DERTIENDE HOOFDSTUK.

DERTIENDE HOOFDSTUK.Tegenspoed en ongenade.Wat heeft Maerten Harpertsz. Tromp een tegenslag gehad in het begin van dien oorlog! En wat erger was, daardoor niet kunnen voldoen aan de verwachtingen, welke men van onze toerustingen ter zee meende te mogen koesteren.Het plan van Tromp was geweest, om den Engelschen vice-admiraal Ascue, die met dertig schepen voor Duins lag, met onze geheele macht aan te vallen, zijn vloot te vernielen en daarna den Engelschen admiraal Blake op te zoeken, die met zestig schepen uitgeloopen was en om de Noord zeilde. Nu was het waar, dat, terwijl Tromp de reede van Duins opzocht, onze haringbuizen in dien tijd gevaar liepen om door Blake genomen te worden; maar in de eerste plaats wist Tromp niet beter, of de haringbuizen hadden een wenk gekregen om naar Noorwegen te vluchten, in de tweede plaats kon hij Blake toch niet meer inhalen, en, wat wel het zwaarst woog, in de derde plaats zou hij door zijn tocht naar het Noorden aanAscue de vrije hand geven tegen onze koopvaardijschepen, die in- of uitliepen. Ten slotte had onze admiraal het belangrijke bericht ontvangen, dat er rijkgeladen Oostinjevaarders op den weg naar het vaderland waren, die groot gevaar liepen in handen der Engelschen te vallen.Tromp zette dus koers naar Duins. Maar het ging al dadelijk niet vlot, want wind en weer waren niet dienende; ja, eindelijk belette een windstilte hem alle handelen. In plaats dat hij dadelijk de vloot van Ascue kon aantasten, moest Tromp nu het ellendigste doen wat er in deze omstandigheden wel ter wereld voor hem kon overschieten: wachten en nog eens wachten.Maar terwijl Tromp wachtte, begonnen de reeders van de haringbuizen en de familieleden en betrekkingen der visschers datgene te doen, waardoor de kinderen Israëls op hun tocht door de woestijn tegenover hun leider Mozes zulk een vermaardheid verkregen hebben, namelijk te murmureeren. Het was hun ter oore gekomen, dat Blake jacht ging maken op de haringbuizen, en daarvoor waren zij begrijpelijkerwijze zeer in angst. Mijn hemel, waarvoor had men een admiraal als Tromp, indien de Engelschman nu maar de vrije hand had tegenover onze visschers! Hadden die toch al niet genoeg te lijden van de plagerijen der Roodrokken, of hoe men de Britten anders geliefde te schelden? Er kwamen Oostinjevaarders naar het land en het verlies daarvan zou een ontzaglijk groote schadezijn.... voor de groote mijnheeren! Snap-je het nu, waarom Tromp in het Kanaal moest blijven? Of die arme visschermannetjes al hun gansche bestaan verloren, dat gaf minder, hè? Als de groote lui maar buiten schot bleven! Die groote rakkers deden tegenwoordig alles maar wat er in d’r hoofd kwam. Daar hadden ze zelfs na den dood van den jongen Prins Willem—als dat maar een natuurlijke dood was geweest en er geen giftdrankje bij in het spel was gekomen!—geen Stadhouder meer aangesteld. Entochwas er een Oranje. Een kind, ja! Maar... al is ons Prinsje nog zoo klein, alevel zal hij Stadhouder zijn!...Daar kwam men op de been in onze visschersplaatsen en als die luitjes daar beginnen, zijn ze niet van de gemakkelijkste. De Heeren, die nog niet heel vast op het kussen zaten, vonden het heel gevaarlijk, dat zich die Oranjeleuze ging paren aan de luid uitgeschreeuwde uitingen van ontevredenheid met het bestaande bestuur. En zoo kreeg Tromp, zèlf een Oranjeman, het stellige bevel om Blake achterna te zetten, en van de haringbuizen zooveel te redden als er nog te redden viel.Nu twijfelen wij er niet aan, of Tromp, die als zeeman drommels goed wist, dat de beste stuurlui aan wal staan, zou ze voor een korte wijle hebben laten praten, indien er een fijn briesje was komen opzetten, dat hem voor Duins had willen drijven.Het is slechts een vermoeden, hetwelk wij hier uitspreken, want het fijne briesje liet zich wachten en met een bloedend hart stevende Tromp noordwaarts.„All right,” zei Ascue, kwam uit zijn schuilhoek te voorschijn, en dat kwamen nu alle Engelsche koopvaarders, die als de drommel van déze vrije zee profiteerden, om den Atlantischen Oceaan op te zoeken en naar streken te varen, waar geen Statenvloot was. Maar ònze koopvaarders konden nu thuis blijven. En voor Ascue kwàm het gunstige briesje, waarvan hij gebruik maakte, om onze arme Oostinjevaarders tegemoet te zeilen en ze vriendelijk te verzoeken een reisje mede te maken naar Engeland.Intusschen zeilde Tromp om de Noord. In welk een stemming kan men zich voorstellen. Wat moest hij eigenlijk gaan doen? Wat Engelschen doodschieten en wat arme jongens van zijn eigen vloot, die hij gewoon was kinderen te noemen gelijk zij van hem als van hun bestevader spraken, te laten doodschieten? Zoo iets noodeloos te doen, lag niet in zijn aard. O, was men bij de uitrusting van zijn vloot maar wat minder sammelig geweest, ja, dan had hij bij het begin der expeditie Blake wel kunnen verhinderen uit de Engelsche havens te komen. Maar men had getalmd en getalmd, en nu wasditmislukt, en het schoone plan om eerst Ascue en daarna Blake aan te vallen wasookmislukt, en... nu schoot er weinig anders over dan den Engelschman hier of daar aan te grijpen,en den opvlammenden haat tusschen beide volkeren te koelen in beider bloed.En ook dit zou mislukken.De Engelsche vloot was men op het spoor gekomen, alles werd voor den bloedigen kamp in gereedheid gebracht;... daar slaat het weer om, een geweldige storm steekt op en beroert de wateren der Noordzee. In plaats van te strijden, was alle zeemanschap der ervaren zeelieden noodig, om er zelf het leven af te brengen.Iederen zeeman, die na zulk een storm en zulk een noodweer doorstaan te hebben nog kans had gezien om zonder te groote verliezen de veilige haven te bereiken, zou men geroemd hebben om zijn knapheid en kordaatheid. Doch Maerten Harpertz. Tromp, was een admiraal, uitgezonden om zegepralen te behalen en die er niet één behaald had, uitgezonden om haringbuizen en Oostinjevaarders te redden, en die er niet één gered had. Weg met zulk een man!Ja, het schotschrift van ’t jaar 1640 had gesproken van de Heeren, bij wie Tromp geen kwaad kon doen. Maar men schreef thans het jaar 1653 en de toestanden waren sedert heel wat veranderd. De tijd, waarop een Johan de Witt, die bij al het verschil van staatkundig inzicht allergunstigst over een zeevoogd als Tromp oordeelde, een over het algemeen eerlijke en bovenal verstandige handelwijze zou volgen tegenover de vloot en wat daarmee samenviel, wasnog niet aangebroken. Daarom werden personen, die te nauw bij den gehaten Willem II waren aangesloten geweest, met zekeren argwaan gadegeslagen. Al de praatjes over Tromp’s Oranjegezindheid kwamen weer los, en weer liep het gerucht, dat hij het was geweest, die den Prins vóór den aanslag op Amsterdam volledig had ingelicht, hoeveel krijgsvoorraad er binnen die stad was.Bij de dominee’s had hij een wit voetje, zei het schotschrift.Nu, daarmede mocht men vroeger in de gunst der Heeren zijn gekomen, tegenwoordig zou dit een averechtsch middel zijn geweest. Want door geen trouwer en waakzamer wachters is wel het vuur en de gloed van de liefde tot het Huis van Oranje bij ons volk bewaard dan juist door die dominee’s.Hoe het volk in de visschersplaatsen onzen held gezind was, hoe de reeders van koopvaarders en Oostinjevaarders over hem dachten, behoeft niet nader aangeduid te worden. Het was, of de dagen van admiraal Van Dorp teruggekeerd waren. In ’t kort: er was een algemeene ontevredenheid over Tromp. „Natuurlijk,” roept een Engelschman uit, wanneer hij de ongenade van onzen held bespreekt. En hij heeft gelijk. Want wee den gezagvoerder, die het geluk tegen zich heeft!Er werd zelfs voorgesteld, om den admiraal, die zich genoodzaakt zag het opperbevelhebberschap neerte leggen, voor een krijgsraad te roepen. Maar zoover is het gelukkig niet gekomen, hoewel hij zich verplicht zag zich te verdedigen „zoo in persoon als schriftelijk voor gemachtigden van Hunne Hoog Mogenden.”Alleen Janmaat bleef hem trouw in zijn ongenade, en duldde niet, gelijk wij reeds medegedeeld hebben, dat de nieuwe opperbevelhebber, Witte Cornelisz. de With, op het admiraalsschip van Bestevaer zou komen. Gelijk het meergemelde schotschrift ons geleerd heeft, hadden enkele kapiteins in hun afgunst op Tromp, de minderen op hun hand zien te krijgen door van het ellendige voedsel, dat het arme volk niet het minst door toedoen van die kapiteins kreeg, de schuld op Tromp te werpen. Welnu, Janmaatheeftpartij gekozen. Dergelijke schotschriften te schrijven, vermocht hij niet. Maar zijn trouw hart schonk hij weg aan den man, die, als een hunner, onder zijn heldhaftige kinderen der zee leefde; aan den man met zijn fortuin,—en toch met zijn ernstig, diep gerimpeld gelaat; aan den man, die, hoe ook gegriefd en verdacht gemaakt, gelijkmatig en rechtvaardig en toegeeflijk bleef tegenover zijn minderen, en niet op hen verhaalde of wreekte, wat men aan hem misdeed.Gelukkig heeft ons volk dien toestand van ongenade niet lang doen aanhouden. Ook zonder dat Tromp de opperbevelhebber was, bleek het, dat de fortuin in dezen oorlog niet aan onzen kant geliefde te komen.Of wij nu juist een aansporing (instignation) van den Deenschen Koning noodig hadden om Tromp in zijn gezag te herstellen, zou ik niet durven staande houden. Een Engelsch schrijver beweert het. Doch ons eigen gezond verstand zal de Staten er wel toe gebracht hebben, om hem opnieuw tot opperbevelhebber der vloot te benoemen.Het was wel een groote eer voor Tromp, maar tegelijk een zware last, dien men op hem lei. Gelijk wij nader zien zullen, deugden onze uitrustingen niet. Men wilde zegepralen hebben van de aanvoerders, en onthield ze de noodige middelen daartoe. Maar Tromp aarzelde niet, waar het vaderland hem riep.„Met den vijand te slaan en mijn leven te wagen,” zoo ongeveer schreef hij aan de Staten-Generaal, „verwekt bij mij geen de minste bekommering. Maar dat ik, alles wat in mijn vermogen staat, doende ten dienste van het vaderland, bij mijn thuiskomst blootgesteld ben aan een verdenking en de afgunst van kwaadwilligen; en, na alles wat soldaat- en zeemanschap te hebben aangewend naar het verstand dat God mij gegeven heeft, genoodzaakt word rekenschap te geven van mijn verrichtingen en mijn beste daden ten kwade geduid worden,—dàt bekommert mij en beneemt mij den lust en den ijver.”En... de eenvoudige Tromp heeft in de dagen, die nu volgden, voor heel de wereld bewezen, wat hij en zijn „kinderen” wel waard waren.

DERTIENDE HOOFDSTUK.Tegenspoed en ongenade.Wat heeft Maerten Harpertsz. Tromp een tegenslag gehad in het begin van dien oorlog! En wat erger was, daardoor niet kunnen voldoen aan de verwachtingen, welke men van onze toerustingen ter zee meende te mogen koesteren.Het plan van Tromp was geweest, om den Engelschen vice-admiraal Ascue, die met dertig schepen voor Duins lag, met onze geheele macht aan te vallen, zijn vloot te vernielen en daarna den Engelschen admiraal Blake op te zoeken, die met zestig schepen uitgeloopen was en om de Noord zeilde. Nu was het waar, dat, terwijl Tromp de reede van Duins opzocht, onze haringbuizen in dien tijd gevaar liepen om door Blake genomen te worden; maar in de eerste plaats wist Tromp niet beter, of de haringbuizen hadden een wenk gekregen om naar Noorwegen te vluchten, in de tweede plaats kon hij Blake toch niet meer inhalen, en, wat wel het zwaarst woog, in de derde plaats zou hij door zijn tocht naar het Noorden aanAscue de vrije hand geven tegen onze koopvaardijschepen, die in- of uitliepen. Ten slotte had onze admiraal het belangrijke bericht ontvangen, dat er rijkgeladen Oostinjevaarders op den weg naar het vaderland waren, die groot gevaar liepen in handen der Engelschen te vallen.Tromp zette dus koers naar Duins. Maar het ging al dadelijk niet vlot, want wind en weer waren niet dienende; ja, eindelijk belette een windstilte hem alle handelen. In plaats dat hij dadelijk de vloot van Ascue kon aantasten, moest Tromp nu het ellendigste doen wat er in deze omstandigheden wel ter wereld voor hem kon overschieten: wachten en nog eens wachten.Maar terwijl Tromp wachtte, begonnen de reeders van de haringbuizen en de familieleden en betrekkingen der visschers datgene te doen, waardoor de kinderen Israëls op hun tocht door de woestijn tegenover hun leider Mozes zulk een vermaardheid verkregen hebben, namelijk te murmureeren. Het was hun ter oore gekomen, dat Blake jacht ging maken op de haringbuizen, en daarvoor waren zij begrijpelijkerwijze zeer in angst. Mijn hemel, waarvoor had men een admiraal als Tromp, indien de Engelschman nu maar de vrije hand had tegenover onze visschers! Hadden die toch al niet genoeg te lijden van de plagerijen der Roodrokken, of hoe men de Britten anders geliefde te schelden? Er kwamen Oostinjevaarders naar het land en het verlies daarvan zou een ontzaglijk groote schadezijn.... voor de groote mijnheeren! Snap-je het nu, waarom Tromp in het Kanaal moest blijven? Of die arme visschermannetjes al hun gansche bestaan verloren, dat gaf minder, hè? Als de groote lui maar buiten schot bleven! Die groote rakkers deden tegenwoordig alles maar wat er in d’r hoofd kwam. Daar hadden ze zelfs na den dood van den jongen Prins Willem—als dat maar een natuurlijke dood was geweest en er geen giftdrankje bij in het spel was gekomen!—geen Stadhouder meer aangesteld. Entochwas er een Oranje. Een kind, ja! Maar... al is ons Prinsje nog zoo klein, alevel zal hij Stadhouder zijn!...Daar kwam men op de been in onze visschersplaatsen en als die luitjes daar beginnen, zijn ze niet van de gemakkelijkste. De Heeren, die nog niet heel vast op het kussen zaten, vonden het heel gevaarlijk, dat zich die Oranjeleuze ging paren aan de luid uitgeschreeuwde uitingen van ontevredenheid met het bestaande bestuur. En zoo kreeg Tromp, zèlf een Oranjeman, het stellige bevel om Blake achterna te zetten, en van de haringbuizen zooveel te redden als er nog te redden viel.Nu twijfelen wij er niet aan, of Tromp, die als zeeman drommels goed wist, dat de beste stuurlui aan wal staan, zou ze voor een korte wijle hebben laten praten, indien er een fijn briesje was komen opzetten, dat hem voor Duins had willen drijven.Het is slechts een vermoeden, hetwelk wij hier uitspreken, want het fijne briesje liet zich wachten en met een bloedend hart stevende Tromp noordwaarts.„All right,” zei Ascue, kwam uit zijn schuilhoek te voorschijn, en dat kwamen nu alle Engelsche koopvaarders, die als de drommel van déze vrije zee profiteerden, om den Atlantischen Oceaan op te zoeken en naar streken te varen, waar geen Statenvloot was. Maar ònze koopvaarders konden nu thuis blijven. En voor Ascue kwàm het gunstige briesje, waarvan hij gebruik maakte, om onze arme Oostinjevaarders tegemoet te zeilen en ze vriendelijk te verzoeken een reisje mede te maken naar Engeland.Intusschen zeilde Tromp om de Noord. In welk een stemming kan men zich voorstellen. Wat moest hij eigenlijk gaan doen? Wat Engelschen doodschieten en wat arme jongens van zijn eigen vloot, die hij gewoon was kinderen te noemen gelijk zij van hem als van hun bestevader spraken, te laten doodschieten? Zoo iets noodeloos te doen, lag niet in zijn aard. O, was men bij de uitrusting van zijn vloot maar wat minder sammelig geweest, ja, dan had hij bij het begin der expeditie Blake wel kunnen verhinderen uit de Engelsche havens te komen. Maar men had getalmd en getalmd, en nu wasditmislukt, en het schoone plan om eerst Ascue en daarna Blake aan te vallen wasookmislukt, en... nu schoot er weinig anders over dan den Engelschman hier of daar aan te grijpen,en den opvlammenden haat tusschen beide volkeren te koelen in beider bloed.En ook dit zou mislukken.De Engelsche vloot was men op het spoor gekomen, alles werd voor den bloedigen kamp in gereedheid gebracht;... daar slaat het weer om, een geweldige storm steekt op en beroert de wateren der Noordzee. In plaats van te strijden, was alle zeemanschap der ervaren zeelieden noodig, om er zelf het leven af te brengen.Iederen zeeman, die na zulk een storm en zulk een noodweer doorstaan te hebben nog kans had gezien om zonder te groote verliezen de veilige haven te bereiken, zou men geroemd hebben om zijn knapheid en kordaatheid. Doch Maerten Harpertz. Tromp, was een admiraal, uitgezonden om zegepralen te behalen en die er niet één behaald had, uitgezonden om haringbuizen en Oostinjevaarders te redden, en die er niet één gered had. Weg met zulk een man!Ja, het schotschrift van ’t jaar 1640 had gesproken van de Heeren, bij wie Tromp geen kwaad kon doen. Maar men schreef thans het jaar 1653 en de toestanden waren sedert heel wat veranderd. De tijd, waarop een Johan de Witt, die bij al het verschil van staatkundig inzicht allergunstigst over een zeevoogd als Tromp oordeelde, een over het algemeen eerlijke en bovenal verstandige handelwijze zou volgen tegenover de vloot en wat daarmee samenviel, wasnog niet aangebroken. Daarom werden personen, die te nauw bij den gehaten Willem II waren aangesloten geweest, met zekeren argwaan gadegeslagen. Al de praatjes over Tromp’s Oranjegezindheid kwamen weer los, en weer liep het gerucht, dat hij het was geweest, die den Prins vóór den aanslag op Amsterdam volledig had ingelicht, hoeveel krijgsvoorraad er binnen die stad was.Bij de dominee’s had hij een wit voetje, zei het schotschrift.Nu, daarmede mocht men vroeger in de gunst der Heeren zijn gekomen, tegenwoordig zou dit een averechtsch middel zijn geweest. Want door geen trouwer en waakzamer wachters is wel het vuur en de gloed van de liefde tot het Huis van Oranje bij ons volk bewaard dan juist door die dominee’s.Hoe het volk in de visschersplaatsen onzen held gezind was, hoe de reeders van koopvaarders en Oostinjevaarders over hem dachten, behoeft niet nader aangeduid te worden. Het was, of de dagen van admiraal Van Dorp teruggekeerd waren. In ’t kort: er was een algemeene ontevredenheid over Tromp. „Natuurlijk,” roept een Engelschman uit, wanneer hij de ongenade van onzen held bespreekt. En hij heeft gelijk. Want wee den gezagvoerder, die het geluk tegen zich heeft!Er werd zelfs voorgesteld, om den admiraal, die zich genoodzaakt zag het opperbevelhebberschap neerte leggen, voor een krijgsraad te roepen. Maar zoover is het gelukkig niet gekomen, hoewel hij zich verplicht zag zich te verdedigen „zoo in persoon als schriftelijk voor gemachtigden van Hunne Hoog Mogenden.”Alleen Janmaat bleef hem trouw in zijn ongenade, en duldde niet, gelijk wij reeds medegedeeld hebben, dat de nieuwe opperbevelhebber, Witte Cornelisz. de With, op het admiraalsschip van Bestevaer zou komen. Gelijk het meergemelde schotschrift ons geleerd heeft, hadden enkele kapiteins in hun afgunst op Tromp, de minderen op hun hand zien te krijgen door van het ellendige voedsel, dat het arme volk niet het minst door toedoen van die kapiteins kreeg, de schuld op Tromp te werpen. Welnu, Janmaatheeftpartij gekozen. Dergelijke schotschriften te schrijven, vermocht hij niet. Maar zijn trouw hart schonk hij weg aan den man, die, als een hunner, onder zijn heldhaftige kinderen der zee leefde; aan den man met zijn fortuin,—en toch met zijn ernstig, diep gerimpeld gelaat; aan den man, die, hoe ook gegriefd en verdacht gemaakt, gelijkmatig en rechtvaardig en toegeeflijk bleef tegenover zijn minderen, en niet op hen verhaalde of wreekte, wat men aan hem misdeed.Gelukkig heeft ons volk dien toestand van ongenade niet lang doen aanhouden. Ook zonder dat Tromp de opperbevelhebber was, bleek het, dat de fortuin in dezen oorlog niet aan onzen kant geliefde te komen.Of wij nu juist een aansporing (instignation) van den Deenschen Koning noodig hadden om Tromp in zijn gezag te herstellen, zou ik niet durven staande houden. Een Engelsch schrijver beweert het. Doch ons eigen gezond verstand zal de Staten er wel toe gebracht hebben, om hem opnieuw tot opperbevelhebber der vloot te benoemen.Het was wel een groote eer voor Tromp, maar tegelijk een zware last, dien men op hem lei. Gelijk wij nader zien zullen, deugden onze uitrustingen niet. Men wilde zegepralen hebben van de aanvoerders, en onthield ze de noodige middelen daartoe. Maar Tromp aarzelde niet, waar het vaderland hem riep.„Met den vijand te slaan en mijn leven te wagen,” zoo ongeveer schreef hij aan de Staten-Generaal, „verwekt bij mij geen de minste bekommering. Maar dat ik, alles wat in mijn vermogen staat, doende ten dienste van het vaderland, bij mijn thuiskomst blootgesteld ben aan een verdenking en de afgunst van kwaadwilligen; en, na alles wat soldaat- en zeemanschap te hebben aangewend naar het verstand dat God mij gegeven heeft, genoodzaakt word rekenschap te geven van mijn verrichtingen en mijn beste daden ten kwade geduid worden,—dàt bekommert mij en beneemt mij den lust en den ijver.”En... de eenvoudige Tromp heeft in de dagen, die nu volgden, voor heel de wereld bewezen, wat hij en zijn „kinderen” wel waard waren.

DERTIENDE HOOFDSTUK.Tegenspoed en ongenade.

Wat heeft Maerten Harpertsz. Tromp een tegenslag gehad in het begin van dien oorlog! En wat erger was, daardoor niet kunnen voldoen aan de verwachtingen, welke men van onze toerustingen ter zee meende te mogen koesteren.Het plan van Tromp was geweest, om den Engelschen vice-admiraal Ascue, die met dertig schepen voor Duins lag, met onze geheele macht aan te vallen, zijn vloot te vernielen en daarna den Engelschen admiraal Blake op te zoeken, die met zestig schepen uitgeloopen was en om de Noord zeilde. Nu was het waar, dat, terwijl Tromp de reede van Duins opzocht, onze haringbuizen in dien tijd gevaar liepen om door Blake genomen te worden; maar in de eerste plaats wist Tromp niet beter, of de haringbuizen hadden een wenk gekregen om naar Noorwegen te vluchten, in de tweede plaats kon hij Blake toch niet meer inhalen, en, wat wel het zwaarst woog, in de derde plaats zou hij door zijn tocht naar het Noorden aanAscue de vrije hand geven tegen onze koopvaardijschepen, die in- of uitliepen. Ten slotte had onze admiraal het belangrijke bericht ontvangen, dat er rijkgeladen Oostinjevaarders op den weg naar het vaderland waren, die groot gevaar liepen in handen der Engelschen te vallen.Tromp zette dus koers naar Duins. Maar het ging al dadelijk niet vlot, want wind en weer waren niet dienende; ja, eindelijk belette een windstilte hem alle handelen. In plaats dat hij dadelijk de vloot van Ascue kon aantasten, moest Tromp nu het ellendigste doen wat er in deze omstandigheden wel ter wereld voor hem kon overschieten: wachten en nog eens wachten.Maar terwijl Tromp wachtte, begonnen de reeders van de haringbuizen en de familieleden en betrekkingen der visschers datgene te doen, waardoor de kinderen Israëls op hun tocht door de woestijn tegenover hun leider Mozes zulk een vermaardheid verkregen hebben, namelijk te murmureeren. Het was hun ter oore gekomen, dat Blake jacht ging maken op de haringbuizen, en daarvoor waren zij begrijpelijkerwijze zeer in angst. Mijn hemel, waarvoor had men een admiraal als Tromp, indien de Engelschman nu maar de vrije hand had tegenover onze visschers! Hadden die toch al niet genoeg te lijden van de plagerijen der Roodrokken, of hoe men de Britten anders geliefde te schelden? Er kwamen Oostinjevaarders naar het land en het verlies daarvan zou een ontzaglijk groote schadezijn.... voor de groote mijnheeren! Snap-je het nu, waarom Tromp in het Kanaal moest blijven? Of die arme visschermannetjes al hun gansche bestaan verloren, dat gaf minder, hè? Als de groote lui maar buiten schot bleven! Die groote rakkers deden tegenwoordig alles maar wat er in d’r hoofd kwam. Daar hadden ze zelfs na den dood van den jongen Prins Willem—als dat maar een natuurlijke dood was geweest en er geen giftdrankje bij in het spel was gekomen!—geen Stadhouder meer aangesteld. Entochwas er een Oranje. Een kind, ja! Maar... al is ons Prinsje nog zoo klein, alevel zal hij Stadhouder zijn!...Daar kwam men op de been in onze visschersplaatsen en als die luitjes daar beginnen, zijn ze niet van de gemakkelijkste. De Heeren, die nog niet heel vast op het kussen zaten, vonden het heel gevaarlijk, dat zich die Oranjeleuze ging paren aan de luid uitgeschreeuwde uitingen van ontevredenheid met het bestaande bestuur. En zoo kreeg Tromp, zèlf een Oranjeman, het stellige bevel om Blake achterna te zetten, en van de haringbuizen zooveel te redden als er nog te redden viel.Nu twijfelen wij er niet aan, of Tromp, die als zeeman drommels goed wist, dat de beste stuurlui aan wal staan, zou ze voor een korte wijle hebben laten praten, indien er een fijn briesje was komen opzetten, dat hem voor Duins had willen drijven.Het is slechts een vermoeden, hetwelk wij hier uitspreken, want het fijne briesje liet zich wachten en met een bloedend hart stevende Tromp noordwaarts.„All right,” zei Ascue, kwam uit zijn schuilhoek te voorschijn, en dat kwamen nu alle Engelsche koopvaarders, die als de drommel van déze vrije zee profiteerden, om den Atlantischen Oceaan op te zoeken en naar streken te varen, waar geen Statenvloot was. Maar ònze koopvaarders konden nu thuis blijven. En voor Ascue kwàm het gunstige briesje, waarvan hij gebruik maakte, om onze arme Oostinjevaarders tegemoet te zeilen en ze vriendelijk te verzoeken een reisje mede te maken naar Engeland.Intusschen zeilde Tromp om de Noord. In welk een stemming kan men zich voorstellen. Wat moest hij eigenlijk gaan doen? Wat Engelschen doodschieten en wat arme jongens van zijn eigen vloot, die hij gewoon was kinderen te noemen gelijk zij van hem als van hun bestevader spraken, te laten doodschieten? Zoo iets noodeloos te doen, lag niet in zijn aard. O, was men bij de uitrusting van zijn vloot maar wat minder sammelig geweest, ja, dan had hij bij het begin der expeditie Blake wel kunnen verhinderen uit de Engelsche havens te komen. Maar men had getalmd en getalmd, en nu wasditmislukt, en het schoone plan om eerst Ascue en daarna Blake aan te vallen wasookmislukt, en... nu schoot er weinig anders over dan den Engelschman hier of daar aan te grijpen,en den opvlammenden haat tusschen beide volkeren te koelen in beider bloed.En ook dit zou mislukken.De Engelsche vloot was men op het spoor gekomen, alles werd voor den bloedigen kamp in gereedheid gebracht;... daar slaat het weer om, een geweldige storm steekt op en beroert de wateren der Noordzee. In plaats van te strijden, was alle zeemanschap der ervaren zeelieden noodig, om er zelf het leven af te brengen.Iederen zeeman, die na zulk een storm en zulk een noodweer doorstaan te hebben nog kans had gezien om zonder te groote verliezen de veilige haven te bereiken, zou men geroemd hebben om zijn knapheid en kordaatheid. Doch Maerten Harpertz. Tromp, was een admiraal, uitgezonden om zegepralen te behalen en die er niet één behaald had, uitgezonden om haringbuizen en Oostinjevaarders te redden, en die er niet één gered had. Weg met zulk een man!Ja, het schotschrift van ’t jaar 1640 had gesproken van de Heeren, bij wie Tromp geen kwaad kon doen. Maar men schreef thans het jaar 1653 en de toestanden waren sedert heel wat veranderd. De tijd, waarop een Johan de Witt, die bij al het verschil van staatkundig inzicht allergunstigst over een zeevoogd als Tromp oordeelde, een over het algemeen eerlijke en bovenal verstandige handelwijze zou volgen tegenover de vloot en wat daarmee samenviel, wasnog niet aangebroken. Daarom werden personen, die te nauw bij den gehaten Willem II waren aangesloten geweest, met zekeren argwaan gadegeslagen. Al de praatjes over Tromp’s Oranjegezindheid kwamen weer los, en weer liep het gerucht, dat hij het was geweest, die den Prins vóór den aanslag op Amsterdam volledig had ingelicht, hoeveel krijgsvoorraad er binnen die stad was.Bij de dominee’s had hij een wit voetje, zei het schotschrift.Nu, daarmede mocht men vroeger in de gunst der Heeren zijn gekomen, tegenwoordig zou dit een averechtsch middel zijn geweest. Want door geen trouwer en waakzamer wachters is wel het vuur en de gloed van de liefde tot het Huis van Oranje bij ons volk bewaard dan juist door die dominee’s.Hoe het volk in de visschersplaatsen onzen held gezind was, hoe de reeders van koopvaarders en Oostinjevaarders over hem dachten, behoeft niet nader aangeduid te worden. Het was, of de dagen van admiraal Van Dorp teruggekeerd waren. In ’t kort: er was een algemeene ontevredenheid over Tromp. „Natuurlijk,” roept een Engelschman uit, wanneer hij de ongenade van onzen held bespreekt. En hij heeft gelijk. Want wee den gezagvoerder, die het geluk tegen zich heeft!Er werd zelfs voorgesteld, om den admiraal, die zich genoodzaakt zag het opperbevelhebberschap neerte leggen, voor een krijgsraad te roepen. Maar zoover is het gelukkig niet gekomen, hoewel hij zich verplicht zag zich te verdedigen „zoo in persoon als schriftelijk voor gemachtigden van Hunne Hoog Mogenden.”Alleen Janmaat bleef hem trouw in zijn ongenade, en duldde niet, gelijk wij reeds medegedeeld hebben, dat de nieuwe opperbevelhebber, Witte Cornelisz. de With, op het admiraalsschip van Bestevaer zou komen. Gelijk het meergemelde schotschrift ons geleerd heeft, hadden enkele kapiteins in hun afgunst op Tromp, de minderen op hun hand zien te krijgen door van het ellendige voedsel, dat het arme volk niet het minst door toedoen van die kapiteins kreeg, de schuld op Tromp te werpen. Welnu, Janmaatheeftpartij gekozen. Dergelijke schotschriften te schrijven, vermocht hij niet. Maar zijn trouw hart schonk hij weg aan den man, die, als een hunner, onder zijn heldhaftige kinderen der zee leefde; aan den man met zijn fortuin,—en toch met zijn ernstig, diep gerimpeld gelaat; aan den man, die, hoe ook gegriefd en verdacht gemaakt, gelijkmatig en rechtvaardig en toegeeflijk bleef tegenover zijn minderen, en niet op hen verhaalde of wreekte, wat men aan hem misdeed.Gelukkig heeft ons volk dien toestand van ongenade niet lang doen aanhouden. Ook zonder dat Tromp de opperbevelhebber was, bleek het, dat de fortuin in dezen oorlog niet aan onzen kant geliefde te komen.Of wij nu juist een aansporing (instignation) van den Deenschen Koning noodig hadden om Tromp in zijn gezag te herstellen, zou ik niet durven staande houden. Een Engelsch schrijver beweert het. Doch ons eigen gezond verstand zal de Staten er wel toe gebracht hebben, om hem opnieuw tot opperbevelhebber der vloot te benoemen.Het was wel een groote eer voor Tromp, maar tegelijk een zware last, dien men op hem lei. Gelijk wij nader zien zullen, deugden onze uitrustingen niet. Men wilde zegepralen hebben van de aanvoerders, en onthield ze de noodige middelen daartoe. Maar Tromp aarzelde niet, waar het vaderland hem riep.„Met den vijand te slaan en mijn leven te wagen,” zoo ongeveer schreef hij aan de Staten-Generaal, „verwekt bij mij geen de minste bekommering. Maar dat ik, alles wat in mijn vermogen staat, doende ten dienste van het vaderland, bij mijn thuiskomst blootgesteld ben aan een verdenking en de afgunst van kwaadwilligen; en, na alles wat soldaat- en zeemanschap te hebben aangewend naar het verstand dat God mij gegeven heeft, genoodzaakt word rekenschap te geven van mijn verrichtingen en mijn beste daden ten kwade geduid worden,—dàt bekommert mij en beneemt mij den lust en den ijver.”En... de eenvoudige Tromp heeft in de dagen, die nu volgden, voor heel de wereld bewezen, wat hij en zijn „kinderen” wel waard waren.

Wat heeft Maerten Harpertsz. Tromp een tegenslag gehad in het begin van dien oorlog! En wat erger was, daardoor niet kunnen voldoen aan de verwachtingen, welke men van onze toerustingen ter zee meende te mogen koesteren.

Het plan van Tromp was geweest, om den Engelschen vice-admiraal Ascue, die met dertig schepen voor Duins lag, met onze geheele macht aan te vallen, zijn vloot te vernielen en daarna den Engelschen admiraal Blake op te zoeken, die met zestig schepen uitgeloopen was en om de Noord zeilde. Nu was het waar, dat, terwijl Tromp de reede van Duins opzocht, onze haringbuizen in dien tijd gevaar liepen om door Blake genomen te worden; maar in de eerste plaats wist Tromp niet beter, of de haringbuizen hadden een wenk gekregen om naar Noorwegen te vluchten, in de tweede plaats kon hij Blake toch niet meer inhalen, en, wat wel het zwaarst woog, in de derde plaats zou hij door zijn tocht naar het Noorden aanAscue de vrije hand geven tegen onze koopvaardijschepen, die in- of uitliepen. Ten slotte had onze admiraal het belangrijke bericht ontvangen, dat er rijkgeladen Oostinjevaarders op den weg naar het vaderland waren, die groot gevaar liepen in handen der Engelschen te vallen.

Tromp zette dus koers naar Duins. Maar het ging al dadelijk niet vlot, want wind en weer waren niet dienende; ja, eindelijk belette een windstilte hem alle handelen. In plaats dat hij dadelijk de vloot van Ascue kon aantasten, moest Tromp nu het ellendigste doen wat er in deze omstandigheden wel ter wereld voor hem kon overschieten: wachten en nog eens wachten.

Maar terwijl Tromp wachtte, begonnen de reeders van de haringbuizen en de familieleden en betrekkingen der visschers datgene te doen, waardoor de kinderen Israëls op hun tocht door de woestijn tegenover hun leider Mozes zulk een vermaardheid verkregen hebben, namelijk te murmureeren. Het was hun ter oore gekomen, dat Blake jacht ging maken op de haringbuizen, en daarvoor waren zij begrijpelijkerwijze zeer in angst. Mijn hemel, waarvoor had men een admiraal als Tromp, indien de Engelschman nu maar de vrije hand had tegenover onze visschers! Hadden die toch al niet genoeg te lijden van de plagerijen der Roodrokken, of hoe men de Britten anders geliefde te schelden? Er kwamen Oostinjevaarders naar het land en het verlies daarvan zou een ontzaglijk groote schadezijn.... voor de groote mijnheeren! Snap-je het nu, waarom Tromp in het Kanaal moest blijven? Of die arme visschermannetjes al hun gansche bestaan verloren, dat gaf minder, hè? Als de groote lui maar buiten schot bleven! Die groote rakkers deden tegenwoordig alles maar wat er in d’r hoofd kwam. Daar hadden ze zelfs na den dood van den jongen Prins Willem—als dat maar een natuurlijke dood was geweest en er geen giftdrankje bij in het spel was gekomen!—geen Stadhouder meer aangesteld. Entochwas er een Oranje. Een kind, ja! Maar... al is ons Prinsje nog zoo klein, alevel zal hij Stadhouder zijn!...

Daar kwam men op de been in onze visschersplaatsen en als die luitjes daar beginnen, zijn ze niet van de gemakkelijkste. De Heeren, die nog niet heel vast op het kussen zaten, vonden het heel gevaarlijk, dat zich die Oranjeleuze ging paren aan de luid uitgeschreeuwde uitingen van ontevredenheid met het bestaande bestuur. En zoo kreeg Tromp, zèlf een Oranjeman, het stellige bevel om Blake achterna te zetten, en van de haringbuizen zooveel te redden als er nog te redden viel.

Nu twijfelen wij er niet aan, of Tromp, die als zeeman drommels goed wist, dat de beste stuurlui aan wal staan, zou ze voor een korte wijle hebben laten praten, indien er een fijn briesje was komen opzetten, dat hem voor Duins had willen drijven.Het is slechts een vermoeden, hetwelk wij hier uitspreken, want het fijne briesje liet zich wachten en met een bloedend hart stevende Tromp noordwaarts.

„All right,” zei Ascue, kwam uit zijn schuilhoek te voorschijn, en dat kwamen nu alle Engelsche koopvaarders, die als de drommel van déze vrije zee profiteerden, om den Atlantischen Oceaan op te zoeken en naar streken te varen, waar geen Statenvloot was. Maar ònze koopvaarders konden nu thuis blijven. En voor Ascue kwàm het gunstige briesje, waarvan hij gebruik maakte, om onze arme Oostinjevaarders tegemoet te zeilen en ze vriendelijk te verzoeken een reisje mede te maken naar Engeland.

Intusschen zeilde Tromp om de Noord. In welk een stemming kan men zich voorstellen. Wat moest hij eigenlijk gaan doen? Wat Engelschen doodschieten en wat arme jongens van zijn eigen vloot, die hij gewoon was kinderen te noemen gelijk zij van hem als van hun bestevader spraken, te laten doodschieten? Zoo iets noodeloos te doen, lag niet in zijn aard. O, was men bij de uitrusting van zijn vloot maar wat minder sammelig geweest, ja, dan had hij bij het begin der expeditie Blake wel kunnen verhinderen uit de Engelsche havens te komen. Maar men had getalmd en getalmd, en nu wasditmislukt, en het schoone plan om eerst Ascue en daarna Blake aan te vallen wasookmislukt, en... nu schoot er weinig anders over dan den Engelschman hier of daar aan te grijpen,en den opvlammenden haat tusschen beide volkeren te koelen in beider bloed.

En ook dit zou mislukken.

De Engelsche vloot was men op het spoor gekomen, alles werd voor den bloedigen kamp in gereedheid gebracht;... daar slaat het weer om, een geweldige storm steekt op en beroert de wateren der Noordzee. In plaats van te strijden, was alle zeemanschap der ervaren zeelieden noodig, om er zelf het leven af te brengen.

Iederen zeeman, die na zulk een storm en zulk een noodweer doorstaan te hebben nog kans had gezien om zonder te groote verliezen de veilige haven te bereiken, zou men geroemd hebben om zijn knapheid en kordaatheid. Doch Maerten Harpertz. Tromp, was een admiraal, uitgezonden om zegepralen te behalen en die er niet één behaald had, uitgezonden om haringbuizen en Oostinjevaarders te redden, en die er niet één gered had. Weg met zulk een man!

Ja, het schotschrift van ’t jaar 1640 had gesproken van de Heeren, bij wie Tromp geen kwaad kon doen. Maar men schreef thans het jaar 1653 en de toestanden waren sedert heel wat veranderd. De tijd, waarop een Johan de Witt, die bij al het verschil van staatkundig inzicht allergunstigst over een zeevoogd als Tromp oordeelde, een over het algemeen eerlijke en bovenal verstandige handelwijze zou volgen tegenover de vloot en wat daarmee samenviel, wasnog niet aangebroken. Daarom werden personen, die te nauw bij den gehaten Willem II waren aangesloten geweest, met zekeren argwaan gadegeslagen. Al de praatjes over Tromp’s Oranjegezindheid kwamen weer los, en weer liep het gerucht, dat hij het was geweest, die den Prins vóór den aanslag op Amsterdam volledig had ingelicht, hoeveel krijgsvoorraad er binnen die stad was.

Bij de dominee’s had hij een wit voetje, zei het schotschrift.

Nu, daarmede mocht men vroeger in de gunst der Heeren zijn gekomen, tegenwoordig zou dit een averechtsch middel zijn geweest. Want door geen trouwer en waakzamer wachters is wel het vuur en de gloed van de liefde tot het Huis van Oranje bij ons volk bewaard dan juist door die dominee’s.

Hoe het volk in de visschersplaatsen onzen held gezind was, hoe de reeders van koopvaarders en Oostinjevaarders over hem dachten, behoeft niet nader aangeduid te worden. Het was, of de dagen van admiraal Van Dorp teruggekeerd waren. In ’t kort: er was een algemeene ontevredenheid over Tromp. „Natuurlijk,” roept een Engelschman uit, wanneer hij de ongenade van onzen held bespreekt. En hij heeft gelijk. Want wee den gezagvoerder, die het geluk tegen zich heeft!

Er werd zelfs voorgesteld, om den admiraal, die zich genoodzaakt zag het opperbevelhebberschap neerte leggen, voor een krijgsraad te roepen. Maar zoover is het gelukkig niet gekomen, hoewel hij zich verplicht zag zich te verdedigen „zoo in persoon als schriftelijk voor gemachtigden van Hunne Hoog Mogenden.”

Alleen Janmaat bleef hem trouw in zijn ongenade, en duldde niet, gelijk wij reeds medegedeeld hebben, dat de nieuwe opperbevelhebber, Witte Cornelisz. de With, op het admiraalsschip van Bestevaer zou komen. Gelijk het meergemelde schotschrift ons geleerd heeft, hadden enkele kapiteins in hun afgunst op Tromp, de minderen op hun hand zien te krijgen door van het ellendige voedsel, dat het arme volk niet het minst door toedoen van die kapiteins kreeg, de schuld op Tromp te werpen. Welnu, Janmaatheeftpartij gekozen. Dergelijke schotschriften te schrijven, vermocht hij niet. Maar zijn trouw hart schonk hij weg aan den man, die, als een hunner, onder zijn heldhaftige kinderen der zee leefde; aan den man met zijn fortuin,—en toch met zijn ernstig, diep gerimpeld gelaat; aan den man, die, hoe ook gegriefd en verdacht gemaakt, gelijkmatig en rechtvaardig en toegeeflijk bleef tegenover zijn minderen, en niet op hen verhaalde of wreekte, wat men aan hem misdeed.

Gelukkig heeft ons volk dien toestand van ongenade niet lang doen aanhouden. Ook zonder dat Tromp de opperbevelhebber was, bleek het, dat de fortuin in dezen oorlog niet aan onzen kant geliefde te komen.

Of wij nu juist een aansporing (instignation) van den Deenschen Koning noodig hadden om Tromp in zijn gezag te herstellen, zou ik niet durven staande houden. Een Engelsch schrijver beweert het. Doch ons eigen gezond verstand zal de Staten er wel toe gebracht hebben, om hem opnieuw tot opperbevelhebber der vloot te benoemen.

Het was wel een groote eer voor Tromp, maar tegelijk een zware last, dien men op hem lei. Gelijk wij nader zien zullen, deugden onze uitrustingen niet. Men wilde zegepralen hebben van de aanvoerders, en onthield ze de noodige middelen daartoe. Maar Tromp aarzelde niet, waar het vaderland hem riep.

„Met den vijand te slaan en mijn leven te wagen,” zoo ongeveer schreef hij aan de Staten-Generaal, „verwekt bij mij geen de minste bekommering. Maar dat ik, alles wat in mijn vermogen staat, doende ten dienste van het vaderland, bij mijn thuiskomst blootgesteld ben aan een verdenking en de afgunst van kwaadwilligen; en, na alles wat soldaat- en zeemanschap te hebben aangewend naar het verstand dat God mij gegeven heeft, genoodzaakt word rekenschap te geven van mijn verrichtingen en mijn beste daden ten kwade geduid worden,—dàt bekommert mij en beneemt mij den lust en den ijver.”

En... de eenvoudige Tromp heeft in de dagen, die nu volgden, voor heel de wereld bewezen, wat hij en zijn „kinderen” wel waard waren.


Back to IndexNext