ELFDE HOOFDSTUK.

ELFDE HOOFDSTUK.Is de zee vrij of niet?De vrede van Munster had eindelijk een einde gemaakt aan den Spaanschen oorlog, die niet minder dan tachtig jaar geduurd had, tenminste indien men het tijdperk van het Twaalfjarig Bestand er toe bleef rekenen. Lang hadden de onderhandelingen gesleept. Zelfs waren er, die niet hadden gedacht, dat wij, tegen onze belofte in, zonder Frankrijk een aparten vrede zouden durven sluiten. Over al die dingen was natuurlijk zoo druk geredeneerd, ook in het roefje van de trekschuit, dat niet weinigen, die tot het leger of de vloot behoorden, er eens aan gingen denken, of het niet beter was naar een ander baantje om te kijken. Zoo deed ook Maerten Harpertsz. Tromp. Uit zijn kinderjaren toch herinnerde hij zich het sluiten van het Bestand, en hoe toen zijn vader en vele andere kapiteins hun ontslag uit ’s lands dienst hadden thuisgekregen. Daarom deed hij in het najaar van 1647 een bod naar het Kommandeurschap van zijn geboorteplaats Den Briel, waar toen juist deze betrekking vacant was gekomen.Hij moest toen ondervinden, dat men hoog geklommen kan zijn, een beroemden naam hebben, om toch nog in de stad, waarin men gewonnen en geboren is, voor een ander gepasseerd te worden, wiens naam na een paar eeuwen alleen aan hen bekend is gebleven, die nu en dan den neus in oude boeken en papieren steken. Wie toch kent tegenwoordig nog een zekeren meneer Frederik van Lijer? Toch werd deze op den 9denDecember 1647 door Zijne Hoogheid aangesteld, en Tromp moest het maar bij zijn luitenant-admiraalschap van Holland en West-Friesland houden.Wist toen ook iemand ter wereld, datnaden vrede van Munster de groote en verschrikkelijke oorlogen ter zee een aanvang zouden nemen, waardoor juist dat woord admiraal iets van geheel eenigen klank in onze geschiedenis geworden is?En, of het werk zoo spreken moest, de persoon, die in 1639 bij Duins de scheede wegwierp toen het zwaard getrokken was, kreeg in 1652 de schuld van de vredebreuk met Engeland. Maerten Harpertsz. Tromp, de overwinnaar bij Duins, die in 1639 met eer en loftuitingen overladen werd omdat hij had doorgetast, werd om dezelfde reden in het jaar 1652 door velen in den lande met niet al te vriendelijke blikken begroet. Want hij werd gehouden voor den man, die, omdat hij op een oogenblik van verontwaardiging zijn gewone kalmte en bezadigdheid verloren zou hebben, aan de Engelsche regeering een der welkomevoorwendsels aan de hand deed, om den oorlog met ons te beginnen, waarnaar van Engelschen kant sterk verlangd werd.Zeer eigenaardig was dat, herhalen wij, omdat zoowel bij den zeeslag op de reede van Duins, als in den oorlog met Engeland, een brandend vraagstuk dier dagen aan de orde kwam, dat voor ons, Nederlanders, een levensbeginsel inhield. Dat was het vraagstuk over de al of niet vrije zee.Het bestek en de strekking van ons verhaal laten niet toe, deze zaak uitvoerig te bespreken. Alleen mag het in een geschiedenis van Maerten Harpertsz. Tromp niet met stilzwijgen voorbij worden gegaan.Kon een natie een deel van de zee ook als deel van „het Rijk” beschouwen?„Ja!” zeiden de Denen, en ze sloten de Sont voor alle natiën, die het tolgeld niet wilden betalen, dat door de Denen van elk schip geëischt werd, hetwelk door de Sont van of naar de Oostzee voer.„Neen!” zeiden de andere staten om de Oostzee, namelijk de Zweden en de Polen en de Vrije Steden aan die zee. En te vuur en te zwaard trokken zij, telkens als de gelegenheid hun gunstig scheen, tegen dat recht van Denemarken te velde. Vermoedelijk hadden zij dadelijk „ja” gezegd, indien het hun gelukt ware den Sont-tol te veroveren, en zouden zij, evenals Denemarken, en misschien nog wel een haartje erger,dit recht, om tol van voorbijvarende schepen te heffen, gehandhaafd hebben.De Nederlanders, van wie de meeste koopvaardijschepen naar de Oostzee voeren, hadden er het grootste belang bij, dat de Sont-tol in eigendom toebehoorde aan een staat, die niet al te machtig was. Een niet te machtigen staat konden wij in geval van nood gemakkelijker dwingen, om geen al te overdreven tol-rechten te heffen. Daarom zei men wel eens, dat de sleutels van de Sont van hout waren en te Amsterdam lagen, waarmede men onze oorlogsschepen bedoelde. Vandaar dat, als de Zweden en alle andere vijanden van Denemarken aan de Nederlanders de vraag deden, of een land recht had op een deel der zee, wij toestemmend antwoordden, en deze leer met het zwaard in de vuist tegen de Zweden en andere belagers van Denemarken krachtig en met schitterenden uitslag gehandhaafd hebben.En de Nederlanders zeidenook„ja!” waar het hun dierbare Oost gold. Het gebied van den Gouverneur-Generaal strekte zich óók uit over de zeeën van die eilanden-wereld. En wee den vreemdeling, die het wagen durfde Nederlandsch Oost-Indië te naderen, omer een bezoek te brengen, dat altijd als onwelkom werd beschouwd. Bij den vrede van Munster, waarbij door Spanje ons recht op onze koloniën erkend werd, was daarom ook wel degelijk bepaald geworden, dat Spanjaarden noch Nederlanders in elkaars bezittingenmochten komen „om hun handel uit te breiden of land van elkander in bezit te krijgen.”Maar—wat nu al heel zonderling leek,—het is de advocaat der O.-I. Compagnie, de schrandere Hugo de Groot, die aan den eenen kant „met macht van redenen in Engeland gaat betoogen dat de Hollanders bevoegd zijn in de Molukken juist datgene te verrichten wat zij schennis der Vrije zee noemen, wanneer deEngelschenin Europa het nadoen”,—terwijl hij aan den anderen kant in zijn beroemd boekMare liberum(d. i. de Vrije Zee) een krachtig „neen!” doet hooren en zoo duidelijk als het hem maar mogelijk is aantoont, dat een natiegeenrecht heeft een deel van de zee als eigendom te beschouwen.Nu, dat „neen!” van Hugo de Groot werd door de Hollandsche en Zeeuwsche haringvisschers, die op de kusten van Schotland en Engeland gingen visschen en daar niet graag belasting voor aan Engeland wilden betalen, volmondig nagezegd.Zoodat, zouden we zoo zeggen, we bij de Nederlanders er niet goed wijs uit kunnen worden, of de zee, „vrij” dan wel „gesloten” moest zijn.Laat ons eens even naar Engeland oversteken, en vragen, wat onze goede buren over deze zaak in het midden te brengen hebben. En al weder stellen we zoo duidelijk mogelijk de vraag: of een natie een deel van de zee als een deel van „het Rijk” mag beschouwen?En, haast nog voor we uitgesproken hebben, klinkt ons een krachtig „ja!” tegemoet. En omdat de Engelschen meer van daden dan van woorden houden, hebben ze al in het jaar 1637 van onze visschers door middel van hun oorlogsschepen dertigduizend gulden geëischt als betaling voor het recht om op de Engelsche kust te visschen. En als wij dit toch wel wat bar vinden, duwen zij ons een boek onder den neusMare Clausum(d. i. de Gesloten Zee) getiteld, dat door hun landgenoot Joannes Seldenus geschreven is en door ieder rechtgeaard Engelschman met instemming gelezen wordt. Of al leest hij het niet, hij is toch ten volle overtuigd van de waarheid, die er in aangetoond wordt.Nu ja, als het op boeken aankomt, behoeven wij gelukkig niet verlegen te staan. Wij komen er ook al met een aandragen, een weerlegging opMare Clausumen door een Nederlandsch advocaat met name Dirk Graswinkel met veel talent geschreven. Onze goede buren, de Engelschen, halen er de schouders over op. En als wij, om hen toch tot het lezen van deze kranige wederlegging te bewegen, aanvoeren, dat onze Staten aan meester Dirk Graswinkel voor het schrijven van dit kostelijke boek een jaargeld van niet minder dan ƒ 500.— hebben toegelegd, krijgen wij ten antwoord, dat die advocaat daar goed mee is, maar dat het anders zonde genoemd kan worden van het weggesmeten geld. En als we zoo over enweer met boeken en bewijsgronden elkaar probeeren te overtuigen, zonder dat men daarmede bij een der twee partijen een steek opschiet, hooren we zoo iets mompelen: of het, gelijk de schooljongens doen die van opschieten en niet erg van praatjesmaken houden, niet beter zou wezen er eens om te vechten. Wie het wint, heeft gelijk.Maar wie er erg mee in zijn schik was, dat er een zee zou zijn, waaruit geen ander volk de vischjes mocht opduikelen zonder er behoorlijk voor te betalen, was in zijn tijd wel de Engelsche koning Karel I. Die had veel geld noodig, en van jaar tot jaar viel hem dat al moeilijker van zijn eigen volk te krijgen. Nu was er toch een heerlijk voorwendsel voor een belasting gevonden, waaraan het voor ieder Engelschman een geluk en een voorrecht moest zijn aan mede te betalen. Wat kon billijker en vaderlandslievender schijnen dan een belasting, het Engelsche volk opgelegd, om, zooals de Koning zeide, het recht van Engeland over de zeeën met kracht van wapenen te handhaven?Ja, maar zoo hadden zijn onderdanen dat althans nu nog niet bedoeld! Zij wilden met plezier over de zeeën heerschen, en de haringen en de schelvisschen voor geboren Engelsche visschen verklaren, waarvoor de Nederlanders veel geld moesten opbrengen. Maar om nu daarvoor aan hun koning, die liefst zonder parlement wilde regeeren en zijn eigen zin doorzetten, een belasting te betalen, waardoor hij zijn eigenwijzengang kon gaan en met de vrijheden van het Engelsche volk een loopje nemen—neen, daar waren zij niet bijster op gesteld.En.... daar was me, te midden van het gezeur daarover, Maerten Harpertsz. Tromp gekomen, en had in ’t jaar 1639 niet alleen een vloot aangetastinde Engelsche wateren, maar zelfs op de kust van Engeland! Karel I rekende zich dan ook zeer gehoond, en juist daarom hadden zijn onderdanen er inwendig schik in. „De gemeente in Engeland,” zegt Wagenaar zeer eigenaardig, „schijnt er niet rouwig om geweest te zijn!” Zeker niet; maar wel te verstaan omdat hun koning, dienietdie Spaansche vloot op zijn reede had moeten toelaten, er een gevoelig lesje door kreeg. Doch het feit zelf, dat namelijk het brutale Nederlandsche zeevolk op Engelsen gebied zulk een stout stukje had uitgehaald, was een venijnig wespensteekje geweest voor het Engelsche zelfgevoel. De angel was blijven zitten. En toen er een heele verandering in Engeland had plaats gehad, een groot deel van het volk tegen zijn koning was opgestaan, hem gevangen genomen, ja, op een schavot ter dood gebracht had, en er verder een geest van groot zelfbewustzijn was wakker geworden, aangevuurd door Olivier Cromwell, die het zich maar niet begrijpen kon, dat een rijk en machtig volk als het Engelsche zich in de zeevaart liet overvleugelen door de slechts een paar millioen tellende inwoners van een klein en aan eigen hulpbronneneigenlijk arm landje—toen werd ons wederom behoorlijk rekenschap gevraagd van onze misdaad bij Duins. En als wij, Nederlanders, toch nog altijd tegenover Engeland wilden staande houden, dat de Noordzee vrij was en groot genoeg voor de uitoefening zoowel van de Engelsche als van de Nederlandsche zeevaart en visscherij—wel, herhaalden de Engelschen, en nu op stouten en dreigenden toon, dan moesten we er maar om vechten.

ELFDE HOOFDSTUK.Is de zee vrij of niet?De vrede van Munster had eindelijk een einde gemaakt aan den Spaanschen oorlog, die niet minder dan tachtig jaar geduurd had, tenminste indien men het tijdperk van het Twaalfjarig Bestand er toe bleef rekenen. Lang hadden de onderhandelingen gesleept. Zelfs waren er, die niet hadden gedacht, dat wij, tegen onze belofte in, zonder Frankrijk een aparten vrede zouden durven sluiten. Over al die dingen was natuurlijk zoo druk geredeneerd, ook in het roefje van de trekschuit, dat niet weinigen, die tot het leger of de vloot behoorden, er eens aan gingen denken, of het niet beter was naar een ander baantje om te kijken. Zoo deed ook Maerten Harpertsz. Tromp. Uit zijn kinderjaren toch herinnerde hij zich het sluiten van het Bestand, en hoe toen zijn vader en vele andere kapiteins hun ontslag uit ’s lands dienst hadden thuisgekregen. Daarom deed hij in het najaar van 1647 een bod naar het Kommandeurschap van zijn geboorteplaats Den Briel, waar toen juist deze betrekking vacant was gekomen.Hij moest toen ondervinden, dat men hoog geklommen kan zijn, een beroemden naam hebben, om toch nog in de stad, waarin men gewonnen en geboren is, voor een ander gepasseerd te worden, wiens naam na een paar eeuwen alleen aan hen bekend is gebleven, die nu en dan den neus in oude boeken en papieren steken. Wie toch kent tegenwoordig nog een zekeren meneer Frederik van Lijer? Toch werd deze op den 9denDecember 1647 door Zijne Hoogheid aangesteld, en Tromp moest het maar bij zijn luitenant-admiraalschap van Holland en West-Friesland houden.Wist toen ook iemand ter wereld, datnaden vrede van Munster de groote en verschrikkelijke oorlogen ter zee een aanvang zouden nemen, waardoor juist dat woord admiraal iets van geheel eenigen klank in onze geschiedenis geworden is?En, of het werk zoo spreken moest, de persoon, die in 1639 bij Duins de scheede wegwierp toen het zwaard getrokken was, kreeg in 1652 de schuld van de vredebreuk met Engeland. Maerten Harpertsz. Tromp, de overwinnaar bij Duins, die in 1639 met eer en loftuitingen overladen werd omdat hij had doorgetast, werd om dezelfde reden in het jaar 1652 door velen in den lande met niet al te vriendelijke blikken begroet. Want hij werd gehouden voor den man, die, omdat hij op een oogenblik van verontwaardiging zijn gewone kalmte en bezadigdheid verloren zou hebben, aan de Engelsche regeering een der welkomevoorwendsels aan de hand deed, om den oorlog met ons te beginnen, waarnaar van Engelschen kant sterk verlangd werd.Zeer eigenaardig was dat, herhalen wij, omdat zoowel bij den zeeslag op de reede van Duins, als in den oorlog met Engeland, een brandend vraagstuk dier dagen aan de orde kwam, dat voor ons, Nederlanders, een levensbeginsel inhield. Dat was het vraagstuk over de al of niet vrije zee.Het bestek en de strekking van ons verhaal laten niet toe, deze zaak uitvoerig te bespreken. Alleen mag het in een geschiedenis van Maerten Harpertsz. Tromp niet met stilzwijgen voorbij worden gegaan.Kon een natie een deel van de zee ook als deel van „het Rijk” beschouwen?„Ja!” zeiden de Denen, en ze sloten de Sont voor alle natiën, die het tolgeld niet wilden betalen, dat door de Denen van elk schip geëischt werd, hetwelk door de Sont van of naar de Oostzee voer.„Neen!” zeiden de andere staten om de Oostzee, namelijk de Zweden en de Polen en de Vrije Steden aan die zee. En te vuur en te zwaard trokken zij, telkens als de gelegenheid hun gunstig scheen, tegen dat recht van Denemarken te velde. Vermoedelijk hadden zij dadelijk „ja” gezegd, indien het hun gelukt ware den Sont-tol te veroveren, en zouden zij, evenals Denemarken, en misschien nog wel een haartje erger,dit recht, om tol van voorbijvarende schepen te heffen, gehandhaafd hebben.De Nederlanders, van wie de meeste koopvaardijschepen naar de Oostzee voeren, hadden er het grootste belang bij, dat de Sont-tol in eigendom toebehoorde aan een staat, die niet al te machtig was. Een niet te machtigen staat konden wij in geval van nood gemakkelijker dwingen, om geen al te overdreven tol-rechten te heffen. Daarom zei men wel eens, dat de sleutels van de Sont van hout waren en te Amsterdam lagen, waarmede men onze oorlogsschepen bedoelde. Vandaar dat, als de Zweden en alle andere vijanden van Denemarken aan de Nederlanders de vraag deden, of een land recht had op een deel der zee, wij toestemmend antwoordden, en deze leer met het zwaard in de vuist tegen de Zweden en andere belagers van Denemarken krachtig en met schitterenden uitslag gehandhaafd hebben.En de Nederlanders zeidenook„ja!” waar het hun dierbare Oost gold. Het gebied van den Gouverneur-Generaal strekte zich óók uit over de zeeën van die eilanden-wereld. En wee den vreemdeling, die het wagen durfde Nederlandsch Oost-Indië te naderen, omer een bezoek te brengen, dat altijd als onwelkom werd beschouwd. Bij den vrede van Munster, waarbij door Spanje ons recht op onze koloniën erkend werd, was daarom ook wel degelijk bepaald geworden, dat Spanjaarden noch Nederlanders in elkaars bezittingenmochten komen „om hun handel uit te breiden of land van elkander in bezit te krijgen.”Maar—wat nu al heel zonderling leek,—het is de advocaat der O.-I. Compagnie, de schrandere Hugo de Groot, die aan den eenen kant „met macht van redenen in Engeland gaat betoogen dat de Hollanders bevoegd zijn in de Molukken juist datgene te verrichten wat zij schennis der Vrije zee noemen, wanneer deEngelschenin Europa het nadoen”,—terwijl hij aan den anderen kant in zijn beroemd boekMare liberum(d. i. de Vrije Zee) een krachtig „neen!” doet hooren en zoo duidelijk als het hem maar mogelijk is aantoont, dat een natiegeenrecht heeft een deel van de zee als eigendom te beschouwen.Nu, dat „neen!” van Hugo de Groot werd door de Hollandsche en Zeeuwsche haringvisschers, die op de kusten van Schotland en Engeland gingen visschen en daar niet graag belasting voor aan Engeland wilden betalen, volmondig nagezegd.Zoodat, zouden we zoo zeggen, we bij de Nederlanders er niet goed wijs uit kunnen worden, of de zee, „vrij” dan wel „gesloten” moest zijn.Laat ons eens even naar Engeland oversteken, en vragen, wat onze goede buren over deze zaak in het midden te brengen hebben. En al weder stellen we zoo duidelijk mogelijk de vraag: of een natie een deel van de zee als een deel van „het Rijk” mag beschouwen?En, haast nog voor we uitgesproken hebben, klinkt ons een krachtig „ja!” tegemoet. En omdat de Engelschen meer van daden dan van woorden houden, hebben ze al in het jaar 1637 van onze visschers door middel van hun oorlogsschepen dertigduizend gulden geëischt als betaling voor het recht om op de Engelsche kust te visschen. En als wij dit toch wel wat bar vinden, duwen zij ons een boek onder den neusMare Clausum(d. i. de Gesloten Zee) getiteld, dat door hun landgenoot Joannes Seldenus geschreven is en door ieder rechtgeaard Engelschman met instemming gelezen wordt. Of al leest hij het niet, hij is toch ten volle overtuigd van de waarheid, die er in aangetoond wordt.Nu ja, als het op boeken aankomt, behoeven wij gelukkig niet verlegen te staan. Wij komen er ook al met een aandragen, een weerlegging opMare Clausumen door een Nederlandsch advocaat met name Dirk Graswinkel met veel talent geschreven. Onze goede buren, de Engelschen, halen er de schouders over op. En als wij, om hen toch tot het lezen van deze kranige wederlegging te bewegen, aanvoeren, dat onze Staten aan meester Dirk Graswinkel voor het schrijven van dit kostelijke boek een jaargeld van niet minder dan ƒ 500.— hebben toegelegd, krijgen wij ten antwoord, dat die advocaat daar goed mee is, maar dat het anders zonde genoemd kan worden van het weggesmeten geld. En als we zoo over enweer met boeken en bewijsgronden elkaar probeeren te overtuigen, zonder dat men daarmede bij een der twee partijen een steek opschiet, hooren we zoo iets mompelen: of het, gelijk de schooljongens doen die van opschieten en niet erg van praatjesmaken houden, niet beter zou wezen er eens om te vechten. Wie het wint, heeft gelijk.Maar wie er erg mee in zijn schik was, dat er een zee zou zijn, waaruit geen ander volk de vischjes mocht opduikelen zonder er behoorlijk voor te betalen, was in zijn tijd wel de Engelsche koning Karel I. Die had veel geld noodig, en van jaar tot jaar viel hem dat al moeilijker van zijn eigen volk te krijgen. Nu was er toch een heerlijk voorwendsel voor een belasting gevonden, waaraan het voor ieder Engelschman een geluk en een voorrecht moest zijn aan mede te betalen. Wat kon billijker en vaderlandslievender schijnen dan een belasting, het Engelsche volk opgelegd, om, zooals de Koning zeide, het recht van Engeland over de zeeën met kracht van wapenen te handhaven?Ja, maar zoo hadden zijn onderdanen dat althans nu nog niet bedoeld! Zij wilden met plezier over de zeeën heerschen, en de haringen en de schelvisschen voor geboren Engelsche visschen verklaren, waarvoor de Nederlanders veel geld moesten opbrengen. Maar om nu daarvoor aan hun koning, die liefst zonder parlement wilde regeeren en zijn eigen zin doorzetten, een belasting te betalen, waardoor hij zijn eigenwijzengang kon gaan en met de vrijheden van het Engelsche volk een loopje nemen—neen, daar waren zij niet bijster op gesteld.En.... daar was me, te midden van het gezeur daarover, Maerten Harpertsz. Tromp gekomen, en had in ’t jaar 1639 niet alleen een vloot aangetastinde Engelsche wateren, maar zelfs op de kust van Engeland! Karel I rekende zich dan ook zeer gehoond, en juist daarom hadden zijn onderdanen er inwendig schik in. „De gemeente in Engeland,” zegt Wagenaar zeer eigenaardig, „schijnt er niet rouwig om geweest te zijn!” Zeker niet; maar wel te verstaan omdat hun koning, dienietdie Spaansche vloot op zijn reede had moeten toelaten, er een gevoelig lesje door kreeg. Doch het feit zelf, dat namelijk het brutale Nederlandsche zeevolk op Engelsen gebied zulk een stout stukje had uitgehaald, was een venijnig wespensteekje geweest voor het Engelsche zelfgevoel. De angel was blijven zitten. En toen er een heele verandering in Engeland had plaats gehad, een groot deel van het volk tegen zijn koning was opgestaan, hem gevangen genomen, ja, op een schavot ter dood gebracht had, en er verder een geest van groot zelfbewustzijn was wakker geworden, aangevuurd door Olivier Cromwell, die het zich maar niet begrijpen kon, dat een rijk en machtig volk als het Engelsche zich in de zeevaart liet overvleugelen door de slechts een paar millioen tellende inwoners van een klein en aan eigen hulpbronneneigenlijk arm landje—toen werd ons wederom behoorlijk rekenschap gevraagd van onze misdaad bij Duins. En als wij, Nederlanders, toch nog altijd tegenover Engeland wilden staande houden, dat de Noordzee vrij was en groot genoeg voor de uitoefening zoowel van de Engelsche als van de Nederlandsche zeevaart en visscherij—wel, herhaalden de Engelschen, en nu op stouten en dreigenden toon, dan moesten we er maar om vechten.

ELFDE HOOFDSTUK.Is de zee vrij of niet?

De vrede van Munster had eindelijk een einde gemaakt aan den Spaanschen oorlog, die niet minder dan tachtig jaar geduurd had, tenminste indien men het tijdperk van het Twaalfjarig Bestand er toe bleef rekenen. Lang hadden de onderhandelingen gesleept. Zelfs waren er, die niet hadden gedacht, dat wij, tegen onze belofte in, zonder Frankrijk een aparten vrede zouden durven sluiten. Over al die dingen was natuurlijk zoo druk geredeneerd, ook in het roefje van de trekschuit, dat niet weinigen, die tot het leger of de vloot behoorden, er eens aan gingen denken, of het niet beter was naar een ander baantje om te kijken. Zoo deed ook Maerten Harpertsz. Tromp. Uit zijn kinderjaren toch herinnerde hij zich het sluiten van het Bestand, en hoe toen zijn vader en vele andere kapiteins hun ontslag uit ’s lands dienst hadden thuisgekregen. Daarom deed hij in het najaar van 1647 een bod naar het Kommandeurschap van zijn geboorteplaats Den Briel, waar toen juist deze betrekking vacant was gekomen.Hij moest toen ondervinden, dat men hoog geklommen kan zijn, een beroemden naam hebben, om toch nog in de stad, waarin men gewonnen en geboren is, voor een ander gepasseerd te worden, wiens naam na een paar eeuwen alleen aan hen bekend is gebleven, die nu en dan den neus in oude boeken en papieren steken. Wie toch kent tegenwoordig nog een zekeren meneer Frederik van Lijer? Toch werd deze op den 9denDecember 1647 door Zijne Hoogheid aangesteld, en Tromp moest het maar bij zijn luitenant-admiraalschap van Holland en West-Friesland houden.Wist toen ook iemand ter wereld, datnaden vrede van Munster de groote en verschrikkelijke oorlogen ter zee een aanvang zouden nemen, waardoor juist dat woord admiraal iets van geheel eenigen klank in onze geschiedenis geworden is?En, of het werk zoo spreken moest, de persoon, die in 1639 bij Duins de scheede wegwierp toen het zwaard getrokken was, kreeg in 1652 de schuld van de vredebreuk met Engeland. Maerten Harpertsz. Tromp, de overwinnaar bij Duins, die in 1639 met eer en loftuitingen overladen werd omdat hij had doorgetast, werd om dezelfde reden in het jaar 1652 door velen in den lande met niet al te vriendelijke blikken begroet. Want hij werd gehouden voor den man, die, omdat hij op een oogenblik van verontwaardiging zijn gewone kalmte en bezadigdheid verloren zou hebben, aan de Engelsche regeering een der welkomevoorwendsels aan de hand deed, om den oorlog met ons te beginnen, waarnaar van Engelschen kant sterk verlangd werd.Zeer eigenaardig was dat, herhalen wij, omdat zoowel bij den zeeslag op de reede van Duins, als in den oorlog met Engeland, een brandend vraagstuk dier dagen aan de orde kwam, dat voor ons, Nederlanders, een levensbeginsel inhield. Dat was het vraagstuk over de al of niet vrije zee.Het bestek en de strekking van ons verhaal laten niet toe, deze zaak uitvoerig te bespreken. Alleen mag het in een geschiedenis van Maerten Harpertsz. Tromp niet met stilzwijgen voorbij worden gegaan.Kon een natie een deel van de zee ook als deel van „het Rijk” beschouwen?„Ja!” zeiden de Denen, en ze sloten de Sont voor alle natiën, die het tolgeld niet wilden betalen, dat door de Denen van elk schip geëischt werd, hetwelk door de Sont van of naar de Oostzee voer.„Neen!” zeiden de andere staten om de Oostzee, namelijk de Zweden en de Polen en de Vrije Steden aan die zee. En te vuur en te zwaard trokken zij, telkens als de gelegenheid hun gunstig scheen, tegen dat recht van Denemarken te velde. Vermoedelijk hadden zij dadelijk „ja” gezegd, indien het hun gelukt ware den Sont-tol te veroveren, en zouden zij, evenals Denemarken, en misschien nog wel een haartje erger,dit recht, om tol van voorbijvarende schepen te heffen, gehandhaafd hebben.De Nederlanders, van wie de meeste koopvaardijschepen naar de Oostzee voeren, hadden er het grootste belang bij, dat de Sont-tol in eigendom toebehoorde aan een staat, die niet al te machtig was. Een niet te machtigen staat konden wij in geval van nood gemakkelijker dwingen, om geen al te overdreven tol-rechten te heffen. Daarom zei men wel eens, dat de sleutels van de Sont van hout waren en te Amsterdam lagen, waarmede men onze oorlogsschepen bedoelde. Vandaar dat, als de Zweden en alle andere vijanden van Denemarken aan de Nederlanders de vraag deden, of een land recht had op een deel der zee, wij toestemmend antwoordden, en deze leer met het zwaard in de vuist tegen de Zweden en andere belagers van Denemarken krachtig en met schitterenden uitslag gehandhaafd hebben.En de Nederlanders zeidenook„ja!” waar het hun dierbare Oost gold. Het gebied van den Gouverneur-Generaal strekte zich óók uit over de zeeën van die eilanden-wereld. En wee den vreemdeling, die het wagen durfde Nederlandsch Oost-Indië te naderen, omer een bezoek te brengen, dat altijd als onwelkom werd beschouwd. Bij den vrede van Munster, waarbij door Spanje ons recht op onze koloniën erkend werd, was daarom ook wel degelijk bepaald geworden, dat Spanjaarden noch Nederlanders in elkaars bezittingenmochten komen „om hun handel uit te breiden of land van elkander in bezit te krijgen.”Maar—wat nu al heel zonderling leek,—het is de advocaat der O.-I. Compagnie, de schrandere Hugo de Groot, die aan den eenen kant „met macht van redenen in Engeland gaat betoogen dat de Hollanders bevoegd zijn in de Molukken juist datgene te verrichten wat zij schennis der Vrije zee noemen, wanneer deEngelschenin Europa het nadoen”,—terwijl hij aan den anderen kant in zijn beroemd boekMare liberum(d. i. de Vrije Zee) een krachtig „neen!” doet hooren en zoo duidelijk als het hem maar mogelijk is aantoont, dat een natiegeenrecht heeft een deel van de zee als eigendom te beschouwen.Nu, dat „neen!” van Hugo de Groot werd door de Hollandsche en Zeeuwsche haringvisschers, die op de kusten van Schotland en Engeland gingen visschen en daar niet graag belasting voor aan Engeland wilden betalen, volmondig nagezegd.Zoodat, zouden we zoo zeggen, we bij de Nederlanders er niet goed wijs uit kunnen worden, of de zee, „vrij” dan wel „gesloten” moest zijn.Laat ons eens even naar Engeland oversteken, en vragen, wat onze goede buren over deze zaak in het midden te brengen hebben. En al weder stellen we zoo duidelijk mogelijk de vraag: of een natie een deel van de zee als een deel van „het Rijk” mag beschouwen?En, haast nog voor we uitgesproken hebben, klinkt ons een krachtig „ja!” tegemoet. En omdat de Engelschen meer van daden dan van woorden houden, hebben ze al in het jaar 1637 van onze visschers door middel van hun oorlogsschepen dertigduizend gulden geëischt als betaling voor het recht om op de Engelsche kust te visschen. En als wij dit toch wel wat bar vinden, duwen zij ons een boek onder den neusMare Clausum(d. i. de Gesloten Zee) getiteld, dat door hun landgenoot Joannes Seldenus geschreven is en door ieder rechtgeaard Engelschman met instemming gelezen wordt. Of al leest hij het niet, hij is toch ten volle overtuigd van de waarheid, die er in aangetoond wordt.Nu ja, als het op boeken aankomt, behoeven wij gelukkig niet verlegen te staan. Wij komen er ook al met een aandragen, een weerlegging opMare Clausumen door een Nederlandsch advocaat met name Dirk Graswinkel met veel talent geschreven. Onze goede buren, de Engelschen, halen er de schouders over op. En als wij, om hen toch tot het lezen van deze kranige wederlegging te bewegen, aanvoeren, dat onze Staten aan meester Dirk Graswinkel voor het schrijven van dit kostelijke boek een jaargeld van niet minder dan ƒ 500.— hebben toegelegd, krijgen wij ten antwoord, dat die advocaat daar goed mee is, maar dat het anders zonde genoemd kan worden van het weggesmeten geld. En als we zoo over enweer met boeken en bewijsgronden elkaar probeeren te overtuigen, zonder dat men daarmede bij een der twee partijen een steek opschiet, hooren we zoo iets mompelen: of het, gelijk de schooljongens doen die van opschieten en niet erg van praatjesmaken houden, niet beter zou wezen er eens om te vechten. Wie het wint, heeft gelijk.Maar wie er erg mee in zijn schik was, dat er een zee zou zijn, waaruit geen ander volk de vischjes mocht opduikelen zonder er behoorlijk voor te betalen, was in zijn tijd wel de Engelsche koning Karel I. Die had veel geld noodig, en van jaar tot jaar viel hem dat al moeilijker van zijn eigen volk te krijgen. Nu was er toch een heerlijk voorwendsel voor een belasting gevonden, waaraan het voor ieder Engelschman een geluk en een voorrecht moest zijn aan mede te betalen. Wat kon billijker en vaderlandslievender schijnen dan een belasting, het Engelsche volk opgelegd, om, zooals de Koning zeide, het recht van Engeland over de zeeën met kracht van wapenen te handhaven?Ja, maar zoo hadden zijn onderdanen dat althans nu nog niet bedoeld! Zij wilden met plezier over de zeeën heerschen, en de haringen en de schelvisschen voor geboren Engelsche visschen verklaren, waarvoor de Nederlanders veel geld moesten opbrengen. Maar om nu daarvoor aan hun koning, die liefst zonder parlement wilde regeeren en zijn eigen zin doorzetten, een belasting te betalen, waardoor hij zijn eigenwijzengang kon gaan en met de vrijheden van het Engelsche volk een loopje nemen—neen, daar waren zij niet bijster op gesteld.En.... daar was me, te midden van het gezeur daarover, Maerten Harpertsz. Tromp gekomen, en had in ’t jaar 1639 niet alleen een vloot aangetastinde Engelsche wateren, maar zelfs op de kust van Engeland! Karel I rekende zich dan ook zeer gehoond, en juist daarom hadden zijn onderdanen er inwendig schik in. „De gemeente in Engeland,” zegt Wagenaar zeer eigenaardig, „schijnt er niet rouwig om geweest te zijn!” Zeker niet; maar wel te verstaan omdat hun koning, dienietdie Spaansche vloot op zijn reede had moeten toelaten, er een gevoelig lesje door kreeg. Doch het feit zelf, dat namelijk het brutale Nederlandsche zeevolk op Engelsen gebied zulk een stout stukje had uitgehaald, was een venijnig wespensteekje geweest voor het Engelsche zelfgevoel. De angel was blijven zitten. En toen er een heele verandering in Engeland had plaats gehad, een groot deel van het volk tegen zijn koning was opgestaan, hem gevangen genomen, ja, op een schavot ter dood gebracht had, en er verder een geest van groot zelfbewustzijn was wakker geworden, aangevuurd door Olivier Cromwell, die het zich maar niet begrijpen kon, dat een rijk en machtig volk als het Engelsche zich in de zeevaart liet overvleugelen door de slechts een paar millioen tellende inwoners van een klein en aan eigen hulpbronneneigenlijk arm landje—toen werd ons wederom behoorlijk rekenschap gevraagd van onze misdaad bij Duins. En als wij, Nederlanders, toch nog altijd tegenover Engeland wilden staande houden, dat de Noordzee vrij was en groot genoeg voor de uitoefening zoowel van de Engelsche als van de Nederlandsche zeevaart en visscherij—wel, herhaalden de Engelschen, en nu op stouten en dreigenden toon, dan moesten we er maar om vechten.

De vrede van Munster had eindelijk een einde gemaakt aan den Spaanschen oorlog, die niet minder dan tachtig jaar geduurd had, tenminste indien men het tijdperk van het Twaalfjarig Bestand er toe bleef rekenen. Lang hadden de onderhandelingen gesleept. Zelfs waren er, die niet hadden gedacht, dat wij, tegen onze belofte in, zonder Frankrijk een aparten vrede zouden durven sluiten. Over al die dingen was natuurlijk zoo druk geredeneerd, ook in het roefje van de trekschuit, dat niet weinigen, die tot het leger of de vloot behoorden, er eens aan gingen denken, of het niet beter was naar een ander baantje om te kijken. Zoo deed ook Maerten Harpertsz. Tromp. Uit zijn kinderjaren toch herinnerde hij zich het sluiten van het Bestand, en hoe toen zijn vader en vele andere kapiteins hun ontslag uit ’s lands dienst hadden thuisgekregen. Daarom deed hij in het najaar van 1647 een bod naar het Kommandeurschap van zijn geboorteplaats Den Briel, waar toen juist deze betrekking vacant was gekomen.Hij moest toen ondervinden, dat men hoog geklommen kan zijn, een beroemden naam hebben, om toch nog in de stad, waarin men gewonnen en geboren is, voor een ander gepasseerd te worden, wiens naam na een paar eeuwen alleen aan hen bekend is gebleven, die nu en dan den neus in oude boeken en papieren steken. Wie toch kent tegenwoordig nog een zekeren meneer Frederik van Lijer? Toch werd deze op den 9denDecember 1647 door Zijne Hoogheid aangesteld, en Tromp moest het maar bij zijn luitenant-admiraalschap van Holland en West-Friesland houden.

Wist toen ook iemand ter wereld, datnaden vrede van Munster de groote en verschrikkelijke oorlogen ter zee een aanvang zouden nemen, waardoor juist dat woord admiraal iets van geheel eenigen klank in onze geschiedenis geworden is?

En, of het werk zoo spreken moest, de persoon, die in 1639 bij Duins de scheede wegwierp toen het zwaard getrokken was, kreeg in 1652 de schuld van de vredebreuk met Engeland. Maerten Harpertsz. Tromp, de overwinnaar bij Duins, die in 1639 met eer en loftuitingen overladen werd omdat hij had doorgetast, werd om dezelfde reden in het jaar 1652 door velen in den lande met niet al te vriendelijke blikken begroet. Want hij werd gehouden voor den man, die, omdat hij op een oogenblik van verontwaardiging zijn gewone kalmte en bezadigdheid verloren zou hebben, aan de Engelsche regeering een der welkomevoorwendsels aan de hand deed, om den oorlog met ons te beginnen, waarnaar van Engelschen kant sterk verlangd werd.

Zeer eigenaardig was dat, herhalen wij, omdat zoowel bij den zeeslag op de reede van Duins, als in den oorlog met Engeland, een brandend vraagstuk dier dagen aan de orde kwam, dat voor ons, Nederlanders, een levensbeginsel inhield. Dat was het vraagstuk over de al of niet vrije zee.

Het bestek en de strekking van ons verhaal laten niet toe, deze zaak uitvoerig te bespreken. Alleen mag het in een geschiedenis van Maerten Harpertsz. Tromp niet met stilzwijgen voorbij worden gegaan.

Kon een natie een deel van de zee ook als deel van „het Rijk” beschouwen?

„Ja!” zeiden de Denen, en ze sloten de Sont voor alle natiën, die het tolgeld niet wilden betalen, dat door de Denen van elk schip geëischt werd, hetwelk door de Sont van of naar de Oostzee voer.

„Neen!” zeiden de andere staten om de Oostzee, namelijk de Zweden en de Polen en de Vrije Steden aan die zee. En te vuur en te zwaard trokken zij, telkens als de gelegenheid hun gunstig scheen, tegen dat recht van Denemarken te velde. Vermoedelijk hadden zij dadelijk „ja” gezegd, indien het hun gelukt ware den Sont-tol te veroveren, en zouden zij, evenals Denemarken, en misschien nog wel een haartje erger,dit recht, om tol van voorbijvarende schepen te heffen, gehandhaafd hebben.

De Nederlanders, van wie de meeste koopvaardijschepen naar de Oostzee voeren, hadden er het grootste belang bij, dat de Sont-tol in eigendom toebehoorde aan een staat, die niet al te machtig was. Een niet te machtigen staat konden wij in geval van nood gemakkelijker dwingen, om geen al te overdreven tol-rechten te heffen. Daarom zei men wel eens, dat de sleutels van de Sont van hout waren en te Amsterdam lagen, waarmede men onze oorlogsschepen bedoelde. Vandaar dat, als de Zweden en alle andere vijanden van Denemarken aan de Nederlanders de vraag deden, of een land recht had op een deel der zee, wij toestemmend antwoordden, en deze leer met het zwaard in de vuist tegen de Zweden en andere belagers van Denemarken krachtig en met schitterenden uitslag gehandhaafd hebben.

En de Nederlanders zeidenook„ja!” waar het hun dierbare Oost gold. Het gebied van den Gouverneur-Generaal strekte zich óók uit over de zeeën van die eilanden-wereld. En wee den vreemdeling, die het wagen durfde Nederlandsch Oost-Indië te naderen, omer een bezoek te brengen, dat altijd als onwelkom werd beschouwd. Bij den vrede van Munster, waarbij door Spanje ons recht op onze koloniën erkend werd, was daarom ook wel degelijk bepaald geworden, dat Spanjaarden noch Nederlanders in elkaars bezittingenmochten komen „om hun handel uit te breiden of land van elkander in bezit te krijgen.”

Maar—wat nu al heel zonderling leek,—het is de advocaat der O.-I. Compagnie, de schrandere Hugo de Groot, die aan den eenen kant „met macht van redenen in Engeland gaat betoogen dat de Hollanders bevoegd zijn in de Molukken juist datgene te verrichten wat zij schennis der Vrije zee noemen, wanneer deEngelschenin Europa het nadoen”,—terwijl hij aan den anderen kant in zijn beroemd boekMare liberum(d. i. de Vrije Zee) een krachtig „neen!” doet hooren en zoo duidelijk als het hem maar mogelijk is aantoont, dat een natiegeenrecht heeft een deel van de zee als eigendom te beschouwen.

Nu, dat „neen!” van Hugo de Groot werd door de Hollandsche en Zeeuwsche haringvisschers, die op de kusten van Schotland en Engeland gingen visschen en daar niet graag belasting voor aan Engeland wilden betalen, volmondig nagezegd.

Zoodat, zouden we zoo zeggen, we bij de Nederlanders er niet goed wijs uit kunnen worden, of de zee, „vrij” dan wel „gesloten” moest zijn.

Laat ons eens even naar Engeland oversteken, en vragen, wat onze goede buren over deze zaak in het midden te brengen hebben. En al weder stellen we zoo duidelijk mogelijk de vraag: of een natie een deel van de zee als een deel van „het Rijk” mag beschouwen?

En, haast nog voor we uitgesproken hebben, klinkt ons een krachtig „ja!” tegemoet. En omdat de Engelschen meer van daden dan van woorden houden, hebben ze al in het jaar 1637 van onze visschers door middel van hun oorlogsschepen dertigduizend gulden geëischt als betaling voor het recht om op de Engelsche kust te visschen. En als wij dit toch wel wat bar vinden, duwen zij ons een boek onder den neusMare Clausum(d. i. de Gesloten Zee) getiteld, dat door hun landgenoot Joannes Seldenus geschreven is en door ieder rechtgeaard Engelschman met instemming gelezen wordt. Of al leest hij het niet, hij is toch ten volle overtuigd van de waarheid, die er in aangetoond wordt.

Nu ja, als het op boeken aankomt, behoeven wij gelukkig niet verlegen te staan. Wij komen er ook al met een aandragen, een weerlegging opMare Clausumen door een Nederlandsch advocaat met name Dirk Graswinkel met veel talent geschreven. Onze goede buren, de Engelschen, halen er de schouders over op. En als wij, om hen toch tot het lezen van deze kranige wederlegging te bewegen, aanvoeren, dat onze Staten aan meester Dirk Graswinkel voor het schrijven van dit kostelijke boek een jaargeld van niet minder dan ƒ 500.— hebben toegelegd, krijgen wij ten antwoord, dat die advocaat daar goed mee is, maar dat het anders zonde genoemd kan worden van het weggesmeten geld. En als we zoo over enweer met boeken en bewijsgronden elkaar probeeren te overtuigen, zonder dat men daarmede bij een der twee partijen een steek opschiet, hooren we zoo iets mompelen: of het, gelijk de schooljongens doen die van opschieten en niet erg van praatjesmaken houden, niet beter zou wezen er eens om te vechten. Wie het wint, heeft gelijk.

Maar wie er erg mee in zijn schik was, dat er een zee zou zijn, waaruit geen ander volk de vischjes mocht opduikelen zonder er behoorlijk voor te betalen, was in zijn tijd wel de Engelsche koning Karel I. Die had veel geld noodig, en van jaar tot jaar viel hem dat al moeilijker van zijn eigen volk te krijgen. Nu was er toch een heerlijk voorwendsel voor een belasting gevonden, waaraan het voor ieder Engelschman een geluk en een voorrecht moest zijn aan mede te betalen. Wat kon billijker en vaderlandslievender schijnen dan een belasting, het Engelsche volk opgelegd, om, zooals de Koning zeide, het recht van Engeland over de zeeën met kracht van wapenen te handhaven?

Ja, maar zoo hadden zijn onderdanen dat althans nu nog niet bedoeld! Zij wilden met plezier over de zeeën heerschen, en de haringen en de schelvisschen voor geboren Engelsche visschen verklaren, waarvoor de Nederlanders veel geld moesten opbrengen. Maar om nu daarvoor aan hun koning, die liefst zonder parlement wilde regeeren en zijn eigen zin doorzetten, een belasting te betalen, waardoor hij zijn eigenwijzengang kon gaan en met de vrijheden van het Engelsche volk een loopje nemen—neen, daar waren zij niet bijster op gesteld.

En.... daar was me, te midden van het gezeur daarover, Maerten Harpertsz. Tromp gekomen, en had in ’t jaar 1639 niet alleen een vloot aangetastinde Engelsche wateren, maar zelfs op de kust van Engeland! Karel I rekende zich dan ook zeer gehoond, en juist daarom hadden zijn onderdanen er inwendig schik in. „De gemeente in Engeland,” zegt Wagenaar zeer eigenaardig, „schijnt er niet rouwig om geweest te zijn!” Zeker niet; maar wel te verstaan omdat hun koning, dienietdie Spaansche vloot op zijn reede had moeten toelaten, er een gevoelig lesje door kreeg. Doch het feit zelf, dat namelijk het brutale Nederlandsche zeevolk op Engelsen gebied zulk een stout stukje had uitgehaald, was een venijnig wespensteekje geweest voor het Engelsche zelfgevoel. De angel was blijven zitten. En toen er een heele verandering in Engeland had plaats gehad, een groot deel van het volk tegen zijn koning was opgestaan, hem gevangen genomen, ja, op een schavot ter dood gebracht had, en er verder een geest van groot zelfbewustzijn was wakker geworden, aangevuurd door Olivier Cromwell, die het zich maar niet begrijpen kon, dat een rijk en machtig volk als het Engelsche zich in de zeevaart liet overvleugelen door de slechts een paar millioen tellende inwoners van een klein en aan eigen hulpbronneneigenlijk arm landje—toen werd ons wederom behoorlijk rekenschap gevraagd van onze misdaad bij Duins. En als wij, Nederlanders, toch nog altijd tegenover Engeland wilden staande houden, dat de Noordzee vrij was en groot genoeg voor de uitoefening zoowel van de Engelsche als van de Nederlandsche zeevaart en visscherij—wel, herhaalden de Engelschen, en nu op stouten en dreigenden toon, dan moesten we er maar om vechten.


Back to IndexNext