The Project Gutenberg eBook ofLucifer: TreurspelThis ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online atwww.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.Title: Lucifer: TreurspelAuthor: Joost van den VondelRelease date: November 20, 2005 [eBook #17076]Most recently updated: December 12, 2020Language: DutchCredits: Produced by Marc D'Hooghe*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK LUCIFER: TREURSPEL ***
This ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online atwww.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.
Title: Lucifer: TreurspelAuthor: Joost van den VondelRelease date: November 20, 2005 [eBook #17076]Most recently updated: December 12, 2020Language: DutchCredits: Produced by Marc D'Hooghe
Title: Lucifer: Treurspel
Author: Joost van den Vondel
Author: Joost van den Vondel
Release date: November 20, 2005 [eBook #17076]Most recently updated: December 12, 2020
Language: Dutch
Credits: Produced by Marc D'Hooghe
*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK LUCIFER: TREURSPEL ***
Produced by Marc D'Hooghe
Treurspel
door
Met inleiding en aanteekeningen van L. SIMONS
* * * * *
'k Zag er ook Salmoneus, Aeols zoon,Vervaarlijk pijnigen, die, als een allersnoodste,Gods weerlicht, donderkloot en bliksemstraal nabootste.Dees liet in Griekenland, en midden door de stadVan Elis, daar hij trotsch op zijnen wagen zat,Zich met vier paarden door den drang der Grieken roerenEn, zwaaiende eene toorts, braveeren met rumoerenDe Goden in de lucht en stak ze naar hun kroon.Dees zinnelooze durft de koopren brug uit hoonOprennen met zijn paard en weet met razen, ruischenEn storm den bliksem en den donder na te kuischenDat niemand ooit vermocht. Maar Gods almogendheid,Om fakkel, rookrig licht noch zulk een onbescheidVerlegen, schoot met kracht en uit de dikke wolken,Dreef met een dwarrelwind, ten spiegel aller volken,Hem neder dat hij plofte.
Uit VONDELS vertaling vanVergilius: Aeneis, VIe Zang
* * * * *
Vondel en zijn werk te verstaan is daarom voor ons, in dezen tijd, zoo moeilijk omdat de dichter zoo veelzijdig gerijpt was in een wereld van weten, denken en gevoelen, die ons niet alleen vreemd is in menigerlei opzicht, maar die we nauwelijks meer kennen. Schrijvers las hij en kerkschrijvers kende hij, en autoriteiten eerbiedigde hij, en gebeurtenissen beleefde hij, wier bestaan ons al te licht ontgaat als wij zoeken zijn arbeid te verklaren. Een wonderbaarlijke mengeling leefde in hem van middeleeuwsche opvattingen, klassieke leerstellingen en histories, en bijbelsch-kerkelijke legenden en dogma's, en dit alles, naar den weinig kritischen geest van zijn tijd en naar den tot eerbied gestemden eigen zin, die zoo sterk in hem leefde, aanvaard als niet of nauwelijks te betwijfelen waarheden. En daarbij hij levend in een eeuw van geweldige worstelingen: tusschen overgeleverd gezag en vrijheidsdrang; tusschen vorsten en volkeren; tusschen allerlei verscheidenheden van Christendom, en tusschen Christendom en Mohammedanisme.
VondelsLuciferis dan ook geen louter "bijbelsch" en "Christelijk" werk. Zonder dat hem "de grijze fabelen van den Reuzenstrijd" of het verhaal van Salmoneus[1] of de fabel van Faeton door het hoofd gespeeld hadden, als symbolisch ware worstelingen tegen de oppermacht der wereld, had hij van de eenvoudige kerklegenden omtrent Lucifers verzet, afval en val geen aldus gefigureerd treurspel kunnen opbouwen, waarin een strijd tusschen de oproerige en de standvastige Engelen geteekend wordt, met wapens, zwaarden en in krijgsorde geschaarde legers. In de voorstelling van een wereld van Goden en halfgoden, waarin de almacht zelfs van den Oppermachtige beperkt was door de wereldorde, en die elkaar benijdden en bestreden, was een worsteling denkbaar als tusschen Zeus en Prometheus, tusschen Thor en Loki. In een hemel met een werkelijk almachtig God is de strijd vooruit beslist; een pogen om zich op Zijn plaats te zetten ondenkbaar, en een worstelen met wapengeweld iets wezenlijk onzinnigs. Maar geen treurspel, geen drama had kunnen ontstaan, indien Vondel zich aanstonds en geheel aan deze beschouwing had overgegeven. En ten andere was Vondel, hoezeer ook ingeleefd in de oude mythologieën en klassieke overleveringen, te zeer een Christen, om van de worsteling tusschen hoovaardij en Almacht een zoo sterk, zoo doorleefd, zoo gewijd en hooggehouden spel, als zijnLucifergeworden is, te maken, wanneer hij niet die worsteling geteekend had als begonnen tegenover zijn eigen, innigst vereerde Godheid en in verband met wat hèm het opperst wereldgegeven was: de menschwording Gods in Christus. ZijnSalmoneusen zijnFaetonzijn vergelijkenderwijs blasse en bloedlooze werken gebleven, zonder aanwarming van zijn dieper devotioneel leven als in zijnLuciferuiting vond.
* * * * *
Is Vondel, behalve door de klassieke wereld en haar overleveringen, naast de Christelijke, ook nog beheerscht door de historische gebeurtenissen en door politieke bedoelingen?
Men weet dat èn Jonckbloet èn Van Lennep het betoog geleverd hebben, datLuciferzelfs heel en al niets was, of tenminste voornamelijk, dan een politieke allegorie op onzen opstand tegen Spanje.
Ik heb aan deze betoogen nooit veel waarde gehecht, al was het allereerst omdat Jonckbloet—en Van Lennep, ondanks zijn groote Vondelvereering, toch eigenlijk ook—beiden veel te rationalistisch waren om Vondel te begrijpen. Jonckbloet, (ik heb als zijn leerling veel met hem omgegaan) was een eerlijk, humoristisch-satyriek, nuchter- scherpzichtig, kritisch mensch, maar de fijnere zieleplooibaarheid om in een andersdenker en -voeler, als Vondel geweest was, zich in te leven, ontbrak hem geheel; en zijn Vondelbeoordeeling is, zoo goed als die van Huet en Jorissen, niets dan een groote vergissing geweest. Rationalisten altemaal! voor wie het katholiek mysticisme iets griezeligs was, en die in zulk een complexen geest als die van Vondel ganschelijk niet konden komen. Er trouwens nooit eenige moeite voor deden, Vondel uit Vondel en zijn eigen bronnen te verklaren, maar hem maten met dogmatische kunstmaat van 18e-19e- eeuwsche "kunstphilosophie".
Niet dat Vondel buiten staat zou geweest zijn, zich te bedienen van den allegorischen vorm; hij zelf erkent in zijnBerecht, dat hij de Hoovaardij en Nijdigheid allegorisch doet optreden in het gespan van den Leeuw en den Draak, vóór Lucifers wagen gespannen. Hij stond trouwens nog dicht genoeg bij de middeleeuwen ervoor; en had niet Hooft in zijn vroeg-17e-eeuwsche treurspelen nog zeer sterk geallegoriseerd? Maar Vondel, hoewel allerminst een psychologisch-analyseerend of persoonlijk-verbizonderend dichter, heeft toch wel altijd zijn tot typen gegeneraliseerde figuren zuiver-menschelijk en levend willen houden. Dat hij, al dichtende het eeuwige spel van den eerzuchtigen opstandeling, daarbij alles zou hebben uitgesloten aan reflexen van aardsche bizonderheden, hem uit historie en beleving bekend, is intusschen geenszins aan te nemen. Hij stond zoo midden in zijn tijd; geen wereldgebeurtenis of hij bezong ze; hij was partijganger; en zuiver objectiveeren was allerminst een 17e-eeuwsche eisch. Zoo zal wel Wallensteins verzet hem door het hoofd gespeeld hebben (Cramer), en ook aan onzen opstand tegen Spanje zal hij gedacht hebben, (zeker vrs 1264 en 1266) en door deze en dergelijke reflexen van het leven zijn anders licht te ver van de menschen verwijderd "tooneel des hemels" hun wat dichter hebben willen bijbrengen. 't Is juist het veelkleurige, dat zijn werk vaak zijn waarde geeft en het is dit menschelijke, waardoor zijnLuciferin het bijzonder ons boeien blijft als hèt treurspel van het verzet der Naijverigheid. Maar dit is alles wat anders dan zij bedoelen, die hem een politieke allegorie tegen Oranje hebben willen doen schrijven in een periode, toen hij zelf juist na den dood van Prins Willem II (dien hij alswould-beoverweldiger van zijn Amsterdam niet kon dulden) ook weer met den Oranjestam, verbonden aan de afstammelingen van den hem sympathieken Jacobus I, in sympathie kwam.
* * * * *
Een inleiding tot deLuciferkan niet ontberen een inwijding van den lezer in den Hemelbouw en -verhoudingen, gelijk Vondel zich die dacht. Zijn voorstelling van het Heelal is nog geheel die van Ptolomaeus en Dante (zie h.o. "De Ploeg" 2e Jaarg.: J. Brandt,Wereldstelselsen Prof. Hauvette's in onze W.B. verschenen werk over Dante). De aarde vormt het midden van het wereldruim; er omheen zeven schalen of bogen, waarlangs de Maan, Mercurius, Venus, de Zon, Mars, Jupiter en Saturnus in eenparige beweging hun wenteling volbrengen. Als achtste schaal of boog komt die der vaste sterren; als negende dekristallen hemel. En nog weer daaromheen: hetEmpyreum, of de Hemel van het Volmaakte Licht: der Hemelen Hemel, waar de zaligen, de Engelen en het Opperwezen zelf toeven. De Engelenwereld was intusschen, in middeleeuwsch- katholieke opvatting, verdeeld in drie hiërarchieën (rijen) en elk dezer weer in drie koren (orden):
1. Serafijnen, Cherubijnen, Tronen;
2. Heerschappijen, Krachten, Machten;
3. Vorstenheden, Aartsengelen, Engelen.
Een verdeeling, die Vondel door Gabriël, ten bate van zijn toehoorders en lezers, nadrukkelijk laat aangeven:
"Gij weet hoe 't Engelschdom moet onderscheiden wordenIn drieërhanden rij en negenvoudige orden:De hoogste in Serafijn, en Cherubijn en Troon,Die zitten in Gods Raad en sterken zijn geboôn.De middelrij bestaat uit Heerschappijen, KrachtenEn Machten, die op 't woord van Gods geheimraad wachten,Tot 's menschen nut, en heil en hulp in 't algemeen.De derde en laagste rij, gewijd uit VorstenheênEn groote Aartsengelen en Engelen, moet duikenVoor 't woord der middenrij"—
Deze schikking, in verband met het feit datLuciferherhaalde malen (vs 1672, 1704, 1775; zoo ook in Opdracht, het Berecht en den Inhoud) alsAartsengelwordt aangeduid, zou doen vermoeden dat de hoofdfiguur van het treurspel tot op een na de laagste orde behoort. Doch Gabriël (vs 504) spreekt ervan dat God Lucifer ten top vanallehierarchijen geplaatst heeft, terwijl Rafaël hem er op wijst, hoe hij, Lucifer,bovenduizenden gekroonde Heerschappijen (1e orde der middelrij) gezalfd is tot Gods Stedehouder. En in vers 834-836 vinden we als L.'s volgelingen in het verzet genoemd Tronen (3e orde der eerste Rij), Heerschappijen en Machten. Volgt daaruit niet dat we minder aan het woord "Aartsengel" te hechten hebben, en ons Lucifer inderdaad moeten denken als een Engel van de hoogste orde der eerste Rij, den uitverkoorne Gods onder de Serafijnen?—gelijk de Inhoud hem dan ook noemt: "opperste en doorluchtigste boven alle Engelen". Aan een mindere zouden alle Engelen-groepen zich niet, als hun leider, betrouwd hebben; een mindere zou niet zóó fel en hevig zich teruggezet hebben gevoeld op het vernemen van Gods bedoeling, den "Zoon des Menschen" naast zich ten troon te verheffen, d.i. bòven Lucifer; en dus tusschen dezen en God zelf een nieuwe macht stellend. En van een mindere zou het verzet niet zóó vreeselijk, de val niet zoo diep geweest zijn. Men stelle zich dus niet Lucifer voor als een gewonen Aartsengel, maar als inderdaad den Opperste vanalleHierarchijen. Ook de plaats van Gabriël, Michaël en Raphaël kan niet gedacht worden onder de 8e orde, die der Aartsengelen. Zij zijn toegelaten tot Gods Raad, en behooren dus tot een der eerste drie Orden (van de eerste Rij), Serafijnen en Cherubijnen, waaronder gèen afvalligen voorkomen. Belzebub, aangesproken als "Raad van Lucifer" en "Prins", zal tot de 7e orde (of eerste der derde Rei: "Vorstenheden") te rekenen zijn; Belial en Apollion tot de gewone Engelen, evenals de Hemelteekenen, die deelnemen aan den strijd: de Leeuw en de Draak als trekkers van Lucifers wagen; de Reus Orion (vs 1929), Noorsche Beeren(1932), Hydra (1934), in de beschrijving van Uriël als meêkampende monsters vermeld.
En heel deze verzetsworsteling om de laatste scheppingsdaad, die de geruste Engelen naijverig maakt op de van God naar zijn beeld geschapen menschheid, welke de lagere Engelen verplicht worden te dienen, en wier toekomstbestemming, als gezegd, den staat der Opperste Engelen bedreigt! Naijver dus en zucht tot handhaving van bevoorrechte positie, die onder de fraaie nationalistische leus: "de Hemel voor de Engelen" zich te weer stellen, en hun doel voorbijschieten;—een geschiedenis uit den hoogsten Hemel die waarlijk niet mist van de Aarde te wezen, en ons daardoor als menschelijk, indien al "oppermenschelijk," te boeien. Vooral door de kracht van Vondels verbeelding; de vastgehouden stoutheid van zijn verzenvlucht; de levendigheid van de schildering der worsteling; de pracht van zijn taal en de devotie van zijn Gods-eerbied, tegenover de felheid van verzetstuw.[2]
* * * * *
Voor de aanteekeningen bij den volgenden tekst heb ik natuurlijk ook gebruik gemaakt van de vonden mijner voorgangers, zonder dat blindelings te doen. En, evenals voor de andere stukken, niet met het doel taalgeleerdheid te toonen, maar louter om den hedendaagschen lezer te helpen zich in Vondels dichtwerk in te leven.
Bij het herdrukken van deze uitgaaf voor onze complete editie zijn eenige drukfouten hersteld, en eenige nieuwe aanteekeningen opgenomen.
Febr. 1913. L. S.
Noten:
[1] Zie aanhaling, achter titel, uit zijn eigen vertaling van de Aeneis.
[2] Voor het overige zie men mijn uitvoerige beschouwing over Vondels dramatiek in het algemeen en de "Lucifer" in het bizonder, in mijn Inleiding:Vondels dramatiek(1e stuk, 2e deel der complete uitgaaf van Vondels Spelen, Nederl. Bibliotheek).
* * * * *
Gelijk de Goddelijke Majesteit in een ongenaakbaar licht gezeten is, zoo zit ook de Wereldsche Mogendheid, die haar licht uit God schept en de Godheid afbeeldt, in haren glans verheerlijkt; maar gelijk de Godheid, of liever de opperste Goedheid, den allerminsten en ootmoedigen, met den toegang tot haren troon, begenadigt, zoo gewaardigt de tijdelijke Mogendheid ook den allerkleensten, dat hij zich eerbiedig voor haar voeten vernedere. Op deze hope verstout zich mijne Zanggodin, van verre, aan uwe Keizerlijke Majesteit op te offeren dit treurspel van Lucifer, wiens stijl[2] wel rijkelijk de deftigheid en statigheid vereischt, waarvan de Poëet spreekt:
Omne genus scripti gravitate Tragoedia nincit:
Hoe hoog men drave in stijl en toon,Het treurspel spant alleen de kroon.
Doch wat aan de hoogdravendheid[3] des stijls ontbreekt, dat zal de tooneelstof, titel en naam en doorluchtigheid des persoons vergoeden, die hier, ten spiegel van alle ondankbare staatzuchtigen[4], zijn treurtooneel, den hemel, bekleedt; waaruit hij, die zich vermat[5] aan Gods zijde te zitten, en Gode gelijk te worden, verstooten, en rechtvaardiglijk ter eeuwige duisternisse verdoemd werd. Op dit rampzalige voorbeeld van Lucifer, den Aarts-engel, en eerst heerlijksten boven alle Engelen, volgden sedert, bijkans alle eeuwen door, de wederspannige geweldenaars, waarvan oude en jonge historiën getuigen, en toonen hoe geweld, doortraptheid, en listige aanslagen der ongerechtigen, met glimp en schijn van wettigheid vermomd, ijdel en krachteloos zijn, zoo lang Gods Voorzienigheid de geheiligde Machten en Stammen[6] handhaaft, tot rust en veiligheid van allerhande Staten, die, zonder een wettig Opperhoofd, in geene burgerlijke gemeenschap kunnen bestaan: waarom Gods Orakel[7] zelf, den menschelijken geslachte ten beste, deze Mogendheid, als zijn eigen, in eenen adem, bevestigt, gebiedende Gode en den Keizer elk hun recht te geven. Christenrijk doorgaands, gelijk een schip in de wilde zee, aan alle kanten, en tegenwoordig van Turk en Tarter, bestormd, en in nood van schipbreuke, vereischt ten hoogste deze eendrachtige eerbiedigheid tot het Keizerdom, om den algemeenen erfvijand des Christen naams te stuiten, en den Rijksbodem en zijne grenzen, tegens den inbreuk der woeste volken, te veiligen en te sterken; waarom God te danken is, dat het hem beliefde, 't Gezag en de Kroon des H. Roomschen Rijks, vóór 's Vaders overlijden, op den jongsten Rijksdag, in den Zone,Ferdinandus den Vierde[8], te verzekeren; een zegen, waarop zoo vele volken moed dragen, en de tooneeltrompet van onze Nederduitsche Zanggodinne te moediger, voor den troon van Hoog-duitschland, den overwonnen Lucifer, in Michaëls triomf-staatsie, ommevoert.
allerootmoedigste Dienaar,
J. VAN VONDEL. anno 1653.
Noten:
[1] Dat deze opdracht van Vondel zich richtte tot den Roomschen keizer vindt begrijpelijke verklaring in het verband, straks door hemzelf aangegeven, tusschen de stof van zijnLuciferen diens verzet tegen de gestelde macht, en den aanslag der Turken op de macht der Christenheid, voor hem, in het wereldsche, in den Roomschen keizer gesymboliseerd. Dr. Cramer heeft ook nog gewezen op de betrekking tusschen keizer Ferdinand III en den oproerigen Wallenstein, aan wiens zelfverheffing Vondel bij het schrijven van zijn Lucifer gedacht zou hebben.
[2]Wiens stijl, voor "welks stijl".
[3]hoogdravendheidheeft bij V. niet de beteekenis van "gezwollenheid"; maar van "hooggestemdheid"; "verhevenheid".
[4]Staatzuchtigen: politiek-eerzuchtigen—Het treurtooneel bekleeden: Vondels geliefkoosde uitdrukking voor: een voorname rol in het treurspel spelen.
[5]die zich vermat: feitelijk kwam het niet tot die daden; dus meer op te vatten als: "die het waagde te willen".
[6]Machten en Stammen: De Koninklijke stam is de dynastie.
[7]Gods Orakel: Jezus: "Geef den keizer wat des keizers is".
[8]Ferdinand IV, 's keizers zoon, was in 1653 tot Roomsch-koning, 's vaders opvolger, gekozen.
* * * * *
toen Joachimus Sandrart[1] van Stokou mij, uit Weenen in Oostenrijk, zijn Majesteits afbeeldinge, met haar loofwerk en sieraden[2], vereerde.
Deus nobis haec otia fecit.
De Zon van Oostenrijk verheft haar schoone stralen,Uit schaduwen van kunst, veel schooner in elks oog,Dewijl ze, in haren troon gestegen hemelhoog,Zich niet ontziet zoo laag op ons gezicht te dalen.
De derdeFerdinand, geschapen tot regeeren,Gelijk een tweede August, en Vader van de peis,Zijn zoon de heirbaan wijst naar 't Hemelsche paleis,En leert met wapenen van Vrede triomfeeren.
Gezegend is het Rijk, gezegend zijn de volken,Daar zijn voorzienigheid genadig 't oog op houdt,En hem de Weegschaal wordt van 't heilig Recht betrouwd.
Een arend brocht zijn zwaard en schepter uit de wolken,Een kroon versiert het hoofd, ter heerschappij gewijd:Dit hoofd versiert de kroon, en schept een gulden tijd.
Noten:
[1]Sandrart: een zeer in trek staand schilder van Duitsche herkomst, die V. zelf meer dan eens schilderde en in zijn werk herhaaldelijk genoemd wordt. Men kent de beroemde regels van V. op Vossius:
"Sandrart, bekrans hem vrij met bloemen en met blârenAl wat in boeken steekt is in zijn hoofd gevaren."
[2]loofwerk en sieraden: Het loofwerk zal waarschijnlijk slaan op de lijst, in dien tijd vaak aldus versierd. De sieraden Z.M.'s ordeteekenen.—Deus nobis haec otia fecit. (Virgilius): een god heeft ons deze rust verschaft.
* * * * *
AAN ALLE KUNSTGENOOTEN, en BEGUNSTIGERS DER TOONEELSPELEN.
Hier wordt u, om uwen kunstijver weder t'ontsteken en uwen geest teffens te stichten en te verkwikken, het heilig treurtooneel[1], dat den Hemel afbeeldt, opgeschoven. De groote Aartsengelen, Lucifer en Michaël, elk met hunne aanhangelingen van wederzijde gesterkt, komen de stellagië stoffeeren[2] en hunne rollen spelen. Het tooneel en de personagiën zijn zeker zoodanig, en zoo heerlijk, dat ze eenen heerlijker stijl vereischen en hooger laarzen[3], dan ik haar weet aan te trekken. Niemand, die de spraak van d'onfeilbare orakelen des goddelijken Geests verstaat, zal oordeelen, dat wij een gedichtsel van Salmoneus[4] bijbrengen, die midden in Elis, op zijnen wagen en metalen brug, Jupijn braveerende, en met een brandende fakkel den bliksem en donder nabootsende, van den donder geslagen werd; nochte wij vernieuwen hier geen grijze fabel van den Reuzenstrijd[5], onder wiens schorse de Poëzy hare toehoorders reukelooze[6] verwaandheid en godlooze kerkschenderijen zocht te verleeren, en natuurkennis in te boezemen; namelijk, dat lucht en winden, in den hollen buik en het zwavelachtige ingewand der aarde besloten, bijwijlen ademtocht zoekende, met geweld van geborsten steenrotsen, smook en rook en vlammen, en aardbevingen, en schrikkelijk geluid, uitbersten, en, hemelhoog opgestegen, in het neerstorten den grond van land en zee met assche en steenen bestulpen, en ophoopen. Onder de Profeten verzekeren ons van den afval des Aartsengels en zijnen aanhang, Isaïas en Ezechiël[7]; bij den Evangelist, Christus, het allerwaarachtigste orakel, ons met eene stem uit den Hemel bevolen te hooren; en endelijk Judas Thaddeus, zijn getrouwe Apostel; welker spreuken waardig zijn in eeuwig diamant, en waardiger, in onze harten geprint te worden. Isaïas roept: "O Lucifer, die vroeg opgingt, hoe zijt ge ter aarde geploft! die de volken kwetste, in uw harte spraakt: Ik wil in den Hemel stijgen, mijnen stoel boven Gods gestarnte verheffen, op den berg des verbonds aan de Noordzijde zitten. Ik wil boven de hooge wolken steigeren, den Allerhoogsten gelijk worden; maar gij zult ter Helle toe, in den poel des afgronds, vernederd worden." God spreekt door Ezechiël aldus: "_Gij zijt een uitgedrukte gelijkenis, vol wijsheid en volkomen schoon. Gij waart, in de weelde van Gods Paradijs, bekleed met allerhande kostelijke steenen, sardis, en topazen, en jaspis, en chrizoliten, en onix, en beril, safier, en karbonkel, en smaragden; goud was uw sieraad. Op den dag uwer scheppinge waren uwe schalmeien vaardig. Gij breidde u uit, gelijk een beschaduwende Cherubijn, en ik zette u op Gods berg. Gij wandelde midden onder de blakende steenen. Gij waart volschapen in uwen tred, van den dage uwer scheppinge aan, totdat men u op boosheid betrapte." Beide deze spreuken zijn, naar den letterlijken zin, d'een van den Koning van Babylon, d'andere van den Koning van Tyrus te verstaan, die, bij Lucifer, in hunne heerlijkheid 55 en hoogmoed, geleken, bestraft, en gedreigd worden. Jezus Christus ziet mede op den val van den weerspannigen Lucifer, daar hij zegt: "Ik zag den Satan, gelijk een bliksem, uit den Hemel vallen"; en Thaddeus ontvouwt den afval der Engelen, en hun misdaad, en de straf daarop gevolgd, zonder eenige bewimpelinge, beknopt op deze wijze: "Doch hij heeft de Engelen, die hunne hoogheid niet bewaarden, maar hun behuizinge verlieten, met eeuwige banden van duisternisse, tegens het oordeel des grooten Gods bewaard." Wij stuiten dan met deze gouden spreuken, en inzonderheid met Judas Thaddeus, leerling en afgezant des hemelschen Leeraars, en Konings aller Koningen, gelijk op eenen diamanten schild, alle de pijlen der ongeloovigen, die de zekerheid van der Geesten afval zouden durven in twijfel trekken. Behalve dit onderstut ons ten overvloed doorgaans d'eendrachtige en eerwaardigste aloudheid der godvruchtige oud-vaderen, die in den grond dezer geschiedenisse overeenstemmen; doch om de kunstgenooten niet op te houden, zullen we ons met drie plaatsen genoegen; d'eerste getrokken uit den heiligen Cypriaan, Bisschop en Martelaar te Carthago, daar hij schrijft: "Hij, die te voren door een Engelsche[8] Majesteit ondersteund, Gode aangenaam en waard was, borst, toen hij den mensch naar Gods beeld geschapen zag, door eenen boosaardigen naijver uit, hem door ingeven van dien naijver niet eer ten val brengende, voordat hij zelf door dien naijver ter neer gestort lag, gevangen eer hij ving, bedorven was eer hij hem bedorf; terwijl hij, van Nijdigheid aangeprikkeld, den mensche van de genade der onsterfelijkheid, hem geschonken, beroofde, en zelf ook verloor hetgene hij te voren hadde." De groote Gregorius[9] bestelt ons de tweede spreuk: "Dees afvallige Engel, geschapen om boven d'andere regementen der Engelen uit te blinken, is door zijn hoovaardij zulks ter neder gestort, dat hij nu de heerschappij der standvastige Engelen onderworpen blijft." Het derde en leste bewijs scheppen wij uit de predikatiën van den honigvloeienden Bernardus[10]: "Schuwt de hoovaardij; ik bidde u, schuwt ze toch! d'Oorsprong van alle overtredinge is hoovaardij, die Lucifer zelf, klaarder dan alle starren uitblinkende, met een eeuwige duisternisse heeft verdonkerd. Zij heeft niet alleen eenen Engel, maar den oppersten van alle Engelen in eenen Duivel veranderd." De Hoovaardij en Nijdigheid, twee oorzaken of aanstokers van dezen afgrijselijken brand van tweedracht en oorloge, hebben wij uitgedrukt onder het gespan van twee bestarnde dieren[11], den Leeuw en den Draak die, voor Lucifers oorlogswagen gespannen, hem tegens God en Michaël aanvoeren; aangezien deze dieren twee zinnebeelden van deze hoofdgebreken verstrekken; want de Leeuw, der dieren Koning, gemoedigd door zijne krachten, acht uit verwaandheid niemand boven zichzelven; en de Nijdigheid kwetst met hare tong den benijden van verre, gelijk de Draak, met het schieten van zijn vergift zijnen vijand van verre kwetst. Sint-Augustijn[12], deze twee hoofdgebreken Lucifer toeëigenende, maalt ons den aard derzelve levendig af, en zeit, dat Hoovaardij is een liefde tot zijn eigen grootschheid, maar de Nijdigheid een haatster van eens anders geluk; waaruit klaar genoeg blijkt wat hieruit geboren wordt: want een iegelijk, zeit hij, die zijn eigen grootschheid[14] bemint, benijdt zijns gelijken, naardien ze met hem gelijk staan; of benijdt zijnen minder, opdat die hem niet gelijk werde; of die grooter zijn dan hij, omdat ze boven hem staan. Nu dewijl de dieren[14] zelf van verdoemde Geesten misbruikt en bezeten worden, gelijk in den aanvange de Paradijsslang, en in de heileeuwe de zwijnskudden, die met een groot gedruisch in zee stortten; en dewijl de gestarnten, aan den Hemel zelfs bij dieren afgeteekend[15], ook bij de Profeten gedacht worden; gelijk de Pleiades of Zevenster, en Arcturus, Orion, en Lucifer, zoo gelieve het u de weligheid en leerzaamheid der tooneelpoëzye te vergeven, dat de rampzalige geesten zich op ons tooneel hiermede wapenen en verweren; want den Helschen gedrochten niets eigener is dan slimme treken, en het misbruik der schepselen en elementen, tot afbreuk van d'eere en naam des Allerhoogsten, zooverre hij dit gehengt. Sint-Jan, in zijne Openbaringe, beeldt de Hemelsche geheimenissen, en den strijd in den Hemel, door een Draak uit, wiens staart nasleepte het derde deel der sterren, bij de Godgeleerden op d'afvallige Engelen geduid; waarom men in Poëzye de gebloemde wijze van spreken[16] niet al te neuswijs behoort te ziften, nochte naar de scherpzinnigheid der schoollessen te regelen. Ook moeten wij onderscheiden de tweederhande personagiën, die dit tooneel betreden, namelijk kwaadwillige en goede Engelen, die een ieder hun eigen rol spelen; gelijk Cicero en de voegelijkheid zelf ons elk personagië, naar heuren staat en aard, leeren uitbeelden. Ondertusschen ontkennen wij geenszins, dat heilige stof den tooneeldichter nauwer verbindt en intoomt, dan wereldsche historiën of Heidensche verziersels[17]; onaangezien d'oude en befaamde handvest der poëzy, bij Horatius Flaccus, in zijne Dichtkunste, met deze verzen uitgedrukt:
De Schilder en Poëeet ontvingen beide een machtVan alles te bestaan, wat elk zich dienstig acht.
Doch hier dient inzonderheid aangeteekend, hoe wij, om den naijver der hoogmoedige en nijdige Geesten te heftiger t'ontsteken, den Engelen de geheimenis van het toekomende menschworden des Woords, door den Aartsengel Gabriël, Gezant en Geheimenistolk der Godheid, eenigszins ontdekken; hierin (onder verbeteringe) volgende, niet het gevoelen der meesten, maar sommiger Godgeleerden, naardien dit ons treurtafereel rijker stof en luister bijzet[18]; zonder dat wij evenwel in dit punt, noch in andere omstandigheden van oorzaken, tijd, plaatse, en wijze (waarvan wij ons dienden, om dit treurspel krachtiger, heerlijker, gevoeglijker en leerzamer uit te voeren) de rechtzinnige waarheid opzettelijk willen in het licht staan, of iet, naar ons eigen vonden, en goeddunken, vaststellen. Sint-Pauwels, Gods geheimenisschrijver aan de Hebreën, verheft zelf, benijdenswaardig genoeg, tot afbreuk van het Rijk der logenen en verleidende Geesten, de heerlijkheid, macht, en Godheid van het menschgeworden Woord, door zijn uitstekendheid boven alle Engelen, in naam, in zoonschap en erfgenaamschap, in het aanbidden der Engelen, in zijn zalvinge, in zijne verheffinge aan Gods rechtehand, in de eeuwigheid zijner heerschappij, als een Koning over de toekomende wereld, en de oorzaak en het einde aller dingen, en een gekroond Hoofd der menschen en Engelen, zijne aanbidders, Gods boden en Geesten, gezonden ten dienst der menschen, erfgenamen der zaligheid, welker natuur Gods Zoon, de Engelen voorbijgaande, in het bloed van Abraham aanneemt. Bij gelegenheid van deze onschuld[19] achte ik niet ongerijmd hier ter loop iet aan te roeren tot onschuld van tooneel en tooneeldichteren, die Bijbelstof voorstellen, naardien ze bijwijlen opspraak onderworpen zijn[20]; gelijk trouwens 's menschen zinnelijkheid[21] verscheiden is, en d'ongelijke getemperdheid der hersenen veroorzaakt, dat d'een trek tot een zelve zaak heeft, die den anderen tegens het hart steekt. Alle eerlijke kunsten en oefeningen hebben hare beijveraars en tegenwrijters, ook haar recht gebruik en misbruik. De heilige treurspeldichters[22] hebben, onder de oude Hebreën, tot hun voorbeeld den Poëet Ezechiël[23], die den uittocht der twaalf Stammen uit Egypte in Grieksch nagelaten heeft; onder d'eerwaardige Oudvaders hebben zij het groote licht uit den Oosten, Gregorius Nazianzener[24], die zelf den gekruisten Verlosser in Grieksche tooneelverzen uitbeeldde; gelijk wij nog van wijlen den Koninklijken Gezant, Hugo de Groot[25], dat groote licht der geleerdheid en vromigheid onzer eeuwe, Sint-Gregorius' spoor nastrevende, voor zijn treurspel van den Gekruiste, in Latijn beschreven, en dien onverganklijken en stichtigen arbeid, eer en dankbaarheid schuldig blijven. Onder d'Engelsche Onroomschen heeft de geleerde pen van Richard Baker[26], Lucifer en al den handel der oproerige Geesten ook vrij breed in 't rijmeloos uitgestreken. Wel is waar, dat de Vaders der oude Kerke de gekristende tooneelspeelders buiten de gemeenschap der Kerke keerden, en het tooneelspel van dien tijd heftig bestreden; maar let men er wel op, de tijd en de reden van dien was heel anders gelegen. De wereld lag toen nog diep, op vele plaatsen, in Heidensche afgoderij verzonken. De grond des Christendoms was nog onbestorven, en de tooneelspelen werden Cybele, der gedroomde Goden moeder, een groote afgodinne, ter eere gespeeld, en gehouden voor een verdienstig middel om hierdoor landplagen van den hals des volks af te keeren. Sint-Augustijn getuigt, hoe de Heidensche Aartspriester, een bedienaar van Numa's instellingen en afgodendienst, te Rome, ter oorzake van een zware peste, de tooneelspelen eerst instelde, en door zijn gezag bekrachtigde. Scaliger zelf bekent, dat ze, om de gezondheid des volks te verwerven, door ingeven van de Sibille ingesteld waren; in voegen, dat dit spelen eigenlijk strekte tot een krachtig voedsel van de blinde afgoderij des Heidendoms, en verheffinge der afgoden; een ingekankerde gruwel, wiens uitroeien den eersten kruishelden, en de gedurig worstelende Kerke op zooveel zweet en bloed stond, maar nu lang uitgestorven, geene voetstappen in Europa laat. Dat de H. Oudvaders die tooneelen hierom, en tegelijk om het bederf der zeden, en andere openbare en schaamtelooze misbruiken van naakte jongelingen, vrouwen, en maagden, en andere vuiligheden, bestraften, was noodig en loflijk, gelijk het in dien gevalle nog zoude zijn. Dit nu overgeslagen, laat ons het nut en den oorbaar van stichtelijke en vermakelijke spelen niet te licht wegworpen. Heilige en eerlijke voorbeelden dienen ten spiegel, om deugd en Godvruchtigheid t'omhelzen; gebreken, en d'elenden, daaraan gehecht, te schuwen. Het wit en oogmerk der wettige Treurspelen[27] is de menschen te vermorwen door schrik en meêdoogen[28]. Scholieren, en opluikende jonkheid worden door spelen, in talen, welsprekendheid, wijsheid, tucht, en goede zeden en manieren, geoefend, en dit zet, in de teere gemoeden en zinnen, een plooi van voegelijkheid en geschiktheid, die hun, tot in den ouderdom toe, bijblijven en aanhangen[29]; ja, het gebeurt bijwijlen, dat overvliegende vernuften, bij geene gemeene middelen te buigen noch te verzetten, door spitsvondigheden[30] en hoogdravenden tooneelstijl geraakt, en, buiten hun eigen vermoeden, getrokken worden; gelijk een edele luitsnaar geluid geeft en antwoordt, zoodra heur weêrgade, van dezelve nature en aard, op eenen gelijken toon en andere luit gespannen, getokkeld wordt van een geestige hand, die, al spelende, den tuimelgeest[31] uit eenen bezeten en verstokten Saul drijven kan. De historiën der eerste Kerke bezegelen dit met de gedenkwaardige voorbeelden van Genesius en Ardaleo, beide tooneelspeelders, in den Schouwburg, door den H. Geest verlicht en bekeerd; terwijl ze, onder het spelen, den Christenschen Godsdienst willende beschimpen, overtuigd wierden van de waarheid, die ze geleerd hadden uit hun deftige speelrollen, doorgaands beter gestoffeerd met pit van wijsheid dan laffe redenen, uren lang in den wind gestrooid, en eer verdrietig dan leerzaam. Men worpt ons, ten opzichte van Bijbelstoffe, voor, dat men geen spel met heilige zaken behoorde te spelen; en zeker, dit zou wat schijns hebben in onze tale, die juist het woord van Spel mede brengt; maar wie slechts een woord of anderhalf Grieksch kan uitstamelen, weet wel, dat dit woord bij Grieken en Latijnen geen gebruik heeft in dien zin; wantTragoediais een koppelwoord, en beteekent eigenlijk Bokkezang, naar der herderen wedgezangen, ingesteld om met zingen eenen bok te winnen, uit welke gewoonte de treurzangen, en sedert de tooneelspelen, hunnen oorsprong namen; en wil men ons immers dus ongenadig knuffelen om het woord Spel[32], waar blijven we dan met orgelspel, Davids harp- en zangspel, en het spel van tien snaren, en ander fluit- en snarespel, bij verscheidenheid van Onroomschen in hunne vergaderingen ingevoerd? Wie dan dit onderscheid vat, zal wel, het misbruik der tooneelkunste bestraffende, het rechtmatig gebruik niet ongenadig vallen, en dezen heerlijken, ja, Goddelijken vond, een eerlijke uitspanninge en honigzoete verkwikkinge van 's levens moeielijkheden[33], de jeugd, en kunstbeminnende burgerije niet misgunnen; opdat wij, hierdoor gemoedigd, Lucifer met meer ijvers ten Treurtooneele voeren, daar hij endelijk, van Gods bliksem getroffen, ter Helle stort, ten klaren spiegel van alle ondankbare staatzuchtigen, die zich stoutelijk tegens de geheiligde Machten en Majesteiten, en wettige Overheden durven verheffen.
Noten:
[1]Het heilig treurtooneel: tooneel waarop gewijd spel gespeeld wordt.
[2]de stellagië stoffeeren: Uitdrukking verwant aan een andere, bij V. zeer geliefd: "het tooneel bekleeden": bezetten, vullen. Men sprak ook van een schilderij stoffeeren, met figuren.
[3]hooger laarzen. De Grieksche en Romeinsche tooneelspelers, die op grooten afstand van de in halven cirkel gezeten toeschouwers optraden, moesten, om niet te klein te lijken, hun gestalte vergrooten. Zij liepen dus opKothurnen, door V. vertaald als "tooneellaarzen", ook wel "brozen". Hoe verhevener het spel, des te hooger, meent hij, ook deze laarzen.
[4]Salmoneus. Zie achter het titelblad. Ook Voorwoord, en Inleiding van De K., blz. XVII.
[5]Reuzenstrijd. Zie ook hierover mijn Voorwoord en de Inleiding van De K.
[6]reukeloos: roekeloos.
[7] Isaias; Jesaja (Statenbijbel).
[8] Engelsche. Bij Vondel vaak gebruikt in verband metEngel, niet metEngeland.Engelsche Majesteit: Engelen majesteit.
[9]De groote Gregorius: Paus Gregorius Magnus, 6e Eeuw—bestelt ons: bezorgt ons.
[10]Bernardus(van Clairvaux), 12e E. bijgenaamdmellifluus= honingvloeiende, om zijn welsprekenskunst.
[11]bestarnde dieren: dieren die als sterrebeelden voorkomen.
[12]Augustijn, bisschop Augustinus van Hippo, 4e E.
[13]grootschheid: grandezza, heerlijkheid.
[14]Nu dewijl de dieren. Het verband tusschen de dieren en deze stof uitvoerig uitgewerkt in Bilderdijk'sDe Dieren. Zie ook Beets,Verscheidenheden, N.B. II.
[15]Zelfs bij dieren afgeteekend: door dieren.
[16]Waarom men in poezy de gebloemde wijze van spreken: Dichters, profeten, bijbelschrijvers gunne men de beeldspraak.
[17]verzierenis: bedenken, verdichten; versieren: opschiken. Verziersel dus: verdichtsel, verzinsel.
[18]rijker stof bijzet. Meer afwisseling geeft.
[19]onschuld: verontschuldigingen.
[20]Naardien ze bijwijlen opspraak onderworpen zijn. V. had hier een profetisch oogenblik. Inderdaad heeft zijn ten tooneele brengen van deze stof de verontwaardiging der predikanten opgewekt, die na de tweede voorstelling den Amsterdamschen magistraat een verbod van verdere vertooning wisten te ontlokken.
[21]zinnelijkheid, dat waar de zinnen zich op zetten: smaak. "De smaken zijn verschillend."
[22]heilige treurspeldichters. "Heilig" behoort bij treurspel, niet bij dichters: dichters van gewijde stoffen.
[23]Poëet Ezechiël. Nietprofeet(2e E. na Chr.).
[24]Gregorius Nazianzener. Gregorius van Nazianze (4e Eeuw).
[25] Vondels eerbied voor Huig de Groot, ook als dichter, was onverwelkbaar. Hier huldigt hij zijnChristus Pattens; voor zijnAdam in Ballingschapinspireerde hem De GrootsAdamus Exul; diens derde Latijnsche treurspel:Solompaneasvertaalde hij. Zie mijn Inleiding pag. 71.
[26]Sir Richard Baker(1568-1643) een Engelsch landedelman, die in schulden kwam voor familieleden en in de gevangenisBespiegelingenenOverwegingenschreef over Bijbelsche onderwerpen (Chambers).
[27]wettige treurspelen: staat tegenover de onheilige, w.o. V. zoo juist gesproken heeft. Dus die gewettigd zijn door hun hoog karakter. Of: die geschreven zijn overeenkomstig de Tooneelwetten?
[28]de menschen te vermurwen door schrik en mededoogen. Voor de beteekenis van deze woorden in de leer van het tragische zie mijn Inleiding over V.'s dramatiek, pag. 32-45.
[29] _Zooals Vondel ook uitvoerig in zijn Berecht tot zijn (5 jaar latere)Jepthaden "matigenden" en "manierenden" invloed der treurspelen zou uiteenzetten; voornamelijk gegrond op den gewekten schrik.
[30]spitsvondig. Niet zoo scherp, en zeker niet ongunstig, op te vatten als tegenwoordig: Vernuftige vonden, spreuken.
[31]tuimelgeest: oproerigen geest; de geest, die de hersenen doet tuimelen, dazen.
[32]gestoffeerd: schoon gevuld met.
[33] Zie over V. en het Treurspel mijn Inleiding, "Vondel's Dramatiek", pag. 24/25 en 31.
* * * * *
Lucifer, d'Aartsengel, opperste en doorluchtigste boven alle Engelen, hoovaardig en staatzuchtig, uit blinde liefde tot zijn eigen, benijdde Gods onbepaalde grootheid, ook den mensch, naar Gods beeld geschapen, en in het welig Paradijs met de heerschappije des aardbodems begiftigd. Hij benijdde God en den mensch te meer, toen Gabriël, Gods Heraut, alle Engelen voor dienstbare geesten verklaarde, en de geheimenissen van Gods toekomende menschworden hun ontdekte; waardoor het Engelsdom voorbijgegaan, de waarachtige menschelijke natuur, met de Godheid vereenigd, een gelijke Macht en Majesteit te verwachten stond; waarom de hoovaardige en nijdige Geest, pogende zichzelven Gode gelijk te stellen, en den mensch buiten den Hemel te houden, door zijne medestanders[1], ontelbare Engelen oprokkende, wapende, en tegens Michaël, 's Hemels Veldheer, en zijne heirkrachten, onaangezien Rafaëls waarschuwinge, aanvoerde; en afgestreden, na de neêrlaag, uit wrake den eersten mensch, en in hem alle zijne nakomelingen, ten val brocht, en hij zelf met zijne weêrspannelingen ter Helle gestort, en eeuwig verdoemd werd.
Het Tooneel is in den Hemel.
Noot:
[1]door zijne medestanders: d.w.z. met behulp van zijn medestanders.
* * * * *
BELZEBUB..)BELIAL….)Wederspannige Oversten.APOLLION..)GABRIEL,Gods Geheimenistolk.REI VAN ENGELEN.LUCIFER,Stedehouder.LUCIFERISTEN,Oproerige Geesten.MICHAEL,Veldheer.RAFAEL,Beschermengel.URIEL,Michaëls Schildknaap.
(Voor het eerst gespeeld te Amsterdam, op 2 Februari1654.)
* * * * *
Mijn Belial ging hene op lucht en vleugels drijven,Om uit te zien waar onze Apollion mag blijven.Vorst Lucifer zond hem, tot dezen tocht bekwaam,Naar 't aardrijk, opdat hij eens nader kennis naam'Van Adams heil en staat, waarin d'AlmogendhedenHem stelden. Het wordt tijd, om weder van benedenTe keeren hier ter stede; ik gis, hij is niet veer.Een wakker dienaar vliegt op 't wenken van zijn heerEn stut zijn meesters troon getrouw met hals en schouder.
Heer Belzebub! gij Raad van 's Hemels Stedehouder,Hij steigert steil, van kreits in kreits[2], op ons gezicht.Hij streeft den wind voorbij, en laat een spoor van lichtEn glanzen achter zich, waar zijn gezwinde wiekenDe wolken breken. Hij begint ons' lucht te rieken,In eenen andren dag en schooner zonneschijn,Daar 't licht zich spiegelt in het blauwe kristallijn.De hemelklooten[3] zien met hun gezicht, van onder,Terwijl hij rijst, hem na, een ieder in 't bijzonderVerwonderd om dien vaart en goddelijken zwier,Die hun geen Engel schijnt, maar eer een vliegend vier.Geen star verschiet zoo snel. Hier komt hij aangestegen,Met eenen gouden tak, en heeft de steile wegenVoorspoedig afgeleid.
Wat brengt Apollion?
Heer Belzebub! ik heb, zoo vlijtig als ik kon,Het laag gewest bespied, en offere u de vruchtenZoo diep beneden ons, in andre zon en luchten,Gesproten; oordeel, uit de vruchten[4], van het landEn van den hof, door God gezegend en beplant,Tot wellust van den mensch[5].
Ik zie de gouden bladen, Met perlen van de lucht, den zilvren dauw, geladen. Hoe lieflijk riekt dit loof, dat zijne verf[6] behoudt! Hoe gloeit dit vroolijk[7] ooft van karmozijn en goud! 't Waar jammer zoo men dit ontwijdde met de handen. 't Gezicht bekoort den mond. Wie zou niet watertanden Naar aardsche lekkernij? Hij walgt van onzen dag, En hemelsch mann'[8], die 't ooft der aarde plukken mag. Men zou ons Paradijs om Adams hof verwenschen; 't Geluk der Engelen moet wijken voor de menschen.
Nietwaar, heer Belzebub? Al schijnt de hemel hoog,Wij liggen veel te laag. Hetgeen ik met mijn oogGezien heb, mist me niet[9]. 't Vermaak van 's werelds hoven,Een eenig Eden gaat ons Paradijs te boven.
Laat hooren wat ge zaagt; wij luistren t'zamen toe.
'k Verzwijg mijn henevaart, om niet te reppen hoeGezwind ik nedersteeg, en zonk door negen bogen[10],Die, sneller dan een pijl, rondom hun midpunt vlogen.Het rad der zinnen kan zoo snel niet ommeslaan,In ons' gedachten, als ik, lager dan de maan[11]En wolken, afgegleên, bleef hangen op mijn pennen[12].Om 't Oostersche gewest en landschap t' onderkennen[13],Op 't aanzicht van den kloot, daar d'Oceaan om spoelt,Waarin zoo menig slag van zeegedrochten woelt.Van verre zag men hier een hoogen berg verschieten[14],Waaruit een waterval, de wortel van vier vlieten,Ten dale nederbruist. Wij streken steil en schuinVoorover met ons hoofd, en rustten op de kruinDes bergs, van waar men vlak de zalige landouwenDer onderwereld[15] en haar weelde kon aanschouwen.
Nu schilder ons den hof en zijn gestaltenis.
De hof valt rond[16], gelijk de kloot der wereld is.In 't midden rijst de berg, waaruit de hoofdbron klatert,Die zich in vieren deelt en al het land bewatert,Geboomte en beemden laaft, en levert beken uit,Zoo klaar gelijk kristal, daar geen gezicht op stuit[17].De stroomen geven slib, en koesteren de gronden.Hier worden Onixsteen en Bdellion[18] gevonden.Hoe klaar de hemel ook van sterren blinkt en barnt,Hier zaaide Vrouw Natuur in steenen een gestarnt,Dat onze starren dooft. Hier blinkt het goud in d'aderen.Hier woû Natuur haar schat in éénen schoot vergaderen.
Wat zweeft er voor een lucht, waarbij dat schepsel leeft?
Geen Engel, onder ons, zoo zoet een adem heeft,Gelijk de frissche geest, die hier den mensch bejegent,Het aangezicht verkwikt en alles streelt en zegent:Dan[19] zwelt de boezem der landouw van kruid en kleur,En knop en telg[20] en bloem, en allerhanden geur.De dauw ververscht ze 's nachts. Het rijzen en het dalenDer zonne weet zijn maat, en matigt zoo haar stralenNaar eisch van elke plant, dat allerhande groenEn vrucht gevonden wordt in eenerlei seizoen.
Nu maal me de gedaante en 't wezen van de menschen.
Wie zou ons Engelsdom voor 't menschdom willen wenschen[21],Wanneer men schepsels ziet, die 't al te boven gaan,En onder wiens[22] gezag alle andre dieren staan.Ik zag den ommegang[23] van honderdduizend dieren,Die op het aardrijk treên, of in de wolken zwieren,Of zwemmen in den stroom, zoo ieder is gewend,En leven schept in zijn bijzonder element.Wie zou een ieders aard en eigenschappen ramenAls Adam? want hij gaf ze op eene rij haar namen.De bergleeuw kwispelde hem aan met zijnen staart,En loech den meester toe. De tiger lei zijn aardVoor 's Konings voeten af. De landstier[24] boog zijn horen,En d'olifant zijn snuit. De beer vergat zijn tooren;Griffoen en adelaar kwam luistren naar dien man,Ook draak, en Behemoth, en zelfs Leviatan[25].Nog zwijg ik welk een lof den mensch wordt toegezongenEn toegekwinkeleerd van 't lustpriëel, vol tongen;Terwijl de wind in 't loof, de beek langs d'oevers speelt,En ruischt op een muziek, dat nimmer 't hart verveelt.Had zich Apollion in zijnen last gekweten,Hij had ons Hemelrijk in Adams Rijk vergeten[26].
Wat dunkt u van het paar, dat gij beneden zaagt?
Geen schepsel heeft omhoog mijn oogen zoo behaagdAls deze twee omlaag. Wie kon zoo geestig[27] strengelenHet lichaam en de ziel, en scheppen dubbele Engelen[28]Uit kleiaarde en uit been! Het lichaam, schoon van leest,Getuigt des Scheppers kunst, die blinkt in 't aanschijn meest,Den spiegel van 't gemoed. Wat lid mij kon verbazen,Ik zag het beeld der ziele in 't aangezicht geblazen.Bezit het lijf iet schoons, dat vindt men hier bijeen.Een Godheid geeft haar glans door 's menschen oogen heen.De redelijke ziel komt uit zijn tronie zwieren.Hij heft, terwijl de stomme en redelooze dierenNaar hunne voeten zien, alleen en trotsch het hoofdTen hemel op naar God, zijn Schepper, hoog geloofd.
Hij looft hem niet vergeefs voor zooveel rijke gaven.
Hij heerscht, gelijk een God, om wien het al moet slaven.D'onzichtbre ziel bestaat uit geest, en niet uit stof.Z' is heel in ieder lid. Het brein verstrekt haar Hof.Zij leeft in eeuwigheid, en vreest noch roest noch schennis.Z' is onbegrijpelijk. Voorzichtigheid, en kennis,En deugd, en vrijen wil bezit ze in eigendom.Voor hare majesteit staan alle Geesten stom.De wijde wereld zal eerlang van menschen krielen;Zij wacht, uit luttel zaads, een rijken oogst van zielen.En hierom huwde God den man aan zijn mannin.
Wat dunkt u van zijn ribbe[29], en lieve gemalin?
Ik dekte mijn gezicht en oogen met mijn vleugelen,Om mijn gedachten en genegendheên te teugelen,Zoodra zij mij gemoette, als Adam met der handHaar leidde door het groen. Bijwijlen hield hij stand,Beschouwde ze overzij, en, onder dat belonken,Begon een heilig vier zijn zuivre borst t'ontvonken:Dan kuste hij zijn bruid, en zij den bruidegom,Dan ging de bruiloft in, met eenen wellekomEn brand van liefde, niet te melden, maar te gissen;Een hooger zaligheid, die d'Engelen nog missen.Hoe arm is eenigheid! Wij kennen geen gespan[30]Van tweederhande kunne, een jonkvrouw en een man.Helaas! wij zijn misdeeld; wij weten van geen trouwen,Van gade of gading, in een Hemel zonder vrouwen!
Zoo wordt er met der tijd een wereld aangeteeld?
Door een genot van 't schoon, in 's menschen brein gebeeld,En ingedrukt met kracht van d'opgespannen zinnen.Dat houdt dit paar verknocht. Hun leven is beminnenEn wederminnen met een onderlingen lust,Onendelijk gelescht, en nimmer uitgebluscht.
Nu pas me deze bruid naar 't leven af te malen.
Dit eischt Natuurs penseel[31]: geen verf, maar zonnestralen.De man en vrouw zijn beî volschapen, even schoon,Van top tot teen. Met recht spant Adam wel de kroon,Door kloekheid van gedaante en majesteit van 't wezen,Als een ter heerschappij des aardrijks uitgelezen;Maar al wat Eva heeft vernoegt haar bruigoms eisch:Der leden teederheid, een zachter vel en vleisch,Een vriendelijker verf, aanminnigheid der oogen,Een minnelijke mond, een uitspraak, wiens[32] vermogenBestaat in eedler klank; twee bronnen van ivoor,En wat men best verzwijge, eer dit een Geest bekoor';—Bejegent Engelen, hoe schoon ze uw oog behaagden,Het zijn wanschapenheên bij 't morgenlicht der maagden.
Het schijnt, gij blaakt van minne om 't vrouwelijke dier[33].
Ik heb mijn slagveêr in dat aangename vierGezengd. Het viel me zwaar van onder op te stijgen,Te roeien, om den top van Engleburg te krijgen.Ik scheidde, doch met pijn, en zag wel driewerf om.Nu blinkt geen Serafijn, in 't Hemelsch Heiligdom,Als deze, in 't hangend haar, een gouden nis van stralen[34],Die, schoon gewaterd, van den hoofde nederdalen,En vloeien om den rug. Zoo komt ze, als uit een licht,Te voorschijn, en verheugt den dag met haar gezicht.Laat perle en perlemoer u zuiverheid beloven;Haar blankheid gaat de perle en perlemoer te boven.
Wat baat al 's menschen roem, indien zijn schoonheid smeltEn endelijk verwelkt, gelijk een bloem op 't veld?
Zoo lang die hof beneên niet ophoude ooft te geven,Zal dit gezaligd paar bij zulk een appel leven,Die daar in 't midden groeit, bevochtigd van den stroom,Waarbij de wortel leeft. Dees' wonderbare boomWordt 's levens boom genoemd. Zijn aard is onbederflijk.Hierdoor geniet de mensch het eeuwig en onsterflijk,En wordt den Engelen, zijn broederen, gelijk,Ja, overtreft ze in 't eind, en zal zijn macht en rijkVerbreiden overal. Wie kan zijn vleugels korten?Geen Engel heeft de macht zijn wezen uit te stortenIn duizendduizenden, in een oneindig tal.Nu overreken eens, wat hieruit worden zal.
De mensch is machtig dus ons over 't hoofd te wassen?
Zijn wasdom zal ons haast verschrikken en verrassen,Al duikt zijn heerschappij nu lager dan de maan;Al is die macht bepaald, hij zal al hooger gaan,Om zijnen stoel in top der Hemelen te zetten.Zoo God dit niet belet, hoe konnen wij 't beletten?Want God bezint den mensch, en schiep het al om hem.
Wat hoor ik? een bazuin? gewis, hier wil een stemOp volgen; zie eens uit, terwijl we hier verbeien.
d'Aartsengel Gabriël, gevolgd van 's Hemels reien, Genaakt in 's Hoogsten naam, om uit den hoogen troon T'ontvouwen, als Heraut, hetgeen hem wierd geboôn.
Ons lust te hooren, wat d'Aartsengel zal gebieden.
Hoort toe, gij Engelen! hoort toe, gij Hemellieden!De hoogste Goedheid, uit wiens boezem alles vloeit,Wat goed, wat heilig is; die nimmer wordt vermoeidDoor weldoen, noch verarmd van haar genadeschatten,Tot nog met geen begrijp der schepselen te vatten;Dees' Goedheid schiep den mensch haar eigen beeld gelijk,Ook d'Eng'len, opdat zij te zamen 't eeuwig Rijk,En nooit begrepen goed, na 't vierig onderhoudenDer opgeleide wet, met God bezitten zouden.Zij bouwde 't wonderlijk en zienelijk HeelalDer wereld, Gode en ook den mensche te geval,Opdat hij in dit hof zou heerschen en vermeeren,Met al zijne afkomst hem bekennen, dienen, eeren,En stijgen, langs de trap der wereld, in den transVan 't ongeschapen licht, den zaligenden glans.Al schijnt het Geestendom alle andre t'overtreffen;God sloot van eeuwigheid het Menschdom te verheffen,Ook boven 't Engelsdom, en op[36] te voeren totEen klaarheid en een licht, dat niet verschilt van God.Gij zult het eeuwig Woord, bekleed met been en âren,Gezalfd tot Heer en hoofd en rechter, al de scharenDer Geesten, Engelen, en menschen te gelijk,Zien rechten, uit zijn troon en onbeschaduwd Rijk.Daar staat de stoel alreê geheiligd in het midden.Dat alle d'Engelen Hem passen aan te bidden.Zoo ras hij innerij, wien 't menschelijk gestalt,Ook boven ons' natuur verheerelijkt, gevalt.Dan schijnt de heldre vlam der Serafijnen duister,Bij 's menschen licht en glans en goddelijken luister.Genade dooft natuur en al haar glansen uit[37].Dit 's noodlot, en een onherroepelijk besluit[38].
Al wat de Hemel stemt[39], zal 't Hemelsch heir behagen.
Zoo past[40] u trouw in Gods en 's menschen dienst te dragen,Naardien de Godheid zelf de menschen zoo bemint.Wie Adam eert, het hart van Adams vader wint.De mensch en Engel, beide uit éénen stam gesproten,Zijn medebroeders, uitgekoren lotgenooten[41],Des Allerhoogsten zoons en erven, zonder smet.Een ongedeelde wil en liefde zij uw wet!Gij weet hoe 't Engelsdom moet onderscheiden worden[42]In driederhande rij, en negenvoudige orden:De hoogste in Serafijn en Cherubijn en Troon,Die zitten in Gods Raad, en sterken zijn geboôn.De middelrij bestaat uit Heerschappijen, KrachtenEn Machten, die op 't woord van Gods Geheimraad wachtenTot 's menschen nut en heil en hulp in 't algemeen.De derde en laagste rij, gewijd uit Vorstenheên,En groote Aartsengelen en Engelen, moet duiken[43]Voor 't woord der middelrije, en laten zich gebruikenBeneden het gewelf van zuiver kristallijn,In hun bijzondren last, zoo wijd 't gestarrent schijn'.Wanneer de wereld koom' zich verder uit te spreiden,Wordt elk van deze rij in zijn gewest bescheiden,Of weet zijn eigen stad en huis, en wat persoonZijn zorg bevolen blijft, ter eere van Gods kroon[44].Getrouwen, gaat dan hene; onsterfelijke Goden,Gehoorzaamt Lucifer[45], verknocht aan Gods geboden.Bevordert 's Hemels eer in 't menschelijk geslacht,Een ieder in zijn wijk, een ieder op zijn wacht.Laat sommigen voor God de schaal vol wierook branden,En brengen voor Gods troon der menschen offerandenEn wenschen en gebeên, en zingen 's Godheids lof,Dat zich de galm verspreie in 't eeuwigjuichend hof.Een ander draai gestarnte[46] en ronde hemelklooten,Of zett' den Hemel op, of hou de lucht geslotenMet wolken, om den berg te zegenen omlaag,Met eenen zonneschijn, of versche regenvlaagVan manne en honigdauw, daar God wordt aangebedenDoor d'eerste onnoozelheid[47], de burgerij van Eden.Wie door de lucht, en 't vier, en aarde, en water rent,Die matige op zijn pas een ieder element,Naar Adams wensch, of legg' den bliksemstraal aan banden,Of breidele den storm, of breek' de zee op stranden.Een ander sla de treên des menschen gade op 't veld.De Godheid heeft zijn haar tot op één haar geteld.Men draag' hem op de hand, dat hij zijn voet niet stoote.Wordt iemand, als gezant, gezonden van een Groote[48]Aan Adam, 's aardrijks Vorst, dat hij zijn last verricht.Zoo luidt mijn last, waaraan de Godheid u verplicht.
Wie is het, die zoo hoog gezeten,Zoo diep in 't grondelooze licht,Van tijd noch eeuwigheid gemetenNoch ronden, zonder tegenwicht[50],Bij zich bestaat, geen steun van buitenOntleent, maar op zichzelven rust,En in Zijn wezen kan besluitenWat om en in Hem, onbewustVan wanken, draait, en wordt gedrevenOm 't een en eenig middelpunt[51];Der zonnen zon, de geest, het leven;De ziel van alles wat gij kuntBevroên, of nimmermeer bevroeden;Het hart, de bronaâr, d'oceaanEn oorsprong van zoovele goeden[52]Als uit Hem vloeien en bestaanBij zijn genade, en alvermogen,En wijsheid, die hun 't wezen schonkUit niet, eer dit in top voltogenPaleis, der Heemlen Hemel, blonk;Daar wij met vleuglen d'oogen dekken,Voor aller glansen Majesteit;Terwijl we 's Hemels lofgalm wekken,En vallen, uit eerbiedigheid,Uit vreeze, in zwijm op 't aanzicht neder.—Wie is het? noemt, beschrijft ons Hem,Met eene Serafijne veder.Of schort het aan begrijp en stem?
Dat 'sGod. Oneindig eeuwig WezenVan alle ding, dat wezen heeft.Vergeef het ons, o nooit volprezenVan al wat leeft, of niet en leeft;Nooit uitgesproken, noch te spreken;Vergeef het ons, en scheld ons kwijtDat geen verbeelding, tong, noch teekenU melden kan. Gij waart, Gij zijt,Gij blijft dezelve. Alle EnglekennisEn uitspraak, zwak, en onbekwaam,Is maar ontheiliging en schennis:Want ieder draagt zijn eigen naam.Behalve Gij. Wie kan U noemenBij Uwen Naam? wie wordt gewijdTot Uw Orakel? wie durf roemen?Gij zijt alleen dan die Gij zijt,U zelf bekend en niemand nader.U zulks te kennen, als Gij waart,Der eeuwigheden glans en ader,Wien is dat licht geopenbaard?Wien is der glansen glans verschenen?Dat zien is nog een hooger heilDan wij van uw genade ontleenen;Dat overschrijdt het perk en peilVan ons vermogen. Wij veroudenIn onzen duur; Gij nimmermeer.Uw wezen moet ons onderhouden.Verheft de Godheid; zingt Haar eer!
Heilig, heilig, nog eens heilig,Driemaal heilig! eer zij God!Buiten God is 't nergens veilig.Heilig is het hoog gebod.Zijn geheimenis zij bondig[53];Men aanbidde Zijn bevel.Dat men overal verkondig,Wat de trouwe GabriëlOns met zijn bazuin kwam leeren:Laat ons God in Adam eeren.Al wat God behaagt, is wel.
Noten:
[1] BELZEBUB: vlieg van God; BELIAL: deugniet (beide Hebreeuwsche namen); APOLLION (Grieksch): verderver.—Deze Engelen zijn dus door Vondel alvast gekenschetst naar den hun toegeschreven, misdadigen, duivelschen aard.
BELZEBUB spreekt de eerste 9 regels als alleenspraak; vóór de komst van Belial. Dat deze uitgezonden werd om te zien waar de naar de aarde gezonden Apollion mag blijven, toont aanstonds de spanning, waarin de laatste scheppingsdaad: de vorming van den mensch, den hemel der Engelen gebracht heeft. De volgende schildering van Apollion's opvlucht brengt lezers en hoorders in de sfeer der handeling.
[2]Kreits in kreits: de negen bogen of sferen, die tusschen den Hemel der Hemelen en de aarde liggen (Voorwoord).
[3] De hemelklooten: bollen, planeten, die rond die bogen loopen (id.).
[4] "Uit de vruchten zult ge den boom kennen". Van: over.
[5] De voorstelling dat het Paradijs door God ten bate der menschheid geplant is, opent de reeks der de engelen beroerende verkondigingen van Gods bevoorrechting van dit nieuwe schepsel.
[6]verf: kleur.
[7]vroolijk: fleurig.
[8] hemelschmann: 't manna dat ten voedsel der Joden in de woestijn uit den hemel viel.
[9]mist me niet: ontgaat me niet, nl.: de beteekenis ervan.
[10]de negen bogen: (zieVoorwoord).
[11] De maan gleed rond de laagste schaal; dus de laatste, bij de aarde.
[12]pennen: vleugels.
[13] de beschrijving van Apollion geeft meer het Paradijs, naar Vondel en zijn lezers 't zichzelf voorstelden, dan naar 't geen een afgezant des Hemels 't zou waargenomen en geteekend hebben. Maar objectiveeren in modernen zin lag niet in den geest van dien tijd.
[14]verschieten: in 't verschiet opdoemen.
[15]onderwereld: dit is dus uit 't oogpunt der Engelen; niet van de menschen.
[16]valt rond: is rond (uitgevallen).
[17]daar geen gezicht op stuit; die gezichten weerspiegelen.
[18]Bdellion: (zie Adam in Ballingschap 314), een harts.
[19]Dan: daardoor.
[20]telg: tak.
[21] : Wie zou den staat van Engel boven dien der menschen willen wenschen?
[22]Wiens: wier.
[23]ommegangder dieren: hun leven en bedrijven.
[24]bergleeuw, landstier: voor "leeuw" en "stier". Maar wat zwieriger en voller, voor 't vers.
[25]Behemoth, Leviatan: voorwereldlijke reuzendieren.
[26] : De verklaring van deze door Van Lennep duister genoemde regels door dr. Cramer lijkt aannemelijk: had Apollion zijn last gekweten en was hij dus vrij geweest, hij zou op aarde zijn gebleven.
[27]geestig: (Wdbk.) "begaafd", "talentvol".
[28] Over de dubbele natuur der Menschen, den vrijen wil enz. zie "Adam in Ballingschap."
[29]Zijn ribbe, waaruit Eva immers geschapen was, klinkt hier vreemd in Belzebub's mond, die niet op de hoogte is van de Paradijshistorie.
[30]gespan: Watsamenin een gareel gespannen is. Thans nog: "span".
[31]Dit eischt Natuurs penseel. Hier spreekt Vondel (en niet Apollion, zeker!), wien alle poëzie "levende schilderij" was.
[32]wiens: welker.
[33]dier: schepsel.
[34] : deze schildering van Eva, in de "gouden nis van stralen", van haar hoofd afhangend, doet denken aan de fraaie kleine schilderij van Rubbens, in 't Mauritshuis. Of Vondel die kende?
[35] Apollion's schildering van de toekomstige grootheid der menschen versterkt de onrust in Belzebub. En nu komt Gabriels mededeeling omtrent Gods bedoeling: om eenmaal den "Zoon des menschen" naast zich ten troon te verheffen, zoowel als het gebod aan d'Engelen om zich ten dienst der Menschheid te stellen—heel dramatisch—die onrust tot wrevel aansporen die evenwel in dit bedrijf nog onderdrukt blijft. Zie V.'sDramatiekpag. 112.
[36] :van eeuwigheid, d.w.z. de menschverheffing is een raadsbesluit van d'Almacht, reeds lang geleden, van den aanvang af, genomen.