NEGENDE HOOFDSTUK.

NEGENDE HOOFDSTUK.De dagen van Duins.Dit eerste gevecht met den vijand had plaats gehad op den 16denSeptember. Niet zonder kleerscheuren waren wij er afgekomen, want een van onze schepen, de Groote Christoffel geheeten, was in de lucht gesprongen, en slechts één matroos was er afgekomen. Wouter Pietersz. heette dit gelukskind, die zelf op den 21stenSeptember van deze gebeurtenis „bericht aan de Staet gedaen heeft”.Intusschen had d’Oquendo het met klein zeil om de Noord naar de Cingels gezocht, en wij bleven niet achter. Wij deden al ons best om den uitwijkenden vijand zooveel mogelijk te verontrusten, waarin wij niet altijd konden slagen. Zoo was het den17denSeptember doodstil weer en mistig; maar nauw klaarde het ’s avonds om elf uur wat op met Zuid-Westen wind, of Tromp liet de ankers lichten en joeg den vijand achterna. Om geen vriend met een vijand te verwarren, had Tromp bevolen, dat op verschillende deelen der vaartuigen vuurpannen haar donkerroode vlammenover de zee zouden laten sidderen en trillen, een prachtig en toch angstaanjagend gezicht. Om 1 uur ’s nachts had men den Spanjaard te pakken, en men liet niet los, den heelen nacht door niet. Want men bevond zich al bij de Engelsche kust. En wanneer de Spanjaard daar een toevluchtsoord vond, moest men vooreerst „hands off” houden.Toen het in den morgen van den 18denSeptember begon te dagen, werden in de verte verscheidene zeilen opgemerkt, die naar de kampplaats schenen te komen. Weldra had men ze verkend als de schepen van Joost Banckert. Een groote vreugde doortrilde de onzen. Dat was een aanwinst van twaalf schepen en van een troep versche lieden, die, onder hun dapperen Commandeur, brandden van begeerte om van de partij te zijn. Met verdubbelden ijver zette men nu de vervolging voort.Die jacht en het voortdurend gevecht met den Spanjaard duurde tot 10 uur, „wanneer de Spaenschen in Duyns liepen, achterlaetende een Galleoen met een ander Schip, die veroverd wierden”. Na een krijgsraad werden beide prijzen meegenomen naar Calais, waarheen de vloot zeilde om kruit en lood op te doen, omdat men daar gebrek aan had gekregen. Vervolgens werd admiraal Dubbel Wit gelast met de veroverde schepen naar het vaderland te zeilen, „en de gevangens met de gequetsten mede te nemen”. Admiraal Tromp stak nu weer naar Duins over, om te wachten totde Spaansche vloot die veilige reede zou verlaten.Wat er toen gebeurd is, wel dat is gelukkig nog zoo algemeen bekend, dat we hier volstaan kunnen er even aan te herinneren, hoe het bericht dat de Spanjaard naar de reede van Duins was gejaagd, een groote beweging in ons land veroorzaakte. Daar moest men bij zijn! En toen ontplooide zich een energie bij ons anders zoo kalm en dikwijls langzaam volk, dat we er nu nog het hart warm van voelen kloppen.Die schepen die als vanzelf van stapel loopen, die masten die zienderoogen opwassen waarheen men ook den blik wendt, dat scheepsvolk dat als het ware uit de lucht in die zich al voortspoedende schepen komt neerduikelen. En die Noordzee zelf vol blanke zeilen, wapperende wimpels, vol vroolijk gerucht van jonge, opgeruimde maats.... gants felten, ge loopt gevaar om er met den tijdgenoot een bijzondere beschikking in te zien, dat de wind aldoor uit den Oosten woei, waardoor dat toesnellen van al maar meer schepen bij voortduring mogelijk bleef, en weldra de dertien schepen, waarmede Tromp den vijand bij Bevezier voor het eerst ontmoet had, tot bij de honderd waren aangegroeid, nu de Spanjaard op de veilige ree van Duins weg bleef schuilen.Er werd in die dagen heel wat over gesproken, hoe men zich in dit geval zou te verhouden hebben tegenover Engeland. Op de reede van Duins verhieven zich drie batterijen, en bovendien was de Engelschevlootvoogd Pennington „met zeventien Koningsschepen uitgekomen, en verkondigde, dat men zich ter wederzijden van vijandelijkheden had te onthouden..... Dat hij, die zich er het eerst aan schuldig maakte, de vijand van Groot-Brittanje zou zijn, en als zoodanig behandeld worden.”Wel kan men veilig aannemen, dat de Engelschen in het geheel niet gesteld waren op de aanwezigheid dezer groote vloot, die door de onzen afgesneden bleef van de zee. Ook dat de Engelschen er niet treurig om zouden geweest zijn, indien de Spanjaard geprobeerd had er zich doorheen te slaan. Maar zoolang de Spaansche vloot zich onder bescherming van de Engelsche vlag bevond, konden de Engelschen moeilijk toelaten, dat de Nederlanders die vloot aangrepen. Het zelfgevoel van elke natie zou er tegen opgekomen zijn, om op eigen grondgebied een gast te laten afranselen. Des te minder kon dit hier het geval zijn, waar de gastheer het bijzonder groote zelfgevoel van een Engelschman bezat, en de lieden, die op de zee voor Duins rondzwermden, de Nederlanders waren, waarmede de Engelschen al meer en meer op gespannen voet begonnen te komen. Nog altijd hadden de Britten het niet kunnen verkroppen dat, volgens hun voorstelling, in ’t jaar 1623 een tiental Engelschen, die van een samenzwering tegen de Nederlandsche oppermacht verdacht werden, door de Nederlanders op het eiland Ambon op onwettigewijze veroordeeld en ter dood gebracht waren. Men zou een algemeene afstraffing en vernietiging van eigen gasten op eigen grondgebied dan werkelijk ook niet kunnen toestaan.Als er dat zelfgevoel en die natuurlijke plicht van een gastheer niet bijgekomen waren, geloof ik niet, dat vele Engelschen er om getreurd zouden hebben wanneer de Nederlanders maar dadelijk aangepakt hadden. In die dagen haperde er in Engeland veel aan de goede verstandhouding tusschen den Koning van dat rijk en velen zijner onderdanen. De vriendschap van Karel I ten opzichte van Spanje, vond in Engeland alles behalve een algemeene instemming. Daarom beschouwden velen de Spaansche zeelieden als ongenoode gasten, die men ook gaarne buiten de deur gezet zou hebben, indien het met de eer bestaanbaar ware geweest.Ook van onze zijde was de toestand ingewikkelder dan de matrozen, die maar aan wilden pakken, konden vermoeden. Prins Frederik Hendrik had een eenigen zoon, den thans ruim dertienjarigen Willem, voor wien de eerzucht der moeder in de toekomst een schitterende echtverbintenis zocht. Daartoe was het oog geslagen op een Prinses uit het Engelsche Koningshuis. Het zou voor het Huis van Oranje een ongedacht groote eer zijn, indien het vermaagschapt kon worden met het Koninklijke Huis der Stuarts. Het kon dus werkelijk niet in het plan van den invloedrijken prinsFrederik Hendrik liggen, om door een onoverdachte handelwijze den Koning van Engeland te verbitteren op al wat Nederlander was.Hoe invloedrijk ook—toch bleef de Prins, zij het dan meer in naam dan in der daad, de dienaar der Staten. Doch ook die Staten zagen niet minder tegen een openlijke uittarting van Engelands woede op. Na een victorie zou het een luiden van alle klokken en een groote vreugde door het geheele land zijn. Maar de Staten zouden met de verantwoording en met de naweeën blijven zitten. Zij wisten wel, dat Engeland niets vergeet of vergeeft. Het is in die dagen—terwijl de wind al maar Oostelijk bleef waaien—gebeurd, dat de Staten een brief aan Tromp verzonden, dien hij gelukkig niet ontvangen heeft. Want de visscher, met de overbrenging belast, eenige schepen ziende aankomen en meenende dat hij met Engelschen te doen zou krijgen, wierp den met ballast bezwaarden brief in zee.En weldra ging er een andere boodschap over de zee, het lievelingswoord van admiraal Dubbel Wit. „Val maar aan, o, admiraal Tromp! En welke mogendheid zich ook tegen dien aanval moge verzetten, toon aan de geheele wereld, dat een Nederlander geen aardsche machten schroomt of er voor behoeft te vreezen!”Het werd tijd, dat dit kloeke mannenwoord over de Noordzee kwam aangesneld. Tromp had allemogelijke moeite gedaan, om de Spanjaarden uit hun veilige haven te lokken. Uit angst voor de Nederlanders hadden zij alle gevoel van eer vergeten en zochten naar uitvluchten. Algemeen bekend is het, hoe zij eerst voorgaven hun stengen te Dover te hebben gelaten en dus niet aan een zeeslag konden denken. Tromp liet die masten en stengen halen, en aan boord bij den Spanjaard bezorgen. Toen hadden zij alweer gebrek aan buskruit. Dat vernam Tromp niet van hen, maar van den Engelschen admiraal, bij wien hij er telkens en telkens weer op aandrong, dat er toch een samentreffen met de Spanjaarden mocht plaats hebben. Nu riep Tromp den krijgsraad bij elkaar, en daarin werd besloten den vijand van zooveel buskruit te voorzien als men zelf bij mogelijkheid maar missen kon. Het baatte niet; de Spanjaard bleef verscholen en waagde het niet zich in open zee te meten met den diepverachten Nederlander.Het was en bleef een moeilijk geval. Een Nederlandsch matroos was door den vijand gedood, en zijn lijk werd nu als overtuigingsbewijs, dat de Spanjaarden de onzijdigheid van het Engelsch grondgebied geschonden hadden, aan den Engelschen admiraal gebracht. Die verzocht acht dagen uitstel om er den Koning over te spreken.... maar intusschen begon ook de weersgesteldheid eens een woordje mee te spreken.In den nacht van den 20stenop den 21stenOctober 1639 kwam eindelijk de wind, die zoolang uit denOosten gewaaid had, door het Noorden in ’t Noord-Westen terecht. Toen meende Tromp, die wat hem betrof den vijand liever in open zee bevochten had, het oogenblik gekomen, om de Spaansche vloot op Engelsch gebied aan te vallen. Eerlijk werd er den Engelschen admiraal kennis van gegeven; hij kon nu handelen naar eigen goeddunken, gelijk ook wij van dit oogenblik af van plan waren te doen. Het staat vast, dat tijdens den zeeslag die nu volgde, en waarin de Spaansche macht vernietigd werd, zoowel van de drie Engelsche batterijen als van de Engelsche schepen op de onzen geschoten is. Het eerste had plaats toen er reeds bij het begin van den aanval 23 Spaansche schepen aan den wal vastliepen, waarom de batterijen de bedreigde bodems wilden beschermen voor de Nederlanders, die er zich evenwel weinig aan stoorden en maar hun gang gingen. Van het eerste zoowel als van het tweede maakt Nicolaas van Reigersberch melding, als hij Hugo de Groot over de groote zegepraal schrijft. Hij deelt daarbij de bijzonderheid mede, dat de Engelsche schepen eerst op de onzen schoten, toen zij ver genoeg verwijderd meenden te zijn, om ons niet te kunnen beschadigen. Op die Engelsche vloot werd door een afdeeling der onzen, onder bevel van Witte de With, een waakzaam oog gehouden tijdens den zeeslag. Om het beleedigende dat hierin gelegen kon zijn te voorkomen, hadden wij het voorgesteld alsof de dertig schepen, welke onder Witte tegenoverde Engelsche vloot lagen, alleen aangewezen waren om er zorg voor te dragen, dat haar in de hitte van den strijd geen schade zou worden toegebracht.De uitslag van den strijd is bekend. Meer dan veertig Spaansche schepen werden door de Nederlandsche matrozen veroverd, waarvan zij er veertien in triomf naar de Nederlandsche havens konden meevoeren. Ons verlies bedroeg slechts één schip en circa honderd man. De Spanjaarden hadden het verlies van zevenduizend man te betreuren, waaronder achttienhonderd gevangenen geteld werden. Misschien zijn er meer gevangenen geweest; maar Janmaat liet die liefst ontvluchten. Zelfs moest men er in ons land weldra maatregelen voor nemen, dat de ontsnapping der gevangenen naar Vlaanderen door het bootsvolk niet werd in de hand gewerkt. Schijnbaar was dat een zonderlinge handelwijze van onze varensgasten. Toch lag de oorzaak voor de hand. Een zwerveling, gelijk een zeeman is, kon vandaag in zijn eigen land vrij rondloopen en misschien korten tijd later in een Vlaamschen of Spaanschen kerker geworpen worden. Men behandelde dus een gevangene gelijk men ’t liefst zelf behandeld wilde worden, en—de liefste behandeling was de gelegenheid te krijgen om te ontvluchten. Dat kon Janmaat aan zijn voor ditmaal ongelukkiger collega wel verschaffen, zoolang men zich niet ver van de zee bevond. Waren de gevangenen eenmaal over ’t land verspreid en in de verschillende kerkers opgesloten—waarzij een hard lot hadden, omdat er weinig voor hun onderhoud betaald werd—dan kwam er zelden of nooit iets van een ontsnapping, en bleef de eenige hoop van de in verveling en armoede wegkwijnende zeerobben op een mogelijke uitwisseling van gevangenen bestaan.De wijze, waarop admiraal Tromp en de zijnen in het vaderland werden ingehaald, was warm en hartelijk. Een groote vreugde was er over het geheele land. „Hij wierdt overal met groote tekenen van vreugde, en toejuichingen ontvangen, en van veelen, ook onbekenden, begroet en verwellekomd.... Daarbij wierden de klokken ten teken van vreugde, door het gansche land geluid. Men brandde overal vreugdevuuren en piktonnen. De Toorens wierden met Lantaarnen verligt, en, hier en daar, kostbaare vuurwerken afgestooken”.Een van de meest indrukwekkende oogenblikken moet voor den admiraal zijn verschijning in de Staten van Holland geweest zijn. Niet dat het daar feestelijk of plechtig toeging.’t Was alles heel eenvoudig, en in sobere woorden maken de resolutiën van de Staten er gewag van. Daar stond hij voor zijn meesters, de machtige Heeren van Holland, die twee jaar geleden hem aanbevolen hadden aan den Prins van Oranje, hem, den eenvoudigen Maerten Harpertsz. Tromp, den pekbroek, die redding zou brengen in den nood, die het bevel aanvaard had over een vloot waarop eenvloek scheen te rusten, over kapiteins die zich geen haar minder rekenden dan hij, over een bemanning die aan ’t verloopen was en liever bij de Duinkerkers ter kaapvaart dienst nam dan te blijven op een vloot, welke de spot dierzelfde kapers en de ergernis der landgenooten was.Piet Pietersz. Hein.Piet Pietersz. Hein.De Vice-Admiraal Witte Corneliszoon de With, geboren te Brielle in 1599, gesneuveld bij Elzeneur in 1658, begraven in de Sint-Laurenskerk te Rotterdam.De Vice-Admiraal Witte Corneliszoon de With, geboren te Brielle in 1599, gesneuveld bij Elzeneur in 1658, begraven in de Sint-Laurenskerk te Rotterdam.En nu.... groote en gevoelige slagen waren aan de Duinkerkers toegebracht. Uitgeroeid waren zij voorzeker nog niet, en nog jaren zouden zij met minder of meerder stoutmoedigheid hun rooftochten ondernemen. Maar het geloof aan hun onkwetsbaarheid was vernietigd. Zij waren trefbaar, zij warennietin alle opzichten de meesters der Nederlandsche zeelieden. Zij hadden schier de opperheerschappij over de Noordzee gevoerd. Dááraan was een einde gemaakt, en voor goed een einde, omdat er een Nederlandsch zeewezen geboren was geworden en aanwies en groeide in kracht, een zeewezen, dat de heerschersstaf ter zee ontwrongen had aan de Spaansche monarchie. Dezelfde Nederlanders, die twee jaar geleden schuw hadden opgekeken wanneer er over den boozen man, over den Duinkerker kaper gesproken werd, hadden nu bij Duins twee groote wereldmachten, Spanje en Engeland, tegelijkertijd durven trotseeren. Wèl had Tromp zich het vertrouwen, dat de Heeren van Holland in hem gesteld hadden, waardig getoond.Over dit alles.... geen woord in de resolutie van Woensdag den 2denNovember 1639.„Is binnen gekomen den Heer Lieutenant Admirael Tromp, ende heeft hare Edele Groot Mo met particulariteyten rapport gedaen van al het gunt by hem ende syne byhebbende Vloote ter Zee was bejegent, zedert den acht en twintigsten April sesthien hondert negen en dertigh, als wanneer hij van hier t’zeyl is gegaen tot de Victorie die Godt Almachtigh desen Staet heeft verleent tegen de Spaensche Vloote incluys”.Ziedaar alles. Hij dient een schriftelijke memorie in over den staat der schepen. De zaken beginnen, en daar is hij met even kalme hersenen bij als te midden van den strijd. En zich verheffen op een der glorierijkste gebeurtenissen uit onze geschiedenis? ’t Minst van al denkt daar Bestevaer Tromp aan. De zegen is immers genadiglijk door God aan dezen Staat verleend?Was er ook een andere handelwijze van hem te verwachten, die eens als jongeman voor den Bassa van Tunis stond en eigen eer en voordeel van de hand wees, omdat hij maar één woord had en dat was verpand aan zijn vaderland?Die eenvoudige verschijning van Tromp in de Statenzitting van den2denNovember 1639, is een waardig tegenhanger van de even eenvoudige verschijning van een jong Nederlandsen stuurman, voor het in Oostersche weelde schitterende hof van den Bassa van Tunis, omstreeks den jare 1621.

NEGENDE HOOFDSTUK.De dagen van Duins.Dit eerste gevecht met den vijand had plaats gehad op den 16denSeptember. Niet zonder kleerscheuren waren wij er afgekomen, want een van onze schepen, de Groote Christoffel geheeten, was in de lucht gesprongen, en slechts één matroos was er afgekomen. Wouter Pietersz. heette dit gelukskind, die zelf op den 21stenSeptember van deze gebeurtenis „bericht aan de Staet gedaen heeft”.Intusschen had d’Oquendo het met klein zeil om de Noord naar de Cingels gezocht, en wij bleven niet achter. Wij deden al ons best om den uitwijkenden vijand zooveel mogelijk te verontrusten, waarin wij niet altijd konden slagen. Zoo was het den17denSeptember doodstil weer en mistig; maar nauw klaarde het ’s avonds om elf uur wat op met Zuid-Westen wind, of Tromp liet de ankers lichten en joeg den vijand achterna. Om geen vriend met een vijand te verwarren, had Tromp bevolen, dat op verschillende deelen der vaartuigen vuurpannen haar donkerroode vlammenover de zee zouden laten sidderen en trillen, een prachtig en toch angstaanjagend gezicht. Om 1 uur ’s nachts had men den Spanjaard te pakken, en men liet niet los, den heelen nacht door niet. Want men bevond zich al bij de Engelsche kust. En wanneer de Spanjaard daar een toevluchtsoord vond, moest men vooreerst „hands off” houden.Toen het in den morgen van den 18denSeptember begon te dagen, werden in de verte verscheidene zeilen opgemerkt, die naar de kampplaats schenen te komen. Weldra had men ze verkend als de schepen van Joost Banckert. Een groote vreugde doortrilde de onzen. Dat was een aanwinst van twaalf schepen en van een troep versche lieden, die, onder hun dapperen Commandeur, brandden van begeerte om van de partij te zijn. Met verdubbelden ijver zette men nu de vervolging voort.Die jacht en het voortdurend gevecht met den Spanjaard duurde tot 10 uur, „wanneer de Spaenschen in Duyns liepen, achterlaetende een Galleoen met een ander Schip, die veroverd wierden”. Na een krijgsraad werden beide prijzen meegenomen naar Calais, waarheen de vloot zeilde om kruit en lood op te doen, omdat men daar gebrek aan had gekregen. Vervolgens werd admiraal Dubbel Wit gelast met de veroverde schepen naar het vaderland te zeilen, „en de gevangens met de gequetsten mede te nemen”. Admiraal Tromp stak nu weer naar Duins over, om te wachten totde Spaansche vloot die veilige reede zou verlaten.Wat er toen gebeurd is, wel dat is gelukkig nog zoo algemeen bekend, dat we hier volstaan kunnen er even aan te herinneren, hoe het bericht dat de Spanjaard naar de reede van Duins was gejaagd, een groote beweging in ons land veroorzaakte. Daar moest men bij zijn! En toen ontplooide zich een energie bij ons anders zoo kalm en dikwijls langzaam volk, dat we er nu nog het hart warm van voelen kloppen.Die schepen die als vanzelf van stapel loopen, die masten die zienderoogen opwassen waarheen men ook den blik wendt, dat scheepsvolk dat als het ware uit de lucht in die zich al voortspoedende schepen komt neerduikelen. En die Noordzee zelf vol blanke zeilen, wapperende wimpels, vol vroolijk gerucht van jonge, opgeruimde maats.... gants felten, ge loopt gevaar om er met den tijdgenoot een bijzondere beschikking in te zien, dat de wind aldoor uit den Oosten woei, waardoor dat toesnellen van al maar meer schepen bij voortduring mogelijk bleef, en weldra de dertien schepen, waarmede Tromp den vijand bij Bevezier voor het eerst ontmoet had, tot bij de honderd waren aangegroeid, nu de Spanjaard op de veilige ree van Duins weg bleef schuilen.Er werd in die dagen heel wat over gesproken, hoe men zich in dit geval zou te verhouden hebben tegenover Engeland. Op de reede van Duins verhieven zich drie batterijen, en bovendien was de Engelschevlootvoogd Pennington „met zeventien Koningsschepen uitgekomen, en verkondigde, dat men zich ter wederzijden van vijandelijkheden had te onthouden..... Dat hij, die zich er het eerst aan schuldig maakte, de vijand van Groot-Brittanje zou zijn, en als zoodanig behandeld worden.”Wel kan men veilig aannemen, dat de Engelschen in het geheel niet gesteld waren op de aanwezigheid dezer groote vloot, die door de onzen afgesneden bleef van de zee. Ook dat de Engelschen er niet treurig om zouden geweest zijn, indien de Spanjaard geprobeerd had er zich doorheen te slaan. Maar zoolang de Spaansche vloot zich onder bescherming van de Engelsche vlag bevond, konden de Engelschen moeilijk toelaten, dat de Nederlanders die vloot aangrepen. Het zelfgevoel van elke natie zou er tegen opgekomen zijn, om op eigen grondgebied een gast te laten afranselen. Des te minder kon dit hier het geval zijn, waar de gastheer het bijzonder groote zelfgevoel van een Engelschman bezat, en de lieden, die op de zee voor Duins rondzwermden, de Nederlanders waren, waarmede de Engelschen al meer en meer op gespannen voet begonnen te komen. Nog altijd hadden de Britten het niet kunnen verkroppen dat, volgens hun voorstelling, in ’t jaar 1623 een tiental Engelschen, die van een samenzwering tegen de Nederlandsche oppermacht verdacht werden, door de Nederlanders op het eiland Ambon op onwettigewijze veroordeeld en ter dood gebracht waren. Men zou een algemeene afstraffing en vernietiging van eigen gasten op eigen grondgebied dan werkelijk ook niet kunnen toestaan.Als er dat zelfgevoel en die natuurlijke plicht van een gastheer niet bijgekomen waren, geloof ik niet, dat vele Engelschen er om getreurd zouden hebben wanneer de Nederlanders maar dadelijk aangepakt hadden. In die dagen haperde er in Engeland veel aan de goede verstandhouding tusschen den Koning van dat rijk en velen zijner onderdanen. De vriendschap van Karel I ten opzichte van Spanje, vond in Engeland alles behalve een algemeene instemming. Daarom beschouwden velen de Spaansche zeelieden als ongenoode gasten, die men ook gaarne buiten de deur gezet zou hebben, indien het met de eer bestaanbaar ware geweest.Ook van onze zijde was de toestand ingewikkelder dan de matrozen, die maar aan wilden pakken, konden vermoeden. Prins Frederik Hendrik had een eenigen zoon, den thans ruim dertienjarigen Willem, voor wien de eerzucht der moeder in de toekomst een schitterende echtverbintenis zocht. Daartoe was het oog geslagen op een Prinses uit het Engelsche Koningshuis. Het zou voor het Huis van Oranje een ongedacht groote eer zijn, indien het vermaagschapt kon worden met het Koninklijke Huis der Stuarts. Het kon dus werkelijk niet in het plan van den invloedrijken prinsFrederik Hendrik liggen, om door een onoverdachte handelwijze den Koning van Engeland te verbitteren op al wat Nederlander was.Hoe invloedrijk ook—toch bleef de Prins, zij het dan meer in naam dan in der daad, de dienaar der Staten. Doch ook die Staten zagen niet minder tegen een openlijke uittarting van Engelands woede op. Na een victorie zou het een luiden van alle klokken en een groote vreugde door het geheele land zijn. Maar de Staten zouden met de verantwoording en met de naweeën blijven zitten. Zij wisten wel, dat Engeland niets vergeet of vergeeft. Het is in die dagen—terwijl de wind al maar Oostelijk bleef waaien—gebeurd, dat de Staten een brief aan Tromp verzonden, dien hij gelukkig niet ontvangen heeft. Want de visscher, met de overbrenging belast, eenige schepen ziende aankomen en meenende dat hij met Engelschen te doen zou krijgen, wierp den met ballast bezwaarden brief in zee.En weldra ging er een andere boodschap over de zee, het lievelingswoord van admiraal Dubbel Wit. „Val maar aan, o, admiraal Tromp! En welke mogendheid zich ook tegen dien aanval moge verzetten, toon aan de geheele wereld, dat een Nederlander geen aardsche machten schroomt of er voor behoeft te vreezen!”Het werd tijd, dat dit kloeke mannenwoord over de Noordzee kwam aangesneld. Tromp had allemogelijke moeite gedaan, om de Spanjaarden uit hun veilige haven te lokken. Uit angst voor de Nederlanders hadden zij alle gevoel van eer vergeten en zochten naar uitvluchten. Algemeen bekend is het, hoe zij eerst voorgaven hun stengen te Dover te hebben gelaten en dus niet aan een zeeslag konden denken. Tromp liet die masten en stengen halen, en aan boord bij den Spanjaard bezorgen. Toen hadden zij alweer gebrek aan buskruit. Dat vernam Tromp niet van hen, maar van den Engelschen admiraal, bij wien hij er telkens en telkens weer op aandrong, dat er toch een samentreffen met de Spanjaarden mocht plaats hebben. Nu riep Tromp den krijgsraad bij elkaar, en daarin werd besloten den vijand van zooveel buskruit te voorzien als men zelf bij mogelijkheid maar missen kon. Het baatte niet; de Spanjaard bleef verscholen en waagde het niet zich in open zee te meten met den diepverachten Nederlander.Het was en bleef een moeilijk geval. Een Nederlandsch matroos was door den vijand gedood, en zijn lijk werd nu als overtuigingsbewijs, dat de Spanjaarden de onzijdigheid van het Engelsch grondgebied geschonden hadden, aan den Engelschen admiraal gebracht. Die verzocht acht dagen uitstel om er den Koning over te spreken.... maar intusschen begon ook de weersgesteldheid eens een woordje mee te spreken.In den nacht van den 20stenop den 21stenOctober 1639 kwam eindelijk de wind, die zoolang uit denOosten gewaaid had, door het Noorden in ’t Noord-Westen terecht. Toen meende Tromp, die wat hem betrof den vijand liever in open zee bevochten had, het oogenblik gekomen, om de Spaansche vloot op Engelsch gebied aan te vallen. Eerlijk werd er den Engelschen admiraal kennis van gegeven; hij kon nu handelen naar eigen goeddunken, gelijk ook wij van dit oogenblik af van plan waren te doen. Het staat vast, dat tijdens den zeeslag die nu volgde, en waarin de Spaansche macht vernietigd werd, zoowel van de drie Engelsche batterijen als van de Engelsche schepen op de onzen geschoten is. Het eerste had plaats toen er reeds bij het begin van den aanval 23 Spaansche schepen aan den wal vastliepen, waarom de batterijen de bedreigde bodems wilden beschermen voor de Nederlanders, die er zich evenwel weinig aan stoorden en maar hun gang gingen. Van het eerste zoowel als van het tweede maakt Nicolaas van Reigersberch melding, als hij Hugo de Groot over de groote zegepraal schrijft. Hij deelt daarbij de bijzonderheid mede, dat de Engelsche schepen eerst op de onzen schoten, toen zij ver genoeg verwijderd meenden te zijn, om ons niet te kunnen beschadigen. Op die Engelsche vloot werd door een afdeeling der onzen, onder bevel van Witte de With, een waakzaam oog gehouden tijdens den zeeslag. Om het beleedigende dat hierin gelegen kon zijn te voorkomen, hadden wij het voorgesteld alsof de dertig schepen, welke onder Witte tegenoverde Engelsche vloot lagen, alleen aangewezen waren om er zorg voor te dragen, dat haar in de hitte van den strijd geen schade zou worden toegebracht.De uitslag van den strijd is bekend. Meer dan veertig Spaansche schepen werden door de Nederlandsche matrozen veroverd, waarvan zij er veertien in triomf naar de Nederlandsche havens konden meevoeren. Ons verlies bedroeg slechts één schip en circa honderd man. De Spanjaarden hadden het verlies van zevenduizend man te betreuren, waaronder achttienhonderd gevangenen geteld werden. Misschien zijn er meer gevangenen geweest; maar Janmaat liet die liefst ontvluchten. Zelfs moest men er in ons land weldra maatregelen voor nemen, dat de ontsnapping der gevangenen naar Vlaanderen door het bootsvolk niet werd in de hand gewerkt. Schijnbaar was dat een zonderlinge handelwijze van onze varensgasten. Toch lag de oorzaak voor de hand. Een zwerveling, gelijk een zeeman is, kon vandaag in zijn eigen land vrij rondloopen en misschien korten tijd later in een Vlaamschen of Spaanschen kerker geworpen worden. Men behandelde dus een gevangene gelijk men ’t liefst zelf behandeld wilde worden, en—de liefste behandeling was de gelegenheid te krijgen om te ontvluchten. Dat kon Janmaat aan zijn voor ditmaal ongelukkiger collega wel verschaffen, zoolang men zich niet ver van de zee bevond. Waren de gevangenen eenmaal over ’t land verspreid en in de verschillende kerkers opgesloten—waarzij een hard lot hadden, omdat er weinig voor hun onderhoud betaald werd—dan kwam er zelden of nooit iets van een ontsnapping, en bleef de eenige hoop van de in verveling en armoede wegkwijnende zeerobben op een mogelijke uitwisseling van gevangenen bestaan.De wijze, waarop admiraal Tromp en de zijnen in het vaderland werden ingehaald, was warm en hartelijk. Een groote vreugde was er over het geheele land. „Hij wierdt overal met groote tekenen van vreugde, en toejuichingen ontvangen, en van veelen, ook onbekenden, begroet en verwellekomd.... Daarbij wierden de klokken ten teken van vreugde, door het gansche land geluid. Men brandde overal vreugdevuuren en piktonnen. De Toorens wierden met Lantaarnen verligt, en, hier en daar, kostbaare vuurwerken afgestooken”.Een van de meest indrukwekkende oogenblikken moet voor den admiraal zijn verschijning in de Staten van Holland geweest zijn. Niet dat het daar feestelijk of plechtig toeging.’t Was alles heel eenvoudig, en in sobere woorden maken de resolutiën van de Staten er gewag van. Daar stond hij voor zijn meesters, de machtige Heeren van Holland, die twee jaar geleden hem aanbevolen hadden aan den Prins van Oranje, hem, den eenvoudigen Maerten Harpertsz. Tromp, den pekbroek, die redding zou brengen in den nood, die het bevel aanvaard had over een vloot waarop eenvloek scheen te rusten, over kapiteins die zich geen haar minder rekenden dan hij, over een bemanning die aan ’t verloopen was en liever bij de Duinkerkers ter kaapvaart dienst nam dan te blijven op een vloot, welke de spot dierzelfde kapers en de ergernis der landgenooten was.Piet Pietersz. Hein.Piet Pietersz. Hein.De Vice-Admiraal Witte Corneliszoon de With, geboren te Brielle in 1599, gesneuveld bij Elzeneur in 1658, begraven in de Sint-Laurenskerk te Rotterdam.De Vice-Admiraal Witte Corneliszoon de With, geboren te Brielle in 1599, gesneuveld bij Elzeneur in 1658, begraven in de Sint-Laurenskerk te Rotterdam.En nu.... groote en gevoelige slagen waren aan de Duinkerkers toegebracht. Uitgeroeid waren zij voorzeker nog niet, en nog jaren zouden zij met minder of meerder stoutmoedigheid hun rooftochten ondernemen. Maar het geloof aan hun onkwetsbaarheid was vernietigd. Zij waren trefbaar, zij warennietin alle opzichten de meesters der Nederlandsche zeelieden. Zij hadden schier de opperheerschappij over de Noordzee gevoerd. Dááraan was een einde gemaakt, en voor goed een einde, omdat er een Nederlandsch zeewezen geboren was geworden en aanwies en groeide in kracht, een zeewezen, dat de heerschersstaf ter zee ontwrongen had aan de Spaansche monarchie. Dezelfde Nederlanders, die twee jaar geleden schuw hadden opgekeken wanneer er over den boozen man, over den Duinkerker kaper gesproken werd, hadden nu bij Duins twee groote wereldmachten, Spanje en Engeland, tegelijkertijd durven trotseeren. Wèl had Tromp zich het vertrouwen, dat de Heeren van Holland in hem gesteld hadden, waardig getoond.Over dit alles.... geen woord in de resolutie van Woensdag den 2denNovember 1639.„Is binnen gekomen den Heer Lieutenant Admirael Tromp, ende heeft hare Edele Groot Mo met particulariteyten rapport gedaen van al het gunt by hem ende syne byhebbende Vloote ter Zee was bejegent, zedert den acht en twintigsten April sesthien hondert negen en dertigh, als wanneer hij van hier t’zeyl is gegaen tot de Victorie die Godt Almachtigh desen Staet heeft verleent tegen de Spaensche Vloote incluys”.Ziedaar alles. Hij dient een schriftelijke memorie in over den staat der schepen. De zaken beginnen, en daar is hij met even kalme hersenen bij als te midden van den strijd. En zich verheffen op een der glorierijkste gebeurtenissen uit onze geschiedenis? ’t Minst van al denkt daar Bestevaer Tromp aan. De zegen is immers genadiglijk door God aan dezen Staat verleend?Was er ook een andere handelwijze van hem te verwachten, die eens als jongeman voor den Bassa van Tunis stond en eigen eer en voordeel van de hand wees, omdat hij maar één woord had en dat was verpand aan zijn vaderland?Die eenvoudige verschijning van Tromp in de Statenzitting van den2denNovember 1639, is een waardig tegenhanger van de even eenvoudige verschijning van een jong Nederlandsen stuurman, voor het in Oostersche weelde schitterende hof van den Bassa van Tunis, omstreeks den jare 1621.

NEGENDE HOOFDSTUK.De dagen van Duins.

Dit eerste gevecht met den vijand had plaats gehad op den 16denSeptember. Niet zonder kleerscheuren waren wij er afgekomen, want een van onze schepen, de Groote Christoffel geheeten, was in de lucht gesprongen, en slechts één matroos was er afgekomen. Wouter Pietersz. heette dit gelukskind, die zelf op den 21stenSeptember van deze gebeurtenis „bericht aan de Staet gedaen heeft”.Intusschen had d’Oquendo het met klein zeil om de Noord naar de Cingels gezocht, en wij bleven niet achter. Wij deden al ons best om den uitwijkenden vijand zooveel mogelijk te verontrusten, waarin wij niet altijd konden slagen. Zoo was het den17denSeptember doodstil weer en mistig; maar nauw klaarde het ’s avonds om elf uur wat op met Zuid-Westen wind, of Tromp liet de ankers lichten en joeg den vijand achterna. Om geen vriend met een vijand te verwarren, had Tromp bevolen, dat op verschillende deelen der vaartuigen vuurpannen haar donkerroode vlammenover de zee zouden laten sidderen en trillen, een prachtig en toch angstaanjagend gezicht. Om 1 uur ’s nachts had men den Spanjaard te pakken, en men liet niet los, den heelen nacht door niet. Want men bevond zich al bij de Engelsche kust. En wanneer de Spanjaard daar een toevluchtsoord vond, moest men vooreerst „hands off” houden.Toen het in den morgen van den 18denSeptember begon te dagen, werden in de verte verscheidene zeilen opgemerkt, die naar de kampplaats schenen te komen. Weldra had men ze verkend als de schepen van Joost Banckert. Een groote vreugde doortrilde de onzen. Dat was een aanwinst van twaalf schepen en van een troep versche lieden, die, onder hun dapperen Commandeur, brandden van begeerte om van de partij te zijn. Met verdubbelden ijver zette men nu de vervolging voort.Die jacht en het voortdurend gevecht met den Spanjaard duurde tot 10 uur, „wanneer de Spaenschen in Duyns liepen, achterlaetende een Galleoen met een ander Schip, die veroverd wierden”. Na een krijgsraad werden beide prijzen meegenomen naar Calais, waarheen de vloot zeilde om kruit en lood op te doen, omdat men daar gebrek aan had gekregen. Vervolgens werd admiraal Dubbel Wit gelast met de veroverde schepen naar het vaderland te zeilen, „en de gevangens met de gequetsten mede te nemen”. Admiraal Tromp stak nu weer naar Duins over, om te wachten totde Spaansche vloot die veilige reede zou verlaten.Wat er toen gebeurd is, wel dat is gelukkig nog zoo algemeen bekend, dat we hier volstaan kunnen er even aan te herinneren, hoe het bericht dat de Spanjaard naar de reede van Duins was gejaagd, een groote beweging in ons land veroorzaakte. Daar moest men bij zijn! En toen ontplooide zich een energie bij ons anders zoo kalm en dikwijls langzaam volk, dat we er nu nog het hart warm van voelen kloppen.Die schepen die als vanzelf van stapel loopen, die masten die zienderoogen opwassen waarheen men ook den blik wendt, dat scheepsvolk dat als het ware uit de lucht in die zich al voortspoedende schepen komt neerduikelen. En die Noordzee zelf vol blanke zeilen, wapperende wimpels, vol vroolijk gerucht van jonge, opgeruimde maats.... gants felten, ge loopt gevaar om er met den tijdgenoot een bijzondere beschikking in te zien, dat de wind aldoor uit den Oosten woei, waardoor dat toesnellen van al maar meer schepen bij voortduring mogelijk bleef, en weldra de dertien schepen, waarmede Tromp den vijand bij Bevezier voor het eerst ontmoet had, tot bij de honderd waren aangegroeid, nu de Spanjaard op de veilige ree van Duins weg bleef schuilen.Er werd in die dagen heel wat over gesproken, hoe men zich in dit geval zou te verhouden hebben tegenover Engeland. Op de reede van Duins verhieven zich drie batterijen, en bovendien was de Engelschevlootvoogd Pennington „met zeventien Koningsschepen uitgekomen, en verkondigde, dat men zich ter wederzijden van vijandelijkheden had te onthouden..... Dat hij, die zich er het eerst aan schuldig maakte, de vijand van Groot-Brittanje zou zijn, en als zoodanig behandeld worden.”Wel kan men veilig aannemen, dat de Engelschen in het geheel niet gesteld waren op de aanwezigheid dezer groote vloot, die door de onzen afgesneden bleef van de zee. Ook dat de Engelschen er niet treurig om zouden geweest zijn, indien de Spanjaard geprobeerd had er zich doorheen te slaan. Maar zoolang de Spaansche vloot zich onder bescherming van de Engelsche vlag bevond, konden de Engelschen moeilijk toelaten, dat de Nederlanders die vloot aangrepen. Het zelfgevoel van elke natie zou er tegen opgekomen zijn, om op eigen grondgebied een gast te laten afranselen. Des te minder kon dit hier het geval zijn, waar de gastheer het bijzonder groote zelfgevoel van een Engelschman bezat, en de lieden, die op de zee voor Duins rondzwermden, de Nederlanders waren, waarmede de Engelschen al meer en meer op gespannen voet begonnen te komen. Nog altijd hadden de Britten het niet kunnen verkroppen dat, volgens hun voorstelling, in ’t jaar 1623 een tiental Engelschen, die van een samenzwering tegen de Nederlandsche oppermacht verdacht werden, door de Nederlanders op het eiland Ambon op onwettigewijze veroordeeld en ter dood gebracht waren. Men zou een algemeene afstraffing en vernietiging van eigen gasten op eigen grondgebied dan werkelijk ook niet kunnen toestaan.Als er dat zelfgevoel en die natuurlijke plicht van een gastheer niet bijgekomen waren, geloof ik niet, dat vele Engelschen er om getreurd zouden hebben wanneer de Nederlanders maar dadelijk aangepakt hadden. In die dagen haperde er in Engeland veel aan de goede verstandhouding tusschen den Koning van dat rijk en velen zijner onderdanen. De vriendschap van Karel I ten opzichte van Spanje, vond in Engeland alles behalve een algemeene instemming. Daarom beschouwden velen de Spaansche zeelieden als ongenoode gasten, die men ook gaarne buiten de deur gezet zou hebben, indien het met de eer bestaanbaar ware geweest.Ook van onze zijde was de toestand ingewikkelder dan de matrozen, die maar aan wilden pakken, konden vermoeden. Prins Frederik Hendrik had een eenigen zoon, den thans ruim dertienjarigen Willem, voor wien de eerzucht der moeder in de toekomst een schitterende echtverbintenis zocht. Daartoe was het oog geslagen op een Prinses uit het Engelsche Koningshuis. Het zou voor het Huis van Oranje een ongedacht groote eer zijn, indien het vermaagschapt kon worden met het Koninklijke Huis der Stuarts. Het kon dus werkelijk niet in het plan van den invloedrijken prinsFrederik Hendrik liggen, om door een onoverdachte handelwijze den Koning van Engeland te verbitteren op al wat Nederlander was.Hoe invloedrijk ook—toch bleef de Prins, zij het dan meer in naam dan in der daad, de dienaar der Staten. Doch ook die Staten zagen niet minder tegen een openlijke uittarting van Engelands woede op. Na een victorie zou het een luiden van alle klokken en een groote vreugde door het geheele land zijn. Maar de Staten zouden met de verantwoording en met de naweeën blijven zitten. Zij wisten wel, dat Engeland niets vergeet of vergeeft. Het is in die dagen—terwijl de wind al maar Oostelijk bleef waaien—gebeurd, dat de Staten een brief aan Tromp verzonden, dien hij gelukkig niet ontvangen heeft. Want de visscher, met de overbrenging belast, eenige schepen ziende aankomen en meenende dat hij met Engelschen te doen zou krijgen, wierp den met ballast bezwaarden brief in zee.En weldra ging er een andere boodschap over de zee, het lievelingswoord van admiraal Dubbel Wit. „Val maar aan, o, admiraal Tromp! En welke mogendheid zich ook tegen dien aanval moge verzetten, toon aan de geheele wereld, dat een Nederlander geen aardsche machten schroomt of er voor behoeft te vreezen!”Het werd tijd, dat dit kloeke mannenwoord over de Noordzee kwam aangesneld. Tromp had allemogelijke moeite gedaan, om de Spanjaarden uit hun veilige haven te lokken. Uit angst voor de Nederlanders hadden zij alle gevoel van eer vergeten en zochten naar uitvluchten. Algemeen bekend is het, hoe zij eerst voorgaven hun stengen te Dover te hebben gelaten en dus niet aan een zeeslag konden denken. Tromp liet die masten en stengen halen, en aan boord bij den Spanjaard bezorgen. Toen hadden zij alweer gebrek aan buskruit. Dat vernam Tromp niet van hen, maar van den Engelschen admiraal, bij wien hij er telkens en telkens weer op aandrong, dat er toch een samentreffen met de Spanjaarden mocht plaats hebben. Nu riep Tromp den krijgsraad bij elkaar, en daarin werd besloten den vijand van zooveel buskruit te voorzien als men zelf bij mogelijkheid maar missen kon. Het baatte niet; de Spanjaard bleef verscholen en waagde het niet zich in open zee te meten met den diepverachten Nederlander.Het was en bleef een moeilijk geval. Een Nederlandsch matroos was door den vijand gedood, en zijn lijk werd nu als overtuigingsbewijs, dat de Spanjaarden de onzijdigheid van het Engelsch grondgebied geschonden hadden, aan den Engelschen admiraal gebracht. Die verzocht acht dagen uitstel om er den Koning over te spreken.... maar intusschen begon ook de weersgesteldheid eens een woordje mee te spreken.In den nacht van den 20stenop den 21stenOctober 1639 kwam eindelijk de wind, die zoolang uit denOosten gewaaid had, door het Noorden in ’t Noord-Westen terecht. Toen meende Tromp, die wat hem betrof den vijand liever in open zee bevochten had, het oogenblik gekomen, om de Spaansche vloot op Engelsch gebied aan te vallen. Eerlijk werd er den Engelschen admiraal kennis van gegeven; hij kon nu handelen naar eigen goeddunken, gelijk ook wij van dit oogenblik af van plan waren te doen. Het staat vast, dat tijdens den zeeslag die nu volgde, en waarin de Spaansche macht vernietigd werd, zoowel van de drie Engelsche batterijen als van de Engelsche schepen op de onzen geschoten is. Het eerste had plaats toen er reeds bij het begin van den aanval 23 Spaansche schepen aan den wal vastliepen, waarom de batterijen de bedreigde bodems wilden beschermen voor de Nederlanders, die er zich evenwel weinig aan stoorden en maar hun gang gingen. Van het eerste zoowel als van het tweede maakt Nicolaas van Reigersberch melding, als hij Hugo de Groot over de groote zegepraal schrijft. Hij deelt daarbij de bijzonderheid mede, dat de Engelsche schepen eerst op de onzen schoten, toen zij ver genoeg verwijderd meenden te zijn, om ons niet te kunnen beschadigen. Op die Engelsche vloot werd door een afdeeling der onzen, onder bevel van Witte de With, een waakzaam oog gehouden tijdens den zeeslag. Om het beleedigende dat hierin gelegen kon zijn te voorkomen, hadden wij het voorgesteld alsof de dertig schepen, welke onder Witte tegenoverde Engelsche vloot lagen, alleen aangewezen waren om er zorg voor te dragen, dat haar in de hitte van den strijd geen schade zou worden toegebracht.De uitslag van den strijd is bekend. Meer dan veertig Spaansche schepen werden door de Nederlandsche matrozen veroverd, waarvan zij er veertien in triomf naar de Nederlandsche havens konden meevoeren. Ons verlies bedroeg slechts één schip en circa honderd man. De Spanjaarden hadden het verlies van zevenduizend man te betreuren, waaronder achttienhonderd gevangenen geteld werden. Misschien zijn er meer gevangenen geweest; maar Janmaat liet die liefst ontvluchten. Zelfs moest men er in ons land weldra maatregelen voor nemen, dat de ontsnapping der gevangenen naar Vlaanderen door het bootsvolk niet werd in de hand gewerkt. Schijnbaar was dat een zonderlinge handelwijze van onze varensgasten. Toch lag de oorzaak voor de hand. Een zwerveling, gelijk een zeeman is, kon vandaag in zijn eigen land vrij rondloopen en misschien korten tijd later in een Vlaamschen of Spaanschen kerker geworpen worden. Men behandelde dus een gevangene gelijk men ’t liefst zelf behandeld wilde worden, en—de liefste behandeling was de gelegenheid te krijgen om te ontvluchten. Dat kon Janmaat aan zijn voor ditmaal ongelukkiger collega wel verschaffen, zoolang men zich niet ver van de zee bevond. Waren de gevangenen eenmaal over ’t land verspreid en in de verschillende kerkers opgesloten—waarzij een hard lot hadden, omdat er weinig voor hun onderhoud betaald werd—dan kwam er zelden of nooit iets van een ontsnapping, en bleef de eenige hoop van de in verveling en armoede wegkwijnende zeerobben op een mogelijke uitwisseling van gevangenen bestaan.De wijze, waarop admiraal Tromp en de zijnen in het vaderland werden ingehaald, was warm en hartelijk. Een groote vreugde was er over het geheele land. „Hij wierdt overal met groote tekenen van vreugde, en toejuichingen ontvangen, en van veelen, ook onbekenden, begroet en verwellekomd.... Daarbij wierden de klokken ten teken van vreugde, door het gansche land geluid. Men brandde overal vreugdevuuren en piktonnen. De Toorens wierden met Lantaarnen verligt, en, hier en daar, kostbaare vuurwerken afgestooken”.Een van de meest indrukwekkende oogenblikken moet voor den admiraal zijn verschijning in de Staten van Holland geweest zijn. Niet dat het daar feestelijk of plechtig toeging.’t Was alles heel eenvoudig, en in sobere woorden maken de resolutiën van de Staten er gewag van. Daar stond hij voor zijn meesters, de machtige Heeren van Holland, die twee jaar geleden hem aanbevolen hadden aan den Prins van Oranje, hem, den eenvoudigen Maerten Harpertsz. Tromp, den pekbroek, die redding zou brengen in den nood, die het bevel aanvaard had over een vloot waarop eenvloek scheen te rusten, over kapiteins die zich geen haar minder rekenden dan hij, over een bemanning die aan ’t verloopen was en liever bij de Duinkerkers ter kaapvaart dienst nam dan te blijven op een vloot, welke de spot dierzelfde kapers en de ergernis der landgenooten was.Piet Pietersz. Hein.Piet Pietersz. Hein.De Vice-Admiraal Witte Corneliszoon de With, geboren te Brielle in 1599, gesneuveld bij Elzeneur in 1658, begraven in de Sint-Laurenskerk te Rotterdam.De Vice-Admiraal Witte Corneliszoon de With, geboren te Brielle in 1599, gesneuveld bij Elzeneur in 1658, begraven in de Sint-Laurenskerk te Rotterdam.En nu.... groote en gevoelige slagen waren aan de Duinkerkers toegebracht. Uitgeroeid waren zij voorzeker nog niet, en nog jaren zouden zij met minder of meerder stoutmoedigheid hun rooftochten ondernemen. Maar het geloof aan hun onkwetsbaarheid was vernietigd. Zij waren trefbaar, zij warennietin alle opzichten de meesters der Nederlandsche zeelieden. Zij hadden schier de opperheerschappij over de Noordzee gevoerd. Dááraan was een einde gemaakt, en voor goed een einde, omdat er een Nederlandsch zeewezen geboren was geworden en aanwies en groeide in kracht, een zeewezen, dat de heerschersstaf ter zee ontwrongen had aan de Spaansche monarchie. Dezelfde Nederlanders, die twee jaar geleden schuw hadden opgekeken wanneer er over den boozen man, over den Duinkerker kaper gesproken werd, hadden nu bij Duins twee groote wereldmachten, Spanje en Engeland, tegelijkertijd durven trotseeren. Wèl had Tromp zich het vertrouwen, dat de Heeren van Holland in hem gesteld hadden, waardig getoond.Over dit alles.... geen woord in de resolutie van Woensdag den 2denNovember 1639.„Is binnen gekomen den Heer Lieutenant Admirael Tromp, ende heeft hare Edele Groot Mo met particulariteyten rapport gedaen van al het gunt by hem ende syne byhebbende Vloote ter Zee was bejegent, zedert den acht en twintigsten April sesthien hondert negen en dertigh, als wanneer hij van hier t’zeyl is gegaen tot de Victorie die Godt Almachtigh desen Staet heeft verleent tegen de Spaensche Vloote incluys”.Ziedaar alles. Hij dient een schriftelijke memorie in over den staat der schepen. De zaken beginnen, en daar is hij met even kalme hersenen bij als te midden van den strijd. En zich verheffen op een der glorierijkste gebeurtenissen uit onze geschiedenis? ’t Minst van al denkt daar Bestevaer Tromp aan. De zegen is immers genadiglijk door God aan dezen Staat verleend?Was er ook een andere handelwijze van hem te verwachten, die eens als jongeman voor den Bassa van Tunis stond en eigen eer en voordeel van de hand wees, omdat hij maar één woord had en dat was verpand aan zijn vaderland?Die eenvoudige verschijning van Tromp in de Statenzitting van den2denNovember 1639, is een waardig tegenhanger van de even eenvoudige verschijning van een jong Nederlandsen stuurman, voor het in Oostersche weelde schitterende hof van den Bassa van Tunis, omstreeks den jare 1621.

Dit eerste gevecht met den vijand had plaats gehad op den 16denSeptember. Niet zonder kleerscheuren waren wij er afgekomen, want een van onze schepen, de Groote Christoffel geheeten, was in de lucht gesprongen, en slechts één matroos was er afgekomen. Wouter Pietersz. heette dit gelukskind, die zelf op den 21stenSeptember van deze gebeurtenis „bericht aan de Staet gedaen heeft”.

Intusschen had d’Oquendo het met klein zeil om de Noord naar de Cingels gezocht, en wij bleven niet achter. Wij deden al ons best om den uitwijkenden vijand zooveel mogelijk te verontrusten, waarin wij niet altijd konden slagen. Zoo was het den17denSeptember doodstil weer en mistig; maar nauw klaarde het ’s avonds om elf uur wat op met Zuid-Westen wind, of Tromp liet de ankers lichten en joeg den vijand achterna. Om geen vriend met een vijand te verwarren, had Tromp bevolen, dat op verschillende deelen der vaartuigen vuurpannen haar donkerroode vlammenover de zee zouden laten sidderen en trillen, een prachtig en toch angstaanjagend gezicht. Om 1 uur ’s nachts had men den Spanjaard te pakken, en men liet niet los, den heelen nacht door niet. Want men bevond zich al bij de Engelsche kust. En wanneer de Spanjaard daar een toevluchtsoord vond, moest men vooreerst „hands off” houden.

Toen het in den morgen van den 18denSeptember begon te dagen, werden in de verte verscheidene zeilen opgemerkt, die naar de kampplaats schenen te komen. Weldra had men ze verkend als de schepen van Joost Banckert. Een groote vreugde doortrilde de onzen. Dat was een aanwinst van twaalf schepen en van een troep versche lieden, die, onder hun dapperen Commandeur, brandden van begeerte om van de partij te zijn. Met verdubbelden ijver zette men nu de vervolging voort.

Die jacht en het voortdurend gevecht met den Spanjaard duurde tot 10 uur, „wanneer de Spaenschen in Duyns liepen, achterlaetende een Galleoen met een ander Schip, die veroverd wierden”. Na een krijgsraad werden beide prijzen meegenomen naar Calais, waarheen de vloot zeilde om kruit en lood op te doen, omdat men daar gebrek aan had gekregen. Vervolgens werd admiraal Dubbel Wit gelast met de veroverde schepen naar het vaderland te zeilen, „en de gevangens met de gequetsten mede te nemen”. Admiraal Tromp stak nu weer naar Duins over, om te wachten totde Spaansche vloot die veilige reede zou verlaten.

Wat er toen gebeurd is, wel dat is gelukkig nog zoo algemeen bekend, dat we hier volstaan kunnen er even aan te herinneren, hoe het bericht dat de Spanjaard naar de reede van Duins was gejaagd, een groote beweging in ons land veroorzaakte. Daar moest men bij zijn! En toen ontplooide zich een energie bij ons anders zoo kalm en dikwijls langzaam volk, dat we er nu nog het hart warm van voelen kloppen.

Die schepen die als vanzelf van stapel loopen, die masten die zienderoogen opwassen waarheen men ook den blik wendt, dat scheepsvolk dat als het ware uit de lucht in die zich al voortspoedende schepen komt neerduikelen. En die Noordzee zelf vol blanke zeilen, wapperende wimpels, vol vroolijk gerucht van jonge, opgeruimde maats.... gants felten, ge loopt gevaar om er met den tijdgenoot een bijzondere beschikking in te zien, dat de wind aldoor uit den Oosten woei, waardoor dat toesnellen van al maar meer schepen bij voortduring mogelijk bleef, en weldra de dertien schepen, waarmede Tromp den vijand bij Bevezier voor het eerst ontmoet had, tot bij de honderd waren aangegroeid, nu de Spanjaard op de veilige ree van Duins weg bleef schuilen.

Er werd in die dagen heel wat over gesproken, hoe men zich in dit geval zou te verhouden hebben tegenover Engeland. Op de reede van Duins verhieven zich drie batterijen, en bovendien was de Engelschevlootvoogd Pennington „met zeventien Koningsschepen uitgekomen, en verkondigde, dat men zich ter wederzijden van vijandelijkheden had te onthouden..... Dat hij, die zich er het eerst aan schuldig maakte, de vijand van Groot-Brittanje zou zijn, en als zoodanig behandeld worden.”

Wel kan men veilig aannemen, dat de Engelschen in het geheel niet gesteld waren op de aanwezigheid dezer groote vloot, die door de onzen afgesneden bleef van de zee. Ook dat de Engelschen er niet treurig om zouden geweest zijn, indien de Spanjaard geprobeerd had er zich doorheen te slaan. Maar zoolang de Spaansche vloot zich onder bescherming van de Engelsche vlag bevond, konden de Engelschen moeilijk toelaten, dat de Nederlanders die vloot aangrepen. Het zelfgevoel van elke natie zou er tegen opgekomen zijn, om op eigen grondgebied een gast te laten afranselen. Des te minder kon dit hier het geval zijn, waar de gastheer het bijzonder groote zelfgevoel van een Engelschman bezat, en de lieden, die op de zee voor Duins rondzwermden, de Nederlanders waren, waarmede de Engelschen al meer en meer op gespannen voet begonnen te komen. Nog altijd hadden de Britten het niet kunnen verkroppen dat, volgens hun voorstelling, in ’t jaar 1623 een tiental Engelschen, die van een samenzwering tegen de Nederlandsche oppermacht verdacht werden, door de Nederlanders op het eiland Ambon op onwettigewijze veroordeeld en ter dood gebracht waren. Men zou een algemeene afstraffing en vernietiging van eigen gasten op eigen grondgebied dan werkelijk ook niet kunnen toestaan.

Als er dat zelfgevoel en die natuurlijke plicht van een gastheer niet bijgekomen waren, geloof ik niet, dat vele Engelschen er om getreurd zouden hebben wanneer de Nederlanders maar dadelijk aangepakt hadden. In die dagen haperde er in Engeland veel aan de goede verstandhouding tusschen den Koning van dat rijk en velen zijner onderdanen. De vriendschap van Karel I ten opzichte van Spanje, vond in Engeland alles behalve een algemeene instemming. Daarom beschouwden velen de Spaansche zeelieden als ongenoode gasten, die men ook gaarne buiten de deur gezet zou hebben, indien het met de eer bestaanbaar ware geweest.

Ook van onze zijde was de toestand ingewikkelder dan de matrozen, die maar aan wilden pakken, konden vermoeden. Prins Frederik Hendrik had een eenigen zoon, den thans ruim dertienjarigen Willem, voor wien de eerzucht der moeder in de toekomst een schitterende echtverbintenis zocht. Daartoe was het oog geslagen op een Prinses uit het Engelsche Koningshuis. Het zou voor het Huis van Oranje een ongedacht groote eer zijn, indien het vermaagschapt kon worden met het Koninklijke Huis der Stuarts. Het kon dus werkelijk niet in het plan van den invloedrijken prinsFrederik Hendrik liggen, om door een onoverdachte handelwijze den Koning van Engeland te verbitteren op al wat Nederlander was.

Hoe invloedrijk ook—toch bleef de Prins, zij het dan meer in naam dan in der daad, de dienaar der Staten. Doch ook die Staten zagen niet minder tegen een openlijke uittarting van Engelands woede op. Na een victorie zou het een luiden van alle klokken en een groote vreugde door het geheele land zijn. Maar de Staten zouden met de verantwoording en met de naweeën blijven zitten. Zij wisten wel, dat Engeland niets vergeet of vergeeft. Het is in die dagen—terwijl de wind al maar Oostelijk bleef waaien—gebeurd, dat de Staten een brief aan Tromp verzonden, dien hij gelukkig niet ontvangen heeft. Want de visscher, met de overbrenging belast, eenige schepen ziende aankomen en meenende dat hij met Engelschen te doen zou krijgen, wierp den met ballast bezwaarden brief in zee.

En weldra ging er een andere boodschap over de zee, het lievelingswoord van admiraal Dubbel Wit. „Val maar aan, o, admiraal Tromp! En welke mogendheid zich ook tegen dien aanval moge verzetten, toon aan de geheele wereld, dat een Nederlander geen aardsche machten schroomt of er voor behoeft te vreezen!”

Het werd tijd, dat dit kloeke mannenwoord over de Noordzee kwam aangesneld. Tromp had allemogelijke moeite gedaan, om de Spanjaarden uit hun veilige haven te lokken. Uit angst voor de Nederlanders hadden zij alle gevoel van eer vergeten en zochten naar uitvluchten. Algemeen bekend is het, hoe zij eerst voorgaven hun stengen te Dover te hebben gelaten en dus niet aan een zeeslag konden denken. Tromp liet die masten en stengen halen, en aan boord bij den Spanjaard bezorgen. Toen hadden zij alweer gebrek aan buskruit. Dat vernam Tromp niet van hen, maar van den Engelschen admiraal, bij wien hij er telkens en telkens weer op aandrong, dat er toch een samentreffen met de Spanjaarden mocht plaats hebben. Nu riep Tromp den krijgsraad bij elkaar, en daarin werd besloten den vijand van zooveel buskruit te voorzien als men zelf bij mogelijkheid maar missen kon. Het baatte niet; de Spanjaard bleef verscholen en waagde het niet zich in open zee te meten met den diepverachten Nederlander.

Het was en bleef een moeilijk geval. Een Nederlandsch matroos was door den vijand gedood, en zijn lijk werd nu als overtuigingsbewijs, dat de Spanjaarden de onzijdigheid van het Engelsch grondgebied geschonden hadden, aan den Engelschen admiraal gebracht. Die verzocht acht dagen uitstel om er den Koning over te spreken.... maar intusschen begon ook de weersgesteldheid eens een woordje mee te spreken.

In den nacht van den 20stenop den 21stenOctober 1639 kwam eindelijk de wind, die zoolang uit denOosten gewaaid had, door het Noorden in ’t Noord-Westen terecht. Toen meende Tromp, die wat hem betrof den vijand liever in open zee bevochten had, het oogenblik gekomen, om de Spaansche vloot op Engelsch gebied aan te vallen. Eerlijk werd er den Engelschen admiraal kennis van gegeven; hij kon nu handelen naar eigen goeddunken, gelijk ook wij van dit oogenblik af van plan waren te doen. Het staat vast, dat tijdens den zeeslag die nu volgde, en waarin de Spaansche macht vernietigd werd, zoowel van de drie Engelsche batterijen als van de Engelsche schepen op de onzen geschoten is. Het eerste had plaats toen er reeds bij het begin van den aanval 23 Spaansche schepen aan den wal vastliepen, waarom de batterijen de bedreigde bodems wilden beschermen voor de Nederlanders, die er zich evenwel weinig aan stoorden en maar hun gang gingen. Van het eerste zoowel als van het tweede maakt Nicolaas van Reigersberch melding, als hij Hugo de Groot over de groote zegepraal schrijft. Hij deelt daarbij de bijzonderheid mede, dat de Engelsche schepen eerst op de onzen schoten, toen zij ver genoeg verwijderd meenden te zijn, om ons niet te kunnen beschadigen. Op die Engelsche vloot werd door een afdeeling der onzen, onder bevel van Witte de With, een waakzaam oog gehouden tijdens den zeeslag. Om het beleedigende dat hierin gelegen kon zijn te voorkomen, hadden wij het voorgesteld alsof de dertig schepen, welke onder Witte tegenoverde Engelsche vloot lagen, alleen aangewezen waren om er zorg voor te dragen, dat haar in de hitte van den strijd geen schade zou worden toegebracht.

De uitslag van den strijd is bekend. Meer dan veertig Spaansche schepen werden door de Nederlandsche matrozen veroverd, waarvan zij er veertien in triomf naar de Nederlandsche havens konden meevoeren. Ons verlies bedroeg slechts één schip en circa honderd man. De Spanjaarden hadden het verlies van zevenduizend man te betreuren, waaronder achttienhonderd gevangenen geteld werden. Misschien zijn er meer gevangenen geweest; maar Janmaat liet die liefst ontvluchten. Zelfs moest men er in ons land weldra maatregelen voor nemen, dat de ontsnapping der gevangenen naar Vlaanderen door het bootsvolk niet werd in de hand gewerkt. Schijnbaar was dat een zonderlinge handelwijze van onze varensgasten. Toch lag de oorzaak voor de hand. Een zwerveling, gelijk een zeeman is, kon vandaag in zijn eigen land vrij rondloopen en misschien korten tijd later in een Vlaamschen of Spaanschen kerker geworpen worden. Men behandelde dus een gevangene gelijk men ’t liefst zelf behandeld wilde worden, en—de liefste behandeling was de gelegenheid te krijgen om te ontvluchten. Dat kon Janmaat aan zijn voor ditmaal ongelukkiger collega wel verschaffen, zoolang men zich niet ver van de zee bevond. Waren de gevangenen eenmaal over ’t land verspreid en in de verschillende kerkers opgesloten—waarzij een hard lot hadden, omdat er weinig voor hun onderhoud betaald werd—dan kwam er zelden of nooit iets van een ontsnapping, en bleef de eenige hoop van de in verveling en armoede wegkwijnende zeerobben op een mogelijke uitwisseling van gevangenen bestaan.

De wijze, waarop admiraal Tromp en de zijnen in het vaderland werden ingehaald, was warm en hartelijk. Een groote vreugde was er over het geheele land. „Hij wierdt overal met groote tekenen van vreugde, en toejuichingen ontvangen, en van veelen, ook onbekenden, begroet en verwellekomd.... Daarbij wierden de klokken ten teken van vreugde, door het gansche land geluid. Men brandde overal vreugdevuuren en piktonnen. De Toorens wierden met Lantaarnen verligt, en, hier en daar, kostbaare vuurwerken afgestooken”.

Een van de meest indrukwekkende oogenblikken moet voor den admiraal zijn verschijning in de Staten van Holland geweest zijn. Niet dat het daar feestelijk of plechtig toeging.’t Was alles heel eenvoudig, en in sobere woorden maken de resolutiën van de Staten er gewag van. Daar stond hij voor zijn meesters, de machtige Heeren van Holland, die twee jaar geleden hem aanbevolen hadden aan den Prins van Oranje, hem, den eenvoudigen Maerten Harpertsz. Tromp, den pekbroek, die redding zou brengen in den nood, die het bevel aanvaard had over een vloot waarop eenvloek scheen te rusten, over kapiteins die zich geen haar minder rekenden dan hij, over een bemanning die aan ’t verloopen was en liever bij de Duinkerkers ter kaapvaart dienst nam dan te blijven op een vloot, welke de spot dierzelfde kapers en de ergernis der landgenooten was.

Piet Pietersz. Hein.Piet Pietersz. Hein.

Piet Pietersz. Hein.

De Vice-Admiraal Witte Corneliszoon de With, geboren te Brielle in 1599, gesneuveld bij Elzeneur in 1658, begraven in de Sint-Laurenskerk te Rotterdam.De Vice-Admiraal Witte Corneliszoon de With, geboren te Brielle in 1599, gesneuveld bij Elzeneur in 1658, begraven in de Sint-Laurenskerk te Rotterdam.

De Vice-Admiraal Witte Corneliszoon de With, geboren te Brielle in 1599, gesneuveld bij Elzeneur in 1658, begraven in de Sint-Laurenskerk te Rotterdam.

En nu.... groote en gevoelige slagen waren aan de Duinkerkers toegebracht. Uitgeroeid waren zij voorzeker nog niet, en nog jaren zouden zij met minder of meerder stoutmoedigheid hun rooftochten ondernemen. Maar het geloof aan hun onkwetsbaarheid was vernietigd. Zij waren trefbaar, zij warennietin alle opzichten de meesters der Nederlandsche zeelieden. Zij hadden schier de opperheerschappij over de Noordzee gevoerd. Dááraan was een einde gemaakt, en voor goed een einde, omdat er een Nederlandsch zeewezen geboren was geworden en aanwies en groeide in kracht, een zeewezen, dat de heerschersstaf ter zee ontwrongen had aan de Spaansche monarchie. Dezelfde Nederlanders, die twee jaar geleden schuw hadden opgekeken wanneer er over den boozen man, over den Duinkerker kaper gesproken werd, hadden nu bij Duins twee groote wereldmachten, Spanje en Engeland, tegelijkertijd durven trotseeren. Wèl had Tromp zich het vertrouwen, dat de Heeren van Holland in hem gesteld hadden, waardig getoond.

Over dit alles.... geen woord in de resolutie van Woensdag den 2denNovember 1639.

„Is binnen gekomen den Heer Lieutenant Admirael Tromp, ende heeft hare Edele Groot Mo met particulariteyten rapport gedaen van al het gunt by hem ende syne byhebbende Vloote ter Zee was bejegent, zedert den acht en twintigsten April sesthien hondert negen en dertigh, als wanneer hij van hier t’zeyl is gegaen tot de Victorie die Godt Almachtigh desen Staet heeft verleent tegen de Spaensche Vloote incluys”.

Ziedaar alles. Hij dient een schriftelijke memorie in over den staat der schepen. De zaken beginnen, en daar is hij met even kalme hersenen bij als te midden van den strijd. En zich verheffen op een der glorierijkste gebeurtenissen uit onze geschiedenis? ’t Minst van al denkt daar Bestevaer Tromp aan. De zegen is immers genadiglijk door God aan dezen Staat verleend?

Was er ook een andere handelwijze van hem te verwachten, die eens als jongeman voor den Bassa van Tunis stond en eigen eer en voordeel van de hand wees, omdat hij maar één woord had en dat was verpand aan zijn vaderland?

Die eenvoudige verschijning van Tromp in de Statenzitting van den2denNovember 1639, is een waardig tegenhanger van de even eenvoudige verschijning van een jong Nederlandsen stuurman, voor het in Oostersche weelde schitterende hof van den Bassa van Tunis, omstreeks den jare 1621.


Back to IndexNext