(40)Tamanduatetradactyla. De vijfteenige mierenbeer.(N. v. d. V.)
(40)Tamanduatetradactyla. De vijfteenige mierenbeer.(N. v. d. V.)
(41)Tandarmen ofEdentatanoemt men een orde van zoogdieren, die geen of slechts weinige tanden bezitten. Tot de eerste behooren de mierenberen.
(41)Tandarmen ofEdentatanoemt men een orde van zoogdieren, die geen of slechts weinige tanden bezitten. Tot de eerste behooren de mierenberen.
NACHTELIJK BEZOEK.—VAL VAN EEN BOOM.—EEN DROEVIGE NACHT.—VERSNELDE MARSCH.—DE APEN.—DE ZWEEPSLANG.—MEESTER JOB.—MET DEN SCHRIK VRIJ.
Na ons een oogenblik aangekeken te hebben, begon het dier gluiperig om ons heen te kruipen, nu eens achter de boomen verdwijnende, dan weer te voorschijn komende.
Ik haastte mij het vuur grooter te maken en ging toen weer naast Lucien zitten, die, het geweer in de hand, den vijand moedig in de oogen keek.
»Wat zou de Encuerado blij zijn als hij hier was,” sprak hij, »hij verlangt er zoo naar een tijger te dooden.”
—Deze zal zeker wel niet de laatste zijn, dien wij hier zullen ontmoeten,” antwoordde ik; »maar pas vooral op, dat gij niet schiet.”
—Zou het beest zich dan op ons werpen?
—Het zou veeleer vluchten; maar wij zullen morgen ons kruit wel noodig hebben.
Het roofdier bleef gedurende een uur om ons heen sluipen, knorde van tijd tot tijd, sprong op als om zich te verwijderen en kwam dan onverwacht weer te voorschijn. Eindelijk ging het op twintig pas afstand van het vuur zitten, strekte zich op den grond uit en rolde rond als om te spelen; maar bij de minste beweging die wij maakten, stond het snel op, legde zijne ooren in den nek en opende halverwege zijn verschrikkelijken muil. Plotseling weerklonk een vreeselijk geraas, gevolgd door een veelvuldig geknetter, als van veel losbrandingen; daarop volgde een oorverdoovend geraas van gebroken takken, terwijl een vreeselijke schok den grond deed dreunen. Lucien drukte zich verschrikt tegen mij aan.
»Hoe!” sprak ik, »herkent gij dan niet meer het geraas, dat een neervallende boom maakt?”
—O vader! Sedert den dag van den orkaan heb ik iets dergelijks niet gehoord.
—Dat is waar; maar gij zult aan zulk een ongeval wel gewoon raken; bij den eersten storm den besten zal de wind meer dan één van die eeuwenoude reuzen omverwerpen.
—De tijger is ook geschrokken, want hij heeft de vlucht genomen.
En werkelijk vertoonde onze vreeselijke buurman zich niet meer.
»Tracht nog wat te slapen, arme kleine, want wij zullen morgen misschien veel moeten loopen.”
Ik leunde mijn hoofd tegen dat van den knaap, die spoedig in mijn armen in slaap viel. Het woud had zijne plechtige stilte hernomen, welke nog slechts verstoord werd door den verren val van een tweeden woudreus, die door de insecten of door den tijd ondermijnd was.
Mijn toestand zou mij veel minder verontrust hebben, als ik mijne weitasch vol schietvoorraad bij mij had gehad. Ik twijfelde er volstrekt niet aan of Sumichrast en de Encuerado zochten naar ons; maar ik kende zoo goed het gevaar van op goed geluk in deze onmetelijke wouden rond te dolen, waar men telkens op zijn uitgangspunt terugkomt, terwijl men meent voorwaarts te gaan, dat tegen wil en dank de somberste voorgevoelens zich van mij meester maakten. De opkomende zon kon mij misschien een herkenningsteeken geven, maar mijne makkers konden misschien op hetzelfde oogenblik eene tegenovergestelde richting van de mijne inslaan en in dat geval zouden onze wederkeerige pogingen niets uitwerken dan den afstand, die ons scheidde, te vergrooten.
Tegen den ochtend dutte ik in, door vermoeidheid uitgeput en door den slaap overmand. Ik droomde dat wij aan het einde van onze reis waren en Orizava naderden. Het was nacht, de Encuerado leidde ons en het gelui der klokken weerklonk in de duisternis. Ik bemerkte een licht, daarna mijne woning en voor de geopende vensters de blonde kopjes mijner kinderen. Ik beknorde den Indiaan, omdat hij te langzaam liep. Ik liep nu vooruit, de klokken bengelden steeds door, maar het betooverde huis veranderde telkens van plaats. Ik deed eene poging om hard te gaan loopen en werd wakker; een dun lichtstraaltje kondigde den morgenstond aan.
Ik wilde Lucien op den grond zetten, waardoor hij de oogen opende, mij toelachte en omhelsde. Zijn verbaasde blikken dwaalden om het vuur rond.
»Zijn wij dan nog altijd verdwaald?” vroeg hij mij.
—»Ik hoop, dat wij maar een weinig van den weg zijn geraakt,” antwoordde ik. »Gevoelt gij u sterk genoeg om te loopen?”
—»'t Zal wel moeten,” antwoordde hij, vlug opstaande.
De zon verlichtte ons en gedurende eenkwartier uursbleef ik met ter zijde hangend hoofd staan, hopende het geluid van een schot te hooren.
»De Encuerado slaapt nog,” zeide ik tot Lucien, »hij zal zich gister erg vermoeid hebben met naar ons te zoeken.”
Een uur verging in vergeefsch wachten. Meer dan eens had ik den haan van mijn geweer overgehaald, om het telkens weer af te zetten.
—Waarom schiet u niet, vadertje?
—Om niet nutteloos mijne patronen te verbruiken. Gij begrijpt wel dat Sumichrast en de Encuerado van tijd tot tijd zullen schieten om ons te roepen, en als het geluid van hunne schoten niet tot ons komt, zullen zij ons ook niet kunnen hooren.
Na het terrein onderzocht te hebben, ging ik langzaam voorwaarts, alles weer voor mijn geest brengende, wat de ondervinding mij geleerd had. Boomstammen, schors, mos, grashalmen, alles werd onderzocht; maar al de inlichtingen, welke deze kenteekenen mij konden geven, konden nuttig zijn als men een bekend punt, eene rivier of een berg wilde terugvinden, waar men soms eerst aankomt na een omweg van vijf of zes mijlen, maar zij waren geheel onnut om dat onmerkbaar stipje terug te vinden, dat wij Palmboomen-villa noemden, en waarvan wij misschien nauwelijks een paar mijlen verwijderd waren.
Ik volgde zooveel mogelijk ons spoor van den vorigen dag, vond hier en daar eenige indrukken van onze voeten, trilde bij het minste geraas en leende het oor aan het geringste geluid.Bromeliaceeëngaven ons genoeg water om onzen dorst te lesschen, maar om er bij te komen moest ik in de boomen klimmen en de hemel weet ten koste van hoeveel inspanning en tijdverlies. Ik wilde niet schieten dan op een wild dat het waard was; het gering aantal patronen dat ik bezat, maakte mij het meest ongerust. Plotseling hoorde ik het gekloek van de chachalacas; het was ongeveer twaalf uur.
»Ik begin honger te krijgen,” zeide Lucien, het hoofd schuddende.
—Ik ook, lieve jongen; maar als wij de chachalacas vervolgen, zouden ze ons wellicht weer achteruitvoeren.
—»Goeloegoeloe! goeloegoeloe! Schaamt gij u niet,” sprak mijn jonge metgezel,den toon van den Encuerado nabootsende,»schaamt gij u niet ons te tarten, als wij met een leegen buik loopen en niet op jacht kunnen gaan? Kom, kom! zoo gedragen fatsoenlijke vogels zich niet.”
Ik omhelsde den lieven jongen, wiens vroolijkheid mij een glimlach afdwong, en ik spoorde hem aan moedig verder te gaan. De lianen begonnen zich te vertoonen; terwijl zij zoo hunne slingers van den eenen boom naar den anderen wierpen, gaven zij aan het woud, door het zoo op te sieren, een feestelijk aanzien. Soms wortelden zij in den bodem en klommen dan weer langs een stam op, dien zij met hun bladeren overdekten. Deze kenteekenen van eene nabij zijnde opene plaats verlevendigden mijne hoop.
De vogels zongen, ik versnelde den pas, ik wilde er een schieten, die groot genoeg was om mijn honger en dien van mijn wakkeren, kleinen metgezel te stillen.
Niettegenstaande al mijne pogingen om hem mijn angst te verbergen, kon hem die toch niet geheel ontgaan; maar zijn gesnap, dat nog vroolijker was dan naar gewoonte, rechtvaardigde den bijnaam van Zonnestraal, dien Sumichrast hem gegeven had.
»Wees niet zoo treurig,” sprak hij eensklaps,»en wees het vooral niet om mij;komaan, ik weet het wel, wij zijn verdwaald; maar ik ben bij u en niet bevreesd; wij zullen den weg wel terugvinden.”
De arme jongen vermoedde niet, dat de dood ons reeds als zijne prooi beschouwde;—dat na een langere of kortere worsteling de honger, de dorst of de uitputting ons aan den voet van een boom zou doen neerzinken. Hij zeide, niet te begrijpen hoe ik hem zoo dwaas in dien doolhof had gevoerd, waaruit wij zoo veel moeite zouden hebben ons te bevrijden. Maar ik verweet het mij-zelven. Als ik alleen was geweest, zou ik meer vastberadenheid hebben bezeten. Ik gevoelde soms, dat de moed mij ontzonk en tranen bevochtigden mijne oogen; maar ik deed eene uiterste poging om die droevige gedachten te verbannen en ik zwoer dat ik tot het laatste zou volhouden, met het geloof en de geestkracht, die de redding moeten aanbrengen.
»De Encuerado zal ons wel terug weten te vinden,” sprak Lucien met zooveel overtuiging, dat zijn vertrouwen ook het mijne werd.
—Ja,” riep ik uit, »Sumichrast en de Encuerado zullen ons wel weten te vinden en zij zullen liever sterven dan ons aan ons lot over te laten. Bovendien zal God niet gedoogen...” Ik dorst mijne gedachte niet overluid te voltooien.
De marsch werd met nieuwen moed voortgezet.
»Drommels, drommels!” riep Lucien eensklaps uit, 't is of daar ginds takken bewogen worden.
—»'t Is een aap, sprak ik, hij behoort zeker tot de bende, die gister de villa heeft geplunderd.”
Een jong aapje bleef op drie meter boven den grond hangen. (Blz. 265).
Een jong aapje bleef op drie meter boven den grond hangen. (Blz. 265).
Ik begon het dier te vervolgen dat, van tak tot tak springende,met ons scheen te willen spotten. Het liet eensklaps een keelgeluid hooren, waarop twintig stemmen antwoordden en de heen-en-weer slingerende lianen lieten ons eenige apen zien van de soort die men »Ateles Belzebut” noemt, en die in alle denkbare houdingen aan de planten hingen. Ik verborg mij achter een boom en beval Lucien stil te zijn. De apen, die aan hun grijpstaart hingen, slingerden zich van de eene plant naar de andere, kruisten zich, vervolgden elkander, lieten bij een soort van lachen hunne tanden zien en maakten met hunne lippen een geluid, zooals de koetsiers met den mond maken om hunne paarden aan te wakkeren. De vlugge dieren verwijderden zich twee of drie malen, maar zij kwamen zoo dicht bij mij terug, dat ik kon schieten. Ik geloof niet, dat ik ooit met meer opmerkzaamheid gemikt heb. Het schot viel en de bende nam onder een vreeselijk geschreeuw de vlucht. Het dier, waarop ik gemikt had, was slechts gewond; aan een liaan geklemd, zag het ons met zijn zwarte oogen aan, waarvan de leden allengs dicht vielen. Ik wilde een tweede schot lossen, toen het arme dier naar omlaag gleed en levenloos voor mijne voeten neerviel. Een jong aapje, hetwelk wij niet bemerkt hadden, bleef op drie meter boven den grond hangen en liet een klagend geschrei hooren.
Het hart bloedde mij, maar het leven van mijn zoon hing er van af.
Ik liep naar mijne prooi toe, vreezende dat zij mij nog zou ontsnappen; maar zij was wel terdege dood.
Eer een kwartier verloopen was, braadde het gestroopte dier voor een groot vuur. Ik had slechts den romp en de bouten bewaard, ten einde Lucien niet te verschrikken door het zien van een gestroopten aap. Terwijl ik op het gebraad paste, riep mijn kleine metgezel den jongenateles, die niet ophield te klagen.
»Vader, laat mij op den boom klimmen om het arme dier te bevrijden?”
—'t Is groot genoeg om te vluchten en het zou u kunnen bijten.
—Welnu, ik zie het liever vluchten dan het zoo te hooren schreeuwen.'t Is of het schreit.”
Ik ging zelf aan de lianen hangen, overtuigd dat deze handelwijze den jongen aap zou verschrikken. Bij den tweeden greep liet ik mij evenwel op den grond glijden: ik bemerkte eene groote slang, die, in hare schuilplaats gestoord, een oogenblik boven mijn hoofd bleef slingeren; het was de zweepslang, wier beet zeer vergiftig is. Tot mijn geluk liet de slang zich vallen en verdween in de struiken. Ik hervatte mijne klimmerij en de jonge aap deed niet andersdan zijne tanden laten zien. Toen ik bij hem was gekomen, trachtte ik hem te grijpen. Hij was zeker door de vrees verlamd, want ik kon hem zonder tegenstand op mijn schouder zetten. Hij klemde zich aan mijne haren vast en rolde zijn staart om mijn hals; ik klom naar beneden, niet zonder vrees van een beet in mijn oor te krijgen. Maar dat gebeurde evenwel niet; de tanden van het arme dier klapperden van angst, en ik zette hem bij het vuur neer, waar zijn geklaag opnieuw begon. Ik bond hem met een zeer buigzame liaan, die ik om zijn middel deed, aan een struik vast.
Het zwarte en taaie vleesch van den aap was opgegeten en driebromeliaceeënleverden ons voldoende water op om onzen dorst te lesschen. Ik stelde Lucien voor den tocht voort te zetten.
»Wij zullen onzen gevangene meênemen,” zeide hij.
—Zeker, hij zal ons goed te pas komen, als wij hedenavond onze vrienden nog niet terug hebben gevonden.
—Neen! riep de knaap uit, neen! al zouden wij dan ook tot morgen niet eten.
Ik versnelde den pas, op mijn schouder den nieuwen makker dragende, die dadelijk den naam van meester Job had gekregen. Eene opene plaats deed mijne hoop weer verlevendigen. Ik gaf mij nauwelijks de moeite om gele sapotes, eene soort met flauwen smaak, die wij nog niet hadden aangetroffen, te plukken; maar toen wij de opene plaats over waren, vertoonde het woud met zijn doolhof zich op nieuw voor ons.
Ik moest allengs mijn gang verminderen, want Lucien was vermoeid. Ik nam hem in mijne armen, waar hij insliep; zelf ook uitgeput, legde ik mijn dierbaren last aan den voet van een boom neer. Job sliep op zijn schoot.
Mijne gedachten werden somber. De stilte, die om mij heerschte, zeide mij dat ik mij van mijne makkers verwijderde, en ik vroeg mij niet zonder angst af, of ik mijn zoon niet in den dood voerde. De afgelegde weg had ons sedert lang bij de villa moeten terugvoeren; maar in een woud kan men niet in de rechte lijn gaan; wat te doen?
Na verloop van een half uur wekte ik Lucien, die mij toelachte. Hij liep eerst moeielijk, daar hij nog wat stijf van zijn slaapje was. Ik onderzocht met meer zorg dan ooit den grond en de schors der boomen, die mij op den weg zouden kunnen helpen. Met den dood in 't hart zag ik de zon dalen; de knaap, door vermoeidheid uitgeput, zag mij met betraande oogen aan. Ik bleef staan, de arme jongen ging voor mijne voeten liggen en sliep opnieuw in.
Mijn gespannen oor meende in de verte het geluid van een schotte hooren; ik stond op; was het soms niet een boom, die omviel? Of beteekende het een roepen van mijne gezellen? Ik nam mijn geweer op, maar aarzelde nog mijn voorlaatsten patroon te verschieten! De haan viel neer; ik volgde met angst het geluid, dat zonder echo in de verte wegstierf! Lucien bewoog zich niet.
»Sta op, sta op!” riep ik uit.
Een dof gerol dreunde door de lucht, ik brandde vol haast mijn laatste schot af, en met gesloten oogen, open mond en opgesperde neusgaten, vergetende te ademhalen, luisterde ik toe. Minuten, eeuwen verliepen, zonder dat iets de stilte verbrak. Lucien zag mij ontsteld aan.
Ik kneep met kracht mijn wapen, wanhopig zoo mijn laatste schot verspild te hebben, toen eene nieuwe losbranding, maar nu duidelijk en trillend, weerklonk.
—Dat is de Encuerado!” riep Lucien uit.
—»De Encuerado!”
Ik omhelsde den knaap als waanzinnig.
»Antwoord uw vriend!” riep ik uit, »uw geweer is nog in een der loopen geladen.”
Lucien vuurde; op hetzelfde oogenblik bijna klonk een schot uit het geweer van Sumichrast. Onze vrienden kwamen naar ons toe.
»Laat ons schreeuwen om hun te wijzen waar wij zijn,” sprak ik tot mijn zoon, »want wij hebben geen kruit meer.”
—Ohé, ohé, ohé!
—Hioe, hioe, hioe... Chanito!antwoorddeeene stem in de verte.
Op hetzelfde oogenblik kwam Gringalet als eene pijl naar ons toe en wierp zich op zijn meester. Na ons met liefkoozingen overladen te hebben, ging hij weer heen. Tien minuten later vloog de Indiaan op den knaap toe en rolde met hem al snikkende over den grond, terwijl ik Sumichrast, zonder een woord te kunnen spreken, omhelsde.
Het woedend geblaf van Gringalet gaf aan onze ontroering afleiding; de hond draaide rondom den ongelukkigen Job, die aan een boom was vastgebonden. Nadat de vrede gesloten en de arme wees was voorgesteld, hield de Encuerado zich met het oprichten van den haard bezig, want wij moesten op deze plaats kampeeren. Sumichrast vertelde, dat wij meer dan twee mijlen van de Palmboomen-villa verwijderd waren. Sedert den vorigen dag en tot driemaal toe, waren zij naar het bivak teruggekeerd, in de hoop ons terug te vinden.
De pogingen onzer makkers om ons terug te vinden, waren vruchteloosgeweest en Gringalet zelf, die er op uitgezonden was, doorsnuffelde tevergeefs de struiken. Dat komt omdat men ons rechts zocht, terwijl wij links liepen; want Sumichrast kon niet denken, dat wij de rivier den rug toekeerden.
De Encuerado haalde de levensmiddelen voor den dag, waaraan een ieder eer deed. Meester Job werd onder een grooten tak geplaatst en een diepe slaap maakte zich weldra van ons meester.
HET ONWEER.—HET BOUWEN VAN EEN VLOT.—DE HERTSLANG.—VAARWEL AAN DE PALMBOOMEN-VILLA.—DE HORZELS.—PARRA JACANA, GALLINULA.—DE RATELSLANG.—DE WILDE KAT.—DE ARAS.—
Mijne makkers sliepen nog toen ik wakker werd; de hemel was met lichte wolken bedekt, de lucht snikheet en toch vertoonde de zon zich slechts bij tusschenpoozen. De karavaan was eerst tegen negen uur gereed om te vertrekken: Meester Job, die reeds minder wild was, klom zelf op mijn schouder. De Encuerado sprong en zong, terwijl hij Lucien aan de hand hield. Wij bereikten niet voor twaalf uur de Palmboomen-villa. Toen zij ons zagen, begonnen Verdet en Jaunet hard te schreeuwen; Rougette wandelde met eene deftige langzaamheid tusschen de overblijfselen van maïskoeken.
De vogels zwegen; geen blaadje bewoog en de hemel werd naar het Oosten steeds duisterder. Een bliksemstraal flikkerde, de wind deed de boomen buigen, de donder ratelde en een stortregen zette de vlakte rondom ons kampement onder water. Wij hadden, dank zij de voorzorgen van den Encuerado, eene schuilplaats; om ons reisgoed gezeten, waren wij gelukkig bij de gedachte hoezeer die regen, als hij den vorigen dag ware gevallen, onzen toestand zou verergerd hebben.
Ik kende te goed het klimaat om niet de beteekenis van dit eerste onweer te begrijpen; het was de voorbode van de regelmatig terugkeerende regens, welke gedurende drie maanden over het Warme en het Gematigde Land zouden losbarsten, de lage gedeelten in moerassen en de rivieren in onoverkoombare hinderpalen veranderen, den grond doorweeken en het loopen onmogelijk maken. Wij beslotenonmiddellijk tot het bouwen van een dier vlotten, welke de Indianenbalsasnoemen, om zoo, den loop der rivier volgende, de Savannen te bereiken.
Tegen drie uur brak de zon door en de lucht werd wederom met insecten en vogels bevolkt. Ons eerste werk was eene geschikte plaats voor het bouwen van ons vlot uit te zoeken. De vangst van eene schildpad bracht ons in goede luim en terwijl zij op een zacht vuur braadde, begon de Encuerado een der palmboomen, die door de apen geledigd waren, te kappen, welk voorbeeld een ieder zich haastte na te volgen. Toen de nacht aanbrak, hadden wij reeds acht blokken ter lengte van twee meter; dit werk vertegenwoordigde ongeveer de helft van onze taak.
De zon vond ons den volgenden morgen reeds aan den arbeid en de Encuerado ging met Lucien uit, om buigzame lianen te zoeken, die dienen moesten om de stukken van het vlot onderling te verbinden. Toen onze makkers bij ons terugkwamen, was Sumichrast juist bezig den laatsten stam vierkant af te hakken. Lucien droeg, behalve de om zijn lijf gerolde lianen, aan zijn stok nog het lijk van een hertslang—atropos mexicanus—een zeer gevaarlijke soort, die zijn Indiaanschen naam vanmazacoaltte danken heeft aan de schubben van den kop, die boven de wenkbrauwen in den vorm van kleine horentjes overeind staan. De slang, die ongeveer zestig centimeters lang en van eene grijze kleur was, opende een verschrikkelijken muil, die, naar ik meen, zoo wijd open stond tengevolge van de slagen, die de Encuerado haar had toegebracht.
Sumichrast stelde, na buitengewone voorzorgen genomen te hebben, zijn leerling in staat de gifttanden te onderzoeken, waarmede de slangen het vreeselijke gift, hetwelk de natuur aan enkele soorten heeft gegeven, in het lichaam brengen.
»Als de slang bijt,” zeide mijn vriend, »drukken de tanden een klein blaasje, dat aan den onderkant er van gelegen is, te zamen en het gift dringt in de wonde.”
Onze natuuronderzoeker maakte zijne uitlegging duidelijk door op eenen der tanden te drukken, aan welks uiteinde een bijna onmerkbaar druppeltje van een groenachtig vocht parelde.
»Hoe komt het dat de slang zichzelve niet vergiftigt?” vroeg Lucien.
»In de eerste plaats kauwt de slang hare prooi niet en dan is het venijn alleen dan gevaarlijk, als het in den bloedsomloop komt; daardoor komt het dat de mensch, mits hij geene wonde in de spijsverteringsbuis heeft, ongestraft dit gift kan innemen, waarvan eene geringe hoeveelheid, in de aderen gebracht, binnen eenige minuten den dood tengevolge zou hebben.”
Dadelijk na den maaltijd, die uit de schildpad en een palmkool bestond, waarvan de smaak aan dien van gebraden artisjokken herinnert, gaf ik het voorbeeld om aan het werk te gaan. In minder dan twee uren bevonden de bouwstoffen voor het vlot zich op den oever der rivier.
Sumichrast en de Encuerado begaven zich zonder dralen in het water en begonnen het samenvoegen van het vaartuig, dat ons naar de vlakten zou voeren. Ik ging met Lucien bossen droog gras zoeken, welke dienen moesten om debalsate kalfateren. Een weinig vóór zonsondergang manoeuvreerde de Encuerado reeds met behulp van een langen stok, die gaffelsgewijze was uitgesneden, met het schip, dat ons, naar wij hoopten, zoude vervoeren. Daar de proef naar genoegen was uitgevallen, werd het vlot vastgemeerd en ieder ging bij de villa liggen, ten einde wat uit te rusten.
De papegaaien vlogen door elkander in de lucht en snapten om het hardst; Jaunet en Verdet antwoordden op hun gebabbel en sloegen met hun nog niet geheel bevederde vleugels. Gringalet leefde in vrij goede verstandhouding met de beide broeders; Lucien had zelfs een paar malen beproefd ze op zijn rug te zetten, hopende dat hij hun rijdier zou willen zijn. Maar de hond bewoog zich niet of de papegaaien sloegen hunne nagels in zijn vel, om zich in evenwicht te houden, en de aldus gespoorde Gringalet begon dan over den grond te rollen. Meer dan eens had hij zijn ruiters bijna verpletterd. Wat meester Job aangaat, was de Encuerado er evenwel niet door zijne bemiddeling in kunnen slagen om hem een vredesverdrag met den hond te doen sluiten; zij maten elkander met den blik, gromden, lieten de tanden zien, maar bepaalden zich toch met eene verdedigende houding aan te nemen.
Toen wij wilden gaan slapen, bood de Encuerado ons een beker palmwijn aan, die ons heerlijk smaakte, ofschoon hij wel wat zoet was. De bakken, die door de apen geplunderd waren, bevatten groote, witte larven, waarvan de Indiaan den smaak zeer prees. Ik beval hem echter den voorraad, dien hij zeide opgedaan te hebben, weg te werpen en er onder geen voorwendsel van bij ons voedsel te mengen. Zonder dit uitdrukkelijk bevel zou onze kok niet nagelaten hebben ons schildpad voor te dienen, met larven uit de palmboomen toebereid.
Den volgenden morgen, het was een zondag, werd ik gewekt door de stem van den Encuerado, die een lofzang aanhief. Onze bagage, goed ingepakt, lag reeds op het vlot. Verdet en Jaunet, op den rand van de draagmand gezeten, lieten onophoudelijk hun geschreeuw hooren, terwijl meester Job bang voor het water scheen te zijn. Rougette, stil en somber als altijd, scheen diep bedroefd te zijn bij hetverlaten van den geboortegrond. Toen eindelijk alles zoo goed mogelijk geplaatst scheen te zijn, nam de Encuerado, tot aan het middel naakt, aan het achtereinde als stuurman plaats. De Palmboomen-villa werd met een vreeselijk hoera vaarwel gezegd, zoodat onze menagerie er van verschrikte; ik wierp een laatsten blik op het woud, waar ik zulke verschrikkelijke uren had doorgebracht; daarna werd het vlot losgemaakt en dreef het langzaam met den stroom mede.
De vreugde van Lucien zou volkomen geweest zijn, als ik hem had willen toestaan de luchtige kleeding van zijn vriend na te volgen, maar zijne huid zou niet tegen de brandende zon bestand zijn geweest, zoodat ik dezen gril moest tegengaan. Weldra dreef het vlot op de lagune, die overdekt was met zwemvogels en steltloopers, welke zich nauwelijks bewogen, toen wij hun voorbijgingen. Wij moesten op goed geluk de overstroomde vlakte oversteken, om den loop der rivier te vinden. De stuurman moest zelfs van zijn duwboom gebruik maken, want de strooming werd onmerkbaar. Eindelijk wezen de waaierpalmen ons den weg en weldra gleed ons vaartuig opnieuw tusschen de oevers door, die omzoomd waren met boomen, waarvan de hooge toppen ons door hunne schaduw beschutten.
Eene diepe stilte omringde ons en tegenover die majesteit der natuur bleven ook wij sprakeloos. De rivier vloeide als eene effene vlakte en langzaam voort. IJsvogels en levendig gekleurdemanakins(42)vlogen, elkander kruisende, van den eenen oever naar den anderen. De lianen daalden van de toppen der boomen tot op het water neer, vliegenvogeltjes en colibrietjes vlogen om de bloemkelken en spreidden hun in duizend tinten schitterend metaalkleurig gevederte ten toon. Van tijd tot tijd versperde een overhangende boom ons den weg; wij hurkten dan op het vlot ineen en stieten dan tegen de takken, die op ons neerhingen; de troepialen, wier in de lucht zwevende nesten wij onwillekeurig schudden, vervolgden ons met hunne scherpe kreten. Eene verwarde menigte planten, die zich om de stammen slingerden, belette ons dikwijls in het woud te zien; maar plotseling liet dan weer eene opene plaats ons toe een blik in zijne diepten te slaan, waar de boomen nu eens regelmatig op rijen, dan weer aaneengedrongen groeiden, zoodat hunne takken in elkander verwarden. Ebbenhout-, peper- en palmboomen wisselden met deboomvarens, de magnolia's, de jeneverboomen, witte eiken en wilgen af. Hier en daar teekende eene zonnestraal op de schaduw een breeden lichtkring, binnen welken tienduizenden van waterinsecten, muggen, waterjuffers en vlinders in de lucht speelden of op het verlichte water liepen.
Gringalet en meester Job, weinig gevoelig voor de schoonheden der natuur, waren ingeslapen; Jaunet en Verdet, op den rand der mars gezeten, lieten nu en dan onverstaanbare volzinnen hooren, waarop de Encuerado zich evenwel haastte te antwoorden. Eindelijk werd de onbeweeglijkheid, waartoe wij veroordeeld waren en die nog verergerd werd door het steken der muskieten, geholpen door eene soort groote vliegen met groene oogen, eene marteling.
»Dat zijn horzels,” zeide Sumichrast tot Lucien, »bloeddorstige, tweevleugelige insecten, die van het eene einde der wereld tot het andere alle zoogdieren kwellen.
—Hun steek doet meer pijn dan die der muskieten,” antwoordde de knaap, op wiens hand een bloeddruppel parelde.
—Dat komt omdat hun slurf gewapend is met mesjes, die bestemd zijn om de huid van stieren en paarden te doorboren.
—Bacarapataca, riep Jaunet.
—Ja zeker, antwoordde de Encuerado, de steek van de horzels is minder onaangenaam dan die dergarapatas.
—Bacapalataca, zei Verdet, op zijne beurt.
»Saca la pata(geef een pootje),” vertaalde de Indiaan, »gij hebt nog gelijk, dat kunstje zullen Chanito en ik u wel eens leeren.”
Lucien lachte hartelijk om de verklaring, welke de Indiaan van het gebabbel der papegaaien gaf en over den ernst en de beleefdheid, waarmede hij hen antwoordde. Hij trachtte de beide vogels de namen van zijn broertje en zusje te leeren naspreken. De papegaaien leenden, met opgeheven poot en overhangend kopje aandachtig het oor aan de, door den knaap herhaalde woorden; maar zij trokken nog niet veel vrucht uit zijne lessen.
De rivier overstroomde, evenals alle waterstroomen, die de hand van den mensch niet heeft geleid, de lage landen en vormde nu en dan uitgestrekte lagunen. Wij verloren dan, evenals bij ons vertrek, veel tijd, om haar loop terug te vinden. Bij eene dezer opsporingen ontdekte ik zulk eene schilderachtige baai, dat ik eene halt voorstelde. Tegenover ons opende zich eene vrij diepe opene plaats, door hooge palmboomen omzoomd. Het vlot, door den Encuerado met kracht door de waterplanten voortgestuwd, landde en ik sprong aan den oever om het vast te meeren.
Verdet en Jaunet, met de mand aan wal gebracht, gaven doorluid geschreeuw hunne vreugde te kennen. Gringalet, wien de Encuerado onverwacht een duwtje had gegeven, nam een bad en meester Job, den staart om den hals van zijn jongen meester gerold en zich aan diens haar vasthoudende, werd in de schaduw gebracht en naast Rougette, die zich in haar schaal terugtrok, vastgebonden.
Nauwelijks hadden wij ons ingericht of twee jacana's(43), door de MexicanenViuda'sgeheeten, streken bij ons neder en vlogen toen met lichte beweging op de drijvende planten om de zaden en insecten er af te pikken. Twee schoten brachten ze in ons bezit en Gringalet bracht de twee steltloopers, die een rosachtig gevederte hadden, wier snavel een vleeschachtigen uitwas had en waarvan de vleugeleinden in een scherpen spoor eindigden, een voor een bij ons. De jacht leverde geen al te best middagmaal op, want met uitzondering van de kleinere soorten—zooals snippen, waterrallen en plevieren—hebben de moerasvogels een taai en weinig smakelijk vleesch. Gelukkig wist Gringalet een vogel van lichtbruine kleur, met fraaie parelgrijze veeren aan den hals en die den naam van hoen van Montezuma draagt, machtig te worden. Dit schoone stuk verwierf hem van den kant van den Encuerado verscheidene krachtige handdrukken, waarmee hij evenwel weinig ingenomen scheen te zijn.
Eene wandeling rondom de opene plaats bracht ons bij een boschje orleanboomen,bixa orellana, een klein boompje, welks zaden eene fraaie gele kleurstof opleveren, waarvan men zich in Europa bedient om zijde te verven. Daar Sumichrast Lucien had verteld dat de wilden vuur maken door twee droge takken van dezen boom tegen elkander te wrijven, haastte de knaap zich er eenige van te verzamelen. Een weinig naar achteren vond ik een brijappelboom,diospyros abtusifolia, waarvan de vruchten zeker wel in den smaak van onze menagerie zouden vallen. Een omgeworpen boom lokte ons naar het woud en op den vochtigen en zwarten bodem bemerkte Lucien het eerst eene prachtige ratelslang, die verdoofd scheen te zijn. Sumichrast schoot zijn geweer op het kruipdier af, dat opsprong, om echter weer dood neer te vallen. Oogenblikkelijk weerklonk in verschillende richtingen een gesis en drie of vier slangen van dezelfde familie namen de vlucht, eene door drie jongen gevolgd. Een aanval vreezende, had ik mijne machete gevat, en ik durfde mij eerst bewegen, toen het geluid verdwenen was. De door mijn vriend gedoode slang was meer dan een meter lang, haar huid was met zwarte, bruine en grijze vlekken gemarmerd; de platte en driehoekige kophad een wreed uiterlijk. Lucien hieuw met één slag van zijne machete de beweegbare ratels, die aan de slang haar naam van ratelslang gegeven hebben, af. Die hoornachtige staartuiteinden, zeven in getal, zouden den Encuerado zeer verblijden, want evenals al zijne landgenooten schreef hij hun wonderdadige eigenschappen toe—onder anderen van de guitaren te kunnen stemmen en te beletten, dat de snaren er van breken.
Ik naderde den omgevallen boom niet dan met de uiterste voorzichtigheid, uit vrees dat er soms weer eene andere slang uit zou te voorschijn komen. Ik ontdekte slechts een reusachtigen salamander en zeer groote kevers, wier kaken met sterke knijpers gewapend waren. Lucien verrijkte van zijn kant zijne collectie met eenige nieuwe soorten roofkevers. Een door den Indiaan gelost schot bracht ons naar het bivak terug; onze makker had eene wilde kat, door de Indiaanocotchotly(44)genoemd, gedood.
»Ziet gij dat mooie dier, Chanito,” riep de Encuerado, die met zijne hand over het rosse, met zwarte vlekken geteekende vel van zijne buit streek. »Als het een hert of een wild zwijn heeft gedood, begraaft hij het onder de bladeren, klimt op den naastbijstaanden boom en begint te klagen, totdat de andere roofdieren naderbij komen. Als deze verzadigd zijn, klimt hij naar beneden, en verslindt, wat zij hebben overgelaten.
—En waarom roept hij die gasten dan? vroeg ik.
—Heb ik u dan niet gezegd, dat zijne tong vergiftig is? Als hij het eerst at, zou hij zijn vergif aan het vleesch mededeelen en de dieren, welke zich met de overblijfselen verzadigden, zouden sterven.”
Deze fabel, door Hernandez medegedeeld en nu nog door de Indianen herhaald, moet haar oorsprong in eene nog niet waargenomen gewoonte van het dier hebben.(45)
Na het middagmaal en terwijl Lucien zich naar zijne pleeglingen begaf om hun de brijappelen te brengen, zag ik de ongelukkige Rougette tusschen de pooten van meester Job, die haar omkeerde, berook, op den grond zette, ofhalsstarrigzijne vingers binnen in de schaal stak, welke aardigheden er niet toe bijbrachten om hetmelancholischedier op te vroolijken. Op raad van den Encuerado stak de knaap eenige takken in den kant van het water en plaatste deschildpadin dit miniatuur-park.
De zon ging onder en de papegaaien vlogen paarsgewijze om ons. Jaunet en Verdet klapwiekten en snapten met hunne grootere broeders. Een troep flamingo's kwam bij ons zitten en eene vlucht eenden draaide in de lucht rond en scheen te aarzelen om neer te strijken. Eensklaps streken twee ara's, de grootste en fraaiste soort papegaaien, op den top van een palmboom neer. Sumichrast en de Encuerado verdwenen in het kreupelhout, terwijl ik met Lucien de bewegingen van de fraaie vogels volgde, wier staart tweemaal zoolang als het lichaam was. De klimvogels, door de Indianenhuacamayasgenoemd, hadden hunne slaapplaats ingenomen, toen ik zag dat zij blijkbaar ongerust werden. Zij klapwiekten en herhaalden telkens hun ruw geschreeuw van »ara”, waaraan zij hun naam ontleenen. Een dubbele losbranding weerklonk, de vogels vielen, de flamingo's en eenden sloegen met hunne vleugels.
Lucien, die dehuacamayas, wier gele, groene en roode veeren een harmonisch geheel vormden, van nabij beschouwde, zou Verdet en Jaunet gaarne voor een paar jongen van deze soort geruild hebben. Hij liet een der ara's aan meester Job zien, die hem onder het trekken van allerlei gezichten betastte en er eindelijk op ging zitten.
De nacht verraste Lucien, terwijl hij zijne vogels nog de namen van Hortense en Emile voorzegde. Gringalet ging tot onze groote verbazing naast meester Job liggen, die hem bevrijdde van de teken, welke zich in zijn haar genesteld hadden; daarna begonnen de twee vrienden naast elkander te snurken. Tegen negen uur, terwijl ik het vuur wat aanwakkerde, deed Jaunet een oog open en babbelde eenige woorden; maar de Encuerado sliep te vast om er op te antwoorden.
(42)Manakins (Pipridae) ook fluweelvogels geheeten, zijn in Midden- en Zuid-Amerika voorkomende vogeltjes, die veel met onze meezen overeenkomen.(N. v. d. B.)
(42)Manakins (Pipridae) ook fluweelvogels geheeten, zijn in Midden- en Zuid-Amerika voorkomende vogeltjes, die veel met onze meezen overeenkomen.
(N. v. d. B.)
(43)Parra jacana, in Zuid-Amerika zeer algemeen, behoort tot de spoorvleugelige moerasvogels. (N. v. d. V.)
(43)Parra jacana, in Zuid-Amerika zeer algemeen, behoort tot de spoorvleugelige moerasvogels. (N. v. d. V.)
(44)Ozelot (Felis pardalis).
(44)Ozelot (Felis pardalis).
(45)Wellicht hierin, dat de ozelot, volgens sommige schrijvers, zeer bloeddorstig is en zelfs, als hij verzadigd is, nog doodt, alleen om het bloed uit te zuigen, waarna hij zijne prooi verder onaangeroerd laat liggen.(N. v. d. B.)
(45)Wellicht hierin, dat de ozelot, volgens sommige schrijvers, zeer bloeddorstig is en zelfs, als hij verzadigd is, nog doodt, alleen om het bloed uit te zuigen, waarna hij zijne prooi verder onaangeroerd laat liggen.(N. v. d. B.)
DE STELTVOGEL.—DE JAGERS VERJAAGD.—DE PECARIS.—HET VLOT BLIJFT STEKEN.—DE TEPOXOSLANG.
Ik stond den volgenden morgen nat van den dauw op. Gringalet, die in gedachten verzonken zat, keek naar de slapers, terwijl meester Job om hem draaide, hem bij de ooren nam en zelfs zijn staart om het lichaam van zijn nieuwen vriend rolde. Jaunet en Verdet schommelden met opgezette veeren en in stilte heên en weêr. Zoodra de zon opkwam bracht ik ze aan den oever der rivier, waar zij, tot groote voldoening van hun jongen meester, die hun telkens de namen voorzegde, welke hij hen wilde leeren uitspreken, uit eigen beweging een bad namen. Rougette stak haar kop buiten hare woning en scheen wat minder zwaarmoedig, ik liet haar, tot aan het uur van het vertrek, aan hare gedachten over.
Terwijl de Encuerado de koffie bereidde, keek ik naar de flamingo's, die een voor een opvlogen, om zich aan den oever der rivier of in de lagunen neer te zetten. Een steltvogel, met buitengewoon lange beenen, en zoo dun, dat men ze op een korten afstand nauwelijks zien kon, kwam zich bij het riet neerzetten. Lucien kon bij het zien van den vogel, die men zou zeggen dat in de lucht zweefde, eene uitroeping van verbazing niet weerhouden.
»Dat is dehimantopus mexicanus, de Mexicaansche strandruiter,” zeide ik hem, »de type van de familie der steltloopers. Hij leeft voornamelijk aan den oever der zee, waar hij zich met wormen en schelpdieren voedt.
—Wat een gekke loop,” riep de knaap uit; »ik dacht eerst dat hij geen pooten had.
—Hij heeft integendeel te veel pooten, daar zijn loop er door bemoeielijkt schijnt te worden.”
De vogel bleef buiten schot, en zette bovendien weldra zijne vlucht voort. Toen het ontbijt was afgeloopen, werden bagage en menagerie weer op het vlot gebracht; ik stond juist op 't punt er op te gaan, toen een geluid van gebroken takken onze aandacht naar het woud trok, waar twee pecaris, eene soort kleine wilde varkens, elkander vervolgende, uitkwamen. De Encuerado, zoo onverwacht overvallen, schoot op een der dieren zonder het te dooden; nu begon de jacht. Maar nauwelijks hadden wij een paar honderd passen afgelegd, of de Indiaan, die voorop ging, keerde om, roepende:
»Naar het vlot, naar het vlot!”
Een geraas, gelijk aan den galop van een troep paarden, deed den grond dreunen. Ik greep Lucien bij de hand en sleepte hem in den looppas mede. Een troep pecaris vervolgde ons. Mijn beide makkers bleven staan om te schieten, terwijl ik het vlot bereikte, waar ik Lucien in veiligheid bracht. De kleine wilde varkens, meer dan honderd in getal, kwamen opeengedrongen en woedend aanrennen. Van nabij bestookt sprong Sumichrast op het vlot, dat bijna omsloeg, terwijl de Encuerado langs den oever liep.
»Snijd het meertouw los en steek van wal!” riep hij mij toe, terwijl hij zich onder het dichte struikgewas begaf.
Een gedeelte der pecaris zette hem achterna; de andere, opeengehoopt en elkander verdringende, maakten ons bijna doof door hun geknor. Ik sneed het touw door en nam den duwboom ter hand; de woedende dieren gingen het water in, waarover ik mij echter weinig bekommerde; ik richtte het vlot naar den begroeiden oever, waar ik hoopte den Encuerado te voorschijn te zien komen.
Lucien, beangstigd door het geschreeuw der dieren, die den oever overdekten, begreep dat zijn vriend in gevaar was; bleek en vol angst dorst hij nauwelijks ademhalen. Wij hoorden de takken breken, den grond dreunen en Gringalet zonder ophouden huilen. De troep, die Sumichrast op de hielen had gezeten, voegde zich nu bij dien, waarvoor de Encuerado vluchtte. Ik deed het vlot den rechter oever naderen, vanwaar het geraas zich deed hooren.
»Hioe, hioe, Chanito!
—Ohé, ohé! antwoordde ik.
Ik wilde aan wal springen, toen de Encuerado door Gringalet gevolgd, zich vertoonde en het water inging, zijn geweer boven het hoofd houdende. De pecaris kwamen nu ook voor den dag; Gringalet, keerde, met vurige oogen en opstaande haren zich tegenhen en een der dieren, dat verblind van woede op hem losstormde, viel in 't water. Ik riep den hond, die eindelijk besloot te gehoorzamen; het was niet meer dan tijd ook.
In plaats van naar ons te komen, ging de Encuerado naar den pecari toe, die weer den oever trachtte te bereiken; hij pakte hem bij een oor en bracht hem, door Gringalet geholpen, die achter het wild zwom en het telkens trachtte te bijten, naar het vlot.
»Schiet uw geweer tegen den kop van dien armen drommel af,” zeide de Encuerado tot Sumichrast. Mijn makker gehoorzaamde.
»Lala!” hernam de Indiaan, bij een laatste stuiptrekking van het dier, dat zich weldra niet meer bewoog.
»Neem Gringalet bij u, Tatita; als hij 't in zijn kop kreeg om naar de pecaris terug te keeren, was hij verloren.”
Ik vatte den hond beet, die meester Job en de papegaaien goed besproeide.
»Ja, ja, vriendjes, schreeuwt nu maar!” riep de Indiaan de wilde varkens toe, »'t komt te laat om ons nog bang te maken. Hel een weinig naar rechts over, Tatita, opdat ik met mijn gast er op kan komen. Wees maar niet bang, Chanito, wij zullen niet omslaan.”
Nauwelijks was de Encuerado met zijn buit op het vlot gekomen of meester Job verschrok zoo, dat hij bijna in de rivier viel; hij zocht zijne toevlucht bij Gringalet, die hem zijn tanden liet zien. Verdet en Jaunet keuvelden samen, maar niemand antwoordde hen.
De twee troepen pecaris, op den oever weer bijeengekomen, hielden niet met hun schel geknor op; maar wij waren buiten hun bereik. Ik gaf het vlot een flinken stoot, zoodat het weldra door den stroom werd medegevoerd.
»Drommels, drommels!” riep Sumichrast met eene zucht van verlichting uit, »daar zijn we de dans goed ontsprongen.
—Maar wie zou ook denken dat die vlegels in zoo'n groot aantal waren?” sprak de Encuerado, terwijl hij een schop tegen het lijk van zijn vijand gaf. »Gewoonlijk kondigen zij hunne komst door zulk een geraas aan, dat hunne stilte mij bedrogen heeft.
—Zijn de pecaris dan roofdieren?” vroeg Lucien.
—Ja, Chanito, als dat ten minste roofdier heet te zijn, als men zijns gelijken opeet. Als een onzer door de bende omver was geworpen, zou er op dit oogenblik niet veel meer dan de beenderen van hem overblijven. En Gringalet ging ze te lijf, zonder daar in 't minst aan te denken.
—Zijn zij dan even wreed als de tijgers?
—Hm! Ik geloof, Chanito, dat het gelukkig is, dat de tijgers niet in troepen loopen; wel genomen zijn ze niet veel beter dan de pecaris.
—'t Is een wild zwijn, nietwaar mijnheer Sumichrast?
—Hij behoort tot de orde der dikhuidigen en is derhalve een broer van het varken,” antwoordde mijn vriend. »Het wilde zwijn leeft alleen, terwijl de pecaris in meer of minder talrijke troepen leven, zoodat zij, niettegenstaande hunne geringe grootte, zeer te duchten zijn.
—Hoe, geringe grootte! deze is grooter dan Gringalet.
—De wilde zwijnen zijn tweemaal zoo groot. Eene bijzonderheid, welke decoyomeles, zooals de Indianen uit Mexico hen noemen, kenmerkt, is, dat zij drie teenen aan de achterpooten en vier aan de voorpooten hebben. Bovendien hebben zij maar een bewijsje van staart en hunne borstels zijn met zwart en wit gestippeld.
»Chema,” viel Lucien in, »gaat gij den pecari stroopen, omdat gij uw mes zoo scherpt.”
—Neen, Chanito, ik ga hem slechts gereedmaken; kijk er maar niet naar; 't is evenmin aangenaam om te zien als om te doen, maar 't moet geschieden. En met eene vlugge beweging gaf hij eene snede in den rug van het dier.
»Als gij mij niet in de rede waart gevallen,” hernam Sumichrast, »zoudt gij nu reeds weten dat desus torquatus, zooals de geleerden den pecari noemen, bij de lendenen een open zak heeft, waaruit een vuilriekende stof komt; om die bijzonderheid hebben de geleerden de pecaris tot een bijzonder geslacht gerekend.”
Meester Job, die altijd angstig was, hield zijn oogen toe, teneinde het wild niet te zien, dat de Encuerado met zijn deken bedekte om de vliegen er af te houden, die zeker door den reuk werden aangetrokken. Het vlot vervolgde kalmpjes zijn loop; evenals den vorigen dag verlevendigden de kolibries de oevers en liepen de eendagsvliegen over het sluimerende water. Soms werden de heesters bevolkt met lepelaars en reigers, en in de diepte eener baai zagen wij een naaktkoppigen Mexicaanschen Ibis onbeweeglijk en staaroogend staan, alsof hij in diepe overweging verzonken was. Nachtegalen, waarvan Mexico honderden soorten heeft, wachtten den nacht niet af, om ons door hunne welluidende stemmen te bekooren. Hier en daar zaten basilisken op de boomstammen, bliezen hun keel op en schudden hun vliezigen helmkam of staken de rivier over, als wilden zij hun naam vanpasario's(rivier-overstekers) rechtvaardigen. Een groene iguano, door vorm en grootte aan een draak gelijk, ontkwam aan het schot, hetwelk de Encuerado er op loste. De echo herhaalde de losbranding, waarop woeste kreten antwoordden. Vervolgens dreef het vlot over eene uitgestrekte lagune; kraanvogels, reigers, lepelaars, wulpen, waterhoenders, waterrallen en kieviten schenen hier hunne bijeenkomstente houden. Zonderling genoeg gaven deze vogels in hunne onnoozelheid zich nauwelijks de moeite van zich te verwijderen, ten einde ons door te laten; wij hadden als 't ware het aardsche paradijs teruggevonden.
De Encuerado voer langs den zoom van het meer om den loop der rivier terug te vinden. Er verliep meer dan een uur met valsche manoeuvres, totdat het vlot eindelijk op eene lage plek bleef vastzitten. Daar de Encuerado zijn boom gebroken had, zonder dat het hem gelukte ons vlot te brengen, sprong ik, door Sumichrast gevolgd, in 't water. Ten einde een omweg van meer dan een half uur te voorkomen, spanden wij ons, door middel van onze riemen, voor ons vaartuig om het over een kleiachtig slib voort te trekken. Ofschoon dit werkje ons minder aangenaam was, vermaakte het Lucien, die, midden op het vlot gezeten, hetwelk in eene slede veranderd was, onzen ijver aanwakkerde en om eene zweep vroeg. De lust om ons te helpen ontbrak hem niet; maar ik wilde het niet toestaan, uit vrees dat hij in dit moeras een dier koortsen zou opdoen, waaraan elke reiziger in het warme land zijne schatting moet betalen. Eindelijk dreef het vlot weer op diep water. Daar vertoonde zich een zandige oever, met boomen omzoomd; ik loste met Sumichrast de bagage; Lucien stelde den haard op en de Encuerado sneed den pecari in stukken, waarvan men evenwel slechts de bouten kon eten. Ik stelde eene wandeling onder de boomen voor, in de hoop er vruchten aan te treffen en vertrok in gezelschap van Sumichrast. Bij onze eerste schreden ontdekte ik reeds kinaboomen, klein van stuk, maar die vroeg of laat een belangrijken handelstak tusschen Mexico en Europa zullen uitmaken. Mijn makker op den voet volgende, bereikten wij eene opene plaats, bedekt met palmboomen, brijappelboomen en roode ebbenhoutboomen, door de Mexicanengranadillesgeheeten. Ik verzamelde eenige vruchten en ging toen naast mijn vriend zitten, die een boomstam van de schors ontdeed.
Eensklaps vertoonde zich een troep herten, die bedaard begonnen te grazen. De eerste beweging van Sumichrast was zijn geweer aan te leggen; maar een dezer sierlijke dieren te verwonden zou een nuttelooze moord zijn geweest, want de pecari was voor onzen maaltijd voldoende. De zon begon laag te staan; ik dacht er aan naar het bivak terug te keeren, waarheen het verwijderdehioe, hioe!van den Encuerado ons riep. Daar ik de herten, die zeker van plan waren den nacht op die plaats door te brengen, niet verjagen wilde, volgde ik den stillen gang van mijn makker na. Onze menschlievendheid ware ons bijna duur te staan gekomen. Eentepoxoslang(46)(Botrops atrox), een verbazend groot dier, waarvan het venijn niet minder gevaarlijk is dan dat van de ratelslang, ontrolde zijne kronkels bijna tusschen onze beenen en ik zag, dat zij haar wijden muil naar de heup van mijn vriend richtte. Gelukkig had ik mijne machete in de hand, en met een slag met den achterkant sloeg ik haar neer. De onthoofde romp sloeg zoo geweldig tegen mijne kuiten, dat ik moest gaan zitten en hinkende, maar ditmaal in de struiken slaande, ging ik den Encuerado mijn ongeval mededeelen.
Meester Job betoonde zich zeer dankbaar voor de vruchten, welke ik voor hem had meêgenomen; Verdet en Jaunet smulden in de brijappelen. De door den Indiaan gebraden ham werd zoo goed en zoo malsch bevonden, dat Sumichrast voorstelde den kok eene belooning te geven.
»Meent gij dat, Tatita?”
—Zeker is 't gemeend,” antwoordde ik, »wilt ge dat wij u in zegepraal ronddragen, dat wij driemaal ter uwer eer hoera roepen of dat wij een getuigschrift onderteekenen?”
—Als 't u hetzelfde is,” sprak de Indiaan, terwijl hij zijne witte tanden liet zien, »zou ik liever een klein druppeltje cognac willen hebben.”
Ik schonk hem een goeden borrel in en men dronk op zijne gezondheid en op het goede einde van de reis.
Toen de zon onderging en de vogels boven onze hoofden vlogen om hunne slaapplaatsen te bereiken, begonnen Jaunet en Verdet dat onbestemd gesnap, dat, op een afstand gehoord, zou doen meenen, dat twee personen halfluid met elkander praten. Ik ging een bezoek brengen aan Rougette, die, aan den oever der rivier gekampeerd, haar kop buiten hare schaal stak, zonder er minder droefgeestig dan naar gewoonte uit te zien. Ik kwam bij het bivak terug, waar de Encuerado bezig was een lijfband voor meester Job te maken; daar op de bladeren uitgestrekt en terwijl ik zag hoe de sterren een voor een den hemel versierden, viel ik in slaap onder de namen van Hortense en Emile, welke Lucien zijne leerlingen vol geduld voorpraatte.
Een gebrul deed mij wakker springen; ik deed de oogen open en zag Lucien, met het geweer in de hand, bij Sumichrast neêrgehurkt. Meester Job schreeuwde van angst, en Gringalet, door mijn vriend tegengehouden, bromde, zonder te kunnen blaffen. Op den oever, op een vijftigtal meters afstand, onderscheidde ik een langen, gelen vorm en twee vurige oogen. Een tweede gebrul leerde mij den naamvan den nachtelijken bezoeker kennen, dien ik in mijn droom meende gehoord te hebben.
»En de Encuerado?” vroeg ik aan mijn makker.
»Hij kruipt naar dien kant uit.
Een geweerschot sneed mij het woord af, het dier brulde op nieuw en wierp zich in de struiken. Een geraas als van eene worsteling deed zich hooren; daarop verscheen de tijger andermaal en beschreef, van woede huilende, verscheidene kringen. Een laatste sprong bracht hem tot op twintig schreden van den haard; hij viel om niet meer op te staan.
»Hioe, hioe, Chanito.”
Dit roepen ontlastte mij van eene drukking, welke mij belette adem te halen. Lucien bezat nauwelijks de kracht om te antwoorden.
Gringalet, die los was gekomen, liep naar het zware roofdier toe en bleef op een afstand blaffen. De Indiaan kwam, met het geweer op den schouder, naderbij.
»Uwe Heerlijkheid zal mij dit recht laten wedervaren,” sprak hij, over het lijk van zijn vijand gebogen, »dat zij zeer dicht bij het hart getroffen is. Zij zou den kogel zelfs tusschen beide oogen ontvangen hebben, als zij het gewaagd had naar mijn kant heên te zien... Schreit gij, Chanito!” riep de Encuerado uit, van toon veranderende. »Waart gij dan bang!”
—Zeker was ik dat; de tijger liep naar den kant toe waar gij waart.
—Maar wat zou dat? 't Is toch mijn beroep om die groote katten te dooden. Niet waar, Tatita, dat dier hoorde mij toe en ik ben nog de tijgerjager?
—Ja, sprak ik. Maar laten wij de tijgers met rust en dat zij het ons ook doen, en gaan wij slapen.
Ik vond meester Job onder mijne deken verscholen; hij stelde zich gerust zoodra hij bemerkte dat Gringalet naast hem ging liggen. Wij wilden weer gaan liggen, toen het gebrul van een tijger opnieuw de lucht deed dreunen.
»Drommels!” vroeg mijn vriend, zou dat beest weer levend zijn geworden.
—Neen, Tatita Sumichrast; maar mijn tijger is een tijgerin en haar gemaal komt mij nieuws van haar vragen.
Ik beval den Indiaan zich niet te bewegen.
»Laat hem zijn gang gaan,” sprak mijn makker, »hij zou u toch niet gehoorzamen.”
Een half uur verliep, de diepste stilte heerschte en wij luisterden naar het minste geritsel der bladeren. Het geluid van eene losbrandingkwam tot ons en vijf minuten later begroetten wij het zegevierendehioe, hioe!met onze bravo's, terwijl de Encuerado van 't water druipende, zich voor het vuur droogde.
»Ik moest de rivier overzwemmen”, zeide hij; »maar ditmaal heeft zijne Heerlijkheid den kogel tusschen beide oogen.
—Gij zijt een dappere kerel,” sprak Sumichrast, hem de hand reikende. Lucien vloog hem om den hals.
»Wat zal ik lekker slapen,” sprak de Indiaan.