XXXII.

(46)Soort lansslang,Latariageheeten, (N. v. d. B.) wordt van 1.40 tot 1.80 meter lang.

(46)Soort lansslang,Latariageheeten, (N. v. d. B.) wordt van 1.40 tot 1.80 meter lang.

DE JAGUARS.—DE IBIS.—DE KAAIMANS.—DE DRAAIERS.—EEN TWEEGEVECHT VAN DEN ENCUERADO.—DE WILDE STIEREN.

Meester Job, Gringalet, Jaunet en Verdet hadden reeds de oogen open, toen ik bij het aanbreken van den dag eveneens wakker werd. Lucien stond juist op toen ik mij gereed maakte om naar den oever der rivier te gaan en vergezelde mij. Ik bewonderde in 't voorbijgaan de wijfjesjaguar, door den Encuerado geschoten. Een weinig verder vonden wij het mannetje (Felís onza) waarvan de bruingele huid zwart gevlekt was; hij mat niet minder dan anderhalven meter; de breedte van de met scherpe nagels gewapende klauwen verbaasde den jongen natuuronderzoeker, die het betreurde dat ik niet een dier tijgers gedood had,—dit spijtgevoel legde een nieuw bewijs af van zijne bewondering voor den dader van dit dubbel heldenstuk. Een sierlijke vogel met langen, gebogen snavel streek op den oever neer; Lucien's oog viel op de fraaie bronskleur van den steltlooper; ik vertelde hem dat het een Ibis was.

»De vogel van deEgyptenaren, die slangen verslindt?”

—Een van zijne verwanten”, antwoordde ik. »De Ibissen voeden zich over 't algemeen met wormen, schelpdieren en zelfs waterplanten; misschien eten zij ook wel waterslangen; maar of zij zich nu uitsluitend met kruipdieren voeden, of ze stelselmatig vernietigen, dat is eene andere vraag.”Ik kwam weer bij het bivak terug, waar ik mijne makkers reeds op de been vond.

Verdet babbelde. »Ja, mijnheer Verdet, van nacht twee tijgers gedood,” antwoordde de Encuerado hem. »'t Is lang geleden, dat mij zulk een buitenkansje is te beurt gevallen.

—Baparalaca, sprakJaunet.

Zeker, zeker, men kan hempor aca(van hieraf) zien,” antwoordde de Indiaan levendig; »maar als gij slechts met één oog hadt geslapen, zooals elke fatsoenlijke papegaai moet doen, zoudt gij de twee schoten van mijn geweer gehoord hebben. Neem deze woorden ter harte, en gij ook, meester Job, want uwe scheeve gezichten beletten niet, dat ik twee tijgers heb gedood.”

Toen de koffie gedronken was, sloeg iedereen zijn mouwen om en begon men de prachtige dieren, die in ons bezit waren gekomen, de huid af te stroopen. Dit moeielijke werk nam den geheelen morgen in beslag. Nauwelijks waren wij er mede gereed, of ik bracht onze bagage aan boord van het vlot, dat zich weldra van den oever verwijderde. Lucien viel het in dat Rougette op het strand was vergeten en hij verzocht ons haar niet achter te laten.

Een flinke duw met den boom bracht ons naar het punt van vertrek terug en de droefgeestige Ariane hernam hare plaats in de pan, die haar tot woning diende, zonder de geringste ontroering te doen blijken.

De lianen en struiken, die de oevers omgaven, groeiden nu nog van afstand tot afstand. Het vlot gleed tusschen varens en palmboomen door. Naargelang de plantengroei minder afwisselend werd, verdwenen ook de insecten en de vogels. Het woud verkreeg een zeer ernstig karakter. Onze blikken drongen onder de door palmboomen gevormde gewelven door en verloren zich in hunne duistere diepten. De muskieten en horzels plaagden ons nog meer dan naar gewoonte en de warmte drukte ons neer. Wij gleden stil en lusteloos verder. Die verlaten oever, die boomen met breede, door geen windje bewogen bladeren, die naakte bodem, dat zwarte water, hetwelk zonder de minste beweging voortvloeide, vervulden de ziel met eene onbestemde droefheid. Ik merkte herhaalde malen op, dat tegenover die eenzaamheid vol majesteit, een onverklaarbaar gevoel ons overzacht deed spreken.

Het rustuur had sedert lang geslagen, maar niemand stelde voor aan wal te gaan. Wij dachten aan de groote bosschen, welke wij den vorigen dag doorgetrokken waren en gingen vooruit, met de hoop de bezielde wereld terug te zullen vinden. De Encuerado, duwde ons, met zijn boom gewapend, die soms den bodem der rivier bereikte, met kracht vooruit; maar veelvuldige bochten vertraagden onzen gang en de nacht dreigde ons te overvallen. Eindelijk lieten de minder dicht opeen staande palmboomen een weinig licht doordringen en de rivier trad buiten het bosch om zich in eene vlakte te storten, waarna het vlot onder een priëel van lianen doorgleed.

Onze eerste zorg was om de tijgervellen op den warmen bodem uit te spannen; eenige paaltjes, te voren in den grond gestoken, maakten het werk gemakkelijk. Terwijl ik den Encuerado hielp gingen Sumichrast en Lucien uit, om iets voor het middagmaal op te sporen. Het vuur brandde reeds sedert lang, toen uit de verte een schot weerklonk. De Encuerado had twee vischlijnen uitgezet, maar duizenden kleine vischjes verslonden het aas, dat hij aan zijne haken had bevestigd en noodzaakten hem het telkens te vernieuwen.

»Ziet ge me dan voor een gans aan, dat ik u voeden moet?” riep hij toornig uit. »Dat zullen wij eens zien.”

En het vlindernet nemende, dat uit sterk linnen was vervaardigd, ving mijn makker in een oogwenk eene menigte bakvischjes, aan welke hij zijne spotternijen niet spaarde.

Sumichrast kwam terug, met een groenen iguano beladen; Lucien trok aan een strik een jongen krokodil van ongeveer twintig centimeter lengte, voort.

»Zie eens, mijnheer de Encuerado,” riep de knaap zijn vriend toe, »hier heb ik een krokodil, alligator of kaaiman, een verwante van de hagedissen en een vijand van de menschen. Dit lieve diertje heeft holle en ongelijke kiezen, zoodat het zijne prooi niet kan kauwen. Het voedt zich met visschen, otters, kalveren en eene menigte andere dieren. 't Is een tweeslachtig dier, mijnheer de Encuerado, een wezen, dat evenals de kippen eieren legt, maar ze in het zand begraaft, waar de zon zich met het uitbroeden belast; een dier dat zooveel van den mensch houdt, dat het hem opeet, als het hem beet kan krijgen.

—Pas op, dat gij u niet laat bijten,” riep ik mijn zoon toe; »hoe hebt gij dien jongen kaaiman kunnen vangen?

—Ik heb hem vervolgd, want ik dacht dat het eene groote hagedis was; mijnheer Sumichrast riep mij toe, dat ik hem niet moest aanraken en heeft hem toen deze liaan om den hals gebonden.”

—Ik hoop toch niet, dat gij er aan denkt om hem meê te nemen?”

—Neen, 't is een te slechte kameraad; hij wil altijd bijten. Ik zal hem eens aan meester Job laten zien en de vrijheid weergeven.”

Als men er meester Job naar gevraagd had, zou hij, denk ik, voor de eer van de kennismaking bedankt hebben. Hij deinsde op het zien van den jongen kaaiman terug en zocht te vergeefs zich te verbergen. Jaunet en Verdet wisselden eenige woorden en klapwiekten, wat gewoonlijk hun eenig hulpmiddel was. Rougette trok verontwaardigd al hare uiteinden in hare schaal terug en bleef als versteend. De sauriër werd daarna op den oever van de rivier gebracht; maar in plaats van er in te springen, zooals de knaap verwachthad, beschreef hij een halven cirkel en ging het bosch weer in.

»Kunnen de jonge krokodillen dan niet zwemmen?” vroeg Lucien verbaasd.

—Ja wel, Chanito; maar zij gaan niet in 't water voor en aleer zij in staat zijn zich te verdedigen.”

—Tegen wien?”

—Tegen de groote mannetjes, die zich gaarne met hun kinderen voeden.”

Dit staaltje uit de zeden der krokodillen was niet geschikt om den jongen natuuronderzoeker met de dieren te verzoenen, waaraan het monstertje, hetwelk hij zooeven weg had gebracht, hem even leelijk als kwaadaardig toescheen.

»Och dan!” riep hij uit, »hoe hebt gij uwe pan zoo spoedig met visch kunnen vullen?”

—Als gij er bij waart geweest, zoudt ge pret hebben gehad,Chanito.”Ik had twee vischlijnen, goed van aas voorzien, uitgezet en die kleine heeren, met hun zilveren kleed, zijn gekomen om het aas er af te snoepen, zoodat ik het wel tienmaal heb moeten vernieuwen, want ik wilde eenbobovangen, en dacht volstrekt niet aan hen. Maar eensklaps zag ik ze lachen....

—Hebben de visschen gelachen?”

—Ja, Chanito, met hun staart; op die manier,” voegde de Indiaan er bij, met zijne hand eene beweging makende als de zwemmende vischjes doen. Eerst lette ik er niet op; maar toen begonnen ze te dansen, te springen en mij lomperd te noemen....

—De visschen zijn stom!”

—Hebt gij dan nooit gehoord, hoe zij het water met hunne vinnen slaan?... Nu springen zij nog, maar nu lach ik en noem ik ze lomperds.”

De zorgen, die de maaltijd vereischte, maakte aan dit verhaal een einde. De visschen, welke met het vet van de iguano gebakken waren, werden zeer geprezen; het blanke en malsche vleesch van den Sauriër werd niet minder goed gevonden, want het wildbraad begon ons tegen te staan.

Den volgenden morgen, een weinig voor het aanbreken van den dag, voerde de wind ons een walgelijken reuk van muskus toe. Ongetwijfeld zouden wij een met krokodillen bevolkt moeras door te trekken hebben. Nauwelijks was de zon op, of ik zag op den oever, tien passen slechts van het vlot, drie monsters lui uitgestrekt liggen. Ik wekte Lucien, die, bij het zien der reusachtige dieren, eene beweging van schrik niet kon weerhouden. Zij waren van vijf tot zes meter lang, het lichaam was bruin en met bulten bedekt,en de muil tot aan de oogengespleten; een hunner, die zijne kaken wijd opengesperd had, liet zijne holle tanden zien. Ik nam den knaap bij de hand om hem tot bij de amphibieën te brengen;eerst wildehij niet; het uiterlijk dezer monsters boezemde hem eenonoverwinbarenafkeer in.

»Ik mag nog liever een tijger,” zeide hij; »zijn gebrul is vreeselijk, maar hij is niet zoo afschuwelijk.”

Ik overreedde mijn kleinen metgezel om zijn afkeer te overwinnen en mij te vergezellen. Ik bleef op dertig schreden van de kaaimans staan, die toen teeken van leven begonnen te geven en langzaam in 't water dompelden. Lucien herademde; de voorwereldlijke vorm van deze tweeslachtige dieren boezemde hem een onwillekeurigen angst in.

Het vlot dreef op nieuw verder en de met lianen, kinaboomen en Amerikaansche lotusboomen versierde oevers hernamen hun lachend en tevens wild uiterlijk. Wij zouden veel gevaar geloopen hebben midden in de moerassen, die wij moesten doortrekken, te verdwalen, zonder de kennis van den Encuerado, die ons spoedig weer op den goeden weg bracht. Eindelijk werd de rivier weer nauwer en herkreeg zij hare gewone diepte.

»Zie eens daar, mijnheer Sumichrast,” riep Lucien uit, »men zou zeggen dat er oogen op het water drijven.”

—Daarin hebt gij u niet vergist; dat zijn oogen van krokodillen.”

De knaap drukte zich tegen mij aan; ik trachtte hem gerust te stellen, maar die sombere oogen, die in alle richtingen zich vertoonden en de bewegingen van het vlot volgden, maakten hem buitengewoon ongerust.

Soms kwam een krokodil dwars voor ons vaartuig liggen.

»Ga door,” riep de Encuerado, »al weet gij ook dat uw huid onkwetsbaar is, dan is dat nog geen reden om u hier als heer en meester op te werpen. Ik ken wel een naadje in je rok, waar mijn kogel eene opening zou weten te vinden. Wees maar niet bang, Chanito; zij zullen ons niet aanvallen.”

Soms waren de lage oevers overdekt met deze monsters, die met wijd geopenden muil naar de zon toegekeerd lagen. Sommige gleden in het water en kwamen om het vlot dolen; maar het grootste aantal bleef onbeweeglijk en verwaardigde zich niet van plaats te veranderen. De vrees van Lucien bedaarde allengs; maar nadat hij zoo zeer gewenscht had kaaimans te zien, begon hij er zich nu over te beklagen, dat hij er te veel zag. »Zij zijn hier de baas,” zeide mijn vriend hem; »zij groeien en vermenigvuldigen zich ongestoord. De rivier bevat visch genoeg om hen te voeden, en zonder twijfelgaan zij nu en dan wel in het bosch op de jacht. Zie daar eens naar dien, welke de landtong opklimt, hij draait met moeite om zich zelven; men zou zeggen, dat hij geen ledematen heeft en kruipt. Dat komt omdat zijn lichaam geen gewrichten heeft en hij zich niet anders dan met het geheele lichaam kan bewegen. Men heeft derhalve wel gelijk als men zegt, dat men aan een krokodil kan ontsnappen, door op zijne schreden terug te keeren; men behoeft slechts een korten draai te nemen.”

Bij de horzels en muskieten, welke ons reeds kwelden, kwamen zich nu nog andere tweevleugelige insecten,radadores(draaiers) genoemd, voegen. Die bloedzuigers hadden het vooral op de handen voorzien en als bewijs dat zij er op geweest waren, lieten zij op de huid een druppeltje bloed achter. Lucien, die reeds tweemaal gestoken was, vond eerst vermaak in de vlugheid dezer insecten; maar weldra vond hij, dat zij te veel misbruik van hun angel maakten.

Tot dusverre was de rivier bijna even hoog geweest als de bodem langs hare oevers, wat de vorming van de talrijke moerassen, waarover ik gesproken heb, verklaart. Nu begonnen de oevers echter allengs hooger te worden en dreef het vlot onder een gewelf van groen door. De Encuerado moest neerhurken om er onder door te komen; hij ging weer overeind staan om Lucien een boom aan te wijzen, geheel met papegaaien overdekt, die ons met hun geschreeuw begroetten, waarop de Indiaan niet in gebreke bleef pittig te antwoorden. Terwijl al onze aandacht door deze vermakelijke woordenwisseling gaande werd gehouden, had niemand erg in een dikken tak, die onze hoofden aanraakte en onzen stuurman omverwierp. In plaats van naar ons toe te zwemmen, zoodra hij boven water kwam, zwom de Encuerado naar den oever. Wij waren reeds een eind ver eer ik het vlot stil kon doen houden en de hemel weet hoeveel moeite het mij kostte om tegen den stroom op te komen.

Met zijne machete in de hand trok de Indiaan van leer tegen den boom, die de oorzaak van zijn ongeval was.

»Zoo! overvalt gij de menschen zoo verraderlijk, om ze in 't water te smijten,” riep hij uit; »dat is nog al een slimme zet en dat voor een honderdjarigen grijsaard! Maar dat zult ge vooreerst niet weer doen, dat zweer ik je.

—Als gij dien reus omver wilt werpen,” riep mijn vriend hem toe, »kunnen wij wel gaan kampeeren; gij hebt er minstens acht dagen werk aan.

—Hoogstens voor tien minuten, Tatita Sumichrast; men zal niet kunnen zeggen, dat die groote lummel mij den hals zal gebrokenhebben, om er later met de papegaaien, die hem die aardigheid zeker hebben aangeraden, over te lachen.”

Door de kerven, die hij in den stam had gemaakt, kon de Encuerado tot aan den eersten tak klimmen; maar door zijne te groote haast gleed hij naar omlaag en kwam nog eens in 't water terecht. Nu kende zijn toorn geen grenzen.

»Lach maar, lach maar!” riep hij, »wij zullen wel zien wie het hardst zal lachen.

En opnieuw naar boven klimmende ging hij op den tak zitten, welke hem had omgeworpen; wij hoorden hem pruttelen zonder zijne woorden te verstaan, terwijl hij uit alle macht er op loshakte. Ik wilde het vlot dichterbij brengen, om met hem te kunnen spreken; eensklaps weerklonk een gekraak en de Indiaan en de tak vielen tegelijkertijd in de rivier.

Op dit geraas begonnen de papegaaien te schreeuwen en namen de vlucht; de zware tak gleed langs ons heen en had ons bijna meegesleept. Onze makker klom op het vlot en lachte zoo hartelijk over de nederlaag van den boom en den schrik der papegaaien, dat hij zijne vroolijkheid aan Lucien mededeelde. Bij slot van rekening had hij eenen grooten bult op zijn voorhoofd en gevoelde hij zich geheel uitgeput. Ik verbond hem, waarop hij slapen ging met dien rustigen slaap van een kind, dat door een boozen bui vermoeid is geworden.

Gedurende twee uren bestuurde ik ons vaartuig; daarna hernam de Encuerado zwijgend zijne gewone post. Eensklaps bewogen zich de bladeren; de grond dreunde en tusschen de lianen werd de kop van een wilden stier zichtbaar. Het dier zag ons met woeste blikken aan, stiet een dof gebrul uit en verdween daarop.

Het zien van dezen nieuwen gast verkondigde ons de nabijheid der Savannen; wij verwachtten om bij elke kronkeling van de rivier uit het bosch te komen. De boomen werden kleiner en het struikgewas talrijker en plotseling ontplooide zich voor onze oogen eene onmetelijke vlakte, welke de rivier doorsneed. Wij zouden juist den laatsten struik voorbijgaan, toen de Encuerado eensklaps het vlot achteruitduwde. Ik stond op en zag eene kudde stieren, welke zich naar de plek begaven, die wij juist wilden oversteken.

»Drommels, drommels!” riep Sumichrast uit, »dat is veel zeldzamer schouwspel dan dat van de krokodillen; laten wij meester Zonnestraal zoo plaatsen, dat hij goed zien kan.”

De Encuerado, die naar de prairie was gegaan, riep ons. Ik vond hem bij den stam van een grooten wilg staan; zonder een oogenblik te verliezen namen Lucien, Sumichrast en ik tusschende takken plaats. Gringalet werd ook naar omhoog geheschen, maar de Indiaan ging te water en zwom naar een alleenstaanden boom tegenover ons.

»Wij zullen heden avond gebraden runderhaas eten,” riep hij ons toe en hij maakte tusschen de takken zulke dwaze sprongen, dat ik andermaal voor een val vreesde.

De stieren naderden. De grond beefde onder hunne hoeven en hun geloei maakte ons doof. Een hunner, een prachtig dier, met zwart en wit gevlekte huid, liep met opgeheven hoorns en onrustigen blik voorop. De troep, die nu eens draafde en dan weer stil stond om te grazen, volgde zijn onstuimigen aanvoerder; de kaaimans, als door het geraas ontwaakt, verzamelden zich bij het begin van de Savanne en de op het water drijvende oogen werden steeds talrijker.

De wilde troep bleef op vijftig schreden van de rivier halt houden; de zwartbonte stier ging alleen vooruit, dronk langzaam en wierp zich toen in de rivier; hij bereikte den overkant en keerde zich dan om. Daarop hernam de geheele troep, waarboven een wolk horzels zweefde, den draf, om zich bij den aanvoerder te vervoegen. De verschrikkelijke dieren, ongeveer vijfhonderd in getal, wierpen zich in het water, verdrongen elkander en stieten een afschuwelijk geloei uit. In minder dan een kwartier uurs bleven er aan onzen kant niet meer dan vijf of zes stieren over, die schenen te aarzelen om zich in 't water te begeven. Plotseling knalde een schot, een der dieren stiet tegen den boom waarop wij zaten; een bloedstroom gutste uit zijne borst. Hij draaide rond, loeide en het zware lichaam stortte neer. Ik wierp een blik naar den Encuerado, die, tot op de onderste takken afgedaald, zijne gymnastische toeren hervatte. De jonge stieren, door het geweerschot en den val van een hunner verschrikt, besloten eindelijk om de rivier over te steken; een blijft staan om te drinken; de muil van een krokodil vat hem bij den snuit en sleept hem mede. Een tweede verdwijnt midden in de rivier en een der aanvoerende stieren begint eensklaps te worstelen en bereikt, geheel met bloed overdekt, den oever. De door dehorzelsgekwelde troep hervatte daarop zijn woedenden loop en verdween in de verte.

Ik wilde naar beneden dalen, toen een welbekend gejank zich deed hooren; een twaalftal jakhalzen naderde reeds het door den Encuerado gedoode dier. Een schot van Sumichrast verwondde een der stroopers; de anderen, voorzichtig geworden, hielden zich op een afstand. De Indiaan snelde toe om de opbrengst van zijne jacht te beschermen en sneed het dier in stukken, terwijl hij met de coyoten een gesprek voerde.

»Weest dan toch zoo goed te wachten,” sprak hij bij elk gejank; »ik heb het dier gedood; 't is dus niet meer dan billijk, dat ik mij het eerst bedien.”

Gedurende dit tooneel hadden wij meester Job en de papegaaien uit het oog verloren; ik vond ze in de zon zitten en half slapende. Zij lieten eene zekere blijdschap merken toen zij ons terugzagen. Toen het etensuur daar was, zette de Encuerado ons een stuk haas, hersenen, tong en nieren van het rund voor. Lucien was verbaasd toen hij vernam dat deze dieren, door de Spanjaarden uit Europa naar Amerika overgebracht, zich, evenals de paarden zoo zeer vermenigvuldigd hebben, dat zij nu de Savanne bij troepen van dertig- en veertigduizend stuks doorloopen.

Tegen den avond begon in de verte een onweer te grollen en talrijke bliksemstralen verblindden ons. Wij hadden een afdak gemaakt, voor 't geval dat de regen naar ons zou toekomen. Gelukkig bleven wij er van verschoond; maar het was eene nieuwe waarschuwing om onze reis te verkorten.

DE KONING DER GIEREN.—DEPINOLILLAS.—ANGST VAN DEN ENCUERADO.—DE TAPIR.—AFSCHEID VAN DE RIVIER.—DE PROOI VAN DEN LEEUW.—EEN SLECHTE NACHT.

Den volgenden morgen vertrok de Encuerado alleen op het vlot; wij hadden besloten de Savanne te voet door te trekken, om zoodoende voor een paar uur aan de insecten te ontsnappen, die van onze gedwongen onbeweeglijkheid gebruik maakten om ons op hun gemak het bloed af te tappen. Lucien en Gringalet trachtten den Indiaan te volgen, maar deze werkte zoo goed met zijn boom, dat het vlot als een renpaard vooruitschoot en hen spoedig vermoeide.

Troepen zwarte gieren zweefden in de lucht en richtten zich naar een niet ver van de rivier gelegen punt. Daar de nieuwsgierigheid ons in die richting heentrok, bleef Lucien, die vooruit was geloopen, eensklaps staan; ik ging schielijk naar hem toe en in een groot gat met steile wanden en ongeveer twaalf meters breed, bemerkte ik verscheidene honderden der afzichtelijke vogels met naakten hals, die elkander het lijk van een stier betwistten.

Ik stond op 't punt mij te verwijderen, toen de gieren, die door onze tegenwoordigheid nauwelijks beangst waren, eensklaps eene levendige vrees te kennen gaven, hunne prooi in den steek lieten en een wijden kring vormden. In de lucht had zich een nieuwe gast vertoond, die boven ons rondvloog. Hij streek zwaar neder en sloeg zijne witte met zwart omzoomde vleugels toe. De nieuw aangekomene was desarcaramphus papader geleerden, de koning der gieren of koningsgier, een broeder van den condor.

De koning der gieren, zooals de Indianen hem noemen, had een zwarten staart en witte vleugels. De hals was versierd met een kraag van parelgrijze veertjes en het bovengedeelte van den kop gestreept met een donker, in regelmatige rijën geplaatst dons; de wangen waren met levendige kleuren getint, die het witte oog prachtig omlijstten. Zijn geelachtige bek, van middelmatige grootte, droeg een vleezig uitwas in den vorm van een klaverblad, waarvan de ornithologen zich tevergeefs het nut zoeken te verklaren. De prachtige roofvogel wierp een heerschzuchtigen blik om zich, naderde de prooi en begon zich te verzadigen. Onophoudelijk kwamen nieuwe gasten aan, die op een afstand bleven zitten. Gringalet, die met moeite werd tegengehouden, blafte uit alle macht, zonder dat de vogels er in 't minst acht op sloegen.

Eindelijk vloog de koningsgier weg; de hongere gasten, door de kracht van den machtigen tegenstander, wien zij, als bij instinct, den eersten rang inruimden, in bedwang gehouden, wierpen zich allen te gelijk op den stier, die onder hun opeengedrongen gelederen verdween. Er ontstonden tweegevechten, de gebogen snavels botsten met kracht tegen elkander aan en de slaande vleugels brachten zware verwondingen toe. Ik gaf het teeken om te vertrekken.

Wij liepen niet minder dan twee uren eer wij het woud bereikten; wij hadden ons in den afstand vergist en de wandeling was in een moeielijken marsch veranderd. Ik vond den Encuerado slapende en meester Job bezig met deschildpadeierente ledigen, die onder zijn bereik waren gebleven. Gringalet nam zijn deel van de door den aap gereedgemaakten struif, terwijl Sumichrast een kijkje nam in den pot, waarin de schilpad kookte en ik den Encuerado wakker maakte. Men bevond dat de schilpad goed van gaarte was; maar toen de Encuerado de verwoesting zag, die onder de eieren was aangericht, waarin hij gemeend had te zullen smullen, wilde hij meester Job voor zijne straf een bad geven. Iedereen sprong voor den schuldige in de bres; onze toegeeflijkheid vond, naar ik vermeen, hare oorzaak wel wat in de schilpadeieren zelven, waarvan het onstolbaar wit en zanderig geel ons gehemelte weinig konden bekoren. Gelukkig kon de Encuerado niet lang boos blijven; hij schonk meester Job vergiffenis, die tot driemaal toe het moest aanhooren, en dat nog wel voor getuigen, dat hij zonder hoop op genade een bad zou krijgen, zoodra hij opnieuw misbruik van vertrouwen zou plegen.

Eer wij ons weer op het vlot inscheepten, moesten wij onze kleeren reinigen van honderdenpinolillas, die wij in Savanne hadden opgedaan en welke het ons nu lastig begonnen te maken. Deze zwarteinsecten, kleiner dan vlooien, hoopen zich aan de uiteinden der planken op en zijn gereed zich op het eerste dier het beste te werpen, dat er bij ongeluk tegenaanstoot. De met haakjes gewapende pooten dringen dan in het vleesch door en hun hongerige en vergiftige snuit zuigt met kracht het bloed uit. Het was een zwaar werk om deze lastige parasieten, die hunnen slachtoffers eene jeukte veroorzaken, welke met het ondergaan der zon geregeld terugkeert, te verwijderen.

Tegen vijf uur in den namiddag landde het vlot in eene, door palmboomen overschaduwde baai. De Encuerado haastte zich om de tijgervellen uit te spannen en daar de nacht aanbrak, stelden wij ons tevreden met hetgeen van onze schilpad was overgebleven. De Indiaan, die weinig geloopen had, nam zijn geweer en liep de rivier langs. Na verloop van een kwartier uurs kwam hij bleek en geheel ontdaan aanloopen.

—Zijt gij door eene slang gebeten? riep ik uit.

—Neen, Tatita,” antwoordde hij, geheel buiten adem, »er is mij iets veel ergers overkomen. Ik heb hem gezien!

—Wien?

—Denante-burro,” mompelde de Indiaan, een kruis makende.

De door den Encuerado te kennen gegeven vrees was voor Lucien zoo iets geheel nieuws, dat hij groote oogen opzette. Hij had meer dan eens over denantehooren spreken, een dier zoo groot als een ezel, met zonderlinge vormen, en dat zich slechts laat zien aan hen, wien hij een kwaden streek wil spelen.

»Stel u maar gerust,” zeide ik tot den Indiaan; »als gij denante-burrogezien hebt, zullen wij hem morgen doodschieten.

—Men kan den duivel niet doodschieten, Tatita.

—Met gewone kogels niet; maar wel met die, welke Sumichrast weet te maken.

Mijne nieuwsgierigheid was opgewekt; het zeldzame en wantrouwende dier, waarvan de Indianen als 't ware een fabelachtig wezen hebben gemaakt, is niet anders dan de tapir, dien ik nog nooit ontmoet had. De Encuerado, die zoo ontsteld was, dat hij nauwelijks kon eten, vertelde ons, dat hij den oever van de rivier gevolgd was, die zich op ongeveer vijfhonderd meters van de plaats, waar wij gekampeerd waren, in eene breedere en diepere rivier uitstort. Op eene dikke graszode gezeten, zag hij naar de uitgestrekte bruisende watervlakte, toen deante-burroeensklaps, als een los paard springende, op het grasperk was verschenen.

»En hebt gij er niet op geschoten?” riep mijn vriend uit.

—Ik heb de vlucht genomen,” antwoordde de tijgerjager.

Sumichrast deelde aan Lucien mede, dat de tapir een verwanteis van de pecaris, dat zijn neus in een niet grijpende slurf eindigt en dat hij in de eenzaamste bosschen in de nabijheid van waterstroomen leeft. Hij liet niet na zijn leerling te wijzen op het nadeelige van het bijgeloof, dat een der vormen der onwetendheid is; zoo beefde dan ook de Encuerado, dien wij den vorigen dag tijgers, krokodillen en stieren het hoofd hadden zien bieden, bij de enkele gedachte van zich tegenover een weerloos plantenetend dier te zien, waaraan zijne verbeelding fantastische vormen en afmetingen gaf. Hij wilde niet gaan slapen; bij het geringste geritsel der bladeren meende hij zijn vijand weer te zien. In plaats van zijne dwaling te bestrijden—wat tot geen uitslag zou gevoerd hebben—wilde ik hem doen gelooven, dat mijne macht die van denante-burroovertrof.

»Zou ik anders Lucien wel aan 't gevaar blootstellen in zijne nabijheid te gaan slapen!”

Sumichrast overhandigde den Indiaan twee kogels, en verzekerde hem, dat hij slechts behoefde te mikken om daarmede het dier te treffen. Allengs begon de Encuerado zich gerust te stellen; de gedachte dat hij den duivel onder zijne vreeselijkste gedaante zou kunnen dooden, prikkelde zijne eigenliefde, en hij sliep in, zonder twijfel droomende over het heldenstuk van den volgenden dag.

Bij het aanbreken van den dag waren wij reeds aan de samenvloeiing der beide rivieren gekomen; voor ons strekte zich eene prairie, met zwaar gras bedekt, uit, en als de tapir gedurende den nacht niet verzadigd was geworden, zou hij zonder twijfel terugkeeren. Sumichrast en Lucien namen naar links, dicht bij de rivier plaats, terwijl ik achter een boomstam, bij den ingang van het woud, naast mijn bediende post vatte.

Er verliep meer dan een uur. Fraaie vogels kwamen dicht bij ons neervliegen en drie chachalacas gingen boven onze hoofden zitten. Ik begon te gelooven dat wij de huid van den tapir wat te vroeg verkocht hadden, want wij waren overeengekomen dat mijn vriend alleen eene verdedigende houding zou bewaren opdat de Encuerado zich kon overtuigen, dat men eenante-burrokan dooden. Eensklaps week het riet vaneen en twee dikhuiden vertoonden zich op het grasveld. De Encuerado maakte een aantal kruisjes.

»Schiet,” sprak ik met zachte stem en mik op het voorhoofd. Het schot viel en de tapirs sloegen op de vlucht; een hunner viel echter op den grond eer hij het water bereikt had en liet een dof geknor hooren; hij was dood toen ik bij hem kwam.

De Encuerado onderzocht het lijk, hetwelk ongeveer een meter lang was; wat de grootte, die hij aan het dier toeschreef, aanmerkelijk verminderde.

»Gij hebt den duivel gedood,” zeide Lucien hem, die op zijne beurt den zonderlingen dikhuid onderzocht.

—Ja, Chanito, met behulp van den betooverden kogel; maar de duivel is zoo dom niet, hij zal weer in het lichaam van een anderenante-burroherleven.”

Daar de Encuerado bepaald weigerde den tapir aan te raken, nam Sumichrast op zich om van het dier, welks vleesch wij wilden proeven, enkele stukken af te snijden. Al onze pogingen om den Encuerado van zijne dwaling te overtuigen, waren vruchteloos. Zijn vindingrijke geest verwrong al onze bewijsgronden. Dat de tapir niet grooter was, dat hij zich had laten treffen, dat de kogel hem geraakt had, kwam omdat wij tooverwoorden kenden, om de kunstenarijen van den duivel onschadelijk te maken; maar willen staande houden dat de satan niet in het lichaam van denante-burrohuist, dat de door den duivel bezetene zich niet naar willekeur kon opblazen, dat hij dengenen, dien hij kan bereiken, niet met den dood treft,—evengoed zou men het bestaan der Engelen kunnen loochenen!

Al gevoelde de jager zich voor het oogenblik ook bij machte om nog een anderen tapir te trotseeren, dan, hij verheelde het niet, zou hij, in zijne hoedanigheid van Christen, de vlucht nemen voor een nieuwenante-burro, als zijn tweede kogel verschoten was.

Het vleesch van den dikhuid had wel wat weg van dat van den pecari, maar met een minder merkbaren wildsmaak. Tegen den middag werden de tijgervellen opgenomen en weldra dreef het vlot opnieuw op de beide vereenigde rivieren. Wij hadden er eerst aan gedacht om de golf van Mexico te bereiken, maar het te ver gevorderde jaargetijde stond dezen tocht niet toe. Tegen den avond verduisterde een nieuw onweer den horizon; de regen viel met geweld neder, terwijl de donder in de verte ratelde. Opeengedrongen in eene in haast opgeslagen hut, aangevallen door duizende insecten, die wij trachtten te verdrijven door te rooken, besloten wij, dat het vlot den volgenden dag zijne reis alleen naar de zee zou vervolgen en dat wij den tocht in den vorm van een hoefijzer zouden besluiten met tot ons punt van uitgang terug te keeren. Lucien ontroerde bij de gedachte dat hij zijne moeder, broertjes en zusjes zou terugzien; de Encuerado die te vroolijker werd, naarmate hij zich meer van de verblijfplaats der tapirs verwijderde, deelde het nieuws aan Gringalet mede, die met blaffen antwoordde.

De volgende dag werd besteed met het in orde brengen van de bagage. Jaunet en Verdet zouden de reis op de mars doen en meester Job nu eens op den schouder van Sumichrast, dan weder op denmijnen. Eenige in de braadpan gelegde bladeren waren voldoende voor de genoegzaamheid van de zwaarmoedige Rougette.

In den schemeravond vervroolijkten duizenden vogels ons bivak. De Encuerado sneed het meertouw van het vlot door, bedankte het vaartuig voor de diensten, die het ons bewezen had en wenschte het eene goede reis. Terwijl ik het zwakke vaartuig den stroom af zag zakken, gingen twee reigers er zich op neerzetten en met deze gevederde bemanning beladen verdween het uit 't gezicht. Bij het aanbreken van den dag was iedereen op de been; de tapirrivier, zooals Lucien haar gedoopt had, werd met drie hoera's begroet en de kleine troep volgde Sumichrast, die meester Job droeg, op den voet. Jaunet en Verdet van voren naar achter heen en weer geschud, trokken een droevig gezicht. Tevergeefs beschreef de Encuerado hun de wonderen der stad, waarheen men hen voerde, de arme vogels bleven stil alsof zij de zeeziekte hadden. Wij trokken een groot bosch door, waarna de kleine troep op eene uitgestrekte vlakte kwam. De warmte overstelpte ons en onze vracht drukte vreeselijk op onze schouders. Dat kwam doordien acht dagen rust ons reeds verweekelijkt hadden en meester Job, die toch niets woog, moest het dikwijls aanhooren, dat zijne zwaarte hem verweten werd.

Na de prairie kwam een doodsch en stil bosch van palmboomen. Mijn vriend nam de voorhoede en geleidde ons door de eenvormige stammen. Slangen en raven, en dan enkelesacuas, een soort vogel met bruin en zwart gevederte en gelen staart, waren de eenige levende wezens, welke wij op onzen weg ontmoetten. De muskieten kwelden ons bijna evenveel als op de oevers der rivier; eindelijk moesten wij, door de vermoeidheid overwonnen, kampeeren; ons middagmaal bestond slechts uit maïskoeken; maar onze papegaaien en meester Job vergastten zich op kleine cocosnooten, die mencoyolesnoemt.

Bij het aanbreken van den dag gaf ik het teeken tot vertrek, en geleidde ik, op mijne beurt, de karavaan. Wij moesten verscheidene open plaatsen en daarna eene kleine savanne doortrekken, waar het hooge gras onzen marsch vertraagde. De plantengroei nam weer eene andere gedaante aan, de styrax- en ebbenhoutboomen vertoonden zich opnieuw en eene menigte parkieten maakten door hun gesnap Jaunet en Verdet wakker. Een damhert vluchtte voor ons en eene kleine beek versperde ons den weg.

Toen het bivak was opgericht bemerkte de Encuerado eene kreeft, waarna hij met Lucien op de schaaldieren jacht maakte. Ik volgde met Sumichrast het spoor van het damhert; nauwelijks hadden wijeen afstand van vijfhonderd schreden doorloopen, of een heuvel verhief zich voor ons. Ik beklom hem en mijne blikken verloren zich in eene savanne, die zich uitstrekte zoover het oog reikte en waarvan het hooge gras op een rijpen korenoogst geleek. Sumichrast, die halverwege was blijven staan, riep mij, door het geluid van den uil na te bootsen; ik ging zonder geraas naar hem toe en mijn makker toonde mij tusschen de boomen een damhert, dat rustig graasde en hetwelk zijn besluiteloos heen en weer loopen zeker in onze nabijheid zou brengen. Ik ging naast mijn vriend op den loer staan, vol bezorgdheid het gaan en komen van het sierlijke dier bespiedende; het hief tot tweemaal toe den kop op en gaf blijken van eene onbestemde ongerustheid.

Vreezende dat het ons zou ontvluchten, wilde Sumichrast schieten, toen het hert opsprong en onder het gewicht van een leeuw ineenzakte. Ik schoot mijn geweer af; het roofdier brulde, sleepte zijne prooi een twintig schreden voort en verdween toen.

Op het hooren van mijn schot kwam de Encuerado, door Lucien gevolgd, aanloopen, en begon onmiddellijk eenige stukken van het dier af te snijden, terwijl Sumichrast en ik den omtrek goed in 't oog hielden, uit vrees dat de woeste jager mocht terugkeeren. Hij, van zijn kant, had ons in 't oog gehouden; want nauwelijks hadden wij de overblijfselen van het hert laten liggen of hij brulde en kwam terug om bezit van zijn aandeel te nemen. Dit wildbraad en een dertigtal kleine kreeften, door de twee vrienden gevangen, troostten onze magen over het magere maal van den vorigen dag.

Van den top van den heuvel woonden wij het ondergaan der zon bij; eene stevige koelte bracht het hooge gras in beweging en deed het als eene vloeibare vlakte golven. Aan onze rechterhand teekenden de Cordilleras hunne blauwe lijnen af, en de vulkaan vanOrizava, waaromheen wij een grooten boog beschreven hadden, vertoonde zich in het Westen. Van nu af moest de berg ons tot kompas dienen; maar de onmetelijke savanne, die zich voor ons uitstrekte, maakte mij voor mijn jongen metgezel bevreesd.

»Moeten wij die groote vlakte doortrekken?” vroeg hij.

—Ja, beste Zonnestraal, dat is de kortste weg omOrizavate bereiken.

—Maar hoe moeten wij door dat gras komen, dat hooger dan u is.

—Daar ligt de moeielijkheid niet; ten koste van een weinig arbeid, zal het ons wel een doortocht verleenen.

—Hoeveel uren hebben wij wel noodig om die savanne door te trekken?

—Hoeveel uren! gij bedoelt zeker minstens drie of vier dagen.

—Hm!” gaf mijn arme, lieve jongen ten antwoord.

De koelte nam toe; groote zwarte wolken stapelden zich boven ons op; snelle bliksemstralen doorkliefden de lucht. Zware regendruppels ratelden op de bladeren, zoodat wij ons haastten in de hut terug te keeren. Een donderslag weerklonk, en de regen, door den wind opgezweept, maakte ons onder ons afdak nog nat. Weldra ontstond er een vreeselijk geraas; de wind deed de boomen buigen, de bliksemschichten volgden elkander zonder tusschenpoozen op en verblindden ons door hun rood of blauw licht. Jaunet en Verdet sliepen niet meer en meester Job liet zekere ongerustheid blijken.

Het vuur was uitgegaan en het water stroomde over den grond. Slechts de Encuerado kon te midden van het geraas der ontketende elementen en op een drassig geworden grond slapen. Eindelijk verwijderde de donder zich; maar de regen bleef gedurende vier uren onophoudelijk vallen. Wij waren nat tot op de huid en Lucien klappertandde, niettegenstaande Sumichrast en ik hem tusschen ons beiden beschut hadden. De wolken openden zich evenwel en eenige sterren begonnen te schitteren.

Tegen middernacht hernam de opgehelderde lucht hare azuurblauwe tint en de maan verlichtte flauwtjes het bosch. De Encuerado, die wakker was gemaakt, hielp ons het vuur weer in orde brengen, maakte een kop koffie gereed, en allen gingen wij slapen, na eerst andere kleeren te hebben aangetrokken en den versterkenden drank te hebben genoten.

VERTREK.—DE SAVANNE.—DE DRAAGBAAR.—VERDWIJNING VAN DEN ENCUERADO.—WIJ LATEN JAUNET EN VERDET AAN HUN LOT OVER.—MEESTER JOB WORDT TER DOOD VEROORDEELD.

De Encuerado liet ons een gat in den dag slapen. Het den vorigen dag gedoode wild, door de roofdieren half afgeknaagd, gaf reeds een weinig aanlokkelijken geur af; maar de Indiaan was op de kreeftenvangst gegaan en de opbrengst was voldoende om ons te verzadigen. Nu werd de moeilijke vraag over het vertrek opgeworpen. Sumichrast wilde eene schuinsche richting inslaan, om te trachten prairieën te bereiken waar het gras minder hoog was dan dat, hetwelk wij voor oogen hadden en waar de aanwezigheid van heesters den marsch minder eentonig zou maken. De Encuerado was van een tegenovergesteld gevoelen; volgens hem moesten wij maar flinkweg de Savanne in de geheele lengte doortrekken; dat was wel een moeielijke marsch van drie of vier dagen het hoofd bieden, maar men zou althans het doel bereiken, want over het algemeen worden deprairieënvan 't Noorden naar 't Zuiden smaller. Ik deelde het gevoelen van den Indiaan en onze bewijsgronden overtuigden onzen metgezel.

Zoo zonder beschutting en beladen als wij waren onder de stralen van een loodrecht staande zon te loopen, zou eene zinneloosheid zijn geweest. Ik besloot derhalve dat wij eerst tegen den avond zouden opbreken en dat wij slechts des nachts zouden reizen. Lucien was daarover in de wolken.

De Encuerado maakte lange staken, die, in den grond gestokenzijnde, dienen moesten om de huiden op te doen rusten en zoo eene soort van tent te vormen. De bagage werd gelijkelijk verdeeld en alle nuttelooze ballast weggedaan; ik telde onze maïskoeken, die ons eenig voedsel zouden uitmaken. Zonder ons al te zeer op rantsoen te moeten stellen, hadden wij gelukkig nog voor acht dagen levensmiddelen. Het water maakte ons het meest bezorgd. De waterflesschen werden tot aan den hals gevuld en luchtdicht gesloten. De Encuerado stelde toen voor nog wat kreeften te vangen; die dieren hebben een taai leven en vijf of zes dozijnen waren voldoende om ons twee of drie maaltijden te verschaffen.

Het voorstel van den Encuerado werd met algemeene stemmen aangenomen; hij bracht ons op den oever der beek, op een plek, waar hij 's morgens stukken vleesch had neergeworpen. De kreeften hadden zich in menigte om dit lokaas verzameld; Lucien en zijn vriend vingen er eene groote hoeveelheid van. Een tatoe, door Sumichrast gedood, kwam in den pot, waar de rijst reeds kookte; daarna ging men in de schaduw liggen om zich tot den eersten dagmarsch voor te bereiden.

Tegen vier uur werden wij door den Encuerado geroepen. Het middagmaal werd zeer vroolijk gebruikt; men sprak over niets anders dan over de thuiskomst; het was, alsof wij reeds aan ons einddoel waren. Ik bood den gasten een druppeltje cognac aan, dat op mijne gezondheid gedronken werd—welke beleefdheid ik moest beantwoorden door opnieuw de kostbare flesch te ontkurken. Als men ons zoo over de doorgestane beproevingen hoorde praten, zou men een oogenblik hebben kunnen meenen, datOrizavaachter den heuvel lag, welke boven de beek uitstak. De ondergaande zon riep ons tot de werkelijkheid terug. Iedereen nam zijne vracht op en Sumichrast trad het eerst tusschen het hooge gras, van nabij door Lucien gevolgd.

»Welnu, meester Zonnestraal, nu zijt gij even goed verborgen achter deze dorre halmen als in een woud. Zijn uw laarzen goed ingesmeerd? Gij weet dat wij gedurende een paar weken door deze vlakten moeten marcheeren.”

»Waar zijn dan de wilde stieren en paarden?”

—God geve, dat wij ze spoedig mogen ontmoeten; in de eerste plaats omdat zij ons den weg naar de poelen en rivier zullen wijzen, waar zij hunnen dorst lesschen en ten tweede, omdat zij ons, zoo noodig, eene goede schotel zouden bezorgen.

—Valt er dan in de Savannen niets te jagen?

—Niet als het gras zoo hoog is. De dieren wagen zich niet in deze eenzaamheid, tenzij een boschje hen mocht aantrekken.

—En de vogels?

—Die zullen niet te voorschijn komen voor en aleer het gras kort bij den grond zal groeien, uitgezonderd de roofvogels, die misschien boven ons zullen zweven als boven eene prooi.

Gringalet, die verplicht was in het pad te blijven, dat door Sumichrast gemaakt was, scheen geheel teleurgesteld, dat hij niet als naar gewoonte links en rechts kon rondspringen. Ik merkte op dat hij van tijd tot tijd jankte en achterwege bleef.

»Is de Encuerado dan aan 't hoofd van den troep?” vroeg ik mijn vriend.

—Neen, ik open den marsch.

—Ohé! Ohé! riep ik.

—Hioe, hioe, antwoordde in de verte de stem van den Indiaan, die na vijf minuten weer bij ons was en door Gringalet met liefkoozingen werd overladen.

—Zijt gij van plan om te verdwalen? Wat is er gebeurd?

—Niets, Tatita niets; dat wil zeggen, dat gij 't wel zult zien...., als 't lukken wil...

—Wat?

—Dat zult gij wel zien,” hernam de Indiaan, knipoogende en bij zich-zelven lachende.

Hij ging nu weer achter Lucien loopen.

Gedurende meer dan een uur werd er geen woord gewisseld; wij liepen in een halfdonker voort en onze stemmen, waarmede wij beurt om beurt Gringalet riepen, bewezen ons, dat wij allen bijeen waren. De maan kwam uit de wolken te voorschijn; maar verloren tusschen het reusachtig gras, liet de beperkte horizon ons niet toe, de wonderbare lichteffecten, die zij moest voortbrengen, te aanschouwen.

Jaunet en Verdet werden twee- of driemaal wakker en begonnen te keuvelen; zij werden zoo luidruchtig dat Sumichrast zich omkeerde.

»Wat drommel vertellen uwe papegaaien toch?” vroeg hij den Indiaan.

—Ik heb het maar half verstaan,” antwoordde de Encuerado »maar wat zouden zij anders kunnen zeggen, dan dat wij moesten slapen, in plaats van in de maneschijn te wandelen?

—En zegt gij hun dan niets terug?

—Waartoe zou dat dienen? Ik heb hun gisteren alles aan 't verstand gebracht,—des te erger voor hen als zij 't niet begrepen hebben.”

De marsch werd voortgezet; meester Job, die op mijn arm sliep opende slechts de oogen om van plaats te veranderen.


Back to IndexNext