(38)Waarschijnlijk wordt hier de Pauw-kalkoen bedoeld.
(38)Waarschijnlijk wordt hier de Pauw-kalkoen bedoeld.
DE ENCUERADO EN DE PAPEGAAIEN.—GRINGALET BRENGT EEN GAST MEDE.—DE PUMA OF AMERIKAANSCHE LEEUW.—DE RIVIER.—DE PALMBOOMEN-VILLA.—SCHILDPADEIEREN.—DE IBIS EN DE REIGERS.
De papegaaien, die men hoorde babbelen, dienden ons tot wekkers. De zon rees rood en glansloos op; onmiddellijk werd hare verschijning door een concert begroet. De chachalacas lieten hun diep geklok hooren, en vogels van allerlei soort begonnen om ons heen te vliegen. Lucien, die met de maagdelijke wouden verzoend was, kon niet genoeg de verscheidenheid van boomen, heesters en struiken en het oneindig aantal gevederde bewoners, die ze bevolkten, bewonderen. Wij daalden langzaam in de vlakte af; de warmte drukte reeds op ons en het was onmogelijk lange marschen te doen.
Eene vlucht gekuifde kardinalen dartelde om ons en zette zich op eene magnolia neer, die daardoor als met purpere bloemen bedekt scheen. Een weinig verder begroetten papegaaitjes, die weinig grooter waren dan eene musch, ons met hun luidruchtig geschreeuw. Na verscheidene malen het hoofd opgericht en de schouders te hebben opgetrokken, bleef de Encuerado eindelijk staan om hen te antwoorden.
»Kom haar dan halen,” riep hij uit, »kom haar dan halen, en toont dat gij meer kunt dan een man.”
—Wat biedt ge den papegaaien toch aan?” vroeg Lucien.
—Ze spotten met mijne mars, Chanito; een troep luiaards is het, die allen te zamen nog niet in staat zouden zijn haar te bewegen!”
Sumichrast drong in het woud door en sloeg met zijne machetede lianen weg, om ons een pad te banen. In minder dan een uur waren wij vijf of zes opene plekken doorgetrokken. Eensklaps bemerkte ik, dat Gringalet verdwenen was. Ik riep hem en een verwijderd geblaf gaf mij antwoord.
»Zou hij eene rivier ontdekt hebben?” vroeg Sumichrast.
Ik ging in de richting van waar het geluid van onzen viervoetigen makker kwam; eensklaps kwam hij woedend blaffende uit het kreupelhout, vervolgd door een jongen puma, die, zoodra hij mij zag, staan bleef. Sumichrast snelde toe, waarop het roofdier in het bosch verdween.
»Waar heb je dien kameraad toch vandaan gehaald, Gringalet?” vroeg de Encuerado hem vol ernst. »Stel maar niet te veel vertrouwen in die mooie kennissen; het zou je terdege kunnen opbreken; de leeuwen kunnen niet liefkoozen of zij moeten iets breken.
—Was dat dan een leeuw?” vroeg Lucien.
—Ja, maar een Amerikaansche leeuw of puma,—defelis pumader geleerden.
—Wat zou ik hem gaarne hebben willen zien! Had hij manen?
—Neen, de puma heeft geen manen.
Wij trokken juist opnieuw eene opene plaats door, toen Gringalet ons tusschen de beenen liep. Ik keerde mij om—de leeuw was ons in stilte gevolgd.
»Drommels, drommels!” sprak Sumichrast, „zou die knaap ons willen bewijzen, dat de puma vaak menschen aanvalt.”
De Encuerado, die zich van zijne mars ontdaan had, had reeds op het dier aangelegd.
»Schiet niet!” riep ik hem gebiedend toe.
De puma kwam niet verder; hij doorboorde ons als 't ware met zijne gele oogen; zijn staart sloeg met een gelijkmatigen tact tegen zijne zijden; hij geeuwde, toonde ons eene rij vreeselijke tanden en ging eensklaps, als om te spelen, op den grond liggen.
Lucien kon op zijn gemak de fraaie bruingele kleur van het roofdier, welks ooren en staart aan de uiteinden zwart getint waren, beschouwen. Het dier keek ons met zulk een bedaarden en zachten blik aan, dat het tot de karavaan scheen te behooren; het dreef de vertrouwelijkheid zelfs zoover, dat het onder onze oogen zijn toilet begon te maken, door zijn pooten te likken en er dan mede over zijn snuit te wrijven.
Ik gaf bevel den marsch te vervolgen; de Encuerado gehoorzaamde met tegenzin. Ik plaatste Lucien, die blijde was het fraaie dier van zoo nabij gezien te hebben, in 't midden van den troep.
»Als men den leeuw niet eet, eet hij u,” herhaalde de Indiaan;»al hadden wij hem ook maar gewond, dan zou hij toch aan zijne soort verteld hebben, dat het niet raadzaam is in de nabijheid van ons vuur te komen.”
—Welnu, als hij terugkomt, moogt gij schieten.
—Ha! 't Is zijne eigene schuld!” riep de Encuerado; »houd stil Tata Sumichrast; houd uw geweer gereed, Chanito, gij moogt het eerst schieten.”
Wij waren in een groep gaan staan en mijne blikken zochten tevergeefs naar het roofdier.
»De rekel is ons vooruitgegaan,” hernam de jager.
»Wij zullen hem ook eens vreemd laten opzien! Kom hier, Chanito, maar niet hard loopen en niet omzien. Ziet gij dien boom daar voor ons uit? Zie eens wat vreemde vrucht hij draagt.”
—De leeuw!” riep de knaap uit.
—Drommels, drommels!” mompelde Sumichrast, »zitten er ons dan twee puma's op de hielen.
—Neen, neen, Tata Sumichrast, 't is dezelfde. Mik tusschen de oogen, Chanito, vuur, vuur!”
Twee schoten knalden bijna terzelfder tijd en het dier viel op den grond, zonder een geluid te geven.
»Niet zoo gauw, Chanito,” vervolgde de Indiaan, »dat is geen waterhond; laten wij eerst eens te weten komen of de vijand wel dood is, voor en aleer wij ons onder zijn bereik wagen.”
Gringalet waagde het, om al blaffende om het dier te draaien, ik hield mij gereed om te schieten, terwijl mijne gezellen voorzichtig naderden. De puma, in het voorhoofd getroffen, ademde niet meer. Hij was bijna een meter lang en zijn haar, dat op sommige plaatsen nog gekroesd was, verried zijne jeugd. De Indiaan hief den zwaren kop van het roofdier op.
»Komaan,” zeide hij, »gij verdiendet als een dappere te sterven. Gij zijt de eerste van uw ras, die zich zoo dicht bij mijn geweer gewaagd heeft. Woudt gij dan Chanito verscheuren?”
—Ik geloof veeleer dat hij het op Gringalet gemunt had,” antwoordde mijn vriend; »hoe jammer, dat men die fraaie katten niet tam kan maken!”
—Katten!” herhaalde Lucien.
—Zeker; zelfs de groote Afrikaansche leeuw is niet anders dan de grootste en sterkste kat. Wist gij dat niet?”
—Ik meende dat de leeuw een op zich-zelf-staand dier was; maar is hij wel de koning der zoogdieren?”
—Hij gaat met recht voor het sterkste roofdier door; zijn kop, dien hij opgeheven draagt en zijne fraaie manen geven hem eenkoninklijk voorkomen. Maar ik weet niet op welken grond zijn naam van edelmoedigheid berust; ik geloof, dat de beroemde leeuw van Androcles pas een goed maal naar binnen had, toen hij zijn weldoener spaarde.”
Wij konden er niet aan denken de prooi van zijne huid te ontdoen; de vliegen vielen reeds met geheele zwermen op het nog warme lichaam neder. De Encuerado wilde Lucien de eer geven, den leeuw gedood te hebben; maar hoe verlangend de knaap ook was om zulk een heldenstuk te volbrengen, toch verklaarde hij zelf, dat zijn kogel een verkeerden weg was ingeslagen.
Ik bleef bij een locust (hymenaea) staan, een boom tot de familie der hulsdragende behoorende, waarvan de peulen een suikerachtig moes bevatten en welks stam een zeer gezochte hars laat uitvloeien, die door de Indianen tegen maagpijn wordt aangewend. Een weinig verder scheen eenhuajeden Encuerado, die evenals zijne landgenooten, verlekkerd was op de in de platte peulen verborgen zaden, te verlokken. De walgelijke reuk van deze vrucht maakte mij onpasselijk; gelukkig ging mijn bediende voorbij. Sumichrast, die vooropging, moest ons een doortocht door een warnet van cobea's met purpere bloemen banen. Ik hielp hem in dat werk, en toen wij de hinderpaal te boven waren, kwamen wij eensklaps in eene kleine vlakte uit, in wier midden zich een boschje palmboomen verhief. Gringalet verdween aan onze linkerhand en kwam weldra met een natten snuit terug. Lucien, die ons vooruit was, ontdekte het eerst eene breede, diepe rivier, die langzaam voortvloeide. Op het zien daarvan maakte de Encuerado drie buitelingen en hief een lofzang aan; onze dankzeggingen, hoewel minder luidruchtig dan de zijne, waren er niet minder welgemeend om. Naar zijn loop te oordeelen moesten wij reeds van af den morgen langs de rivier zijn gegaan en Gringalet had zonder twijfel den puma ontmoet, toen hij zijne dorst ging lesschen. De Indiaan sloeg het bivak tusschen de palmboomen op, en ik haastte mij den oever van het water te bereiken. Twee papegaaien, die onder het schot van mijn geweer kwamen, werden in den pot gedaan, waar de rijst reeds in kookte. 't Was een zuinig maal, maar uitgeput van vermoeidheid als wij waren en bezwijkende onder de hitte, gaven wij aan een bad de voorkeur boven al het wild der wereld.
Lucien plaste gedurende twee uren in het water en ik kan niet zeggen hoezeer dit langdurige bad ons herstelde. Ik kwam er geheel frisch en hersteld uit; het bad had het jeuken, door het steken der insecten veroorzaakt, doen ophouden. Het vleesch der papegaaien scheen ons hard en taai toe, maar ieder gebruikte, zonderzich te beklagen, het hemtoekomendedeel; daarna, en zoodra de zon wat daalde, stelde ik voor eene wandeling te maken om onze kampplaats, die door Lucien reeds met den naam vanPalmboomen-villawas gedoopt.
Bij de eerste schreden, die wij deden, trok een heester met dun gebladerte mijne aandacht. Ik wees hem Lucien aan als zijnde deSiphonia-elasticaof caoutchouc-boom.
»En hoe verkrijgt men daaruit den caoutchouc?” vroeg hij mij.
—Men maakt eene insnijding in den stam van den boom en na verloop van eenige uren druppelt de caoutchouc er van zelf uit.
—Als ik dan vandaag eenige sneden in den bast deed, zou ik dan morgen een elastieken bal hebben?
—Althans de stof om er een van te maken.
Lucien toog dadelijk aan 't werk en daar hij zijne machete reeds met veel handigheid wist te gebruiken, had hij spoedig eene spleet van ongeveer vijftig centimeter lengte in den boom gemaakt.
—Tot welke familie behoort desiphonia?” vroeg de Encuerado, die ook de gewoonte had aangenomen van ons te ondervragen.
—Tot die van de wolfsmelkboomen,” antwoorddeSumichrast.
—Een wolfsmelkboom! en duldt gij dan dat Chanito hem nadert?
—Deze soort is niet gevaarlijk.
—Wij zullen er maar half vertrouwen in stellen,” mompelde de Indiaan;en met twee sabelhouwen had hij een kruis aan den voet van den boom gemaakt.
Ik richtte mij nu naar den stam van een palmboom, die half verrot op den grond lag; ik vond er groote snuitkevers, die de Indianendronkaardsnoemen, omdat zij in de plaatsen dringen, waar de palmwijn bewaard wordt; het lichaam was van een fraai fluweelachtig blauwzwart, met grijze plekken bezaaid en de lengte van hun snuit vermaakte Lucien zeer. De snuitkevers zijn in Mexico niet minder algemeen dan in Europa en eene bijzondere soort, die vooral de maïs aantast, maakt dat men deze graansoort onmogelijk van 't eene jaar in 't andere kan bewaren.
Eene vondst, die den jongen natuuronderzoeker vooral veel genoegen deed, was die van een fraai met de sprinkhanen overeenkomend insect en behoorende tot de orde, die degeleerdenManti(spookjes) noemen, en dat men op 't eerste gezicht voor een stuk van eene plant had kunnen houden.
Het zonderlinge dier, dat buitengewoon groote oogen en een smal en lang lichaam had, hief zijn eerste paar pooten omhoog en voegde ze zamen als om te bidden weshalve de verwante soort in Europa den naam vanGodaanbidster—mante religiosa—heeft verkregen.Toen Lucien met een grashalmpje bij het zonderlinge dier kwam, wierp het er zich met eene soort woede op en zoodra men het losliet draaide het insect er mee rond als een ervaren schermmeester op den stok; daarna nam het dadelijk weer zijne biddende houding aan. Dank zij de verscheidenheid van planten, verkreeg ik eene groote verzameling insecten. Mijne doos werd verrijkt met prachtige metaalglanzende goudkevers, snelkevers met zwart en geel gestreept lichaam, glimkevers met lichtgevenden buik; dan nog met prachtkevers, vooral de aan Mexico eigene soort, waarvan de schitterend groene dekschilden met zwarte stippels bezaaid zijn.
Er woei eene kleine koelte en de peulen van de cassieboomen, die tegen elkander stieten, brachten een vreemdsoortig geluid voort. Wij gingen met langzame schreden naar ons bivak onder de palmboomen terug, de oogen geheel afgetrokken door de insecten en de vogels, wier schitterende kleuren de bladeren versierden, op welke alle tinten van groen zich harmonisch vereenigden. Niets is in staat om de wilde grootheid van het ons omringende schouwspel weer te geven. Wij konden ons verplaatst wanen in een dier wondertuinen, waarover deArabischevertellers zoo gaarne spreken. Een gebrul herinnerde ons er aan, dat ons vuur uitging. Eindelijk gaf ik het teeken om te gaan slapen. Wij waren van plan om drie of vier dagen op deze plaats, die voor onze opsporingen zoo gewichtig was, te vertoeven.
»Niemand zal zeggen, dat wij misbruik gemaakt hebben van ons recht om uit te rusten,” sprak mijn vriend; »wij hebben vandaag den 20 April; wij zijn dus twee-en-veertig dagen op weg.”
Den volgenden morgen ging ik met het aanbreken van den dag met Sumichrast op ontdekking uit, Lucien in een diepen slaap achterlatende. Tegen elf uur kwamen wij terug, beladen met een twaalftal vogels, waaronder zich een specht bevond van een geelachtig groene kleur en met een kuif vuurroode veeren, en een tacco (cuculus vetulus), eene soort van koekoek, die zich met hagedissen en jonge slangen voedt. Gedurende onze afwezigheid had de Encuerado drie palmboomen omgehouwen, waarvan hij de stammen aan het onderste gedeelte uitholde, om er het suikerachtige sap van den boom in op te vangen. Met behulp van lianen vlocht hij van vijf groote stammen een soort van palissaden-omheining, waartusschen wij, voor elke overrompeling beveiligd, gerust konden slapen. Lucien had een papegaaiennest ontdekt en er twee jonge groen, rood en geel gekleurde vogels uitgehaald, die zich uitstekend schenen te schikken in de zorgen, die de knaap hen bewees.
»Wat wilt gij met die arme weezen doen?” vroeg ik.
—Ze voor mijn broertje en zusje medenemen. De Encuerado zegt, dat zij wel op den rand van de mand zullen blijven zitten.
—En wat zult ge ze te eten geven?
—Vruchten en zelfs vleesch. Mijnheer Sumichrast heeft mij gisteren gezegd, dat de papegaaien alles eten wat men hun geeft. Ik heb ze reeds een naam gegeven; ze zullen Verdet en Jaunet heeten.
—Zij zullen meer dan eens onder het bereik van Gringalet komen, zijt gij wel zeker dat hij ze niets zal doen?
—De Encuerado heeft hem de les reeds opgelezen.”
—Dan vrees ik wel, dat Verdet en Jaunet nog eens treurig aan hun einde zullen komen.”
Terwijl wij uitrustten gingen Lucien en zijn vriend den caoutchoucboom opzoeken. De knaap kwam geheel teleurgesteld terug.
»Uw gomelastiek deugt niet,” zeide hij tot Sumichrast, terwijl hij hem een dik en wit vocht liet zien, dat hij van den boom had gehaald.
—En waarom dat, als ik u vragen mag?
—Omdat de gomelastiek zwart en droog moet zijn.
—Als het oud wordt zal het die twee eigenschappen wel bekomen. De caoutchouc loopt uit den boom in den vorm van eene melkachtige vloeistof, gelijk aan die, waarmede gij nu uwe vingers vuil maakt.”
Tegen drie uur, toen de zon loodrecht boven onze hoofden stond, voerde ik mijne makkers onder het dichte hout, om den loop der rivier te onderzoeken. Weldra moesten wij ons met de machete een weg banen en verscheidene slangen namen sissend de vlucht. Langzamerhand werd de oever der rivier begroeid met boschbessen, begonia's en cederboomen en kwam ik op een zandachtig strand, waar vijf of zes schildpadden schenen te slapen. Niettegenstaande de door ons genomen voorzorgen, bereikten de dieren de rivier. De Encuerado ontdekte twee hoopjes zand, waarvan het eene, dat nog onvoltooid was, een twintigtal eieren bevatte, die zoo groot als eene noot en met een witachtig huidje omgeven waren. Een weinig verder vond Lucien eene kleine roode schilpad, die niet grooter was dan een rijksdaalder. Daar hij van den Encuerado vernam, dat zij verscheidene dagen zonder eten kan leven, besloot hij haar mee te nemen en gaf hij haar den naam van Rougette.
Gringalet begon te grommen; een damhert vertoonde tusschen de takken zijn verschrikt gelaat. Iedereen verborg zich zoo goed hij kon en toen het sierlijke dier nader kwam, schoot Sumichrast het morsdood. Ik liet den Encuerado den jager helpen om het wild te stroopen en ging in gezelschap van Lucien verder. De rivier werdlangzamerhand breeder, totdat ik mij geheel onverwacht tegenover eene onmetelijke overstroomde vlakte bevond, waarboven heele zwermen eenden vlogen.
Ik ging op den grond zitten, ten einde op mijn gemak het ruime meer te kunnen overzien, welks oevers met koningspalmen, waarvan de stam onderaan zwart en bovenaan fraai groen is, omzoomd waren. De verschijning van een vischarend met witachtig gevederte dreef de zwemvogels als bij tooverslag op de vlucht; verscheidene verborgen zich tusschen het riet, maar de roofvogel vloog verder, zonder, naar het scheen, acht te slaan op een wild, dat zijner onwaardig was. Plotseling streek op twintig pas afstands van ons een Mexicaansche Ibis(39)neêr, ging in de rivier en bleef daar onbeweeglijk staan.
»O papa! wat een vreemde vogel is dat! men zou zeggen dat hij een kalen kop heeft.
—Daarin vergist gij u niet; deze vogel wordt door de Indianengalambaogenoemd.
—Hij is bijna zoo groot als ik.
—Ziet ge niet dat hij op stelten loopt?” antwoordde ik lachend. »'t Is een broertje van den ooievaar.
—Wij hebben nog geen vogels van deze soort ontmoet.
—De steltloopers bezoeken slechts de boorden van moerassen of de oevers van groote rivieren. Men herkent de vogels van deze orde aan hunne hooge beenen, die beneden de knie geheel zonder veeren zijn, zoodat zij in niet te diepe waters kunnen visschen.
—Gaat diegalambaovisschen?
—De Ibis en bijna alle steltloopers hebben geen ander middel van bestaan.
Maar zou men niet zeggen dat hij slaapt, als hij daar zoo staat, zijn grooten bek op de borst latende rusten.
—Wee den visch die eveneens zou denken als gij. Hebt gij zijne beweging opgemerkt? Hij heeft zijn kop met de snelheid van den bliksem in het water gedompeld en gij kunt zijne prooi in zijn bek zien. Hij slaat zijne korte met zwarte veeren omzoomde vleugels uit om weg te vliegen; hij gaat zeker de opbrengst van zijne vangst met zijne jongen deelen.
—Zie eens wat een mooie blauwe vogel, met een kuif op den kop.
—Dat is deArdea-Agami, een steltvogel tot het geslacht der reigersbehoorende. Maar zie daar een troep van deze laatsten met een prachtig gevederte, zoo wit als hermelijn,—dat zijn zijdereigers—ardea candidissima. Zij vliegen in groote vluchten en scheiden later om afzonderlijk te gaan visschen.
Deze vogels hebben een droefgeestig en ernstig uiterlijk; nauwelijks laten zij nu en dan eens een klagend en wild geschreeuw hooren.
Wij bleven de steltloopers, die droefgeestig op de heesters zaten, beschouwen, tot dat hethioe! hioe!van den Encuerado aankondigde, dat mijne gezellen zich gereed maakten om naar den haard terug te keeren.
Ik geleidde Lucien door het bosch terug en beantwoordde zijne vragen over de steltloopers, toen het geraas, door eene bende apen veroorzaakt, tot ons doordrong.
Een twintigtal kalkoenen, die zonder twijfel door het geraas verschrikt waren, kwamen tusschen onze beenen geloopen. Ik liet de arme vogels in vrede heengaan, want wij hadden reeds meer vleeschvoorraad dan wij konden gebruiken. Lucien stond verbaasd over het groot aantal levende wezens, die ons omringden en die levendigheid trof hem te meer, als hij haar vergeleek bij de doodsche eenzaamheid in het groote woud, dat wij doorgetrokken waren.
»In het Warme Land,” zeide ik hem, »zijn de oevers der wateren altijd vruchtbaar en de bewoners van vlakte en bosch komen er bij elkander.
—Maar waarom bewonen de Mexicanen dat zoo afwisselende en fraaie Warme Land niet?
—Omdat een draak den toegang verbiedt tot deze streken, waar de natuur hare rijkste schatten zoo kwistig rondspreidt.
—Een draak?
—Ja, de gele koorts. Eene vreeselijke ziekte, die het bloed bederft en hare slachtoffers onder de sterksten schijnt uit te zoeken. Alleen de neger kan op dezen brandenden grond werken, waar de Indiaan-zelve spoedig onder de moeraskoortsen bezwijkt.
—Zouden wij ook die koortsen kunnen krijgen?
—Wij zouden in groot gevaar verkeeren, als wij ons door het regenseizoen lieten overvallen.
—Wat zit die boom vol met vruchten,” riep Lucien, mij in de rede vallende, uit.
—Dat zijn Mexicaansche mispelen.—Wij zullen er morgen wat van komen plukken. Er groeien nog zes of zeven soorten sapotéas in de maagdelijke wouden. De fraaie boomen van deze soort brengen meer of minder gezochte vruchten voort. Die, welke uwe aandachtheeft getrokken, desapota achras, is vooral beroemd. Zijne vruchten worden voor de gezondste uit de keerkringlanden gehouden en uit zijn stam vloeit die witte gom,chiclegeheeten, welke de bewoners van het warme en van het gematigde land zoo gaarne kauwen.”
De nacht overviel ons, terwijl wij een bout van het door den Encuerado gebraden damhert aten. Gebrul herinnerde ons er aan dat wij door wilde dieren omringd waren; maar onze twee vuren en de door den Indiaan gemaakte afsluiting, waren voldoende om ons gerust te stellen; wij sliepen in, maar sprongen meermalen verschrikt wakker, zoo vreeselijk was het geraas rondom ons.
(39)Tantalus Mexicanus. Ik vertaal dit met Mexicaansche Ibis, tot welke familie deTantalusbehoort.(N. v. d. V).
(39)Tantalus Mexicanus. Ik vertaal dit met Mexicaansche Ibis, tot welke familie deTantalusbehoort.
(N. v. d. V).
HET CAMPÈCHE-HOUT.—DE MIEREN AAN DEN ARBEID.—PARASIETACHTIGE INSECTEN.—TIJGERKAT ENTAMANDUA.—DE VANIELJE.—ROOSKLEURIGE LEPELAARS EN KUIFREIGERS.—EEN APENSTREEK.—VERDWAALD.
De zon vond ons reeds overeind. Onze eerste zorg was ons te ontdoen van het overschot van het vleesch van den vorigen dag; een nacht onder dit brandende klimaat was voldoende geweest om het in bederf te doen overgaan. Daarna hield de Encuerado zich bezig vischlijnen langs de rivier uit te zetten. Toen de maag met een kop koffie gevuld was, ging de karavaan, worstelende tegen de hitte, de muskieten en de horzels, op jacht.
De Indiaan geleidde ons door het woud. Elke schrede, die wij zetten, was voor Lucien eene nieuwe oorzaak van bewondering. Zijn vriend toonde hem een grooten boom van de familie der leguminosen, en toen hij door een slag met de machete een stuk bast van den stam had gehouwen, liet hij hem het bloedroode hout zien. Het was dehaematoxylonof campèche-boom, die in Europa zooveel gebruikt wordt om stoffen zwart of paarsch te verven en die van den Brazilie-boom verschilt door de dikte der takken en een zeer merkbaren reuk van viooltjes. Bijna alle schepen, die naar Mexico komen, lossen hunne waren te Vera-Cruz en begeven zich dan naar de Campèche-baai, waar deze boom bij iedere schrede wordt aangetroffen.
Tusschen deze reuzen groeide een klein boompje van dezelfde familie, door de geleerdenmyroxylongenoemd en dat eene zwartachtige hars met sterken vanielje-reuk uitzweet, welke bekend is onder den naam van Peru-balsem.
Terwijl de Indiaan een vogel met purper gevederte vervolgde,bracht hij ons bij een groot mierennest. De kolonie scheen het zeer druk te hebben, ik haastte mij Lucien er vandaan te halen, daar ik hem niet aan de beten der insecten wilde blootstellen.
—De mieren zijn verwanten van de termieten, is 't niet, mijnheer Sumichrast?
—Neen, best Zonnestraaltje, de mieren zijn aan de bijen verwant en behooren derhalve tot de orde der huidvleugeligen ofhymenoptera. Er zijn mannelijke en vrouwelijke mieren bij en werksters. De mannelijke en vrouwelijke worden met vleugels geboren, maar als zij eieren gaan leggen trekken deze laatsten-zelven hare vleugels af en nemen zij deel aan den arbeid der werksters, die belast zijn met het bouwen der woning, het voeden der jongen en het verzamelen van de levensmiddelen, welke voor de kolonie noodig zijn.
—Zie daar eens! men zou zeggen, dat het gras loopt.
—Dat zijn mieren, die een boom van zijne bladeren beroofd hebben om ze in hunne voorraadschuren op te stapelen; wat wel een nuttelooze voorzorg is, want zij vallen gedurende de maanden die met den winter overeenkomen, in eene soort van slaap.”
Lucien naderde de kolonie, die in twee tegenovergestelde stroomen verdeeld was; de eene ging met plantendeelen beladen, de andere met ledige kaken. Niets was belangwekkender dan het schouwspel van die duizenden kleine wezens, die in eene volmaakte orde liepen, ieder een last dragende of voortslepende, vijf of zesmaal grooter dan het zelf was. Lucien volgde hun spoor, de kolonne ging het bosch in en klom op een sapote, waarvan de onderste takken, reeds geheel van bladeren ontbloot, er uitzagen als die van een dooden boom. Op alle hoogten stroomde het van mieren en men zag bijna onder zijne oogen het groen aan den boom verminderen.
—Hoeveel dagen zullen zij wel noodig hebben om de bladeren van dien zwaren boom weg te voeren?” vroeg Lucien.
—Hunne taak zal dezen avond reeds af zijn.
—En dan zullen zij morgen zeker een anderen boom aanvallen?
—Neen; zij zullen verscheidene dagen zoek brengen met een anderen boom in het bosch uit te kiezen. Ik troonde den jongen natuuronderzoeker, die gaarne den geheelen dag zou hebben willen toezien hoe de mieren haar last vervoerden, hoe zij twintigmaal omvielen zonder hem los te laten, hoe zij elkander hielpen om dien weer in evenwicht te brengen en opnieuw hun marsch in eene bewonderenswaardige orde voortzetten. Gringalet, die vol vertrouwen eenige schreden achter ons was gaan liggen, had niet bemerkt dat zich heimelijk vijanden naar zijn kant begeven hadden en stond nu huilend op.
—Zult ge dan nooit voorzichtig worden?” riep de Encuerado hem toe. »Men moet wel zoo onnoozel zijn als een pas geboren kind, om langs een mierennest te gaan liggen! Dat is de tweede keer, dat zulk een ongeval je overkomt en toch zijt gij geen beest....”
Hier bleef de raadgever plotseling steken, trok een leelijk gezicht, lichtte de beenen hoog op en liep met groote schrede verder; toen ging hij op den grond zitten om de mieren te vangen, die langs zijn leeren broek opklauterden. Ik kon mij niet inhouden om in een schaterlach uit te barsten.
»Zie nu eens, Gringalet heeft zijne huid vol puistjes!” riep Lucien die den hond aanhaalde, uit.
—»Dat zijn parasieten,” sprak Sumichrast. »Het zijn teken. Men moet Gringalet er elken avond van ontlasten.
—Maar ze laten niet los.
—Trek ze maar met geweld er af; hun mond is een zuignap, voorzien van twee haken, die, als zij eenmaal in de huid zijn doorgedrongen, niet gemakkelijk loslaten.
—Wat zijn ze leelijk met die twee dicht bij den kop geplaatste pooten; hier is er een, die geheel plat is.
—Dat komt omdat hij zijn maal nog niet begonnen is.
—Haakt de teek zich alleen aan honden vast?
—Dat wil zeggen, dat de hond eene hem eigene soort heeft; andere komen voor op vogels, op runderen, op schapen enz.
—Heeft de mensch geen parasieten?
—Helaas, ja, en er zijn er bij, die men nauwelijks durft noemen.
Wij hadden onzen marsch hervat. Een nieuwe opene plek voerde ons naar een veld, dat geheel en al door de mollen doorwroet was. Een weinig verder trok de Encuerado Lucien mede, uitroepende: »Een guïro! een guïro!”
Ik kwam bij hen, terwijl zij voor een klein boompje met een licht en weinig overvloedig gebladerte en vol groote vruchten van eene geelachtige kleur stonden. Het was decrescentia-cujete, die op alle, door de zon beschenen plaatsen groeit. De ronde vrucht bevat een zuurachtig moes, dat vrij aangenaam van smaak is.
Uit het dichte omhulsel, dat dit moes omgeeft, maakt men een aantal voorwerpen voor huiselijk gebruik, zooals doozen, kammen, borden, lepels en zelfs hoofdkapjes voor de kinderen.
Sumichrast ging nu vooruit en bracht ons bij het meer, waarvan ik hem den vorigen dag gesproken had. Wij hadden nauwelijks een honderd passen gedaan of hij bleef staan. Een fraaie wilde kat, met getijgerde huid, kroop voort, de oogen op de hooge takken gevestigd houdende. Bij onze nadering nam zij de vlucht. DeEncuerado vatte mijn arm en vestigde mijne aandacht op een groot dier, dat zich tusschen de takken bewoog.
»'t Is een aap!” sprak Lucien zacht.
—'t Is een beer! antwoordde de Encuerado.
Het dier daalde langzaam naar beneden en wij konden het slechts weinig zien. Eindelijk had het de onderste takken bereikt; het was eentamandua(40)of kleine miereneter, hij bleef een oogenblik onbeweeglijk staan, bewoog zijn buitengewoon langen snuit en stak zijn platte tong uit, die met een kleverige stof bedekt is en dient om de mieren te vangen, waarmede hij zich voedt. Eindelijk gleed debeerzooals de Indianen hem noemen, langs den stam, waarin zijn groote klauwen met geraas vasthaakten, terwijl zijn grijpstaart met kracht tegen den stam aandrukte.
Lucien drukte zich, bij het zien van dit wanstaltig wezen, dat slechts een vijftig schreden van ons af was, vol angst tegen mij aan. Sumichrast had den haan van zijn geweer overgehaald, op het geluid, hierdoor veroorzaakt, draaide de miereneter zijn kop om en wilde vluchten, maar bevond zich plotseling tegenover denEncuerado. Hij richtte zich op zijn achterpooten op, hief den neus omhoog en stak zijn voorpooten uit om den onvoorzichtigen, die hem zou durven naderen te omvatten.
Het was een zonderling schouwspel, het dier zoo in eene verdedigende houding te zien. Eensklaps knalde een schot; detamanduakruiste zijn pooten over elkander en viel, als door den bliksem getroffen, neer. Vroeger was de Encuerado eens bijna door een miereneter gewurgd geworden. Vandaar zijn onverzoenlijke haat tegen het gansche ras; ik zou dan ook vergeefs getracht hebben hem te beletten te schieten.
»Nader niet,Tata Sumichrast,” riep de Encuerado, »gij weet dat die kerels een taai leven hebben, en ik draag op mijne huid nog de indrukken van zijne nagels. Laat ik hem eerst eens met de punt van mijn machete kittelen.”
—Waart gij bang?” vroeg ik Lucien.
—Ja, ik had niet het minste denkbeeld van zulk een leelijk dier.”
—De leelijkheid bewijst juist niet, dat het boosaardig is,” voegde Sumichrast hem toe, »hij valt niemand aan en gebruikt zijne kracht slechts ter zijner verdediging. Ik hoop, dat gij er een tandarm(41)dier in zult herkend hebben en een verwante van de tatoes.”
—Eet hij niets anders dan mieren?
—Mieren en andere insecten. Hij klimt op de boomen en zijn grijpstaart onderscheidt hem van zijn broeder, den grooten mierenbeer, die den grond niet verlaat; hij eet meer insecten dan mieren.
—Maar hoeveel heeft hij er wel noodig om genoeg te hebben?
—Duizenden en duizenden, en hij zou van honger omkomen als hij ze een voor een moest vatten; maar met zijne lange tong schept hij er honderden tegelijk op.
—Dat is een vreemd maal.
—Weet gij dan niet dat sommige Indianen ook miereneters zijn? In het Koude Land, bijvoorbeeld, bereidt men de spijzen met de eieren van de roode mieren en eene kleinere soort scheidt een suikerachtig vocht uit, waarop de kinderen zeer verlekkerd zijn.
—Ik ken die mieren!” riep de Encuerado uit. »Men zuigt ze als suikergoed en als wij er ontmoeten zult gij zien, Chanito, dat de miereneters nog zulk een slechten smaak niet hebben.”
Ik haastte mij mij bij mijn vriend te vervoegen, die zich een weg baande door de takken van eene soort van kolokwint, met wit en groen gemarmerde vruchten. Ik moest Lucien beletten de vruchten, die voor vergiftig gehouden worden, aan te raken. Even te voren had ik vanielje ontdekt en weldra voerde Sumichrast ons onder een prieel van deze Orchidee, die met lange groene peulen beladen was.
»Is die vanielje dan nog niet rijp? Zij ruikt niet.”
—Zeker is zij rijp, Chanito; gij behoeft ze slechts te laten drogen, dan wordt zij zwart en begint lekker te ruiken.
—Wat zijn dat mooie groene bladen! Bestaat er slechts eene soort van vanielje?
—Er zijn twee of drie soorten,” antwoordde de Encuerado. »Deze, waarvan de stengel zigzagsgewijze opklimt en die witte bloemen heeft, wordt het duurst verkocht. Men droogt de peulen door ze elken dag een uur aan de zon bloot te stellen en daarna in wol te wikkelen. Zie, daar zijn groote zwarte peulen, maar die weinig waarde hebben. Wij zullen nog wel eene derde soort tegenkomen, waarvan de reuk zoo weinig beteekent, datGringaleter zich over heen zou rollen.”
Aan den oever van het meer wachtte ons eene nieuwe verrassing. De rechteroever was bedekt met zilverreigers en de linkeroever metlepelaars, wier gevederte een zachtroode kleur had.
»Wat prachtige vogels!” riep Lucien uit.
—Zie dat gij er een schiet; uwe mama zal blij zijn die prachtige veeren te bezitten.
De knaap legde langzaam aan en schoot. Een der vogels viel; zijn kameraden, verbaasd, maar niet verschrikt, lieten een ruw geschreeuw hooren.
»Wat een zonderlinge bek,” sprak de jonge jager, zijne prooi, welke Gringalet was gaan halen, nauwkeurig beschouwende.
—Daaraan hebben deze steltloopers hun naam van lepelaars te danken.
—Kan men hem eten?
—Een weinig taai; maar als men honger heeft!...
Sumichrast bracht een vinger op zijne lippen; er kwamen twee kleine reigers, die zich dicht bij ons neerzetten.
»Komaan, meester Zonnestraal,” sprak Sumichrast, »schiet op den vogel links, terwijl ik op den rechtschen zal aanleggen. Het zijn kuifreigers en als gij knap zijt, zal uwe zuster fraaie veeren hebben om het haar op te sieren. Opgelet: een, twee, vuur!”
De twee schoten knalden bijna terzelfder tijd en de steltloopers vielen op den grond. Deze dubbele losbranding joeg de lepelaars en zilverreigers op de vlucht... en het meer bleef eenzaam. Maar twee kuifreigers, die bij het begin van den hals drie of vier buitengewoon fijne veeren droegen, verrijkten onze verzameling.
Ik sloeg den weg naar de Palmboomen-villa wederom in. De Encuerado ging vooruit om zijne vischlijnen op te halen en ik zag er een grooten visch,bobogenaamd, en aan de Europeesche karpers gelijk, aan spartelen. Een tweede lijn hield eenbagro, die de Indiaan, zonder ons te raadplegen, wegwierp, want zijne landgenooten beschouwden het vleesch van dezen visch als gevaarlijk, indien men het, alvorens er van te eten, niet met azijn begoten heeft.
De Encuerado begaf zich, voldaan over zijne vangst, naar het vuur, terwijl wij op den oever der rivier bleven zitten. Nauwelijks was hij verdwenen of een reeks hioes, hioes! weerklonken, begeleid van het geblaf van Gringalet. Het was een gedraaf, wie het eerst in de prairie zou komen; de Indiaan spoedde zich zooveel hij kon om de Villa te bereiken, die door een troep apen overvallen was, welke nu hun best deden om het woud te bereiken.
»Schelmen, schreeuwers, leegloopers!” riep de Indiaan hun na; »laat maar een van jelui mij afwachten, als hij durft! Laat maar éen Gringalet durven afwachten.”
De hond, die vlugger dan de apen liep, kreeg er twee of drie tusschen zijne tanden te pakken, waarvoor hij echter evenveel muilperen terug ontving. De Encuerado, die zijn visch de vluchtelingen achterna had gegooid, hield niet op met schelden, vóórdat de vlugge stroopers verdwenen waren.
De toorn van den Indiaan brak met verdubbelde hevigheid los, toen hij bemerkte, dat de apen in zijne mars aan 't snuffelen waren geweest. Wij waren juist bijtijds gekomen, want hunne duivelschenieuwsgierigheid had ons duur te staan kunnen komen. De grond was bezaaid met maïskoeken en de kruitbussen en insectenflesschen, die hier en daar verspreid lagen, toonden aan, dat de apen ze hadden willen openen. De wanorde werd spoedig hersteld, maar terwijl de Encuerado den visch gereed maakte, zwoer hij zich te zullen wreken.
Toen debobo, naar behooren gebraden, op breede bladeren was voorgediend, verdween de Indiaan met de kalebassen, die bij ons voor glazen dienden; ik begreep, dat hij ons op een beker palmwijn wilde vergasten.
Helaas! wij hoorden hem opnieuw vol toorn grommen; de bakken, die hij met zooveel moeite had uitgehold en zoo goed had dichtgemaakt, waren ledig; de apen hadden het zoete vocht opgedronken. De wanhopige kok wilde zich in het bosch begeven en alles vermoorden, wat hij zou tegenkomen. Het gelukte mij hem tot bedaren te brengen; maar ik beklaagde reeds bij voorbaat den troep apen, die zich het eerst onder het bereik van zijn wapen zou bevinden.
De hitte werd drukkend en Sumichrast viel in slaap. Tegen half vier uur vertrok ik in gezelschap van Lucien en wendde ik mij naar het woud, dat tegenover de rivier was gelegen, met het doel om insecten te verzamelen. Nauwelijks waren wij in het bosch doorgedrongen of vijf à zes toekans (pepereters) met rooden bek en witte en gele veeren namen de vlucht, en wij hun achterna. De wantrouwige klimvogels lokten mij ver weg; ik gaf de vervolging op om twee prachtigesoeroekoesmet lange staarten, wier geschreeuw mij scheen uit te dagen, achterna te gaan. Ik hield uit medelijden met Lucien, die in deze nieuwe jacht even vurig was als ik, stil. Na een oogenblik rustens zag ik, dat de zonnestralen reeds in schuine richting naar mij toekwamen; ik stond op, maar nauwelijks had ik een paar schreden gedaan of eene rilling overviel mij,—ik had vergeten kerven in de boomstammen te maken.
»Zijn wij verdwaald?” vroeg de knaap vol ongerustheid.
—»Neen,” antwoordde ik, »laat ons voortgaan.”
Ik hield weldra stil; de dag neigde ten ondergang en het woud nam een doodsch uiterlijk aan. Ik aarzelde twee of drie malen, welke richting ik in zou slaan en Lucien overstelpte mij met vragen.
»Wij zijn te ver gegaan,” zeide ik, »en misschien zullen wij dezen avond de Palmboomen-villa niet meer kunnen bereiken. Ik zal eens schieten om de aandacht van den Encuerado te trekken.”
Mijn schot knalde; ik luisterde met te meer angst toe, daar ik bemerkte, dat ik nog slechts drie patronen bezat. Lucien, die evenals ik zonder weitasch was uitgegaan, had niet anders dan de lading, die op zijn geweer zat.
»Schiet ook eens,”zeide ik hem,»opdat de Encuerado begrijpe, dat wij hem roepen.”
Ik luisterde opnieuw met ingehouden adem toe, en ik meende het geluid van een ver verwijderde losbranding te vernemen. Wij liepen snel door; maar de nacht brak aan.
»Wij zullen zonder avondeten gaan slapen,” sprak ik met eene opgeruimdheid, die evenwel ver van mij was. »Als wij nog verder gingen zouden wij kunnen verdwalen.”
—Waarom heeft de Encuerado niet geantwoord?
—Hij meent zeker, dat wij aan 't jagen zijn. Komaan, aan 't werk! Wij moeten hout hebben.
Ik had sedert lang de gewoonte aangenomen, om mijn vuurslag altijd aan een kettinkje om den hals te dragen en mij er nooit van te ontdoen. Dat was nu voor ons een groot geluk. Zoolang als men in een bosch vuur kan aanmaken, is men slechts half verdwaald. Slechts uitgegaan zijnde om eene kleine wandeling te doen, had ik noch veldflesch, noch mes bij mij, en ik had slechts bij toeval een stuk of drie patronen meêgenomen.
Ik richtte het vuur in een halven kring om een boom op. De zwaarmoedigste voorgevoelens overvielen mij, maar ik veinsde toch de grootste onverschilligheid, ten einde mijn lieven, jongen reismakker niet te beangstigen. Allen bijeen en met den reservevoorraad uit de mars, konden wij ons op goed geluk ergens wagen; maar wat moest ik alleen, zonder levensmiddelen en niet meer dan vijf ladingen kruit bezittende, beginnen? Ik sidderde als ik dacht aan de kwellingen en den vreeselijken doodstrijd, welke den knaap misschien te wachten stonden. Met den rug tegen den boom zittende ondersteunde ik Lucien, wiens hoofd op mijn knie rustte. Er woei eene sterke bries en het geraas, door de takken veroorzaakt, moest mij beletten het roepen mijner vrienden te hooren, die, ik twijfelde er niet aan, het woud doorliepen om ons te zoeken. Wij konden niet ver van de Palmboomen-villa af zijn en ik moest mij telkens verzetten tegen mijne neiging om te schieten.
Tegen middernacht ging de wind liggen; ik sloot de oogen om des te beter het minste geluid te kunnen opvangen. Herhaalde malen meende ik als 't ware de laatste trillingen van een dof geraas te vernemen; maar eindelijk schreef ik dat toe aan een uitwerksel van mijne opgewonden verbeelding.
Eensklaps deed een vervaarlijk gebrul de lucht daveren, zoodat Lucien ontwaakte.
»Wat is er? Is Chema daar?
—Neen, mijn kind; daar heeft een tijger gebruld.
—Zou hij naar ons toe komen?
—Ik hoop dat hij zijne nachtelijke jacht zal vervolgen; in elk geval zijn wij achter ons vuur voor zijne klauwen beveiligd.”
Ik plaatste Lucien tegen den boom en maakte mij tot schieten gereed; op vijftig schreden van ons vertoonde zich de kop met de glinsterende oogen van een prachtigen jaguar.