TIENDE HOOFDSTUK.

TIENDE HOOFDSTUK.Lastertongen en kleinzieligheid.De Spaansche macht mocht door den zeeslag van Duins een knak gekregen hebben, waarvan zij zich niet meer herstellen zou, het eigenlijke doel, de overbrenging van de troepen naar Vlaanderen, was voor het grootste gedeelte bereikt. In September toch, terwijl de Spaansche vloot op de reede van Duins vastgekluisterd lag, was het aan een dertiental Spaansche schepen gelukt te ontsnappen. Dat was langs een weg gegaan, welken de Engelschen ons als onbevaarbaar hadden opgegeven, doch die dat niet was. De Engelschen hadden hun Spaansche gasten als loods gediend, en zoo waren die Spaansche bodems, waarop zich een groot aantal soldaten bevond, ver van de Nederlanders af in het ruime sop gekomen, en hadden de Zuidelijke Nederlanden weten te bereiken. Ook had, in den zeeslag bij Duins zelven, de Spaansche admiraal d’Oquendo met een twaalftal schepen weten te ontkomen. Hij was in zijn vlucht begunstigd door een beschermend gordijn van mist, en toen deze uiteenwoeiwas het door een sterken, fortuinlijken wind, die hem tot zijn overgroote vreugde de haven van Duinkerken deed bereiken. Ten slotte kan ik niet vinden, dat de buitgelden bijzonder groot waren. Zij bedroegen wel bijna 135 duizend gulden, maar ik denk, dat het aan de Jantjes, die van de schatten der Onoverwinnelijke Vloot gedroomd hadden, wel tegengevallen zal zijn. De belooningen, die aan eereblijken en wat dies meer zij werden uitgereikt, bedroegen zelfs veel meer, namelijk zes ton gouds.Al deze beschouwingen konden voorzeker voldoende zijn om de spijtigheid van degenen, die het niet goed velen konden, dat den admiraal en den zijnen zooveel eer werd aangedaan, wat te verzoeten. Spijtige menschen en jaloerschen zijn er altijd, en Tromp had vijanden te over. ’t Spreekt vanzelf, dat er personen waren, die liever gezien hadden, dat hetnietgoed met een pekbroek was gegaan.Doch het was er verre vandaan, dat zij door de aangevoerde overwegingen hun jaloerschheid of hun bitterheid voldaan voelden. Het ging hun in deze dagen te hoog met Tromp. Door „treffelijke geschenken”, zooals onze Wagenaar zich uitdrukt, trachtte men zijn dapperheid te beloonen. In Januari 1640 werd hij Ridder in de Orde van Sint Michiel en door den Koning van Frankrijk, Lodewijk den Dertienden, met een nieuw wapen begiftigd. Maar—wat zijn benijders wel het meest in de oogenstak—hij trouwde „een rijcke Joffrou met veel gout”.Deze „rijcke Joffrou” heette Cornelia Berckhout, en het huwelijk werd ten jare 1640 te ’s-Gravenhage voltrokken. Zij was „een Raets-heere dochter, haer vaertje was van Munnickedam, en placht inden Haegh op de Vijverberghe te woonen, en haer moertje was van Delft van de beste van ’t Stee”.Ongeveer dezen tijd moet de venijnige brochure verschenen zijn, waaraan wij bovenstaande bijzonderheden ontleenden. Wat ook zoo’n Maerten Harpertsz. Tromp zich verbeelden zou! Dat was me een admiraal; jawel! door zijn mooi-praten en zijn flikflooien, door zijn „Lammertongetje,” en vooral omdat hij de dominees op zijn hand had. Want die heeren predikers zouden het wel voor hem „rondschieten”. De veinsaard! die wist van handjes-geven en van broeder en „vriendekens” zeggen! Het ging met hem als met Reintje de Vos toen deze zich in een monnikskap gestoken had. Toen was de vos een degelijk gezel en niemand durfde iets van hem zeggen, want ’t was een broeder van de Kap, en de andere dieren ontvingen dagelijks zijn zegen. Gelukkig was hij, die zijn afteekening in zijn hol had, anders was men een ketter en geen goed Patriot.Men had hem eens moeten gezien hebben, „inde Coetswaghen” toen hij trouwde! Hij leek wel een „Noortse-Beer!”Nu—zei Griet Smeers,—’t zag er met Maerten vóór 20 jaar al heel anders uit!Of het—antwoordde Trijn Jans.—Ik heb Martens allang gekend, en zijn vaar ook wel. Die was Trompetter in Den Briel, en daarna werd hij kapitein op een buisconvoyer. En zijn moer waschte de maats d’r hemden, en steef de kragen om geld. En toen Maerten nog jong was, liep hij tot Rotterdam met een schootsvel voor en was een timmermansjongen: en deze vent wil met geweld van adel wezen, daar hij altijd mede placht te spotten!Griet Smeers schudde medelijdend het hoofd. Die Maerten Tromp. Als zij daarover wilde beginnen, was zij vooreerst niet uitgepraat. Want zij wist nog wel wat anders van hem en zijn mooie familie. Zijn moer had nog vóór twee jaar voor de menschen gesteven, en zijn zusters deden het nog. En zijn jongens plachten zoo schâloos rond te loopen, of zij bedelaarskinderen waren. Wat een mensch al niet beleven moest! Dat rijdt me in wagens, dat is me gekleed in zijde en satijn.... en dat wil niet eens de drieduizend gulden betalen, „die zijn moer van zijn salighe vaers nog wel schuldigh” is!Ja, Maerten was van „sulcken volckje”. In zulk „een mooi geslacht” kwam nu die Haagsche juffrouw. Hm.... begrijp-je niet, waarom dat zieltje, dat zich dag en nacht de oogen rood weende, in zulk een rare familie kwam? Och ja, je bent misschien als MarinusCrijnsz. uit dezet’Samen-Spraecknog wat „te jongh om alle dinck te weten”. Maar als je een „fris jongman” bent, en bijgeval ter zee vaart, heeft Trijn Jans u nog wel een goeden raad te geven. Je moet maar mooitjes ter kerk gaan en niet één preek verzuimen, en dan zult ge in de kennis van de Heeren komen. Die zullen je wel recommandeeren om kapitein te worden. En misschien kun-je dan wel een dochter van een dier Heeren trouwen, of ook wel de meid, als niemand ze meer hebben wil....Hoe menigeen uit de 20steeeuw zal verbaasd zijn, als hij van zulk een flauwen praat, vooral van dat laag neerzien op iemands afkomst hoort gewagen, in een eeuw, die òns daarvoor te groot leek. Sprekenwijniet van mannen die zich vol geestkracht zèlf door de wereld geslagen hebben en tot wie wij, juist daarom, hebben leeren opzien? Wonderlijk! De eeuw, waarin zij leefden, sprak van hen met onverholen minachting als van die kapiteins, „dat maer snyders, wevers en sulck volck zijn”.Ja, ziet u—zou een der personen uit onzet’Samen-Spraeckdaarop geantwoord hebben—iemand moet de gal wel overloopen, als hij ’t over Maerten Harpertsz. Tromp heeft. Want in zekeren zin is hij een afvallige, een ontrouwe. Hij was immers juist zoo hoog geklommen, omdat men het ter zee nu eens wilde probeeren met iemand, die géén jonker of zoo iets was. Men wilde een „peckbrouck”. En nu mener een had, was hij „een gemaeckte joncker” geworden, die nu alle gelegenheden opzocht, om maar stillekens aan wal te blijven.En.... aan wal was het veiliger. Och, er had nooit veel moed in Maerten gezeten! Toen hij nog maar kwartiermeester was onder Moy Lambert en voor Algiers in Barbarije lag, was het eens geschied, dat men op het schip schoot met den steenen kogel, die „noch voor d’Admiraliteytshof tot Rotterdam hanght”. Maerten stond juist aan ’t roer en hij kreeg een stuk van een plank tegen het achterlijf. Dadelijk liet hij het roer los en liep tot voor in ’t galjoen, en hoewel hem even weinig deerde als u of mij, riep hij maar:„Ik ben dood! ik ben dood!”Wilt ge Jan Slomp, die u op minachtenden toon dit verhaal doet, tegemoet voeren dat Maerten toen nog heel jong was, dan zal deze „oudt varendt Man” u antwoorden, dat de „Courage” niet „metten ouderdom” komt, en hij zal u gaan bewijzen, dat het in het leven van Tromp àl geluk en geen de minste verdienste was.En als hij, volgens zijn meening, u dit alles daghelder heeft aangetoond, zal hij u het laatste greintje achting, dat ge nog in uw borst voor Maerten koestert, wel ontnemen. Want, ziet ge, Tromp was een geldduivel. Hij sliep met de Directeuren, die de leverantie van de eetwaren hadden, onder één deken. Zelf was hij Directeur geweest, en toen had hij brood van „verdronckenterwe” voor de oorlogsschepen laten bakken. Als je er erg in hebt, dat zijn zwager bakker in Den Briel is, dan behoeft bij deze mededeeling werkelijk geen knipoogje gegeven te worden. Welnu, dien zwager liet hij van dat bedorven goedje brood bakken, dat hij zelf voor een daalder op ’t honderd meer in rekening bracht, dan het de bakkers te Rotterdam aangeboden hadden te leveren. En als je soms wat nader wilt weten van het ordonnantie-koopen.... daarvan zou-je wat kunnen hooren van kapitein Juijnbol te Rotterdam....Ha, daar hebben we eindelijk een naam, die ons op het spoor zal brengen van de personen, die zulke verschrikkelijke beschuldigingen naar het hoofd van Bestevaer Tromp slingerden, en die, voor het minst, aan het slot van dit schotschrift hun naam wel hadden mogen plaatsen.Ze mochten anders die namen wel doen hooren, want ze zijn met roem bekend in onze Vaderlandsche Geschiedenis. En.... daarom is het toch maar goed, dat ze niet onder een schotschrift aan het nageslacht overgeleverd zijn, al zijn ze aan dergelijke schotschriften niet vreemd. Neem het dan niet te hoog op, als ge verneemt hoe zij een onzer nobelste figuren trachten zwart te maken. Bestevaêr Tromp nam het ook zoo hoog niet op: „die lachte daer dan eens om en seyde,wat mogen dese menschen al woelen, en was alsoo veel daer over onstelt als Berg of Toren, daer een kint een steentje tegen aen gooid.”Geen heldentijdperk, in welke geschiedenis ook, of om de hoofdpersonen bewegen zich tal van personen, die het eene oogenblik kunnen handelen met zulk een schittering van daden dat zij ons meesleepen, en het andere oogenblik zich als onbezonnen kinderen en groote kwâjongens kunnen aanstellen. Duld dan ook in de helden uit ons helden tijdperk, in die kloeke, alles wagende zeerobben, met hun hart, dat in goeden en kwaden zin vol streken uit hun kwâjongenstijd is gebleven, veel schaduw achter het nog wijd stralende licht.Doch.... dat vraag ik u wel voor zijn benijders. Voor hemzelven behoef ik dit minder te doen.Eentwaalftaljaren na het verschijnen van het schotschrift, toen al die dingen „al oud” waren, en „die nijdige menschen meest dood”—mijn hemel, in dien tijd gebeurde er in een tiental jaren te veel, dan dat men zou blijven zaniken over een paar ellendige praatjes!—verscheen er weer een samenspraak over de zaken van den dag, „Een Praatje over den Ouden en Nieuwen Admiraal”, waarin de twee personen, die de schrijver sprekende invoert, door hemJorisenGovertworden genoemd.Joris haalt „die oude dingen” nog eens op.Het is u wel bekend, zegt hij, dat voor drie- of vier-en-twintig jaar „Pier Heyn” doodgeschoten werd, en dat admiraal Jonkheer Van Dorp in diens plaats benoemd werd. Doch die maakte het zoo bont metzijn „Landgangers”, dat er veel koopvaarders door den vijand genomen werden. Tromp echter, die op Piet Hein’s schip kapitein was geweest en toen zelf een schip had, meende, dat hij als een goed vaderlander niet alleen ’s lands gage trekken, maar ook daarvoor watdoenmoest. Hij bracht van den wijden plas zooveel prijzen mee, dat Van Dorp, de vice-admiraal Liefhebber, kapitein Juijnbol en nog anderen meer, daarover jaloersch werden. Eens was het zelfs geschied, dat Tromp, die twee Duinkerker kapers achterna zette, door den vice-admiraal Liefhebber geseind werd terug te keeren. Tromp, die later in de uitwerking van zijn doordachte plannen, rekenen moest op de stipte nakoming zijner bevelen, gaf hier als ondergeschikte het voorbeeld, dat hij, die wil leeren commandeeren, moet beginnen met zelf te gehoorzamen. Hij liet de Duinkerkers los, maar kon onmogelijk zijn onwil verbergen. Daarover bracht Liefhebber bij de autoriteiten zijn beklag in, en toen Tromp door eenige Heeren over dit geval kwalijk bejegend werd, legde hij uit spijt „van dat hij niet en mocht doen als een eerlyck man toe staet”, zijn degen neder en verliet ’s Lands dienst.Eenigen tijd daarna werd hij een der Directeuren „over vijf schepen van de Maze, daer van denAdmiraal Dorps Schiper een was”. Toen leefde de oude wrok weder op, want Van Dorp kon niet lijden, dat Tromp hem zoo in de kaart keek. Want hij en zijn volkkregen toen de betalingen door handen van Tromp. Toen dit nu een wijl geduurd had en de admiraal Van Dorp ter zee niets uitrichtte en vervolgens, om niet afgezet te worden, zijn ontslag nam, werd het luitenant-admiraalschap ter zee „geofferreert ende gepresenteert aen onzen Tromp, ten tijde als hij nergens minder na dacht, als na dat Officie”. Dit baarde zulk een spijt en nijd in velen, voornamelijk in Van Dorp, Liefhebber en anderen, dat zij daarover, „alsof sy metten Duyvel compact hadden gemaeckt, alle vileynieën en vuyligheyt die sy konden verzinnen, tegen hem uytspoghen, om hem in den haat van Groot en Kleyn te brengen”. Al zijn daden wierden op het nauwst bespied. Was er iets, zelfs in groote zeeslagen geschied, dat niet naar hun zin was, dan werd dat met alle bitterheid en scherpheid gehekeld, overgehaald en kwalijk geduid. Zij schreven en lieten drukken, verscheidene vileyne boekjes en paskwillen, welke zij met zoo schendige leugens vulden, dat ieder, die ze gelezen heeft, lichtelijk konde oordeelen, door wat geest „deze guyten” gedreven werden.En nu noemt Joris verschillende zeeslagen op, waarvan „al de wereld” bekend is, hoe Tromp er zich in gedragen heeft, en haalt het oordeel aan, eenmaal door den strengen Piet Hein over Tromp geveld. Verder deelt hij mede, hoe er ook onder sommige edelen en krijgshoofden te land een groote „belgzucht” tegen hem ontstond, omdat zij meenden, dat men henvoor een ambt, zoo hoog als het admiraalschap, gepasseerd had, en.... dat wel voor een man, van wien men kwalijk wist waar hij vandaan kwam, een man van zulk een geringe afkomst als Tromp. En omdat wij het met Joris volkomen eens zijn, dat de rechte adel, „te weten: Manhaftigheyt, kloekmoedigheyt en Couragie”nietaan Tromp’s geslacht ontbrak, herhalen wij zijn woorden niet verder, maar vernemen alleen nog met belangstelling, dat Tromp, in plaats van door het befaamde huwelijk met die Haagsche juffrouw een onuitstaanbaar parvenu te worden, altijdde zeemanis gebleven, hoe vaak hij ook in Haagsche kringen moest verkeeren.Kwam hij in Den Haag—zoo ongeveer vertelt ons Joris—waar hij iemand van de Heeren moest spreken, dan zeilde hij recht door zee. „Hy en wist geen Hooffsche Complimenten noch van geen Haegsche drayery; dat hy seyde, dat meende hy, sonder iemand na de mond te praten”.Wel.... onze Griet Smeers uit det’Samenspraeckheeft toch niet geheel en al ongelijk gehad, toen zij Maerten Harpertsz. Tromp, den vader van dien Cornelis (of den Kees Tromp der matrozen) die zelfs aan het hof van den Franschen Zonnekoning Lodewijk XIV de Nederlandsche zeeman bleef, voor „een Noortse Beer” schold!Maar die „Noortse Beer” mocht tegenover al dat kinderachtige geklets en gerel een dikke vacht kunnenstellen,—één fijne priemsteek moest hem altijd diep wonden. En men zou ook wel geen mensch moeten zijn, indien men een beleediging, zijn moeder aangedaan, niet voelde branden tot diep in de ziel. Tromp hield veel van zijn moeder. Met innige kinderliefde bleef hij haar aanhangen, hoe hoog hij mocht klimmen in aanzien en in jaren. Hij was al een man van vijftig jaar geworden, toen het bericht, dat zij op haar ziekbed zeer naar hem verlangde, voldoende was om den admiraal, die met zijn schip in het Goereesche zeegat lag, zich te doen wenden tot de Staten-Generaal met het verzoek „een keer” te mogen maken naar Rotterdam. In de ongedrukte resolutiën der Staten-Generaal vindt men dit vermeld in termen, die zeker wel een terugslag zijn op den brief van Tromp zelven. Want het verzoek was gegrond op de reden, dat zijn moeder „door indispositie soo verre is geraect ende verswackt, dat sy naer ’t oordeel der doctoren wel een cort eynde mocht maken, ende alsoo sy seer verlangende is haer soon noch eens te spreecken”. Men vindt dit gemeld op den2denDecember van ’t jaar 1648. En gaarne voeg ik hier aan toe het oordeel van een onzer grootste historieschrijvers der 19eeeuw, wijlen prof. R. Fruin, aan wien ik deze mededeeling te danken heb, en die mij daarbij schreef: „Dat geeft een goede gedachte van de verhouding tusschen den tot hoogen rang opgeklommen zoon en zijn nederige moeder.”Zijn moeder is toen niet gestorven. Wij zullen haar in ons verhaal nog eenmaal terugvinden, en dan zal het zijn met diepen eerbied voor de grootste smart, welke haar op aarde treffen kon. Nu willen wij nog even terugkeeren tot dat veelbesproken derde huwelijk van Tromp. We hebben er van gehoord, hoe men de moeder van den admiraal uitlachte, omdat zij bij al die groote dames en heeren van de partij was. En werkelijk, die aanzienlijken hebben er óók even over gesproken. De aanzienlijksten van het land zouden op die bruiloft tegenwoordig zijn. Paste daar wel dat eenvoudige burgervrouwtje bij?Vermoedelijk, of bij de liefde welke Tromp zijn moeder toedroeg mag men wel zeggen zeer zeker, heeft de admiraal hiervan niets geweten. Toch werd er tot zelfs in de Staten over gesproken, en men wist tot geen besluit in deze zeer teedere kwestie te komen. Toen besloot men eindelijk er den man over te raadplegen, die, in naam een dienaar der Staten, inderdaad een souverein was, een Vorst van hooge en edele geboorte, die, gelijk alle zijne voorzaten en nakomelingen met wie het Nederlandsche volk zich één gevoelde, in dit veelszins kleinsteedsche land de vertegenwoordiger was van een ruimer, groot-steedsche wereldbeschouwing. Aan den heer Clant, den President der vergadering, werd opgedragen zich tot den Prins van Oranje te wenden.Den volgenden morgen werd met spanning tegemoetgezien, wat de Voorzitter zou mededeelen over dit onderhoud met Zijne Hoogheid, prins Frederik Hendrik. Zou de Oranjevorst, die werkelijk wel wist hoe het hoorde, het óók wel een beetje raar vinden, dat een eenvoudig burgervrouwtje onder al die hooge gasten aanzat op de bruiloft van haar zoon? En.... zou door deze beslissing wel eens heel het huwelijk in duigen kunnen vallen? Want Tromp bleef toch altijd een zeeman, en dat slag van lieden kan zoo ongezouten uit den hoek komen....Wie de verhouding van de Vorsten en Vorstinnen uit het Huis van Oranje tot onze „kleyne luyden” kent, die juist daarom met aandoenlijke, de eeuwen en de tegenspoeden trotseerende vereering dat Huis bleven aanhangen, weet al vooruit welk antwoord de President in de vergadering bracht. De Staten hoorden zijn boodschap aan, en toen werd eenstemmig besloten volgens het gevoelen van Zijne Hoogheid te handelen.Want.... een Prins van Oranje had wel degelijk gewild, dat het moedertje van den zeeheld op de bruiloft van haar zoon zou aanzitten naast hem, om wien zij veel geleden had in de dagen toen hij als kind voor haar verloren scheen, en in wiens geluk en glorie niemand ter wereld inniger deelde dan zij?

TIENDE HOOFDSTUK.Lastertongen en kleinzieligheid.De Spaansche macht mocht door den zeeslag van Duins een knak gekregen hebben, waarvan zij zich niet meer herstellen zou, het eigenlijke doel, de overbrenging van de troepen naar Vlaanderen, was voor het grootste gedeelte bereikt. In September toch, terwijl de Spaansche vloot op de reede van Duins vastgekluisterd lag, was het aan een dertiental Spaansche schepen gelukt te ontsnappen. Dat was langs een weg gegaan, welken de Engelschen ons als onbevaarbaar hadden opgegeven, doch die dat niet was. De Engelschen hadden hun Spaansche gasten als loods gediend, en zoo waren die Spaansche bodems, waarop zich een groot aantal soldaten bevond, ver van de Nederlanders af in het ruime sop gekomen, en hadden de Zuidelijke Nederlanden weten te bereiken. Ook had, in den zeeslag bij Duins zelven, de Spaansche admiraal d’Oquendo met een twaalftal schepen weten te ontkomen. Hij was in zijn vlucht begunstigd door een beschermend gordijn van mist, en toen deze uiteenwoeiwas het door een sterken, fortuinlijken wind, die hem tot zijn overgroote vreugde de haven van Duinkerken deed bereiken. Ten slotte kan ik niet vinden, dat de buitgelden bijzonder groot waren. Zij bedroegen wel bijna 135 duizend gulden, maar ik denk, dat het aan de Jantjes, die van de schatten der Onoverwinnelijke Vloot gedroomd hadden, wel tegengevallen zal zijn. De belooningen, die aan eereblijken en wat dies meer zij werden uitgereikt, bedroegen zelfs veel meer, namelijk zes ton gouds.Al deze beschouwingen konden voorzeker voldoende zijn om de spijtigheid van degenen, die het niet goed velen konden, dat den admiraal en den zijnen zooveel eer werd aangedaan, wat te verzoeten. Spijtige menschen en jaloerschen zijn er altijd, en Tromp had vijanden te over. ’t Spreekt vanzelf, dat er personen waren, die liever gezien hadden, dat hetnietgoed met een pekbroek was gegaan.Doch het was er verre vandaan, dat zij door de aangevoerde overwegingen hun jaloerschheid of hun bitterheid voldaan voelden. Het ging hun in deze dagen te hoog met Tromp. Door „treffelijke geschenken”, zooals onze Wagenaar zich uitdrukt, trachtte men zijn dapperheid te beloonen. In Januari 1640 werd hij Ridder in de Orde van Sint Michiel en door den Koning van Frankrijk, Lodewijk den Dertienden, met een nieuw wapen begiftigd. Maar—wat zijn benijders wel het meest in de oogenstak—hij trouwde „een rijcke Joffrou met veel gout”.Deze „rijcke Joffrou” heette Cornelia Berckhout, en het huwelijk werd ten jare 1640 te ’s-Gravenhage voltrokken. Zij was „een Raets-heere dochter, haer vaertje was van Munnickedam, en placht inden Haegh op de Vijverberghe te woonen, en haer moertje was van Delft van de beste van ’t Stee”.Ongeveer dezen tijd moet de venijnige brochure verschenen zijn, waaraan wij bovenstaande bijzonderheden ontleenden. Wat ook zoo’n Maerten Harpertsz. Tromp zich verbeelden zou! Dat was me een admiraal; jawel! door zijn mooi-praten en zijn flikflooien, door zijn „Lammertongetje,” en vooral omdat hij de dominees op zijn hand had. Want die heeren predikers zouden het wel voor hem „rondschieten”. De veinsaard! die wist van handjes-geven en van broeder en „vriendekens” zeggen! Het ging met hem als met Reintje de Vos toen deze zich in een monnikskap gestoken had. Toen was de vos een degelijk gezel en niemand durfde iets van hem zeggen, want ’t was een broeder van de Kap, en de andere dieren ontvingen dagelijks zijn zegen. Gelukkig was hij, die zijn afteekening in zijn hol had, anders was men een ketter en geen goed Patriot.Men had hem eens moeten gezien hebben, „inde Coetswaghen” toen hij trouwde! Hij leek wel een „Noortse-Beer!”Nu—zei Griet Smeers,—’t zag er met Maerten vóór 20 jaar al heel anders uit!Of het—antwoordde Trijn Jans.—Ik heb Martens allang gekend, en zijn vaar ook wel. Die was Trompetter in Den Briel, en daarna werd hij kapitein op een buisconvoyer. En zijn moer waschte de maats d’r hemden, en steef de kragen om geld. En toen Maerten nog jong was, liep hij tot Rotterdam met een schootsvel voor en was een timmermansjongen: en deze vent wil met geweld van adel wezen, daar hij altijd mede placht te spotten!Griet Smeers schudde medelijdend het hoofd. Die Maerten Tromp. Als zij daarover wilde beginnen, was zij vooreerst niet uitgepraat. Want zij wist nog wel wat anders van hem en zijn mooie familie. Zijn moer had nog vóór twee jaar voor de menschen gesteven, en zijn zusters deden het nog. En zijn jongens plachten zoo schâloos rond te loopen, of zij bedelaarskinderen waren. Wat een mensch al niet beleven moest! Dat rijdt me in wagens, dat is me gekleed in zijde en satijn.... en dat wil niet eens de drieduizend gulden betalen, „die zijn moer van zijn salighe vaers nog wel schuldigh” is!Ja, Maerten was van „sulcken volckje”. In zulk „een mooi geslacht” kwam nu die Haagsche juffrouw. Hm.... begrijp-je niet, waarom dat zieltje, dat zich dag en nacht de oogen rood weende, in zulk een rare familie kwam? Och ja, je bent misschien als MarinusCrijnsz. uit dezet’Samen-Spraecknog wat „te jongh om alle dinck te weten”. Maar als je een „fris jongman” bent, en bijgeval ter zee vaart, heeft Trijn Jans u nog wel een goeden raad te geven. Je moet maar mooitjes ter kerk gaan en niet één preek verzuimen, en dan zult ge in de kennis van de Heeren komen. Die zullen je wel recommandeeren om kapitein te worden. En misschien kun-je dan wel een dochter van een dier Heeren trouwen, of ook wel de meid, als niemand ze meer hebben wil....Hoe menigeen uit de 20steeeuw zal verbaasd zijn, als hij van zulk een flauwen praat, vooral van dat laag neerzien op iemands afkomst hoort gewagen, in een eeuw, die òns daarvoor te groot leek. Sprekenwijniet van mannen die zich vol geestkracht zèlf door de wereld geslagen hebben en tot wie wij, juist daarom, hebben leeren opzien? Wonderlijk! De eeuw, waarin zij leefden, sprak van hen met onverholen minachting als van die kapiteins, „dat maer snyders, wevers en sulck volck zijn”.Ja, ziet u—zou een der personen uit onzet’Samen-Spraeckdaarop geantwoord hebben—iemand moet de gal wel overloopen, als hij ’t over Maerten Harpertsz. Tromp heeft. Want in zekeren zin is hij een afvallige, een ontrouwe. Hij was immers juist zoo hoog geklommen, omdat men het ter zee nu eens wilde probeeren met iemand, die géén jonker of zoo iets was. Men wilde een „peckbrouck”. En nu mener een had, was hij „een gemaeckte joncker” geworden, die nu alle gelegenheden opzocht, om maar stillekens aan wal te blijven.En.... aan wal was het veiliger. Och, er had nooit veel moed in Maerten gezeten! Toen hij nog maar kwartiermeester was onder Moy Lambert en voor Algiers in Barbarije lag, was het eens geschied, dat men op het schip schoot met den steenen kogel, die „noch voor d’Admiraliteytshof tot Rotterdam hanght”. Maerten stond juist aan ’t roer en hij kreeg een stuk van een plank tegen het achterlijf. Dadelijk liet hij het roer los en liep tot voor in ’t galjoen, en hoewel hem even weinig deerde als u of mij, riep hij maar:„Ik ben dood! ik ben dood!”Wilt ge Jan Slomp, die u op minachtenden toon dit verhaal doet, tegemoet voeren dat Maerten toen nog heel jong was, dan zal deze „oudt varendt Man” u antwoorden, dat de „Courage” niet „metten ouderdom” komt, en hij zal u gaan bewijzen, dat het in het leven van Tromp àl geluk en geen de minste verdienste was.En als hij, volgens zijn meening, u dit alles daghelder heeft aangetoond, zal hij u het laatste greintje achting, dat ge nog in uw borst voor Maerten koestert, wel ontnemen. Want, ziet ge, Tromp was een geldduivel. Hij sliep met de Directeuren, die de leverantie van de eetwaren hadden, onder één deken. Zelf was hij Directeur geweest, en toen had hij brood van „verdronckenterwe” voor de oorlogsschepen laten bakken. Als je er erg in hebt, dat zijn zwager bakker in Den Briel is, dan behoeft bij deze mededeeling werkelijk geen knipoogje gegeven te worden. Welnu, dien zwager liet hij van dat bedorven goedje brood bakken, dat hij zelf voor een daalder op ’t honderd meer in rekening bracht, dan het de bakkers te Rotterdam aangeboden hadden te leveren. En als je soms wat nader wilt weten van het ordonnantie-koopen.... daarvan zou-je wat kunnen hooren van kapitein Juijnbol te Rotterdam....Ha, daar hebben we eindelijk een naam, die ons op het spoor zal brengen van de personen, die zulke verschrikkelijke beschuldigingen naar het hoofd van Bestevaer Tromp slingerden, en die, voor het minst, aan het slot van dit schotschrift hun naam wel hadden mogen plaatsen.Ze mochten anders die namen wel doen hooren, want ze zijn met roem bekend in onze Vaderlandsche Geschiedenis. En.... daarom is het toch maar goed, dat ze niet onder een schotschrift aan het nageslacht overgeleverd zijn, al zijn ze aan dergelijke schotschriften niet vreemd. Neem het dan niet te hoog op, als ge verneemt hoe zij een onzer nobelste figuren trachten zwart te maken. Bestevaêr Tromp nam het ook zoo hoog niet op: „die lachte daer dan eens om en seyde,wat mogen dese menschen al woelen, en was alsoo veel daer over onstelt als Berg of Toren, daer een kint een steentje tegen aen gooid.”Geen heldentijdperk, in welke geschiedenis ook, of om de hoofdpersonen bewegen zich tal van personen, die het eene oogenblik kunnen handelen met zulk een schittering van daden dat zij ons meesleepen, en het andere oogenblik zich als onbezonnen kinderen en groote kwâjongens kunnen aanstellen. Duld dan ook in de helden uit ons helden tijdperk, in die kloeke, alles wagende zeerobben, met hun hart, dat in goeden en kwaden zin vol streken uit hun kwâjongenstijd is gebleven, veel schaduw achter het nog wijd stralende licht.Doch.... dat vraag ik u wel voor zijn benijders. Voor hemzelven behoef ik dit minder te doen.Eentwaalftaljaren na het verschijnen van het schotschrift, toen al die dingen „al oud” waren, en „die nijdige menschen meest dood”—mijn hemel, in dien tijd gebeurde er in een tiental jaren te veel, dan dat men zou blijven zaniken over een paar ellendige praatjes!—verscheen er weer een samenspraak over de zaken van den dag, „Een Praatje over den Ouden en Nieuwen Admiraal”, waarin de twee personen, die de schrijver sprekende invoert, door hemJorisenGovertworden genoemd.Joris haalt „die oude dingen” nog eens op.Het is u wel bekend, zegt hij, dat voor drie- of vier-en-twintig jaar „Pier Heyn” doodgeschoten werd, en dat admiraal Jonkheer Van Dorp in diens plaats benoemd werd. Doch die maakte het zoo bont metzijn „Landgangers”, dat er veel koopvaarders door den vijand genomen werden. Tromp echter, die op Piet Hein’s schip kapitein was geweest en toen zelf een schip had, meende, dat hij als een goed vaderlander niet alleen ’s lands gage trekken, maar ook daarvoor watdoenmoest. Hij bracht van den wijden plas zooveel prijzen mee, dat Van Dorp, de vice-admiraal Liefhebber, kapitein Juijnbol en nog anderen meer, daarover jaloersch werden. Eens was het zelfs geschied, dat Tromp, die twee Duinkerker kapers achterna zette, door den vice-admiraal Liefhebber geseind werd terug te keeren. Tromp, die later in de uitwerking van zijn doordachte plannen, rekenen moest op de stipte nakoming zijner bevelen, gaf hier als ondergeschikte het voorbeeld, dat hij, die wil leeren commandeeren, moet beginnen met zelf te gehoorzamen. Hij liet de Duinkerkers los, maar kon onmogelijk zijn onwil verbergen. Daarover bracht Liefhebber bij de autoriteiten zijn beklag in, en toen Tromp door eenige Heeren over dit geval kwalijk bejegend werd, legde hij uit spijt „van dat hij niet en mocht doen als een eerlyck man toe staet”, zijn degen neder en verliet ’s Lands dienst.Eenigen tijd daarna werd hij een der Directeuren „over vijf schepen van de Maze, daer van denAdmiraal Dorps Schiper een was”. Toen leefde de oude wrok weder op, want Van Dorp kon niet lijden, dat Tromp hem zoo in de kaart keek. Want hij en zijn volkkregen toen de betalingen door handen van Tromp. Toen dit nu een wijl geduurd had en de admiraal Van Dorp ter zee niets uitrichtte en vervolgens, om niet afgezet te worden, zijn ontslag nam, werd het luitenant-admiraalschap ter zee „geofferreert ende gepresenteert aen onzen Tromp, ten tijde als hij nergens minder na dacht, als na dat Officie”. Dit baarde zulk een spijt en nijd in velen, voornamelijk in Van Dorp, Liefhebber en anderen, dat zij daarover, „alsof sy metten Duyvel compact hadden gemaeckt, alle vileynieën en vuyligheyt die sy konden verzinnen, tegen hem uytspoghen, om hem in den haat van Groot en Kleyn te brengen”. Al zijn daden wierden op het nauwst bespied. Was er iets, zelfs in groote zeeslagen geschied, dat niet naar hun zin was, dan werd dat met alle bitterheid en scherpheid gehekeld, overgehaald en kwalijk geduid. Zij schreven en lieten drukken, verscheidene vileyne boekjes en paskwillen, welke zij met zoo schendige leugens vulden, dat ieder, die ze gelezen heeft, lichtelijk konde oordeelen, door wat geest „deze guyten” gedreven werden.En nu noemt Joris verschillende zeeslagen op, waarvan „al de wereld” bekend is, hoe Tromp er zich in gedragen heeft, en haalt het oordeel aan, eenmaal door den strengen Piet Hein over Tromp geveld. Verder deelt hij mede, hoe er ook onder sommige edelen en krijgshoofden te land een groote „belgzucht” tegen hem ontstond, omdat zij meenden, dat men henvoor een ambt, zoo hoog als het admiraalschap, gepasseerd had, en.... dat wel voor een man, van wien men kwalijk wist waar hij vandaan kwam, een man van zulk een geringe afkomst als Tromp. En omdat wij het met Joris volkomen eens zijn, dat de rechte adel, „te weten: Manhaftigheyt, kloekmoedigheyt en Couragie”nietaan Tromp’s geslacht ontbrak, herhalen wij zijn woorden niet verder, maar vernemen alleen nog met belangstelling, dat Tromp, in plaats van door het befaamde huwelijk met die Haagsche juffrouw een onuitstaanbaar parvenu te worden, altijdde zeemanis gebleven, hoe vaak hij ook in Haagsche kringen moest verkeeren.Kwam hij in Den Haag—zoo ongeveer vertelt ons Joris—waar hij iemand van de Heeren moest spreken, dan zeilde hij recht door zee. „Hy en wist geen Hooffsche Complimenten noch van geen Haegsche drayery; dat hy seyde, dat meende hy, sonder iemand na de mond te praten”.Wel.... onze Griet Smeers uit det’Samenspraeckheeft toch niet geheel en al ongelijk gehad, toen zij Maerten Harpertsz. Tromp, den vader van dien Cornelis (of den Kees Tromp der matrozen) die zelfs aan het hof van den Franschen Zonnekoning Lodewijk XIV de Nederlandsche zeeman bleef, voor „een Noortse Beer” schold!Maar die „Noortse Beer” mocht tegenover al dat kinderachtige geklets en gerel een dikke vacht kunnenstellen,—één fijne priemsteek moest hem altijd diep wonden. En men zou ook wel geen mensch moeten zijn, indien men een beleediging, zijn moeder aangedaan, niet voelde branden tot diep in de ziel. Tromp hield veel van zijn moeder. Met innige kinderliefde bleef hij haar aanhangen, hoe hoog hij mocht klimmen in aanzien en in jaren. Hij was al een man van vijftig jaar geworden, toen het bericht, dat zij op haar ziekbed zeer naar hem verlangde, voldoende was om den admiraal, die met zijn schip in het Goereesche zeegat lag, zich te doen wenden tot de Staten-Generaal met het verzoek „een keer” te mogen maken naar Rotterdam. In de ongedrukte resolutiën der Staten-Generaal vindt men dit vermeld in termen, die zeker wel een terugslag zijn op den brief van Tromp zelven. Want het verzoek was gegrond op de reden, dat zijn moeder „door indispositie soo verre is geraect ende verswackt, dat sy naer ’t oordeel der doctoren wel een cort eynde mocht maken, ende alsoo sy seer verlangende is haer soon noch eens te spreecken”. Men vindt dit gemeld op den2denDecember van ’t jaar 1648. En gaarne voeg ik hier aan toe het oordeel van een onzer grootste historieschrijvers der 19eeeuw, wijlen prof. R. Fruin, aan wien ik deze mededeeling te danken heb, en die mij daarbij schreef: „Dat geeft een goede gedachte van de verhouding tusschen den tot hoogen rang opgeklommen zoon en zijn nederige moeder.”Zijn moeder is toen niet gestorven. Wij zullen haar in ons verhaal nog eenmaal terugvinden, en dan zal het zijn met diepen eerbied voor de grootste smart, welke haar op aarde treffen kon. Nu willen wij nog even terugkeeren tot dat veelbesproken derde huwelijk van Tromp. We hebben er van gehoord, hoe men de moeder van den admiraal uitlachte, omdat zij bij al die groote dames en heeren van de partij was. En werkelijk, die aanzienlijken hebben er óók even over gesproken. De aanzienlijksten van het land zouden op die bruiloft tegenwoordig zijn. Paste daar wel dat eenvoudige burgervrouwtje bij?Vermoedelijk, of bij de liefde welke Tromp zijn moeder toedroeg mag men wel zeggen zeer zeker, heeft de admiraal hiervan niets geweten. Toch werd er tot zelfs in de Staten over gesproken, en men wist tot geen besluit in deze zeer teedere kwestie te komen. Toen besloot men eindelijk er den man over te raadplegen, die, in naam een dienaar der Staten, inderdaad een souverein was, een Vorst van hooge en edele geboorte, die, gelijk alle zijne voorzaten en nakomelingen met wie het Nederlandsche volk zich één gevoelde, in dit veelszins kleinsteedsche land de vertegenwoordiger was van een ruimer, groot-steedsche wereldbeschouwing. Aan den heer Clant, den President der vergadering, werd opgedragen zich tot den Prins van Oranje te wenden.Den volgenden morgen werd met spanning tegemoetgezien, wat de Voorzitter zou mededeelen over dit onderhoud met Zijne Hoogheid, prins Frederik Hendrik. Zou de Oranjevorst, die werkelijk wel wist hoe het hoorde, het óók wel een beetje raar vinden, dat een eenvoudig burgervrouwtje onder al die hooge gasten aanzat op de bruiloft van haar zoon? En.... zou door deze beslissing wel eens heel het huwelijk in duigen kunnen vallen? Want Tromp bleef toch altijd een zeeman, en dat slag van lieden kan zoo ongezouten uit den hoek komen....Wie de verhouding van de Vorsten en Vorstinnen uit het Huis van Oranje tot onze „kleyne luyden” kent, die juist daarom met aandoenlijke, de eeuwen en de tegenspoeden trotseerende vereering dat Huis bleven aanhangen, weet al vooruit welk antwoord de President in de vergadering bracht. De Staten hoorden zijn boodschap aan, en toen werd eenstemmig besloten volgens het gevoelen van Zijne Hoogheid te handelen.Want.... een Prins van Oranje had wel degelijk gewild, dat het moedertje van den zeeheld op de bruiloft van haar zoon zou aanzitten naast hem, om wien zij veel geleden had in de dagen toen hij als kind voor haar verloren scheen, en in wiens geluk en glorie niemand ter wereld inniger deelde dan zij?

TIENDE HOOFDSTUK.Lastertongen en kleinzieligheid.

De Spaansche macht mocht door den zeeslag van Duins een knak gekregen hebben, waarvan zij zich niet meer herstellen zou, het eigenlijke doel, de overbrenging van de troepen naar Vlaanderen, was voor het grootste gedeelte bereikt. In September toch, terwijl de Spaansche vloot op de reede van Duins vastgekluisterd lag, was het aan een dertiental Spaansche schepen gelukt te ontsnappen. Dat was langs een weg gegaan, welken de Engelschen ons als onbevaarbaar hadden opgegeven, doch die dat niet was. De Engelschen hadden hun Spaansche gasten als loods gediend, en zoo waren die Spaansche bodems, waarop zich een groot aantal soldaten bevond, ver van de Nederlanders af in het ruime sop gekomen, en hadden de Zuidelijke Nederlanden weten te bereiken. Ook had, in den zeeslag bij Duins zelven, de Spaansche admiraal d’Oquendo met een twaalftal schepen weten te ontkomen. Hij was in zijn vlucht begunstigd door een beschermend gordijn van mist, en toen deze uiteenwoeiwas het door een sterken, fortuinlijken wind, die hem tot zijn overgroote vreugde de haven van Duinkerken deed bereiken. Ten slotte kan ik niet vinden, dat de buitgelden bijzonder groot waren. Zij bedroegen wel bijna 135 duizend gulden, maar ik denk, dat het aan de Jantjes, die van de schatten der Onoverwinnelijke Vloot gedroomd hadden, wel tegengevallen zal zijn. De belooningen, die aan eereblijken en wat dies meer zij werden uitgereikt, bedroegen zelfs veel meer, namelijk zes ton gouds.Al deze beschouwingen konden voorzeker voldoende zijn om de spijtigheid van degenen, die het niet goed velen konden, dat den admiraal en den zijnen zooveel eer werd aangedaan, wat te verzoeten. Spijtige menschen en jaloerschen zijn er altijd, en Tromp had vijanden te over. ’t Spreekt vanzelf, dat er personen waren, die liever gezien hadden, dat hetnietgoed met een pekbroek was gegaan.Doch het was er verre vandaan, dat zij door de aangevoerde overwegingen hun jaloerschheid of hun bitterheid voldaan voelden. Het ging hun in deze dagen te hoog met Tromp. Door „treffelijke geschenken”, zooals onze Wagenaar zich uitdrukt, trachtte men zijn dapperheid te beloonen. In Januari 1640 werd hij Ridder in de Orde van Sint Michiel en door den Koning van Frankrijk, Lodewijk den Dertienden, met een nieuw wapen begiftigd. Maar—wat zijn benijders wel het meest in de oogenstak—hij trouwde „een rijcke Joffrou met veel gout”.Deze „rijcke Joffrou” heette Cornelia Berckhout, en het huwelijk werd ten jare 1640 te ’s-Gravenhage voltrokken. Zij was „een Raets-heere dochter, haer vaertje was van Munnickedam, en placht inden Haegh op de Vijverberghe te woonen, en haer moertje was van Delft van de beste van ’t Stee”.Ongeveer dezen tijd moet de venijnige brochure verschenen zijn, waaraan wij bovenstaande bijzonderheden ontleenden. Wat ook zoo’n Maerten Harpertsz. Tromp zich verbeelden zou! Dat was me een admiraal; jawel! door zijn mooi-praten en zijn flikflooien, door zijn „Lammertongetje,” en vooral omdat hij de dominees op zijn hand had. Want die heeren predikers zouden het wel voor hem „rondschieten”. De veinsaard! die wist van handjes-geven en van broeder en „vriendekens” zeggen! Het ging met hem als met Reintje de Vos toen deze zich in een monnikskap gestoken had. Toen was de vos een degelijk gezel en niemand durfde iets van hem zeggen, want ’t was een broeder van de Kap, en de andere dieren ontvingen dagelijks zijn zegen. Gelukkig was hij, die zijn afteekening in zijn hol had, anders was men een ketter en geen goed Patriot.Men had hem eens moeten gezien hebben, „inde Coetswaghen” toen hij trouwde! Hij leek wel een „Noortse-Beer!”Nu—zei Griet Smeers,—’t zag er met Maerten vóór 20 jaar al heel anders uit!Of het—antwoordde Trijn Jans.—Ik heb Martens allang gekend, en zijn vaar ook wel. Die was Trompetter in Den Briel, en daarna werd hij kapitein op een buisconvoyer. En zijn moer waschte de maats d’r hemden, en steef de kragen om geld. En toen Maerten nog jong was, liep hij tot Rotterdam met een schootsvel voor en was een timmermansjongen: en deze vent wil met geweld van adel wezen, daar hij altijd mede placht te spotten!Griet Smeers schudde medelijdend het hoofd. Die Maerten Tromp. Als zij daarover wilde beginnen, was zij vooreerst niet uitgepraat. Want zij wist nog wel wat anders van hem en zijn mooie familie. Zijn moer had nog vóór twee jaar voor de menschen gesteven, en zijn zusters deden het nog. En zijn jongens plachten zoo schâloos rond te loopen, of zij bedelaarskinderen waren. Wat een mensch al niet beleven moest! Dat rijdt me in wagens, dat is me gekleed in zijde en satijn.... en dat wil niet eens de drieduizend gulden betalen, „die zijn moer van zijn salighe vaers nog wel schuldigh” is!Ja, Maerten was van „sulcken volckje”. In zulk „een mooi geslacht” kwam nu die Haagsche juffrouw. Hm.... begrijp-je niet, waarom dat zieltje, dat zich dag en nacht de oogen rood weende, in zulk een rare familie kwam? Och ja, je bent misschien als MarinusCrijnsz. uit dezet’Samen-Spraecknog wat „te jongh om alle dinck te weten”. Maar als je een „fris jongman” bent, en bijgeval ter zee vaart, heeft Trijn Jans u nog wel een goeden raad te geven. Je moet maar mooitjes ter kerk gaan en niet één preek verzuimen, en dan zult ge in de kennis van de Heeren komen. Die zullen je wel recommandeeren om kapitein te worden. En misschien kun-je dan wel een dochter van een dier Heeren trouwen, of ook wel de meid, als niemand ze meer hebben wil....Hoe menigeen uit de 20steeeuw zal verbaasd zijn, als hij van zulk een flauwen praat, vooral van dat laag neerzien op iemands afkomst hoort gewagen, in een eeuw, die òns daarvoor te groot leek. Sprekenwijniet van mannen die zich vol geestkracht zèlf door de wereld geslagen hebben en tot wie wij, juist daarom, hebben leeren opzien? Wonderlijk! De eeuw, waarin zij leefden, sprak van hen met onverholen minachting als van die kapiteins, „dat maer snyders, wevers en sulck volck zijn”.Ja, ziet u—zou een der personen uit onzet’Samen-Spraeckdaarop geantwoord hebben—iemand moet de gal wel overloopen, als hij ’t over Maerten Harpertsz. Tromp heeft. Want in zekeren zin is hij een afvallige, een ontrouwe. Hij was immers juist zoo hoog geklommen, omdat men het ter zee nu eens wilde probeeren met iemand, die géén jonker of zoo iets was. Men wilde een „peckbrouck”. En nu mener een had, was hij „een gemaeckte joncker” geworden, die nu alle gelegenheden opzocht, om maar stillekens aan wal te blijven.En.... aan wal was het veiliger. Och, er had nooit veel moed in Maerten gezeten! Toen hij nog maar kwartiermeester was onder Moy Lambert en voor Algiers in Barbarije lag, was het eens geschied, dat men op het schip schoot met den steenen kogel, die „noch voor d’Admiraliteytshof tot Rotterdam hanght”. Maerten stond juist aan ’t roer en hij kreeg een stuk van een plank tegen het achterlijf. Dadelijk liet hij het roer los en liep tot voor in ’t galjoen, en hoewel hem even weinig deerde als u of mij, riep hij maar:„Ik ben dood! ik ben dood!”Wilt ge Jan Slomp, die u op minachtenden toon dit verhaal doet, tegemoet voeren dat Maerten toen nog heel jong was, dan zal deze „oudt varendt Man” u antwoorden, dat de „Courage” niet „metten ouderdom” komt, en hij zal u gaan bewijzen, dat het in het leven van Tromp àl geluk en geen de minste verdienste was.En als hij, volgens zijn meening, u dit alles daghelder heeft aangetoond, zal hij u het laatste greintje achting, dat ge nog in uw borst voor Maerten koestert, wel ontnemen. Want, ziet ge, Tromp was een geldduivel. Hij sliep met de Directeuren, die de leverantie van de eetwaren hadden, onder één deken. Zelf was hij Directeur geweest, en toen had hij brood van „verdronckenterwe” voor de oorlogsschepen laten bakken. Als je er erg in hebt, dat zijn zwager bakker in Den Briel is, dan behoeft bij deze mededeeling werkelijk geen knipoogje gegeven te worden. Welnu, dien zwager liet hij van dat bedorven goedje brood bakken, dat hij zelf voor een daalder op ’t honderd meer in rekening bracht, dan het de bakkers te Rotterdam aangeboden hadden te leveren. En als je soms wat nader wilt weten van het ordonnantie-koopen.... daarvan zou-je wat kunnen hooren van kapitein Juijnbol te Rotterdam....Ha, daar hebben we eindelijk een naam, die ons op het spoor zal brengen van de personen, die zulke verschrikkelijke beschuldigingen naar het hoofd van Bestevaer Tromp slingerden, en die, voor het minst, aan het slot van dit schotschrift hun naam wel hadden mogen plaatsen.Ze mochten anders die namen wel doen hooren, want ze zijn met roem bekend in onze Vaderlandsche Geschiedenis. En.... daarom is het toch maar goed, dat ze niet onder een schotschrift aan het nageslacht overgeleverd zijn, al zijn ze aan dergelijke schotschriften niet vreemd. Neem het dan niet te hoog op, als ge verneemt hoe zij een onzer nobelste figuren trachten zwart te maken. Bestevaêr Tromp nam het ook zoo hoog niet op: „die lachte daer dan eens om en seyde,wat mogen dese menschen al woelen, en was alsoo veel daer over onstelt als Berg of Toren, daer een kint een steentje tegen aen gooid.”Geen heldentijdperk, in welke geschiedenis ook, of om de hoofdpersonen bewegen zich tal van personen, die het eene oogenblik kunnen handelen met zulk een schittering van daden dat zij ons meesleepen, en het andere oogenblik zich als onbezonnen kinderen en groote kwâjongens kunnen aanstellen. Duld dan ook in de helden uit ons helden tijdperk, in die kloeke, alles wagende zeerobben, met hun hart, dat in goeden en kwaden zin vol streken uit hun kwâjongenstijd is gebleven, veel schaduw achter het nog wijd stralende licht.Doch.... dat vraag ik u wel voor zijn benijders. Voor hemzelven behoef ik dit minder te doen.Eentwaalftaljaren na het verschijnen van het schotschrift, toen al die dingen „al oud” waren, en „die nijdige menschen meest dood”—mijn hemel, in dien tijd gebeurde er in een tiental jaren te veel, dan dat men zou blijven zaniken over een paar ellendige praatjes!—verscheen er weer een samenspraak over de zaken van den dag, „Een Praatje over den Ouden en Nieuwen Admiraal”, waarin de twee personen, die de schrijver sprekende invoert, door hemJorisenGovertworden genoemd.Joris haalt „die oude dingen” nog eens op.Het is u wel bekend, zegt hij, dat voor drie- of vier-en-twintig jaar „Pier Heyn” doodgeschoten werd, en dat admiraal Jonkheer Van Dorp in diens plaats benoemd werd. Doch die maakte het zoo bont metzijn „Landgangers”, dat er veel koopvaarders door den vijand genomen werden. Tromp echter, die op Piet Hein’s schip kapitein was geweest en toen zelf een schip had, meende, dat hij als een goed vaderlander niet alleen ’s lands gage trekken, maar ook daarvoor watdoenmoest. Hij bracht van den wijden plas zooveel prijzen mee, dat Van Dorp, de vice-admiraal Liefhebber, kapitein Juijnbol en nog anderen meer, daarover jaloersch werden. Eens was het zelfs geschied, dat Tromp, die twee Duinkerker kapers achterna zette, door den vice-admiraal Liefhebber geseind werd terug te keeren. Tromp, die later in de uitwerking van zijn doordachte plannen, rekenen moest op de stipte nakoming zijner bevelen, gaf hier als ondergeschikte het voorbeeld, dat hij, die wil leeren commandeeren, moet beginnen met zelf te gehoorzamen. Hij liet de Duinkerkers los, maar kon onmogelijk zijn onwil verbergen. Daarover bracht Liefhebber bij de autoriteiten zijn beklag in, en toen Tromp door eenige Heeren over dit geval kwalijk bejegend werd, legde hij uit spijt „van dat hij niet en mocht doen als een eerlyck man toe staet”, zijn degen neder en verliet ’s Lands dienst.Eenigen tijd daarna werd hij een der Directeuren „over vijf schepen van de Maze, daer van denAdmiraal Dorps Schiper een was”. Toen leefde de oude wrok weder op, want Van Dorp kon niet lijden, dat Tromp hem zoo in de kaart keek. Want hij en zijn volkkregen toen de betalingen door handen van Tromp. Toen dit nu een wijl geduurd had en de admiraal Van Dorp ter zee niets uitrichtte en vervolgens, om niet afgezet te worden, zijn ontslag nam, werd het luitenant-admiraalschap ter zee „geofferreert ende gepresenteert aen onzen Tromp, ten tijde als hij nergens minder na dacht, als na dat Officie”. Dit baarde zulk een spijt en nijd in velen, voornamelijk in Van Dorp, Liefhebber en anderen, dat zij daarover, „alsof sy metten Duyvel compact hadden gemaeckt, alle vileynieën en vuyligheyt die sy konden verzinnen, tegen hem uytspoghen, om hem in den haat van Groot en Kleyn te brengen”. Al zijn daden wierden op het nauwst bespied. Was er iets, zelfs in groote zeeslagen geschied, dat niet naar hun zin was, dan werd dat met alle bitterheid en scherpheid gehekeld, overgehaald en kwalijk geduid. Zij schreven en lieten drukken, verscheidene vileyne boekjes en paskwillen, welke zij met zoo schendige leugens vulden, dat ieder, die ze gelezen heeft, lichtelijk konde oordeelen, door wat geest „deze guyten” gedreven werden.En nu noemt Joris verschillende zeeslagen op, waarvan „al de wereld” bekend is, hoe Tromp er zich in gedragen heeft, en haalt het oordeel aan, eenmaal door den strengen Piet Hein over Tromp geveld. Verder deelt hij mede, hoe er ook onder sommige edelen en krijgshoofden te land een groote „belgzucht” tegen hem ontstond, omdat zij meenden, dat men henvoor een ambt, zoo hoog als het admiraalschap, gepasseerd had, en.... dat wel voor een man, van wien men kwalijk wist waar hij vandaan kwam, een man van zulk een geringe afkomst als Tromp. En omdat wij het met Joris volkomen eens zijn, dat de rechte adel, „te weten: Manhaftigheyt, kloekmoedigheyt en Couragie”nietaan Tromp’s geslacht ontbrak, herhalen wij zijn woorden niet verder, maar vernemen alleen nog met belangstelling, dat Tromp, in plaats van door het befaamde huwelijk met die Haagsche juffrouw een onuitstaanbaar parvenu te worden, altijdde zeemanis gebleven, hoe vaak hij ook in Haagsche kringen moest verkeeren.Kwam hij in Den Haag—zoo ongeveer vertelt ons Joris—waar hij iemand van de Heeren moest spreken, dan zeilde hij recht door zee. „Hy en wist geen Hooffsche Complimenten noch van geen Haegsche drayery; dat hy seyde, dat meende hy, sonder iemand na de mond te praten”.Wel.... onze Griet Smeers uit det’Samenspraeckheeft toch niet geheel en al ongelijk gehad, toen zij Maerten Harpertsz. Tromp, den vader van dien Cornelis (of den Kees Tromp der matrozen) die zelfs aan het hof van den Franschen Zonnekoning Lodewijk XIV de Nederlandsche zeeman bleef, voor „een Noortse Beer” schold!Maar die „Noortse Beer” mocht tegenover al dat kinderachtige geklets en gerel een dikke vacht kunnenstellen,—één fijne priemsteek moest hem altijd diep wonden. En men zou ook wel geen mensch moeten zijn, indien men een beleediging, zijn moeder aangedaan, niet voelde branden tot diep in de ziel. Tromp hield veel van zijn moeder. Met innige kinderliefde bleef hij haar aanhangen, hoe hoog hij mocht klimmen in aanzien en in jaren. Hij was al een man van vijftig jaar geworden, toen het bericht, dat zij op haar ziekbed zeer naar hem verlangde, voldoende was om den admiraal, die met zijn schip in het Goereesche zeegat lag, zich te doen wenden tot de Staten-Generaal met het verzoek „een keer” te mogen maken naar Rotterdam. In de ongedrukte resolutiën der Staten-Generaal vindt men dit vermeld in termen, die zeker wel een terugslag zijn op den brief van Tromp zelven. Want het verzoek was gegrond op de reden, dat zijn moeder „door indispositie soo verre is geraect ende verswackt, dat sy naer ’t oordeel der doctoren wel een cort eynde mocht maken, ende alsoo sy seer verlangende is haer soon noch eens te spreecken”. Men vindt dit gemeld op den2denDecember van ’t jaar 1648. En gaarne voeg ik hier aan toe het oordeel van een onzer grootste historieschrijvers der 19eeeuw, wijlen prof. R. Fruin, aan wien ik deze mededeeling te danken heb, en die mij daarbij schreef: „Dat geeft een goede gedachte van de verhouding tusschen den tot hoogen rang opgeklommen zoon en zijn nederige moeder.”Zijn moeder is toen niet gestorven. Wij zullen haar in ons verhaal nog eenmaal terugvinden, en dan zal het zijn met diepen eerbied voor de grootste smart, welke haar op aarde treffen kon. Nu willen wij nog even terugkeeren tot dat veelbesproken derde huwelijk van Tromp. We hebben er van gehoord, hoe men de moeder van den admiraal uitlachte, omdat zij bij al die groote dames en heeren van de partij was. En werkelijk, die aanzienlijken hebben er óók even over gesproken. De aanzienlijksten van het land zouden op die bruiloft tegenwoordig zijn. Paste daar wel dat eenvoudige burgervrouwtje bij?Vermoedelijk, of bij de liefde welke Tromp zijn moeder toedroeg mag men wel zeggen zeer zeker, heeft de admiraal hiervan niets geweten. Toch werd er tot zelfs in de Staten over gesproken, en men wist tot geen besluit in deze zeer teedere kwestie te komen. Toen besloot men eindelijk er den man over te raadplegen, die, in naam een dienaar der Staten, inderdaad een souverein was, een Vorst van hooge en edele geboorte, die, gelijk alle zijne voorzaten en nakomelingen met wie het Nederlandsche volk zich één gevoelde, in dit veelszins kleinsteedsche land de vertegenwoordiger was van een ruimer, groot-steedsche wereldbeschouwing. Aan den heer Clant, den President der vergadering, werd opgedragen zich tot den Prins van Oranje te wenden.Den volgenden morgen werd met spanning tegemoetgezien, wat de Voorzitter zou mededeelen over dit onderhoud met Zijne Hoogheid, prins Frederik Hendrik. Zou de Oranjevorst, die werkelijk wel wist hoe het hoorde, het óók wel een beetje raar vinden, dat een eenvoudig burgervrouwtje onder al die hooge gasten aanzat op de bruiloft van haar zoon? En.... zou door deze beslissing wel eens heel het huwelijk in duigen kunnen vallen? Want Tromp bleef toch altijd een zeeman, en dat slag van lieden kan zoo ongezouten uit den hoek komen....Wie de verhouding van de Vorsten en Vorstinnen uit het Huis van Oranje tot onze „kleyne luyden” kent, die juist daarom met aandoenlijke, de eeuwen en de tegenspoeden trotseerende vereering dat Huis bleven aanhangen, weet al vooruit welk antwoord de President in de vergadering bracht. De Staten hoorden zijn boodschap aan, en toen werd eenstemmig besloten volgens het gevoelen van Zijne Hoogheid te handelen.Want.... een Prins van Oranje had wel degelijk gewild, dat het moedertje van den zeeheld op de bruiloft van haar zoon zou aanzitten naast hem, om wien zij veel geleden had in de dagen toen hij als kind voor haar verloren scheen, en in wiens geluk en glorie niemand ter wereld inniger deelde dan zij?

De Spaansche macht mocht door den zeeslag van Duins een knak gekregen hebben, waarvan zij zich niet meer herstellen zou, het eigenlijke doel, de overbrenging van de troepen naar Vlaanderen, was voor het grootste gedeelte bereikt. In September toch, terwijl de Spaansche vloot op de reede van Duins vastgekluisterd lag, was het aan een dertiental Spaansche schepen gelukt te ontsnappen. Dat was langs een weg gegaan, welken de Engelschen ons als onbevaarbaar hadden opgegeven, doch die dat niet was. De Engelschen hadden hun Spaansche gasten als loods gediend, en zoo waren die Spaansche bodems, waarop zich een groot aantal soldaten bevond, ver van de Nederlanders af in het ruime sop gekomen, en hadden de Zuidelijke Nederlanden weten te bereiken. Ook had, in den zeeslag bij Duins zelven, de Spaansche admiraal d’Oquendo met een twaalftal schepen weten te ontkomen. Hij was in zijn vlucht begunstigd door een beschermend gordijn van mist, en toen deze uiteenwoeiwas het door een sterken, fortuinlijken wind, die hem tot zijn overgroote vreugde de haven van Duinkerken deed bereiken. Ten slotte kan ik niet vinden, dat de buitgelden bijzonder groot waren. Zij bedroegen wel bijna 135 duizend gulden, maar ik denk, dat het aan de Jantjes, die van de schatten der Onoverwinnelijke Vloot gedroomd hadden, wel tegengevallen zal zijn. De belooningen, die aan eereblijken en wat dies meer zij werden uitgereikt, bedroegen zelfs veel meer, namelijk zes ton gouds.

Al deze beschouwingen konden voorzeker voldoende zijn om de spijtigheid van degenen, die het niet goed velen konden, dat den admiraal en den zijnen zooveel eer werd aangedaan, wat te verzoeten. Spijtige menschen en jaloerschen zijn er altijd, en Tromp had vijanden te over. ’t Spreekt vanzelf, dat er personen waren, die liever gezien hadden, dat hetnietgoed met een pekbroek was gegaan.

Doch het was er verre vandaan, dat zij door de aangevoerde overwegingen hun jaloerschheid of hun bitterheid voldaan voelden. Het ging hun in deze dagen te hoog met Tromp. Door „treffelijke geschenken”, zooals onze Wagenaar zich uitdrukt, trachtte men zijn dapperheid te beloonen. In Januari 1640 werd hij Ridder in de Orde van Sint Michiel en door den Koning van Frankrijk, Lodewijk den Dertienden, met een nieuw wapen begiftigd. Maar—wat zijn benijders wel het meest in de oogenstak—hij trouwde „een rijcke Joffrou met veel gout”.

Deze „rijcke Joffrou” heette Cornelia Berckhout, en het huwelijk werd ten jare 1640 te ’s-Gravenhage voltrokken. Zij was „een Raets-heere dochter, haer vaertje was van Munnickedam, en placht inden Haegh op de Vijverberghe te woonen, en haer moertje was van Delft van de beste van ’t Stee”.

Ongeveer dezen tijd moet de venijnige brochure verschenen zijn, waaraan wij bovenstaande bijzonderheden ontleenden. Wat ook zoo’n Maerten Harpertsz. Tromp zich verbeelden zou! Dat was me een admiraal; jawel! door zijn mooi-praten en zijn flikflooien, door zijn „Lammertongetje,” en vooral omdat hij de dominees op zijn hand had. Want die heeren predikers zouden het wel voor hem „rondschieten”. De veinsaard! die wist van handjes-geven en van broeder en „vriendekens” zeggen! Het ging met hem als met Reintje de Vos toen deze zich in een monnikskap gestoken had. Toen was de vos een degelijk gezel en niemand durfde iets van hem zeggen, want ’t was een broeder van de Kap, en de andere dieren ontvingen dagelijks zijn zegen. Gelukkig was hij, die zijn afteekening in zijn hol had, anders was men een ketter en geen goed Patriot.

Men had hem eens moeten gezien hebben, „inde Coetswaghen” toen hij trouwde! Hij leek wel een „Noortse-Beer!”

Nu—zei Griet Smeers,—’t zag er met Maerten vóór 20 jaar al heel anders uit!

Of het—antwoordde Trijn Jans.—Ik heb Martens allang gekend, en zijn vaar ook wel. Die was Trompetter in Den Briel, en daarna werd hij kapitein op een buisconvoyer. En zijn moer waschte de maats d’r hemden, en steef de kragen om geld. En toen Maerten nog jong was, liep hij tot Rotterdam met een schootsvel voor en was een timmermansjongen: en deze vent wil met geweld van adel wezen, daar hij altijd mede placht te spotten!

Griet Smeers schudde medelijdend het hoofd. Die Maerten Tromp. Als zij daarover wilde beginnen, was zij vooreerst niet uitgepraat. Want zij wist nog wel wat anders van hem en zijn mooie familie. Zijn moer had nog vóór twee jaar voor de menschen gesteven, en zijn zusters deden het nog. En zijn jongens plachten zoo schâloos rond te loopen, of zij bedelaarskinderen waren. Wat een mensch al niet beleven moest! Dat rijdt me in wagens, dat is me gekleed in zijde en satijn.... en dat wil niet eens de drieduizend gulden betalen, „die zijn moer van zijn salighe vaers nog wel schuldigh” is!

Ja, Maerten was van „sulcken volckje”. In zulk „een mooi geslacht” kwam nu die Haagsche juffrouw. Hm.... begrijp-je niet, waarom dat zieltje, dat zich dag en nacht de oogen rood weende, in zulk een rare familie kwam? Och ja, je bent misschien als MarinusCrijnsz. uit dezet’Samen-Spraecknog wat „te jongh om alle dinck te weten”. Maar als je een „fris jongman” bent, en bijgeval ter zee vaart, heeft Trijn Jans u nog wel een goeden raad te geven. Je moet maar mooitjes ter kerk gaan en niet één preek verzuimen, en dan zult ge in de kennis van de Heeren komen. Die zullen je wel recommandeeren om kapitein te worden. En misschien kun-je dan wel een dochter van een dier Heeren trouwen, of ook wel de meid, als niemand ze meer hebben wil....

Hoe menigeen uit de 20steeeuw zal verbaasd zijn, als hij van zulk een flauwen praat, vooral van dat laag neerzien op iemands afkomst hoort gewagen, in een eeuw, die òns daarvoor te groot leek. Sprekenwijniet van mannen die zich vol geestkracht zèlf door de wereld geslagen hebben en tot wie wij, juist daarom, hebben leeren opzien? Wonderlijk! De eeuw, waarin zij leefden, sprak van hen met onverholen minachting als van die kapiteins, „dat maer snyders, wevers en sulck volck zijn”.

Ja, ziet u—zou een der personen uit onzet’Samen-Spraeckdaarop geantwoord hebben—iemand moet de gal wel overloopen, als hij ’t over Maerten Harpertsz. Tromp heeft. Want in zekeren zin is hij een afvallige, een ontrouwe. Hij was immers juist zoo hoog geklommen, omdat men het ter zee nu eens wilde probeeren met iemand, die géén jonker of zoo iets was. Men wilde een „peckbrouck”. En nu mener een had, was hij „een gemaeckte joncker” geworden, die nu alle gelegenheden opzocht, om maar stillekens aan wal te blijven.

En.... aan wal was het veiliger. Och, er had nooit veel moed in Maerten gezeten! Toen hij nog maar kwartiermeester was onder Moy Lambert en voor Algiers in Barbarije lag, was het eens geschied, dat men op het schip schoot met den steenen kogel, die „noch voor d’Admiraliteytshof tot Rotterdam hanght”. Maerten stond juist aan ’t roer en hij kreeg een stuk van een plank tegen het achterlijf. Dadelijk liet hij het roer los en liep tot voor in ’t galjoen, en hoewel hem even weinig deerde als u of mij, riep hij maar:

„Ik ben dood! ik ben dood!”

Wilt ge Jan Slomp, die u op minachtenden toon dit verhaal doet, tegemoet voeren dat Maerten toen nog heel jong was, dan zal deze „oudt varendt Man” u antwoorden, dat de „Courage” niet „metten ouderdom” komt, en hij zal u gaan bewijzen, dat het in het leven van Tromp àl geluk en geen de minste verdienste was.

En als hij, volgens zijn meening, u dit alles daghelder heeft aangetoond, zal hij u het laatste greintje achting, dat ge nog in uw borst voor Maerten koestert, wel ontnemen. Want, ziet ge, Tromp was een geldduivel. Hij sliep met de Directeuren, die de leverantie van de eetwaren hadden, onder één deken. Zelf was hij Directeur geweest, en toen had hij brood van „verdronckenterwe” voor de oorlogsschepen laten bakken. Als je er erg in hebt, dat zijn zwager bakker in Den Briel is, dan behoeft bij deze mededeeling werkelijk geen knipoogje gegeven te worden. Welnu, dien zwager liet hij van dat bedorven goedje brood bakken, dat hij zelf voor een daalder op ’t honderd meer in rekening bracht, dan het de bakkers te Rotterdam aangeboden hadden te leveren. En als je soms wat nader wilt weten van het ordonnantie-koopen.... daarvan zou-je wat kunnen hooren van kapitein Juijnbol te Rotterdam....

Ha, daar hebben we eindelijk een naam, die ons op het spoor zal brengen van de personen, die zulke verschrikkelijke beschuldigingen naar het hoofd van Bestevaer Tromp slingerden, en die, voor het minst, aan het slot van dit schotschrift hun naam wel hadden mogen plaatsen.

Ze mochten anders die namen wel doen hooren, want ze zijn met roem bekend in onze Vaderlandsche Geschiedenis. En.... daarom is het toch maar goed, dat ze niet onder een schotschrift aan het nageslacht overgeleverd zijn, al zijn ze aan dergelijke schotschriften niet vreemd. Neem het dan niet te hoog op, als ge verneemt hoe zij een onzer nobelste figuren trachten zwart te maken. Bestevaêr Tromp nam het ook zoo hoog niet op: „die lachte daer dan eens om en seyde,wat mogen dese menschen al woelen, en was alsoo veel daer over onstelt als Berg of Toren, daer een kint een steentje tegen aen gooid.”

Geen heldentijdperk, in welke geschiedenis ook, of om de hoofdpersonen bewegen zich tal van personen, die het eene oogenblik kunnen handelen met zulk een schittering van daden dat zij ons meesleepen, en het andere oogenblik zich als onbezonnen kinderen en groote kwâjongens kunnen aanstellen. Duld dan ook in de helden uit ons helden tijdperk, in die kloeke, alles wagende zeerobben, met hun hart, dat in goeden en kwaden zin vol streken uit hun kwâjongenstijd is gebleven, veel schaduw achter het nog wijd stralende licht.

Doch.... dat vraag ik u wel voor zijn benijders. Voor hemzelven behoef ik dit minder te doen.

Eentwaalftaljaren na het verschijnen van het schotschrift, toen al die dingen „al oud” waren, en „die nijdige menschen meest dood”—mijn hemel, in dien tijd gebeurde er in een tiental jaren te veel, dan dat men zou blijven zaniken over een paar ellendige praatjes!—verscheen er weer een samenspraak over de zaken van den dag, „Een Praatje over den Ouden en Nieuwen Admiraal”, waarin de twee personen, die de schrijver sprekende invoert, door hemJorisenGovertworden genoemd.

Joris haalt „die oude dingen” nog eens op.

Het is u wel bekend, zegt hij, dat voor drie- of vier-en-twintig jaar „Pier Heyn” doodgeschoten werd, en dat admiraal Jonkheer Van Dorp in diens plaats benoemd werd. Doch die maakte het zoo bont metzijn „Landgangers”, dat er veel koopvaarders door den vijand genomen werden. Tromp echter, die op Piet Hein’s schip kapitein was geweest en toen zelf een schip had, meende, dat hij als een goed vaderlander niet alleen ’s lands gage trekken, maar ook daarvoor watdoenmoest. Hij bracht van den wijden plas zooveel prijzen mee, dat Van Dorp, de vice-admiraal Liefhebber, kapitein Juijnbol en nog anderen meer, daarover jaloersch werden. Eens was het zelfs geschied, dat Tromp, die twee Duinkerker kapers achterna zette, door den vice-admiraal Liefhebber geseind werd terug te keeren. Tromp, die later in de uitwerking van zijn doordachte plannen, rekenen moest op de stipte nakoming zijner bevelen, gaf hier als ondergeschikte het voorbeeld, dat hij, die wil leeren commandeeren, moet beginnen met zelf te gehoorzamen. Hij liet de Duinkerkers los, maar kon onmogelijk zijn onwil verbergen. Daarover bracht Liefhebber bij de autoriteiten zijn beklag in, en toen Tromp door eenige Heeren over dit geval kwalijk bejegend werd, legde hij uit spijt „van dat hij niet en mocht doen als een eerlyck man toe staet”, zijn degen neder en verliet ’s Lands dienst.

Eenigen tijd daarna werd hij een der Directeuren „over vijf schepen van de Maze, daer van denAdmiraal Dorps Schiper een was”. Toen leefde de oude wrok weder op, want Van Dorp kon niet lijden, dat Tromp hem zoo in de kaart keek. Want hij en zijn volkkregen toen de betalingen door handen van Tromp. Toen dit nu een wijl geduurd had en de admiraal Van Dorp ter zee niets uitrichtte en vervolgens, om niet afgezet te worden, zijn ontslag nam, werd het luitenant-admiraalschap ter zee „geofferreert ende gepresenteert aen onzen Tromp, ten tijde als hij nergens minder na dacht, als na dat Officie”. Dit baarde zulk een spijt en nijd in velen, voornamelijk in Van Dorp, Liefhebber en anderen, dat zij daarover, „alsof sy metten Duyvel compact hadden gemaeckt, alle vileynieën en vuyligheyt die sy konden verzinnen, tegen hem uytspoghen, om hem in den haat van Groot en Kleyn te brengen”. Al zijn daden wierden op het nauwst bespied. Was er iets, zelfs in groote zeeslagen geschied, dat niet naar hun zin was, dan werd dat met alle bitterheid en scherpheid gehekeld, overgehaald en kwalijk geduid. Zij schreven en lieten drukken, verscheidene vileyne boekjes en paskwillen, welke zij met zoo schendige leugens vulden, dat ieder, die ze gelezen heeft, lichtelijk konde oordeelen, door wat geest „deze guyten” gedreven werden.

En nu noemt Joris verschillende zeeslagen op, waarvan „al de wereld” bekend is, hoe Tromp er zich in gedragen heeft, en haalt het oordeel aan, eenmaal door den strengen Piet Hein over Tromp geveld. Verder deelt hij mede, hoe er ook onder sommige edelen en krijgshoofden te land een groote „belgzucht” tegen hem ontstond, omdat zij meenden, dat men henvoor een ambt, zoo hoog als het admiraalschap, gepasseerd had, en.... dat wel voor een man, van wien men kwalijk wist waar hij vandaan kwam, een man van zulk een geringe afkomst als Tromp. En omdat wij het met Joris volkomen eens zijn, dat de rechte adel, „te weten: Manhaftigheyt, kloekmoedigheyt en Couragie”nietaan Tromp’s geslacht ontbrak, herhalen wij zijn woorden niet verder, maar vernemen alleen nog met belangstelling, dat Tromp, in plaats van door het befaamde huwelijk met die Haagsche juffrouw een onuitstaanbaar parvenu te worden, altijdde zeemanis gebleven, hoe vaak hij ook in Haagsche kringen moest verkeeren.

Kwam hij in Den Haag—zoo ongeveer vertelt ons Joris—waar hij iemand van de Heeren moest spreken, dan zeilde hij recht door zee. „Hy en wist geen Hooffsche Complimenten noch van geen Haegsche drayery; dat hy seyde, dat meende hy, sonder iemand na de mond te praten”.

Wel.... onze Griet Smeers uit det’Samenspraeckheeft toch niet geheel en al ongelijk gehad, toen zij Maerten Harpertsz. Tromp, den vader van dien Cornelis (of den Kees Tromp der matrozen) die zelfs aan het hof van den Franschen Zonnekoning Lodewijk XIV de Nederlandsche zeeman bleef, voor „een Noortse Beer” schold!

Maar die „Noortse Beer” mocht tegenover al dat kinderachtige geklets en gerel een dikke vacht kunnenstellen,—één fijne priemsteek moest hem altijd diep wonden. En men zou ook wel geen mensch moeten zijn, indien men een beleediging, zijn moeder aangedaan, niet voelde branden tot diep in de ziel. Tromp hield veel van zijn moeder. Met innige kinderliefde bleef hij haar aanhangen, hoe hoog hij mocht klimmen in aanzien en in jaren. Hij was al een man van vijftig jaar geworden, toen het bericht, dat zij op haar ziekbed zeer naar hem verlangde, voldoende was om den admiraal, die met zijn schip in het Goereesche zeegat lag, zich te doen wenden tot de Staten-Generaal met het verzoek „een keer” te mogen maken naar Rotterdam. In de ongedrukte resolutiën der Staten-Generaal vindt men dit vermeld in termen, die zeker wel een terugslag zijn op den brief van Tromp zelven. Want het verzoek was gegrond op de reden, dat zijn moeder „door indispositie soo verre is geraect ende verswackt, dat sy naer ’t oordeel der doctoren wel een cort eynde mocht maken, ende alsoo sy seer verlangende is haer soon noch eens te spreecken”. Men vindt dit gemeld op den2denDecember van ’t jaar 1648. En gaarne voeg ik hier aan toe het oordeel van een onzer grootste historieschrijvers der 19eeeuw, wijlen prof. R. Fruin, aan wien ik deze mededeeling te danken heb, en die mij daarbij schreef: „Dat geeft een goede gedachte van de verhouding tusschen den tot hoogen rang opgeklommen zoon en zijn nederige moeder.”

Zijn moeder is toen niet gestorven. Wij zullen haar in ons verhaal nog eenmaal terugvinden, en dan zal het zijn met diepen eerbied voor de grootste smart, welke haar op aarde treffen kon. Nu willen wij nog even terugkeeren tot dat veelbesproken derde huwelijk van Tromp. We hebben er van gehoord, hoe men de moeder van den admiraal uitlachte, omdat zij bij al die groote dames en heeren van de partij was. En werkelijk, die aanzienlijken hebben er óók even over gesproken. De aanzienlijksten van het land zouden op die bruiloft tegenwoordig zijn. Paste daar wel dat eenvoudige burgervrouwtje bij?

Vermoedelijk, of bij de liefde welke Tromp zijn moeder toedroeg mag men wel zeggen zeer zeker, heeft de admiraal hiervan niets geweten. Toch werd er tot zelfs in de Staten over gesproken, en men wist tot geen besluit in deze zeer teedere kwestie te komen. Toen besloot men eindelijk er den man over te raadplegen, die, in naam een dienaar der Staten, inderdaad een souverein was, een Vorst van hooge en edele geboorte, die, gelijk alle zijne voorzaten en nakomelingen met wie het Nederlandsche volk zich één gevoelde, in dit veelszins kleinsteedsche land de vertegenwoordiger was van een ruimer, groot-steedsche wereldbeschouwing. Aan den heer Clant, den President der vergadering, werd opgedragen zich tot den Prins van Oranje te wenden.

Den volgenden morgen werd met spanning tegemoetgezien, wat de Voorzitter zou mededeelen over dit onderhoud met Zijne Hoogheid, prins Frederik Hendrik. Zou de Oranjevorst, die werkelijk wel wist hoe het hoorde, het óók wel een beetje raar vinden, dat een eenvoudig burgervrouwtje onder al die hooge gasten aanzat op de bruiloft van haar zoon? En.... zou door deze beslissing wel eens heel het huwelijk in duigen kunnen vallen? Want Tromp bleef toch altijd een zeeman, en dat slag van lieden kan zoo ongezouten uit den hoek komen....

Wie de verhouding van de Vorsten en Vorstinnen uit het Huis van Oranje tot onze „kleyne luyden” kent, die juist daarom met aandoenlijke, de eeuwen en de tegenspoeden trotseerende vereering dat Huis bleven aanhangen, weet al vooruit welk antwoord de President in de vergadering bracht. De Staten hoorden zijn boodschap aan, en toen werd eenstemmig besloten volgens het gevoelen van Zijne Hoogheid te handelen.

Want.... een Prins van Oranje had wel degelijk gewild, dat het moedertje van den zeeheld op de bruiloft van haar zoon zou aanzitten naast hem, om wien zij veel geleden had in de dagen toen hij als kind voor haar verloren scheen, en in wiens geluk en glorie niemand ter wereld inniger deelde dan zij?


Back to IndexNext