VEERTIENDE HOOFDSTUK.Drie maanden op zee.Voor hen, die het op den 1enDecember 1652 van het Brielsche havenhoofd aanschouwden, was het een gezicht om nooit te vergeten. Daar waren van acht-en-zeventig oorlogsschepen de tallooze zeilen ontplooid en niet minder dan tweehonderd koopvaardijschepen zeilden onder die hoede den breeden mond der Maaze uit. In zee gekomen, voegden zich daar nog meerdere oorlogsvaartuigen en koopvaardijschepen aan toe; op den tocht Zuidwaarts kwamen er nog al meer koopvaarders bij, zoodat er een vloot van ongeveer vijfhonderd zeilen het Kanaal invoer, waarvan ongeveer negentig uit oorlogsschepen bestonden. En niet alleen dat Tromp zijn plicht, om dat groote aantal koopvaarders veilig naar den Oceaan te geleiden, goed volbracht, maar het is op dezen tocht ook, dat hij op een inderdaad schitterende wijze den roem van ons volk heeft gehandhaafd.Het zijn de Engelschen zelve, die zijn beleid in deze worstelingen in het Kanaal zóó hoog aanslaan,dat zij het vergeleken hebben met het beleid van hun grootsten admiraal Nelson. De Engelschen trouwens hebben altijd met veel eerbied tegen onzen Tromp opgezien. Vóór den beroemden zeeslag bij Duins bestond in Engeland evenals elders, „de geheele kunst van oorlogen ter zee enkel in het aan boord leggen en enteren van den vijand, en was de zoogenaamde taktiek aldaar ganschelijk onbekend.” Als voor hun oogen hadden zij in dien zeeslag bij Duins den Nederlandschen vlootvoogd op een geheel àndere wijze zien handelen, den slag zien winnen, langzamerhand komend tot een oplossing, welke vooraf was voorbereid en nu in elkaar werd gezet. „Een nieuw licht,” zegt een Engelsch schrijver, „rees opeens voor de bevatting der Britsche zeelieden op.” En nu zij in den Eersten Engelschen zee-oorlog tegenover den man streden, dien zij „hun grooten tegenstander en leermeester” noemen, waren zij het, die, beter uitgerust, voordeel trokken van de manier van strijden, welke zij van onzen Tromp hadden afgezien. Edelmoedig hebben zij dit erkend, en het royaal beleden, dat het Britsche zeewezen, „aan de Nederlanders, in den persoon van Maerten Harpertsz. Tromp verschuldigd was de verbetering van de kunst des oorlogs ter zee, ten opzichte van het bestuur der vloten in groote zeeslagen.”In de maand December van het jaar 1652 was men evenwel in Engeland zoo dol niet op Tromp,want hij hield de Engelsche vloot en de Engelsche koopvaardijschepen binnen, terwijl onze koopvaarders door het Kanaal van en naar den Oceaan kwamen aanzeilen, alsof er geen vuiltje aan de lucht was. Het is van dien tijd dat men spreekt, als men zegt dat Tromp den bezem in den mast voerde, als teeken dat hij de zee van den vijand had schoongeveegd. Niets is echter minder waar, dan dat de eenvoudige en zich nooit op eigen daden verheffende Tromp zulk een pocherij toegelaten zou hebben op onze vloot. Dat was in oude tijden wel eens gebeurd, maar tot zulk een laffe snoeverij en kinderachtige uittarting van den vijand zou zich geen Nederlandsch admiraal meer leenen.Bovendien prikkelde de feitelijke toestand, dat de Nederlandsche vloot voor het oogenblik de baas was op zee, meer dan genoeg de eigenliefde van den Engelschman.Er werd—geheel in tegenstelling met wat er bij ons gebeurde, waar men Tromp met zijn vloot maar heen en weer liet zeilen om koopvaarders te halen en uitgeleide te doen en hem niet eens den voorraad kruit en lood aanvulde—in Engeland zooveel geld als noodig was beschikbaar gesteld, om een flinke, van al het noodige ruim voorziene vloot van zeventig schepen uit te rusten, en die zeilde in de maand Februari 1653 uit, om Tromp op te zoeken. Juist had onze admiraal een groot getal koopvaarders naarden Oceaan gebracht, en zou nu honderd en vijftig Nederlandsche koopvaardijschepen door het Kanaal heen naar het vaderland terugleiden. Den 28 Februari zag hij aan den horizon de zeilen van de Engelsche vloot uit de zee oprijzen. Er bleef geen andere kans dan, met al dien ballast van koopvaarders bij zich, door den vijand heen te slaan, en al dadelijk gaf Tromp, die volgens zijn gewoonte de vloot in verschillende smaldeelen verdeeld had onder bevel van mannen als Michiel de Ruijter, Jan Evertsen en Pieter Floriszoon, bevel den vijand aan te vallen.De strijd, die nu volgde, werd van beide kanten met de grootste verbittering gevoerd. Weinig scheelde het, of Michiel de Ruijter had reeds hier zijn loopbaan geëindigd gezien. Hij was op zeker oogenblik zoodanig van vijandelijke schepen omringd, dat er geen ontkomen voor hem meer mogelijk scheen. Gelukkig bemerkte Jan Evertsen hoe veeg het met zijn stadgenoot gesteld stond. Met zijn dapperen sloeg hij zich dwars door den kring heen, die Michiel omkneld hield, en nu wisten onze Zeeuwen wel verder raad met den vijand.Van den opperbevelhebber af tot aan den minsten schepeling werd in dien slag, welke op de hoogte van Portland plaats had, met groote volharding en hardnekkigheid gestreden. We nemen hier uit vele voorbeelden dat eene van kapitein Jacob Cleijdijck, die door drie groote Engelsche oorlogsbodems aangevallenwerd en niet anders dacht, of zijn laatste uur was geslagen. Hij en zijn jongens worstelen, ten doode bereid, met den ouden heldenmoed, waardoor ons zeevolk heinde en ver bekend was. Maar zijn netelige toestand blijft door de onzen niet onopgemerkt. De Zeeuwsche kapitein Regenmorter was het, die hem ter hulp snelde. Een hoezee van Cleijdijck en de zijnen, die nu met vernieuwde woede den vijand aangrijpen, zoodat een der drie Engelsche schepen naar den kelder gaat. Niet lang echter duurt daarover de jubel van de jongens van Jacob Cleijdijck, want plotseling begint hun eigen schip te trillen... en tot hun ontzetting ervaren zij, dat het zich alreede in zinkenden toestand bevindt. Wat te doen? Met de ratten naar den kelder? Daar kan-je op den laatsten dag van ’t jaar nog wel toe komen, spot de kapitein, en hij wijst zijn jongens een uitweg. Een uitweg? Waarheen? Wel, waar anders dan dwars over een der Engelsche schepen heen naar het schip van Regenmorter! De stoute aanval wordt gewaagd. De Engelschen staan versteld overdienwoesten uitval, maar eer zij van hun ontsteltenis zijn bekomen, zijn ze òf neergeslagen, òf zien de Nederlandsche matrozen dwars over hun schip zich een weg banen naar dat van Regenmorter, waar kapitein Cleijdijck goed van pas kwam. Want dáár was aan boord geen kapitein meer. De dappere Regenmorter was juist gesneuveld. Nu bleef het voor den nieuwen kapiteinnog altijd één tegen twee, maar dat duurde ook niet lang meer. Want door de bezieling, die van hem uitgaat, weet hij zijn manschappen tot wonderen van dapperheid te brengen, zoodat hij overwinnaar blijft en de aanvallers van hem wegdeinzen en wel één er van om het nooit meer na te vertellen.Wie, niet alleen eigen bodem verdedigen, maar ook over den geheelen strijd het oog houden en zich telkens op de hoogte stellen moest van alles wat er op het geheele tooneel van den strijd plaats had, was natuurlijk Maerten Harpertsz. Tromp. Wèl was in die uren, zooals de zeelui dat zoo eigenaardig uitdrukken, zijn ziel vol zorg. Geheel zijn persoonlijkheid ging op, zoowel in den strijd van zijn bodem tegen de vijandelijke schepen, als in de leiding van den ganschen zeeslag. En toch... hij vergat ook de koopvaarders niet, die zich op zijn bevel tijdens den zeeslag langs de Engelsche kust ophielden. Daar bemerkt hij, tegen vier uur, dat er acht Engelsche fregatten jacht beginnen te maken op onze koopvaarders. Dadelijk Tromp er op los. „Handen af van die weerloozen!” rolt in donderslagen zijn waarschuwing over de golven, een waarschuwing, waarbij dadelijk de daad op de bedreiging volgde, zoodat de fregatten niet wisten hoe spoedig zij, die van vervolgers vervolgden werden, hun prooi zouden loslaten.Na dien gelukkig afgeslagen aanval op onze koopvaarders, begon van beide zijden de neiging merkbaarte worden, om wat rust te nemen. Heel den dag had het gevecht geduurd; de manschappen hadden dringend behoefte aan rust. Zoo eindigde het eerste gedeelte van den zeeslag, welke in de geschiedenis bekend zou blijven alsde Driedaagsche Zeeslag.Want den volgenden dag, den 1stenMaart 1653, werd het gevecht met hernieuwde woede door de Engelschen hervat en door de onzen aangenomen. Men bevond zich evenwel niet meer op dezelfde plaats. De koopvaarders moesten gered worden en daarom was Tromp, met heel dien sleep bij zich, doorgezeild den kant van het vaderland op, dat echter nog zoo ver verwijderd was. Om de koopvaardijschepen beter, ook gedurende een zeeslag, te kunnen beschermen, had hij de oorlogsbodems in den vorm van een halve maan laten voortzeilen—zooals hij eenmaal de Spaansche vloot van d’Oquendo in het Kanaal had zien opduiken—en in het midden, dus als het ware van alle kanten beschermd, zijn kostbaren last opgenomen. Nu kon hij al zijn aandacht bij de leiding van het zeegevecht houden en behoefde niet te vreezen, dat, langs de strijdenden heen, een paar jagers stiekem op jacht gingen naar den vetten buit.Men bevond zich nu op de hoogte van Wight, en daar ontbrandde weldra een hevige strijd, die eerst eindigde toen de zon onderging en men wel moest uitscheiden met vechten, omdat men niet meer vriend van vijand zou onderkennen. Hadden de Britten alsleeuwen gevochten, ze hadden ook als vossen geloerd op de koopvaarders, waartoe aan de twee horens van de Nederlandsche schepen-maan snelzeilende fregatten zich gereed hielden, om van die rijk geladen bodems te pakken zooveel er maar te pakken viel. Toch werden er slechts enkele genomen, en hoewel de Britten beslist in de meerderheid waren, vielen van onze oorlogsschepen hun niet meer dan twee in de handen.De strijd was wederom gestaakt, maar iedereen begreep, dat de Engelschen den volgenden dag wederom zouden aanvallen. Voor ons was het nu eigenlijk een terugtocht geworden, een trachten om de vaderlandsche havens te bereiken, een hoop, dat bij het Nauw van Calais eindelijk de enkele Nederlandsche schepen zouden opdagen, van welke het heette, dat zij onder admiraal Dubbel Wit uitgerust en de zee ingezonden zouden zijn. Om nog iets anders zou het inderdaad een terugtochtmoetenworden, en wel om iets vreeselijks.Daar ontvangt toch, in den avond van dien1stenMaart, de opperbevelhebber, zoo moe naar lichaam en geest als hij na deze twee dagen van voortdurende inspanning aller krachten moest zijn, het ontzettende bericht... dat er op verschillende schepen geen genoegzame voorraad van kruit en kogels meer is. Drie maanden lang was de vloot aangewezen gebleven op den voorraad, die in December meegenomen was.Nog één voorraadschip heeft Tromp bij zich. Hij deelt uit, zooveel er nog is. En hij spreekt woorden van troost en bemoediging, en aldoor zeilt men voort. En als de morgen daagt, rijst er voor de oogen van Tromp een zeegezicht op, dat hem diep aangrijpt. Hij bevindt zich precies op dezelfde plaats, waar hij in September 1639 voor ’t eerst de Spaanschearmadauit de zee zag opduiken. Toen, met zijn dertien schepen, moest hij een macht weerstaan die vijfmaal zoo groot was als de zijne. En die ontmoeting bij kaap Bevezier... ze had den held geleid tot de onsterfelijke zege bij Duins.O, het straalde van glans uit de oogen van Bestevaer, en een gebed steeg uit zijn bekommerde ziel op, dat hier zijn einde in schande en neerlaag niet gevonden mocht worden, nu straks wederom de overmachtige vijand hem en de zijnen, die vermoeid en afgemat waren en gebrek hadden aan verdedigingsmiddelen en altijd nog de beschermers moesten zijn van die talrijke koopvaarders welke een groot deel der welvaart van de geslagen Nederlanders bevatte, voor de derde maal zou aanvallen.Het zou een der bangste dagen worden, welke Tromp doorleefd heeft. Weer, als den vorigen dag, zeilde men in den vorm van een halve maan verder, de koopvaardijschepen in het midden,—toen de Engelschen omstreeks negen uur in den morgen den aanval begonnen. Twee uren lang verdedigen zichde Nederlanders met kloekheid en slaan met heldenmoed alle aanvallen af,—als er opeens bij de onzen een groote aarzeling ontstaat.Wat is er?... Is Bestevaer gesneuveld?...Neen, Goddank, hij staat daar nog hoog op de gevaarlijkste plaats van heel zijn schip, den dood niet vreezende, omdat hij gelooft, dat het uur van zijn afsterven van eeuwigheden her door God vooruit bepaald is en dat noch vrees, noch overmoed iets aan die onwrikbare voorbeschikking kan veranderen.Neen, er is iets gebeurd, dat Bestevaer Tromp erger vindt dan den dood. Want wat kon hem erger lijken, dan dat een Nederlander lafhartig op de vlucht gaat voor den Engelschman?Hij kon haast zijn oogen niet gelooven. Doch ook thans mag er, bij hem althans, geen seconde van aarzeling waargenomen worden. Hij wenkt, en van zijn bodem vliegt een kogel waarschuwend over de vluchtende schepen heen, die er door tot staan worden gebracht. Een gesein, dat de bevelvoerders dadelijk bij hem aan boord moeten komen, wil hij ze niet, om ze voor eigen schande te behoeden, door Nederlandsche kogels in den grond doen boren.En ze komen, de nog eergisteren en gisteren zoo moedige kapiteins.Nu wringen ze de handen, want... „Wezijngeen lafaards, admiraal, maar... er is geen schot kruit meer aan boord, en als een man zich niet meer verdedigenkan, geen middelen meer heeft om een aanval af te slaan—o, admiraal, toen we dàt bemerkten, toen werden we radeloos. Als Reinier Claeszens zouden we den brand in de kruitkamer hebben willen steken... maar die is ledig. Toen is er een geest van schrik en ontsteltenis over de matrozen en over ons gekomen... Straf ons, maar... gevangenen van den Roodrok te worden, te sterven en te verkwijnen in een Britschen kerker... we durfden dat niet aan... en we sloegen op de vlucht, admiraal!”Het was een wanhopend geval. Van alle kanten, onder het gebulder der kanonnen en het omhoogwolken der kruitdampen, kwam het bericht in, dat het buskruit en de kogels opraakten.Ja, nu zou het wel een dier wanhopige terugtochten worden... waarin juist de heldenmoed en de onvergelijkelijke bekwaamheden onzer Nederlandsche Zee-oversten der 17deeeuw zoo schitterend konden uitkomen. Zoo zou, dertien jaar later, een Michiel de Ruijter, door den zoon van Bestevaer Tromp in den steek gelaten, zijn beroemden terugtocht tegen de Engelschen volvoeren, waarom hij later door vriend en vijand bewonderd werd. Op dien terugtocht heeft Michiel de Ruijter, de vrome Michiel de Ruijter, een oogenblik van diepe moedeloosheid gehad en in de bitterheid zijns harten gevraagd, of er onder al die kogels niet één was, die hem treffen wilde. Zulk een moedeloosheid was verre van den zoo dikwijls en zoo zwaar beproefden Tromp.„Je moet niet vluchten, jongens!” luidde kalm en bedaard zijn raad, en er trilde iets in zijn woorden van dat vaderlijke, waardoor zijn minderen hem met geheel hun vertrouwen aanhingen. „Vluchten is schande; maar zich te laten beschermen als men niet meer strijden kàn, als men de middelen daartoe niet meer heeft, wel, dat is volstrekt niet vernederend.”En glimlachend wees hij naar de koopvaarders, die ook verdedigd werden, en hij zei, dat ze zich daar maar bij moesten voegen.„En nu zul-je geen poging meer doen om te vluchten, nietwaar?” vroeg hij. „Zie-je, zulke wonderlijke dingen moet een Engelschman nooit van mijn kinderen zien.”Gewillig voegden zich nu de machteloos geworden oorlogsschepen bij de koopvaarders. Doch... dat moesten er al meer en meer doen. Eindelijk had Tromp niet meer dan een vijf-en-twintigtal schepen over, waarmede hij geheel de koopvaardijvloot en het grootste gedeelte van zijn eigen vloot tegen de in stoutheid toenemende dapperheid der Engelsche aanvallers moest verdedigen. Toch verloren wij niet één oorlogsschip en slechts een paar koopvaarders.En aldoor zeilden wij, al strijdende, den kant van het vaderland op.Toen kwam het bangste oogenblik.Het liep tegen vier uur, toen de Engelsche admiraal Blake al zijn schepen bijeen verzamelde, en het sein gaf tot een algemeenen aanval op de terugtrekkendeNederlandsche vloot, die, gelijk we nu weten, slechts uit een klein hoopje bestond, dat bovendien nog met een zware bewaking was belast.Dadelijk staakte Tromp den terugtocht en wachtte rustig den vreeselijken aanval af, die als een razende stormvloed het eerst op zijn schip en dat van Jan Evertsen losbrak.Een uur is er toen gestreden, zooals er weinig tusschen Nederlanders en Engelschen geworsteld is. En, wat het vreeselijkste was, elke losbranding van onzen kant, bracht ons nader tot de algeheele uitputting van onzen kruitvoorraad.Dat duurde zoo een geheel uur. Toen week de Engelschman van onze vloot. Had hij eens geweten, dat het met onzen kruitvoorraad zoo slecht stond, hoe zou hij volgehouden hebben, en zeker ware hem een totale vernietiging van onze zeemacht en het opbrengen der koopvaarders ten deel gevallen.„Als wij nog een half uur langer hadden moeten vechten,” heeft Tromp verklaard, „dan zouden wij al het scherp verschoten hebben dat nog overig was, en naar alle waarschijnlijkheid in de handen van den vijand hebben moeten vervallen, die onze vloot totaal verslagen had.”Doch de Engelschen waren door de inspanning van het driedaagsche gevecht te vermoeid geworden, om den strijd voort te zetten. Wel zonden zij ons, die dadelijk weer verder zeilden, eenige fregatten achterna, welkeons den geheelen nacht al vurende bleven volgen, maar wij vermorsten daarop ons kleine restje kruit niet.Zoo ging het al verder en verder. Terugtrekkende, maar als een kordate hond, die onophoudelijk de tanden laat zien en den aanvaller op een afstand blijft houden. In het Nauw van Calais vonden we admiraal Dubbel Wit niet. De vaderlandsche lamzaligheid was weer aan het teuten geweest met het uitrusten van schepen. Doch eindelijk, eindelijk bereikten wij de lang verbeide vaderlandsche havens, waar wij den6denMaart binnen vielen.De Engelschen hebben den Driedaagschen Zeeslag een nederlaag voor de Nederlanders genoemd. Want de onzen trokken terug, konden de zee niet houden, en, wat wel het beste bewijs was, na dien slag was de Engelschman weer meester van het Kanaal, gelijk Tromp kort te voren geweest was.Wij kunnen dat de Engelschen niet tegenspreken. Zij hebben in alles, wat zij aanvoeren, gelijk. Maar met hun meermalen gemelde edelmoedige denkwijze over Maerten Harpertsz. Tromp, zullen zij het zeker wel zeer begrijpelijk in ons, Nederlanders, vinden, dat we op weinige zeeslagen uit onze geschiedenis zoo fier zijn, als juist op dien Driedaagschen Zeeslag.
VEERTIENDE HOOFDSTUK.Drie maanden op zee.Voor hen, die het op den 1enDecember 1652 van het Brielsche havenhoofd aanschouwden, was het een gezicht om nooit te vergeten. Daar waren van acht-en-zeventig oorlogsschepen de tallooze zeilen ontplooid en niet minder dan tweehonderd koopvaardijschepen zeilden onder die hoede den breeden mond der Maaze uit. In zee gekomen, voegden zich daar nog meerdere oorlogsvaartuigen en koopvaardijschepen aan toe; op den tocht Zuidwaarts kwamen er nog al meer koopvaarders bij, zoodat er een vloot van ongeveer vijfhonderd zeilen het Kanaal invoer, waarvan ongeveer negentig uit oorlogsschepen bestonden. En niet alleen dat Tromp zijn plicht, om dat groote aantal koopvaarders veilig naar den Oceaan te geleiden, goed volbracht, maar het is op dezen tocht ook, dat hij op een inderdaad schitterende wijze den roem van ons volk heeft gehandhaafd.Het zijn de Engelschen zelve, die zijn beleid in deze worstelingen in het Kanaal zóó hoog aanslaan,dat zij het vergeleken hebben met het beleid van hun grootsten admiraal Nelson. De Engelschen trouwens hebben altijd met veel eerbied tegen onzen Tromp opgezien. Vóór den beroemden zeeslag bij Duins bestond in Engeland evenals elders, „de geheele kunst van oorlogen ter zee enkel in het aan boord leggen en enteren van den vijand, en was de zoogenaamde taktiek aldaar ganschelijk onbekend.” Als voor hun oogen hadden zij in dien zeeslag bij Duins den Nederlandschen vlootvoogd op een geheel àndere wijze zien handelen, den slag zien winnen, langzamerhand komend tot een oplossing, welke vooraf was voorbereid en nu in elkaar werd gezet. „Een nieuw licht,” zegt een Engelsch schrijver, „rees opeens voor de bevatting der Britsche zeelieden op.” En nu zij in den Eersten Engelschen zee-oorlog tegenover den man streden, dien zij „hun grooten tegenstander en leermeester” noemen, waren zij het, die, beter uitgerust, voordeel trokken van de manier van strijden, welke zij van onzen Tromp hadden afgezien. Edelmoedig hebben zij dit erkend, en het royaal beleden, dat het Britsche zeewezen, „aan de Nederlanders, in den persoon van Maerten Harpertsz. Tromp verschuldigd was de verbetering van de kunst des oorlogs ter zee, ten opzichte van het bestuur der vloten in groote zeeslagen.”In de maand December van het jaar 1652 was men evenwel in Engeland zoo dol niet op Tromp,want hij hield de Engelsche vloot en de Engelsche koopvaardijschepen binnen, terwijl onze koopvaarders door het Kanaal van en naar den Oceaan kwamen aanzeilen, alsof er geen vuiltje aan de lucht was. Het is van dien tijd dat men spreekt, als men zegt dat Tromp den bezem in den mast voerde, als teeken dat hij de zee van den vijand had schoongeveegd. Niets is echter minder waar, dan dat de eenvoudige en zich nooit op eigen daden verheffende Tromp zulk een pocherij toegelaten zou hebben op onze vloot. Dat was in oude tijden wel eens gebeurd, maar tot zulk een laffe snoeverij en kinderachtige uittarting van den vijand zou zich geen Nederlandsch admiraal meer leenen.Bovendien prikkelde de feitelijke toestand, dat de Nederlandsche vloot voor het oogenblik de baas was op zee, meer dan genoeg de eigenliefde van den Engelschman.Er werd—geheel in tegenstelling met wat er bij ons gebeurde, waar men Tromp met zijn vloot maar heen en weer liet zeilen om koopvaarders te halen en uitgeleide te doen en hem niet eens den voorraad kruit en lood aanvulde—in Engeland zooveel geld als noodig was beschikbaar gesteld, om een flinke, van al het noodige ruim voorziene vloot van zeventig schepen uit te rusten, en die zeilde in de maand Februari 1653 uit, om Tromp op te zoeken. Juist had onze admiraal een groot getal koopvaarders naarden Oceaan gebracht, en zou nu honderd en vijftig Nederlandsche koopvaardijschepen door het Kanaal heen naar het vaderland terugleiden. Den 28 Februari zag hij aan den horizon de zeilen van de Engelsche vloot uit de zee oprijzen. Er bleef geen andere kans dan, met al dien ballast van koopvaarders bij zich, door den vijand heen te slaan, en al dadelijk gaf Tromp, die volgens zijn gewoonte de vloot in verschillende smaldeelen verdeeld had onder bevel van mannen als Michiel de Ruijter, Jan Evertsen en Pieter Floriszoon, bevel den vijand aan te vallen.De strijd, die nu volgde, werd van beide kanten met de grootste verbittering gevoerd. Weinig scheelde het, of Michiel de Ruijter had reeds hier zijn loopbaan geëindigd gezien. Hij was op zeker oogenblik zoodanig van vijandelijke schepen omringd, dat er geen ontkomen voor hem meer mogelijk scheen. Gelukkig bemerkte Jan Evertsen hoe veeg het met zijn stadgenoot gesteld stond. Met zijn dapperen sloeg hij zich dwars door den kring heen, die Michiel omkneld hield, en nu wisten onze Zeeuwen wel verder raad met den vijand.Van den opperbevelhebber af tot aan den minsten schepeling werd in dien slag, welke op de hoogte van Portland plaats had, met groote volharding en hardnekkigheid gestreden. We nemen hier uit vele voorbeelden dat eene van kapitein Jacob Cleijdijck, die door drie groote Engelsche oorlogsbodems aangevallenwerd en niet anders dacht, of zijn laatste uur was geslagen. Hij en zijn jongens worstelen, ten doode bereid, met den ouden heldenmoed, waardoor ons zeevolk heinde en ver bekend was. Maar zijn netelige toestand blijft door de onzen niet onopgemerkt. De Zeeuwsche kapitein Regenmorter was het, die hem ter hulp snelde. Een hoezee van Cleijdijck en de zijnen, die nu met vernieuwde woede den vijand aangrijpen, zoodat een der drie Engelsche schepen naar den kelder gaat. Niet lang echter duurt daarover de jubel van de jongens van Jacob Cleijdijck, want plotseling begint hun eigen schip te trillen... en tot hun ontzetting ervaren zij, dat het zich alreede in zinkenden toestand bevindt. Wat te doen? Met de ratten naar den kelder? Daar kan-je op den laatsten dag van ’t jaar nog wel toe komen, spot de kapitein, en hij wijst zijn jongens een uitweg. Een uitweg? Waarheen? Wel, waar anders dan dwars over een der Engelsche schepen heen naar het schip van Regenmorter! De stoute aanval wordt gewaagd. De Engelschen staan versteld overdienwoesten uitval, maar eer zij van hun ontsteltenis zijn bekomen, zijn ze òf neergeslagen, òf zien de Nederlandsche matrozen dwars over hun schip zich een weg banen naar dat van Regenmorter, waar kapitein Cleijdijck goed van pas kwam. Want dáár was aan boord geen kapitein meer. De dappere Regenmorter was juist gesneuveld. Nu bleef het voor den nieuwen kapiteinnog altijd één tegen twee, maar dat duurde ook niet lang meer. Want door de bezieling, die van hem uitgaat, weet hij zijn manschappen tot wonderen van dapperheid te brengen, zoodat hij overwinnaar blijft en de aanvallers van hem wegdeinzen en wel één er van om het nooit meer na te vertellen.Wie, niet alleen eigen bodem verdedigen, maar ook over den geheelen strijd het oog houden en zich telkens op de hoogte stellen moest van alles wat er op het geheele tooneel van den strijd plaats had, was natuurlijk Maerten Harpertsz. Tromp. Wèl was in die uren, zooals de zeelui dat zoo eigenaardig uitdrukken, zijn ziel vol zorg. Geheel zijn persoonlijkheid ging op, zoowel in den strijd van zijn bodem tegen de vijandelijke schepen, als in de leiding van den ganschen zeeslag. En toch... hij vergat ook de koopvaarders niet, die zich op zijn bevel tijdens den zeeslag langs de Engelsche kust ophielden. Daar bemerkt hij, tegen vier uur, dat er acht Engelsche fregatten jacht beginnen te maken op onze koopvaarders. Dadelijk Tromp er op los. „Handen af van die weerloozen!” rolt in donderslagen zijn waarschuwing over de golven, een waarschuwing, waarbij dadelijk de daad op de bedreiging volgde, zoodat de fregatten niet wisten hoe spoedig zij, die van vervolgers vervolgden werden, hun prooi zouden loslaten.Na dien gelukkig afgeslagen aanval op onze koopvaarders, begon van beide zijden de neiging merkbaarte worden, om wat rust te nemen. Heel den dag had het gevecht geduurd; de manschappen hadden dringend behoefte aan rust. Zoo eindigde het eerste gedeelte van den zeeslag, welke in de geschiedenis bekend zou blijven alsde Driedaagsche Zeeslag.Want den volgenden dag, den 1stenMaart 1653, werd het gevecht met hernieuwde woede door de Engelschen hervat en door de onzen aangenomen. Men bevond zich evenwel niet meer op dezelfde plaats. De koopvaarders moesten gered worden en daarom was Tromp, met heel dien sleep bij zich, doorgezeild den kant van het vaderland op, dat echter nog zoo ver verwijderd was. Om de koopvaardijschepen beter, ook gedurende een zeeslag, te kunnen beschermen, had hij de oorlogsbodems in den vorm van een halve maan laten voortzeilen—zooals hij eenmaal de Spaansche vloot van d’Oquendo in het Kanaal had zien opduiken—en in het midden, dus als het ware van alle kanten beschermd, zijn kostbaren last opgenomen. Nu kon hij al zijn aandacht bij de leiding van het zeegevecht houden en behoefde niet te vreezen, dat, langs de strijdenden heen, een paar jagers stiekem op jacht gingen naar den vetten buit.Men bevond zich nu op de hoogte van Wight, en daar ontbrandde weldra een hevige strijd, die eerst eindigde toen de zon onderging en men wel moest uitscheiden met vechten, omdat men niet meer vriend van vijand zou onderkennen. Hadden de Britten alsleeuwen gevochten, ze hadden ook als vossen geloerd op de koopvaarders, waartoe aan de twee horens van de Nederlandsche schepen-maan snelzeilende fregatten zich gereed hielden, om van die rijk geladen bodems te pakken zooveel er maar te pakken viel. Toch werden er slechts enkele genomen, en hoewel de Britten beslist in de meerderheid waren, vielen van onze oorlogsschepen hun niet meer dan twee in de handen.De strijd was wederom gestaakt, maar iedereen begreep, dat de Engelschen den volgenden dag wederom zouden aanvallen. Voor ons was het nu eigenlijk een terugtocht geworden, een trachten om de vaderlandsche havens te bereiken, een hoop, dat bij het Nauw van Calais eindelijk de enkele Nederlandsche schepen zouden opdagen, van welke het heette, dat zij onder admiraal Dubbel Wit uitgerust en de zee ingezonden zouden zijn. Om nog iets anders zou het inderdaad een terugtochtmoetenworden, en wel om iets vreeselijks.Daar ontvangt toch, in den avond van dien1stenMaart, de opperbevelhebber, zoo moe naar lichaam en geest als hij na deze twee dagen van voortdurende inspanning aller krachten moest zijn, het ontzettende bericht... dat er op verschillende schepen geen genoegzame voorraad van kruit en kogels meer is. Drie maanden lang was de vloot aangewezen gebleven op den voorraad, die in December meegenomen was.Nog één voorraadschip heeft Tromp bij zich. Hij deelt uit, zooveel er nog is. En hij spreekt woorden van troost en bemoediging, en aldoor zeilt men voort. En als de morgen daagt, rijst er voor de oogen van Tromp een zeegezicht op, dat hem diep aangrijpt. Hij bevindt zich precies op dezelfde plaats, waar hij in September 1639 voor ’t eerst de Spaanschearmadauit de zee zag opduiken. Toen, met zijn dertien schepen, moest hij een macht weerstaan die vijfmaal zoo groot was als de zijne. En die ontmoeting bij kaap Bevezier... ze had den held geleid tot de onsterfelijke zege bij Duins.O, het straalde van glans uit de oogen van Bestevaer, en een gebed steeg uit zijn bekommerde ziel op, dat hier zijn einde in schande en neerlaag niet gevonden mocht worden, nu straks wederom de overmachtige vijand hem en de zijnen, die vermoeid en afgemat waren en gebrek hadden aan verdedigingsmiddelen en altijd nog de beschermers moesten zijn van die talrijke koopvaarders welke een groot deel der welvaart van de geslagen Nederlanders bevatte, voor de derde maal zou aanvallen.Het zou een der bangste dagen worden, welke Tromp doorleefd heeft. Weer, als den vorigen dag, zeilde men in den vorm van een halve maan verder, de koopvaardijschepen in het midden,—toen de Engelschen omstreeks negen uur in den morgen den aanval begonnen. Twee uren lang verdedigen zichde Nederlanders met kloekheid en slaan met heldenmoed alle aanvallen af,—als er opeens bij de onzen een groote aarzeling ontstaat.Wat is er?... Is Bestevaer gesneuveld?...Neen, Goddank, hij staat daar nog hoog op de gevaarlijkste plaats van heel zijn schip, den dood niet vreezende, omdat hij gelooft, dat het uur van zijn afsterven van eeuwigheden her door God vooruit bepaald is en dat noch vrees, noch overmoed iets aan die onwrikbare voorbeschikking kan veranderen.Neen, er is iets gebeurd, dat Bestevaer Tromp erger vindt dan den dood. Want wat kon hem erger lijken, dan dat een Nederlander lafhartig op de vlucht gaat voor den Engelschman?Hij kon haast zijn oogen niet gelooven. Doch ook thans mag er, bij hem althans, geen seconde van aarzeling waargenomen worden. Hij wenkt, en van zijn bodem vliegt een kogel waarschuwend over de vluchtende schepen heen, die er door tot staan worden gebracht. Een gesein, dat de bevelvoerders dadelijk bij hem aan boord moeten komen, wil hij ze niet, om ze voor eigen schande te behoeden, door Nederlandsche kogels in den grond doen boren.En ze komen, de nog eergisteren en gisteren zoo moedige kapiteins.Nu wringen ze de handen, want... „Wezijngeen lafaards, admiraal, maar... er is geen schot kruit meer aan boord, en als een man zich niet meer verdedigenkan, geen middelen meer heeft om een aanval af te slaan—o, admiraal, toen we dàt bemerkten, toen werden we radeloos. Als Reinier Claeszens zouden we den brand in de kruitkamer hebben willen steken... maar die is ledig. Toen is er een geest van schrik en ontsteltenis over de matrozen en over ons gekomen... Straf ons, maar... gevangenen van den Roodrok te worden, te sterven en te verkwijnen in een Britschen kerker... we durfden dat niet aan... en we sloegen op de vlucht, admiraal!”Het was een wanhopend geval. Van alle kanten, onder het gebulder der kanonnen en het omhoogwolken der kruitdampen, kwam het bericht in, dat het buskruit en de kogels opraakten.Ja, nu zou het wel een dier wanhopige terugtochten worden... waarin juist de heldenmoed en de onvergelijkelijke bekwaamheden onzer Nederlandsche Zee-oversten der 17deeeuw zoo schitterend konden uitkomen. Zoo zou, dertien jaar later, een Michiel de Ruijter, door den zoon van Bestevaer Tromp in den steek gelaten, zijn beroemden terugtocht tegen de Engelschen volvoeren, waarom hij later door vriend en vijand bewonderd werd. Op dien terugtocht heeft Michiel de Ruijter, de vrome Michiel de Ruijter, een oogenblik van diepe moedeloosheid gehad en in de bitterheid zijns harten gevraagd, of er onder al die kogels niet één was, die hem treffen wilde. Zulk een moedeloosheid was verre van den zoo dikwijls en zoo zwaar beproefden Tromp.„Je moet niet vluchten, jongens!” luidde kalm en bedaard zijn raad, en er trilde iets in zijn woorden van dat vaderlijke, waardoor zijn minderen hem met geheel hun vertrouwen aanhingen. „Vluchten is schande; maar zich te laten beschermen als men niet meer strijden kàn, als men de middelen daartoe niet meer heeft, wel, dat is volstrekt niet vernederend.”En glimlachend wees hij naar de koopvaarders, die ook verdedigd werden, en hij zei, dat ze zich daar maar bij moesten voegen.„En nu zul-je geen poging meer doen om te vluchten, nietwaar?” vroeg hij. „Zie-je, zulke wonderlijke dingen moet een Engelschman nooit van mijn kinderen zien.”Gewillig voegden zich nu de machteloos geworden oorlogsschepen bij de koopvaarders. Doch... dat moesten er al meer en meer doen. Eindelijk had Tromp niet meer dan een vijf-en-twintigtal schepen over, waarmede hij geheel de koopvaardijvloot en het grootste gedeelte van zijn eigen vloot tegen de in stoutheid toenemende dapperheid der Engelsche aanvallers moest verdedigen. Toch verloren wij niet één oorlogsschip en slechts een paar koopvaarders.En aldoor zeilden wij, al strijdende, den kant van het vaderland op.Toen kwam het bangste oogenblik.Het liep tegen vier uur, toen de Engelsche admiraal Blake al zijn schepen bijeen verzamelde, en het sein gaf tot een algemeenen aanval op de terugtrekkendeNederlandsche vloot, die, gelijk we nu weten, slechts uit een klein hoopje bestond, dat bovendien nog met een zware bewaking was belast.Dadelijk staakte Tromp den terugtocht en wachtte rustig den vreeselijken aanval af, die als een razende stormvloed het eerst op zijn schip en dat van Jan Evertsen losbrak.Een uur is er toen gestreden, zooals er weinig tusschen Nederlanders en Engelschen geworsteld is. En, wat het vreeselijkste was, elke losbranding van onzen kant, bracht ons nader tot de algeheele uitputting van onzen kruitvoorraad.Dat duurde zoo een geheel uur. Toen week de Engelschman van onze vloot. Had hij eens geweten, dat het met onzen kruitvoorraad zoo slecht stond, hoe zou hij volgehouden hebben, en zeker ware hem een totale vernietiging van onze zeemacht en het opbrengen der koopvaarders ten deel gevallen.„Als wij nog een half uur langer hadden moeten vechten,” heeft Tromp verklaard, „dan zouden wij al het scherp verschoten hebben dat nog overig was, en naar alle waarschijnlijkheid in de handen van den vijand hebben moeten vervallen, die onze vloot totaal verslagen had.”Doch de Engelschen waren door de inspanning van het driedaagsche gevecht te vermoeid geworden, om den strijd voort te zetten. Wel zonden zij ons, die dadelijk weer verder zeilden, eenige fregatten achterna, welkeons den geheelen nacht al vurende bleven volgen, maar wij vermorsten daarop ons kleine restje kruit niet.Zoo ging het al verder en verder. Terugtrekkende, maar als een kordate hond, die onophoudelijk de tanden laat zien en den aanvaller op een afstand blijft houden. In het Nauw van Calais vonden we admiraal Dubbel Wit niet. De vaderlandsche lamzaligheid was weer aan het teuten geweest met het uitrusten van schepen. Doch eindelijk, eindelijk bereikten wij de lang verbeide vaderlandsche havens, waar wij den6denMaart binnen vielen.De Engelschen hebben den Driedaagschen Zeeslag een nederlaag voor de Nederlanders genoemd. Want de onzen trokken terug, konden de zee niet houden, en, wat wel het beste bewijs was, na dien slag was de Engelschman weer meester van het Kanaal, gelijk Tromp kort te voren geweest was.Wij kunnen dat de Engelschen niet tegenspreken. Zij hebben in alles, wat zij aanvoeren, gelijk. Maar met hun meermalen gemelde edelmoedige denkwijze over Maerten Harpertsz. Tromp, zullen zij het zeker wel zeer begrijpelijk in ons, Nederlanders, vinden, dat we op weinige zeeslagen uit onze geschiedenis zoo fier zijn, als juist op dien Driedaagschen Zeeslag.
VEERTIENDE HOOFDSTUK.Drie maanden op zee.
Voor hen, die het op den 1enDecember 1652 van het Brielsche havenhoofd aanschouwden, was het een gezicht om nooit te vergeten. Daar waren van acht-en-zeventig oorlogsschepen de tallooze zeilen ontplooid en niet minder dan tweehonderd koopvaardijschepen zeilden onder die hoede den breeden mond der Maaze uit. In zee gekomen, voegden zich daar nog meerdere oorlogsvaartuigen en koopvaardijschepen aan toe; op den tocht Zuidwaarts kwamen er nog al meer koopvaarders bij, zoodat er een vloot van ongeveer vijfhonderd zeilen het Kanaal invoer, waarvan ongeveer negentig uit oorlogsschepen bestonden. En niet alleen dat Tromp zijn plicht, om dat groote aantal koopvaarders veilig naar den Oceaan te geleiden, goed volbracht, maar het is op dezen tocht ook, dat hij op een inderdaad schitterende wijze den roem van ons volk heeft gehandhaafd.Het zijn de Engelschen zelve, die zijn beleid in deze worstelingen in het Kanaal zóó hoog aanslaan,dat zij het vergeleken hebben met het beleid van hun grootsten admiraal Nelson. De Engelschen trouwens hebben altijd met veel eerbied tegen onzen Tromp opgezien. Vóór den beroemden zeeslag bij Duins bestond in Engeland evenals elders, „de geheele kunst van oorlogen ter zee enkel in het aan boord leggen en enteren van den vijand, en was de zoogenaamde taktiek aldaar ganschelijk onbekend.” Als voor hun oogen hadden zij in dien zeeslag bij Duins den Nederlandschen vlootvoogd op een geheel àndere wijze zien handelen, den slag zien winnen, langzamerhand komend tot een oplossing, welke vooraf was voorbereid en nu in elkaar werd gezet. „Een nieuw licht,” zegt een Engelsch schrijver, „rees opeens voor de bevatting der Britsche zeelieden op.” En nu zij in den Eersten Engelschen zee-oorlog tegenover den man streden, dien zij „hun grooten tegenstander en leermeester” noemen, waren zij het, die, beter uitgerust, voordeel trokken van de manier van strijden, welke zij van onzen Tromp hadden afgezien. Edelmoedig hebben zij dit erkend, en het royaal beleden, dat het Britsche zeewezen, „aan de Nederlanders, in den persoon van Maerten Harpertsz. Tromp verschuldigd was de verbetering van de kunst des oorlogs ter zee, ten opzichte van het bestuur der vloten in groote zeeslagen.”In de maand December van het jaar 1652 was men evenwel in Engeland zoo dol niet op Tromp,want hij hield de Engelsche vloot en de Engelsche koopvaardijschepen binnen, terwijl onze koopvaarders door het Kanaal van en naar den Oceaan kwamen aanzeilen, alsof er geen vuiltje aan de lucht was. Het is van dien tijd dat men spreekt, als men zegt dat Tromp den bezem in den mast voerde, als teeken dat hij de zee van den vijand had schoongeveegd. Niets is echter minder waar, dan dat de eenvoudige en zich nooit op eigen daden verheffende Tromp zulk een pocherij toegelaten zou hebben op onze vloot. Dat was in oude tijden wel eens gebeurd, maar tot zulk een laffe snoeverij en kinderachtige uittarting van den vijand zou zich geen Nederlandsch admiraal meer leenen.Bovendien prikkelde de feitelijke toestand, dat de Nederlandsche vloot voor het oogenblik de baas was op zee, meer dan genoeg de eigenliefde van den Engelschman.Er werd—geheel in tegenstelling met wat er bij ons gebeurde, waar men Tromp met zijn vloot maar heen en weer liet zeilen om koopvaarders te halen en uitgeleide te doen en hem niet eens den voorraad kruit en lood aanvulde—in Engeland zooveel geld als noodig was beschikbaar gesteld, om een flinke, van al het noodige ruim voorziene vloot van zeventig schepen uit te rusten, en die zeilde in de maand Februari 1653 uit, om Tromp op te zoeken. Juist had onze admiraal een groot getal koopvaarders naarden Oceaan gebracht, en zou nu honderd en vijftig Nederlandsche koopvaardijschepen door het Kanaal heen naar het vaderland terugleiden. Den 28 Februari zag hij aan den horizon de zeilen van de Engelsche vloot uit de zee oprijzen. Er bleef geen andere kans dan, met al dien ballast van koopvaarders bij zich, door den vijand heen te slaan, en al dadelijk gaf Tromp, die volgens zijn gewoonte de vloot in verschillende smaldeelen verdeeld had onder bevel van mannen als Michiel de Ruijter, Jan Evertsen en Pieter Floriszoon, bevel den vijand aan te vallen.De strijd, die nu volgde, werd van beide kanten met de grootste verbittering gevoerd. Weinig scheelde het, of Michiel de Ruijter had reeds hier zijn loopbaan geëindigd gezien. Hij was op zeker oogenblik zoodanig van vijandelijke schepen omringd, dat er geen ontkomen voor hem meer mogelijk scheen. Gelukkig bemerkte Jan Evertsen hoe veeg het met zijn stadgenoot gesteld stond. Met zijn dapperen sloeg hij zich dwars door den kring heen, die Michiel omkneld hield, en nu wisten onze Zeeuwen wel verder raad met den vijand.Van den opperbevelhebber af tot aan den minsten schepeling werd in dien slag, welke op de hoogte van Portland plaats had, met groote volharding en hardnekkigheid gestreden. We nemen hier uit vele voorbeelden dat eene van kapitein Jacob Cleijdijck, die door drie groote Engelsche oorlogsbodems aangevallenwerd en niet anders dacht, of zijn laatste uur was geslagen. Hij en zijn jongens worstelen, ten doode bereid, met den ouden heldenmoed, waardoor ons zeevolk heinde en ver bekend was. Maar zijn netelige toestand blijft door de onzen niet onopgemerkt. De Zeeuwsche kapitein Regenmorter was het, die hem ter hulp snelde. Een hoezee van Cleijdijck en de zijnen, die nu met vernieuwde woede den vijand aangrijpen, zoodat een der drie Engelsche schepen naar den kelder gaat. Niet lang echter duurt daarover de jubel van de jongens van Jacob Cleijdijck, want plotseling begint hun eigen schip te trillen... en tot hun ontzetting ervaren zij, dat het zich alreede in zinkenden toestand bevindt. Wat te doen? Met de ratten naar den kelder? Daar kan-je op den laatsten dag van ’t jaar nog wel toe komen, spot de kapitein, en hij wijst zijn jongens een uitweg. Een uitweg? Waarheen? Wel, waar anders dan dwars over een der Engelsche schepen heen naar het schip van Regenmorter! De stoute aanval wordt gewaagd. De Engelschen staan versteld overdienwoesten uitval, maar eer zij van hun ontsteltenis zijn bekomen, zijn ze òf neergeslagen, òf zien de Nederlandsche matrozen dwars over hun schip zich een weg banen naar dat van Regenmorter, waar kapitein Cleijdijck goed van pas kwam. Want dáár was aan boord geen kapitein meer. De dappere Regenmorter was juist gesneuveld. Nu bleef het voor den nieuwen kapiteinnog altijd één tegen twee, maar dat duurde ook niet lang meer. Want door de bezieling, die van hem uitgaat, weet hij zijn manschappen tot wonderen van dapperheid te brengen, zoodat hij overwinnaar blijft en de aanvallers van hem wegdeinzen en wel één er van om het nooit meer na te vertellen.Wie, niet alleen eigen bodem verdedigen, maar ook over den geheelen strijd het oog houden en zich telkens op de hoogte stellen moest van alles wat er op het geheele tooneel van den strijd plaats had, was natuurlijk Maerten Harpertsz. Tromp. Wèl was in die uren, zooals de zeelui dat zoo eigenaardig uitdrukken, zijn ziel vol zorg. Geheel zijn persoonlijkheid ging op, zoowel in den strijd van zijn bodem tegen de vijandelijke schepen, als in de leiding van den ganschen zeeslag. En toch... hij vergat ook de koopvaarders niet, die zich op zijn bevel tijdens den zeeslag langs de Engelsche kust ophielden. Daar bemerkt hij, tegen vier uur, dat er acht Engelsche fregatten jacht beginnen te maken op onze koopvaarders. Dadelijk Tromp er op los. „Handen af van die weerloozen!” rolt in donderslagen zijn waarschuwing over de golven, een waarschuwing, waarbij dadelijk de daad op de bedreiging volgde, zoodat de fregatten niet wisten hoe spoedig zij, die van vervolgers vervolgden werden, hun prooi zouden loslaten.Na dien gelukkig afgeslagen aanval op onze koopvaarders, begon van beide zijden de neiging merkbaarte worden, om wat rust te nemen. Heel den dag had het gevecht geduurd; de manschappen hadden dringend behoefte aan rust. Zoo eindigde het eerste gedeelte van den zeeslag, welke in de geschiedenis bekend zou blijven alsde Driedaagsche Zeeslag.Want den volgenden dag, den 1stenMaart 1653, werd het gevecht met hernieuwde woede door de Engelschen hervat en door de onzen aangenomen. Men bevond zich evenwel niet meer op dezelfde plaats. De koopvaarders moesten gered worden en daarom was Tromp, met heel dien sleep bij zich, doorgezeild den kant van het vaderland op, dat echter nog zoo ver verwijderd was. Om de koopvaardijschepen beter, ook gedurende een zeeslag, te kunnen beschermen, had hij de oorlogsbodems in den vorm van een halve maan laten voortzeilen—zooals hij eenmaal de Spaansche vloot van d’Oquendo in het Kanaal had zien opduiken—en in het midden, dus als het ware van alle kanten beschermd, zijn kostbaren last opgenomen. Nu kon hij al zijn aandacht bij de leiding van het zeegevecht houden en behoefde niet te vreezen, dat, langs de strijdenden heen, een paar jagers stiekem op jacht gingen naar den vetten buit.Men bevond zich nu op de hoogte van Wight, en daar ontbrandde weldra een hevige strijd, die eerst eindigde toen de zon onderging en men wel moest uitscheiden met vechten, omdat men niet meer vriend van vijand zou onderkennen. Hadden de Britten alsleeuwen gevochten, ze hadden ook als vossen geloerd op de koopvaarders, waartoe aan de twee horens van de Nederlandsche schepen-maan snelzeilende fregatten zich gereed hielden, om van die rijk geladen bodems te pakken zooveel er maar te pakken viel. Toch werden er slechts enkele genomen, en hoewel de Britten beslist in de meerderheid waren, vielen van onze oorlogsschepen hun niet meer dan twee in de handen.De strijd was wederom gestaakt, maar iedereen begreep, dat de Engelschen den volgenden dag wederom zouden aanvallen. Voor ons was het nu eigenlijk een terugtocht geworden, een trachten om de vaderlandsche havens te bereiken, een hoop, dat bij het Nauw van Calais eindelijk de enkele Nederlandsche schepen zouden opdagen, van welke het heette, dat zij onder admiraal Dubbel Wit uitgerust en de zee ingezonden zouden zijn. Om nog iets anders zou het inderdaad een terugtochtmoetenworden, en wel om iets vreeselijks.Daar ontvangt toch, in den avond van dien1stenMaart, de opperbevelhebber, zoo moe naar lichaam en geest als hij na deze twee dagen van voortdurende inspanning aller krachten moest zijn, het ontzettende bericht... dat er op verschillende schepen geen genoegzame voorraad van kruit en kogels meer is. Drie maanden lang was de vloot aangewezen gebleven op den voorraad, die in December meegenomen was.Nog één voorraadschip heeft Tromp bij zich. Hij deelt uit, zooveel er nog is. En hij spreekt woorden van troost en bemoediging, en aldoor zeilt men voort. En als de morgen daagt, rijst er voor de oogen van Tromp een zeegezicht op, dat hem diep aangrijpt. Hij bevindt zich precies op dezelfde plaats, waar hij in September 1639 voor ’t eerst de Spaanschearmadauit de zee zag opduiken. Toen, met zijn dertien schepen, moest hij een macht weerstaan die vijfmaal zoo groot was als de zijne. En die ontmoeting bij kaap Bevezier... ze had den held geleid tot de onsterfelijke zege bij Duins.O, het straalde van glans uit de oogen van Bestevaer, en een gebed steeg uit zijn bekommerde ziel op, dat hier zijn einde in schande en neerlaag niet gevonden mocht worden, nu straks wederom de overmachtige vijand hem en de zijnen, die vermoeid en afgemat waren en gebrek hadden aan verdedigingsmiddelen en altijd nog de beschermers moesten zijn van die talrijke koopvaarders welke een groot deel der welvaart van de geslagen Nederlanders bevatte, voor de derde maal zou aanvallen.Het zou een der bangste dagen worden, welke Tromp doorleefd heeft. Weer, als den vorigen dag, zeilde men in den vorm van een halve maan verder, de koopvaardijschepen in het midden,—toen de Engelschen omstreeks negen uur in den morgen den aanval begonnen. Twee uren lang verdedigen zichde Nederlanders met kloekheid en slaan met heldenmoed alle aanvallen af,—als er opeens bij de onzen een groote aarzeling ontstaat.Wat is er?... Is Bestevaer gesneuveld?...Neen, Goddank, hij staat daar nog hoog op de gevaarlijkste plaats van heel zijn schip, den dood niet vreezende, omdat hij gelooft, dat het uur van zijn afsterven van eeuwigheden her door God vooruit bepaald is en dat noch vrees, noch overmoed iets aan die onwrikbare voorbeschikking kan veranderen.Neen, er is iets gebeurd, dat Bestevaer Tromp erger vindt dan den dood. Want wat kon hem erger lijken, dan dat een Nederlander lafhartig op de vlucht gaat voor den Engelschman?Hij kon haast zijn oogen niet gelooven. Doch ook thans mag er, bij hem althans, geen seconde van aarzeling waargenomen worden. Hij wenkt, en van zijn bodem vliegt een kogel waarschuwend over de vluchtende schepen heen, die er door tot staan worden gebracht. Een gesein, dat de bevelvoerders dadelijk bij hem aan boord moeten komen, wil hij ze niet, om ze voor eigen schande te behoeden, door Nederlandsche kogels in den grond doen boren.En ze komen, de nog eergisteren en gisteren zoo moedige kapiteins.Nu wringen ze de handen, want... „Wezijngeen lafaards, admiraal, maar... er is geen schot kruit meer aan boord, en als een man zich niet meer verdedigenkan, geen middelen meer heeft om een aanval af te slaan—o, admiraal, toen we dàt bemerkten, toen werden we radeloos. Als Reinier Claeszens zouden we den brand in de kruitkamer hebben willen steken... maar die is ledig. Toen is er een geest van schrik en ontsteltenis over de matrozen en over ons gekomen... Straf ons, maar... gevangenen van den Roodrok te worden, te sterven en te verkwijnen in een Britschen kerker... we durfden dat niet aan... en we sloegen op de vlucht, admiraal!”Het was een wanhopend geval. Van alle kanten, onder het gebulder der kanonnen en het omhoogwolken der kruitdampen, kwam het bericht in, dat het buskruit en de kogels opraakten.Ja, nu zou het wel een dier wanhopige terugtochten worden... waarin juist de heldenmoed en de onvergelijkelijke bekwaamheden onzer Nederlandsche Zee-oversten der 17deeeuw zoo schitterend konden uitkomen. Zoo zou, dertien jaar later, een Michiel de Ruijter, door den zoon van Bestevaer Tromp in den steek gelaten, zijn beroemden terugtocht tegen de Engelschen volvoeren, waarom hij later door vriend en vijand bewonderd werd. Op dien terugtocht heeft Michiel de Ruijter, de vrome Michiel de Ruijter, een oogenblik van diepe moedeloosheid gehad en in de bitterheid zijns harten gevraagd, of er onder al die kogels niet één was, die hem treffen wilde. Zulk een moedeloosheid was verre van den zoo dikwijls en zoo zwaar beproefden Tromp.„Je moet niet vluchten, jongens!” luidde kalm en bedaard zijn raad, en er trilde iets in zijn woorden van dat vaderlijke, waardoor zijn minderen hem met geheel hun vertrouwen aanhingen. „Vluchten is schande; maar zich te laten beschermen als men niet meer strijden kàn, als men de middelen daartoe niet meer heeft, wel, dat is volstrekt niet vernederend.”En glimlachend wees hij naar de koopvaarders, die ook verdedigd werden, en hij zei, dat ze zich daar maar bij moesten voegen.„En nu zul-je geen poging meer doen om te vluchten, nietwaar?” vroeg hij. „Zie-je, zulke wonderlijke dingen moet een Engelschman nooit van mijn kinderen zien.”Gewillig voegden zich nu de machteloos geworden oorlogsschepen bij de koopvaarders. Doch... dat moesten er al meer en meer doen. Eindelijk had Tromp niet meer dan een vijf-en-twintigtal schepen over, waarmede hij geheel de koopvaardijvloot en het grootste gedeelte van zijn eigen vloot tegen de in stoutheid toenemende dapperheid der Engelsche aanvallers moest verdedigen. Toch verloren wij niet één oorlogsschip en slechts een paar koopvaarders.En aldoor zeilden wij, al strijdende, den kant van het vaderland op.Toen kwam het bangste oogenblik.Het liep tegen vier uur, toen de Engelsche admiraal Blake al zijn schepen bijeen verzamelde, en het sein gaf tot een algemeenen aanval op de terugtrekkendeNederlandsche vloot, die, gelijk we nu weten, slechts uit een klein hoopje bestond, dat bovendien nog met een zware bewaking was belast.Dadelijk staakte Tromp den terugtocht en wachtte rustig den vreeselijken aanval af, die als een razende stormvloed het eerst op zijn schip en dat van Jan Evertsen losbrak.Een uur is er toen gestreden, zooals er weinig tusschen Nederlanders en Engelschen geworsteld is. En, wat het vreeselijkste was, elke losbranding van onzen kant, bracht ons nader tot de algeheele uitputting van onzen kruitvoorraad.Dat duurde zoo een geheel uur. Toen week de Engelschman van onze vloot. Had hij eens geweten, dat het met onzen kruitvoorraad zoo slecht stond, hoe zou hij volgehouden hebben, en zeker ware hem een totale vernietiging van onze zeemacht en het opbrengen der koopvaarders ten deel gevallen.„Als wij nog een half uur langer hadden moeten vechten,” heeft Tromp verklaard, „dan zouden wij al het scherp verschoten hebben dat nog overig was, en naar alle waarschijnlijkheid in de handen van den vijand hebben moeten vervallen, die onze vloot totaal verslagen had.”Doch de Engelschen waren door de inspanning van het driedaagsche gevecht te vermoeid geworden, om den strijd voort te zetten. Wel zonden zij ons, die dadelijk weer verder zeilden, eenige fregatten achterna, welkeons den geheelen nacht al vurende bleven volgen, maar wij vermorsten daarop ons kleine restje kruit niet.Zoo ging het al verder en verder. Terugtrekkende, maar als een kordate hond, die onophoudelijk de tanden laat zien en den aanvaller op een afstand blijft houden. In het Nauw van Calais vonden we admiraal Dubbel Wit niet. De vaderlandsche lamzaligheid was weer aan het teuten geweest met het uitrusten van schepen. Doch eindelijk, eindelijk bereikten wij de lang verbeide vaderlandsche havens, waar wij den6denMaart binnen vielen.De Engelschen hebben den Driedaagschen Zeeslag een nederlaag voor de Nederlanders genoemd. Want de onzen trokken terug, konden de zee niet houden, en, wat wel het beste bewijs was, na dien slag was de Engelschman weer meester van het Kanaal, gelijk Tromp kort te voren geweest was.Wij kunnen dat de Engelschen niet tegenspreken. Zij hebben in alles, wat zij aanvoeren, gelijk. Maar met hun meermalen gemelde edelmoedige denkwijze over Maerten Harpertsz. Tromp, zullen zij het zeker wel zeer begrijpelijk in ons, Nederlanders, vinden, dat we op weinige zeeslagen uit onze geschiedenis zoo fier zijn, als juist op dien Driedaagschen Zeeslag.
Voor hen, die het op den 1enDecember 1652 van het Brielsche havenhoofd aanschouwden, was het een gezicht om nooit te vergeten. Daar waren van acht-en-zeventig oorlogsschepen de tallooze zeilen ontplooid en niet minder dan tweehonderd koopvaardijschepen zeilden onder die hoede den breeden mond der Maaze uit. In zee gekomen, voegden zich daar nog meerdere oorlogsvaartuigen en koopvaardijschepen aan toe; op den tocht Zuidwaarts kwamen er nog al meer koopvaarders bij, zoodat er een vloot van ongeveer vijfhonderd zeilen het Kanaal invoer, waarvan ongeveer negentig uit oorlogsschepen bestonden. En niet alleen dat Tromp zijn plicht, om dat groote aantal koopvaarders veilig naar den Oceaan te geleiden, goed volbracht, maar het is op dezen tocht ook, dat hij op een inderdaad schitterende wijze den roem van ons volk heeft gehandhaafd.
Het zijn de Engelschen zelve, die zijn beleid in deze worstelingen in het Kanaal zóó hoog aanslaan,dat zij het vergeleken hebben met het beleid van hun grootsten admiraal Nelson. De Engelschen trouwens hebben altijd met veel eerbied tegen onzen Tromp opgezien. Vóór den beroemden zeeslag bij Duins bestond in Engeland evenals elders, „de geheele kunst van oorlogen ter zee enkel in het aan boord leggen en enteren van den vijand, en was de zoogenaamde taktiek aldaar ganschelijk onbekend.” Als voor hun oogen hadden zij in dien zeeslag bij Duins den Nederlandschen vlootvoogd op een geheel àndere wijze zien handelen, den slag zien winnen, langzamerhand komend tot een oplossing, welke vooraf was voorbereid en nu in elkaar werd gezet. „Een nieuw licht,” zegt een Engelsch schrijver, „rees opeens voor de bevatting der Britsche zeelieden op.” En nu zij in den Eersten Engelschen zee-oorlog tegenover den man streden, dien zij „hun grooten tegenstander en leermeester” noemen, waren zij het, die, beter uitgerust, voordeel trokken van de manier van strijden, welke zij van onzen Tromp hadden afgezien. Edelmoedig hebben zij dit erkend, en het royaal beleden, dat het Britsche zeewezen, „aan de Nederlanders, in den persoon van Maerten Harpertsz. Tromp verschuldigd was de verbetering van de kunst des oorlogs ter zee, ten opzichte van het bestuur der vloten in groote zeeslagen.”
In de maand December van het jaar 1652 was men evenwel in Engeland zoo dol niet op Tromp,want hij hield de Engelsche vloot en de Engelsche koopvaardijschepen binnen, terwijl onze koopvaarders door het Kanaal van en naar den Oceaan kwamen aanzeilen, alsof er geen vuiltje aan de lucht was. Het is van dien tijd dat men spreekt, als men zegt dat Tromp den bezem in den mast voerde, als teeken dat hij de zee van den vijand had schoongeveegd. Niets is echter minder waar, dan dat de eenvoudige en zich nooit op eigen daden verheffende Tromp zulk een pocherij toegelaten zou hebben op onze vloot. Dat was in oude tijden wel eens gebeurd, maar tot zulk een laffe snoeverij en kinderachtige uittarting van den vijand zou zich geen Nederlandsch admiraal meer leenen.
Bovendien prikkelde de feitelijke toestand, dat de Nederlandsche vloot voor het oogenblik de baas was op zee, meer dan genoeg de eigenliefde van den Engelschman.
Er werd—geheel in tegenstelling met wat er bij ons gebeurde, waar men Tromp met zijn vloot maar heen en weer liet zeilen om koopvaarders te halen en uitgeleide te doen en hem niet eens den voorraad kruit en lood aanvulde—in Engeland zooveel geld als noodig was beschikbaar gesteld, om een flinke, van al het noodige ruim voorziene vloot van zeventig schepen uit te rusten, en die zeilde in de maand Februari 1653 uit, om Tromp op te zoeken. Juist had onze admiraal een groot getal koopvaarders naarden Oceaan gebracht, en zou nu honderd en vijftig Nederlandsche koopvaardijschepen door het Kanaal heen naar het vaderland terugleiden. Den 28 Februari zag hij aan den horizon de zeilen van de Engelsche vloot uit de zee oprijzen. Er bleef geen andere kans dan, met al dien ballast van koopvaarders bij zich, door den vijand heen te slaan, en al dadelijk gaf Tromp, die volgens zijn gewoonte de vloot in verschillende smaldeelen verdeeld had onder bevel van mannen als Michiel de Ruijter, Jan Evertsen en Pieter Floriszoon, bevel den vijand aan te vallen.
De strijd, die nu volgde, werd van beide kanten met de grootste verbittering gevoerd. Weinig scheelde het, of Michiel de Ruijter had reeds hier zijn loopbaan geëindigd gezien. Hij was op zeker oogenblik zoodanig van vijandelijke schepen omringd, dat er geen ontkomen voor hem meer mogelijk scheen. Gelukkig bemerkte Jan Evertsen hoe veeg het met zijn stadgenoot gesteld stond. Met zijn dapperen sloeg hij zich dwars door den kring heen, die Michiel omkneld hield, en nu wisten onze Zeeuwen wel verder raad met den vijand.
Van den opperbevelhebber af tot aan den minsten schepeling werd in dien slag, welke op de hoogte van Portland plaats had, met groote volharding en hardnekkigheid gestreden. We nemen hier uit vele voorbeelden dat eene van kapitein Jacob Cleijdijck, die door drie groote Engelsche oorlogsbodems aangevallenwerd en niet anders dacht, of zijn laatste uur was geslagen. Hij en zijn jongens worstelen, ten doode bereid, met den ouden heldenmoed, waardoor ons zeevolk heinde en ver bekend was. Maar zijn netelige toestand blijft door de onzen niet onopgemerkt. De Zeeuwsche kapitein Regenmorter was het, die hem ter hulp snelde. Een hoezee van Cleijdijck en de zijnen, die nu met vernieuwde woede den vijand aangrijpen, zoodat een der drie Engelsche schepen naar den kelder gaat. Niet lang echter duurt daarover de jubel van de jongens van Jacob Cleijdijck, want plotseling begint hun eigen schip te trillen... en tot hun ontzetting ervaren zij, dat het zich alreede in zinkenden toestand bevindt. Wat te doen? Met de ratten naar den kelder? Daar kan-je op den laatsten dag van ’t jaar nog wel toe komen, spot de kapitein, en hij wijst zijn jongens een uitweg. Een uitweg? Waarheen? Wel, waar anders dan dwars over een der Engelsche schepen heen naar het schip van Regenmorter! De stoute aanval wordt gewaagd. De Engelschen staan versteld overdienwoesten uitval, maar eer zij van hun ontsteltenis zijn bekomen, zijn ze òf neergeslagen, òf zien de Nederlandsche matrozen dwars over hun schip zich een weg banen naar dat van Regenmorter, waar kapitein Cleijdijck goed van pas kwam. Want dáár was aan boord geen kapitein meer. De dappere Regenmorter was juist gesneuveld. Nu bleef het voor den nieuwen kapiteinnog altijd één tegen twee, maar dat duurde ook niet lang meer. Want door de bezieling, die van hem uitgaat, weet hij zijn manschappen tot wonderen van dapperheid te brengen, zoodat hij overwinnaar blijft en de aanvallers van hem wegdeinzen en wel één er van om het nooit meer na te vertellen.
Wie, niet alleen eigen bodem verdedigen, maar ook over den geheelen strijd het oog houden en zich telkens op de hoogte stellen moest van alles wat er op het geheele tooneel van den strijd plaats had, was natuurlijk Maerten Harpertsz. Tromp. Wèl was in die uren, zooals de zeelui dat zoo eigenaardig uitdrukken, zijn ziel vol zorg. Geheel zijn persoonlijkheid ging op, zoowel in den strijd van zijn bodem tegen de vijandelijke schepen, als in de leiding van den ganschen zeeslag. En toch... hij vergat ook de koopvaarders niet, die zich op zijn bevel tijdens den zeeslag langs de Engelsche kust ophielden. Daar bemerkt hij, tegen vier uur, dat er acht Engelsche fregatten jacht beginnen te maken op onze koopvaarders. Dadelijk Tromp er op los. „Handen af van die weerloozen!” rolt in donderslagen zijn waarschuwing over de golven, een waarschuwing, waarbij dadelijk de daad op de bedreiging volgde, zoodat de fregatten niet wisten hoe spoedig zij, die van vervolgers vervolgden werden, hun prooi zouden loslaten.
Na dien gelukkig afgeslagen aanval op onze koopvaarders, begon van beide zijden de neiging merkbaarte worden, om wat rust te nemen. Heel den dag had het gevecht geduurd; de manschappen hadden dringend behoefte aan rust. Zoo eindigde het eerste gedeelte van den zeeslag, welke in de geschiedenis bekend zou blijven alsde Driedaagsche Zeeslag.
Want den volgenden dag, den 1stenMaart 1653, werd het gevecht met hernieuwde woede door de Engelschen hervat en door de onzen aangenomen. Men bevond zich evenwel niet meer op dezelfde plaats. De koopvaarders moesten gered worden en daarom was Tromp, met heel dien sleep bij zich, doorgezeild den kant van het vaderland op, dat echter nog zoo ver verwijderd was. Om de koopvaardijschepen beter, ook gedurende een zeeslag, te kunnen beschermen, had hij de oorlogsbodems in den vorm van een halve maan laten voortzeilen—zooals hij eenmaal de Spaansche vloot van d’Oquendo in het Kanaal had zien opduiken—en in het midden, dus als het ware van alle kanten beschermd, zijn kostbaren last opgenomen. Nu kon hij al zijn aandacht bij de leiding van het zeegevecht houden en behoefde niet te vreezen, dat, langs de strijdenden heen, een paar jagers stiekem op jacht gingen naar den vetten buit.
Men bevond zich nu op de hoogte van Wight, en daar ontbrandde weldra een hevige strijd, die eerst eindigde toen de zon onderging en men wel moest uitscheiden met vechten, omdat men niet meer vriend van vijand zou onderkennen. Hadden de Britten alsleeuwen gevochten, ze hadden ook als vossen geloerd op de koopvaarders, waartoe aan de twee horens van de Nederlandsche schepen-maan snelzeilende fregatten zich gereed hielden, om van die rijk geladen bodems te pakken zooveel er maar te pakken viel. Toch werden er slechts enkele genomen, en hoewel de Britten beslist in de meerderheid waren, vielen van onze oorlogsschepen hun niet meer dan twee in de handen.
De strijd was wederom gestaakt, maar iedereen begreep, dat de Engelschen den volgenden dag wederom zouden aanvallen. Voor ons was het nu eigenlijk een terugtocht geworden, een trachten om de vaderlandsche havens te bereiken, een hoop, dat bij het Nauw van Calais eindelijk de enkele Nederlandsche schepen zouden opdagen, van welke het heette, dat zij onder admiraal Dubbel Wit uitgerust en de zee ingezonden zouden zijn. Om nog iets anders zou het inderdaad een terugtochtmoetenworden, en wel om iets vreeselijks.
Daar ontvangt toch, in den avond van dien1stenMaart, de opperbevelhebber, zoo moe naar lichaam en geest als hij na deze twee dagen van voortdurende inspanning aller krachten moest zijn, het ontzettende bericht... dat er op verschillende schepen geen genoegzame voorraad van kruit en kogels meer is. Drie maanden lang was de vloot aangewezen gebleven op den voorraad, die in December meegenomen was.Nog één voorraadschip heeft Tromp bij zich. Hij deelt uit, zooveel er nog is. En hij spreekt woorden van troost en bemoediging, en aldoor zeilt men voort. En als de morgen daagt, rijst er voor de oogen van Tromp een zeegezicht op, dat hem diep aangrijpt. Hij bevindt zich precies op dezelfde plaats, waar hij in September 1639 voor ’t eerst de Spaanschearmadauit de zee zag opduiken. Toen, met zijn dertien schepen, moest hij een macht weerstaan die vijfmaal zoo groot was als de zijne. En die ontmoeting bij kaap Bevezier... ze had den held geleid tot de onsterfelijke zege bij Duins.
O, het straalde van glans uit de oogen van Bestevaer, en een gebed steeg uit zijn bekommerde ziel op, dat hier zijn einde in schande en neerlaag niet gevonden mocht worden, nu straks wederom de overmachtige vijand hem en de zijnen, die vermoeid en afgemat waren en gebrek hadden aan verdedigingsmiddelen en altijd nog de beschermers moesten zijn van die talrijke koopvaarders welke een groot deel der welvaart van de geslagen Nederlanders bevatte, voor de derde maal zou aanvallen.
Het zou een der bangste dagen worden, welke Tromp doorleefd heeft. Weer, als den vorigen dag, zeilde men in den vorm van een halve maan verder, de koopvaardijschepen in het midden,—toen de Engelschen omstreeks negen uur in den morgen den aanval begonnen. Twee uren lang verdedigen zichde Nederlanders met kloekheid en slaan met heldenmoed alle aanvallen af,—als er opeens bij de onzen een groote aarzeling ontstaat.
Wat is er?... Is Bestevaer gesneuveld?...
Neen, Goddank, hij staat daar nog hoog op de gevaarlijkste plaats van heel zijn schip, den dood niet vreezende, omdat hij gelooft, dat het uur van zijn afsterven van eeuwigheden her door God vooruit bepaald is en dat noch vrees, noch overmoed iets aan die onwrikbare voorbeschikking kan veranderen.
Neen, er is iets gebeurd, dat Bestevaer Tromp erger vindt dan den dood. Want wat kon hem erger lijken, dan dat een Nederlander lafhartig op de vlucht gaat voor den Engelschman?
Hij kon haast zijn oogen niet gelooven. Doch ook thans mag er, bij hem althans, geen seconde van aarzeling waargenomen worden. Hij wenkt, en van zijn bodem vliegt een kogel waarschuwend over de vluchtende schepen heen, die er door tot staan worden gebracht. Een gesein, dat de bevelvoerders dadelijk bij hem aan boord moeten komen, wil hij ze niet, om ze voor eigen schande te behoeden, door Nederlandsche kogels in den grond doen boren.
En ze komen, de nog eergisteren en gisteren zoo moedige kapiteins.
Nu wringen ze de handen, want... „Wezijngeen lafaards, admiraal, maar... er is geen schot kruit meer aan boord, en als een man zich niet meer verdedigenkan, geen middelen meer heeft om een aanval af te slaan—o, admiraal, toen we dàt bemerkten, toen werden we radeloos. Als Reinier Claeszens zouden we den brand in de kruitkamer hebben willen steken... maar die is ledig. Toen is er een geest van schrik en ontsteltenis over de matrozen en over ons gekomen... Straf ons, maar... gevangenen van den Roodrok te worden, te sterven en te verkwijnen in een Britschen kerker... we durfden dat niet aan... en we sloegen op de vlucht, admiraal!”
Het was een wanhopend geval. Van alle kanten, onder het gebulder der kanonnen en het omhoogwolken der kruitdampen, kwam het bericht in, dat het buskruit en de kogels opraakten.
Ja, nu zou het wel een dier wanhopige terugtochten worden... waarin juist de heldenmoed en de onvergelijkelijke bekwaamheden onzer Nederlandsche Zee-oversten der 17deeeuw zoo schitterend konden uitkomen. Zoo zou, dertien jaar later, een Michiel de Ruijter, door den zoon van Bestevaer Tromp in den steek gelaten, zijn beroemden terugtocht tegen de Engelschen volvoeren, waarom hij later door vriend en vijand bewonderd werd. Op dien terugtocht heeft Michiel de Ruijter, de vrome Michiel de Ruijter, een oogenblik van diepe moedeloosheid gehad en in de bitterheid zijns harten gevraagd, of er onder al die kogels niet één was, die hem treffen wilde. Zulk een moedeloosheid was verre van den zoo dikwijls en zoo zwaar beproefden Tromp.
„Je moet niet vluchten, jongens!” luidde kalm en bedaard zijn raad, en er trilde iets in zijn woorden van dat vaderlijke, waardoor zijn minderen hem met geheel hun vertrouwen aanhingen. „Vluchten is schande; maar zich te laten beschermen als men niet meer strijden kàn, als men de middelen daartoe niet meer heeft, wel, dat is volstrekt niet vernederend.”
En glimlachend wees hij naar de koopvaarders, die ook verdedigd werden, en hij zei, dat ze zich daar maar bij moesten voegen.
„En nu zul-je geen poging meer doen om te vluchten, nietwaar?” vroeg hij. „Zie-je, zulke wonderlijke dingen moet een Engelschman nooit van mijn kinderen zien.”
Gewillig voegden zich nu de machteloos geworden oorlogsschepen bij de koopvaarders. Doch... dat moesten er al meer en meer doen. Eindelijk had Tromp niet meer dan een vijf-en-twintigtal schepen over, waarmede hij geheel de koopvaardijvloot en het grootste gedeelte van zijn eigen vloot tegen de in stoutheid toenemende dapperheid der Engelsche aanvallers moest verdedigen. Toch verloren wij niet één oorlogsschip en slechts een paar koopvaarders.
En aldoor zeilden wij, al strijdende, den kant van het vaderland op.
Toen kwam het bangste oogenblik.
Het liep tegen vier uur, toen de Engelsche admiraal Blake al zijn schepen bijeen verzamelde, en het sein gaf tot een algemeenen aanval op de terugtrekkendeNederlandsche vloot, die, gelijk we nu weten, slechts uit een klein hoopje bestond, dat bovendien nog met een zware bewaking was belast.
Dadelijk staakte Tromp den terugtocht en wachtte rustig den vreeselijken aanval af, die als een razende stormvloed het eerst op zijn schip en dat van Jan Evertsen losbrak.
Een uur is er toen gestreden, zooals er weinig tusschen Nederlanders en Engelschen geworsteld is. En, wat het vreeselijkste was, elke losbranding van onzen kant, bracht ons nader tot de algeheele uitputting van onzen kruitvoorraad.
Dat duurde zoo een geheel uur. Toen week de Engelschman van onze vloot. Had hij eens geweten, dat het met onzen kruitvoorraad zoo slecht stond, hoe zou hij volgehouden hebben, en zeker ware hem een totale vernietiging van onze zeemacht en het opbrengen der koopvaarders ten deel gevallen.
„Als wij nog een half uur langer hadden moeten vechten,” heeft Tromp verklaard, „dan zouden wij al het scherp verschoten hebben dat nog overig was, en naar alle waarschijnlijkheid in de handen van den vijand hebben moeten vervallen, die onze vloot totaal verslagen had.”
Doch de Engelschen waren door de inspanning van het driedaagsche gevecht te vermoeid geworden, om den strijd voort te zetten. Wel zonden zij ons, die dadelijk weer verder zeilden, eenige fregatten achterna, welkeons den geheelen nacht al vurende bleven volgen, maar wij vermorsten daarop ons kleine restje kruit niet.
Zoo ging het al verder en verder. Terugtrekkende, maar als een kordate hond, die onophoudelijk de tanden laat zien en den aanvaller op een afstand blijft houden. In het Nauw van Calais vonden we admiraal Dubbel Wit niet. De vaderlandsche lamzaligheid was weer aan het teuten geweest met het uitrusten van schepen. Doch eindelijk, eindelijk bereikten wij de lang verbeide vaderlandsche havens, waar wij den6denMaart binnen vielen.
De Engelschen hebben den Driedaagschen Zeeslag een nederlaag voor de Nederlanders genoemd. Want de onzen trokken terug, konden de zee niet houden, en, wat wel het beste bewijs was, na dien slag was de Engelschman weer meester van het Kanaal, gelijk Tromp kort te voren geweest was.
Wij kunnen dat de Engelschen niet tegenspreken. Zij hebben in alles, wat zij aanvoeren, gelijk. Maar met hun meermalen gemelde edelmoedige denkwijze over Maerten Harpertsz. Tromp, zullen zij het zeker wel zeer begrijpelijk in ons, Nederlanders, vinden, dat we op weinige zeeslagen uit onze geschiedenis zoo fier zijn, als juist op dien Driedaagschen Zeeslag.