VIJFTIENDE HOOFDSTUK.Over het doode punt heen.Waar dat men zich ook keerde of wendde, of waar men henen ging—zong het liedje—daar ontmoette men den Hollander en den Zeeuw, die op de wijde wateren thuis waren gelijk de koning der dieren in het woud. Als Nederland maar altijd op God bleef bouwen en den pijlbundel vastklemde... „duijvel, hel noch doot” zouden het kunnen krenken, en het zou niet behoeven te vreezen, al waren ’s werelds machten één geworden!Zoo manlijk en machtig was, van het kleine land aan de Noordzee, het woord door de wereld gegaan en de roemrijke daden der Nederlanders hadden het onder Gods zegen bevestigd tot een waarheid. Dat was nog geschied onder Prince Mouringh, toen men zelfs niet had durven droomen van een heerschappij over de wateren, gelijk Maerten Harpertsz. Tromp die bij Duins voor het Nederlandsche volk bevochten had. En nu... vlak bij het land, hier op de Noordzee, leek het wel, of we moesten onderdoen voorden Engelschman. Een enkele maal mocht men een overwinning behalen,—het was een feit dat wij, over ’t geheel genomen, zeer ongelukkig waren geweest in dezen oorlog met Engeland. En toch kòn het niet waar wezen, dat wij de minderen waren van de Engelschen. Menvoelde, dat zich aan onzen kant de kloekste en meest ervaren zeelui bevonden, en de beste admiralen. Men wist, dat men verslagen was,nietomdat aan onzen kant het ras dier onverschrokken zeerobben plotseling uitgestorven was, alsof Janmaat bij tooverslag in Jan Salie was veranderd; maarwelomdat de vijand op betere uitrusting kon roemen. Een gemor ging er door het land. Wat baatte het, of onze jongens wonderen van moed en doodsverachting volvoerden, als men hier te weinig en te onvoldoend uitgeruste schepen in zee zond; als het haperde aan datgene, wat niet voor geestkracht, maar wel voor geld te koop was? Er haperde iets, neen veel, aan onze uitrusting.Als ge maar „’t saem eendrachtig zijt!” had het heldenliedje uit den tijd van Prince Mouringh als derde voorwaarde gesteld. En eendrachtig was men tijdens den Eersten Engelschen zee-oorlog zeker niet.Welke praatjes gingen er rond! „Zewillenden oorlog met Engeland niet doorzetten,” werd er gesmaald in herbergen of dergelijke plaatsen, waar de lieden samenkwamen, om aan elkaar hun hart te luchten, ontevreden als zij waren, omdat alles stilstond:de handel, de visscherij en al de daarmede samenhangende bedrijven. „Neen, de Heerenwillenden oorlog niet. Ze verlangen naar een vrede, die hen vaster op het kussen brengt, een vrede, gekocht voor onze eer!”Wat er dan toch gedaan moest worden, om den boel in ’t reine te brengen?...O, dat wisten de mopperaars wel. Als de Heeren maarwilden, als zij maar beter de vloot uitrustten en dan open en rond den oorlog verklaarden aan de Engelschekoningsmoordenaars. Dan zouden de koningsgezinden in Engeland van zelf op onze hand gebracht worden, want die zouden weten, waartoe de zegepralen der Nederlanders hen leiden konden. Maar... dat durfden die Heeren niet! Dan zou er kans zijn, dat de oom van het vaderlooze Oranjekindje op den Engelsche troon kwam.... en dat kon gevaarlijk worden voor de Hollandsche regenten!Doch mocht men zich schouderophalend van deze verdachtmakingen en ondoordachte plannen en veronderstellingen afwenden, dan hoorde men toch van een kant, waarvan men het niet gewacht zou hebben, een veroordeeling van de handelwijze der Heeren. Wie was deemoediger dan Michiel de Ruijter, wie eerde meer het gezag, in welken vorm zich dit ook openbaarde, dan juist hij? Toch verklaarde hij ronduit, „dat hij niet van meening was weer in zee te gaan, tenzij dat de vloot met meerdere en betere schepen dan tot dusverre gebruikt waren, versterkt was.” En veelluider en in veel sterkere bewoordingen werd dit door Witte Cornelisz de With geuit, terwijl een man als Van Beuningen de regenten aan de bekende wonderspreuk herinnerde: dat wie zijn ziel behouden wil, haar zal verliezen. Van Beuningen had volkomen gelijk. Als wij alles, wat wij bezitten en waaraan wij waarde toekennen, willen behouden, dan moeten wij voor dat bezit ook wat over hebben. Steunen wij het Gemeenebest niet, dat ons het behoud van datgene wat ons lief is waarborgt, dan zal er een oogenblik komen waarop dat Gemeenebest ons niet meer zal kunnen beschermen. En door niet eendeelvan ons bezit over gehad te hebben voor de verdediging van het vaderland, zullen wij kans loopenalleste verliezen.Naar zulke verstandige woorden moest wel geluisterd worden. Bovendien, al kon Jan de Wit nog niet de groote drijfkracht voor de betere uitrusting van ons zeewezen zijn, welke hij tot zijn onsterfelijken roem later geworden is—zijn geest begon toch al vaardig over de Heeren te worden. En toen zag men het gewone verschijnsel in ons land, als de Nederlanders eerst maar over het „doode punt” zijn gegaan,—dat er namelijk een geestdrift wakker werd, die ons meer op warmbloedige Zuiderlingen dan op koudbloedige wezens uit een kikkerland deed gelijken.De Heeren begonnen zich krachtig in te spannen en toonden, dat zij alles in het werk wilden stellen, om den oorlog tot een goed einde te brengen. Geld engoed werd opgebracht, van alle kanten rees het zeevarende volk op, ja, mannen van geboorte en rang boden zich als vrijwilligers aan, en betaalden de uitrusting en het kostgeld van de matrozen, die zij zelf meebrachten.Zoo kwam de Amsterdamsche Secretaris Gerardt Hulst als vrijwilliger op het schip van een niet gemakkelijken baas, namelijk van Witte de With, en met zich bracht hij vier-en-twintig zeelieden, voor wie hij alles betaalde. Zoo deed ook Jan Oomes met acht, Jan van Uffelen met zes en Jacobus van den Kerckhoven met vier matrozen. Ook de predikant Robert Junius ging mede. „Ik zal u spreken van God, en, op de wijde zee, voor of in of na de bloedige zeeslagen, de vertroosting van het Evangelie tot u brengen,” zoo ongeveer drukte hij zich uit. En of een Engelsche boon hem zelf stervende op de met bloed doorweekte planken van het dek zou kunnen neerwerpen, daaraan dacht deze moedige dominee niet.Wat een mannentaal, wat een mannenmoed! Of neen, deze uitdrukkingen zouden véél te eenzijdig zijn, wanneer zij het gevoelen van gehéél een volk moesten kenschetsen. Die mannen, vol ijver toesnellende om het vaderland uit de ellende te bevrijden, waren echtgenooten en zoons van Nederlandsche vrouwen en moeders. Als een geheel volk in geestdrift oprijst, is het altijd de vrouw, het middelpunt vooral van ons vaderlandsch huisgezin, die de stille krachtdier geweldige beweging is. De Nederlandsche vrouw, zelve een dochter van dat zeevarende volk, bleef thuis, maar het waren háár welpen, die „liepen door de woeste zee, als door het bosch de Leeuw.” Meestal bleef zij stil en verborgen in haar huisje, waarin het zoo kraakzindelijk was, en waar die onbehouwen manskerels wèl leerden zich de voeten te ontschoeien en te letten op stofjes en al wat niet behoorde in het heiligdom van moeder de vrouw. Maar als het vaderland in nood was, dan waren diezelfde vrouwen met Kenau Simons Hasselaer naar de kampplaats gesneld, en haar oogen vlamden van de muren van Alkmaar den Spaanschen vaandrig tegen, die, desnoods ten koste van zijn leven, wilde weten, welke onversaagde en geharde krijgsknechten dan toch het wonder volwrochten van een geheel Spaansch leger in woesten stormaanval te weerstaan. En als nu de roep door den lande gaat, dat er maats, vele maats noodig zijn, om de eer van het vernederde vaderland op te nemen tegen de Roodrokken.... dan zijn er jonge meisjes, die zich in mansgewaad steken en, aldus verkleed, zich aanmelden om dienst te nemen voor de vloot.Van drie is dat uitgekomen, en de jongste van haar was slechts zestien jaar.Het was heusch niet voor de aardigheid, dat zij medegingen. Het zou vlammen en donderen langs de zee. Velen die uittogen, zouden nooit meer het land der geboorte terugzien, en op de grillige zee was hetaltijd werken hard en zwaar. Anna Jans van Texel, een der drie meisjes, zou dat hebben kunnen getuigen. Want in haar vermomming had zij moeten dienen als marsklimmer, terwijl van een ander, Adriana la Noy geheeten, haar kapitein moest getuigen „dat zij op togten en wachten zich had gedragen vroom en eerlijk, zulks als een matroos schuldig was te doen.”Ook lieten de Staten een lijst bekend maken, waarin opgesomd werd welke schadeloosstellingen men toegedacht had aan de verminkten. Verloor men beide oogen, of ook wel beide armen, dan kreeg men 1066 gld. 13 stuivers en 4 penningen. Het verlies van één oog werd gelijk gesteld met het verlies van de linkerhand, en men ontving in dat geval de ronde som van 240 gld. De rechterarm was evenveel waard als de twee voeten samen, namelijk 333 gld. 6 st. en 8 penn. En zoo voort. Ook werd aan hen, die zoodanig verminkt waren, dat zij daardoor voortaan onbekwaam zouden zijn hun brood te verdienen, een rijksdaalder per week tot hun onderhoud toegelegd. Op zulk een wijze „zocht men in die dagen, toen er nog geene ridderlinten bestonden, de wonden onzer dapperen te heelen,” zeide prof. Jorissen zeer eigenaardig van dergelijke maatregelen.Een echter was er, die bij de algemeene geestdrift een gevoel van zwaarmoedigheid, van twijfel aan den goeden uitslag, niet geheel kon verbergen. En die een was juist de man, om wiens persoonlijkheid zichal die uitingen van geestdrift als om een middelpunt bewogen. Die een was de man, tot wien allen hoopvol opzagen, hij, van wien na enkele dagen Johan de Witt zou getuigen: „Hij was een zeeheld, wiens gelijke de wereld zelden heeft aanschouwd, en de toekomst bezwaarlijk zal voortbrengen.”Die een was Maerten Harpertsz. Tromp.„Het is zonderling en verdient opmerking,” zegt De Jonge, als deze van de allerlaatste toerusting des admiraals spreekt, „hoe somber de taal van Tromp was.” Hij ziet daarin een zeker voorgevoel, hetwelk de admiraal van zijn naderend einde had. Doch, niettegenstaande zijn onwillekeurige uitingen van moedeloosheid, flikkerde aan het eind van een zijner brieven het heldenvuur van Bestevaer Tromp, van het kind der zee, dat haar beheerscher geworden was, weer in lichter laaie op. In zijn plicht... neen,daarinzou hij nooit te kort schieten! Ook niet in den plicht, „om als een eerlyck man voor myn lieve Vaderlantte leven en sterven; daerop gelieft te verlaeten...”En nu zou de groote kans gewaagd worden. In de eerste dagen van de maand Augustus was de vloot gereed om zee te kiezen. Ze bestond uit twee gedeelten, een dat op de hoogte van Goeree lag en waarbij Tromp zich bevond, het andere onder Witte de With bij Texel. Deze twee deelen moesten zich zien te vereenigen. Zeker, dat was noodig, wilde men zich met de uit 120 zeilen bestaande Engelsche vloot,die zich op onze kust bevond, kunnen meten. Doch die onderneming was ook zeer gevaarlijk, want de Engelschen konden trachten elk deel afzonderlijk aan te vallen en te vernietigen.Den6denAugustus zocht Maerten Harpertsz. Tromp het wijde water op, nadat in den door hem bijeengeroepen krijgsraad het besluit genomen was, „met de hulpe van God door de Engelsche vloot te slaan,” zich met admiraal Dubbel Wit te vereenigen en vervolgens den beslissenden slag te aanvaarden. Zijn schepen bleven in ’t gezicht der kust. En toen Bestevaer nog eens landwaarts zag, werd zijn oog getrokken tot een hoogen, ver boven de duinen uitstekenden toren, die als ’t ware hem nazag op de groene met lichtplekken bezaaide Noordzee, den Sint-Catharina-toren van Den Briel met al de herinneringen aan den tijd, toen de admiraal nog „een knechtken” was. De ure naderde, waarop, in het gezicht van den Brielschen toren, admiraal Tromp zou sterven voor zijn vaderland....
VIJFTIENDE HOOFDSTUK.Over het doode punt heen.Waar dat men zich ook keerde of wendde, of waar men henen ging—zong het liedje—daar ontmoette men den Hollander en den Zeeuw, die op de wijde wateren thuis waren gelijk de koning der dieren in het woud. Als Nederland maar altijd op God bleef bouwen en den pijlbundel vastklemde... „duijvel, hel noch doot” zouden het kunnen krenken, en het zou niet behoeven te vreezen, al waren ’s werelds machten één geworden!Zoo manlijk en machtig was, van het kleine land aan de Noordzee, het woord door de wereld gegaan en de roemrijke daden der Nederlanders hadden het onder Gods zegen bevestigd tot een waarheid. Dat was nog geschied onder Prince Mouringh, toen men zelfs niet had durven droomen van een heerschappij over de wateren, gelijk Maerten Harpertsz. Tromp die bij Duins voor het Nederlandsche volk bevochten had. En nu... vlak bij het land, hier op de Noordzee, leek het wel, of we moesten onderdoen voorden Engelschman. Een enkele maal mocht men een overwinning behalen,—het was een feit dat wij, over ’t geheel genomen, zeer ongelukkig waren geweest in dezen oorlog met Engeland. En toch kòn het niet waar wezen, dat wij de minderen waren van de Engelschen. Menvoelde, dat zich aan onzen kant de kloekste en meest ervaren zeelui bevonden, en de beste admiralen. Men wist, dat men verslagen was,nietomdat aan onzen kant het ras dier onverschrokken zeerobben plotseling uitgestorven was, alsof Janmaat bij tooverslag in Jan Salie was veranderd; maarwelomdat de vijand op betere uitrusting kon roemen. Een gemor ging er door het land. Wat baatte het, of onze jongens wonderen van moed en doodsverachting volvoerden, als men hier te weinig en te onvoldoend uitgeruste schepen in zee zond; als het haperde aan datgene, wat niet voor geestkracht, maar wel voor geld te koop was? Er haperde iets, neen veel, aan onze uitrusting.Als ge maar „’t saem eendrachtig zijt!” had het heldenliedje uit den tijd van Prince Mouringh als derde voorwaarde gesteld. En eendrachtig was men tijdens den Eersten Engelschen zee-oorlog zeker niet.Welke praatjes gingen er rond! „Zewillenden oorlog met Engeland niet doorzetten,” werd er gesmaald in herbergen of dergelijke plaatsen, waar de lieden samenkwamen, om aan elkaar hun hart te luchten, ontevreden als zij waren, omdat alles stilstond:de handel, de visscherij en al de daarmede samenhangende bedrijven. „Neen, de Heerenwillenden oorlog niet. Ze verlangen naar een vrede, die hen vaster op het kussen brengt, een vrede, gekocht voor onze eer!”Wat er dan toch gedaan moest worden, om den boel in ’t reine te brengen?...O, dat wisten de mopperaars wel. Als de Heeren maarwilden, als zij maar beter de vloot uitrustten en dan open en rond den oorlog verklaarden aan de Engelschekoningsmoordenaars. Dan zouden de koningsgezinden in Engeland van zelf op onze hand gebracht worden, want die zouden weten, waartoe de zegepralen der Nederlanders hen leiden konden. Maar... dat durfden die Heeren niet! Dan zou er kans zijn, dat de oom van het vaderlooze Oranjekindje op den Engelsche troon kwam.... en dat kon gevaarlijk worden voor de Hollandsche regenten!Doch mocht men zich schouderophalend van deze verdachtmakingen en ondoordachte plannen en veronderstellingen afwenden, dan hoorde men toch van een kant, waarvan men het niet gewacht zou hebben, een veroordeeling van de handelwijze der Heeren. Wie was deemoediger dan Michiel de Ruijter, wie eerde meer het gezag, in welken vorm zich dit ook openbaarde, dan juist hij? Toch verklaarde hij ronduit, „dat hij niet van meening was weer in zee te gaan, tenzij dat de vloot met meerdere en betere schepen dan tot dusverre gebruikt waren, versterkt was.” En veelluider en in veel sterkere bewoordingen werd dit door Witte Cornelisz de With geuit, terwijl een man als Van Beuningen de regenten aan de bekende wonderspreuk herinnerde: dat wie zijn ziel behouden wil, haar zal verliezen. Van Beuningen had volkomen gelijk. Als wij alles, wat wij bezitten en waaraan wij waarde toekennen, willen behouden, dan moeten wij voor dat bezit ook wat over hebben. Steunen wij het Gemeenebest niet, dat ons het behoud van datgene wat ons lief is waarborgt, dan zal er een oogenblik komen waarop dat Gemeenebest ons niet meer zal kunnen beschermen. En door niet eendeelvan ons bezit over gehad te hebben voor de verdediging van het vaderland, zullen wij kans loopenalleste verliezen.Naar zulke verstandige woorden moest wel geluisterd worden. Bovendien, al kon Jan de Wit nog niet de groote drijfkracht voor de betere uitrusting van ons zeewezen zijn, welke hij tot zijn onsterfelijken roem later geworden is—zijn geest begon toch al vaardig over de Heeren te worden. En toen zag men het gewone verschijnsel in ons land, als de Nederlanders eerst maar over het „doode punt” zijn gegaan,—dat er namelijk een geestdrift wakker werd, die ons meer op warmbloedige Zuiderlingen dan op koudbloedige wezens uit een kikkerland deed gelijken.De Heeren begonnen zich krachtig in te spannen en toonden, dat zij alles in het werk wilden stellen, om den oorlog tot een goed einde te brengen. Geld engoed werd opgebracht, van alle kanten rees het zeevarende volk op, ja, mannen van geboorte en rang boden zich als vrijwilligers aan, en betaalden de uitrusting en het kostgeld van de matrozen, die zij zelf meebrachten.Zoo kwam de Amsterdamsche Secretaris Gerardt Hulst als vrijwilliger op het schip van een niet gemakkelijken baas, namelijk van Witte de With, en met zich bracht hij vier-en-twintig zeelieden, voor wie hij alles betaalde. Zoo deed ook Jan Oomes met acht, Jan van Uffelen met zes en Jacobus van den Kerckhoven met vier matrozen. Ook de predikant Robert Junius ging mede. „Ik zal u spreken van God, en, op de wijde zee, voor of in of na de bloedige zeeslagen, de vertroosting van het Evangelie tot u brengen,” zoo ongeveer drukte hij zich uit. En of een Engelsche boon hem zelf stervende op de met bloed doorweekte planken van het dek zou kunnen neerwerpen, daaraan dacht deze moedige dominee niet.Wat een mannentaal, wat een mannenmoed! Of neen, deze uitdrukkingen zouden véél te eenzijdig zijn, wanneer zij het gevoelen van gehéél een volk moesten kenschetsen. Die mannen, vol ijver toesnellende om het vaderland uit de ellende te bevrijden, waren echtgenooten en zoons van Nederlandsche vrouwen en moeders. Als een geheel volk in geestdrift oprijst, is het altijd de vrouw, het middelpunt vooral van ons vaderlandsch huisgezin, die de stille krachtdier geweldige beweging is. De Nederlandsche vrouw, zelve een dochter van dat zeevarende volk, bleef thuis, maar het waren háár welpen, die „liepen door de woeste zee, als door het bosch de Leeuw.” Meestal bleef zij stil en verborgen in haar huisje, waarin het zoo kraakzindelijk was, en waar die onbehouwen manskerels wèl leerden zich de voeten te ontschoeien en te letten op stofjes en al wat niet behoorde in het heiligdom van moeder de vrouw. Maar als het vaderland in nood was, dan waren diezelfde vrouwen met Kenau Simons Hasselaer naar de kampplaats gesneld, en haar oogen vlamden van de muren van Alkmaar den Spaanschen vaandrig tegen, die, desnoods ten koste van zijn leven, wilde weten, welke onversaagde en geharde krijgsknechten dan toch het wonder volwrochten van een geheel Spaansch leger in woesten stormaanval te weerstaan. En als nu de roep door den lande gaat, dat er maats, vele maats noodig zijn, om de eer van het vernederde vaderland op te nemen tegen de Roodrokken.... dan zijn er jonge meisjes, die zich in mansgewaad steken en, aldus verkleed, zich aanmelden om dienst te nemen voor de vloot.Van drie is dat uitgekomen, en de jongste van haar was slechts zestien jaar.Het was heusch niet voor de aardigheid, dat zij medegingen. Het zou vlammen en donderen langs de zee. Velen die uittogen, zouden nooit meer het land der geboorte terugzien, en op de grillige zee was hetaltijd werken hard en zwaar. Anna Jans van Texel, een der drie meisjes, zou dat hebben kunnen getuigen. Want in haar vermomming had zij moeten dienen als marsklimmer, terwijl van een ander, Adriana la Noy geheeten, haar kapitein moest getuigen „dat zij op togten en wachten zich had gedragen vroom en eerlijk, zulks als een matroos schuldig was te doen.”Ook lieten de Staten een lijst bekend maken, waarin opgesomd werd welke schadeloosstellingen men toegedacht had aan de verminkten. Verloor men beide oogen, of ook wel beide armen, dan kreeg men 1066 gld. 13 stuivers en 4 penningen. Het verlies van één oog werd gelijk gesteld met het verlies van de linkerhand, en men ontving in dat geval de ronde som van 240 gld. De rechterarm was evenveel waard als de twee voeten samen, namelijk 333 gld. 6 st. en 8 penn. En zoo voort. Ook werd aan hen, die zoodanig verminkt waren, dat zij daardoor voortaan onbekwaam zouden zijn hun brood te verdienen, een rijksdaalder per week tot hun onderhoud toegelegd. Op zulk een wijze „zocht men in die dagen, toen er nog geene ridderlinten bestonden, de wonden onzer dapperen te heelen,” zeide prof. Jorissen zeer eigenaardig van dergelijke maatregelen.Een echter was er, die bij de algemeene geestdrift een gevoel van zwaarmoedigheid, van twijfel aan den goeden uitslag, niet geheel kon verbergen. En die een was juist de man, om wiens persoonlijkheid zichal die uitingen van geestdrift als om een middelpunt bewogen. Die een was de man, tot wien allen hoopvol opzagen, hij, van wien na enkele dagen Johan de Witt zou getuigen: „Hij was een zeeheld, wiens gelijke de wereld zelden heeft aanschouwd, en de toekomst bezwaarlijk zal voortbrengen.”Die een was Maerten Harpertsz. Tromp.„Het is zonderling en verdient opmerking,” zegt De Jonge, als deze van de allerlaatste toerusting des admiraals spreekt, „hoe somber de taal van Tromp was.” Hij ziet daarin een zeker voorgevoel, hetwelk de admiraal van zijn naderend einde had. Doch, niettegenstaande zijn onwillekeurige uitingen van moedeloosheid, flikkerde aan het eind van een zijner brieven het heldenvuur van Bestevaer Tromp, van het kind der zee, dat haar beheerscher geworden was, weer in lichter laaie op. In zijn plicht... neen,daarinzou hij nooit te kort schieten! Ook niet in den plicht, „om als een eerlyck man voor myn lieve Vaderlantte leven en sterven; daerop gelieft te verlaeten...”En nu zou de groote kans gewaagd worden. In de eerste dagen van de maand Augustus was de vloot gereed om zee te kiezen. Ze bestond uit twee gedeelten, een dat op de hoogte van Goeree lag en waarbij Tromp zich bevond, het andere onder Witte de With bij Texel. Deze twee deelen moesten zich zien te vereenigen. Zeker, dat was noodig, wilde men zich met de uit 120 zeilen bestaande Engelsche vloot,die zich op onze kust bevond, kunnen meten. Doch die onderneming was ook zeer gevaarlijk, want de Engelschen konden trachten elk deel afzonderlijk aan te vallen en te vernietigen.Den6denAugustus zocht Maerten Harpertsz. Tromp het wijde water op, nadat in den door hem bijeengeroepen krijgsraad het besluit genomen was, „met de hulpe van God door de Engelsche vloot te slaan,” zich met admiraal Dubbel Wit te vereenigen en vervolgens den beslissenden slag te aanvaarden. Zijn schepen bleven in ’t gezicht der kust. En toen Bestevaer nog eens landwaarts zag, werd zijn oog getrokken tot een hoogen, ver boven de duinen uitstekenden toren, die als ’t ware hem nazag op de groene met lichtplekken bezaaide Noordzee, den Sint-Catharina-toren van Den Briel met al de herinneringen aan den tijd, toen de admiraal nog „een knechtken” was. De ure naderde, waarop, in het gezicht van den Brielschen toren, admiraal Tromp zou sterven voor zijn vaderland....
VIJFTIENDE HOOFDSTUK.Over het doode punt heen.
Waar dat men zich ook keerde of wendde, of waar men henen ging—zong het liedje—daar ontmoette men den Hollander en den Zeeuw, die op de wijde wateren thuis waren gelijk de koning der dieren in het woud. Als Nederland maar altijd op God bleef bouwen en den pijlbundel vastklemde... „duijvel, hel noch doot” zouden het kunnen krenken, en het zou niet behoeven te vreezen, al waren ’s werelds machten één geworden!Zoo manlijk en machtig was, van het kleine land aan de Noordzee, het woord door de wereld gegaan en de roemrijke daden der Nederlanders hadden het onder Gods zegen bevestigd tot een waarheid. Dat was nog geschied onder Prince Mouringh, toen men zelfs niet had durven droomen van een heerschappij over de wateren, gelijk Maerten Harpertsz. Tromp die bij Duins voor het Nederlandsche volk bevochten had. En nu... vlak bij het land, hier op de Noordzee, leek het wel, of we moesten onderdoen voorden Engelschman. Een enkele maal mocht men een overwinning behalen,—het was een feit dat wij, over ’t geheel genomen, zeer ongelukkig waren geweest in dezen oorlog met Engeland. En toch kòn het niet waar wezen, dat wij de minderen waren van de Engelschen. Menvoelde, dat zich aan onzen kant de kloekste en meest ervaren zeelui bevonden, en de beste admiralen. Men wist, dat men verslagen was,nietomdat aan onzen kant het ras dier onverschrokken zeerobben plotseling uitgestorven was, alsof Janmaat bij tooverslag in Jan Salie was veranderd; maarwelomdat de vijand op betere uitrusting kon roemen. Een gemor ging er door het land. Wat baatte het, of onze jongens wonderen van moed en doodsverachting volvoerden, als men hier te weinig en te onvoldoend uitgeruste schepen in zee zond; als het haperde aan datgene, wat niet voor geestkracht, maar wel voor geld te koop was? Er haperde iets, neen veel, aan onze uitrusting.Als ge maar „’t saem eendrachtig zijt!” had het heldenliedje uit den tijd van Prince Mouringh als derde voorwaarde gesteld. En eendrachtig was men tijdens den Eersten Engelschen zee-oorlog zeker niet.Welke praatjes gingen er rond! „Zewillenden oorlog met Engeland niet doorzetten,” werd er gesmaald in herbergen of dergelijke plaatsen, waar de lieden samenkwamen, om aan elkaar hun hart te luchten, ontevreden als zij waren, omdat alles stilstond:de handel, de visscherij en al de daarmede samenhangende bedrijven. „Neen, de Heerenwillenden oorlog niet. Ze verlangen naar een vrede, die hen vaster op het kussen brengt, een vrede, gekocht voor onze eer!”Wat er dan toch gedaan moest worden, om den boel in ’t reine te brengen?...O, dat wisten de mopperaars wel. Als de Heeren maarwilden, als zij maar beter de vloot uitrustten en dan open en rond den oorlog verklaarden aan de Engelschekoningsmoordenaars. Dan zouden de koningsgezinden in Engeland van zelf op onze hand gebracht worden, want die zouden weten, waartoe de zegepralen der Nederlanders hen leiden konden. Maar... dat durfden die Heeren niet! Dan zou er kans zijn, dat de oom van het vaderlooze Oranjekindje op den Engelsche troon kwam.... en dat kon gevaarlijk worden voor de Hollandsche regenten!Doch mocht men zich schouderophalend van deze verdachtmakingen en ondoordachte plannen en veronderstellingen afwenden, dan hoorde men toch van een kant, waarvan men het niet gewacht zou hebben, een veroordeeling van de handelwijze der Heeren. Wie was deemoediger dan Michiel de Ruijter, wie eerde meer het gezag, in welken vorm zich dit ook openbaarde, dan juist hij? Toch verklaarde hij ronduit, „dat hij niet van meening was weer in zee te gaan, tenzij dat de vloot met meerdere en betere schepen dan tot dusverre gebruikt waren, versterkt was.” En veelluider en in veel sterkere bewoordingen werd dit door Witte Cornelisz de With geuit, terwijl een man als Van Beuningen de regenten aan de bekende wonderspreuk herinnerde: dat wie zijn ziel behouden wil, haar zal verliezen. Van Beuningen had volkomen gelijk. Als wij alles, wat wij bezitten en waaraan wij waarde toekennen, willen behouden, dan moeten wij voor dat bezit ook wat over hebben. Steunen wij het Gemeenebest niet, dat ons het behoud van datgene wat ons lief is waarborgt, dan zal er een oogenblik komen waarop dat Gemeenebest ons niet meer zal kunnen beschermen. En door niet eendeelvan ons bezit over gehad te hebben voor de verdediging van het vaderland, zullen wij kans loopenalleste verliezen.Naar zulke verstandige woorden moest wel geluisterd worden. Bovendien, al kon Jan de Wit nog niet de groote drijfkracht voor de betere uitrusting van ons zeewezen zijn, welke hij tot zijn onsterfelijken roem later geworden is—zijn geest begon toch al vaardig over de Heeren te worden. En toen zag men het gewone verschijnsel in ons land, als de Nederlanders eerst maar over het „doode punt” zijn gegaan,—dat er namelijk een geestdrift wakker werd, die ons meer op warmbloedige Zuiderlingen dan op koudbloedige wezens uit een kikkerland deed gelijken.De Heeren begonnen zich krachtig in te spannen en toonden, dat zij alles in het werk wilden stellen, om den oorlog tot een goed einde te brengen. Geld engoed werd opgebracht, van alle kanten rees het zeevarende volk op, ja, mannen van geboorte en rang boden zich als vrijwilligers aan, en betaalden de uitrusting en het kostgeld van de matrozen, die zij zelf meebrachten.Zoo kwam de Amsterdamsche Secretaris Gerardt Hulst als vrijwilliger op het schip van een niet gemakkelijken baas, namelijk van Witte de With, en met zich bracht hij vier-en-twintig zeelieden, voor wie hij alles betaalde. Zoo deed ook Jan Oomes met acht, Jan van Uffelen met zes en Jacobus van den Kerckhoven met vier matrozen. Ook de predikant Robert Junius ging mede. „Ik zal u spreken van God, en, op de wijde zee, voor of in of na de bloedige zeeslagen, de vertroosting van het Evangelie tot u brengen,” zoo ongeveer drukte hij zich uit. En of een Engelsche boon hem zelf stervende op de met bloed doorweekte planken van het dek zou kunnen neerwerpen, daaraan dacht deze moedige dominee niet.Wat een mannentaal, wat een mannenmoed! Of neen, deze uitdrukkingen zouden véél te eenzijdig zijn, wanneer zij het gevoelen van gehéél een volk moesten kenschetsen. Die mannen, vol ijver toesnellende om het vaderland uit de ellende te bevrijden, waren echtgenooten en zoons van Nederlandsche vrouwen en moeders. Als een geheel volk in geestdrift oprijst, is het altijd de vrouw, het middelpunt vooral van ons vaderlandsch huisgezin, die de stille krachtdier geweldige beweging is. De Nederlandsche vrouw, zelve een dochter van dat zeevarende volk, bleef thuis, maar het waren háár welpen, die „liepen door de woeste zee, als door het bosch de Leeuw.” Meestal bleef zij stil en verborgen in haar huisje, waarin het zoo kraakzindelijk was, en waar die onbehouwen manskerels wèl leerden zich de voeten te ontschoeien en te letten op stofjes en al wat niet behoorde in het heiligdom van moeder de vrouw. Maar als het vaderland in nood was, dan waren diezelfde vrouwen met Kenau Simons Hasselaer naar de kampplaats gesneld, en haar oogen vlamden van de muren van Alkmaar den Spaanschen vaandrig tegen, die, desnoods ten koste van zijn leven, wilde weten, welke onversaagde en geharde krijgsknechten dan toch het wonder volwrochten van een geheel Spaansch leger in woesten stormaanval te weerstaan. En als nu de roep door den lande gaat, dat er maats, vele maats noodig zijn, om de eer van het vernederde vaderland op te nemen tegen de Roodrokken.... dan zijn er jonge meisjes, die zich in mansgewaad steken en, aldus verkleed, zich aanmelden om dienst te nemen voor de vloot.Van drie is dat uitgekomen, en de jongste van haar was slechts zestien jaar.Het was heusch niet voor de aardigheid, dat zij medegingen. Het zou vlammen en donderen langs de zee. Velen die uittogen, zouden nooit meer het land der geboorte terugzien, en op de grillige zee was hetaltijd werken hard en zwaar. Anna Jans van Texel, een der drie meisjes, zou dat hebben kunnen getuigen. Want in haar vermomming had zij moeten dienen als marsklimmer, terwijl van een ander, Adriana la Noy geheeten, haar kapitein moest getuigen „dat zij op togten en wachten zich had gedragen vroom en eerlijk, zulks als een matroos schuldig was te doen.”Ook lieten de Staten een lijst bekend maken, waarin opgesomd werd welke schadeloosstellingen men toegedacht had aan de verminkten. Verloor men beide oogen, of ook wel beide armen, dan kreeg men 1066 gld. 13 stuivers en 4 penningen. Het verlies van één oog werd gelijk gesteld met het verlies van de linkerhand, en men ontving in dat geval de ronde som van 240 gld. De rechterarm was evenveel waard als de twee voeten samen, namelijk 333 gld. 6 st. en 8 penn. En zoo voort. Ook werd aan hen, die zoodanig verminkt waren, dat zij daardoor voortaan onbekwaam zouden zijn hun brood te verdienen, een rijksdaalder per week tot hun onderhoud toegelegd. Op zulk een wijze „zocht men in die dagen, toen er nog geene ridderlinten bestonden, de wonden onzer dapperen te heelen,” zeide prof. Jorissen zeer eigenaardig van dergelijke maatregelen.Een echter was er, die bij de algemeene geestdrift een gevoel van zwaarmoedigheid, van twijfel aan den goeden uitslag, niet geheel kon verbergen. En die een was juist de man, om wiens persoonlijkheid zichal die uitingen van geestdrift als om een middelpunt bewogen. Die een was de man, tot wien allen hoopvol opzagen, hij, van wien na enkele dagen Johan de Witt zou getuigen: „Hij was een zeeheld, wiens gelijke de wereld zelden heeft aanschouwd, en de toekomst bezwaarlijk zal voortbrengen.”Die een was Maerten Harpertsz. Tromp.„Het is zonderling en verdient opmerking,” zegt De Jonge, als deze van de allerlaatste toerusting des admiraals spreekt, „hoe somber de taal van Tromp was.” Hij ziet daarin een zeker voorgevoel, hetwelk de admiraal van zijn naderend einde had. Doch, niettegenstaande zijn onwillekeurige uitingen van moedeloosheid, flikkerde aan het eind van een zijner brieven het heldenvuur van Bestevaer Tromp, van het kind der zee, dat haar beheerscher geworden was, weer in lichter laaie op. In zijn plicht... neen,daarinzou hij nooit te kort schieten! Ook niet in den plicht, „om als een eerlyck man voor myn lieve Vaderlantte leven en sterven; daerop gelieft te verlaeten...”En nu zou de groote kans gewaagd worden. In de eerste dagen van de maand Augustus was de vloot gereed om zee te kiezen. Ze bestond uit twee gedeelten, een dat op de hoogte van Goeree lag en waarbij Tromp zich bevond, het andere onder Witte de With bij Texel. Deze twee deelen moesten zich zien te vereenigen. Zeker, dat was noodig, wilde men zich met de uit 120 zeilen bestaande Engelsche vloot,die zich op onze kust bevond, kunnen meten. Doch die onderneming was ook zeer gevaarlijk, want de Engelschen konden trachten elk deel afzonderlijk aan te vallen en te vernietigen.Den6denAugustus zocht Maerten Harpertsz. Tromp het wijde water op, nadat in den door hem bijeengeroepen krijgsraad het besluit genomen was, „met de hulpe van God door de Engelsche vloot te slaan,” zich met admiraal Dubbel Wit te vereenigen en vervolgens den beslissenden slag te aanvaarden. Zijn schepen bleven in ’t gezicht der kust. En toen Bestevaer nog eens landwaarts zag, werd zijn oog getrokken tot een hoogen, ver boven de duinen uitstekenden toren, die als ’t ware hem nazag op de groene met lichtplekken bezaaide Noordzee, den Sint-Catharina-toren van Den Briel met al de herinneringen aan den tijd, toen de admiraal nog „een knechtken” was. De ure naderde, waarop, in het gezicht van den Brielschen toren, admiraal Tromp zou sterven voor zijn vaderland....
Waar dat men zich ook keerde of wendde, of waar men henen ging—zong het liedje—daar ontmoette men den Hollander en den Zeeuw, die op de wijde wateren thuis waren gelijk de koning der dieren in het woud. Als Nederland maar altijd op God bleef bouwen en den pijlbundel vastklemde... „duijvel, hel noch doot” zouden het kunnen krenken, en het zou niet behoeven te vreezen, al waren ’s werelds machten één geworden!
Zoo manlijk en machtig was, van het kleine land aan de Noordzee, het woord door de wereld gegaan en de roemrijke daden der Nederlanders hadden het onder Gods zegen bevestigd tot een waarheid. Dat was nog geschied onder Prince Mouringh, toen men zelfs niet had durven droomen van een heerschappij over de wateren, gelijk Maerten Harpertsz. Tromp die bij Duins voor het Nederlandsche volk bevochten had. En nu... vlak bij het land, hier op de Noordzee, leek het wel, of we moesten onderdoen voorden Engelschman. Een enkele maal mocht men een overwinning behalen,—het was een feit dat wij, over ’t geheel genomen, zeer ongelukkig waren geweest in dezen oorlog met Engeland. En toch kòn het niet waar wezen, dat wij de minderen waren van de Engelschen. Menvoelde, dat zich aan onzen kant de kloekste en meest ervaren zeelui bevonden, en de beste admiralen. Men wist, dat men verslagen was,nietomdat aan onzen kant het ras dier onverschrokken zeerobben plotseling uitgestorven was, alsof Janmaat bij tooverslag in Jan Salie was veranderd; maarwelomdat de vijand op betere uitrusting kon roemen. Een gemor ging er door het land. Wat baatte het, of onze jongens wonderen van moed en doodsverachting volvoerden, als men hier te weinig en te onvoldoend uitgeruste schepen in zee zond; als het haperde aan datgene, wat niet voor geestkracht, maar wel voor geld te koop was? Er haperde iets, neen veel, aan onze uitrusting.
Als ge maar „’t saem eendrachtig zijt!” had het heldenliedje uit den tijd van Prince Mouringh als derde voorwaarde gesteld. En eendrachtig was men tijdens den Eersten Engelschen zee-oorlog zeker niet.
Welke praatjes gingen er rond! „Zewillenden oorlog met Engeland niet doorzetten,” werd er gesmaald in herbergen of dergelijke plaatsen, waar de lieden samenkwamen, om aan elkaar hun hart te luchten, ontevreden als zij waren, omdat alles stilstond:de handel, de visscherij en al de daarmede samenhangende bedrijven. „Neen, de Heerenwillenden oorlog niet. Ze verlangen naar een vrede, die hen vaster op het kussen brengt, een vrede, gekocht voor onze eer!”
Wat er dan toch gedaan moest worden, om den boel in ’t reine te brengen?...
O, dat wisten de mopperaars wel. Als de Heeren maarwilden, als zij maar beter de vloot uitrustten en dan open en rond den oorlog verklaarden aan de Engelschekoningsmoordenaars. Dan zouden de koningsgezinden in Engeland van zelf op onze hand gebracht worden, want die zouden weten, waartoe de zegepralen der Nederlanders hen leiden konden. Maar... dat durfden die Heeren niet! Dan zou er kans zijn, dat de oom van het vaderlooze Oranjekindje op den Engelsche troon kwam.... en dat kon gevaarlijk worden voor de Hollandsche regenten!
Doch mocht men zich schouderophalend van deze verdachtmakingen en ondoordachte plannen en veronderstellingen afwenden, dan hoorde men toch van een kant, waarvan men het niet gewacht zou hebben, een veroordeeling van de handelwijze der Heeren. Wie was deemoediger dan Michiel de Ruijter, wie eerde meer het gezag, in welken vorm zich dit ook openbaarde, dan juist hij? Toch verklaarde hij ronduit, „dat hij niet van meening was weer in zee te gaan, tenzij dat de vloot met meerdere en betere schepen dan tot dusverre gebruikt waren, versterkt was.” En veelluider en in veel sterkere bewoordingen werd dit door Witte Cornelisz de With geuit, terwijl een man als Van Beuningen de regenten aan de bekende wonderspreuk herinnerde: dat wie zijn ziel behouden wil, haar zal verliezen. Van Beuningen had volkomen gelijk. Als wij alles, wat wij bezitten en waaraan wij waarde toekennen, willen behouden, dan moeten wij voor dat bezit ook wat over hebben. Steunen wij het Gemeenebest niet, dat ons het behoud van datgene wat ons lief is waarborgt, dan zal er een oogenblik komen waarop dat Gemeenebest ons niet meer zal kunnen beschermen. En door niet eendeelvan ons bezit over gehad te hebben voor de verdediging van het vaderland, zullen wij kans loopenalleste verliezen.
Naar zulke verstandige woorden moest wel geluisterd worden. Bovendien, al kon Jan de Wit nog niet de groote drijfkracht voor de betere uitrusting van ons zeewezen zijn, welke hij tot zijn onsterfelijken roem later geworden is—zijn geest begon toch al vaardig over de Heeren te worden. En toen zag men het gewone verschijnsel in ons land, als de Nederlanders eerst maar over het „doode punt” zijn gegaan,—dat er namelijk een geestdrift wakker werd, die ons meer op warmbloedige Zuiderlingen dan op koudbloedige wezens uit een kikkerland deed gelijken.
De Heeren begonnen zich krachtig in te spannen en toonden, dat zij alles in het werk wilden stellen, om den oorlog tot een goed einde te brengen. Geld engoed werd opgebracht, van alle kanten rees het zeevarende volk op, ja, mannen van geboorte en rang boden zich als vrijwilligers aan, en betaalden de uitrusting en het kostgeld van de matrozen, die zij zelf meebrachten.
Zoo kwam de Amsterdamsche Secretaris Gerardt Hulst als vrijwilliger op het schip van een niet gemakkelijken baas, namelijk van Witte de With, en met zich bracht hij vier-en-twintig zeelieden, voor wie hij alles betaalde. Zoo deed ook Jan Oomes met acht, Jan van Uffelen met zes en Jacobus van den Kerckhoven met vier matrozen. Ook de predikant Robert Junius ging mede. „Ik zal u spreken van God, en, op de wijde zee, voor of in of na de bloedige zeeslagen, de vertroosting van het Evangelie tot u brengen,” zoo ongeveer drukte hij zich uit. En of een Engelsche boon hem zelf stervende op de met bloed doorweekte planken van het dek zou kunnen neerwerpen, daaraan dacht deze moedige dominee niet.
Wat een mannentaal, wat een mannenmoed! Of neen, deze uitdrukkingen zouden véél te eenzijdig zijn, wanneer zij het gevoelen van gehéél een volk moesten kenschetsen. Die mannen, vol ijver toesnellende om het vaderland uit de ellende te bevrijden, waren echtgenooten en zoons van Nederlandsche vrouwen en moeders. Als een geheel volk in geestdrift oprijst, is het altijd de vrouw, het middelpunt vooral van ons vaderlandsch huisgezin, die de stille krachtdier geweldige beweging is. De Nederlandsche vrouw, zelve een dochter van dat zeevarende volk, bleef thuis, maar het waren háár welpen, die „liepen door de woeste zee, als door het bosch de Leeuw.” Meestal bleef zij stil en verborgen in haar huisje, waarin het zoo kraakzindelijk was, en waar die onbehouwen manskerels wèl leerden zich de voeten te ontschoeien en te letten op stofjes en al wat niet behoorde in het heiligdom van moeder de vrouw. Maar als het vaderland in nood was, dan waren diezelfde vrouwen met Kenau Simons Hasselaer naar de kampplaats gesneld, en haar oogen vlamden van de muren van Alkmaar den Spaanschen vaandrig tegen, die, desnoods ten koste van zijn leven, wilde weten, welke onversaagde en geharde krijgsknechten dan toch het wonder volwrochten van een geheel Spaansch leger in woesten stormaanval te weerstaan. En als nu de roep door den lande gaat, dat er maats, vele maats noodig zijn, om de eer van het vernederde vaderland op te nemen tegen de Roodrokken.... dan zijn er jonge meisjes, die zich in mansgewaad steken en, aldus verkleed, zich aanmelden om dienst te nemen voor de vloot.
Van drie is dat uitgekomen, en de jongste van haar was slechts zestien jaar.
Het was heusch niet voor de aardigheid, dat zij medegingen. Het zou vlammen en donderen langs de zee. Velen die uittogen, zouden nooit meer het land der geboorte terugzien, en op de grillige zee was hetaltijd werken hard en zwaar. Anna Jans van Texel, een der drie meisjes, zou dat hebben kunnen getuigen. Want in haar vermomming had zij moeten dienen als marsklimmer, terwijl van een ander, Adriana la Noy geheeten, haar kapitein moest getuigen „dat zij op togten en wachten zich had gedragen vroom en eerlijk, zulks als een matroos schuldig was te doen.”
Ook lieten de Staten een lijst bekend maken, waarin opgesomd werd welke schadeloosstellingen men toegedacht had aan de verminkten. Verloor men beide oogen, of ook wel beide armen, dan kreeg men 1066 gld. 13 stuivers en 4 penningen. Het verlies van één oog werd gelijk gesteld met het verlies van de linkerhand, en men ontving in dat geval de ronde som van 240 gld. De rechterarm was evenveel waard als de twee voeten samen, namelijk 333 gld. 6 st. en 8 penn. En zoo voort. Ook werd aan hen, die zoodanig verminkt waren, dat zij daardoor voortaan onbekwaam zouden zijn hun brood te verdienen, een rijksdaalder per week tot hun onderhoud toegelegd. Op zulk een wijze „zocht men in die dagen, toen er nog geene ridderlinten bestonden, de wonden onzer dapperen te heelen,” zeide prof. Jorissen zeer eigenaardig van dergelijke maatregelen.
Een echter was er, die bij de algemeene geestdrift een gevoel van zwaarmoedigheid, van twijfel aan den goeden uitslag, niet geheel kon verbergen. En die een was juist de man, om wiens persoonlijkheid zichal die uitingen van geestdrift als om een middelpunt bewogen. Die een was de man, tot wien allen hoopvol opzagen, hij, van wien na enkele dagen Johan de Witt zou getuigen: „Hij was een zeeheld, wiens gelijke de wereld zelden heeft aanschouwd, en de toekomst bezwaarlijk zal voortbrengen.”
Die een was Maerten Harpertsz. Tromp.
„Het is zonderling en verdient opmerking,” zegt De Jonge, als deze van de allerlaatste toerusting des admiraals spreekt, „hoe somber de taal van Tromp was.” Hij ziet daarin een zeker voorgevoel, hetwelk de admiraal van zijn naderend einde had. Doch, niettegenstaande zijn onwillekeurige uitingen van moedeloosheid, flikkerde aan het eind van een zijner brieven het heldenvuur van Bestevaer Tromp, van het kind der zee, dat haar beheerscher geworden was, weer in lichter laaie op. In zijn plicht... neen,daarinzou hij nooit te kort schieten! Ook niet in den plicht, „om als een eerlyck man voor myn lieve Vaderlantte leven en sterven; daerop gelieft te verlaeten...”
En nu zou de groote kans gewaagd worden. In de eerste dagen van de maand Augustus was de vloot gereed om zee te kiezen. Ze bestond uit twee gedeelten, een dat op de hoogte van Goeree lag en waarbij Tromp zich bevond, het andere onder Witte de With bij Texel. Deze twee deelen moesten zich zien te vereenigen. Zeker, dat was noodig, wilde men zich met de uit 120 zeilen bestaande Engelsche vloot,die zich op onze kust bevond, kunnen meten. Doch die onderneming was ook zeer gevaarlijk, want de Engelschen konden trachten elk deel afzonderlijk aan te vallen en te vernietigen.
Den6denAugustus zocht Maerten Harpertsz. Tromp het wijde water op, nadat in den door hem bijeengeroepen krijgsraad het besluit genomen was, „met de hulpe van God door de Engelsche vloot te slaan,” zich met admiraal Dubbel Wit te vereenigen en vervolgens den beslissenden slag te aanvaarden. Zijn schepen bleven in ’t gezicht der kust. En toen Bestevaer nog eens landwaarts zag, werd zijn oog getrokken tot een hoogen, ver boven de duinen uitstekenden toren, die als ’t ware hem nazag op de groene met lichtplekken bezaaide Noordzee, den Sint-Catharina-toren van Den Briel met al de herinneringen aan den tijd, toen de admiraal nog „een knechtken” was. De ure naderde, waarop, in het gezicht van den Brielschen toren, admiraal Tromp zou sterven voor zijn vaderland....