in een ketel met kokend water worden gedompeld. Zoodra ze dood zijn worden zij er uit gehaald om in de zon te drogen. Die kleine korreltjes bedekken zich nu met een zilverkleurig huidje en worden dan in zakken van geitevel ingepakt en naar Europa verzonden, waar men ze gebruikt om stoffen te verven en carmijn te maken, dat zulke fraaie rose kleuren aan het suikergoed geeft.”

Een weinig verder bevond ik mij tegenover eenmaguey—agave mexicana—eene soort aloë, waaruit men depulquebereidt. Demagueybloeit alle vijfentwintig of dertig jaren en de steel, die de bloemkroon moet dragen, groeit in twee maanden ongeveer vijf à zes meters. Deze steel draagt niet minder dan vier à vijfduizend bloemen aan zijn top en de plant verteert al hare kracht met ze voort te brengen, want zij sterft spoedig daarop.

In de plantages van de vlakten van Apam, waar demagueyop groote schaal wordt gekweekt, belet men het bloeien. Zoodra de kegelvormige knop, waar de stengel uit voortkomt, zich vertoont, snijdt men dien af en men graaft er met een grooten lepel eene cilindervormigeholte in uit, die vijftien of twintig centimeters diep is. In deze holte hoopt zich het sap op; men schept het er twee of driemaal daags met eene langwerpige kalebas, waarvan de Indianen zich in plaats van hevel bedienen, uit. Men berekent dat eene krachtige plant in vierentwintig uur ongeveer drie liters van een suikerachtig vocht—agua miel—zonder reuk en van een zuurzoeten smaak moet leveren.

Hetagua mielwordt in ossenhuiden, die bij wijze van troggen op vier paaltjes zijn geplaatst, opgevangen. Er bezinkt eene witachtige stof, de vloeistof gist en na verloop van tweeenzeventig uren levert men het aan de liefhebbers, onder welken men een groot aantal Europeanen kan rekenen, af. EenMaguey-plant kan gedurende twee of drie maanden bewerkt worden.

Depulqueis een dronkenmakende drank, waarvan de smaak afwisselt naar mate van den graad van gisting; men kan hem vergelijken bij een goeden appel- of perewijn; men zegt, dat degenen die er veel van gebruiken, vet worden.

Ik bereikte de hut van Coyotepec, waar Lucien reeds voor mij was aangekomen. Sumichrast had zijn werk af, en de Encuerado, te midden van een hoop gedroogde bladeren van den waaierpalm gezeten, bood mij een prachtigen hoed met breede randen aan.

De twee volgende dagen werden met jagen doorgebracht; weldra waren onze kisten vol en dichtgemaakt. Ik verklaarde aan Torribio, die met het aanbreken van den dag op reis dacht te gaan, op welke manier hij ze behandelen moest; vervolgens gaf ik hem brieven mede, die onze spoedige thuiskomst meldden. Lucien had aan zijne lieve Mama en zijn zusje Hortense geschreven en hij moest zijn brief wel twintigmaal opnieuw openen om er depost-scriptum'sbij te voegen, die de Encuerado hem voorzegde.

Reeds des avonds namen wij afscheid van onzen gastheer. Door zijne welwillendheid hadden wij onzen voorraad rijst, koffie, suiker en maïskoeken vernieuwd. In plaats van zwarte peper, namen wij roode piment mede, maar de kostbaarste koop bestond in het kruit en de hagel, die wij tegen den verrekijker hadden ingeruild.

Vrijdagmorgen vernam ik, dat Torribio reeds op weg naar Puebla was. Hij was tegen middernacht op reis gegaan, teneinde de vlakte niet op het warmste van den dag te moeten doortrekken. Ik verhaastte ons eigen vertrek. Wij hadden goede hoeden, onze kleeren, met zacht leer versteld, gaven ons het uiterlijk van zindelijke bedelaars, waar wij ons evenwel weinig het hoofd om braken. Mijne schoenen en die van Sumichrast, stevig en bijna netjes opgelapt, waren evenveel waard als nieuwe en Lucien bezat nog eenpaar reserve-sandalen. Gringalet blafte vroolijk bij het zien van de toebereidselen, die wij maakten.

De kleine kolonie, die zich in gelid had geschaard om ons te zien vertrekken, begroette ons met hare zegewenschen. Ik drukte de handen, die mij werden toegestoken en vergezeld door den kindertroep, die den jongen reiziger omringde, begon ik het pad op te klimmen, dat ons in deze gastvrije oase had gevoerd. Op den top van den oever aangekomen, zwaaide ik met mijn hoed om Coyotepec opnieuw te groeten; de Encuerado schoot bij wijze van afscheidsgroet zijn geweer af en wij drongen den doolhof van cactussen in, ons in rechte lijn naar het Oosten richtende.

(33)De pracht- of Pompadoer-kotinga. Wat Biart hier zegt is gedeeltelijk onjuist. De veeren vallen niet uit, maar veranderen van kleur. Men kan dit verschijnsel waarnemen bij een aantal buitenlandsche volière-vogels, zooals de verschillende wevervogels en de Widah-vinken. Tegen den broeitijd wordt het gewoonlijk grijsbruine gevederte allengs geel, oranje, blauw of rood, naar gelang der soort. Men noemt dit 't prachtgewaad of bruiloftsgewaad. Tegen den winter verdwijnen deze schitterende kleuren opnieuw om voor het eenvoudige winterkleed plaats te maken. (N. v. d. B.)

(33)De pracht- of Pompadoer-kotinga. Wat Biart hier zegt is gedeeltelijk onjuist. De veeren vallen niet uit, maar veranderen van kleur. Men kan dit verschijnsel waarnemen bij een aantal buitenlandsche volière-vogels, zooals de verschillende wevervogels en de Widah-vinken. Tegen den broeitijd wordt het gewoonlijk grijsbruine gevederte allengs geel, oranje, blauw of rood, naar gelang der soort. Men noemt dit 't prachtgewaad of bruiloftsgewaad. Tegen den winter verdwijnen deze schitterende kleuren opnieuw om voor het eenvoudige winterkleed plaats te maken. (N. v. d. B.)

OP WEG!—DE VOGELSPIN.—EEN KAKKERLAK.—WEZEL- EN CIVETKAT.—DE VLIEGENDE EEKHOORN.—DE DADELPRUIMENBOOM.—DE OTTER.—DE ENCUERADO WORDT GEWOND.

Drie dagen van een moeielijken marsch brachten ons te midden van het Gematigde Land. Wij trokken ditmaal de Cordilleras in de breedte over, klimmende, dalende, op de toppen rillende, en groote druppels zweetende in de nauwe en donkere dalen, waar het toeval van den marsch ons bracht. De vulkaan van Orizava vertoonde van tijd tot tijd zijn scherpen kegel, wat ons zeer hielp om onze richting te bepalen. Vier dagen nadat wij Coyotepec verlaten hadden, sloegen wij ons bivak aan den voet van een berg bij een rivier met helder en ijskoud water op.

Terwijl de Encuerado den vuurhaard gereedmaakte, ontdekte Lucien onder een grooten steen eene buitengewoon dikke, zwarte en harige spin, met pooten die met dubbele haken gewapend waren.

»Dat is een tarentella, nietwaar mijnheer Sumichrast?”

—Neen, vriendje, dat is de vogelspin, aldus geheeten omdat zij, naar men zegt, de nesten der vliegenvogels aanvalt en de jongen er van verslindt.

—Kan ik haar pakken?

—Niet met de handen; haar beet is gevaarlijk.

—Men zou zeggen, dat zij ons met die twee groote oogen, die dicht bij haar bek staan, aanziet.

—Zij ziet zonder twijfel naar ons; bedreig haar eens met dit takje, en gij zult zien dat zij zich ter verdediging gereed maakt.

De groote spin stak hare voorste pooten in de lucht en uit haar mond kwamen twee zwarte, gladde haken. Na een oogenblik geaarzeldte hebben, wierp zij zich onverwacht op het stukje hout, dat Lucien, achteruitdeinzende, vallen liet, terwijl de Encuerado het afschuwelijke dier verdreef.

Een tiental stappen verder vond de jeugdige natuuronderzoeker eene tweede spin en overstelpte mij met vragen. Ik kon hem niets dan eenige algemeenheden over deze zonderlinge klassen van dieren mededeelen.

»Maar, papa, wij ontmoeten bij elke schrede groene, zwarte, gele, goudkleurige spinnen; zijn er dan zoo veel soorten?”

—Er zijn er zoo vele, dat men ze niet alle kent; ik geloof zelfs, dat die van Mexico nooit beschreven zijn. Men zou ze trouwens op de plaats-zelve moeten bestudeeren; want het weeke lichaam der spinnen verliest door het drogen zijn vorm en men kan ze slechts bewaren door middelen, die een reiziger niet altijd onder zijn bereik heeft.

—»Ik heb er evenwel in mijne doos, die niet al te zeer gehavend zijn,” hernam de knaap.

En hij liet mij verschillende dieren met een driehoekigen buik zien, die bruine puntjes vertoonden en vol stekels zaten. Ik ried hem aan er zich van te ontdoen, daar hij dezelfde soorten in de omstreken van Orizava kon vinden.

Onderweg verscheurde ik eenige draden van een licht web, dat tusschen twee heesters was uitgespannen en waarvan de bezitster—eene grijze spin—onmiddellijk te voorschijn kwam om in haast de schade, die ik onvrijwillig had aangericht, te herstellen.

»Waar haalt zij toch dien draad vandaan, die zoo dun is dat men hem ternauwernood ziet?” vroeg Lucien.

—Uit vier bewaarplaatsen, die onder aan den buik gelegen en met eene gomachtige stof opgevuld zijn, welke hard wordt, zoodra zij aan de lucht is blootgesteld. Deze bewaarplaatsen, welke de natuuronderzoekers spintepeltjes noemen, zijn met ongeveer een duizendtal gaatjes doorboord. Uit elk dezer gaatjes komt een draad, die voor het ongewapend oog onzichtbaar is, omdat men er duizend noodig heeft om den draad te vormen, dien de spin op het oogenblik te voorschijn brengt.

—Wat spijt het mij nu, dat ik niet een groot aantal van deze insecten verzameld heb; wij hebben er zulke zonderlinge ontmoet.

—In de eerste plaats zijn de spinnen geen insecten; zij hebben longen en een hart, terwijl de insecten door luchtbuizen of tracheeën ademen.(34)Bovendien hebben de insecten voelsprieten en ondergaanzij gedaanteverwisselingen, wat niet bij de spinnen plaats heeft. Gij zult u zeker nog wel herinneren, dat zij aan den schorpioen verwant is.

—Ja, maar de schorpioenen kunnen niet spinnen.

—Die kunst verstaan ook niet alle spinnen; zoo leeft bijvoorbeeld die soort met gouden weerschijn, waarover gij zooeven spraakt, op planten en zij zou zeer in verlegenheid zijn, als het ongeluk haar overkwam van in het web harer spinnende zuster te vallen.

—Eten de spinnen elkander dan op?

—Zonder de minste aarzeling; de schorpioenen doen het ook; dat is eene familiekwaal.

—Dan verwondert het mij niet meer, dat de spinnen over 't algemeen zoo leelijk zijn.

—Al waren zij ook nog zoo mooi, dan zou dat nog niets aan hare geaardheid afdoen. Maar zij hebben bovendien ook hare goede eigenschappen—het geduld, bijvoorbeeld, en de vastberadenheid. De arme spin, die gij daar ziet, zweet, om zoo te zeggen, water en bloed, om eene prooi te vangen, die haar telkens ontsnapt. Nu eens verscheurt de wind het met zooveel moeite gesponnen weefsel; dan weer vliegt een groote kever, als een echte wildzang, door het web. En toch wordt het beestje niet ontmoedigd; het herstelt zijn val en terwijl het onbeweeglijk het wild bespiedt, dat voor zijn onderhoud noodzakelijk is, gebeurt het maar al te dikwijls, dat het in den snavel van een vogel wordt weggevoerd.

—En u, mijnheer Sumichrast, weet u niets over de spinnen?

—Zeker, meester Zonnestraal, veel anecdoten; zoo zegt men, dat men ze tam kan maken en dat zij dan tusschen de vingers de vliegen komen weghalen, die men haar voorhoudt; men verzekert zelfs, dat zij zich zeer dankbaar betoonen tegenover hen, die zoo in haar voedsel voorzien, wat mij eenigszins met die onaangename dieren verzoent. Ik moet u nog zeggen dat er eene soort bestaat, waarover uw papa niet gesproken heeft, de waterspin, die eene duikerklok vervaardigt, welke zij met een bewonderenswaardig instinct met lucht vult en met draadjes tusschen de waterplanten ophangt.

—Dat zal toch wel niet zijn om vliegen te vangen, veronderstel ik?

—Neen, zij voeden zich met larven, muggen en eendagsvliegen. De beroemde sterrekundige Lalande at uit pralerij eene kelderspin op; men beweert dat de Indianen uit de provincie Honduras ook van spinnen smullen.(35)

De Encuerado had op zijne beurt ook iets over de spinnen mede te deelen. Hij vertelde ons dat als een paard den voet op een vogelspin zet, de hoef binnen acht dagen afvalt en niet meer aangroeit. Hij beloofde bovendien aan Lucien dat, zoodra wij het Warme Land zouden bereikt hebben, hij hem de beroemde kristallen spin zou laten zien, die in duizend stukken breekt, als men onhandig genoeg is haar te laten vallen.

»Chema,” riep Lucien eensklaps uit, »kom eens naar die grootecoucaratchazien! Ik dacht dat die insecten alleen in de huizen leefden. Wat sleept zij toch achter zich aan?”

—»Een klein doosje, waarin hare eieren vervat zijn,” antwoordde ik. In drie of vier dagen zal dat doosje aan de zijde opengaan en er zullen een twintigtal jonge kakkerlakken uitkomen.

—Heet decoucaratchakakkerlak?

—Kakkerlak of zwarte tor. Voor de geleerden is het een rechtvleugelig insect, voor de creolen een vuil dier, dat in de laden van alle meubelen binnendringt en er ongeveer dezelfde verwoestingen aanricht als de muizen. Des nachts loopen de kakkerlakken, die een letterkundigen smaak schijnen te hebben, in groot aantal in de kamers rond, knagen aan het papier en drinken de inkt uit.

—Zij wachten daartoe niet eens den nacht af,” riep Lucien uit; »zij hebben meermalen de onbeschaamdheid zoo ver gedreven, dat zij in mijn inktkoker hunnen dorst leschten, terwijl ik bezig was mijn schoolwerk af te maken. Ik ken bruine en groenekakkerlakken, maar de Encuerado heeft laatst volgehouden dat er ook witte zijn.

—De Encuerado heeft gelijk, antwoordde ik; ik heb er ook wel eens van die kleur gevangen en opgesloten, maar na verloop van vierentwintig uren waren zij roestrood geworden, zooals hunne geheele familie. Dit verschijnsel bewijst, dat de kakkerlakken van huid verwisselen, eene eigenaardigheid die zij met verschillende dieren gemeen hebben, zooals de groote spin, welke uw vriend straks heeft weggejaagd.

Ik ontrukte Lucien aan zijne entomologische studiën om hem meê onder de boomen te nemen, ten einde den hoofdschotel voor ons middagmaal op te zoeken. Wij stieten eerst op eenCacamizliof kattefret(36), een soort van wezel van een wreed uiterlijk, die ons met een scherpen schreeuw verwelkomde. Gringalet begon het dier onmiddellijk te vervolgen en bleef slechts stand houden bij den ingang van het hol van het dier. Decacamizlinestelt zich, evenalsde wezel, waarvan hij slechts in grootte verschilt, op de zolders der woningen, waar hij zich des nachts aan de luidruchtigste beweging overgeeft. In de voorwijken van verschillende steden van Mexico staat meer dan één huis ledig, omdat men meent dat het door spoken bezocht wordt, terwijl het eenvoudiglijk bevolkt is met wezels en buidelratten.

Op tien passen van ons af, viel een dier naar beneden. (blz. 213).

Op tien passen van ons af, viel een dier naar beneden. (blz. 213).

»Opgepast!” riep de Encuerado eensklaps uit.

Een civetkat, een roofdier dat wel een weinig op een Angora-kat gelijkt, liep hard voor ons weg. Gringalet, wien het verveelde om op de wezel te wachten, kruiste zich met het dier en begon het dadelijk, niettegenstaande ons roepen, te vervolgen. De civetkat bleef eensklaps staan, wroette met haar scherpe nagels den grond om en verspreidde toen zulk een stank om zich, dat de hond dadelijk den terugtocht aannam.

De Encuerado vervolgde zijn marsch en geleidde ons zonder geraas te maken en met den vinger aan den trekker. Plotseling bukte hij om beter te kunnen hooren.

»Een quimichpatlan,” zeide hij zachtjes.

—Een »vliegende rat”,herhaalde ik aan Sumichrast.

Lucien wilde spreken; ik wees met den vinger op den Indiaan, die, den neus in den wind en half achter een dooden boomstam verborgen, den top van een ebbenhoutboom onderzocht. Op hetzelfde oogenblik legde de Encuerado aan en gaf vuur; hij had goed gemikt,—op tien pas afstands van ons viel een dier neer, dat in zijne stuipachtige bewegingen een vlies had uitgespannen, dat de pooten onderling verbond en het als met een mantel omgaf.

Lucien raapte het dier op, dat meer algemeen bekend is onder den naam vanvliegenden eekhoorn. Daar men ze zelden alleen aantreft gingen mijne beide gezellen opnieuw op de jacht en doodden er een tweeden.

»Moeten wij die dieren eten?” vroeg Lucien.

—Waarom niet!” antwoordde ik. »Het zijn eekhoorns, en al waren het ook ratten, zooals de Mexicanen beweren, dan zou hun vleesch er niet minder smakelijk om zijn.”

—Kunnen die eekhoorns lang vliegen?

—In werkelijkheid vliegen zij niet; maar het vlies, dat hunne vier pooten verbindt, houdt hen als een valscherm in de lucht en vermindert het gevaar van hunne verbazende sprongen.

—Loopen zij even vlug als de eekhoorns?

—Daar scheelt veel aan; zij komen zelfs niet op den grond; maar hunne vlugheid op de boomen maakt, dat zij hunne familie geen oneer aandoen.

—»Ik dacht, dat de vleermuis het eenige vliegende zoogdier was,” hervatte Lucien.

—»Wij hebben nog dephalangista,” zeide mijn vriend, »een dier dat tot de orde der buideldieren behoort en in Australië wordt aangetroffen; het gelijkt op de buidelrat. Men zegt dat het zich als het een mensch ziet, aan den staart laat hangen en geen beweging durft maken. Dit sprookje past goed bij dat van den Encuerado over de kristallen spin.

De Indiaan begaf zich in rechte lijn naar het bivak, terwijl ik mijne twee metgezellen weer naar den stroom terugbracht; onderweg hadden wij nog gelegenheid eene prachtigen dadelpruimenboom te bewonderen. Eén daarvan was beladen met bruine, van binnen witachtige vruchten, die een vrij aangenamen zuurzoeten smaak hebben. Ik plukte er in haast een half dozijn van, wetende dat het eene smullerij voor mijn bediende zou zijn.

Terwijl wij zoo onzen weg vervolgden, zagen wij dat de oevers van den stroom trapsgewijze lager werden en weldra vertoonde zich een meer, dat heerlijk omgeven was met cypressen, populieren, elken, ebbenhout- en styraxboomen, aan onze oogen.

Ik ging op eene rots zitten, vanwaar mijne oogen op het blauwe en doorschijnende water rustten; Sumichrast en Lucien kwamen naast mij zitten. Verrukt over de lachende majesteit van dit onbekende plekje der wereld, bleven wij sprakeloos zitten. Vogels zweefden door den wolkenloozen hemel, kwamen in onze nabijheid zitten, kweelden een oogenblik, en vlogen verder, na ons den tijd te hebben gegeven om de rijke kleuren van hun gevederte te bewonderen. Op het onbeweeglijke water liepen duizenden insecten met lange pooten en doorschijnende vleugels, die eene onzichtbare kracht over de effene vlakte deed glijden. Soms verscheen een waterjuffer met een azuurblauw en purper lichaam, en alles vluchtte voor dien vijand, als een troep musschen voor een sperwer. Een vlinder met gouden en perlemoeren vleugels kwam onder het bereik van het vraatzuchtige insect. Meer dan één vreeselijk gevecht werd onder onze oogen tusschen de kleinste schepsels geleverd; eindelijk vond de waterjuffer, die den vlinder bijna overwonnen had, een graf in de maag van een vogel.

Wij wilden ons juist verwijderen, toen het water tot in de diepte in beroering scheen gebracht te worden, en terwijl op de oppervlakte vliegen en muggen met hun spel ongestoord voortgingen, vluchtten de visschen vol spoed en schenen hun angst aan de waterslangen mede te deelen. Eenschildpad, die den terugtocht nutteloos scheen te oordeelen, trok haar kop en pooten binnen haar schaal terug. Bijna op hetzelfde oogenblik hield een dier, dat krachtig zwom, bijhet kruipdier stil om het te beruiken en vervolgde toen zijn weg.

—Zijn er dan ook water-buidelratten? vroeg Lucien.

—»Dat is een otter,” antwoordde ik zacht.

Terwijl wij zonder geraas de rots afdaalden, volgde ik Sumichrast naar den waterkant, naar eene plek, waar het dier aan land scheen te willen komen. Een uur verliep evenwel in vruchteloos wachten.

Mijn vriend stelde voor in de haast te gaan eten en daarna weer onzen post bij de rots in te nemen. Eenige minuten waren voldoende om bij den Encuerado terug te zijn; want zonder het te weten hadden wij ons bivak op nauwelijks vier geweerschoten afstands van het meer opgeslagen. De Indiaan sprong van vreugde, toen hij de nabijheid vernam van wat hij een waterhond noemde.

»Ge moogt me een ezel noemen,” zeide hij tegen Gringalet, terwijl hij hem streelde, »als ik je morgen ochtend geen bout van je broer vóór ontbijt breng.”

—Zijn de otters dan werkelijk verwanten van Gringalet?” vroeg Lucien mij.

—»Ja,” antwoordde ik; »volgens Cuvier zijn het teenloopers. Overigens laat de otter zich zoo tam maken als een hond en men richt hem af om visch te vangen, dien hij te gereeder weet te krijgen, daar hij niets anders dan visch eet.”

De vliegende eekhoorn werd noch goed, noch kwaad bevonden; maar de Encuerado smulde van de dadelpruimen, wat niet belette dat hij het eerst gereed was. Lucien, altijd even ongeduldig, knorde op Sumichrast, die smakelijk zijn koffie dronk.

»Drommels, drommels! meester Zonnestraal,” riep hij vroolijk uit, »gij vergeet dat ik een Zwitser ben en half een Indiaan ben geworden, en dat ik aan de Franschen de onbezonnenheid en de voortvarendheid overlaat.”

—Moet ik mijn aandeel in het compliment nemen?” vroeg ik glimlachende.

—»Ge zult moeten bekennen,” antwoordde mijn vriend, »dat wij een tamelijk volledig geheel vormen en dat, alles wel overwogen, mijne langzaamheid ons meer dan één middagmaal heeft bezorgd, waarvan uw Fransch ongeduld ons zou beroofd hebben.

—En gij zult, op uwe beurt, moeten bekennen, dat mijne voortvarendheid ons meer dan één ontbijt heeft verschaft, dat uwe langzaamheid ons zou hebben doen verliezen.

—Drommels, drommels! dan is het uit met mijne meerderheid; we zullen dan maar zeggen, dat alles om 't best is.

—»Toch niet,” riep Lucien uit; »terwijl wij praten gaan de otters slapen, zonder ons goeden nacht te wenschen.

—Dat hebt ge mis, Chanito; de waterhonden gaan juist des nachts aan 't werk.

Tien minuten later stonden wij op nieuw bij de rots op den uitkijk. De Encuerado wilde ons niet volgen en ik liet hem handelen zooals hij zelf verkoos. De zon was op punt van onder te gaan en achter ons teekenden de boomen hunne donkere schaduwen tegen een oranjekleurigen hemel af, terwijl honderden vogels te gelijk babbelden. De schemering bedekte den horizon en overal heerschte eene plechtige stilte. Allengs begonnen de sterren te schitteren en steeg de maan boven de boomen. Haar wit licht drong door het gebladerte en verleende het fantastische vormen, die aan een bovennatuurlijke wereld deden denken. Naar gelang het gesternte hooger steeg, verspreidde het ook meer licht en ik ken geen prachtiger schouwspel dan die nachten onder de keerkringen, die helderder, zachter en geheimzinniger zijn dan de zoo geroemde nachten der koude landen.

Een schot brak de mijmering af, waaraan ik mij had overgeleverd en het hioe! hioe! van den Encuerado riep ons. De Indiaan draafde langs den voet der rots, door den getrouwen Gringalet gevolgd. Een pijnlijke kreet deed mij schrikken; Sumichrast verdween als een pijl uit den boog, terwijl ik den loop van Lucien bespoedigde. Ik hoorde een groot geraas van stemmen, bijna door het razend geblaf van den hond overheerscht; ik vond mijn vriend, die de keel van een otter, dien Gringalet woedend beet, tusschen zijne handen dichtkneep. De Encuerado, op den grond gezeten, drukte vol angst zijn rechterarm; hij was door het dier, dat hij te overijld had willen vatten, gebeten. Het was nu de tijd niet om verwijtingen te doen; ik troonde mijn dienaar in allerijl naar het bivak mede; hij troostte Lucien, die in stilte schreide.

Het onderzoek van de beet stelde mij gerust; ik was eerst bang voor eene verscheuring, maar die bestond niet. Ik verbond den gekwetste, wat hem zeer verlichtte.

»Oh! Tatita,”sprak hij,»'t gaat nu beter, veel beter; maar toen die rakker mijn arm beet pakte, dacht ik dat ik flauw zou vallen.”

—»God geve dat dit ongeval je wat voorzichtiger moge maken,” gaf ik ten antwoord; »hoe kondet gij het ook in uw hoofd krijgen om een gewond dier te naderen, als ge weet dat het zulke scherpe tanden heeft als de otter?”

—Hij wilde in 't water springen en dan zou hij verloren zijn geweest; toen heeft hij zich dood gehouden.

—Dat wil zeggen, dat hij het gunstige oogenblik bespiedde om zich op u te werpen.

—Gij hebt misschien gelijk, Tatita, ik zag hem naar de riviergaan; toen heb ik geschoten en ben naar hem toegeloopen. Nadat het dier getracht had te vluchten, is het zonder beweging neergevallen. Ik heb er mij overheen gebukt en voelde toen dadelijk zijne tanden. De pijn was zoo hevig, dat ik de kracht niet had om er meê te worstelen; gelukkig is Tata Sumichrast toen gekomen, zonder nog Gringalet mee te rekenen, die uit al zijne macht beet, maar niet op een zulke goede plaats als de otter, anders zou hij mij wel spoedig hebben losgelaten.”

Mijn vriend stroopte het wild de huid af en stak het onmiddellijk aan het spit. Lucien onderzocht het dier met zijn opgekrulden snuit met breede neusgaten, en zwart en glad haar en de pooten van zwemvliezen voorzien, zooals de eenden en de Nieuw-Foundlanderhonden. Zoodra het gebraad goed gaar was omwikkelde ik het, om het voor de insecten te beschermen, waarna wij ons te ruste begaven. Ik voorzag wel dat de Indiaan den volgenden dag zijne mars niet zou kunnen dragen, en dat de noodzakelijkheid om hem te vervangen, mijn geduld en dat van Sumichrast op de proef zou stellen, want wij konden er niet toe besluiten ons oponthoud te rekken. De slaap overviel ons, zonder dat dit gewichtig vraagstuk eene oplossing had gekregen.

(34)De tracheeën of luchtbuizen zijn twee vaten, die aan weerskanten langs het lichaam zijn geplaatst en van vertakkingen zijn voorzien; zij dienen om de lucht op te vangen en zich door het lichaam te verspreiden.

(34)De tracheeën of luchtbuizen zijn twee vaten, die aan weerskanten langs het lichaam zijn geplaatst en van vertakkingen zijn voorzien; zij dienen om de lucht op te vangen en zich door het lichaam te verspreiden.


Back to IndexNext