XXIV.

(35)Men heeft ook van onze beroemde landgenoote Anna Maria Schuurmans gezegd, dat zij spinnen at.(N. v. d. V.)

(35)Men heeft ook van onze beroemde landgenoote Anna Maria Schuurmans gezegd, dat zij spinnen at.

(N. v. d. V.)

(36)Bassario astuta. Biart noemt het hier bedoelde diercacomiste, een verbastering van hetcacamizlider Mexicanen.(N. v. d. V.)

(36)Bassario astuta. Biart noemt het hier bedoelde diercacomiste, een verbastering van hetcacamizlider Mexicanen.

(N. v. d. V.)

EEN MOEIELIJK AMBACHT.—WILDE LINDEBOOMEN. DE DUIVEN.—KERSEN VAN DE ANTILLEN.—DE OORWORM. SLANGEN EN ADDERS.—HET WARME LAND.

»Hoe gaat het met den arm?” vroeg ik den Encuerado, die reeds op was toen ik wakker werd.

—»Vrij goed, Tatita, maar ik moet hem niet te veel bewegen; want dan heb ik een gevoel, alsof die verwenschte waterhond mij nog tusschen zijne tanden heeft.”

Ik verbond den gewonde, die niet nalaten kon den otter opnieuw met scheldwoorden te overladen; ik dwong hem zich rustig te houden en bereidde zelf de koffie. Sumichrast en Lucien werden nu ook wakker; er werd tot het vertrek besloten, het regenseizoen naderde en beval ons ons te haasten.

De Encuerado wilde, niettegenstaande onze tegenwerpingen, zijne mars opnemen; hij beurde zijne vracht op, maar viel weer neer en werd geheel bleek.

»Geen koppigheid,” zeide ik hem: »gij zijt nu overtuigd, dat uwe pogingen nutteloos zijn. Ik zal onze bagage dragen totdat uw arm genezen is.”

—Ik kan niets beters doen dan maar naar huis gaan; mijn geweer schijnt mij zelfs te zwaar toe.

—Als ge nu maar geen dwaasheden begaat, zult ge over drie dagen je vracht weer kunnen dragen en je van je geweer bedienen.

Ik nam de riemen van de mars op en volgde mijne makkers voet voor voet. Het gebrek aan gewoonte verdriedubbelde de vracht, die ik op de schouders droeg. De Indiaan overlaadde mij met raadgevingen en maakte mij boos door telkens op te merken, dat ik de mandminder gemakkelijk droeg dan hij. Ik zond hem, om er van af te zijn, naar de voorhoede. Na verloop van een half uur was ik geheel uitgeput en loste Sumichrast mij af. Veel sterker dan ik zijnde, ging mijn makker met den looppas vooruit en verwierf de loftuigingen van den Encuerado. Maar zijn ijver bedaarde al zeer spoedig, want de kracht kan niet dan onvolkomen de gewoonte vervangen. De mars, waarvan het gewicht mijn dienaar niet belet had om de steilste paden op te klimmen en zelfs niet om hard te loopen, als het noodig was, deed ons bezwijken.

Ik nam haar op mijne beurt weer op den rug; mijne taak werd hoe langer zoo moeielijker, want wij gingen onder het geboomte door en telkens bleef ik in de takken verward steken. Ten slotte werd toch half lachende, half preutelende een weg afgelegd van ongeveer drie uren, en de otter, de oorzaak van al het leed, boette door onze gretige beten voor de vermoeienis, die hij ons berokkende.

De Encuerado, die van zijne jeugd af aan gewoon was eene vracht op zijn rug te gevoelen, beklaagde zich over het ongemak hetwelk men ondervindt als men onbeladen loopt. Dat was geene overdrijving; niets was meer gewoon dan de Indianen van de markt, waar zij hunne waren hebben afgeleverd, te zien terugkeeren met de mars vol steenen of takken als tegenwicht, zonder hetwelk hun gang langzaam en moeilijk zou zijn. Eindelijk hadden wij nog een uur afgelegd, maar de Hemel weet ten koste van hoeveel inspanning; de hut werd aan den voet van een heuvel, te midden van ebbenhout-, wol-, en eikeboomen opgericht. De Encuerado ging bij den haard zitten, terwijl ik in gezelschap van mijn vriend en Lucien den heuvel opklom. De boomen, die den top bekroonden, waren lindeboomen—tilia sylvestris—de type van de boomen van denzelfden naam, die in Europa zoo algemeen verspreid zijn en waar de kweeking ze zoozeer veranderd heeft, dat zij niet meer tot dezelfde soort als hunne verwanten in de maagdelijke wouden schijnen te behooren. Het hout van den lindeboom wordt door de Indianen zeer gezocht voor de vervaardiging van die kleine mandolinen—xaranas—, die bij duizenden in Mexico verkocht worden. In Europa wordt de schors van dezen boom gebruikt tot het vervaardigen van puttouwen en de kool, die zijn hout oplevert, wordt boven elk andere verkozen voor de vervaardiging van het buskruit. Weinig gewassen zijn dan van meer algemeen nut; het gebladerte, van een fraai groen, maakt hem zeer geschikt voor de versiering van tuinen; de geelachtige bloemen, bij iedereen onder den naam van lindebloesem bekend, bevatten eene vluchtige olie, die haar krampstillende eigenschappen verleent. Het zachte en lichte hout wordt door de beeldhouwersgebruikt; de olieachtige zaden worden als surrogaat van de cacao aangewend en de Lithauers maken uit het sap een op wijn gelijkenden drank, die samentrekkende eigenschappen bezit.

Het bekende gekoer van duiven trok onze aandacht; ik gleed onder de boomen door en joeg spoedig een troep fraaie duiven op de vlucht, van eene mooie donkere aschblauwe kleur, den staart met eene zwarte streep overtrokken en met parelgrijze stuurpennen; de geleerden noemen ze Zenaïde-duiven. Ik schoot er twee; Sumichrast, die beter geplaatst was, raakte er drie; dat was meer dan wij voor ons middagmaal noodig hadden.

Het waren de eerste duiven, die wij gedood hadden, en Lucien zocht tevergeefs hare verwantschap vast te stellen.

»Het zijn geen vinkvogels, noch minder zwemvogels,” zeide hij, »en de klimvogels hebben anders gevormde pooten.

—»Uwe twijfelingen zijn zeer natuurlijk,” viel mijn vriend hem in de rede; »de ornithologen-zelve zijn in 't onzekere. Zij rangschikken de duiven evenwel onder de hoendervogels en beschouwen ze als den schakel, die dezen met de vinkvogels verbindt.

—Waarom heeft men er geene afzonderlijke orde van gemaakt?

—Bravo, meester Zonnestraal! maar uw uitmuntend denkbeeld is reeds geopperd geworden; verscheidene natuuronderzoekers tellen ook een orde van decolombídenof duifachtige vogels. Wat gij evenwel dient te weten, is, dat de duiven den geheelen aardbol bewonen; dat er witte, blauwe, roode, groene en bruine zijn; soms zijn die tinten te zamen versmolten en verhoogen zij nog de schoonheid van deze lieve vogels. De duif, het zinnebeeld der zachtmoedigheid en der onschuld, laat zich zeer licht tam maken, zij heeft eene zware maar volhardende vlucht en in veel landen heeft men ze afgericht om berichten over te brengen.

Lucien bleef geheel in nadenken verzonken.

»Als ik dat geweten had, zou ik een paar duiven hebben medegebracht en dan zou mijne lieve Mama reeds lang bericht van ons ontvangen hebben.”

Sumichrast, die om de betrekking van opperkeukenmeester had gevraagd, die open was gevallen door de wonde van den Encuerado, ging beladen met de opbrengst van onze jacht, naar het kamp terug. Ik volgde den zoom van het woud, in gezelschap van Lucien, die het eerst een kerseboom der Antillen—malpighia glabra—ontdekte. De roode, vleezige en zuurachtige vruchten vielen zeer in onzen smaak en de knaap klom in den boom om er eene goeden voorraad van te plukken en blijde bij de gedachte aan de verrassing, die hij zijnen beiden vrienden bereidde. Toen het plukken gedaanwas, onderzocht ik den boomstam. Een haastig afgerukt stuk schors bracht een groot aantal zoogenaamde oorwormen te voorschijn.

»Wat mooie kevers!” zeide Lucien.

—»Dat zijn rechtvleugelige insecten oforthopteren,” haastte ik mij hem te onderrichten, »zij behooren tot eene familie, die zeer aan de kakkerlakken verwant is. De oorwormen worden ten onrechte gevreesd; de soort tang, waarin hun staart uitloopt, is geheel en al onschadelijk.”

—Zie eens, papa, wat is het lichaam van dien oorworm met eene menigte witte puntjes overdekt.

—Dat is een wijfje, dat hare eieren zoo uitbroedt; maar zie eens hier.

—Acht, tien, twaalf jongen; wat zijn ze aardig! Men zou zeggen dat zij zich laten geleiden door dien grooten oorworm, die zich bij elke schrede omkeert. Mooi zoo, zij blijven staan en de kleinen verzamelen zich om hem.

—»Zeg om haar, want het is eene moeder en hare kinderen; de zoo geprezene hen zorgt niet beter voor haar kroost dan dit arme insect.”

Ik kon Lucien niet zonder moeite van het beschouwen der oorwormen afrukken; het gesis van eene slang, die ik van onder een steen verjoeg, bracht hem weer bij mij. Ik had nog juist den tijd om de slang te pakken, die zich met kracht om mijn arm kronkelde. De knaap zag mij, stom van verbazing, met angstigen blik aan.

»Vader”, riep hij uit, vol schrik op mij toeschietende.

—Stel u gerust; dit arme kruipdier kan zich niet verdedigen, en het is zoo klein, dat men het gerust in de handen kan nemen.

—Maar hetzal u met zijn angel steken.

—Het heeft geen anderen angel dan zijne tong, wier aanraking geen gevaar oplevert. Komaan, neem de slang ook eens aan.

De knaap aarzelde in den beginne; maar allengs werd hij stoutmoediger en liet de slang toe zich om zijn arm te kronkelen. Toen hij bij den haard was gekomen, liet hij haar aan den Encuerado zien, die van schrik achteruitsprong, want volgens hem waren alle kruipende dieren vergiftig. Alle aansporingen van Lucien, om hem ook de slang te doen vastnemen, waren vruchteloos.

»Ik zal het niet doen voor gij mij de woorden zult herhaald hebben, die gij uitgesproken hebt, om onkwetsbaar te worden.”

—»Ik ben niet meer onkwetsbaar dan gij,” hervatte Lucien lachende. »De slang is onschadelijk en papa heeft mij wel op het hart gedrukt nooit eene slang aan te raken, alvorens hem te hebben geraadpleegd.

—En hebt gij dan geen enkel woord gezegd voor gij haar aanpaktet.

—Neen; papa had haar in zijne handen en heeft haar om zijn arm gekronkeld.

—»Nu begrijp ik het,” mompelde de Indiaan; »de slang is betooverd.”

Gringalet, die even wantrouwend was als de Indiaan, ging op de vlucht, toen hij de slang zich bewegen zag.

Ik beval mijn zoon de slang de vrijheid weer terug te geven; de Indiaan trok zijn machete, maar ik zette haar zelf in een struik, zoodat hij haar geen leed kon doen.

De nieuwe keukenmeester overtrof zichzelven; hij zette ons eene soep van maïs, gebraden duiven en een rijstetaart voor, die wel niet mooi van vorm, maar heerlijk van smaak was. De kersen voltooiden dit vorstelijk maal, en de rustpijp werd begeleid door een kop warme koffie. Toen de nacht daalde ging Sumichrast, door Lucien over de gewoonten der slangen ondervraagd, stilletjes slapen; ik wachtte niet lang met zijn voorbeeld te volgen, want de zwaarte van de mars had mij meer vermoeid, dan mijne eigenliefde het wel wilde bekennen.

Den volgenden dag vond de opgaande zon ons reeds op weg. De wonde van den Encuerado, die reeds veel minder pijnlijk was, veroorloofde hem weer, zich van zijn geweer te bedienen en zonder mijn uitdrukkelijk verbod zou hij zijne vracht opnieuw hebben opgenomen. Op den top van den heuvel gekomen, voerde hij ons op eene helling en de karavaan hield slechts halt in een somber en vochtig dal, op den rand van een groenachtigen poel. Na eene kleine rust, die wij gebruikten om onze veldflesschen te vullen en een tatoe te dooden, haastten wij ons deze plaats te ontvluchten, waar de lucht door vergiftige uitwasemingen verpest scheen te zijn. Toen de tegenovergestelde helling afgelegd was, begaf ik mij onder de pijnboomen, terwijl ik mijn vriend, die de mars droeg, aanmoedigde en Lucien schelmsch tot een wedloop uitdaagde.

»Dat is niet edelmoedig van je,” zeide ik tot den kleinen schelm; »wat zou er van ons zijn geworden als Sumichrast zich niet de moeite gaf den korf te dragen.”

—Mij spijt slechts één ding,” antwoordde de knaap, »en dat is, dat: ik niet sterk genoeg ben om u te helpen. Als ik mijnheer Sumichrast zoo plaag, dan doe ik het omdat mijne plagerijen hem vermaken—zij maken dat hij zijne vracht vergeet en dus lichter loopt.”

—»Kom bij me, dat ik u omhelze,” riep mijn vriend uit; »gij hebt honderdmaal gelijk. Ik dacht ook, dat gij slechts een luim opvolgdet, zonder om mij te denken.”

Eene nieuwe daling putte ons volkomen uit en Sumichrast zwoerdat hij tot de volgende dag de mars vaarwel zeide. Ik nam haar nu op, maar na verloop van weinig tijds deed ik denzelfden eed als mijn vriend, en het bivak werd opgeslagen. Terwijl mijne gezellen zich met de keuken bezighielden steeg ik de hoogte op; ik had haar nauwelijks twee of drie honderd meters doorloopen of ik riep allen bij mij,—het Warme Land lag aan mijne voeten. In den beginne doorvorschte een ieder zwijgend het onmetelijke panorama, dat zich voor onze oogen ontrolde. Wij bevonden ons op eene der tegenhellingen der Cordilleras. Het toeval was ons gunstig geweest; eenige honderden meters verder zouden de boomen ons niet veroorloofd hebben dit wonderschoone vergezicht te bewonderen. Boven ons rotsen met mos en orchideeën bekleed, een ruime, rotsachtige, steile bodem; daarna een woud van eikeboomen, welker roode bladeren reeds door de zon geroosterd waren. Lager op, eene lange prairie bezaaid met groene struiken en omzoomd door een bosch, waarvan de hooge toppen zich, zoover het gezicht reikte, uitstrekten. Aan de rechterhand kondigde eene breede gele en schitterende ruimte eene savanne aan en aan onze zijde vormden nu eens naakte, dan weer met boomen begroeide hoogten een grooten halven cirkel.

—»Het beloofde land!” riep Sumichrast eindelijk uit.

—»Het tijgerland!” hervatte de Encuerado.

—»Het land der muskieten en van den dorst,” voegde ik er bij.

Lucien alleen bleef zwijgen; het Warme Land was voor hem het lang gedroomde land. In het Gematigde Land geboren en groot gebracht, moesten die bodem van vuur en die wouden, welker schoonheden en gevaren wij voortdurend zoo geroemd hadden, zijn ideaal zijn. Hij dacht zonder twijfel aan de leeuwen, de tijgers, de krokodillen, de wilde paarden en stieren, de savannen en palmboomen, waarover de Encuerado nooit moede werd te spreken. Hij verheugde zich er over dat land te mogen zien, zoo gevreesd door Creolen en Europeanen; die ondoorzochte wereld, waarvan de gele koorts den toegang verbiedt.

De kok vergat zich zoozeer in zijne bewondering, dat het middagmaal slechts uit dikke soep en aangebrand vleesch bestond. Nauwelijks was de koffie op of wij begaven ons, zonder dat er afspraak over geweest was, naar het uiterste punt van de hoogvlakte. Daar zagen wij hoe de schaduwen zich langzamerhand over de savanne uitstrekten; hoe het groen der bladeren donkerder tinten aannam en hoe de zon de lichte wolken, die aan den blauwen hemel verschenen waren, met gouden weerschijn verlichtte. De nacht kwam op zijne beurt zijn geheimzinnigen sluier over de onmetelijke vlakten, die wij moesten doortrekken, uitspreiden. Eer de dag verdwenen was, teekende zich nogin de verte een besneeuwd hoekje van den vulcaan van Orizava af; ik dacht aan de wezens, zoo dierbaar aan mijn hart, die, achter die bergen, op mij wachtende, de dagen telden; ik tilde Lucien op en omhelsde hem. Gringalet blafte om ook zijn aandeel in de liefkoozingen te vragen, en door hem geleid kwam de kleine troep weer aan het bivak, om een welverdiende rust te genieten.

DE AARD-EEKHOORN.—EEN MUIZENNEST.—VLIEGENVOGELS EN COLIBRI'S.—DE CHACHALACA.—DE CASSIEBOOM.—DE TLALCOYOTE.—DE KREKELS.

Een geweerschot deed mij verschrikt ontwaken; de dag brak aan. De Encuerado toonde mij een grooten eekhoorn met grijzen rug en witten buik, eene soort die niet op de boomen klimt en daarom door de Mexicanen aard-eekhoorn (amohli) genoemd wordt. Dit dier, dat in holen onder den grond woont, bezit de bevalligheid en levendigheid van zijne soortgenooten, maar men kan het niet tam maken. Het loopt meestal bij talrijke benden, nadert de woningen en verslindt in één nacht de zaden, die door de landbouwers aan den bodem worden toevertrouwd. Dezen doen het dan ook een onverbiddelijken oorlog aan.

Op het oogenblik, dat wij ons op weg wilden begeven, maakte de Encuerado, wiens wonde reeds dicht was gegaan, zich van de mars meester. Ik liet hem haar dragen, op voorwaarde dat hij mij zou waarschuwen als hij vermoeid zou zijn. Ik ging voorop, Lucien bij de hand houdende en de rotsachtige helling werd zonder ongeval afgelegd. De dunne en ver uiteenstaande eiken leverden ons een gemakkelijken doorgang over een bodem, bedekt met dorre bladeren, die onder de voeten knapten.

»Zou men niet zeggen, dat men in Europa was?” riep Sumichrast, stil blijvende staan, mij toe.

—Ja,” antwoordde ik, »het is of de herfstwind reeds over de geel geworden bladeren heeft gewaaid.

—Ik bemerk daar een dooden boom; ik ben zeker dat, als wijde schors onderzoeken, wij er insecten uit ons land zullen vinden.”

De hoop van mijn vriend werd niet verwezenlijkt; zijne onderzoekingen hadden geen ander gevolg, dan dat zij de rust stoorden van twee muizen met zeer spitse snuitjes, waarvan de eene vluchtte, terwijl de andere een nest met vijf jongen trachtte te beschermen, die op zeer fijn plantaardig dons lagen. Lucien beschouwde met belangstelling de jonge zoogdiertjes, plaatste de schors zooveel mogelijk in de oorspronkelijke ligging, en vervoegde zich voorbij het bosch bij ons. Eene helling, die zoo steil was, dat wij ternauwernood ons evenwicht konden bewaren, bracht ons te midden van struiken met dubbele dorens, die Lucien niet zonder reden bij stierenhorens in 't klein vergeleek. Eindelijk werd de grond meer effen, ik wendde rechtsaf en kwam op eene, met bosschen omringde vlakte uit.

Sumichrast nam den draagkorf op; Lucien en de Encuerado gingen voorop. In plaats van effen te zijn, zooals wij, op een afstand gezien, gedacht hadden, verborg het terrein talrijke plooien, waarin onze gidsen elk oogenblik verdwenen, honderden kardinalen met rood gevederte en zwarten halsband opjagende. Een troep parkieten viel dicht bij Lucien neer, maar hervatte onmiddellijk zijne hortende vlucht. Eensklaps gaf de Encuerado vuur en zijn leerling schoot toe om aan Gringalet een fraaien geel, blauw, groen en rood gekleurden papegaai te ontrukken, waarvan de makker onder een angstig geschreeuw de vlucht nam. Wij waren wel degelijk in het Warme Land.

Eerst na een vermoeienden marsch scheen het bosch eindelijk naderbij te komen. Het zweet parelde op onze voorhoofden; ik nam op mijne beurt den zoo onontbeerlijken en toch zoo duizend maal verwenschten korf op den rug. Ik hield aan den voet van een virginischen cederboom stil, ongeveer op vijfhonderd meter van het bosch; ik behoefde mijn »halt” niet tweemaal te herhalen.

Iedereen ging hout zoeken en in minder dan een half uur werd de voorraad voor een nacht voldoende geoordeeld. De Encuerado richtte den haard op; daarna gingen wij licht gewapend uit om een herkenningstocht te doen.

„En de hut!” riep Lucien uit.

—»De tijd der hutten is voorbij,” antwoordde Sumichrast.

—Moeten wij zonder beschutting slapen?

—Ja, behalve op de dagen als het regent, die, naar ik hoop, zeldzaam zullen zijn. Wij zijn in het Warme Land en voortaan zullen wij, in plaats van eene beschutting noodig te hebben, zoowel des nachts als over dag de frissche lucht opzoeken.

Lucien schudde het hoofd en nam zijn geweer op om ons te vergezellen.Ik voerde hem naar het bosch, waar eene menigte planten een onontwarbaar net vormden. De lianen, aan de boomen vastgeklemd, slingerden zich als guirlandes van den eenen top tot den anderen en lieten loten afhangen, die zich met hunne bijwortels in den grond inplantten. Andere soorten omslingerden deze natuurlijke steunpilaren en bedekten ze zoo met haar gebladerte, dat dezelfde stengel tegelijkertijd bloemen van verschillende kleuren voortbracht. Hier en daar vertoonden varenplanten hare gevingerde bladeren; puntvarens hechtten hare behaarde wortels aan de takken en groote horzels, met zwart en geel gewaad, kropen in dezen muur van groen of kwamen er met luid gegons uit.

»De boomen en de planten schijnen mij hier grooter toe dan op de bergen,” merkte Lucien op.

—»Gij vergist u niet,” antwoordde Sumichrast, »de plantengroei van het Warme Land is nog veel krachtiger dan die van het Gematigde Land; gij zult er nog beter over kunnen oordeelen naargelang wij meer voorwaarts gaan.

—Hebt gij dat groote insect gezien, dat al gonzende voor ons uitvloog?

—Zeker, mijn beste Zonnestraal; dat is een vliegenvogeltje.

—»Een vliegenvogeltje!” riep de knaap uit, terwijl hij zijn vlindernet opendeed.

En weg ging hij, den vluchteling achterna. De vlugge vogel beschreef duizend bochten en bleef steeds buiten het bereik van den jongen jager, die plotseling voor een heester stand hield. Toen ik bij hem was gekomen, vond ik hem verdiept in de beschouwing van drie kleine nestjes, die op gevorkte takjes geplaatst waren, en van binnen bekleed met groene en gele boommossen.

»Hij is daar,” sprak Lucien zachtjes.

Ik tilde den kleinen weetgraag stilletjes op; twee wijfjes vlogen op en hij kon in elk nestje een paar eitjes van eene groenachtige kleur en niet grooter dan eene erwt zien.

—Als u mij een weinig dichterbij bracht, kon ik die eitjes krijgen.

—Waartoe zou dat dienen, mijn vriend? Beschouw ze op uw gemak, maar beroof die lieve vogeltjes niet van hetgeen hun het dierbaarst is.

—»Daar is er een, dat zich niet bewogen heeft,” hernam Lucien.

—Misschien zijn zijne jongen reeds uitgekomen.

—Het geheele lichaam schittert; men zou zeggen, dat het terzelfder tijd blauw, groen en goudkleurig is. Hij ziet mij aan en staat op; daar zit hij op een boom. Als gij dat eens kondet zien, papa! er bewegen zich twee jongen in het nestje.

Ik zette mijn zoon op den grond, opdat hij den Encuerado, die hem riep, zou kunnen antwoorden. De Indiaan had een nest van vliegenvogeltjes ontdekt en bracht het aan den tak, dien hij had afgesneden. Het sierlijke bouwwerk, een wonder van teerheid, was van binnen met het zijdeachtige dons van eene plant bekleed. Twee nog kale jongen en nauwelijks zoo groot als eene hazelnoot, openden hunne snaveltjes om voedsel te vragen. Ik beval den Indiaan den tak weer aan den boom te bevestigen, waarvan hij hem had afgesneden en hem zoo stevig vast te maken, dat hij niet kon vallen. Ik volgde hem zelfs om het werk na te gaan. Nauwelijks naderden wij den struik of de moeder kwam om den Indiaan vliegen en ging met kloppend hartje op haar kroost zitten.

»Gij zijt een braaf vogeltje!” riep de Indiaan uit, »en ik vraag u wel vergiffenis, dat ik uw huis heb meêgenomen. Wees niet bang, ik ben de Encuerado en men kan op mij vertrouwen. Beef dus maar niet; ik zou mij zelven liever verwonden, dan u eenig kwaad te doen. Zie zoo, nu is het weer stevig vast gemaakt en gij kunt in vrede verder leven. Uw kindertjes kunnen getuigen, dat ik ze niet gekweld heb, ik wilde ze maar alleen aan Chanito laten zien. Tot wederzien, senorhuitzitzilin; gij zijt een braaf vogeltje, dat zeg ik u.”

En de Indiaan verwijderde zich, terwijl hij het moedige vogeltje met zulk een gezwaai met zijn hoed begroette, dat het arme diertje zeker wel zal gedacht hebben, dat zijn laatste uur gekomen was.

»Behooren de vliegenvogeltjes tot de orde der vinkvogels, mijnheer Sumichrast?” vroeg Lucien.

—Ja, tot de dunsnavelige vinkvogels. Zij vormen met de colibri's, die vliegenvogeltjes met gebogen snavels zijn, de familie der trochilideeën.

—En waarmede voeden zij zich?

—Met den nektar der bloemen en kleine insecten.

Zie eens hier; daar komt er een al gonzende aangevlogen; zijne vleugels bewegen zich zoo snel, dat me ze niet kan onderscheiden. Laat ons zeer stil zijn; ik zie een tak, die zoo vol met blauwe klokken is, dat hij er zeker wel door aangetrokken zal worden. Zie, de vlucht wordt onbeweeglijk; hij houdt boven de bloemkelk stil; hij steekt er den kop in, zonder dat de vleugels ophouden in beweging te blijven; de gespleten tong heeft het sap, dat in het honigbakje van de bloem verborgen was, reeds uitgepompt, hij keert naar zijne jongen terug, die hem met geopenden snavel zullen ontvangen, ten einde hun aandeel van den honig te krijgen.

—»Dat zijn heel aardige vogels!” sprak de Encuerado tot Lucien.Over drie maanden, dat wil zeggen in October, zullen zij gaan slapen, om in April weer wakker te worden.

—Is dat waar, Papa?

—Ik geloof eerder, dat deze vogels verhuizen.

—»Laten wij Chanito geen dwalingen leeren,” sprak de Encuerado, een mijner gewone gezegden herhalende; »dehuitzitzilinsverhuizen niet, maar zij slapen.”

—Dit feit is mij door zooveel Indianen verteld, die gewoon zijn in de bosschen te leven,” zeide mijn vriend mij, »dat ik geneigd ben er geloof aan te slaan.”

—Maar zeggen zij ook niet hetzelfde van de vleermuizen en de zwaluwen?(37)En toch weten wij, dat zij van luchtstreek veranderen.

—Ja, maar zij beweren ze slapende gevonden te hebben. In elk geval is het zeker, dat zij gedurende den winter verdwijnen.

Het geklok van een hoendervogel, dien de Indianenchachalacanoemen, onderbrak het gesprek en mijn beide makkers slopen behoedzaam naar een boom met zwartachtig gebladerte, die op weinig afstands van den zoom van het woud stond. De vogels, die zeer wantrouwend van aard zijn, zwegen; daar viel een schot en ik zag driechachalacaswegvliegen en in het bosch verdwijnen. Ik naderde den stam, dien de Indiaan beklom, want de getroffen vogel was tusschen de takken blijven hangen.

»Zie eens wat lange stokken daar bij dien boom neerhangen!” riep Lucien uit.

—»Dat is een met peulen behangen cassieboom,” antwoordde mijn vriend, »hij is verwant aan de erwten en boonen.”

—»Kan men de schil eten?” vroeg de knaap, die een der op den grond gevallen peulen had opgeraapt.

—Ge moogt van het zwarte moes, hetwelk de zaden omgeeft en een zoetachtigen smaak heeft, proeven; maar eet er niet te veel van, want het is purgeerend en wordt als zoodanig in Europa gebruikt. De Encuerado liet den zwaren vogel, door Sumichrast gedood, voor onze voeten vallen. Zoo groot als eene kip, het lichaam bedekt met grijze veeren, zou deze fraaie vogel met blauwe pooten en snavel, gemakkelijk tot hofvogel kunnen gekweekt worden. Zijn geluid, een soort van geklok, maakt den jager op hem opmerkzaam, evenwel weet hij hem gewoonlijk te ontsnappen. De Encuerado ging naar het bivak terug en Sumichrast voerde ons naar den rand van eenmet struiken versperd en door vijf of zes groote boomen overschaduwd ravijn.

Wij rustten zoo een oogenblik stilzwijgend, maar het oog steeds geopend, toen drie jonge vossen, van de soort, die de Indianentlalcoyotenoemen, elkander vervolgende, kwamen aangeloopen, weldra door een vierden gevolgd; de moeder, dubbel zoo groot als de Europeesche vos, kwam op hare beurt te voorschijn. Zij vestigde hare vurige oogen op ons en liet een dof gejank hooren om hare jongen terug te roepen.

»Drommels, drommels!” sprak Sumichrast; »dat canaille wil ons aan haar jongen geven.

Ik stak mijne machete in den grond, ten einde haar onder mijn bereik te hebben. Het beest ging op den buik liggen, gereed om zich op ons te werpen.

»Ja, ja, schoone dame, waag er u maar eens aan,” mompelde mijn vriend, den Encuerado nabootsende.

De tlalcoyote liet een scherpen schreeuw hooren en bijna terzelfder tijd kwam een tweede dier zich bij haar vervoegen.

»Schiet niet voor ik het bevel geef,” sprak ik tot Lucien, wiens houding niets te wenschen overliet.

—»Gij het mannetje,” riep Sumichrast mij toe; »maar laten wij niet tot de worsteling uitdagen.”

Toen zij ons overeind zagen staan, verdwenen de verbaasde roofdieren plotseling. Sumichrast daalde in het ravijn neer en riep mij toen; tusschen het gras zag ik den ingang van een hol, rondom met witte beenderen bezaaid. Twee schreden verder en op dezelfde lijn, vertoonde zich de kop van een der dieren, welks oogen als die eener kat glinsterden, aan de opening van een tweede hol. Ik wierp het dier een steen toe, dat, in plaats van te vluchten, den neus optrok en ons zijn scherpe tanden liet zien.

Daar wij er volstrekt niet op gesteld waren om de vossen te trotseeren, ging ik met Lucien, die gedurende dit tooneel eene groote koelbloedigheid had doen blijken, naar de vlakte terug. Ik was daar zeer over tevreden, want ik wenschte vooral hem te harden, en ik vreesde dat het ongeval van den Encuerado met den otter een kwaden indruk op hem had gemaakt.

»Hebben die groote vossen u niet erg bevreesd gemaakt?” vroeg mijn vriend hem, toen hij zich weer bij ons vervoegde.

—Een weinig, vooral hunne oogen, die bliksemstralen schenen uit te schieten.

—En wat zoudt gij gedaan hebben, als zij op ons toe waren gesprongen?

Ik zou zoo goed mogelijk gemikt en dan geschoten hebben, maar de vossen zijn moediger dan ik gedacht had.

—»Zij wilden hunne jongen beschermen, en de nabijheid van hun hol heeft hen stoutmoedig gemaakt.”

Toen de Encuerado vernam, dat er tlalcoyoten in de nabijheid waren, maakte hij nog een tweeden vuurhaard voor den nacht gereed. Reeds begon het Oosten bleeke tinten aan te nemen en terwijl wij aten zagen wij verschillende paren papegaaien ver over onze hoofden vliegen en zich naar het bosch begeven. De vliegenvogeltjes gonsden overal. Troepen kardinalen en blauwe musschen vlogen van den eenen struik naar den anderen. Als zij te dicht bij het bivak neerstreken, verzocht de Encuerado hen in zeer beleefde woorden een weinig verder te gaan, en als zij weigerden zette hij zijne beleefdheid kracht bij door een zacht naar hen toegeworpen steen, die zelden zijn uitwerking miste. De zon ging onder, de bergen staken somber tegen den rooskleurigen hemel af en de pijnboomen vertoonden hunne vormen op de hooge bergtoppen. De krekels hieven hun gezang aan.

»Drommels, drommels!” riep mijn vriend uit, »dat is nog eentoniger dan een lofzang van den Encuerado.

—»Vanwaar komt dat vreemde geluid?” vroeg Lucien, »men zou zeggen, dat duizend van die kleine trommels, welke de Indianen maken, bespeeld worden.”

—»Dat zijn krekels,” antwoordde ik, »een insect dat in Europa bijna den geheelen zomer, en in het Warme Land bijna het geheele jaar zingt.”

—Zijn zij dan zoo groot, dat zij zoo hard zingen?

—Zij zijn bijna zoo groot als mijn duim; maar daar komt de Encuerado er reeds met een aan.

—Wat een kop en wat groote oogen! Hij heeft een snuit.

—Wel zeker, evenals alle halfvleugeligen, zooals ik dat gezegd heb bij gelegenheid van de tettigonen. Maar de krekel brengt dat scherp geluid, dat hem tot zinnebeeld der slechte dichters heeft gemaakt, niet met zijn snuit voort. Het mannetje maakt het door de twee veerkrachtige vliezen, die onder zijn fraaie glaskleurige vleugels zitten, en roept daardoor het wijfje. Dit laatste geeft geen geluid.

—»Waar hebt gij dien krekel gevonden?” vroeg Lucien zijn vriend.

—Op een boom, Chanito! men vindt ze altijd op boomen.

—Ja,” antwoordde ik, »en het wijfje boort met een priem, waarin haar buik eindigt, een gat in de takken, om er hare eieren in te leggen. Als de larven uitkomen, laten zij zich op den grond glijdenen kruipen daar in ten einde hare gedaanteverwisselingen te ondergaan.

—»Ach! Chanito,” sprak de Indiaan, die het dier, dat zich nu stilhield, weer teruggenomen had, »als gij eens wist hoe lekker de krekels smaken!”

—Hoe, lekker smaken? Hebt gij ze dan wel eens gegeten?

—Ja, in mijn land.

—»Daar behoeft gij u niet over te verwonderen,” sprak Sumichrast tot Lucien; »de oude Grieken vonden het ook eene lekkernij en aten bij voorkeur de wijfjes op het tijdstip als zij vol met eieren waren.”

De maan kwam op; ik kan niet zeggen, welke wonderlijke lichtuitwerkselen hare stralen op de bergen te voorschijn riepen. De Encuerado had het tweede vuur aangestoken en nam Gringalet terzijde ten einde hem te waarschuwen, dat hij niet buiten den door het vuur verlichten kring moest gaan wandelen, want dat de tlalcoyoten, die zonder twijfel den nacht zouden doorbrengen niet om het bivak te sluipen, veel van hondenvleesch houden. Als om deze goede raadgevingen klem bij te zetten, weerklonk een lang gejank en Gringalet meende verplicht te zijn er met een verschrikkelijk gehuil op te moeten antwoorden.

»Drommels, drommels!” sprak Sumichrast, »willen die heeren hunne stem voegen bij het concert, dat de krekels en de muskieten ons geven?”

Lucien, die reeds was gaan liggen, stond weer op.

»En mijn papegaai,” riep hij.

—Slaap maar gerust, Chanito, antwoordde de Indiaan; hij is gebraden; wij zullen hem morgen bij het ontbijt opeten.

Dit antwoord en het teleurgestelde gezicht van Lucien deed ons lachen. De Encuerado had door te veel ijver gezondigd; niet wetende dat Sumichrast de huid wilde bereiden, had hij hem gebraden. Ten einde zijne misdaad zooveel mogelijk goed te maken, beloofde hij zijn lieveling honderden papegaaien van allerlei kleuren. Ik sliep in en droomde van een bosch vol opgezette ara's en parkieten.

(37)De vraag of enkele zwaluwen in onze streken, die verhinderd zijn geworden te verhuizen, niet in eene soort van winterslaap vallen, is nog niet opgelost. Het schijnt althans zeker, dat men in Duitschland zwaluwen in holle boomen in winterslaap heeft gevonden.(N. v. d. V.)

(37)De vraag of enkele zwaluwen in onze streken, die verhinderd zijn geworden te verhuizen, niet in eene soort van winterslaap vallen, is nog niet opgelost. Het schijnt althans zeker, dat men in Duitschland zwaluwen in holle boomen in winterslaap heeft gevonden.

(N. v. d. V.)

MIDDEN DOOR HET WOUD.—GEFORCEERDE MARSCH.—DE BROMELIACEEËN.—EENE FANTASTISCHE BEEK.—DE MUSKIETEN.—DE MARAIL.—HET BELOOFDE LAND.—EEN TOCHT VAN APEN.

Het geblaf van Gringalet, het gejank der vossen, de warmte, het sjilpen der krekels en bovenal het steken der muskieten hadden meermalen onzen slaap gestoord. Tegen vijf uur verrees de zon schitterend en werd begroet door de kardinalen, de chachalacas en de papegaaien. Lucien haastte zich, bij het hooren van die ongewone geluiden, op te staan, en zijn blik bleef langen tijd gevestigd op den muur van groen, die den toegang van het woud scheen te verbieden. Een wolk groote en veelkleurige vlinders trok een wijl zijne aandacht, maar weldra werd die afgeleid door de vliegenvogeltjes, met hunne smaragdgroene, purpere en azuurblauwe vederen.

Een vraag, die reeds den vorigen dag behandeld was, hield ons opnieuw bezig.—Moesten wij den zoom van het woud volgen of er dadelijk in doordringen? Ons levensonderhoud, dat ons in het Gematigde Land weinig zorg baarde, werd, zoolang wij geen bron ontdekten, eene zaak van aanbelang. Met uitzondering van Lucien, wisten wij allen welk een vreeselijke vijand de dorst is, en ik wilde tot geen prijs mijn dierbaren kleinen reismakker aan zijne kwellingen bloot stellen. De Encuerado, die sedert den vorigen dag de vlucht der vogels gadesloeg, was van gevoelen dat men het woud in rechte lijn moest doortrekken. Volgens hem waren niet meer dan twee dagen van een flinken marsch voldoende, om eene beek te bereiken, die ons tot eene rivier zou voeren, dat wil zeggen tot denovervloed. Sumichrast deelde zijn gevoelen. Ik, van mijn kant, ried eerder aan de Cordilleras te volgen; deze weg maakte onzen tocht wel is waar langer en stelde ons bloot in vlakten zonder wild terecht te komen, en hoewel men beter honger dan dorst kan verdragen, had die toch ook niets aantrekkelijks. Het grootste bezwaar dat mijn plan aanbood was, dat het ons na zware beproevingen in de bergen kon terugvoeren en onze reis derhalve ten halve volbracht zou laten. Ik gaf dus toe, zonder evenwel overtuigd te zijn dat wij de wijste partij kozen. Lucien huppelde van blijdschap.

De Encuerado, wiens arm geheel genezen was, nam zijne vracht op en Sumichrast begon de slingerplanten uit te hakken ten einde ons een doorgang te banen. Ik loste hem van tijd tot tijd in dezen zwaren arbeid af en Lucien maakte van de oogenblikken dat wij adem schepten gebruik, om op zijne beurt te velde te trekken tegen den rijken plantengroei, dien de natuur bij den ingang der maagdelijke wouden plaatst, als om aan te duiden, dat daar eene onbekende wereld te veroveren is. Ongelukkigerwijze maakte zijne geringe grootte zijn arbeid nutteloos; maar hij nam in elk geval zijn aandeel in het werk.

Eindelijk waren wij den dichten muur doorgeworsteld en bevonden wij ons in een halfduister, onder reusachtige boomen.

»Zijn wij niet meer in een maagdelijk woud?” vroeg Lucien.

—»Wij treden er integendeel pas binnen,” antwoordde ik.

—Maar de grond is kaal; men ziet er geen slingerplanten en die boomen schijnen op een lijntje te zijn geplaatst.

—Wat dacht gij dan hier te zullen aantreffen?

—Door elkander gegroeide boomen, vogels, apen, tijgers.

—Die menagerie zal later wel komen. Wat nu de dooreengegroeide planten aanbelangt, als het woud daarmede opgevuld was, zou men er niet in kunnen doordringen. De grond is kaal omdat de boomen zulke zware kronen hebben, dat zij geen zonnestraal laten doordringen, en omdat de planten in de schaduw verflensen en sterven; maar telkens als wij aan eene open plek zullen komen, zult gij zien dat de grond met planten en struiken bedekt is.

—Dan zijn de bosschen van het Gematigde Land mooier dan die van het Warme Land.

—»Gij oordeelt te voorbarig,” antwoordde Sumichrast, »wacht maar eens tot wij langs een rivier zullen loopen.”

—»'t Kan zijn,” mompelde mijn zoon, terwijl hij het hoofd schudde en zich tot zijn vriend wendde; »maar de bosschen, die wij doorgetrokken zijn, waren levendiger. 't Is hier zoo stil en de takken groeien zoo hoog, dat men meenen zou in eene kerk te zijn.

De opmerking van den knaap was niet ongegrond. Onder die hooge gewelven, terwijl men den zwarten grond betreedt, waar de planten-overblijfselen van wellicht vijf of zesduizend jaren zijn opgehoopt; in die halve schemering, welke nauwelijks door een dun zonnestraaltje, dat nu en dan door het gebladerte doorgluurt, wordt verlicht, gevoelt men zich door eene onbepaalde droefgeestigheid overmand. De altijd begrensde gezichteinder, de stilte—want de vogels wagen zich slechts zelden in dien oceaan van groen—vervullen den geest met sombere gedachten, en bewijzen dat de ziel, evenzeer als het lichaam behoefte heeft aan licht om zich wel te gevoelen. Eene hitte als van een oven maakte ons sprakeloos. De boomen volgden elkander met eene doodsche eentonigheid op, nu eens elkanders zwarte stammen kruisende, dan weer in lange lanen voortloopende. De vochtige grond verdoofde het geluid onzer voetstappen en behield er de indrukken van. Boven ons, op eene duizelingwekkende hoogte, ontplooiden zich de takken en hun somber gebladerte verborg geheel en al den hemel. Lucien liep purperrood en zweetende achter mij aan. Ik moedigde hem van tijd tot tijd aan en ried hem voortdurend niet te drinken; in de eerste plaats omdat wij zuinig op het water moesten zijn en ten tweede om den dorst niet op te wekken.

»Dan zullen wij maar nooit meer drinken,” zeide hij.

—Wel zeker, Chanito, als wij kampeeren zal ik dadelijk de koffie gereed maken; dan moet gij uw kom met kleine teugjes uitdrinken en een kwartier daarna is uw dorst geheel over.

Dat wij er dan maar spoedig komen!”

Op dit oogenblik, en als ik slechts naar mijn hart geluisterd had, zou ik onmiddellijk het teeken tot rusten gegeven hebben; maar de rede en de ondervinding hielpen mij er weerstand aan te bieden. 't Was beter, dat ik Lucien in den beginne een weinig zag lijden dan dat wij ons zouden blootstellen aan een nutteloos naberouw, door eenige uren te verliezen, vooral als het water, waarnaar wij op goed geluk zochten, niet zoo spoedig gevonden werd.Evenals de Wandelende Jood moesten wij zonder ophouden doorloopen en zoo spoedig als mogelijk het onherbergzame woud, waarin wij ons gewaagd hadden, doortrekken en niet afwachten tot honger en dorst ons al onze krachten ontnomen zouden hebben om ons daarna met eene gebiedende stem het verschrikkelijke woord: loop! toe te roepen.

Het terrein werd golvend; ik versnelde den pas; misschien zouden wij vinden, waarnaar wij zoozeer verlangden. Eene opene plek, die ons een zonnestraal liet zien, beurde ons wat op; er vertoonde zich gras, daarna twee of drie struiken en slingerplanten. Ik riep Lucienen wees hem eene planttimbirichis, debromelia pinquinder plantenkundigen.

De lichtroode vruchten van de planten stonden regelmatig in een kring van groene bladen. Lucien, die neergeknield was, trachtte ze te plukken.

»Trek de middelste er uit, Chanito!” riep de Encuerado, »men kan ze anders niet los krijgen.”

De knaap vatte de middelste bes, die meegaf, en evenals de steenen van een gewelf, waaruit men den sluitsteen zou wegnemen, vielen alle vruchten af. Onder haar dikke huid bevond zich een wit, smeltend en zuurachtig moes, dat de dorst leschte. Ik ried mijn zoon aan niet meer dan twee of drie vruchten te eten. Eene tweede plant, die wij een weinig verder ontmoetten, voerde onze vreugde ten top.

De Voorzienigheid kon geen kostbaarder plant op onzen weg geplaatst hebben, want de honderden kegelvormige vruchten, die wij bezaten, stelden ons in staat om gedurende verscheidene dagen de dorst het hoofd te bieden. De marsch werd nu met minder zware schreden voortgezet, en Lucien, die weer opgevroolijkt was, bleef moedig aan mijne zijde.

»Wel nu!” sprak ik, »moet gij nu niet toestemmen, dat de ongerepte wouden ook hunne goede zijde hebben? Hoe vondt gij de vruchten van detimbirichis?”

—Uitstekend! Tot welke familie behooren zij toch?

—Het zijn verwanten van den ananas, derhalve bromeliaceeën.

—Maar de ananas is eene groote vrucht, die geheel alleen op haar stengel groeit.

—Ja, als men alleen naar den schijn oordeelt; in werkelijkheid bestaat zij uit eene vereeniging van aan elkander gegroeide bessen. De aardbezie, die tot de familie der rozen behoort, verkeert in hetzelfde geval, en veel lieden, die eene aardbezie proeven, weten volstrekt niet dat zij dertig of veertig vruchten eten!

Een uur lang werd er geen enkel woord gewisseld; badende in 't zweet gingen wij verder, met moeite eene gloeiende lucht inademende.

»Men zou zeggen, dat daar eene open plek is,” zeide Lucien eensklaps, naar links wijzende.

—»Gij hebt gelijk, vooruit, vooruit.”

Vijf minuten later bevonden wij ons in een lichtkring, door de zon overstroomd en te midden van een warboel van boomvarens en hoog gras. De boomen, die meer van elkander stonden, lieten reusachtige lianen tot den grond afdalen en het geluid der chachalacas klonk in onze ooren.

Terwijl ik den grond ruim maakte, namen Sumichrast en de Encueradoplaats in de struiken. Ik gaf Gringalet, wiens tong op eene welsprekende wijze buiten zijn bek hing en die met minachting aan detimbirichisrook, wat water. Twee schoten knalden terzelfder tijd en de jagers kwamen met zulk een teleurgesteld gelaat terug, dat ik begreep, dat zij mis geschoten hadden. Ik schertste er mede en beweerde dat droge maïskoeken evenveel waard waren als de vetste kalkoen. Ik sprak met zooveel ernst, dat mijne makkers warm werden en het levendigste gesprek kruidde ons maal. Ik verklaarde dat het lauwe water onzer veldflesschen in smaak de zuiverste bron overtrof en dat de zuretimbirichide uitstekendste vrucht is. Langzamerhand gaf ik evenwel toe, en toen wij gingen slapen was ik geheel bekeerd. Maar ik had mijne medegasten vermaakt en eene scherts had de plaats van het gebraad ingenomen.

De nacht ging zonder ander ongeval voorbij, dan de aanhoudende beten der muskieten. De ongelukkige Gringalet maakte ons herhaalde malen wakker door zich tegen ons aan te drukken, ten einde de pijnlijke steken te ontvluchten, waaronder wij evenveel leden als hij.

Bij het aanbreken van den dag gaf ik het teeken tot vertrek, en de dag ging om, zonder dat de minste opening in 't woud ons eenige hoop gaf. Ik bewonderde Lucien, die, hoewel hij zeer onder den dorst en de vermoeienis leed, slechts nu en dan een droevigen blik op mij sloeg, zonder eene enkele klacht te uiten. Twee of driemaal poogde ik hem op te beuren; de arme kleine schudde dan zijne lastige vracht en glimlachte op zulk eene pijnlijke wijze, dat ik hem gansch aangedaan omhelsde. De Encuerado, die bijna onder zijne vracht neerviel, hijgde zwaar en verklaarde van tijd tot tijd dat hij de rivier en den reuk der krokodillen rook. Deze kleine fopperij deed den pas versnellen; maar weldra hervatten wij zwijgend en terneergeslagen onzen marsch. Eindelijk dwong de vermoeidheid ons stil te houden; Lucien en de Encuerado sliepen in, zonder aan het avondeten te denken. Ik stelde Sumichrast voor zoo spoedig mogelijk den weg naar de bergen weer in te slaan.

»Nog één dag,” zeide mijn vriend mij; »wij hebben nog ongeveer vier flesschen water, en al moesten wij ook aan Lucien en Gringalet er een ruim gedeelte van geven, dan kunnen wij nog vierentwintig uren er aan wagen.”

Den volgenden morgen doodde de Encuerado, toen wij op punt stonden van te vertrekken, een chachalaca. Het vuur werd dadelijk weer aangestoken en dit wild, met een slokje cognac bespoeld, gaf ons een gedeelte onzer krachten terug.

Tegen den middag, en toen de hitte op het hevigst was, veranderdede grond van aanzien, de hoornen begonnen dunner te staan en onze geestkracht verdubbelde.

»Komaan, meester Zonnestraal,” sprak Sumichrast, »versnel den pas alsjeblieft een weinig; hoort gij het murmelen eener beek niet?”

—Gij vertelt mij dat reeds drie dagen lang; noch ik noch Gringalet gelooven iets van uwe beek.

—Hoe zult gij het dan aanleggen als wij de Savannen moeten doortrekken?

—»Zooals nu; ik zal loopen zonder te drinken, ten einde den dorst niet op te wekken,” antwoordde spottend de knaap, die zich slechts met moeite door onze bewijsgronden liet overreden.

—Drommels, drommels! nu nog spotternij? Ik dacht dat gij zieker waart. Komaan, de geest is nog goed en ik zal later kunnen getuigen, dat gij u als een man gedragen hebt. Wat zeggen de beenen?

—Dat zij gaarne zouden rusten.

—Zoudt gij te Orizava willen zijn?

—Ik zou eerst eene beek, een krokodil en een tijger willen zien.

—»Gij zijt veeleischender dan ik,” sprak ik op mijne beurt, »ik zou met de beek al tevreden zijn.

—»Gevoelt gij niet, dat de muskieten van het Warme Land harder steken dan die van het Gematigde Land?” hernam de knaap, zich tot den Encuerado wendende.

—Neen, Chanito, die rekels geven elkander niets toe, zij behooren tot dezelfde familie, zooals uw papa zegt.

—Dan zijn zij talrijker, 't is ieder oogenblik een nieuwe steek.

—Klaag nog maar niet,Chanito; gij zult eens zien als wij de beek zullen gevonden hebben.

—Wat zal er dan gebeuren?

—Dan zullen wij den mond niet kunnen openen zonder eenige van die bloedzuigers in te slikken.

Weet gij wat muskieten zijn, Chanito?

—Ja, papa heeft het mij gisteren gezegd; het zijn tweevleugelige insecten; verwanten van de vliegen. Hun snuit is eene scheede, die zes mesjes bevat, waarmede zij door onze huid steken, om zich vol bloed te zuigen.

—Maar waar komen die hongerlijders toch vandaan?

—Uit het water, waarin het insect zijne eieren legt. Gij kent die kleine wormpjes wel, die in de poelen onophoudelijk rijzen en dalen; dat zijn de larven van de muskieten.

—»Hm, hm!” mompelde de Indiaan, »in 't vervolg zal ik mij niet lang bedenken om zooveel van die mooie heeren op 't droge tebrengen als ik kan.” De muskiet, die vreeselijke geesel van het Gematigde en het Warme Land, maakt die streken ontoegankelijk voor de bewoners van het Koude Land. Men gewent niet aan die steken, die het lichaam met groote roode puisten bedekken, koorts en slapeloosheid verwekken en hen, die er onder lijden, doen gelijken op personen, die pas van de pokken hersteld zijn.

Wij marcheerden opnieuw zwijgend voort; de warmte had onze keel uitgedroogd. Plotseling troffen vreemde kreten onze ooren.

»Het geklok van een marail!”(38)riep Sumichrast uit. De Encuerado zette zijne vracht neer en mijne beide gezellen gingen op de jacht. Na verloop van een kwartier uurs kwamen zij terug, ieder beladen met een vogel met een bruin met witte vlekken geteekend gevederte en bijna zoo groot als een kalkoen. Het waren inderdaad marails, fraaie hoendervogels, die men alleen in de bosschen der Nieuwe Wereld aantreft.

»Drommels, drommels!” riep Sumichrast uit, »nu hebben wij te eten; maar deze vogel, die zich gewoonlijk ver van waterstroomen ophoudt, vermaant ons zuinig met den inhoud onzer veldflesschen om te gaan.

Vijfhonderd schreden verder bemerkte ik met mos begroeide steenen en eene onmetelijke, als een toren overeind staande rots. Wij groetten den colossus, zonder ons op te houden en versnelden den pas. Maar allengs werd hetklimmenen dalen veelvuldiger. Gringalet stak telkens zijn neus in de hoogte om de lucht in te snuiven en de hoop, dat wij eindelijk uit dit bosch zouden komen, dreef ons met een ongeëvenaarden ijver, die nog aangevuurd werd door de hoop, dat wij de zoolang begeerde rivier zouden bespeuren, vooruit. Lucien gevoelde zich ook aangewakkerd en liep met gloeiende wangen en schitterende oogen mede.

—»Gras! bloemen! Vooruit, vooruit!” riep Sumichrast.

—Vooruit! herhaalde Lucien.

De minder dicht opeen staande groote boomen lieten de zonnestralen doordringen en de lianen vielen als bloemslingers naar omlaag. Twee of drie struiken werden, even als de rots, in 't voorbijgaan gegroet. De klimplanten, de varens, de paullinia's groeiden wild dooreen en dwongen ons onze machete's te trekken. Eene vrij steile helling, die met koortsachtige haast beklommen werd, voerde ons op eene hoogvlakte. Tegenover ons opende zich eene prairie, met kreupelhout doorzaaid en omzoomd door een bosch van palmen, laurier-, sapote- en acajoeboomen, waaruit de gezangen der vogels, overheerscht door het krijschen der papegaaien, opstegen.

Wij waren hijgend, uitgeput, drijvend van 't zweet, en ik stelde voor op deze hoogte te kampeeren. De zon begon trouwens te dalen; wij hadden juist nog den tijd om de benoodigde hoeveelheid hout voor het vuur bijeen te zoeken. Toen dit werk was afgeloopen, ging ik met Lucien op een vooruitstekend punt zitten. De bergen van het Gematigde Land teekenden zich aan den gezichteinder af; wij waren er minstens reeds vijftien uren van verwijderd. Onze blik daalde vervolgens op den top van het woud, dat wij doorgetrokken waren. De eentonigheid van zijn donkergroen gebladerte gaf er een zeer doodsch aanzien aan. En terwijl duizenden vogels aan onze voeten om de ceder- en styraxboomen vlogen, waagde geen der gevederde gasten zich in die eenzaamheid, waarvan wij de ongastvrije uitgestrektheid hadden leeren kennen.

»Ik zie onder ons noch beek, noch rivier,” sprak Lucien.

—»Geduldmaar,” antwoordde Sumichrast, die bij ons was komen zitten. »De vogels, die voor u heen vliegen, kunnen niet zonder drinken blijven en hun aantal wijst er op, dat er veel vruchten in dit bosch zijn.”

—Hioe, hioe, Chanito!

—»Ohe, Ohe!” antwoordde Lucien, terwijl hij naar den kant van het hem bekende geluid heenijlde.

Ik zag de twee vrienden van den heuvel dalen, de Encuerado droeg zijne groote veldflesch.

»Zou hij water gevonden hebben?” sprak ik tot mijn makker, en ik ging naar den haard toe, waar de marails onder de bewaking van Gringalet braadden.

Ik ging verder, terwijl Sumichrast het oog op de bradende vogels hield, en kwam bij den Indiaan, op het oogenblik dat hij de bloem van eene fraaie plant met scharlakenroode bladeren, die als woekerplant op den stam eener magnolia groeide, omboog. Ongeveer een glas vol helder water vloeide in de kalebas, die ik ophield.

»Behoeft men dan maar die plant te drukken, om er water uit te krijgen,” vroeg Lucien zeer verbaasd.

—»'t Is voldoende dat men haar scheef houdt,” antwoordde ik; »zij bewaart dezen kostbaren schat van dauw tusschen hare scheedevormige bladeren, en aan haar hebben de Encuerado en ik het te danken, dat wij op eene onzer reizen niet van dorst zijn omgekomen.

—Waarom groeit zij niet in alle bosschen?

—Als zij overal groeide zou een der grootste hinderpalen, die den toegang tot de ongerepte wouden belet, niet meer bestaan.

—En hoe heet deze plant?

—De Creolen kennen haar onder den naam van Paaschbloem, 't is eenbromeliacee.

—Dan levert zij ook eene eetbare vrucht op?

—Neen; maar desnoods zouden deze fraaie roode bladeren kunnen dienen om den honger te stillen.

Wij klommen den heuvel weer op, toen een dof geraas, dat uit den zoom van het woud opsteeg, tot ons kwam. Een glimlach van den Encuerado liet ons de dubbele rij van zijne witte tanden zien. »Ziedaar eens,” zeide hij tot Lucien, naar een hoek van het woud wijzende, van waar de vogels de vlucht schenen te nemen.

Eene heele bende apen stoeide te midden der slingerplanten.

»Laten wij ze wat dichter bij gaan zien,” riep Lucien luide.

—'t Is te laat, Chanito; ze komen drinken en gaan dan slapen, maar we zullen er morgen een eten; ons avondeten wacht ons nu.

Wij eindigden ons avondmaal; de zon ging onder, wij zagen de papegaaien bij paren voorbijgaan en de parkieten op de heesters vliegen, toen een vreeselijk gebrul ons deed opspringen.

»O, wat een vreeselijke kreet,” riep Lucien uit.

—Een tijger!” sprak de Encuerado, wiens oogen flikkerden.

De Koning der Amerikaansche wouden begroette opnieuw de ondergaande zon. Gringalet drukte zich, met hangenden staart, tegen ons aan; er werd een tweede haard opgericht en wij gingen slapen met de zorgeloosheid, die de gewoonte van de grootste gevaren geeft.


Back to IndexNext