[37] : De orde der Genade, die Gods menschwording en dus 's menschen verheffing meebrengt, verduistert de orde der natuur, waarin wij, Engelen, grooter en schooner zijn.
[38] Dit vers is merkwaardig om de verwaarloozing der caesuur, de in alexendrijnen gebruikelijke rust na den derden voet of zesde lettergreep; de eerste syllabe van "onherroepelijk" wordt daardoor op bijzondere wijze beklemtoond.
[39]stemt: bestemt, bepaalt, vaststelt.
[40]passen, (evenals te voren): zorgen.
[41] In dit vers weer verwaarloozing der caesuur echter met minder effect dan in noot 38.
[42] Over die verdeeling der Engelen zieVoorwoord.
[43]moet duiken: moet buigen.
[44] De rol van Wachtengelen, beschermengelen van elk persoon in 't bizonder, is een Hebreeuwsch-Christelijke voorstelling.
[45]Gehoorzaamt Lucifer. Een heel gelukkige gedachte van Vondel om ons den straks afvallige hier door Gabriël te doen noemen als den eersten uitvoerder van Gods wil, door de anderen te gehoorzamen.
[46]Een ander draai gestarnte. Het was, ook volgens Dante, de taak der Engelen, de hemellichamen langs hun banen te geleiden (ZiePloegII, pag. 41).
[47]Onnoozelheid. Nog in de oorspronkelijke beteekenis van "onschuldig". Adam en Eva kenden nog geen kwaad en goed vóór den zondeval.
[48]gezonden van een Groote: Zie tevoren, dat een Engel der laagste rij moet buigen voor de bevelen der middelrije, en zich laten gebruiken voor een aardsche zending.
[49]Rei van Engelen. Deze rei is blijkbaar tweeledig gedacht: dezangwordt aangeheven door de lagere rijen, deTegenzangdoor die der hoogste. Immers de laatste wordt uitgenoodigd te beschrijven met eenSerafijneveder. Maar zelfs de Serafijnen, hoewel gezeten in Gods Raad, aanschouwen Zijn aanzicht niet. Vandaar:
Dat zien is nòg een hooger heil,Dan wij van uw genade ontleenen.
[50]noch ronden. De hemellichamen zijn gebonden aan deronden, sferen; God niet.—Zonder tegenwicht bij zich bestaat: op zich zelf staat, steunloos; zie ook verder 't zelfde:Geen steun van buiten ontleent.
[51] Al wat draait en wordt gedreven om 't een en eenig middelpunt, is begrepen, besloten, in Zijn wezen. D.w.z.: God is hetAl.
[52]Zoovele goeden: Wdboek: Zegeningen; volgens dr. Cramer: Al wat aan de schepping der Engelen (4den Scheppingsdag) voorafging, dus het licht, het uitspansel, zee en land, die er waren voor den Hemel de Hemelen. Heel duidelijk is dit dan echter nog niet, uit den mond der Engelen, voor wie immers deze Scheppingsdaden niet zoo waardevol zijn. Waarom niet als inAdam in Ballingschapvs. 465, "goede dingen"?
[53]bondig. Over dit woord is groot verschil van meening. 't Wdbk. meent: "verbindend"; Van Lennep geeft: "beknopt"; Cramer: "raadselachtig." M.i. beteekent het: "besloten, ondoordringbaar." D.w.z.: "al begrijpen we Gods geheimenis niet; men aanbidde toch zijn bevel." Dit is geheel in den geest van dezen slotzang die, tegenover het opdoemend verzet, de aanbiddende onderwerping ook aan 't onbegrepene uitdrukt.
* * * * *
Gij snelle Geesten! houdt nu stand met onzen wagen[1]:Al hoog genoeg in top Gods Morgenstar gedragen,Al hoog genoeg gevoerd: 't Is tijd, dat LuciferNu duike, voor de komst van deze dubble star[2],Die van beneden rijst, en zoekt den weg naar boven,Om met een aardschen glans den Hemel te verdooven.Borduurt geen kronen meer in Lucifers gewaad,Verguldt zijn voorhoofd niet met eenen dageraadVan morgenstarre en straal, waarvoor d'Aartsenglen nijgen;Een andre klaarheid komt in 't licht der Godheid stijgen,En schijnt ons glansen dood; gelijk de zon, bij daag,De starren dooft, voor 't oog der schepselen omlaag.'t Is nacht met Engelen[3] en alle Hemelzonnen:De menschen hebben 't hart des Oppersten gewonnen,In 't nieuwe Paradijs; de mensch is 's Hemels vriend:Ons' slavernij gaat in. Gaat hene, viert en dientEn eert dit nieuw geslacht, als onderdane knapen.De menschen zijn om God, en wij om hen geschapen.'t Is tijd, dat 's Engels nek hun voeten onderschraag',Dat ieder op hen passe, en op de handen draag',Of op de vleugels voere, op d'allerhoogste tronen[4].Onze erfenis[5] komt hun als uitverkoren zonen.Onze eerstgeboorte leit nu achter, in dit Rijk.De zoon des zesden dags, den Vader zoo gelijkGeschapen, strijkt de kroon[6]. Met recht is hem gegevenDe groote staf[7], waarvoor alle eerstgeboornen bevenEn sidderen. Hier geldt geen tegenspraak; gij hoort,Wat Gabriël bazuint voor 's Hemels gouden poort.
O Stedehouder van Gods Opperheerschappijen,Wij hooren 't al te wel, en, midden in 't verblijenDer Reien, eenen klank, die 't eeuwig feest[8] bedroeft.De last van Gabriël leît klaar: dat woord behoeftGeen Cherubijnetong, om ons den zin t' ontvouwen.Men hoefde Apollion naar d'onderste landouwenNiet af te vaardigen, om nader ga te slaan,Wat Adam al bezit, zoo laag beneên de maan:Het blijkt hoe heerlijk hem de Godheid begenadigt,Ja door een lijfwacht van veel duizenden verdadigt,En handhaaft in zijn staat en aanzien, min noch meerOf hij gehuldigd waar tot aller Geesten Heer.De poort des Hemels staat voor Adams afkomst open.Een aardworm, uit een klomp van aarde en klei gekropenBraveert uw mogendheid. Gij zult het menschdom zienZoo verre boven u, en, vallende op uw kniên,Met nederslachtigheid[9] en neergeslagene oogen,Aanbidden zijne macht en hoogheid en vermogen.Het zal verheerelijkt van d'allerhoogste macht,Zich zetten aan de zij der Godheid, in zijn kracht,En heerschen, langer en nog wijder dan de ronden[10]Der endlooze eeuwigheid, aan tijd noch plaats gebonden,Om God, haar middelpunt en omloop te gelijk,Zich draaien, zonder rust. Wat hoeft men klaarder blijk,Dat God de menschen wil verheffen, ons verneêren?Wij zijn ter dienstbaarheid, de menschen tot regeerenGeboren. Leg voortaan den schepter uit der hand:Een lager is er, die de kroon daar boven spant,Of spannen zal eerlang. Leg af uw morgenstralenEn hulsel voor deez' zon, of pas haar in te halenMet zangen, en triomf, en Goddelijk sieraad.Wij zien den Hemel haast veranderen van staat.De starren zien vast uit, en wijken met verlangen,Om vol eerbiedigheid dit nieuwe licht t' ontvangen.
Dat zal ik keeren, is het anders[11] in mijn macht.
Daar hoor ik Lucifer, en zie hem, die den nachtVan 's Hemels aangezicht verdrijven kan en jagen.Waar hij verschijnt, begint het heerlijk op te dagen.Zijn wassend licht, het eerste en allernaaste aan God,Vermindert nimmermeer. Zijn woord is 't hoog gebod;Zijn wil en wenk een wet, van niemand t' overtreden.De Godheid wordt in hem gediend en aangebeden,Bewierookt en gevierd; en zou een lager stemNu dondren uit Gods troon? gebieden boven hem?Zou God een jonger zoon, geteeld uit Adams lenden,Verheffen boven hem? Dat waar het erfrecht schendenVan 't alleroudste kind, en zijn stadhouderijOntluisteren. Naast God is niemand groot als gij.De Godheid zette u eens in glorie aan haar voeten:Geen mensch verstoute zich onze orden om te wroeten.En dit bezworen recht t' ontwijden, zonder reên;Of al de Hemel raakt in 't harnas tegens een.
Gij vat het recht: het past rechtschapen HeerschappijenGeenszins, hun wettigheid zoo los te laten glijen;Want d'oppermacht is d'eerste aan hare wet verplicht;Verandren voegt haar minst. Ben ik een zoon van 't licht,Een heerscher over 't licht, ik zal mijn recht bewaren:Ik zwicht voor geen geweld noch aartsgeweldenaren.Laat zwichten al wat wil: ik wijk niet éénen voet.Hier is mijn Vaderland. Noch ramp, noch tegenspoed,Noch vloeken zullen ons vervaren, noch betoomen:Wij zullen sneven, of dien hoek te boven komen[12].Is 't noodlot dat ik vall', van eere en staat beroofd,Laat vallen, als ik vall', met deze krone op 't hoofd,Dien schepter in de vuist, dien eersleep van vertrouwdenEn zooveel duizenden als onze zijde houden.Dat vallen strekt tot eer en onverwelkbren lof;En liever d'eerste Vorst in eenig lager hof,Dan in 't gezaligd licht de tweede, of nog een minder;Zoo troost ik mij de kans, en vrees nu leed noch hinder.Maar hier komt 's Hemels tolk en wakkere Heraut,Met Gods geheimnisboek, zijn zorge toebetrouwd.Het waar' niet ongeraân hem nader t' ondervragen.Ik wil hem tegentreên, en aftreên van den wagen.
Heer Stedehouder! hoe? waarhene leidt de reis?
Naar u, Heraut en tolk van 't hemelsche paleis!
Mij dunkt, ik zoude uw wit aan 't voorhoofd kunnen gissen.
Gij, die den duistren grond van Gods geheimenissen,Door 't licht van uw vernuft ontdekt en openbaart,Verlicht me met uw komst.
Wat is 't, dat u bezwaart?
Het raadslot en besluit der Godheid, die de waardeDes hemels lager schat dan 't element der aarde,den hemel onderdrukt; het aardrijk uit een poelDoor alle starren voert; het menschdom op den stoelDer englen zet; berooft hun 't recht der eerste gaven;Gebiedt ze, om 's menschen nut, te zweeten en te slaven.Het Geestendom, gewijd tot ambtenaars van 't hofDes Hemels, zal voortaan een aardworm, uit het stofGekropen en gegroeid, ten dienst staan, op hem passen,En, in getal en staat, ons over 't hoofd zien wassen?Waartoe vernedert ons d'oneindige GenâZoo vroeg? wat Engel paste op zijnen dienst te spâ?En hoe waar' 't mooglijk, dat de Godheid zich zou mengelenMet menschen? de natuur der uitgekorene EngelenVoorbij slaan, en zijn aard en wezen storten inEen lichaam? d'eeuwigheid verknoopen aan 't begin?Het hoogste aan 't allerlaagst? den Schepper aan 't geschapen?—Wie kan uit dit besluit den zin te zamen rapen?Zal 't eeuwigschijnend licht nu schuilgaan in den nachtDer wereld? Zullen wij, Stadhouders van Gods macht,Voor dit geleend gezag, een wulpsch[13] vermogen, knielen?Ontelbre lichaamlooze en godgelijke zielenZien buigen voor een grof en zakkende element[14],Daar God zijn majesteit en wezen inneprent?Wij Geesten zijn te grof om dit geheim te vatten.Gij, die het slot bewaart van Gods geheimnisschatten,Ontvouw ons, mag het zijn, dit donkere geschilUit uw gezegeld boek; ontvouw ons 's Hemels wil.
Zooveel 't geoorloofd zij te melden uit Gods bladen.Veel weten kan altijd niet vordren, somtijds schaden.De Hoogste ontdekt ons slechts wat hij geraden vindt.Het al te sterke licht schijnt Serafijnen blind.De zuivre Wijsheid woû ten deel' haar wil bezegelen[15],Ten deele ontsluiten. Zich te schikken en te regelenNaar heur gestelde wet, dat voegt den onderzaat,Die aan zijn meesters last en wil gebonden staat.De reden en het wit, waarom wij namaals wachten,Na 't overleven van een tafel erfgeslachten[16],Den Heer, die, God en mensch geworden in der tijd,Den schepter voeren zal, en breed en overwijdDe starren, aarde, en zee, en al wat leeft regeeren,Verbergt de Hemel u; de tijd wil d' oorzaak leeren.Gehoorzaamt Gods bazuin; gij hebt zijn wil gehoord.
Zoo zal een vreemdeling, een worm, het hoogste woordHier boven voeren, en een ingeboren zwichten[17]Voor vreemde heerschappij? de mensch een zetel stichtenZoo verre boven God?
Genoeg u met uw lotEn staat en waardigheid, u toegeleîd van God.Hij hief u in den top van alle Hierarchijen:Doch niet om iemands glans en opgang te benijen.De wederspannigheid verplet haar hoofd en kroon,Indien ze wederstreef des Oppersten geboôn.Uw aanzien schept zijn licht alleen uit Gods vermogen.
Ik heb tot nog mijn kroon voor God alleen gebogen.
Zoo buig ze ook voor 't besluit der Godheid, die het alWat wezen heeft uit niet, of namaals wezen zal,Bestiert tot zeker eind, hoewel wij 't niet beseffen.
Den mensch in 't heilig licht der Godheid te verheffen,Den mensch, zoo hoog met God vergodlijkt in zijn troonTe zien het wierookvat toezwaaien, op den toonVan duizend duizenden eenstemmige koralen,Verdooft de majesteit en diamanten stralenVan onze morgenstar, die straalt nu langer niet;En 's Hemels blijschap slaat aan 't kwijnen van verdriet.
De zaligheid bestaat in een gerust genoegen,In 't stemmen met Gods wil, en zich naar Hem te voegen.
De majesteit van God en Godheid wordt verkleend,Indien ze haar natuur met 's menschen bloed vereent,Vereenigt[18], en verbindt. Wij Geesten grenzen naderAan God en Zijn natuur, als zoons van éénen VaderGeteeld, en Hem gelijk. Indien 't geoorloofd isTe stellen tegens een deze ongelijkenisVan een oneindigheid en 't eindig', de bepaaldeBij d' onbepaalde macht. Indien de zon verdwaaldeUit hare streke, en zich bekleedde met een smook[19],Om al den aardkloot toe te lichten, uit een rookEn zwarten damp, hoe zou de vreugd der wereld sterven!Wat zou het aardsch geslacht al glans en leven derven!De zon al majesteits ontberen, in haar loop!Ik zaag den hemel blind, de starren overhoop,Wanorden orden en geschiktheid overrompelen[20],Indien de bron van 't licht haar klaarheid kwam te dompelenIn 't graf van een moeras. Verschoon me, o Gabriël!Indien ik uw bazuin, de wet van 't hoog bevel,Een luttel wederstreve, of schijn te wederstreven.Wij ijvren voor Gods eere: om God Zijn Recht te geven,Verstout ik mij, en dwaal dus verre buiten 't spoorVan mijn gehoorzaamheid.
Gij ijvert krachtig voorDe glorie van Gods naam, doch zonder t' overwegenDat God het punt, waarin Zijn hoogheid is gelegen,Veel beter kent dan wij; dies staak uw onderzoek.De menschgeworden God zal dit geheimnisboek,Met zeven zegelen gesloten, zelf ontsluiten.Nu smaakt ge niet het pit, maar ziet de schors van buitenDan zal men d' oorzaak zien, de reden, den waaromVan zijn verholendheên, en diep in 't HeiligdomDer Heiligdommen gaan. Nu voegt het ons te duiken,En dezen dageraad t' aanbidden, te gebruikenMet dankbaarheid, totdat de kennis in haar krachtDe twijfeling verdrijv', gelijk de zon den nacht.Nu leeren wij allengs Gods wijsheid tegenstappen[21].Eerbiedig en beschroomd. Zij openbaart bij trappenHet licht der wetenschappe en kennisse, en begeert,Dat ieder, op zijn wacht, zich onder haar verneêrt.Heer Stedehouder! rust, en handhaaf d' eerste ons wetten.Ik ga, daar God mij zendt.
Men zal er scherp op letten.
De stedehouder hoort, waar dit plakkaat[22] op draait,Dat Gabriëls bazuin zoo trotsch heeft uitgekraaid.Hij gaf Gods oogmerk u, ook scherp genoeg, te ruiken:Men zal uw mogendheid aldus de vleugels fnuiken[23].
Zoo licht niet; neen, gewis, men kan er in voorzien.Geen minder droome hier zijn meerder te gebiên.
Hij dreigt weêrspannigheid haar hoofd en kroon te pletten.
Nu zweer ik bij mijn kroon, het al op een te zetten[24],Te heffen mijnen stoel in aller Heemlen trans,Door alle kreitsen hene en starrelichten glans.Der Heemlen Hemel zal mij een paleis verstrekken[25],De regenboog een troon; 't gestarrente bedekkenMijn zalen; d' aardkloot blijft mijn steun en voetschabel.Ik wil op een karros van wolken, hoog en snelGevoerd door lucht en licht, met bliksemstraal en donderVerbrijzelen tot stof, wat boven of van onderZich tegens ons verzet, al waar' 't de Veldheer zelf;Ja, eer we zwichten, zal dit hemelsblauw gewelf,Zoo trotsch, zoo vast gebouwd, met zijn doorluchte bogen[26]Te bersten springen, en verstuiven voor onze oogen;'t Gerabraakt aardrijk zien, als een wanschapen rompDit wonderlijk Heelal in zijnen mengelklomp[27],En wilde woestheid, weer verwarren en verkeeren.Laat zien, wie Lucifer durf trotsen en braveeren.Men dage Apollion.
Hier treedt hij voor den dag.
O, Stedehouder van Gods onbepaald gezag,Orakel, in den Raad der onderdane Goden,Ik offer u mijn dienst en wacht op uw geboden.Wat eischt de majesteit van haren onderdaan?
Het lust ons, uwen zin en inzien te verstaan,Op een gewichtig stuk, dat zal me niet mislukken.Het wit is[28] Michaël de slagveêr uit te rukken,Opdat ons' toeleg niet op zijn vermogen stuit'.Hij voert met zijnen arm zoovele Orakels uit,Als ooit de Godheid heeft met hare hand gedrevenIn eeuwig diamant; daar wordt de mensch gehevenIn top der Hemelen, door alle kreitsen heen,En ziet het Engelsdom, zoo diep, zoo laag beneênZijn voettapijt, in stof vast grimmelen, als wormen.Het lust me met geweld dien zetel te bestormen,En op te zetten bij dat opzet, in één slag,Al teffens wat mijn staat, en star, en kroon vermag.
Een loffelijk bestaan: dat uwe kroon vermeereEn aanwasse op dien voet! Ik reken mij tot eereTe raden, onder u, tot zulk een brave daad.Hetzij die recht en wel of averechts beslaat[29],De wil is prijselijk, al woû het niet gedijen.Maar om niet reukeloos noch radeloos te strijen,Hoe treedt men allerbest tot zulk een stout bestaan?Hoe veiligst tegens 't punt van 't raadslot aangegaan?
Men kante hier met list onze eigen raadslot tegen.
Dat zeggen heeft wat in: geleende macht[30] te wegenIn eene zelve schaal met d'Almacht;—haar gewichtWeegt over[31]. Wacht uw kroon: wij vallen veel te licht.
Zoo licht niet, of de kans zal eerst in twijfel hangen.
Van wien, of hoe, of waar dien aanslag aangevangen?Het overpeinzen kwetst alreê Gods majesteit.
Men hoû haar ongekwetst, en stappe met beleidDie steile steilten op, en nooit gebaande rotsen.Beleid en moed verwint en durf gevaren trotsen.
Geene Almacht, noch haar kroon: men koom' ze niet te na,Tenzij men leeren wil met naberouw te spâ.De minder moet gedwee voor zijnen meerder wijken.
Laat d'Almacht rusten[32]; zet gelijkheid en gelijkenTe zamen. Laat eens zien, wiens wapen zwaarder weeg'.Ik zie ons' vijanden gevlucht, den Hemel leegMet eenen slingerslag; ons heiren overladenVan heerelijken roof: dan wijder zich beraden.
Gij weet wat Michaël, Gods Veldheer, al vermag:Gods regimenten staan verplicht aan zijn gezag.Hij draagt den sleutel van het wapenhuis[33], hier boven.De wacht is hem betrouwd. Hij houdt op alle Hoven[34]Getrouw een wakende oog, zoodat er niet een starVan al het hemelsch heir, in 't minst, zich reppen dar[35],Noch op dien hemeltocht uit zijn gelid verroeren.Men vangt haast aan[36], maar zulk een oorlog uit te voeren,Dat draaft ons macht voorbij, en sleipt een langen staartVan zwarigheden na. Wat tuig, wat stormgevaart'Kan tegens hem bestaan, en d'opperbenden sloopen?Al zette 's Hemels slot zijn diamantpoort open,Het vreesde list, noch laag, noch overrompeling.
Indien men ons besluit bekrachtig' met de kling,Ik zie de morgenstar op onzen hoogen standerdBraveeren[37]; 's Hemels staat en heerschappij veranderd.
De Veldheer Michaël voert, ruim zoo trotsch en fier,Gods wonderlijken Naam[38] in 't veld van zijn banier,De zon in top.
Wat baat een naam met licht geschreven?Een heldenstuk als dit wordt geenszins doorgedrevenMet tittelen[39] en pracht, maar dapperheid en moedEn treken[40], van vernuft en loosheid uitgebroed.Gij zijt een meester, tuk om Geesten in te luien[41],Te rijgen aan uw snoer, te leiden, op te ruien.Gij kunt bederven zelfs de vroomsten van de wacht;En leeren weifelen wat nooit op weiflen dacht.Begin, wij zien Gods heir gereten aan twee deelen;De hoofden en de leên aan 't woeden en krakeelen;De meeste macht alreê geblinddoekt en verdoofd,En oversten en elk vast roepen om een hoofd.Indien ge een vierde deel op onze zij kunt troonen[42],Men zal uw kloek beleid met eere en ambten kronenGa hene, en overleg dit stuk met Belial:Het moet er duister zijn, daar hij verdolen zal.Zijn tronie, glad vernist van veinzen en bedriegen,In 't mommen niemand kent, die haar voorbij kan vliegen[43],Ik stijg te wagen: leg het over[44] met u twee.De Hofraad is vergaârd en wacht ons' komst alreê.Men zal, zoodra gij komt, u beiden binnen roepen.Heer Overste, bewaak de hofpoort met uw troepen.
Gods Stedehouder dient zich van ons beide omhoog.
Wij vliegen te gelijk, als pijlen van zijn boog.
En doelen op een wit, doch hachelijk te raken.
Sta vast, de Hemel wil van dezen aanslag kraken.
Laat kraken al wat wil; het moet er nu op staan.
Hoe grijpen wij dit stuk[45] met kans en voordeel aan?
De wapens dienen ons; men moet van 't heir beginnen.
De hoofden eerst, meteen de stoutsten zien te winnen.
Door ietwat glimpelijks[46], en met een schijn verbloemd.
Zoo geef het dan een naam; laat hooren, hoe gij 't noemt.
Men handhaaf' 't Engelsdom, zijn handvest, eer, en staten,En kieze een hoofd, waarop zich ieder mag verlaten.
Dat heb ge recht gevat; ik wensch geen schooner stof,Noch zaad tot muiterij, om burgerij en hofTe schennen tegens een[47], en scharen tegens scharen;Want ieder is gezind zijn staat en eer te waren[48],En wettigheid, waartoe d'Almogendheid hem riep,Eer zij de menschen vormde, en zooveel spader schiep.Het Hemelsche paleis is ons tot erf gegeven.Den Geesten, die dus hoog op hunne vleugels zweven,En, vrij van lichamen, niet zakken naar omlaag,Past beter dit gewest dan 't aardsch geslacht, te traagOm tegens zijn natuur te kiezen deze bogen.Hier valt de dag te sterk, te krachtig, en hun oogenVerdragen geenszins 't licht, ons vroeger aangewend.De mensch beware[49] dan zijn eigen element,Als andre dieren; hij genoeg' zich met de palen[50]Van zijnen rijken hof. Het rijzen en het dalenVan zon en maan verdeel' de maanden en het jaar.Hij neem' den ronden loop der heldre starren waar.Hij nuttige zijn ooft, en al den geur der kruiden,En keer' zich Oost en West, ten Noorden en ten Zuiden[51].Dat zij zijn tijdverdrijf, en wat behoeft hij meer?Wij kennen nimmer hier een aardschen opperheer.Zoo sluit ik. Kunt ge, help dien zin beknopter uiten.
Den mensch in eeuwigheid ten Hemel uit te sluiten[52].
Dat klinkt alle Engelen te wonder wel in 't oor.Dat vliegt, gelijk een vier, van 't een in 't ander koor,Door negen Ordens hene, en alle Hierarchijen.
Zoo zal men allerbest versufte traagheid mijen.Ons heil en uitkomst hangt aan snelheid en aan spoed.
Niet min aan kloek beleid, en dapperheid, en moed.
Die zal, door toeval van ontelbre vanen[53], groeien.
Zij morren vast; men moet hier heimlijk onder roeien,Zich mengen in dien hoop, en voeden hun beklag.
Dan diende Belzebub, een Vorst van groot gezag,Zijn wapen aan hun klacht en wettigheid te hangen[54].
Niet plotsling, maar allengs, en als door zijdegangen.
De Stedehouder met zijn tegenwoordigheid,Biê zelf de sterke hand aan zulk een trotsch beleid[55].
Wij zullen in den Raad zijn zin en voorstel hooren:Hij veinze voor een poos, en geve in 't end de sporenAan 't opgeruide heir, verlegen om een hoofd.
Aan 't hoofd hangt al de zaak. Hoe veel gij hun belooft,Zij zullen zonder hoofd dien optocht niet beginnen.
Wat reê gewonnen is, behoeft men niet te winnen.Wie meest gekwetst wordt in zijn heerlijkheid en staat,Dien geldt het eerst; die stapp' vooraan, en sla de maatIn zooveel duizenden!
De billijkheid en redenVereeren hem dees' kroon; doch eer we dieper treden,Zoo laat ons al 't gevaar eerst wegen, niets bestaan,Of al de Hofraad steek' hier zelf zijn zegel aan.
Hoe zien de hoffelijke gevels[56]Zoo rood? hoe straalt het heilig lichtZoo rood op ons gezicht,Door wolken en bedroefde nevels?Wat damp, wat mist betrektDat zuiver, nooit bevlekt,En loutere saffier?Die vlam, dien glans, dat vierVan 't heldere Alvermogen?Hoe schijnt ons nu de diepe gloedDer Godheid toe, zoo zwart als bloed?Die flus zoo klaar alle oogenVerheugde? Wie begrijpt, wie kentDeze oorzaak, onder d' Engelsdommen,Die, boven Adams element,Nog flus op galm van kelen zwommen;Op lucht van Geesten, in den glans,Die galerij, en tin, en trans,Gewelf van koor en hof verguldde,En met een ziel van vreugd vervuldeAl wat hier boven leeft, en zweeft?Wie is er, die ons reden geeft?
Toen wij, op Gabriëls bazuinen,Ontvonkten, en een nieuwe wijsAanhieven, God ten prijs;De rozengaarden, en de tuinenVan 't Hemelsch Paradijs,Door zulk een dauw en spijsVan lof en zang verblijd,Ontloken;—scheen de Nijd[57]Van onder in te sluipen.Een groot getal der Geesten, stomEn bleek en doodsch, ging, drom bij dromMisnoegend henendruipen.De winkbrauw hing verslenst op 't oog.Het gladde voorhoofd zette een rimpel.De Hemelduiven, hier omhoog,Onnoozel[58] eerst, oprecht, en simpel,Aan 't zuchten sloegen, zoo het scheen;Alsof de Hemel viel te kleenVoor haar, toen Adam wierd verkoren,En zulk een kroon den mensch beschoren,Dees' smet ontstelt het oog van 't Licht.Z' ontsteekt die vlam[59] in Gods gezicht.
Wij willen ons uit liefde in 't midden van hun mengen,En deze oploopendheid weer tot bedaren brengen.
Noten:
[1]Gij snelle geesten—trek onzen wagen: Lucifer is de eenige engel, van wien we hooren dat hij in een wagen gevoerd wordt; als de geest van het Licht, (denk aan den "Zonnewagen"!) en hoogste der Engelenscharen?
[2]deze dubbele star: Adam en Eva.
[3]'t Is nacht met Engelen: 't Wordt duister voor d'Engelen.
[4]op d'allerhoogste tronen: tot d'allerhoogste tronen; immers naast God.
[5]onze erfenis: ons erfdeel.
[6]strijkt de kroon: gaat met de kroon strijken.
[7]de groote staf waarvoor alle eerstgeboornen beven: de staf Gods zelf: de Engelen zijn voor den mensch geschapen.
[8]die 't eeuwig feest:de blijschap eeuwigdurendlijk.
[9]met nederslachtigheid: ootmoedig.
[10] vlgg De ronden der eindelooze eeuwigheid, die in God hun middelpunt hebben en om wien zij rusteloos draaien, zullen in hun duur en ruimtegrenzen nog overtroffen worden door den naast God gezeten mensch.
[11]anders: althans (Wdbk).
[12]dien hoek te boven komen: bij Vondel geliefkoosde zeemansterm; ook inAdam in Ballingschapaan te treffen.
[13]een wulpsch vermogen. Een wulp is een jong dier, in het algemeen, en V. gebruikt het woord "wulpsch" voor: jong, dartel, ongestadig.
[14]zakkende element. Zie vs. 690: "de Engelen" zakken niet; zij zweven, in tegenstelling tot den mensch.
[15]Wou haar wil bezegelen: met zegelen sluiten, bedekt houden. Zie hiervoor,op bondig.
[16]een tafel erfgeslachten: een ganschen stamboom.
[17]Een ingeboren zwichten. Hier kàn V. gedacht hebben aan de oude grief der Nederlanders tegen de ingevoerde Spaansche ambtenaren. Maar is het niet trouwens nog een algemeen gevoeld nationalisme dat de ingeborene boven den vreemdeling gaat?
[18]vereent, vereeniqt: één maakt en innig één doet worden.
[19]God: de zon; de smook: de menschheid.
[20]Wanorden orden en geschiktheid overrompelen. "Geschiktheid" staat hier voor: "'t geen wèl geschikt is," dus in denzelfden zin als orde.
[21]tegenstappen: tegemoetgaan, bejegenen.
[22]plakkaat: ordonnantie; voorschrift.
[23] Belzebub spoort Lucifer's verzet aan door hem vóór te leggen hoe de menschverheffing geen ander doel heeft dan zijn achteruitzetting.
[24] vlgg. Hier openbaart Lucifer dus feitelijk een bedoeling om zich zelf naast, indien al niet boven, God te stellen. Zie ook V.'sBerecht.
[25]verstrekken: zijn tot.
[26]bogen, ronden; kreitsen. ZieVoorwoord.
[27] Zal het geschonden Aardrijk hier dit heelal zien terugvallen tot den ouden staat van woestheid.Mengelklompis Chaos.
[28]Het wit is: het doel is.
[29]bestaan: uitkomen. Vgl: "zijn beslag krijgen".
[30]geleende macht: als van een leenman, die zijn macht ontleent aan den Leenheer, God.
[31]haar gewicht weegt over: voor "overweegt" "is zwaarder".
[32] d.w.z.: Wij strijden tegen Michaël, niet tegen God.
[33]den sleutel van het Wapenhuis: een wat te nuchter-realistisch trekje, in deze hemelsfeer.
[34]Hij houdt op alle Hoven:Hofwerd in de 16e en 17e E. gebruikt voor Paradijs (immers de opperste tuin!) en Hemel. Hier dus blijkbaar: de verschillende Hemelen, de Hemelkringen (Zie Wdbk).
[35]dar: durft. Zie in hetVoorwoord: de Engelen geleiden de Hemellichamen op hun baan. Zie ook:een ander draaigestarnte.
[36]Men vangt haast aan: het aanvangen gaat vlug genoeg.
[37]braveeren: alsbravade: pronken, uittartend glansen, als teeken van overwinning.
[38]Gods wonderlijken naam: Wonderbaarlijken.
[39]tittelen: titels, gezag, vertoon.
[40]treken: listen.
[41]in te luien: in slaap te wiegen.
[42]troonen: meetronen.
[43] Hier heeft de figuurlijke beteekenis vanvoorbij vliegen: overtreffen, wel geheel de letterlijke verduisterd. Aan "voorbijvliegende tronies" heeft V. natuurlijk niet gedacht.
[44]leg het over: overleg.
[45]dit stuk: aanslag.
[46]ietwat glimpelijks: iets dat er een goeden glimp aan geeft.
[47]te schennen tegens een: tegen elkaar op te zetten.
[48]waren: verdedigen. Verweren. ZieGysbrecht: "ik kom dit slot bewaren."
[49]beware: blijve dan in.
[50]palen: grenzen.
[51] De mensch wende zich naar de vier windstreken; doch ga niet van de aarde.
[52] "De leus zij: de Hemel voor de Engelen." 't Hyper-nationalisme.
[53]door toeval van ontelbre vanen: ontelbre regimenten (vanen) zullen ons toevallen; zich bij ons aansluiten.
[54]Zijn wapen hangen. Het kenteeken van den Edelman was geborduurd op zijn wapenrok (d.i. de rok die over zijn harnas hing). Vandaar dat wapen de dubbele beteekenis kreeg van verdedigingswerktuig en adellijk insigne, dat ook in het zegel was afgedrukt (Vgl. ook Engelsen:arms).Zijn wapen hangen= zijn zegel hechten.
[55]trotsch beleid: trotseerend beleid.
[56]Hoffelijke gevels: hemelsche. Fraaie uitbeelding van een bloedrooden zonsondergang, die als een teeken van naderenden jammer gold.
[57]De Nijdtreedt later nogeens zinnebeeldig op, in den Draak, die Lucifers wagen trekt; met den Leeuw, de Hovaardigheid.
[58]Onnoozel: van kwaad onbewust.
[59]die vlam(van toorn) waardoor "de hoffelijke gevels zoo rood zien".
* * * * *
Hoe kan men in zijn waan zoo vroeg bedrogen worden!Hoe is 't alreê verkeerd! wij schatten niemands OrdenGelukkiger dan d'onze, in dit opgaande Rijk,Ja, achtten onzen Staat den Oppersten gelijk,En onveranderlijk, en boven 't aardsch gezegend;Wanneer[2] ons Gabriël met Gods bazuin bejegent,En uit de gouden poort verbaast[3] met dit gebod,Hetwelk al 't Engelsdom versteekt van 't hoogste lot,Hem uit den vollen schoot der Godheid eerst geschonken.Daar leggen wij te laag, en zien de schoone vonkenEn stralen van onze eere en heerlijkheid gebluscht,De gansche Hierarchy des hemels ongerust,Den mensch, in top van staat en macht, zoo trots verheven,Dat wij, als slaven, voor zijn heerschappije beven.O onverwachte slag en staatverwisseling!Och! treurgenooten, zet u hier in eenen ringIn 't ronde! zet u hier te zamen; helpt ons treurenEn zuchten: het is tijd ons feestgewaad te scheuren,Te klagen; niemand kan ten minste ons dit verbiên.De blijschap smilt, en zal nu d'eerste droefheid zien.Helaas, helaas, helaas! gebroeders, hemelreien,Legt af uw hoofdsieraad; verandert uw livreien[4],En vroolijkheid in rouw; slaat neer uw aangezicht,Zoekt schaduwen als wij. De droefheid schuwt het licht.Een ieder volge ons' stem en bange jammerklachten.Verdrinkt in jammer: zinkt in droevige gedachten!Het klagen helpt, en zet de droefheid ook van 't hart.Nu schept in kermen lust: het kermen heelt de smart.Nu roept uit eenen mond, en vollegt ons misbaren:Helaas, helaas, helaas! waar is ons heil gevaren!
Wat weeklacht hoort men hier? onaangename toon!De hemel ijst hier af. Dees' lucht is niet gewoonTe hooren een muziek van druk[6] op noten galmenDoor 't juichende gewelf. Triomfen, kransen, palmen,En harpen passen ons en snaren. Wat wil dit?Wie of hier hangends hoofds ineengekrompen zit,Verlaten en bedrukt, en zonder nood beladen?Wie geeft hun treurens stof? wie kan dees' oorzaak raden?Mijn Reigenooten, volgt: 't is noodig dat men vraag'Naar d'oorzaak van hun leed en deze donkre vlaagVan droefheid, die den glans van onze pracht ontluistert,Het licht van 't eeuwig feest benevelt en verduistert.De Hemel is een hof van weelde en vreugd en vreê.Hier nestelt aan dit dak noch rouw, noch hartewee.Mijn Reigenooten, volgt, en troost ze in hun bezwaren!
LUCIFERISTEN (koor):
Helaas, helaas, helaas! waar is ons heil gevaren!
Genooten van ons heil en blijschap, broeders, hoe?O zoons van 't vroolijk licht! hoe dus bedroefd te moê?Wie geeft u stof aldus te jammeren, te treuren?Gij hadt begonnen 't hoofd ten hemel op te beuren,Te bloeien in den dag, die neerstraalt van Gods glans.De Hemel brocht u voort, om vlug, van trans in trans,Van 't een in 't ander hof, te steigeren, te zweven,In 't onbeschaduwd licht, vernoegd, verzaad te leven,Op een gedurig feest, te smaken 't hemelsch mann'Van Gods onsterflijkheid, in een gerust gespanVan feestgenooten. Hoe? dit voegt geen burgerijenVan Englestad, o neen; dit voegt geen Heerschappijen[7],Geen Machten, Tronen, nog geen heerschend Hemelsdom.Gij kropt uw droefheid in, en zit versuft en stom.Laat hooren wat u deert; ontdekt het uw gespelen.Ontdekt uw hartkwetsuur, dat wij die mogen heelen.
Och, broeders, vraagt ge nog met errenst wat ons let?Gij hoort, zoowel al wij, wat Gabriël trompet:Hoe wij, door 't nieuw bevel, van onzen staat vervielenIn eene slavernij der aarde, en zooveel zielen,Als uit een luttel bloeds en zaads te spruiten staan.Wat is bij ons[8] alreê mishandeld of misdaan,Dat God een waterbel, vol wind en lucht geblazen,Verheft om d'Engelen, zijn zonen, te verbazen?Een basterdij verheft, gevormd uit klei en stof?Wij waren pas gewijd tot pijlers van zijn hof,Bekleedden onzen plicht[9] als trouwe rijksgenooten,En worden op een sprong gebannen, en gestootenUit deze waardigheid, verdrukt te streng en straf;De handvest en het Recht, dat ons de Godheid gaf,Wordt ingetrokken, en, in stede van regeerenMet God en onder God, zal Adam triomfeeren[10],En heerschen, in zijn bloed en afkomst, onbepaald.De zon der Geesten is te plotseling gedaald.Och, lotgenooten, volgt ons' droefheid en misbaren.Helaas, helaas, helaas! waar is ons heil gevaren!
Ontstelt ge u om den last van God en Gabriël?Dit schijnt een razernij. Wie durf het hoog bevelBerispen? Wie verwaand de Godheid wederstreven?Wij zijn gehouden, God zijn Recht en eer te geven,Te rusten[11] in zijn wet. Wie treedt hier in geschilMet Gods Almogendheid? Zijn wenk en woord en wilVerstrekke ons eene wet en maat en vaste regel.Wie tegenspreekt, die breekt des Allerhoogsten zegel.Gehoorzaamheid behaagt den Heerscher in dit RijkVeel meer dan wierookgeur en goddelijk muzijk.Gij zijt (och, weest zoo trotsch en hoog niet in uw wapen!)Tot onderdanigheid, tot heerschen min[12], geschapen.Och, medebroeders, staakt dit kermen en geklag,En buigt u onder 't juk van 't eenig hoofdgezag.
Zegt liever: onder 't juk van grimmelende mieren.
Wanneer het Hem behaag', moet gij u laten stieren.
Wat hebben wij verbeurd? Geeft reden en bescheid.
Verbeurd? Gij kwetst Gods kroon door ongeduldigheid.
Wij klagen van verdriet en enkel ongenoegen.
In steê van uwen wil gerust naar God te voegen.
Wij steunen op het recht, ons wettig toegestaan.
Uw recht en handvest blijv' de Godheid onderdaan.
Hoe kan de meerder voor een minder zich verneêren?
Die zich gelaten stelt[13]. God dienen is regeeren.
Gewillig, zoo de mensch regeere daar beneên.
De mensch leeft met zijn lot vernoegd, al is het kleen.
Den mensch is boven dat een hooger lot beschoren.
Na menige eeuwen wordt zijn opgang eerst geboren.
Een eeuw beneden is omhoog een oogenblik.
Het ga, zoo 't wil, zoo 't moet, zoo d'Oppermacht dit schikk'.
Men had ons nutter dees' geheimenis gezwegen.
De Godheid openbaart haar hart, tot u genegen.
Nog milder tot den mensch: Zij zet hem boven aan.
Verknocht met Gods natuur; een wonderlijk bestaan!
Och, Engelsdom! woû God zich paren met uw wezen!
Wat God behaagt en schikt, dat wordt met recht geprezen.
Hoe heeft Hij 's menschen peil alreê zoo hoog gemerkt!
Het is al wel, al goed, wat God bepaalt en werkt.
Hoe wil de mensch de kroon der Engelen verdooven[14]!
Alle Englen zullen God in 't lichaam zien en loven.
Zij zullen slijk en stof aanbidden in het stof?
Bewierooken Gods naam, met geur, en prijs, en lof.
Den mensch bewierooken, van hooger hand gedwongen?
Zij mompelen alreê; gij hoort een strijd van tongen[15].
Wat scharen treuren hier, gedompeld in den rouw,De sluiers om de borst en lenden; niemand zouBegrijpen, dat men dus, in 't midden van de Geesten,Op 't eeuwige banket en d'endelooze feesten,Kon treuren, zaag' men niet dit jammerlijk getalVerslensen van verdriet. Wat ramp, wat ongevalOntstelt ze? Broeders, hoe? wat 's d'oorzaak van dit kermen?Beleedigt iemand u? men zal uw Recht beschermen.Wat deert de Broeders? spreekt: laat hooren, wat u deert.
Zij klagen, dat de staat der menschen triomfeertDoor Gabriëls bazuin, en opstijgt boven d'Engelen;Dat God zijn wezen wil met Adams wezen strengelen:De Geesten onderworpt het menschelijk gebied.Daar hoort gij, kort en klaar den grond van hun verdriet.
Zoo groot een ongelijk valt lastig te gedoogen.
Het overtreft bijkans ons' krachten en vermogen.
Wij bidden dat gij toch dien twist met ons beslecht.
Wat raad? Hoe paait men hen? Zij steunen op hun Recht.
Wat Recht? die wetten geeft, vermag de wet te breken.
Hoe kan Rechtvaardigheid een onrecht oordeel spreken?
Bestraft Gods oordeel eens, en schrijft Hem wetten voor.
De vader leer' het kind hem volgen op zijn spoor.
Zijn spoor te volgen, is het zelve als Hij te willen.
Verandring van Gods wil veroorzaakt dees' geschillen.
Hij zet den eenen van, den andren op den troon.De minder waardste wijk' voor eenen waarder zoon.
Gelijkheid van genâ de Godheid best zou passen.Nu durft de duisternis het Hemelsch licht ontwassen[16].De kinders van den nacht braveeren zelfs den dag.
Wat ademhaalt, met recht den Schepper danken mag,Die elk zijn wezen gaf, en mindre en meerder waarde.Wanneer het Hem belieft, zal 't element der aardeVeranderen in lucht of water of in vier;De Hemel zelf in aarde, een Engel in een dier,Een mensch in Engleschijn of onbegrepen wonder.Eén macht regeert het al en keert het bovenste onder.Wat d'allerminste ontvangt is loutere genâ.Hier geldt geen willekeur; hier komt vernuft te spâ[17].In d'ongelijkheid is Gods heerlijkheid gelegen.Zoo zien we tegens 't lichtste 't zwaarste zwaarder wegen.Dus steekt het schooner af op 't schoon; de kleur op kleur;De diamantsteen op turkoosblauw; geur op geur;Het sterke op flauwer licht; gestarrent tegens starren.Ons schikken is den Staat van dit Heelal verwarren[18],Misschikken al wat God geschikt heeft en beleid;En wat het schepsel schikt, dat is wanschapenheid,In 't allerminste lid. Men staak' dit murmureeren.De Godheid kan den Staat van 't Engelsdom ontberen.Zij is met niemands dienst beholpen. Eeuwig rijkEn heerelijk, behoeft zij wierook noch muzijk,Noch geur, haar toegezwaaid, noch lof, haar toegezongen.Ondankbre Geesten, zwijgt; betoomt uw snoode tongen.Gij weet Gods reden niet; genoegt u met uw lot,En onderwerpt u Gods en Gabriëls gebod!
Is dan de staat en 't lot der Geesten onbestendig?Zoo staan ze glibberig, zoo zijn ze alreede ellendig.
Omdat een minder zal regeeren in dit Rijk?Wij blijven die we zijn: geschiedt ons ongelijk?
Zij zijn de naaste aan God, hun toeverlaat en vader.En lagen Hem aan 't hart: nu leît een minder nader.
Zich over 's anders heil bedroeven, is gebrekVan liefde, en riekt naar nijd en hoogmoed. Laat dees' vlekOp Englezuiverheid en louterheid niet kleven.Elkandre in eendracht, liefde en trouw voorbij te streven,Behaagt den Vader, die het al in orden schiep.
Zij houden d' orden, daar de Hemel hen toe riep;Maar kunnen traag verstaan des menschen slaaf te worden[19].
Dat 's ongehoorzaamheid; zoo spatten ze uit hun Orden.Gij ziet hoe 't Hemelsch heir, geharrenast in 't goud,En in 't gelid gesteld, zijn beurt en schildwacht houdt;Hoe deze star gedaald, en gene, in top daar boven,De klaarste een minder klare in luister kan verdooven;Hoe d'eene een kleiner ronde, en d'andre een grooter schrijft;De laagste Hemel snelst, de hoogste langzaam drijft;En evenwel verneemt ge, in deze oneffenheden[20]Van ambten, licht en kreits en stand en trant en treden,Geen tweedracht, nijd, noch strijd; des Albestierders stemGeleidt dit maatgezang, dat luistert scherp naar Hem.
't Gestarrent blijft in staat[21], daar God het in woû scheppen.Behaagde 't Hem, den Staat der Englen niet te reppen[22]Zij weken geen gestarnte in eendracht, noch in peis,Noch steurden met geklag de rust van dit paleis.
Zie toe, en wacht u wel, deze ongenoegt te stijven.
Wij wenschen, dat dees' lucht en wolk mag overdrijvenEer ze uitberste, en 't gewest des Hemels zette in vier.Zij groeien in getal. Wie stilt ze? Wie komt hier?
LUCIFERISTEN (koor):
Helaas, helaas, helaas! waar is ons heil gevaren!
't Gaat wel, wij groeien aan; onze Engelen vergâren!En steken, vol misbaar, de hoofden vast bijeen.—[23]Wat port u, Engleburg met kermen en gesteenT'ontrusten? Kan de bloem der zaligheid verslensen?Gerust bezitten al wat eenig Geest kan wenschenVan God, den zegenaâr, vernoegt u dat nog niet?Zoo staat ge u zelfs in 't licht, en koestert een verdriet,Waarvan ik d'oorzaak noch beseffen kan, noch raden.Houdt op van kermen: scheurt veldteekens, en gewadenNiet langer, zonder reên, maar heldert uw gezichtEn voorhoofd met een straal, o kinders van het licht!De schelle kelen[24], die met zang de Godheid danken,Zien om, en belgen 't zich, omdat gij valsche klankenEn basterdtonen mengt in 't goddelijk muzijk.Uw bittre weeklacht steurt de maat[25] van 't Hemelrijk.'t Gewellef huilt u na. De rouwgalm, in den hoogenGestegen, rolt al voort, van d'eene in d'andre bogen;En zonder misdaad wordt, door zulk een ongeluid,De wasdom van Gods naam en glorie niet gestuit[26].
Heer Overste, op wiens wenk ontelbre keurebendenZich wapenen, gij komt van pas, om onze ellendenTe zalven, en den smaad en onverdienden hoonTe schutten[27] door uw macht. Zal Gabriël de kroonDer heilige Engelen op 't hoofd van Adam zetten,Door Adams erfgenaam Gods eerstelingen pletten?Wij waren nutter niet geschapen, eer de zonTe wagen steeg en licht den Hemel geven kon.De Godheid koos vergeefs de Geesten tot trouwanten[28]Van 't onbeweegbre Hof, indien ze zich woû kantenEn spitsen tegens 't recht der Geesten, zonder schuldTot wederstand getergd, uit nood en ongeduld[29].Wij juichten, in den lof der Godheid opgetogen,Aanbaden, wierookten met schalen, neigden, bogenOnze aangezichten neêr. De Hemel gaf gehoor,Verslingerd op den dans des galms, van koor in koorJa smolt van volle vreugd op tongmuziek en harpen;Toen Gabriëls bazuin zich plotseling kwam werpenMet dezen donderslag in 't midden van Gods eer;Daar lagen wij verbaasd, verstrooid, verdrukt ter neêr.De blijschap gaf den geest. De zwangre kelen zwegen.De jongstgeboren streek de kroon, den staf, den zegen;En d'oudste zoon, onterfd bij d'Oppermajesteit,Gemerkt bleef voor een slaaf. Dat valt gehoorzaamheid,Godvruchtigheid en liefde, en trouwe uit Gods trezorenTen deele; dompelt haar in rouwe, ontvonkt den toorenEn wraakzucht, om den mensch, uit een gerechten haat,Te smoren in zijn bloed eer hij der Englen StaatVerplette, en zij, geboeid als snoode en arme slaven,Gedwongen worden naar zijn zweep en wil te dravenGelijk hij daar beneên de dieren houdt in dwang.Heer Overste, gij kunt der geesten ondergangVerhinderen, en bij hun handvest hen bewaren:Beschut ze door uw macht; wij staan gereed, uw scharen,Uw standerd en uw heir te volgen: trek maar aan,'t Is eerlijk voor zijn eere, en kroone en Recht te staan.
Mij deert uw ongelijk. O koning aller Heeren,Verhoê dit liever. Geef geen stof tot muitineeren,Noch tweedracht. Geef geen stof tot wederspannigheid.Wat raad? Hoe stil ik u en d'Oppermajesteit?
Zij kwetst het heilig recht, aan d'Engelen geschonken.
Het recht te kwetsen kan den onderzaat ontvonken,Een vier ontsteken, daar de lucht af branden zou.O averechtschen loon van onbevlekte trouw!Hoe zullen wij ons best in dees' vertwijfling dragen?
Men trooste zich een kans, een stouten sprong, te wagen.
Waartoe zich zelfs gewaagd? men ga een zachter gangk.
Hier geldt alleen geweld, en kracht, en wraak, en dwangk.
Men kon, waar 't mogelijk, een veilig middel kiezen.
Met uitstel zal men hier niet winnen, maar verliezen.
Men geef zijn ongelijk met reden te verstaan.
De reden heeft hier uit: men zet ons onderaan.
Met smeeken mocht gij best en eerst uw wensch verwerven.
Het stuk ontdekken, is den handel glad bederven[30].
Men kan dien aanslag nauw ontveinzen voor het Licht[31].
Wij groeien machtig aan, en staan in evenwicht.
De kans begunstigt hun, die met Gods Veldheer vechten.
Hier is met sufferije en schrik niet uit te rechten.
Wat zeit Apollion hiertoe, en Belial?
Zij trouwen onze zijde[32] en sterken het getal.
Hoe heeft men dit verhaast? het is nu ver gekomen.
De Hemel vloeit ons toe vanzelf met volle stroomen.
Betrouwt u op geen heir, vol lichte weifelaars.
Wij zien alreê meer kans en voordeel, min gevaars.
Wie reukeloos begint, beroem' zich van geen voordeel.
Aan d'uitkomst hangt het al, vóór d'uitkomst dwaalt het oordeel.Dit gansche leger eischt u tot een opperhoofdEn leidsman op dien tocht.
Maar wie is zoo beroofdVan zinnen, dat hij uw gerechtigheid verdadig',En 's Hemels heirkracht terge? Ay, weest u zelfs genadig.Verschoon me van dien last; ik kieze geene zij.Men legge met verdrag deze ongelijkheid bij[33].
Gebroeders, geeft gehoor. Houdt boven aan met smeekenBij God, door middelaars[34]; men wint met tusschensprekenGemakkelijker veld dan door dien steilen wegVan oproer. Handelt koel, met raad en overleg.Wij willen tegelijk uw Recht omhoog verweren.Bedaart: gij kwetst de kroon van God, den Heer der heeren!
En gij ons' wettigheid: verstout u hooger niet[35].Heer Belzebub, aanvaard dit wettige gebied,En zet de heiren schrap: wij volgen u te gader.
O ijveraars, bedenkt, bedenkt u liever nader.Ik wil u voortreên naar den troon van 't groot paleis.En ons gerechtigheid bemiddelen door peisEn onderling verdrag; gewillig, onbedwongen.
Houdt stil, houdt stil! gij wordt van Michaël besprongen.
Waar zijn we? wat gedruisch verneemt men hier alree?Dit schijnt een hof van twist en oproer, niet van vreê,Gehoorzaamheid en trouw. Prins Belzebub, wat redenBeweegt u, als een hoofd van wederspannigheden,Dien oploop, zwanger van een goddeloos verraad,Te stijven tegens God, ons aller toeverlaat?
Genade, o Michaël, gewaardig ons te hooren,Eer gij een vonnis velt, uit ijverigen tooren,Ter eere van Gods Naam. Belast ons met geen schuld.
Ik zal uw onschuld dan aanhooren met geduld.
De t'zamenrotting van zoo menig duizend troepen,Gesteurd om 't hoog gebod, ten rijkstroon uitgeroepen,Op Gabriëls bazuin, vereischte een tusschenspraak,Tot slissing van dien brand; waarom ik van hun zaakEn klachten kennis koom te nemen, om het muiten,Bij alle middelen en mooglijkheên, te stuiten;Zij varen echter voort, al razende en ontzindAan 't hollen, buiten spoor, en dringen 't klachtbewind[36]Met kracht ons op den hals. Ik poog de macht te scheien[37](Laat tuigen van mijn trouw dees' Godgetrouwe Reien!)Te raden, hunne klacht te storten voor Gods stoel;Maar ijvre vruchteloos, in 't midden van 't gewoelEn oproer, als een zee ten hemel toe verbolgen.De Veldheer treê nu voor: wij staan gereed te volgen,Indien hij middel ziet tot slechting van 't geschil.
Wie durft zich tegens God en Zijnen heilgen wilVerzetten? wie dus stout den oorlogsstanderd planten,In 't Koninkrijk van peis? Indien ge door gezantenWilt handelen omhoog, tot voorstand van uw lot,Wij willen uwen zoen bemiddelen[38] bij God;Of anders wacht uw hoofd: dit zal u niet gelukken.
Zoudt gij met wapenen ons heilig Recht verdrukken?Zij zijn den Veldheer niet tot zulk een eind betrouwd.Wij steunen op ons Recht; Rechtvaardigheid is stout.
D'inspanner[39] tegens God is allerminst rechtvaardig.
Wij dienen God: Hij kenne ons tot zijn diensten waardig.De Hemel blijve maar in zijnen eersten stand.Men stel geen ambtenaars van 't Hemelsch VaderlandBeneden 't aardsch geslacht: dat staat de HierarchijenDe Tronen, Machten, hooge en lage HeerschappijenDer Geesten, Englen, en Aartsenglen nimmermeerTe lijden: neen, geenszins; al zoude uw bliksemspeerDoorstooten borst aan borst, en d'allertrouwste harten:Wij laten ons geenszins van Adams afkomst tarten.
Ik wil, dat elk vertrekke, op 't wenken van mijn hand.Hij kant zich tegens God en Godheid, wie zich kantMeineedig tegens ons. Vertrekt naar uwe vanen.Dat past soldaten, en gehoorzame onderdanenDes Hemels. Wat geweld, wat moedwil drijft men hier!Wie anders ooreloogt dan onder mijn banier,Beoorloogt God, en is een vijand van zijn Rijken.
Wie op zijn Recht staat, hoeft voor geen geweld te wijken.Naturelijk[40] is elk beschermer van zijn Recht.
'k Gebiede u, dat ge fluks de wapens nederlegt. Door t'zamenrotten wordt uw eer en eed geschonden.