TWAALFDE HOOFDSTUK.

TWAALFDE HOOFDSTUK.Tromp moet voorzichtig zijn.„Voorzichtig! Bestevaer Tromp!” zeiden de Staten. En zij drukten hem op het hart, om door geen overijlde handelwijze aanleiding te geven tot allerlei verwikkelingen, die bij de gespannen verhouding tusschen de twee naburige volkeren, licht tot een oorlog konden leiden. Het meest had ons zeevolk het land, om in de zoogenaamde Engelsche wateren—een gebied waarvan de grenzen hoe langer hoe meer werden uitgebreid—eerbied te bewijzen aan de Engelsche vlag. Het was wel zoetjesaan een gewoonte geworden, om voor een Engelsch oorlogseskader de vlag en de marszeilen te strijken, en zoolang dit nu als een soort beleefdheid kon beschouwd worden, welke men uit vrijen wil aan de marine van een machtig rijk, waarmede men bevriend heette te zijn, bewees, had men zich bij die gewoonte met de gewone Hollandsche leukheid neergelegd. Doch in den laatsten tijd was deze begroeting een bepaalde eisch geworden, en als men met zoo iets bij ons volk aankomt, loopt hetmis. Ons zeevolk mocht over de Heeren, die de nieuwigheid hadden ingevoerd dat de aloude Prince-vlag voortaan den naam van Statenvlag zou dragen, oordeelen zooals het wilde, die Heeren hadden óók het land aan dien eisch, welke een beleefdheid in een vernedering veranderde. Zij raadden Tromp daarom wel voorzichtigheid aan, maar in het vraagstuk van het strijken van de vlag bonden zij hem niet aan een bepaald bevel. Ze lieten dat over aan zijn bekende bezadigdheid.En toch waren er, die zich de vrees niet konden ontveinzen, dat de Oranjegezinde Tromp in dit geval niet die bezadigdheid zou toonen, welke men van hem meende te mogen verwachten. Er was toch iets uit onze staatsinrichting gelicht, waarmede het volk, dat niet tot de regentenfamiliën of haar aanhangers behoorde, waarmede de „kleyne luyden” met hun dominees, en het zeevolk vooral, maar geen vrede konden vinden. De zoon en opvolger van prins Frederik Hendrik, de talentvolle maar onbesuisde prins Willem de Tweede, was heel jong gestorven. Acht dagen na zijn dood was aan de eveneens zeer jeugdige weduwe een kindje geboren. Dat zwakke, teere wezentje kon toch geen Stadhouder zijn, vonden de Heeren. Natuurlijk moest dat toegestemd worden, maar men wilde toch het beginsel redden en vroeg daarom, of het Prinsje die waardigheid niet kon bekleeden onder voogdijschap van een zijner familieleden. Ook dat was niet mogelijk,hadden de Heeren bepaald, en zoo was het eerste Stadhouderlooze tijdperk begonnen en een diep insnijdende grenslijn aangebracht tusschen Nederlanders èn Nederlanders. Aan den kant nu der voorstanders van een Oranjekindje als Stadhouder, men wist het vrij zeker, stond admiraal Tromp. Ook werden er wonderlijke dingen gefluisterd, als zou de Oranjepartij van een oorlog met Engeland niet alleen de verheffing van het Prinsje, maar ook een tegenomwenteling in Engeland verwachten, waarvan het verdreven Koningsgeslacht familie der Oranjes was.Zoo waren er dus wel, die onze vloot met een bang hart de vaderlandsche havens zagen uitzeilen. En toch moest die vloot naar zee. Want nu Engeland in vijandige verhouding tot Frankrijk stond, matigden zich de Engelsche oorlogsschepen het recht aan, om de schepen, die haar verdacht voorkwamen, aan een onderzoek te onderwerpen, of zij bijgeval niet aan boord hadden, wat mencontrabandenoemde. Dat zulk een onderzoek het meest op de Nederlandsche schepen werd toegepast, sprak van zelf, omdat de Nederlanders nog altijd de vrachtvaarders van Europa waren. Maar eveneens sprak het vanzelf, dat wij dit zooveel mogelijk trachtten tegen te gaan, en onzen koopvaardijschepen niet het recht mochten onthouden van beschermd te worden door oorlogsbodems van hun eigen natie.Toch had men uit voorzorg in Tromp’s instructie neergeschreven, dat hij tusschen Duinkerken en Ostendezee houden en liefst maar niet te dicht de Engelsche kust naderen moest. Trouw had hij zich aan dit voorschrift gehouden, maar toen er een storm opstak kwam het er minder op aan wat er in de instructie stond, dan wel wat „de Zeemanschap” van Tromp noodig achtte. „Een reeder,”—aldus zegt zeer terecht de ons nog wel bekende Joris—„zal zijn schipper niet belasten, dat hij zijn schip zoude stranden, maar de nood doet het dikmaals wel doen”. Zich van de Vlaamsche kust met al haar zandbanken en ondiepten afwendend, zette hij, ter herstel van de geleden schade, koers naar de Engelsche kust. Daar nu woonde wel een bevolking, die den Nederlandschen zeeman niet welgezind was, maar.... na tijden van storm en doodsgevaar, als er hulp en bijstand gevraagd wordt, bestaat er tusschen de zeevarende volkeren geen verschil van nationaliteit. In ’t jaar 1648 had men daarover met Spanje zelfs een afspraak gemaakt. Welke beperkende bepalingen, aldus luidde zij, men ook mocht blijven handhaven voor oorlogsschepen in wederzijdsche havens, men zou een uitzondering maken voor die, welke „gedreven (wierden) door tempeest, ofte gedrongen (wierden) hetselve te doen door nood, om te schouwen de peryken van de Zee”. Daarom kon Tromp gerust zijn, toen hij den Engelschen Commandeur, die voor Dover lag, had laten aanzeggen, „dat hij daar niet kwam, dan door den storm en nood gedreven zijnde”. Die Commandeur had nu de juiste verklaringvan dit onverwacht verschijnen eener Nederlandsche vloot op de Engelsche kust, en alle mogelijke gevoeligheden waren daardoor ontzien.Zoo had alles goed kunnen afloopen, en zou Tromp, na de geleden schade hersteld te hebben, wederom naar zijn in de instructie aangewezen streek zijn teruggezeild, als hij niet gewaarschuwd was geworden dat er zeven straatvaarders groot gevaar liepen door de Engelschen aangetast te worden. Dadelijk stevende de admiraal naar de aangeduide plaats en toen hij wederom de Engelsche kust naderde, ontmoette hij den Britschen admiraal Blake, die het bevel over vijftien oorlogsschepen voerde. Tromp dacht nu niet anders, of hij was al te laat gekomen, en Blake zal wel inwendig woedend geweest zijn, dat, door de nadering van de Nederlandsche zeemacht, het kansje op de zeven straatvaarders minder gunstig voor hem begon te staan. Doch wat beide vlootvoogden bij deze ontmoeting daarover ook mogen gedacht hebben, zeker is het, dat zij beiden al dadelijk voor het groote vraagstuk stonden van het strijken der vlag.Tromp zelf heeft verzekerd en verschillende ooggetuigen hebben het bevestigd, dat hij al zijn zeilen ingenomen had, „uytgesondert beyde myne marszeylen, en die gestreecken, tot respect van den Admirael”. Ook had hij een matroos naar boven gezonden, „die den heer Admirael Blake selve heeft connen sien opclimmen”, om de vlag te strijken endie reeds den wimpel, welke eerst onder de vlag waaide, had ingenomen.Maar de vlag zelf is niet neergegaan.Of Tromp er begrijpelijkerwijze wat te lang mee getalmd heeft, dan wel dat Blake te haastig gebakerd was, valt na zooveel jaren en bij allerlei tegenstrijdige berichten over en weer niet meer uit te maken.„Zoo haest wy binnen schoots quamen”—aldus verhaalt Maerten Harpertsz. Tromp zelf hetgeen er nu verder gebeurde—„heeft hy datelick een yser over ons heen geschooten; weynich daernae noch een schoot geschooten. Doen liet ik myn chaloup (die achter aen ’t schip sleepte) aenhaelen en volk daer in gaen, om myn Capn(= kapitein) aen syn boort te seynden, hem te begroeten en zyne meyninge te verstaen, doch eer het halve volck in de chaloup waren, schiet den Admirael een schoot door ons schip, een man den arm aff, en verscheyden met splinters gequetst, daerop wy met een canon antwoorden, verre voor syn schip, hoopende, dat hy soude onse chaloup aen boort wachten, maer in desselfs plaatse draayt met ons voor de wint en presenteert ons zyne gansche zy, en schiet deselve door ons schip en zeylen, met alle merckelicke mynen (meening), om ons in de gront te schieten; daerover deur verbaestheyt ons volck uit de chaloup over int (in het) schip en de man, die aenonse vlagge stonde om te strycken, beneden is gecomen”.Als we nog wat meer uit dezen brief van Tromp aan de Staten overgeschreven hadden, zouden we vernomen hebben, dat hij eindelijk, als noodteeken voor zijn andere schepen, „de roode vlagge onder de Prince” had laten waaien. In het vuur van zijn redeneering snijdt hij zich hier leelijk in de vingers. Hij mocht toch niet meer van de Prince-vlag spreken, en de Staten van Holland konden hun oogen niet gelooven, toen zij dat maar zoo, alsof er nog een Oranje Stadhouder was, in een brief van een ambtenaar neergeschreven zagen. Ze beschouwden het dan ook als een soort ketterij, „noemden het een abuis en drongen er op aan, dat zulks veranderd zou worden; doch, zoo het schijnt, ontbrak hiertoe de gelegenheid, daar de meeste scheepsbevelhebbers in zee waren, en bleef dit dus zonder gevolg”.De ontmoeting tusschen Tromp en Blake bij Dover leidde tot een al heftiger wordende gedachtenwisseling tusschen de Engelsche en de Nederlandsche staatslieden. „Het ware wel te wenschen”, aldus schreef Johan de Witt nog den 8stenJuni 1652, dus ruim een week na de bovenvermelde ontmoeting tusschen Tromp en Blake, welke den 29stenMei van dat jaar had plaats gehad, „het ware wel te wenschen dat sulx door de voorsichticheyt van d’een of d’ander der Admiraels (Godt weet wie de schult heeft) waere voorgecomen, alsoodaeruyt niet sonder redenen verder verwyderinge staet te vreesen”.De aanstaande raadpensionaris van Holland had goed gezien. De kanonnade op de reede van Dover is het sein geweest tot het uitbreken van den voor ons zoo noodlottigen Eersten Engelschen zee-oorlog.

TWAALFDE HOOFDSTUK.Tromp moet voorzichtig zijn.„Voorzichtig! Bestevaer Tromp!” zeiden de Staten. En zij drukten hem op het hart, om door geen overijlde handelwijze aanleiding te geven tot allerlei verwikkelingen, die bij de gespannen verhouding tusschen de twee naburige volkeren, licht tot een oorlog konden leiden. Het meest had ons zeevolk het land, om in de zoogenaamde Engelsche wateren—een gebied waarvan de grenzen hoe langer hoe meer werden uitgebreid—eerbied te bewijzen aan de Engelsche vlag. Het was wel zoetjesaan een gewoonte geworden, om voor een Engelsch oorlogseskader de vlag en de marszeilen te strijken, en zoolang dit nu als een soort beleefdheid kon beschouwd worden, welke men uit vrijen wil aan de marine van een machtig rijk, waarmede men bevriend heette te zijn, bewees, had men zich bij die gewoonte met de gewone Hollandsche leukheid neergelegd. Doch in den laatsten tijd was deze begroeting een bepaalde eisch geworden, en als men met zoo iets bij ons volk aankomt, loopt hetmis. Ons zeevolk mocht over de Heeren, die de nieuwigheid hadden ingevoerd dat de aloude Prince-vlag voortaan den naam van Statenvlag zou dragen, oordeelen zooals het wilde, die Heeren hadden óók het land aan dien eisch, welke een beleefdheid in een vernedering veranderde. Zij raadden Tromp daarom wel voorzichtigheid aan, maar in het vraagstuk van het strijken van de vlag bonden zij hem niet aan een bepaald bevel. Ze lieten dat over aan zijn bekende bezadigdheid.En toch waren er, die zich de vrees niet konden ontveinzen, dat de Oranjegezinde Tromp in dit geval niet die bezadigdheid zou toonen, welke men van hem meende te mogen verwachten. Er was toch iets uit onze staatsinrichting gelicht, waarmede het volk, dat niet tot de regentenfamiliën of haar aanhangers behoorde, waarmede de „kleyne luyden” met hun dominees, en het zeevolk vooral, maar geen vrede konden vinden. De zoon en opvolger van prins Frederik Hendrik, de talentvolle maar onbesuisde prins Willem de Tweede, was heel jong gestorven. Acht dagen na zijn dood was aan de eveneens zeer jeugdige weduwe een kindje geboren. Dat zwakke, teere wezentje kon toch geen Stadhouder zijn, vonden de Heeren. Natuurlijk moest dat toegestemd worden, maar men wilde toch het beginsel redden en vroeg daarom, of het Prinsje die waardigheid niet kon bekleeden onder voogdijschap van een zijner familieleden. Ook dat was niet mogelijk,hadden de Heeren bepaald, en zoo was het eerste Stadhouderlooze tijdperk begonnen en een diep insnijdende grenslijn aangebracht tusschen Nederlanders èn Nederlanders. Aan den kant nu der voorstanders van een Oranjekindje als Stadhouder, men wist het vrij zeker, stond admiraal Tromp. Ook werden er wonderlijke dingen gefluisterd, als zou de Oranjepartij van een oorlog met Engeland niet alleen de verheffing van het Prinsje, maar ook een tegenomwenteling in Engeland verwachten, waarvan het verdreven Koningsgeslacht familie der Oranjes was.Zoo waren er dus wel, die onze vloot met een bang hart de vaderlandsche havens zagen uitzeilen. En toch moest die vloot naar zee. Want nu Engeland in vijandige verhouding tot Frankrijk stond, matigden zich de Engelsche oorlogsschepen het recht aan, om de schepen, die haar verdacht voorkwamen, aan een onderzoek te onderwerpen, of zij bijgeval niet aan boord hadden, wat mencontrabandenoemde. Dat zulk een onderzoek het meest op de Nederlandsche schepen werd toegepast, sprak van zelf, omdat de Nederlanders nog altijd de vrachtvaarders van Europa waren. Maar eveneens sprak het vanzelf, dat wij dit zooveel mogelijk trachtten tegen te gaan, en onzen koopvaardijschepen niet het recht mochten onthouden van beschermd te worden door oorlogsbodems van hun eigen natie.Toch had men uit voorzorg in Tromp’s instructie neergeschreven, dat hij tusschen Duinkerken en Ostendezee houden en liefst maar niet te dicht de Engelsche kust naderen moest. Trouw had hij zich aan dit voorschrift gehouden, maar toen er een storm opstak kwam het er minder op aan wat er in de instructie stond, dan wel wat „de Zeemanschap” van Tromp noodig achtte. „Een reeder,”—aldus zegt zeer terecht de ons nog wel bekende Joris—„zal zijn schipper niet belasten, dat hij zijn schip zoude stranden, maar de nood doet het dikmaals wel doen”. Zich van de Vlaamsche kust met al haar zandbanken en ondiepten afwendend, zette hij, ter herstel van de geleden schade, koers naar de Engelsche kust. Daar nu woonde wel een bevolking, die den Nederlandschen zeeman niet welgezind was, maar.... na tijden van storm en doodsgevaar, als er hulp en bijstand gevraagd wordt, bestaat er tusschen de zeevarende volkeren geen verschil van nationaliteit. In ’t jaar 1648 had men daarover met Spanje zelfs een afspraak gemaakt. Welke beperkende bepalingen, aldus luidde zij, men ook mocht blijven handhaven voor oorlogsschepen in wederzijdsche havens, men zou een uitzondering maken voor die, welke „gedreven (wierden) door tempeest, ofte gedrongen (wierden) hetselve te doen door nood, om te schouwen de peryken van de Zee”. Daarom kon Tromp gerust zijn, toen hij den Engelschen Commandeur, die voor Dover lag, had laten aanzeggen, „dat hij daar niet kwam, dan door den storm en nood gedreven zijnde”. Die Commandeur had nu de juiste verklaringvan dit onverwacht verschijnen eener Nederlandsche vloot op de Engelsche kust, en alle mogelijke gevoeligheden waren daardoor ontzien.Zoo had alles goed kunnen afloopen, en zou Tromp, na de geleden schade hersteld te hebben, wederom naar zijn in de instructie aangewezen streek zijn teruggezeild, als hij niet gewaarschuwd was geworden dat er zeven straatvaarders groot gevaar liepen door de Engelschen aangetast te worden. Dadelijk stevende de admiraal naar de aangeduide plaats en toen hij wederom de Engelsche kust naderde, ontmoette hij den Britschen admiraal Blake, die het bevel over vijftien oorlogsschepen voerde. Tromp dacht nu niet anders, of hij was al te laat gekomen, en Blake zal wel inwendig woedend geweest zijn, dat, door de nadering van de Nederlandsche zeemacht, het kansje op de zeven straatvaarders minder gunstig voor hem begon te staan. Doch wat beide vlootvoogden bij deze ontmoeting daarover ook mogen gedacht hebben, zeker is het, dat zij beiden al dadelijk voor het groote vraagstuk stonden van het strijken der vlag.Tromp zelf heeft verzekerd en verschillende ooggetuigen hebben het bevestigd, dat hij al zijn zeilen ingenomen had, „uytgesondert beyde myne marszeylen, en die gestreecken, tot respect van den Admirael”. Ook had hij een matroos naar boven gezonden, „die den heer Admirael Blake selve heeft connen sien opclimmen”, om de vlag te strijken endie reeds den wimpel, welke eerst onder de vlag waaide, had ingenomen.Maar de vlag zelf is niet neergegaan.Of Tromp er begrijpelijkerwijze wat te lang mee getalmd heeft, dan wel dat Blake te haastig gebakerd was, valt na zooveel jaren en bij allerlei tegenstrijdige berichten over en weer niet meer uit te maken.„Zoo haest wy binnen schoots quamen”—aldus verhaalt Maerten Harpertsz. Tromp zelf hetgeen er nu verder gebeurde—„heeft hy datelick een yser over ons heen geschooten; weynich daernae noch een schoot geschooten. Doen liet ik myn chaloup (die achter aen ’t schip sleepte) aenhaelen en volk daer in gaen, om myn Capn(= kapitein) aen syn boort te seynden, hem te begroeten en zyne meyninge te verstaen, doch eer het halve volck in de chaloup waren, schiet den Admirael een schoot door ons schip, een man den arm aff, en verscheyden met splinters gequetst, daerop wy met een canon antwoorden, verre voor syn schip, hoopende, dat hy soude onse chaloup aen boort wachten, maer in desselfs plaatse draayt met ons voor de wint en presenteert ons zyne gansche zy, en schiet deselve door ons schip en zeylen, met alle merckelicke mynen (meening), om ons in de gront te schieten; daerover deur verbaestheyt ons volck uit de chaloup over int (in het) schip en de man, die aenonse vlagge stonde om te strycken, beneden is gecomen”.Als we nog wat meer uit dezen brief van Tromp aan de Staten overgeschreven hadden, zouden we vernomen hebben, dat hij eindelijk, als noodteeken voor zijn andere schepen, „de roode vlagge onder de Prince” had laten waaien. In het vuur van zijn redeneering snijdt hij zich hier leelijk in de vingers. Hij mocht toch niet meer van de Prince-vlag spreken, en de Staten van Holland konden hun oogen niet gelooven, toen zij dat maar zoo, alsof er nog een Oranje Stadhouder was, in een brief van een ambtenaar neergeschreven zagen. Ze beschouwden het dan ook als een soort ketterij, „noemden het een abuis en drongen er op aan, dat zulks veranderd zou worden; doch, zoo het schijnt, ontbrak hiertoe de gelegenheid, daar de meeste scheepsbevelhebbers in zee waren, en bleef dit dus zonder gevolg”.De ontmoeting tusschen Tromp en Blake bij Dover leidde tot een al heftiger wordende gedachtenwisseling tusschen de Engelsche en de Nederlandsche staatslieden. „Het ware wel te wenschen”, aldus schreef Johan de Witt nog den 8stenJuni 1652, dus ruim een week na de bovenvermelde ontmoeting tusschen Tromp en Blake, welke den 29stenMei van dat jaar had plaats gehad, „het ware wel te wenschen dat sulx door de voorsichticheyt van d’een of d’ander der Admiraels (Godt weet wie de schult heeft) waere voorgecomen, alsoodaeruyt niet sonder redenen verder verwyderinge staet te vreesen”.De aanstaande raadpensionaris van Holland had goed gezien. De kanonnade op de reede van Dover is het sein geweest tot het uitbreken van den voor ons zoo noodlottigen Eersten Engelschen zee-oorlog.

TWAALFDE HOOFDSTUK.Tromp moet voorzichtig zijn.

„Voorzichtig! Bestevaer Tromp!” zeiden de Staten. En zij drukten hem op het hart, om door geen overijlde handelwijze aanleiding te geven tot allerlei verwikkelingen, die bij de gespannen verhouding tusschen de twee naburige volkeren, licht tot een oorlog konden leiden. Het meest had ons zeevolk het land, om in de zoogenaamde Engelsche wateren—een gebied waarvan de grenzen hoe langer hoe meer werden uitgebreid—eerbied te bewijzen aan de Engelsche vlag. Het was wel zoetjesaan een gewoonte geworden, om voor een Engelsch oorlogseskader de vlag en de marszeilen te strijken, en zoolang dit nu als een soort beleefdheid kon beschouwd worden, welke men uit vrijen wil aan de marine van een machtig rijk, waarmede men bevriend heette te zijn, bewees, had men zich bij die gewoonte met de gewone Hollandsche leukheid neergelegd. Doch in den laatsten tijd was deze begroeting een bepaalde eisch geworden, en als men met zoo iets bij ons volk aankomt, loopt hetmis. Ons zeevolk mocht over de Heeren, die de nieuwigheid hadden ingevoerd dat de aloude Prince-vlag voortaan den naam van Statenvlag zou dragen, oordeelen zooals het wilde, die Heeren hadden óók het land aan dien eisch, welke een beleefdheid in een vernedering veranderde. Zij raadden Tromp daarom wel voorzichtigheid aan, maar in het vraagstuk van het strijken van de vlag bonden zij hem niet aan een bepaald bevel. Ze lieten dat over aan zijn bekende bezadigdheid.En toch waren er, die zich de vrees niet konden ontveinzen, dat de Oranjegezinde Tromp in dit geval niet die bezadigdheid zou toonen, welke men van hem meende te mogen verwachten. Er was toch iets uit onze staatsinrichting gelicht, waarmede het volk, dat niet tot de regentenfamiliën of haar aanhangers behoorde, waarmede de „kleyne luyden” met hun dominees, en het zeevolk vooral, maar geen vrede konden vinden. De zoon en opvolger van prins Frederik Hendrik, de talentvolle maar onbesuisde prins Willem de Tweede, was heel jong gestorven. Acht dagen na zijn dood was aan de eveneens zeer jeugdige weduwe een kindje geboren. Dat zwakke, teere wezentje kon toch geen Stadhouder zijn, vonden de Heeren. Natuurlijk moest dat toegestemd worden, maar men wilde toch het beginsel redden en vroeg daarom, of het Prinsje die waardigheid niet kon bekleeden onder voogdijschap van een zijner familieleden. Ook dat was niet mogelijk,hadden de Heeren bepaald, en zoo was het eerste Stadhouderlooze tijdperk begonnen en een diep insnijdende grenslijn aangebracht tusschen Nederlanders èn Nederlanders. Aan den kant nu der voorstanders van een Oranjekindje als Stadhouder, men wist het vrij zeker, stond admiraal Tromp. Ook werden er wonderlijke dingen gefluisterd, als zou de Oranjepartij van een oorlog met Engeland niet alleen de verheffing van het Prinsje, maar ook een tegenomwenteling in Engeland verwachten, waarvan het verdreven Koningsgeslacht familie der Oranjes was.Zoo waren er dus wel, die onze vloot met een bang hart de vaderlandsche havens zagen uitzeilen. En toch moest die vloot naar zee. Want nu Engeland in vijandige verhouding tot Frankrijk stond, matigden zich de Engelsche oorlogsschepen het recht aan, om de schepen, die haar verdacht voorkwamen, aan een onderzoek te onderwerpen, of zij bijgeval niet aan boord hadden, wat mencontrabandenoemde. Dat zulk een onderzoek het meest op de Nederlandsche schepen werd toegepast, sprak van zelf, omdat de Nederlanders nog altijd de vrachtvaarders van Europa waren. Maar eveneens sprak het vanzelf, dat wij dit zooveel mogelijk trachtten tegen te gaan, en onzen koopvaardijschepen niet het recht mochten onthouden van beschermd te worden door oorlogsbodems van hun eigen natie.Toch had men uit voorzorg in Tromp’s instructie neergeschreven, dat hij tusschen Duinkerken en Ostendezee houden en liefst maar niet te dicht de Engelsche kust naderen moest. Trouw had hij zich aan dit voorschrift gehouden, maar toen er een storm opstak kwam het er minder op aan wat er in de instructie stond, dan wel wat „de Zeemanschap” van Tromp noodig achtte. „Een reeder,”—aldus zegt zeer terecht de ons nog wel bekende Joris—„zal zijn schipper niet belasten, dat hij zijn schip zoude stranden, maar de nood doet het dikmaals wel doen”. Zich van de Vlaamsche kust met al haar zandbanken en ondiepten afwendend, zette hij, ter herstel van de geleden schade, koers naar de Engelsche kust. Daar nu woonde wel een bevolking, die den Nederlandschen zeeman niet welgezind was, maar.... na tijden van storm en doodsgevaar, als er hulp en bijstand gevraagd wordt, bestaat er tusschen de zeevarende volkeren geen verschil van nationaliteit. In ’t jaar 1648 had men daarover met Spanje zelfs een afspraak gemaakt. Welke beperkende bepalingen, aldus luidde zij, men ook mocht blijven handhaven voor oorlogsschepen in wederzijdsche havens, men zou een uitzondering maken voor die, welke „gedreven (wierden) door tempeest, ofte gedrongen (wierden) hetselve te doen door nood, om te schouwen de peryken van de Zee”. Daarom kon Tromp gerust zijn, toen hij den Engelschen Commandeur, die voor Dover lag, had laten aanzeggen, „dat hij daar niet kwam, dan door den storm en nood gedreven zijnde”. Die Commandeur had nu de juiste verklaringvan dit onverwacht verschijnen eener Nederlandsche vloot op de Engelsche kust, en alle mogelijke gevoeligheden waren daardoor ontzien.Zoo had alles goed kunnen afloopen, en zou Tromp, na de geleden schade hersteld te hebben, wederom naar zijn in de instructie aangewezen streek zijn teruggezeild, als hij niet gewaarschuwd was geworden dat er zeven straatvaarders groot gevaar liepen door de Engelschen aangetast te worden. Dadelijk stevende de admiraal naar de aangeduide plaats en toen hij wederom de Engelsche kust naderde, ontmoette hij den Britschen admiraal Blake, die het bevel over vijftien oorlogsschepen voerde. Tromp dacht nu niet anders, of hij was al te laat gekomen, en Blake zal wel inwendig woedend geweest zijn, dat, door de nadering van de Nederlandsche zeemacht, het kansje op de zeven straatvaarders minder gunstig voor hem begon te staan. Doch wat beide vlootvoogden bij deze ontmoeting daarover ook mogen gedacht hebben, zeker is het, dat zij beiden al dadelijk voor het groote vraagstuk stonden van het strijken der vlag.Tromp zelf heeft verzekerd en verschillende ooggetuigen hebben het bevestigd, dat hij al zijn zeilen ingenomen had, „uytgesondert beyde myne marszeylen, en die gestreecken, tot respect van den Admirael”. Ook had hij een matroos naar boven gezonden, „die den heer Admirael Blake selve heeft connen sien opclimmen”, om de vlag te strijken endie reeds den wimpel, welke eerst onder de vlag waaide, had ingenomen.Maar de vlag zelf is niet neergegaan.Of Tromp er begrijpelijkerwijze wat te lang mee getalmd heeft, dan wel dat Blake te haastig gebakerd was, valt na zooveel jaren en bij allerlei tegenstrijdige berichten over en weer niet meer uit te maken.„Zoo haest wy binnen schoots quamen”—aldus verhaalt Maerten Harpertsz. Tromp zelf hetgeen er nu verder gebeurde—„heeft hy datelick een yser over ons heen geschooten; weynich daernae noch een schoot geschooten. Doen liet ik myn chaloup (die achter aen ’t schip sleepte) aenhaelen en volk daer in gaen, om myn Capn(= kapitein) aen syn boort te seynden, hem te begroeten en zyne meyninge te verstaen, doch eer het halve volck in de chaloup waren, schiet den Admirael een schoot door ons schip, een man den arm aff, en verscheyden met splinters gequetst, daerop wy met een canon antwoorden, verre voor syn schip, hoopende, dat hy soude onse chaloup aen boort wachten, maer in desselfs plaatse draayt met ons voor de wint en presenteert ons zyne gansche zy, en schiet deselve door ons schip en zeylen, met alle merckelicke mynen (meening), om ons in de gront te schieten; daerover deur verbaestheyt ons volck uit de chaloup over int (in het) schip en de man, die aenonse vlagge stonde om te strycken, beneden is gecomen”.Als we nog wat meer uit dezen brief van Tromp aan de Staten overgeschreven hadden, zouden we vernomen hebben, dat hij eindelijk, als noodteeken voor zijn andere schepen, „de roode vlagge onder de Prince” had laten waaien. In het vuur van zijn redeneering snijdt hij zich hier leelijk in de vingers. Hij mocht toch niet meer van de Prince-vlag spreken, en de Staten van Holland konden hun oogen niet gelooven, toen zij dat maar zoo, alsof er nog een Oranje Stadhouder was, in een brief van een ambtenaar neergeschreven zagen. Ze beschouwden het dan ook als een soort ketterij, „noemden het een abuis en drongen er op aan, dat zulks veranderd zou worden; doch, zoo het schijnt, ontbrak hiertoe de gelegenheid, daar de meeste scheepsbevelhebbers in zee waren, en bleef dit dus zonder gevolg”.De ontmoeting tusschen Tromp en Blake bij Dover leidde tot een al heftiger wordende gedachtenwisseling tusschen de Engelsche en de Nederlandsche staatslieden. „Het ware wel te wenschen”, aldus schreef Johan de Witt nog den 8stenJuni 1652, dus ruim een week na de bovenvermelde ontmoeting tusschen Tromp en Blake, welke den 29stenMei van dat jaar had plaats gehad, „het ware wel te wenschen dat sulx door de voorsichticheyt van d’een of d’ander der Admiraels (Godt weet wie de schult heeft) waere voorgecomen, alsoodaeruyt niet sonder redenen verder verwyderinge staet te vreesen”.De aanstaande raadpensionaris van Holland had goed gezien. De kanonnade op de reede van Dover is het sein geweest tot het uitbreken van den voor ons zoo noodlottigen Eersten Engelschen zee-oorlog.

„Voorzichtig! Bestevaer Tromp!” zeiden de Staten. En zij drukten hem op het hart, om door geen overijlde handelwijze aanleiding te geven tot allerlei verwikkelingen, die bij de gespannen verhouding tusschen de twee naburige volkeren, licht tot een oorlog konden leiden. Het meest had ons zeevolk het land, om in de zoogenaamde Engelsche wateren—een gebied waarvan de grenzen hoe langer hoe meer werden uitgebreid—eerbied te bewijzen aan de Engelsche vlag. Het was wel zoetjesaan een gewoonte geworden, om voor een Engelsch oorlogseskader de vlag en de marszeilen te strijken, en zoolang dit nu als een soort beleefdheid kon beschouwd worden, welke men uit vrijen wil aan de marine van een machtig rijk, waarmede men bevriend heette te zijn, bewees, had men zich bij die gewoonte met de gewone Hollandsche leukheid neergelegd. Doch in den laatsten tijd was deze begroeting een bepaalde eisch geworden, en als men met zoo iets bij ons volk aankomt, loopt hetmis. Ons zeevolk mocht over de Heeren, die de nieuwigheid hadden ingevoerd dat de aloude Prince-vlag voortaan den naam van Statenvlag zou dragen, oordeelen zooals het wilde, die Heeren hadden óók het land aan dien eisch, welke een beleefdheid in een vernedering veranderde. Zij raadden Tromp daarom wel voorzichtigheid aan, maar in het vraagstuk van het strijken van de vlag bonden zij hem niet aan een bepaald bevel. Ze lieten dat over aan zijn bekende bezadigdheid.

En toch waren er, die zich de vrees niet konden ontveinzen, dat de Oranjegezinde Tromp in dit geval niet die bezadigdheid zou toonen, welke men van hem meende te mogen verwachten. Er was toch iets uit onze staatsinrichting gelicht, waarmede het volk, dat niet tot de regentenfamiliën of haar aanhangers behoorde, waarmede de „kleyne luyden” met hun dominees, en het zeevolk vooral, maar geen vrede konden vinden. De zoon en opvolger van prins Frederik Hendrik, de talentvolle maar onbesuisde prins Willem de Tweede, was heel jong gestorven. Acht dagen na zijn dood was aan de eveneens zeer jeugdige weduwe een kindje geboren. Dat zwakke, teere wezentje kon toch geen Stadhouder zijn, vonden de Heeren. Natuurlijk moest dat toegestemd worden, maar men wilde toch het beginsel redden en vroeg daarom, of het Prinsje die waardigheid niet kon bekleeden onder voogdijschap van een zijner familieleden. Ook dat was niet mogelijk,hadden de Heeren bepaald, en zoo was het eerste Stadhouderlooze tijdperk begonnen en een diep insnijdende grenslijn aangebracht tusschen Nederlanders èn Nederlanders. Aan den kant nu der voorstanders van een Oranjekindje als Stadhouder, men wist het vrij zeker, stond admiraal Tromp. Ook werden er wonderlijke dingen gefluisterd, als zou de Oranjepartij van een oorlog met Engeland niet alleen de verheffing van het Prinsje, maar ook een tegenomwenteling in Engeland verwachten, waarvan het verdreven Koningsgeslacht familie der Oranjes was.

Zoo waren er dus wel, die onze vloot met een bang hart de vaderlandsche havens zagen uitzeilen. En toch moest die vloot naar zee. Want nu Engeland in vijandige verhouding tot Frankrijk stond, matigden zich de Engelsche oorlogsschepen het recht aan, om de schepen, die haar verdacht voorkwamen, aan een onderzoek te onderwerpen, of zij bijgeval niet aan boord hadden, wat mencontrabandenoemde. Dat zulk een onderzoek het meest op de Nederlandsche schepen werd toegepast, sprak van zelf, omdat de Nederlanders nog altijd de vrachtvaarders van Europa waren. Maar eveneens sprak het vanzelf, dat wij dit zooveel mogelijk trachtten tegen te gaan, en onzen koopvaardijschepen niet het recht mochten onthouden van beschermd te worden door oorlogsbodems van hun eigen natie.

Toch had men uit voorzorg in Tromp’s instructie neergeschreven, dat hij tusschen Duinkerken en Ostendezee houden en liefst maar niet te dicht de Engelsche kust naderen moest. Trouw had hij zich aan dit voorschrift gehouden, maar toen er een storm opstak kwam het er minder op aan wat er in de instructie stond, dan wel wat „de Zeemanschap” van Tromp noodig achtte. „Een reeder,”—aldus zegt zeer terecht de ons nog wel bekende Joris—„zal zijn schipper niet belasten, dat hij zijn schip zoude stranden, maar de nood doet het dikmaals wel doen”. Zich van de Vlaamsche kust met al haar zandbanken en ondiepten afwendend, zette hij, ter herstel van de geleden schade, koers naar de Engelsche kust. Daar nu woonde wel een bevolking, die den Nederlandschen zeeman niet welgezind was, maar.... na tijden van storm en doodsgevaar, als er hulp en bijstand gevraagd wordt, bestaat er tusschen de zeevarende volkeren geen verschil van nationaliteit. In ’t jaar 1648 had men daarover met Spanje zelfs een afspraak gemaakt. Welke beperkende bepalingen, aldus luidde zij, men ook mocht blijven handhaven voor oorlogsschepen in wederzijdsche havens, men zou een uitzondering maken voor die, welke „gedreven (wierden) door tempeest, ofte gedrongen (wierden) hetselve te doen door nood, om te schouwen de peryken van de Zee”. Daarom kon Tromp gerust zijn, toen hij den Engelschen Commandeur, die voor Dover lag, had laten aanzeggen, „dat hij daar niet kwam, dan door den storm en nood gedreven zijnde”. Die Commandeur had nu de juiste verklaringvan dit onverwacht verschijnen eener Nederlandsche vloot op de Engelsche kust, en alle mogelijke gevoeligheden waren daardoor ontzien.

Zoo had alles goed kunnen afloopen, en zou Tromp, na de geleden schade hersteld te hebben, wederom naar zijn in de instructie aangewezen streek zijn teruggezeild, als hij niet gewaarschuwd was geworden dat er zeven straatvaarders groot gevaar liepen door de Engelschen aangetast te worden. Dadelijk stevende de admiraal naar de aangeduide plaats en toen hij wederom de Engelsche kust naderde, ontmoette hij den Britschen admiraal Blake, die het bevel over vijftien oorlogsschepen voerde. Tromp dacht nu niet anders, of hij was al te laat gekomen, en Blake zal wel inwendig woedend geweest zijn, dat, door de nadering van de Nederlandsche zeemacht, het kansje op de zeven straatvaarders minder gunstig voor hem begon te staan. Doch wat beide vlootvoogden bij deze ontmoeting daarover ook mogen gedacht hebben, zeker is het, dat zij beiden al dadelijk voor het groote vraagstuk stonden van het strijken der vlag.

Tromp zelf heeft verzekerd en verschillende ooggetuigen hebben het bevestigd, dat hij al zijn zeilen ingenomen had, „uytgesondert beyde myne marszeylen, en die gestreecken, tot respect van den Admirael”. Ook had hij een matroos naar boven gezonden, „die den heer Admirael Blake selve heeft connen sien opclimmen”, om de vlag te strijken endie reeds den wimpel, welke eerst onder de vlag waaide, had ingenomen.

Maar de vlag zelf is niet neergegaan.

Of Tromp er begrijpelijkerwijze wat te lang mee getalmd heeft, dan wel dat Blake te haastig gebakerd was, valt na zooveel jaren en bij allerlei tegenstrijdige berichten over en weer niet meer uit te maken.

„Zoo haest wy binnen schoots quamen”—aldus verhaalt Maerten Harpertsz. Tromp zelf hetgeen er nu verder gebeurde—„heeft hy datelick een yser over ons heen geschooten; weynich daernae noch een schoot geschooten. Doen liet ik myn chaloup (die achter aen ’t schip sleepte) aenhaelen en volk daer in gaen, om myn Capn(= kapitein) aen syn boort te seynden, hem te begroeten en zyne meyninge te verstaen, doch eer het halve volck in de chaloup waren, schiet den Admirael een schoot door ons schip, een man den arm aff, en verscheyden met splinters gequetst, daerop wy met een canon antwoorden, verre voor syn schip, hoopende, dat hy soude onse chaloup aen boort wachten, maer in desselfs plaatse draayt met ons voor de wint en presenteert ons zyne gansche zy, en schiet deselve door ons schip en zeylen, met alle merckelicke mynen (meening), om ons in de gront te schieten; daerover deur verbaestheyt ons volck uit de chaloup over int (in het) schip en de man, die aenonse vlagge stonde om te strycken, beneden is gecomen”.

Als we nog wat meer uit dezen brief van Tromp aan de Staten overgeschreven hadden, zouden we vernomen hebben, dat hij eindelijk, als noodteeken voor zijn andere schepen, „de roode vlagge onder de Prince” had laten waaien. In het vuur van zijn redeneering snijdt hij zich hier leelijk in de vingers. Hij mocht toch niet meer van de Prince-vlag spreken, en de Staten van Holland konden hun oogen niet gelooven, toen zij dat maar zoo, alsof er nog een Oranje Stadhouder was, in een brief van een ambtenaar neergeschreven zagen. Ze beschouwden het dan ook als een soort ketterij, „noemden het een abuis en drongen er op aan, dat zulks veranderd zou worden; doch, zoo het schijnt, ontbrak hiertoe de gelegenheid, daar de meeste scheepsbevelhebbers in zee waren, en bleef dit dus zonder gevolg”.

De ontmoeting tusschen Tromp en Blake bij Dover leidde tot een al heftiger wordende gedachtenwisseling tusschen de Engelsche en de Nederlandsche staatslieden. „Het ware wel te wenschen”, aldus schreef Johan de Witt nog den 8stenJuni 1652, dus ruim een week na de bovenvermelde ontmoeting tusschen Tromp en Blake, welke den 29stenMei van dat jaar had plaats gehad, „het ware wel te wenschen dat sulx door de voorsichticheyt van d’een of d’ander der Admiraels (Godt weet wie de schult heeft) waere voorgecomen, alsoodaeruyt niet sonder redenen verder verwyderinge staet te vreesen”.

De aanstaande raadpensionaris van Holland had goed gezien. De kanonnade op de reede van Dover is het sein geweest tot het uitbreken van den voor ons zoo noodlottigen Eersten Engelschen zee-oorlog.


Back to IndexNext