Chapter 3

Natuur heeft d'Engelen door eenen band verbonden,Elkandre bij te staan: ook wordt niet één alleenGeraakt in dit geschil, maar 't raakt ons in 't gemeen[41].

Zoudt gij met wapenen den Hemel dan beroeren?Die zijn u niet betrouwd om tegens God te voeren.Misbruikt ge uw macht, zoo vreest des Allerhoogsten macht.

De Stedehouder wordt alle oogenblik verwacht.Hij is in allerijl gedagvaard en ontboden.Wij willen al op een, en Goden tegens GodenOpzetten, liever dan van ons' gerechtigheidAftreden door geweld.

Zoo groot een onbescheid[42]Verwacht ik nimmermeer van 's Hemels Stedehouder.

Het zweemt naar onbescheid een eersteling, een ouderTe stellen onder 't juk des jongsten, als een knecht.Dat d'Engel de natuur der Engelen bevecht',En tegens zijns gelijk, in staat, en aard, en wezen,De wapens voere, wordt met onbescheid geprezen[43].

Hardnekkige aard[44], gij zijt geen zonen meer van 't licht,Maar eer een basterdslag, dat voor geen Godheid zwicht[45].Gij tergt den bliksemstraal en onverzoenbren tooren;Volhardt ge, wat een ramp en val is u beschoren!Gij luistert naar geen raad, noch onderwijs: laat zienWat d'Allerhoogste stem ons boven zal gebiên.Welaan, ik wil dat zich d'oprechte en vrome ReienEn scharen daadlijk van rebelle rotten scheien.

Laat scheiden al wat wil; wij houden ons bijeen.

Getrouwe Reien, volgt Gods Veldheer.

Trekt vrij heen.

De Veldheer vaart naar God, om over u te klagen.Schept moed: Vorst Lucifer, gestegen op zijn wagen,Wordt herwaart aangevoerd. Gij moet u kort beraân.Een heirkracht, zonder hoofd, kan nimmermeer bestaan.Wat mij belangt, die last[46] valt mij te zwaar te tillen.

De gansche Hemel waagt en dreunt van uw geschillen.De keurebenden staan gereten en gedeeld.Het oproer slaat al voort. De hooge nood beveeltHierinne te voorzien, en onheil voor te komen.

Heer Stedehouder, wijk en toevlucht aller vromen,Wij hopen nimmermeer, dat gij, als Michaël,Den hals van 't Engelsdom, tot eene voetschabelVan Adams afkomst, zult verwerpen en verdoemen[47],En zulk een smaad en hoon vergulden en verbloemenMet schijn van billijkheid, en stijven door uw machtDen opgang van den mensch, een grof, een aardsch geslacht.Wat wierook schenkt hij toch den schaars van hem gezienen[48]?Waarom belast men ons een snooden worm[49] te dienen,Te dragen op de hand, te luisteren naar zijn stem?Schiep God de Heemlen en Eng'len slechts om hem,Wij waren nutter nooit geschapen noch geworden.Ontfarm u, Lucifer! Gedoog niet dat onze OrdenZoo laag vernederd werde[50], en zonder schuld verzink';De mensch, gelijk een hoofd der Englen, strale en blink'In 't ongenaakbre licht, waarvoor de Serafijnen,Al bevende van angst, als schaduwen verdwijnen.Indien gij u verneêrt zoo groot een ongelijk,Tot voorstand van ons Recht, te slechten[51] in dit Rijk,Wij zweren uwen arm eendrachtig t'onderstutten.Aanvaard dees' heirbijl; help, och help ons Recht beschutten.

LUCIFERISTEN (koor):

Wij zweren u met kracht en volle majesteit,Te zetten op den troon, aan Adam toegeleîd.Wij zweren uwen arm eendrachtig t'onderstutten,Aanvaard dees' heirbijl; help, och help ons Recht beschutten[52].

Mijn zonen, op wier trouw geen vlek van ontrouw hecht,Al wat de Godheid wil en van ons eischt, is recht.Ik ken geen ander Recht; en stutte, als StedehouderDer Godheid, zijn besluit en raadslot met mijn schouder.Den schepter, dien ik voer, ontving mijn rechte handVan zijne Almogendheid, als een genadepandEn teeken van Gods gunst en liefde tot ons allen.Is nu zijn hart en zin op Adam juist gevallen,En lust het hem den mensch, in volle heerschappij,Te zetten bovenaan, en boven u en mijTe kronen, schoon we nooit in onzen plicht bezweken[53];Wat raad hiertoe? Wie zal dat raadslot tegenspreken?Indien hij Adam nog een zelve heerlijkheid,En d'Engelsche natuur gelijk, had toegeleîd,Dat waar verdragelijk voor alle hemeltelgen,Gesproten uit Gods stam: nu mochten zij 't zich belgen[54],Zoo belgzucht geene vlek omhoog gerekend waar'.Maar hoe men 't vat, dit loopt van wederzij gevaar,Hetzij men zwichte uit schroomte, of moedig wederstreve:Ik wensche dat hij u dees' bellegzucht vergeve.

Heer Stedehouder, ay, aanvaard dien heirstaf toch,En handhaaf 't heilig Recht; wij volgen in uw zog.Wij volgen, streef vooruit op uw gezwinde veeren.Wij willen sneuvlen, of zeeghaftig triomfeeren.

Dit strijdt met onzen eed, en Gabriëls gebod.

Dat strijdt met God, en zet het menschdom boven God.

Laat God zijn eer en stoel en majesteit bewaren[55].

Bewaar uw eigen stoel: wij willen, als pilaren,U stutten, en den staat der Engelen[56] meteen.Geen mensch zal onze kroon, Gods kroon, met voeten treên.

De Veldheer Michaël, gewapend onder 't zegenenVan boven[57], wil ons fluks met al zijn heir bejegenen.Zijn heirkracht bij uw macht, wat is 't een groot verscheel!

Is 't geene helft, gij sleipt een staart van 't derde deelDer Geesten mede, indien ge u geeft op onze zijde.

Dan is de kans gewaagd, ons' gunst verloren bij deVerdrukkers van uw Recht.

De moed, de dapperheid,De hoon, de smaad, de spijt, de wanhoop, het beleid,De wraak, het ongelijk, niet anders te beslechten,En wat hier aanhangt, zal ons stijven onder 't vechten.

Wij hebben 't heilig Rijk alleen in onze macht.Wat raadslot men besluit', de wapens geven 't krachtEn nadruk, zoo wij slechts ons in slagorden stellen;Wat nu nog weifelt, straks op onze zij zal hellen.

Ik troost me dan geweld te keeren met geweld.

Zoo stijg de trappen op, o allerbraafste Held[58].Heer Stedehouder, stijg dien troon op, dat we u zweren.

Vorst Belzebub, getuig, en gij, doorluchtste Heeren!Apollion, getuig, getuig, Vorst Belial!Dat ik, uit nood en dwang, dien last aanvaarden zal,Tot voorstand van Gods Rijk, om ons bederf te keeren.

Nu brengt den standerd voort, dat wij den stander zweren:Getrouwigheid aan God en onze Morgenstar.

Wij zweren tegelijk bij God en Lucifer[59].

Nu brengt het wierookvat, gij Godgetrouwe scharen,Bewierookt Lucifer met wierookkandelaren,En schalen, rijk van geur. Verheerlijkt hem met licht,En glans van fakkelen. Verheft hem met gedicht,Gezangen en muzijk, bazuinen en schalmeien.Het voegt ons hem aldus met staatsie te geleien.Heft op[60] een heldren toon,Ter eere van zijn kroon.

Op! trekt op, o gij Luciferisten,Volgt dees' vaan.Rukt te hoop al uw krachten en listen.Trekt vrij aan.Volgt dezen God[61], op zijn trommel en trant;Beschermt uw Recht en Vaderland,Helpt hem Michaëls heirkrachten stuiten,Houdt nu moed.Helpt den Hemel voor Adam nu sluitenEn zijn bloed.Volgt dezen Held op zijn bazuin en trom.Beschut de kroon van 't Engelsdom.—Ziet, ay ziet nu de Morgenstar[62] blinken.Voor die prachtZal des vijands banier haast verzinken,In der nacht[63];Wij met triomf kronen God Lucifer,Bewierookt hem: aanbidt zijn Star.

Waar zijn we toe gekomen,Dat 's Hemels burgertwistDe regementen splitst,En 't zwaard is opgenomen,Te zinneloos en blind?Wie is er van ons benden,Hij sneuvelt of verwint,Gelukkig? die d'ellendenVan hunne broedren zienEn Rijks- en Reigenooten?Of die verwonnen vliên,In ballingschap gestooten?O, zoons van éénen God,Waartoe verdwaalt uw lot!

Helaas! waartoe verdwalenDe Geesten? wat verleidtHen, uit de zekerheidVan hunnen staat en palenTe spatten, zonder nood?Zich op het spits te wagen?Ons' weelde was te groot,Te dertel om te dragen;De Hemel niet genoegOm Englen te paaien[64];De nijdigheid most vroegDit zaad van oorlog zaaien,In 't vreedzaam Vaderland.Wie leît dien twist aan band?

Is dit krijgsvier niet te smoren,Door een macht van hooger hand,Wat wil blijven in zijn stand?Staatzucht[65] zal alle Orden storen:Hemel, aarde, zee en strandZullen staan in lichten brand.Staatzucht, eens door triomfeerenAls gewettigd, zal verwoedGod en alle macht braveeren.Staatzucht kent noch God, noch bloed.

Noten:

[1] LUCIFERISTEN. Eigenlijk is deze benaming hier nog voorbarig. Eerst aan het eind van dit bedrijf toch treedt Lucifer op als hoofd der beweging.

[2]Wanneer: tot dat.

[3]verbaast: ontstelt.

[4]livreien: kleeding.

[5] REI. De Rei van Engelen, die aan het slot van het vorig bedrijf te verstaan gaf, dat zij wilde pogen de gemoederen te doen bedaren.

[6]muziek van druk(treurmuziek)op noten galmen. Het woord "noten" lijkt overbodig.

[7]Heerschappijen, machten, tronen. Vlgg. over de verdeeling der Engelen. EnVoorwoord. Uit dezen regel volgt, dat de derde orde der eerste rij, benevens twee van de tweede rij, tot de ontevredenen behoorden.

[8]bij ons: door ons;mishandeld: mis gehandeld.

[9]onzen plicht bekleeden. Bekleeden heeft bij V. een zeer ruime beteekenis. Hier: vervullen.

[10]in stede van regeeren zal Adam triumfeeren: Instede dat wij regeeren, zal Adam triumf vieren.

[11]te rusten: berusten.

[12]tot heerschen min. Minder tot heerschen.

[13]Die zich gelaten stelt: door in Gods wil te berusten.

[14]de kroon verdooven: in haar glans verdooven.

[15] APOLLION zegt dezen regel zacht tot BELIAL. DE LUCIFERISTEN zijn in dit volgende tooneel niet als aanwezig aangeduid. Maar zijsprekenalleen niet; blijven wel op den achtergrond, zwijgend. Belials optreden als van een gansch onkundige is voortreffelijk begrepen. En heel gelukkig dit aanbod om ze bij te staan tegen rechtsverkrachting; nog vóór hij, Belial,schijntte weten wat ze bedreigt. Zoo komt hij ongezocht waar hij wezen wil.

[16]Nu durft de duisternis(de aardwormen)het hemelsch licht ontwassen(boven het hoofd groeien).

[17]Hier komt vernuft te spâ. Vernuft, 't verstand kan dit niet begrijpen.

[18]Ons schikken is … verwarren. Gaan wij er ons in mengen, we brengen verwarring; misschikken alles.

[19]Maar kunnen traag verstaan des menschen slaaf te worden; Het valt hun moeilijk te begrijpen, waarom de Mensch boven hen gesteld moet worden.

[20]in deze oneffenheden: ongelijkheden.

[21]blijftin (den) staat.

[22]den staat niet te reppen: ongerept, ongestoord te laten.

[23] Ook BELZEBUB vangt met een terzijde aan.

[24]De schelle kelen: de klare, heldere kelen der zingende Engelenrei.

[25]steurt de maat: verstoort het evenwicht, de harmonie.

[26] Door zulk een wangeluid den groei van Gods glorie stuiten, kan u niet anders dan als misdaad worden aangerekend.

[27]te schutten: te stuiten.

[28]trouwanten: trawant, lijfwacht, satelliet. Hier denkelijk frouwant geschreven om verband te krijgen mettrouw.

[29]ongeduld: wat niet te dulden is.

[30]Het stuk ontdekken is den handel glad bederven: door den toeleg te doen blijken, zou men de actie schade doen.

[31]Het Licht: God.

[32]zij trouwen onze zijde: hangen onze zijde aan.

[33] men trachte het geschil door een overeenkomst bij te leggen.

[34]smeeken door middelaars. Denk aan V.'s roomsche opvatting van de kracht der bemiddeling, die de kern van zijnJepfta-treurspel geworden is.

[35]verstout u hooger niet: waag niet verder te gaan.

[36]'t klachtbewind: bewind over de klagers: 't aanvoerderschap.

[37]Ik poog de macht te scheien: beproef als scheidsman, kalmeerder, op te treden.

[38]Wij willen uwen zoen bemiddelen: optreden als bemiddelaar ter verzoening.

[39]d'Inspanner: Opstandeling.

[40]Naturelijk: volgens de Natuur. Vgl. Jeptha: "Naturelijkstaat elk in 's doods gewoud": "het is een natuurwet dat ieder aan de macht des doods onderworpen is".

[41]'t raakt ons in 't gemeen: gemeenschappelijk; het treft ons allen.

[42]onbescheid: drieste overmoed, vermetelheid (Wdbk.).

[43] "dat één Engel de positie der Engelen bestrijdt, (dit tegen Michaël, wijl hij aldus gezegd wordt te doen) dit wordt onbescheid genoemd".

[44]Hardnekkige aard, voor: "hardnekkigen van aard".

[45]dat voor geen Godheid zwicht: "dat zich niet buigt voor God."

[46]die last(van 't hoofdschap). Kiest dus een ander: Lucifer.

[47]dat gij den hals van 't Engelschdom tot eene voetschabel zult verwerpen: zult verlagen. "Dat gij de Engelen den nek zult doen buigen onder Adams voet, ten teeken van slavernij."

[48]den schaars van hem gezienen: God.

[49]snooden worm. Snoodis in 't M. Nedl.: gering, onaanzienlijk.

[50]werde: worde.

[51]Zoo groot een ongelijk te slechten: zulk een groot onrecht te beletten.

[52] Dr. Cramer meent dat deze vier regels hier bij ongeluk tusschen den tekst zouden zijn gekomen, vooral omdat ze de zuivere herhaling zijn. Maar kan het niet zijn, dat V. zich deze laatste vier regels gedacht heeft als inkoorgesproken, dat dan wat zijn woordvoerder eerst uiteenzette, bevestigt en herhaalt? Ook het: "Helaas, helaas, helaas, waar is ons heil gevaren!" van is blijkbaar als "Koor" bedoeld. Ik heb me veroorloofd dit in den tekst aan te geven.

[53]schoon we nooit in onzen plicht bezweken(te kort schoten). Een héél gelukkig trekje om Lucifer, terwijl hij schijnbaar tot onderwerping aanspoort, toch even te laten erkennen dat de grief wegens onbillijke behandeling eenig recht heeft. Verder neemt hij dan voorzichtig den draai naar hun zij.

[54]'t zich belgen; belgzucht: belgenis "opblazen"; dus "zich daarover vertoornen," "er in verzet over komen."Belgzucht: oproerigheid.

[55] Laat God zelf de zorg voor zijn eer, macht en majesteit.

[56]den staat der Engelen: de orde der Engelen.

[57]gewapend onder 't zegenen van boven: wiens wapens door God gezegend zijn.

[58]allerbraafste Held: aller moedigste.

[59] De eed wordt tegelijk gedaan aan God èn Lucifer, om te doen uitschijnen dat men zich niet jegens God verzet; gelijk Oranje in het Wilhelmus in den mond gelegd wordt, dat hij den koning van Hispanje trouw blijft, al verzet hij zich tegen de krenking der Volksrechten.

[60]Heft op: heft aan.

[61]volgt dezen God. De Engelen worden zelf ook Goden genoemd.Trantmaat, stap. Vgl. "trant en treden" en "trantelen."

[62]de Morgenstar: Lucifer.

[63]In der nacht. Nacht was vroeger vrouwelijk.

[64]paaien, als nog oorspronkelijk, in samenhang met peis: tevreden stellen.

[65]Staatzucht. Zie Inleiding, pag. 22.

* * * * *

De gansche hemel gloeit, in eenen lichten brandVan oproer en verraad. 'k Verdaag u[1], als GezantVan God en zijnen stoel, nu daadlijk op te trekkenMet eenen gloed van vier en ijver deze vlekkenTe branden uit Gods naam, en 't zuiver Hemelsdom.Vorst Lucifer braveert: hij roert trompet en trom.

Is Lucifer, helaas! in zijne trouw veranderd?

Des Hemels derde deel heeft reede zijnen standerd,Die valsche morgenstar, gezworen; zijnen troonBewierookt als een God, en met een lastertoonVan goddeloos muzijk hem eere toegezongen.Zij komen herwaart aan in volle kracht gedrongen,En dreigen schrikkelijk de poort van 't wapenhuisTe rammen met geweld. Een woest, een wild gedruischVan onweêr buldert vast, van boven en van onder.Het weêrlicht, stormt, en raast. De bliksem en de donderIn arbeid[2], schudden vast de pijlers van ons Hof.Men hoort geen Serafijns, noch wedergalm van lof.Een ieder zit in druk gedompeld over d'ooren.Dan zwijgen plotseling, dan huilen al de korenDer Engelen, van druk en medelijden, omDen blinden afval van 't gezaligd Engelsdom.En d'Engelsche natuur. 't Is meer dan tijd om hedenTe kwijten uwen plicht, en op uw heilige eeden,(Die gij, als Veldheer, op het punt des bliksems zwoertBij God en Zijnen naam) te passen[3].

Wat vervoertGods Stedehouder, dus zich tegens God te kanten,Als een verwaten hoofd van dolle vloekverwanten?

De Hemel weet hoe noode ik Gods gerechte zaakVerdadige, op dees' wijs. Hoe bitter wil[4] de wraakHem treffen! want men weet geen middelen te vinden,Om dit verdoold geslacht rampzaligen en blindenTe leiden op de baan, de heirbaan van hun trouw.Ik zag Gods blijschap zelf zich met een wolk van rouwBeschaduwen; in 't end de wraak een vlam ontstekenIn d'oogen van het licht[5]; eer, om dien slag te breken,Het last gaf tot dien tocht. Ik hoorde een wijl het pleit.Hoe de opperste Genade en Gods Gerechtigheid[6]Elkandre in wederwicht, met pit van reden, hielen.Ik zag de Cherubijns, hoe ze op hun aanzicht vielen,En riepen vast: "Genâ, genâ, o Heer, geen Recht!"Men had dit zwaar geschil gezoend, en schier geslecht;Zoo scheen de Godheid tot genade en zoen genegen:Maar als de wierookstank[7] in top komt opgestegen,De smook, die Lucifer omlaag wordt toegezwaaid,Met wierookvat, bazuin, en lofgezangen, draaitDe Hemel zijn gezicht van zulke afgoderijen,Gevloekt van God, en Geest, en alle Hierarchijen.Genâ had uitgediend. Waak op, in 't harrenas.De Godheid dagvaardt u, eer 't oproer ons verrass'.Betem met uwen arm de woeste BehemottenEn Leviathans, die dus godloos t'zamenrotten.

Uriël! schildknaap, fluks! men breng den bliksem hier,Mijn harnas, helm en schild. Breng herwaart Gods banier.Men blaze de bazuin. Te wapen! fluks te wapen.Gij Machten, Tronen! wat getrouw is en rechtschapen,Dat wapen' zich met ons. Gij regementen, voort,Een ieder in 't gelid: de Hemel geeft het woord.Men blaze de bazuin: men sla de holle trommels,Verdagvaarde in der ijl ontelbre dikke drommels[8]Gewapenden. Blaast op: ik schiet de wapens aan.Het geldt Gods eer alleen. Het moet er nu op staan.

Dit harnas past zoo braaf, als waar' 't u aangeschapen[9].Hier komt de veldbanier, waarin Gods naam en wapenU toestraalt, en de zon in top u heil belooft.Hier komen de Kornels u groeten, als het hoofdVan 't heir der Hemelen, die Gods baniere zwoeren.Schep moed, Vorst Michaël: gij zult Gods oorlog voeren.

Zoo zal ik. Hoû mijn woord omhoog[10]: wij trekken heen.

Wij volgen uwen tocht met wenschen en gebeên[11].

Hoe staat het met ons' heir? hoe is 't er mee gelegen[12]?

Het heir verlangt, gereed, om onder uwen zegen,Te vliegen regelrecht op 't spits van Michaël.

Zoo doet het: ieder wacht op Lucifers bevel,Om teffens d'armen en hun vleugels eens te reppen,Dien grooten vijand lucht en winden t'onderscheppen,En, als hij legt in zwijm, te ketenen met kracht.

Hoe talrijk is het heir? waarin bestaat ons' macht?

Die groeit alle oogenblik, en bruist uit alle transenOns toe, gelijk een zee van vier en heldre glansen.'k Vertrouw het derde deel des Hemels houdt ons' zij,Is 't niet de halve streek; want Michaëls getijVerloopt alle oogenblik, en ebt aan alle kanten.De helleft van de wacht en eerste hoftrouwanten,Uit ieder Orden, van een ieder Hierarchij,Verzweren hunnen Heer, Vorst Michaël, als wij.Men ziet er Cherubijns, Aartsengelen, SerafijnenDe vanen voeren. Zelf het Paradijs, aan 't kwijnenGeslagen van verdriet, verschiet zijn groente[13] en verf;En waar men d'oogen keert, daar schijnt een wis bederfEn boven 't hoofd een bui en donkre wolk te hangen.Dat voorspook spelt ons heil; men heeft slechts aan te vangen.Gij draagt alreê de kroon des Hemels op uw kruin.

Die klank behaagt me meer dan Gabriëls bazuin.Hoort toe, en geeft gehoor beneden deze trappen[14].Hoort toe, gij Oversten! hoort toe, gij Ridderschappen!En luistert wat wij u vermelden, klaar en kort.Gij weet, hoe verre wij alreê zijn uitgestortIn wraakzucht tegens 't Hoofd der opperste paleizen,Dat het een dolheid ware, op hoop van zoen, te deizen;En niemand denken durf deze onuitwischbre smetTe zuivren door genâ; dies moet de nood een wet,Een wisse toevlucht van te wanken noch te wijkenVerstrekken; gij, met kracht en zonder om te kijken,Dien standerd en mijn star verdadigen, meteenDen vrijgeschapen Staat der Englen in 't gemeen.Het ga zoo 't wil; volhardt groothartig, onverdrietig;Geen almacht heeft de macht, dat zij geheel vernietig'Het wezen, dat gij eens voor eeuwiglijk ontvingt.Indien ge fel en forsch met uwe heirspits dringtIn 't Hart van 's vijands heir, en komt te triomfeeren,Zoo zal de tirannij der Hemelen verkeerenIn eenen vrijen Staat, en Adams zoon en bloed,Gekroond in top van eere, en met een aardschen stoetOmsingeld[15], uwen hals niet boeien aan de ketenVan slaafsche dienstbaarheid, om hem ten dienst te zweetenEn onder 't koopren juk te hijgen, zonder end.Indien ge mij voor 't hoofd van uwen vrijdom kent[16],Gelijk ge uit eenen mond dien standerd hebt gezworen;Zoo staaft den eed nog eens eenstemmig, dat wij 't hooren,En zweert getrouwigheid aan onze Morgenstar:

Wij zweren tegelijk bij God en Lucifer!

Maar zie hoe Rafaël, verbaasd[17] en vol meêdoogen,Met zijnen vredetak van boven komt gevlogen,Om uwen hals, op hoop van stilstand en verdrag.

Och, Stedehouder, mond van 't goddelijk gezag[18],Wat heeft u buiten 't spoor van uwen plicht gedreven?Zoudt gij den Schepper van uw glorie wederstreven?Lichtvaardig weifelen en wanklen in uw trouw?Dat hoop ik nimmermeer. Helaas! ik zwijm van rouwEn blijve om uwen hals beklemd, bestorven hangen.

Oprechte Rafaël!

Mijn blijschap, mijn verlangenIk bidde u, hoor me.

Spreek, zoo lang het u behaag'.

Genade, o Lucifer[19]! Verschoon u zelven; draagGeen harnas tegens mij, die treurig smilte en kwijneVan druk, om uwentwil. Ik koom, met medicijneEn balsem van genâ, gestegen uit den schootDer Godheid, die, gelijk ze in haren Raad besloot,U, boven duizenden gekroonde Heerschappijen,Gezalfd heeft op den stoel van haar stadhouderijen.Wat dolheid is het, die uw zinnen dus verrukt?Zij had haar zegel en gelijkenis gedrukt[20]Op uw geheiligd hoofd en voorhoofd, overgotenMet schoonheid, wijsheid, gunst, en wat er komt gevlotenEn stroomen, zonder maat, uit aller schatten bron.Gij blonkt in 't Paradijs, voor 't aanschijn van de zonDer Godheid, uit een wolk van dauw en versche rozen.Uw feestgewaad stond stijf van perlen en turkozen,Smaragden, diamant, robijn, en louter goud.De zwaarste schepter werd uw rechte hand betrouwd,Zoodra gij steegt in 't licht, en op bazuin en bommen[21]Door 't blakende gesternte en steenen kwaamt te brommen[22]:En zoudt gij reukeloos u storten uit dien troon[23]?Verreukeloozen al dat heerelijk en schoon?Zoudt gij uw glansen, die de Hemelen versieren,Ons licht verduisteren, in eenen knoop van dieren[24],En mengsel van gedierte en ondier ondereen,Griffoensklauw, drakenhoofd en andre gruwzaamheênMisscheppen[25] onbedacht? En zouden 's Hemels oogen,De starren, u zoo laag[26] beroofd zien van vermogen,En eere, en majesteit, door 't schenden van uw trouw?Dat keer' de goede God, wiens aanschijn ik aanschouwIn 't zalig licht, daar wij, geheiligd alle zeven[27],Hem dienen voor zijn troon, en sidderen, en bevenVoor zulk een Majesteit, die op ons voorhoofd straaltVerkwikt en leven geeft wat leeft en ademhaalt.Heer Stedehouder, mag mijn bede uw hart bewegen:Gij kent mijn zuiver wit en hart, met u verlegen[28].Ruk af dien trotschen kam, schud uit dit harrenas,Smijt neder uit dees' hand de heirbijl, de rondasUit d'andre! Hooger niet[29]; leg neder, och, leg neder,Leg neder, strijk vanzelf den standerd, en de vederVan uwe vleugelen, voor God en zijnen glans;Eer hij u uit den troon, den allerhoogsten transVan eere, nederklinke aan gruis en stof te mortel,Ja zulks dat van den stam der Geesten tak noch wortel,Noch geen gedachtenis, noch leven overschiet;'t En ware een leven van ellende, van verdriet,De Dood, de Wanhoop, en een worm, een eeuwig knagenEn knersetanden mocht den naam van leven dragen[30].Verneêr u, staak dien tocht[31]; ik offere u genâMet dien olijftak; grijp, of echter[32] 't is te spâ.

Heer Rafaël, ik verdien noch dreigement noch tooren.Mijn helden hebben God en Lucifer gezworen,En, onder 's Hemels eed[33], dien standerd opgerecht.Men strooie wat men wil den Hemel door: ik vechtEn oorloge onder God, tot voorstand van zijn koren,De handvest, en het Recht, hun wettig aangeboren,Eer Adam zijne zon zag opgaan, eer de dagZijn Paradijs bescheen. Geen menschelijk gezag,Geen juk van menschen zal den nek der Geesten plagen;Geen Engelsdom den troon van Adam onderschragen,Met zijnen vrijen hals, gelijk een dienstbaar slaaf,'t En zij de Hemel ons in eenen poel begraaf',Met zooveel scepteren en kronen, glans en vonken,Als ons de Godheid uit haar boezem heeft geschonken,Voor eeuwig en altijd. Laat bersten al wat berst;Ik handhaaf 't heilig Recht, door hoogen nood geperst,En, na veel wederstands, mij endlijk overdrongen[34],Op 't klagen en gekerm van duizenden van tongen.Ga hene, boodschap dit den Vader, onder wienIk dus, voor 't Vaderland, den standerd voere en dien'.

Och, Stedehouder, wat verbloemt gij uw gepeinzenVoor 't alziende oog? Gij kunt uw oogmerk niet ontveinzen.De straal van zijn gezicht verraadt de duisternis,De staatzucht, daar uw geest zoo grof van zwanger is,En reede in arbeid gaat, om dit gedrocht te baren.Waar berg ik mij van schrik! hoe rijzen al mijn haren!Verdwaalde Morgenstar, verschoon uzelven toch.Gij kunt d'Alwetendheid niet paaien[35] met bedrog.

Wat staatzucht? heeft mijn plicht in eenig deel ontbroken?

Wat hebt gij in uw harte al heimelijk gesproken?Ik wil in 's Hemels top, door alle wolken heen,En boven Gods gestarnte opstijgen van beneên,God zelf gelijk, geen macht bestralen met genade,'t Zij ze aan mijnen stoel het leen verheergewade[36].Geen majesteit braveer' met schepter nochte kroon,Tenzij ik haar beleene uit mijnen hoogen troon.Bedekt uw aangezicht; valt neder; strijk uw pennen,En wacht u, boven ons, een hooger macht te kennen.

Hoe nu toe? ben ik dan Gods Stedehouder niet?

Dat zijt gij, en ontvingt van 't onbepaald GebiedBepaalde mogendheid, en heerscht uit Zijnen name.

Helaas, hoe lang? Totdat Vorst Adam ons beschame,En, boven de natuur der Engelen, zijn lotUit 's Hemels schoot ontvange, en aanzitt' neffens God?

Wil d'opperste Monarch zijn macht met mindren deelen,Ja d'eerste kroon den mensch opzetten, en bevelen,Hem wijden tot een hoofd der Geesten, boven alWat kroon en schepter voert, of namaals voeren zal,Zoo leer ootmoedig u Gods raadslot onderwerpen.

Dat is de wetsteen om dees' heirbijl op te scherpen[37].

Gij scherpt ze reukeloos voor uwen eigen nek.Bedenk eens waar wij staan. De Hemel kan geen vlekVan afgunst, haat en nijd, noch hoogvaardij verdragen.De wraak des Hemels dreigt dees' schandvlek uit te vagen.Hier helpt geen veinzen. Och, of voor d'alziende Zon,Het aldoordringende oog, ik deze lastren konBedekken. Lucifer, waar is uw glans gebleven?

Mijn glans is Adam en zijne afkomst lang gegeven.Men noem' mij langer niet den eerstgewijden zoon,Den oudsten erfgenaam.

Vorst Lucifer, verschoonUzelven; onderworp u 't opperste behagen.Gewaardig ons, dat wij die blijde tijding dragenNaar boven; ieder ziet mijn weerkomst tegemoet.Ik valle ootmoedig dus uw heerlijkheid te voet.Om Gods wil, wacht u toch weêrspannigen te stijven,Die op uw wil en wenk, als op hun aspunt[38], drijven.Zoudt gij, in wederwil van 't Hemelsche paleis,Dees' lucht, vol heiligheid, vol vrede, d'eerste reis,Met duizend duizenden in 't harrenas, beroeren?Op trommel en trompet den oorlogsstanderd voeren,En kanten tegens God, den sterksten worstelaar?

Men kant zich tegen ons. Was Adams afkomst maarEen zelven staat en stoel, als d'Engelen, geschonken;Dat scheen verdragelijk; nu vliegen vast de vonkenVan dezen hemeltwist door alle daken heen.Zwijg Engelsdom! verhef eerbiediglijk het leenVan al wat gij bezit aan Adam en zijn neven[39].Den mensch weêrstreven, is de Godheid wederstreven.Hoe mag het God van 't hart, dat hij zoo laag, zoo diepVernedert, dien hij tot den grootsten schepter schiep?Een edelmoedigheid, geheiligd tot regeeren,Voor eenen minder zoo zwaarlijk kan verneêren,Van heerlijkheid ontkleên, en opstaan uit haar staatEn stoel, dat zij vervloekt den glans en dageraadVan haren opgangk, ja veel liever had geblevenEen schaduw, zonder verf, een niet, en zonder leven:Want niet-zijn overtreft verkleening duizendwerf.

Geleende heerschappij staat los, en is geen erf[40].

'k Misdank me dan[41] dit leen, als 't immers leen moet heeten.

Bewaar uw ambt: of is zijn oogmerk u vergeten?Het Stedehouderschap uw wijsheid werd betrouwd,Opdat gij 't al in ruste en orden houden zoudt;En hebt ge tegens God het pantser aangeschoten,Als een meineedig hoofd van blinde bondgenooten?

Wij schoten slechts, uit nood en noodweer, 't pantser aan;Zoo luttel wouden wij de Godheid wederstaan.De reden spreekt, al waar 't dat schild en wapen zwege.Wij vrijen onzen Staat: benijdt men ons dien zege?

RAFAEL:Geen zege is heerelijk, daar, in een zelve Rijk,Slagordens van een Staat bestrijden haars gelijk;En deerlijk is het, zoo gebroeders van eene OrdenDoor hun gebroeders zelfs in 't end verwonnen worden.Om onzentwil, om God, en Zijn gedreigde straf,Och, Stedehouder, voer uw regementen af;Voer af, en laat u toch vermorwen door gebeden.Ik hoor, 't is schrikkelijk, alreed ketens smeden,Om, na de neêrlaag, u geketend door de luchtTe voeren in triomf. Ik hoor alreê gerucht,En zie allengs het heir van Michaël genaken.Het is hoog tijd, hoog tijd, dien dollen tocht te staken.

Wat baat het, schoon men zich op 't uiterste berâ?Hier is geen hoop op peis.

'k Verzeker u genâ, En stel me, als middelaar, omhoog voor u te pande[42].

Mijn Star te dompelen in duisternisse en schande!Mijn vijanden te zien braveeren op den stoel!

Och, Lucifer, waak op. Ik zie den zwavelpoel,Met opgespalkte keel, afgrijslijk naar u gapen.Zult gij, het schoonst van al wat God ooit heeft geschapen,Een aas verstrekken voor het vratige ingewandDes afgronds, nimmer zat, en nimmer uitgebrand?Dat hoede God! Och, och! bewillig onze bede:Ontvang dien tak van pais: wij offren u Gods vrede.

Of ergens schepsel zoo rampzalig zwerft als ik[43]?Aan d'een zij flauwe hoop, aan d'andre grooter schrik:De zege is hachelijk; de neêrlaag zwaar te mijden.Op 't onwis tegens God en Gods banier te strijden?Den eersten standerd op te heffen tegens God,Zijn hemelsche bazuin, en openbaar gebod?Zich op te worpen als een hoofd van Gods rebellen,En tegen 's Hemels wet een wederwet te stellen?Te vallen in den vloek der snoodste ondankbaarheid?Te kwetsen de genade en liefde en majesteitDes rijken Vaders, bron van alle zegeningen,Die nog t'ontvangen staan, en wat wij reede ontvingen?Hoe zijn we nu zoo wijd verzeild uit onzen plicht!Ik zwoer mijn Schepper af. Hoe kan ik voor dat lichtMijn lasterstukken, mijn verwatenheid, vermommen?—Hier baat geen deinzen, neen, wij zijn te hoog geklommen.Wat raad? wat best geraamd in dees' vertwijfeldheên?De tijd geen uitstel lijdt. Een oogenblik is geenGenoegzaamheid van tijd; indien men tijd mag noemenDees' kortheid, tusschen heil en endeloos verdoemen.Maar 't is te spâ, en hier geen boete voor ons' smet.De hoop is uit. Wat raad? Daar hoor ik Gods trompet!

Heer Stedehouder, op! het is geen tijd te marren[44];De Veldheer Michaël, in aantocht met zijn starrenEn regementen, daagt u uit in 't vlakke veld.De tijd gebiedt, dat gij u in slagorden stelt.Trek op, trek op met ons: wij zien den strijd gewonnen.

Gewonnen? dat 's te vroeg: de strijd is niet begonnen.Men weeg' dien zwaren slag en oorlog niet te licht.

Ik zag alreê den schrik in Michaëls gezicht,En al zijn benden doodsch schier omzien naar de hielen.Wij willen, twijfel niet, haar sloopen en vernielen.Hier komen d'Oversten met onzen standerd aan.

Een ieder in 't gelid: een ieder kenn' zijn vaan;Nu rustig de bazuin en krijgstrompet gesteken!

Wij wachten op uw woord.

Zoo volgt ons op dit teeken.

Helaas! hij stond alreede in twijfel en beraad;Nu voert hem Wanhoop aan. Helaas! in welk een staatVan jammernissen stort d'Aartsengel al de zijnen!Nu mag hij nimmermeer in vreugd omhoog verschijnen,'t En zij de Godheid dit meêdoogende belett'[45].Gij hemelreien, komt, en geeft u in 't gebed:Misschien of nog dees' slag te schutten waar' met smeeken.Het bidden kan een hart van diamantsteen breken.

O Vader, die geen wierookvat,Noch goud, noch lofzang waarder schatDan Godgelatenheid en stilteVan 't schepsel, dat uit needrigheidBehagen schept aan uw beleid,En in uw wil zichzelf versmilte;Gij ziet, o aller telgen stam,Hoe 't hoofd der Geesten zijnen kamDurf kanten tegens uw behagen;Hoe hij trompet en trommel roert,En blind, van Staatzucht aangevoerd,U tergt op zijnen oorlogswagen.Ontferm u over 't lasterstuk,En keer, och keer het ongelukVan duizend duizend lotgenooten,Die, al te jammerlijk misleid,Met zulk een wederspannigheidHet harnas hebben aangeschoten.

Verschoon genadig, och! verschoonDen Stedehouder, die de kroonDer kronen op zijn hoofd wil zetten,Om neffens u en boven alTe triomfeeren. Och! wie zalHem zuiveren van zulke smetten?

Gedoog niet, dat de schoonste ziel,Waarop uw oog genadig viel,Gedoog niet, dat d'Aartsengel sneve.Hij boete deze ondankbre daad,En blijv' gehandhaafd bij zijn staat;Dat uw genâ zijn schuld vergeve.

Noten:

[1]'k Verdaag u: roep u òp.

[2]in arbeid: in barensnood. Hier meer in den gewonen zin: aan 't werk.

[3]op uw heilige eeden … te passen: uw eeden nà te komen.

[4]Hoe bitter wil: wil, als in 't Engelsch, voorzal.

[5]in d'oogen van 't licht: het licht, God. Zooals in 't Hebreeuwsch God wordt aangeduid door: de Naam.

[6]Genade en Gods gerechtigheid, eigenschappen van God, hier allegorisch-symbolisch aangeduid als pleitende krachten.

[7]Wierookstank. Immers de afgodische, ter eere van Lucifer gebrand.

[8]drommels: Voordrommen.

[9]aangeschapen. Aangeboren (Jammer dat we de termen ingeschapen … aangeschapen; ingeboren … aangeboren, als tegenstellingen, bijna verloren hebben. Ze teekenden zoo gevoelig!)

[10]Hou mijn woord omhoog: Spreek mij vóór bij God.

[11] Deze regel van Gabriel doet meer denken aan den goedmoedigen toon van vader Willebrord, uit denGijsbrecht, dan aan dien van een Aartsengel.

[12] Het tooneel is nu weer in de lagere hemelen. Vol wordt gehouden dat men zich wapent tegen Michaël, niet tegen God, hoewel de hoofd-grief: Adams toekomstige heerlijkheid, Michaël allerminst raakt.

[13]verschiet zijn groente. Groente: groenigheid; wat groen is. Bij Cats vinden we o.a.in de groente zitten, voor: in het groen zitten.Zijn groente en verf verschietenzal dus wel hier zijn op te vatten als: verschiet zijn blijde, frissche kleur.

[14]beneden deze trappen: Lucifer, als aanvoerder, staat hooger.

[15]en met een aardschen stoet omsingeld. Adams afkomst zou, ten hemelschen troon verheven, ook aardlingen met zich brengen. 't Zich omringen van eigen landgenooten was een onzer grieven geweest tegen Philips II; 't zou, later in de eeuw van Vondel, er een worden van de Engelschen tegen onzen Willem III.

[16] : als ge mij aanvaardt als hoofd van uw vrijheidsstrijd.

[17]verbaasd: als te voren: ontzet.

[18] Dit optreden van Rafaël is een der gevoeligste vonden van onzen dichter. Hij leent dezen Engel der Liefde inderdaad de zoet-innigste klanken.

[19]Genade, o Lucifer!Hier is weergenadein den zin van het fransche:de grace.

[20] : de Godheid had u tot haar gelijke gestempeld.

[21]bommen, rinkelbommen, waarmee de Godheid geëerd werd. Vgl. Ifis inJeftha: "Treên we in, op bommen en schalmeîen".

[22]kwaamt te brommen. Hier in den zin van: "zich met luiden galm verheffen".

[23]Uit dien troon. Troon, met troonhemel, gedacht als een omheinde plek, van waaruit de beweging gaat. Daarom niet:vandien troon.

[24]in eenen knoop van dieren: mengeling van dieren. Zie later, Lucifers gestalte-verandering.

[25]misscheppen, doen wanvormen.

[26]zoo laag: immers in de hel.

[27]alle zeven: de zeven Aartsengelen.

[28]met u verlegen: om u begaan.

[29]Hooger niet: ga niet voort in uw verzet.

[30] "Tenzij een leven van ellende … leven mocht heeten".

[31]tocht: dit optrekken (ten verzet).

[32]of echter, of daarna.

[33]onder 's hemelseed, d.w.z. trouw zwerend aan den hemel.

[34]overdrongen: overdringen, hier: met aandrang doen aannemen (Wdbk) Thans: opgedrongen.

[35]paaien, hier: in slaap wiegen.

[36]Het leen verheergewaden: "Tenzij ze aan mijn gezag het hunne ontleenen." huldigen als leenheer.

[37] "Juist dàt is de prikkel tot ons verzet." Heel teekenachtig uitgedrukt.

[38] : "wier bewegingsmiddelpunt ge zijt".

[39]Verhef het leen van wat gij bezit aan Adam en zijn neven!"Erken dat Adam en zijn nakomelingen uw leenheeren zijn."Nevenstaat hier in den ruimeren zin, dien het oorspronkelijk had, van "nakomelingen", "verwanten."

[40] "Wat geleend is, is geen bezit." God kan het u geleende terugnemen; als de leenheer 't goed van den leenman.

[41]'k Misdank me dan. Ik dank er voor. De term "zich bedanken" leeft nog in de Amsterdamsche volkstaal.

[42]stel me te pande: stel mezelf tot borg.

[43] LUCIFERS wankeling is wel echt; ook al spreekt er meer vrees voor de hachelijke uitkomst dan oprecht berouw uit. 't Is weer een heel mooi moment in het treurspel.

[44] :tijd te marren, tijd tot toeven, aarzelen.

[45] "tenzij God, uit medelijden, belet dat hij nooit meer deel hebbe aan de hemelsche vreugd." Door de dubbele negatief wat onduidelijk. Versta dus: tenzij God uit meedoogen belette dat hij balling blijft van den hemel.

[46] vlgg. Dit gebed is van een waarlijk ontroerende innigheid, meedoogen en overgaaf; een der zuiverst mooie van Vondels vele mooie reizangen.

* * * * *

De gansche Hemel, van den grond tot op de kruinDer Aartspaleizen[1], juicht op Michaëls bazuinEn zwaaiende banier. De veldslag is gewonnen.Ons' schilden schitteren, en scheppen nieuwe zonnen[2].Uit elke schildzon straalt een triomfante dag.Daar komt Uriël zelf, de Schildknaap, uit den slag,En zwaait het vlammend zwaard, dat, scherp van wederzijdenGewet van 's Hemels wrake en gramschap, onder 't strijden,Door schild en harrenas, en helm van diamant,Gevaagd heeft, slinks en rechts, al wat de horens kant[3]En opsteekt tegen Gods doordringende Alvermogen.Gestrenge Schildknaap, die het scherprecht uit den hoogenBekleedt, en 't ongelijk, dat tegens 't eeuwig RechtZich opworpt, met één slag rechtvaardiglijk beslecht;Gezegend is 't geweer, gezegend zijn uwe armen,Die d'eer van Englestad handhaven en beschermen.Wat legt ge al prijzen in[4] bij d'Oppermajesteit!Verhaal ons toch den strijd: ontvouw ons al 't beleid,En 's Hemels eersten tocht[5]: wij luistren met verlangen.

Uw lust ontvonkt mijn geest, om rustig aan te vangen.Dien vreeselijken storm t'ontvouwen op een rij[7].Gelukkig vecht het heir, dat God heeft op zijn zij.De Veldheer Michaël (verwittigd uit den hoogen,Door 's Hemels afgezant, die neder kwam gevlogen,Nog sneller dan een star, die door de lucht verschiet,Hoe Lucifer zoo trotsch zich tegens 't hoog gebied[8]Had opentlijk gekant, gereed hen aan te voeren,Die hem bewierookten, zijn starre en standerd zwoeren)Schoot voort, op 't aanstaan[9] van den trouwen Gabriël,Het schubbig pantser aan, en gaf terstond bevelAan al zijn Oversten en hoofden en kornellen,De heiren, in Gods naam[10], in hun geleên te stellen,Om met gemeene macht en kracht, op 't luchtig ruimVan 't zuivre hemelsblauw, al dit meineedig schuimTe vagen[11], al dit spook[12] in duisternis te dompelen,Eer zij op 't ongezienste ons mochten overrompelen.Op dezen last vergaârt Gods heirkracht inderijlSlagordenswijs, zoo snel, gelijk een vlugge pijl,Gedreven van de pees. Men zag ontelbre drommen,In een driekantig heir, aan alle kanten brommen[13],Gelijk een driehoek steekt en straalt op ons gezicht.Men zag een enkelheid in een driepuntig licht,Zoo spiegelglad, gelijk een diamant, geslepen;Een heirspits, eer van God dan eenig Geest begrepen.De Veldheer, met den gloed des bliksems in de hand,Hield, recht voor Gods baniere, in 't hart van 't leger stand.Wie moed wil houden, en triomf en zege baren,Die moet vooral het hart verzeekren en bewaren.

Waar bleef 't verwaten heir, dat ons bestormen woû?

Het kwam vol moeds ter bane, en had zijn eerste trouwGehoorzaamheid en eer en eed en al vergeten,Te heilloos en verwaand op God en ons gebeten.Het groeide snel, en wies gelijk een halve maan.Het wet zijn punten, zet twee horens op ons aan,Gelijk 't gestarrent van den Stier de hemeldierenEn andre monsters, die rondom hem henezwieren,Met gouden hoornen dreigt. De rechte horen wordtVorst Belzebub, opdat hij ons de vleugels kort',En zijne wacht betrouwd; Vorst Belial de slinken.Men ziet hen beide om strijd in hunne rusting blinken.De Stedehouder, nu Veldmaarschalk tegens God,Verzekerde den buik des legers, om het slot,Der regementen knoop, in 't midden te bewaren.De trotsche standerd, daar de dag scheen op te klarenUit zijne morgenstar, werd van ApollionGehandhaafd, achter hem, zoo moedig als hij kon,In zijnen vollen krits, omhoog ten toon gezeten[15].

Helaas! wat durf, wat durf d'Aartsengel zich vermeten!Och, of ik hem bijtijds tot afstand had gebrocht!Beschrijf me niettemin het aanzicht van dien tocht,En in wat schijn de Vorst de benden kwam geleien.

Omringd van zijn staffiers en groene livereien[16],Hij, wreevlig aangevoerd van onverzoenbren wrok[17],In 't gouden pantser, dat, op zijnen wapenrokVan gloeiend purper blonk en uitscheen, steeg te wagenMet gouden wielen, van robijnen dicht beslagen.De Leeuw en felle Draak, ter vlucht gereed en vlug[18],Met starren overal bezaaid op hunnen rug,In 't parelen gareel, gespannen voor de wielen.Verlangden naar den strijd, en vlamden op 't vernielen,De heirbijl in de vuist; de scheemrende rondas[19],Waarin de morgenstar met kunst gedreven was,Hing aan den slinken arm, gereed de kans te wagen.

O Lucifer! gij zult dien hoogmoed u beklagen.Gij fenix[20] onder al wat God daarboven looft!Hoe steekt gij, onder 't heir, zoo fier met hals en hoofd,En helm, en schoudren uit! Hoe heerlijk past u 't wapen,Als waar 't naturelijk uw wezen aangeschapen[21]!O, hoofd der Engelen, niet hooger: keer weêrom[22]!

Zoo stonden zij gekant en slagreê, drom bij drom,Een ieder op zijn lucht en hoefslag[23], en bij rijenGesnoerd aan hun gezag[24], om 't schoonst van wederzijen;Wanneer de dolle trom[25] en klinkende trompetZich mengen; het geluid geweer en handen wet[26],En steigert in den trans van 't heilig licht der lichten;Een klank, waarop terstond een zwangre wolk van schichten[27]Geborsten, slag op slag, een gloênden hagel baart,Een' storm en onweêr, dat de Hemelen vervaart,De hofpilaren schudt; de kreitsen en de starren,Verbijsterd in hunne ronde en ommeloop[28], verwarrenOf zwijmen op de wacht, en weten niet waarheenTe drijven, Oost of West, of boven of beneên.Al weêrlicht wat men ziet, al wat men hoort is donder.Wat blijft er in zijn stand? Het bovenste raakt onder.De heiren, na 't gedreun van 't eerste schutgevaart'[29],Geraken handgemeen met knots en hellebaard,En sabel, speer en dolk. Het gaat er op een kervenEn steken. Al wat kan, wat toeleît op bederven,Op schenden, rept zich nu, bederft, en treft, en schendt.De broederschap heeft uit, en niemand ziet noch kentZijn medeburger meer. Men ziet er parlen huiven,Gekrolde vlechten hairs, en pluim en pennen stuiven,En schitteren, in 't vier der bliksemen gezengd.Men ziet turkoosblauw, goud en diamant gemengd,En perlesnoer, en wat de hairlok kon versieren;De vleugels, half geknot, gebroken pijlen zwierenEn zweven door de lucht. Een gruwzaam veldgeschreiVerheft zich uit den stoet der groene liverei;Daar lijdt het krijgsheir last, geperst uit nood te deinzen.De dolle Lucifer hervat den strijd drie reizen,En stut de flauwte van zijn regement zoo trotsch,Gelijk het zeegedruisch al schuimende op een rots[30]Gestuit wordt, reis op reis, en meer niet uit kan rechten.

Gewis, het heeft wat in, de Wanhoop af te vechten[31].

De dappre Michaël laat blazen: Eer zij God!De regementen, op die leus en zijn gebodGemoedigd, te gelijk aan 't steigeren en stijgenNaar boven, om de loef[32] van 's vijands heir te krijgen[33];Dat stijgt meteen omhoog, maar met een trager vaart,En raakt in 't ende in lij; alsof men hemelwaartEen valk zag, van omlaag, op zijne wakkre pennenZich geven in de lucht, eer hem de reigers kennen;Die sidderen van schrik, in 't bosch, bij eenen beemdZoodra het hooge nest dien vijand daar verneemt.De reiger schreeuwt en stijgt, en, bang voor 's vijands pooten,Verwacht hem op den bek, om door de borst te stootenVan onder, als hij ploft van boven op den buit.

O Lucifer! wat raad? Het ziet er schriklijk uit.Gij zweeft hier op een vlakte, en zonder poort en wallen.Een gruwelijke orkaan wil plotsling u bevallen,En zinken[34] in een poel en afgrond, zonder grond.

Wat gaf 't een schoon verschiet, omlaag een hallef rondOf halve maan; omhoog een driekant spits t'aanschouwen;De regementen, die zich sluiten en ontvouwen,Op 't wenken van hun hoofd, een ieder in zijn vaan,Te zien zoo pal, gelijk metalen muren staan,Als op een wederwicht van lucht en eigen zwaarte,Met al hun slingertuig, geschut, en stormgevaarte[35].Zij hangen evenals men zich een wolk verbeeldt,Een wolk, waarin de zon met heure stralen speelt,En schildert en schakeert door luchte regenbogen.De hemelsche adelaar, zoo steil in top gevlogen[36],Bespiedt Gods vijand vast, de haviksvlucht, beneên.Hij klapt van moedigheid zijn pennen tegens een,Misgunt ze 't weiden niet, en vruchteloos braveeren,Terwijl hij vlamt om hem te zitten in de veeren,Te plonderen eerlang van zijne gladde pluim;Zoo ras de kromme bek en klauw, op 't luchtig ruim,Het aas bevalle, of drijf voor wind af, uit zijn oogen.Dus komen ze afgestort, en stroomen uit den hoogen,Gelijk een binnenzee of noordschen waterval[37],Die van de rotsen bruist, en ruischt, met een geschal,Dat dier en ondier schrikt, in diepgezonken dalen;Daar steenen van de steilte en dikke waterstralen,En masten zonder tal, verpletten en vertreênWat tegens woest geweld van stroom en hout en steenNiet opgewassen is. De heirspits treft den navelDer halve mane fel met roode en blauwe zwavelEn vlammen[38], slag op slag, en donderkloot op kloot.Dat baart een luchtgeschrei. Het hart van 't heir in nood,Begint van langer hand den wrevelen t'ontzakken[39].De boog der halve mane, aan 't kraken en aan 't knakken,Zoo stijf gespannen staat (want d'einden krommen vast),Dat hij in 't midden moet bezwijken voor dien last,En springen, wordt hem fluks geen ademtocht gegeven.De trotsche Lucifer, dan hier dan daar gedreven,Schiet toe op dit geschrei, en geeft zich rustig[40] bloot,Om zijn groothartigheid, in 't nijpen van den nood,Te toonen voor de vuist[41], op zijnen oorlogswagen.Dat geeft den flauwen moed. Hij schudt de wreedste slagen[42]En scheuten op 't gebit van zijn verwoed gespan.De Leeuw en blauwe Draak aan 't woeden, vliegen vanZijn hand op elken wenk, met vreeselijke driften.D'een brult en bijt en scheurt, en d'ander schiet vergiftenMet zijn gesplitste tong; ontsteekt een pest en raast,En vult de lucht met smook, dien hij ten neuze uitblaast.

Hier wil de barrening van boven hem[43] beknellen.

Hij[44] zwaait de heirbijl vast, om Gods banier te vellen,Die neêrstijgt, en waaruit Gods naam[45] een schooner lichtEn schooner stralen schiet, in 't gloên van zijn gezicht.Men denke eens na, of hij dit voorspook[46] ons benijdde.De heirbijl in zijn vuist, aan d'eene en d'andre zijde,Den toescheut stuit[47], en sloopt, of schut ze op zijn rondas,Totdat hem Michaël, in 't schitterend harrenas,Verschijnt, gelijk een God, uit eenen kring van zonnen."Zit af, o Lucifer! en geef het God gewonnen.Geef over uw geweer en standerd: strijk voor God!Voer af dit heilloos heir, dees' goddelooze rot,Of anders wacht uw hoofd!" Zoo roept hij uit den hoogen.D'Aartsvijand[48] van Gods naam, hardnekkig, onbewogen,Ja trotscher op dat woord, hervat in allerijlDen slag, tot driewerf toe, om met zijn oorlogsbijlDen diamanten schild, meteen Gods naam[49], te kloven;Maar wie den Hemel tergt, gevoelt de wraak van boven.De heirbijl klinkt en springt op 't heilig diamantAan stukken. Michaël verheft zijn rechte hand,En klinkt den bliksemstraal, gesterkt door 't Alvermogen,Dien wrevelmoedigen, door helm en hoofd, in d'oogenAl t' ongenadig[50], dat hij achterover stort,En uit den wagen schiet, die, omgeslingerd, kort[51]Met Leeuw en Draak en al, den meester volgt in 't zinken.Den standerd van de star vergaat hierop het blinken;Zoo ras Apollion mijn vlammend zwaard gevoelt,Den standerd geeft ten roof, daar 't barrent en krioeltVan duizend duizenden, om 't hoofd der helsche scharenIn 't vallen, voor den val en neêrsmak, te bewaren.Hier ijvert Belzebub, daar trotst ons Belial.Dus wordt de macht ontsnoerd, en met den zwaren valDes Stedehouders breekt de boog der halve maneIn stukken. Echter komt Apollion ter baneMet zooveel monstren, als de kloot des Hemels draagt.De reus Orion[52] schreeuwt, dat al de lucht vertsaagt,En poogt met zijne knots ons heirspits 't hoofd te kneuzen,Die op Orions past, noch knotsen, noch op Reuzen[53].De Noordsche Beren[54] op hun achterklauwen staan,Om met een dommekracht in 't honderd toe te slaan.De Hydra[55] braakt vergift, en gaapt met vijftig kelen.Ik zie een galerij[56] vol oorlogstafereelen,Geboren uit dien slag, zoo wijd men af kan zien.

Geloofd zij God! valt neêr, aanbidt hem op uw kniên!Och Lucifer! helaas' waar blijft uw valsch betrouwen?Helaas! in welk een schijn zal ik u lest aanschouwen?Waar is uw klaarheid nu, die allen glans braveert?

Gelijk de klare dag in naren[57] acht verkeert,Wanneer de zon verzinkt, vergeet met goud te brallen[58];Zoo wordt zijn schoonheid ook, in 't zinken, onder 't vallen,In een wanschapenheid veranderd, al te vuil;Dat helder aangezicht in eenen wreeden muil;De tanden in gebit, gewet om staal te knauwen;De voeten en de hand in vierderhande klauwen;Dat glinstrend parlemoer in eene zwarte huid.De rug, vol borstlen, spreidt twee drakevleugels uit.In 't kort, d'Aartsengel, wien nog flus alle Englen vieren,Verwisselt zijn gedaante, en mengelt zeven dieren[59]Afgrijselijk ondereen, naar uiterlijken schijn:Een' leeuw, vol hoovaardij, een vratig, gulzig zwijn,Een tragen ezel, een rinoceros, van toorenOntsteken, eene sim[60], van achter en van vorenAl even schaamteloos, en geil en heet van aard,Een' draak, vol nijds, een' wolf en vrekken gierigaard.Nu is die schoonheid maar een ondier, te verwenschen,Te vloeken, zelf van God, van Geesten, en van menschen.Dat ondier ijst, indien 't de blikken op zich slaat,En dekt met damp en mist zijn gruwelijk gelaat.

Dat leert de Staatzucht God naar zijne kroon te steken!Waar bleef Apollion?

Hij zag zijn tij verstreken,Op 't ondergaan der starre, en vlood: een ieder vlood.De hemelsche kortouw[61] van boven, schoot op schoot,Met weêrlicht, bliksemen en donderen aan 't rollen,De monsters, in het licht geklauterd, holp aan 't hollen,En groeide in zulk een jacht. Wat was 't een dwarrelingVan buien ondereen! hoe ruischt het hier! wat ging,Wat ging er een getij! Ons' macht, van God gezegend,Rukt voort, en treft, en sloopt voorhands wat zij bejegent.Wat green hier[62] overal, waar 't op een vluchten ging,Een wilde woestheid, een gestaltverwisseling,In leden en in leest! men hoort ze brullen, bassen.D'een jankt en d'ander huilt. Wat ziet men al grimmassenIn Engletroniën nu zweemen naar de Hel,En helsche gruwzaamheên!—Daar hoor ik Michaël.Om triomfant in 't licht met Engleroof te pralen[63].De Reien groeten hem met lofzang en cimbalen,Schalmeien en tamboer. Zij treden hier vooruit,En strooien lauwerloof, op 't Hemelsche geluid.

Gezegend zij de Held,Die 't goddeloos geweld,En zijn macht, en zijn kracht, en zijn' standerdTer neder heeft geveld.Die God stak naar zijn kroon,Is uit den hoogen troon[64]Met zijn macht in den nacht neergezonken.Hoe blinkt Gods Naam zoo schoon!Al brandt het oproer fel,De dappre MichaëlWeet den brand met zijn hand uit te blusschen,Te straffen dien rebel.Hij handhaaft Gods banier;Bekranst hem met laurier.Dit paleis groeit in peis en in vrede:Geen tweedracht hoort men hier.Nu zingt de Godheid lof,In 't onverwinbaar hof!Prijs en eer zij den Heere aller Heeren!Hij geeft ons zingens stof.

Geloofd zij God! de Staat hier boven is veranderd.D'Aartsvijand[65] leît er toe. Hij laat ons zijnen standerd,En morgenstar en helm en vanen en rondas,Dien afgejaagden roof[66], aan 's Hemels heldere as,Met juichen en triomf en eere en lofgezangen,Bazuinen en trompet, ten klaren spiegel hangenVan wederspannigheid en Staatzucht, die de kamVerheffen tegens God, den onverzetbren stamEn oorsprong en de bron en Vader aller dingen,Die wezen en natuur en eigenschap ontvingen.Men zal niet meer den glans der OppermajesteitBezwalkt zien door den damp van snoode ondankbaarheid.Zij zwerven in de lucht, en tuimelen en woelen,Heel diep beneden ons gezicht en deze stoelen,Beneveld en verblind en ijselijk misvormd.Zoo moet het gaan, die God en zijnen stoel bestormt.


Back to IndexNext