VIERDE HOOFDSTUK.Allerlei plannen.„Vaarwel!” was de afscheidsgroet geweest, welke de vrouw van Harpert Tromp het wegzeilende schip had nagewuifd, dat haar man en haar zoon aan boord had. Toen had zij zich naar haar woning terugbegeven, om zich weder geheel te wijden aan haar huiselijke bezigheden en aan de opvoeding harer kinderen, voor wie zij nu vader en moeder tegelijk moest zijn.Nooit waren haar man en haar zoon uit haar gedachten. Zij sprak over hen met haar kinderen; glimlachend, als die de mondjes er niet over stil konden houden waar nu toch het schip van vader al kon wezen en wat hun groote broer nu weer voor aardigs van de verre reis zou medebrengen; ernstig, als zij de drie zusjes naar bed bracht en dan met ze bad voor vader en broer, die zoo verre, verre weg waren en omringd konden zijn door gevaren. Dan nog enkele avond-uren van alleen zijn, bezig met allerlei huishoudelijke zorgen, tot zij die, moede van den drukken dag, op zij schoof, om heteinde van haar dagtaak te wijden aan het groote, dikke boek, waar, voor in, de namen van haar en haar man en van Maerten en de drie zusjes stonden, en achter nog niet één was Godlof de datum en ’t jaar van het overlijden ingevuld. De jaren eens menschenlevens zijn zeventig, of, als wij zeer sterk zijn, tachtig, en haar Harpert was nog jong en krachtig. Dan kwam er plots een angstig gevoel over haar. Stond in dat dikke boek ook niet geschreven van de stormwinden die waaien en die een bloem in vollen bloei knakken? O, het leven des menschen is zoo broos! Wie wist dat beter dan een zeemansvrouw der 17eeeuw? Maar sprak dat dikke boek van het brooze eens menschen—het gaf tegelijk een troost, een opbeuring, ja een vastheid en een macht, omdat het van het eeuwige, omdat het van God sprak. Dan werd het heel stil in de kamer, alleen nu en dan ritselde een blad van den Bijbel.... En toch dóór die bladen heen zag moeder de wijde zee, en, als een notendop in die oneindigheid, het schip waarop zich de twee wezens bevonden, wier lot zij nu biddende toevertrouwde aan Hem, wiens geest eenmaal zweefde op de wateren....Maanden gingen voorbij, véle maanden. En er kwam maar geen tijding van man of zoon.Och, zoo troostte zij zich, Harpert zal alweer verder gevaren zijn dan eerst in het plan lag. Hij is ook zoo’n durver, zoo’n ondernemer, neemaarzijnsgelijke moet nog op zee gaan varen! Of wel.... hij zal weervracht ingenomen hebben naar andere havens, en aan de vaart zal hij blijven, tot hem op een goeden dag een gunstige wind naar het vaderland zal waaien....Doch de maanden volgden elkaar op, ze werden jaren,.... en geen tijding van man of zoon.Ja, nu moest hij toch spoedig komen. Want.... er begon zoetjesaan gebrek aan verschillende dingen te komen. Kinderen zijn zoo slijterig.... en de buren behoeven niet te weten, dat er geen geld meer in kas is! ’t Werd hóóg tijd, dat haar man terugkwam. Met de naald had zij al wonderen gedaan, om de kleertjes van de zusjes fatsoenlijk te houden; maar nu die dun en versleten raakten, vreesde ze, dat de buren, die ook al meer en al dringender begonnen te vragen waar Harpert toch heen voer dat hij zoo lang uitbleef, iets gingen vermoeden.... van wat niet waarkonzijn. Want, al begon nu het worstelen met den nood en de ellende.... gelooven dat haar man en haar lieve jongen dood waren, verdronken of vermoord ginder in verre en vreemde gewesten—dat kòn ze niet gelooven.En weer ging ze als tersluiks langs de kaden, turende of nòg al niet het zoo bekende schip als vol verlangen aanjoeg langs de rivier de Maas.„Arme vrouw!” zeiden de menschen; „ze hoopt altijd nog.”En eerbiedig verzweeg men voor haar, dat niemand meer hoop koesterde op een wederzien van vader of zoon, niemand.... dan zij alleen.Daar.... op een avond, plotseling, een veertienjarige jonge maat, maar die veel ouder leek, vóór haar. Bruin verweerde wangen, vereelte werkhanden, maar.... de heldere, trouwhartige kijkers van haar zoon. Twee stevige armen, die haar vast omklemmen. Een vreugdekreet.... een snik.... God had haar het kind teruggegeven uit harde, lange slavernij, teruggegeven óók om haar troostend en liefkoozend te vertellen, dat die kloeke vader gestorven was, gestorven.... en er kwam iets mannelijks over het gelaat van den knaap—gestorven, ja, maar als een held!...Nu was er geen denken meer aan, dat Maerten naar die booze zee terugging. Hij zou nu bij moeder blijven, haar troost en.... haar steun zijn. Het zou voor hem geen behaaglijk passagieren aan wal wezen, om eens gezellig uit te rusten van de doorgestane vermoeienissen. En zoo is het gekomen, dat hij, de toekomstige admiraal, zich het schootsvel om de lenden bond en in Rotterdam als een timmermansjongen rondliep.Dat zal toch wel een wonderlijke ambachtsjongen geweest zijn, die Maerten Harpertsz., een gezel, die den geur van de zee in de timmermanswerkplaats bracht. Derdehalf jaar had hij geleefd buiten de geordende maatschappij, de wereld was hem niet wijd genoeg geweest,—en nu zat hij opgesloten tusschen de wallen van een stad en de muren van een werkplaats. Een stormvogel in een kooi. Maar déze vogel werdniet door de wreedheid der menschen in een te eng en benauwend gedeelte van zijn gebied, dat de wijde wereld was, opgehouden. Hier heeft deze jonge maat den lust van zijn leven uit eigen hart willen wegrukken, omdat zijn plicht om voor moeder en de zusjes te zorgen, omdat de liefde tot zijn moeder, die beefde bij de gedachte ook hèm te zullen verliezen, hem dit gebood. Wij zouden hier niets van weten, als later niet zijn benijders het hem als een schande hadden willen toerekenen, dat hij met het schootsvel voor geloopen heeft en het daarom smalend overal vertelden en zelfs in boekjes lieten drukken. Een mooie admiraal—bedoelden zij hier mee—die timmermansjongen in Rotterdam is geweest. Wij.... dànken die benijders voor hun mededeeling. Zonder die mededeeling toch zouden wij met een der grootste victories van den nobelen zeeheld onbekend zijn gebleven, de overwinning toch van zijn geestkracht op het verlangen naar de zee, dat hem dag noch nacht rust liet, dat áángroeide met de dagen en weken en maanden en jaren.... en al dat stille leed heeft hij geleden uit liefde tot zijn moeder.Het heeft zeker wel een geruime poos geduurd dat Maerten aan wal doorbracht. Eindelijk schijnt hij van de schaafbank weggehaald te zijn door een schipper, die het zonde vond, dat zoo’n echte stormvogel zou vergaan in een kooi. En toen ook moeder had ingezien welk een groot offer haar jongen uit liefde voor haarbracht, was zij wel de eerste om zich in waarheid een moeder te toonen, de vrouw, die zichzelf desnoods zou opofferen voor het geluk van haar kind. En zoo—luchtig en opgeruimd, happend naar den vrijen wind van den zouten plas, voer Maerten met dien schipper mee, die Cornelis de Haes heette. Het ging niet ver. Naar Rouaan. Maar op dat eerste reisje volgde een tweede. En verder ging het als van een leien dakje.Een geest van geluk was er over den flinken maat gekomen, die er, met zijn achttien jaren, wel mocht zijn, en als hij in Rotterdam was, wel eens een avondje bij zijn moeder verzuimde. Die glimlachte daarover, stilletjes en in herinnering aan haar eigen jonge jaren. Want ze wist het heel goed, waarom Maerten zoo dikwijls bij schipper De Haes aanliep, zelfs toen hij niet meer bij hem voer. Als ze er Maerten naar vroeg, zei hij, dat hij met den schipper over allerlei zaken van de zeevaart had te spreken. Maar als moeder dan, zoo of ze het zonder erg deed, vroeg, of de mooie Dignum er altijd bij zat wanneer de schipper het over die zeezaken had, kreeg Maerten een kleur tot achter zijn ooren en wist niet, hoe hij er zich uit zou praten.Maar toen Maerten het uitgevonden had, dat het op die manier het gezelligst was om met vader De Haes over de zeezaken te praten, en op zijn dikwijls lange zeereizen er zich wel eens op betrapte, dat hij toch eigenlijk meer aan Dignum dacht dan aan vader De Haes met diens zeezaken erbij—ja, toen washij al een jaartje ouder, en de zorgen van moeder waren ook al voorbij. Sapperloot—daar rolden in die dagen zooveel blanke schijven langs de zee, dat een jonge, gezonde maat met een paar handen aan zijn lijf er aardig wat van op kon garen en in den buidel stoppen, welke met vroolijk geklinkklank op de tafel geworpen werd vlak voor moeder, die de handen ophief alsof ze er van schrikte, maar die lachte, làchte met heel haar wezen, en dankbaar de hand streelde van den jongen, die zoo voor haar zorgde. En vader De Haes gaf zijn dochter ook maar niet aan den eersten den besten! Maerten moest eerst ruimschoots een vrouw kunnen onderhouden. En toen hij dat kon.... wel, toen was het bruiloft in Den Briel. Want daar had de ondertrouw plaats op den 14 April van ’t jaar 1624, terwijl het huwelijk bevestigd werd den 7denMei in de statige Sint Catharina, dezelfde kerk, waarin eenmaal het „knechtje” gedoopt was en aangesproken met den naam van Maerten. We hebben ook een afdruk gegeven, van wat men daaromtrent in het nog bestaande Trouwboek van Den Briel vindt. We lezen daarin van dien ondertrouw:„Marten Herpertsz Jonges(el): Luijtenant van CapnMees den Boer ende Dignum Cornelis Jonge dr wonen(de) int Noordt-eynde.” En terzijde: „dese sijn bevestigt op den 7nmey”.Men ziet hier uit, dat de jeugdige luitenant ter zee in het register nog niet als Tromp werd ingeschreven.Dat geschiedde in datzelfde Trouwboek eerst twaalf jaar later, gelijk men uit den vierden afdruk lezen kan.Want Maerten heeft Dignum niet mogen behouden, al is hij toch negen jaar met haar gelukkig geweest. Hij kocht toen voor haar een graf in de St. Laurenskerk te Rotterdam, van welks sluitsteen een afbeelding hierbij gevoegd is, en dacht en hoopte niet anders, of hij zou ook eenmaal in datzelfde graf rusten. Dat duiden wel de twee wapenschilden aan, welke gij op dien steen ziet en waaronder nu de naam uitgehouwen is vanM. H. van Tromp. Op het eene ziet men de figuur van een aapje, dat op een trompje blaast, als zinnebeeld van den bijnaam, dien de zoon van Harpert als vaderlijk erfdeel door het leven voerde; terwijl als zinnebeeld van den familienaam van Dignum drie haasjes zijn afgebeeld.In plaats van hij zelf, werd er zes jaar later zijn tweede vrouw begraven, ook een Brielsche, met wie hij den 27 Augustus 1634 in ondertrouw verbonden werd, terwijl de huwelijksbevestiging den 12 September van dat jaar plaats had, mede in dezelfde kerk. Toen was Tromp kapitein ter zee en woonde te Rotterdam. Die tweede vrouw heette Alijt Jacobs Arckenbout en bewoonde in de Nobelstraat te Brielle een deftig huis. Zij was een vrouw van welgestelde familie, met wie de kapitein een goed huwelijk deed.Maar uit het huwelijk met Dignum de Haes was hem een zoon overgebleven, die zich, evenals zijn vadereen naam in de rijke zeegeschiedenis van ons volk verworven heeft. Die zoon heette naar Dignum’s vader Cornelis, en is later geworden de dolle driftkop Cornelis Tromp, deKees Trompder matrozen, de schrik van de Engelschen, en ook een tijdlang de mededinger en tegenstander van Michiel de Ruijter, welke beide vlootvoogden eerst in het verschrikkelijke jaar 1672, het Rampjaar, toen ons land door vier staten tegelijk, waaronder de twee machtigste van Europa, werd aangevallen, door Prins Willem den Derden tot heil van het vaderland verzoend werden....Maar nu zijn we door het vermelden dezer huwelijken zoover van onzen Maerten afgedwaald, dat wij ons haasten moeten den jongen zeeman, die zich nog een toekomst heeft te veroveren, op te zoeken. We hebben hem een reisje naar Rouaan zien ondernemen. We vinden hem terug in het jaar 1617, toen hij in ’s Lands dienst trad en wel als kwartiermeester, waardoor hij een maandelijksch inkomen kreeg van 8 gulden. En het was bij Moy Lambert, onder wien zijn vader den slag bij Gibraltar had bijgewoond, dat hij zich aan ’s Lands dienst verbond. Het ging hem onder de bescherming van dezen commandeur al dadelijk heel goed, want was hij den 25stenJuni 1617 als kwartiermeester aangenomen, reeds den 18enAugustus 1618 werd hij tot stuurman bevorderd op een maandgeld van 20 gld.Het is waar—het was nog altijd wapenstilstanden dus eigenlijk geen gunstige tijd om op een oorlogsschip te dienen. Maar er waren toch altijd nog de Algerijnsche zeeroovers, om er een expeditie tegen te ondernemen, en bij Tunis waren dergelijke aartsvijanden van onzen handel wel aan te treffen. Op de hoogte van Tunis werd in die dagen een zeeslag geleverd met de zeeroovers, en van Maerten kon vermeld worden, dat hij zich daar „manhaftig heeft gekweten”.Doch—ik herhaal het—het was tijdens het Bestand geen goede tijd voor den oorlogsmatroos. Daarom nam Maerten den 15denMei 1619 ontslag uit ’s Lands dienst, en probeerde geplaatst te worden op een van de vele koopvaardijschepen, die naar de landen om de Middellandsche zee gelegen voeren. Wijl zij daartoe steeds de Straat van Gibraltar moesten passeeren, werden zij in dien tijd Straatvaarders genoemd. De jonge man keek eens rond en vond weldra een plaats als stuurman op een dergelijk vaartuig, „het Tuch-huys” geheeten, waarvan Hendrik Thijsze van Schiedam de schipper was. Met dat schip deed hij verscheidene reizen naar de Middellandsche zee, twee jaar lang. Toen begon het Bestand op een einde te loopen. Nu zou dat vervelende tijdperk, hetwelk ons land en ons volk weinig plezier had aangebracht, haast om zijn, en de oorlog, die de Spaansche Oorlog genoemd werd, weer beginnen. En de jonge man, die als kind van acht jaar den zeeslag bij Gibraltar had bijgewoond, en honderdmaal had hooren vertellen vandien ouden, roemrijken tijd, droomde voor zijn toekomst de schoonste droomen.Het zou zijn laatste reisje zijn als koopvaardijman, zeide hij tot zijn schipper, toen men den steven wederom naar het vaderland wendde. Met een vroolijk hart zag hij, hoe het vaartuig de blauwe golven der Middellandsche zee doorkliefde. Nog enkele dagen en de Straat van Gibraltar zou bereikt zijn, en dan zouden de golven van den Oceaan het scheepje dragen naar het Noorden.Doch eer het zoover was, werd dat scheepje aangevallen en genomen door de Rifpiraten—en de arme jonge man, met zijn hoofd vol stoute plannen, was opnieuw een rechtelooze slaaf geworden, maar nu van de Ongeloovigen, die hem inlijfden bij het zeevolk van hun vloot. En levenslang zou hij hen moeten dienen in hun rooftochten tegen zijn geloofsgenooten, ja, tegen zijn eigen volk.
VIERDE HOOFDSTUK.Allerlei plannen.„Vaarwel!” was de afscheidsgroet geweest, welke de vrouw van Harpert Tromp het wegzeilende schip had nagewuifd, dat haar man en haar zoon aan boord had. Toen had zij zich naar haar woning terugbegeven, om zich weder geheel te wijden aan haar huiselijke bezigheden en aan de opvoeding harer kinderen, voor wie zij nu vader en moeder tegelijk moest zijn.Nooit waren haar man en haar zoon uit haar gedachten. Zij sprak over hen met haar kinderen; glimlachend, als die de mondjes er niet over stil konden houden waar nu toch het schip van vader al kon wezen en wat hun groote broer nu weer voor aardigs van de verre reis zou medebrengen; ernstig, als zij de drie zusjes naar bed bracht en dan met ze bad voor vader en broer, die zoo verre, verre weg waren en omringd konden zijn door gevaren. Dan nog enkele avond-uren van alleen zijn, bezig met allerlei huishoudelijke zorgen, tot zij die, moede van den drukken dag, op zij schoof, om heteinde van haar dagtaak te wijden aan het groote, dikke boek, waar, voor in, de namen van haar en haar man en van Maerten en de drie zusjes stonden, en achter nog niet één was Godlof de datum en ’t jaar van het overlijden ingevuld. De jaren eens menschenlevens zijn zeventig, of, als wij zeer sterk zijn, tachtig, en haar Harpert was nog jong en krachtig. Dan kwam er plots een angstig gevoel over haar. Stond in dat dikke boek ook niet geschreven van de stormwinden die waaien en die een bloem in vollen bloei knakken? O, het leven des menschen is zoo broos! Wie wist dat beter dan een zeemansvrouw der 17eeeuw? Maar sprak dat dikke boek van het brooze eens menschen—het gaf tegelijk een troost, een opbeuring, ja een vastheid en een macht, omdat het van het eeuwige, omdat het van God sprak. Dan werd het heel stil in de kamer, alleen nu en dan ritselde een blad van den Bijbel.... En toch dóór die bladen heen zag moeder de wijde zee, en, als een notendop in die oneindigheid, het schip waarop zich de twee wezens bevonden, wier lot zij nu biddende toevertrouwde aan Hem, wiens geest eenmaal zweefde op de wateren....Maanden gingen voorbij, véle maanden. En er kwam maar geen tijding van man of zoon.Och, zoo troostte zij zich, Harpert zal alweer verder gevaren zijn dan eerst in het plan lag. Hij is ook zoo’n durver, zoo’n ondernemer, neemaarzijnsgelijke moet nog op zee gaan varen! Of wel.... hij zal weervracht ingenomen hebben naar andere havens, en aan de vaart zal hij blijven, tot hem op een goeden dag een gunstige wind naar het vaderland zal waaien....Doch de maanden volgden elkaar op, ze werden jaren,.... en geen tijding van man of zoon.Ja, nu moest hij toch spoedig komen. Want.... er begon zoetjesaan gebrek aan verschillende dingen te komen. Kinderen zijn zoo slijterig.... en de buren behoeven niet te weten, dat er geen geld meer in kas is! ’t Werd hóóg tijd, dat haar man terugkwam. Met de naald had zij al wonderen gedaan, om de kleertjes van de zusjes fatsoenlijk te houden; maar nu die dun en versleten raakten, vreesde ze, dat de buren, die ook al meer en al dringender begonnen te vragen waar Harpert toch heen voer dat hij zoo lang uitbleef, iets gingen vermoeden.... van wat niet waarkonzijn. Want, al begon nu het worstelen met den nood en de ellende.... gelooven dat haar man en haar lieve jongen dood waren, verdronken of vermoord ginder in verre en vreemde gewesten—dat kòn ze niet gelooven.En weer ging ze als tersluiks langs de kaden, turende of nòg al niet het zoo bekende schip als vol verlangen aanjoeg langs de rivier de Maas.„Arme vrouw!” zeiden de menschen; „ze hoopt altijd nog.”En eerbiedig verzweeg men voor haar, dat niemand meer hoop koesterde op een wederzien van vader of zoon, niemand.... dan zij alleen.Daar.... op een avond, plotseling, een veertienjarige jonge maat, maar die veel ouder leek, vóór haar. Bruin verweerde wangen, vereelte werkhanden, maar.... de heldere, trouwhartige kijkers van haar zoon. Twee stevige armen, die haar vast omklemmen. Een vreugdekreet.... een snik.... God had haar het kind teruggegeven uit harde, lange slavernij, teruggegeven óók om haar troostend en liefkoozend te vertellen, dat die kloeke vader gestorven was, gestorven.... en er kwam iets mannelijks over het gelaat van den knaap—gestorven, ja, maar als een held!...Nu was er geen denken meer aan, dat Maerten naar die booze zee terugging. Hij zou nu bij moeder blijven, haar troost en.... haar steun zijn. Het zou voor hem geen behaaglijk passagieren aan wal wezen, om eens gezellig uit te rusten van de doorgestane vermoeienissen. En zoo is het gekomen, dat hij, de toekomstige admiraal, zich het schootsvel om de lenden bond en in Rotterdam als een timmermansjongen rondliep.Dat zal toch wel een wonderlijke ambachtsjongen geweest zijn, die Maerten Harpertsz., een gezel, die den geur van de zee in de timmermanswerkplaats bracht. Derdehalf jaar had hij geleefd buiten de geordende maatschappij, de wereld was hem niet wijd genoeg geweest,—en nu zat hij opgesloten tusschen de wallen van een stad en de muren van een werkplaats. Een stormvogel in een kooi. Maar déze vogel werdniet door de wreedheid der menschen in een te eng en benauwend gedeelte van zijn gebied, dat de wijde wereld was, opgehouden. Hier heeft deze jonge maat den lust van zijn leven uit eigen hart willen wegrukken, omdat zijn plicht om voor moeder en de zusjes te zorgen, omdat de liefde tot zijn moeder, die beefde bij de gedachte ook hèm te zullen verliezen, hem dit gebood. Wij zouden hier niets van weten, als later niet zijn benijders het hem als een schande hadden willen toerekenen, dat hij met het schootsvel voor geloopen heeft en het daarom smalend overal vertelden en zelfs in boekjes lieten drukken. Een mooie admiraal—bedoelden zij hier mee—die timmermansjongen in Rotterdam is geweest. Wij.... dànken die benijders voor hun mededeeling. Zonder die mededeeling toch zouden wij met een der grootste victories van den nobelen zeeheld onbekend zijn gebleven, de overwinning toch van zijn geestkracht op het verlangen naar de zee, dat hem dag noch nacht rust liet, dat áángroeide met de dagen en weken en maanden en jaren.... en al dat stille leed heeft hij geleden uit liefde tot zijn moeder.Het heeft zeker wel een geruime poos geduurd dat Maerten aan wal doorbracht. Eindelijk schijnt hij van de schaafbank weggehaald te zijn door een schipper, die het zonde vond, dat zoo’n echte stormvogel zou vergaan in een kooi. En toen ook moeder had ingezien welk een groot offer haar jongen uit liefde voor haarbracht, was zij wel de eerste om zich in waarheid een moeder te toonen, de vrouw, die zichzelf desnoods zou opofferen voor het geluk van haar kind. En zoo—luchtig en opgeruimd, happend naar den vrijen wind van den zouten plas, voer Maerten met dien schipper mee, die Cornelis de Haes heette. Het ging niet ver. Naar Rouaan. Maar op dat eerste reisje volgde een tweede. En verder ging het als van een leien dakje.Een geest van geluk was er over den flinken maat gekomen, die er, met zijn achttien jaren, wel mocht zijn, en als hij in Rotterdam was, wel eens een avondje bij zijn moeder verzuimde. Die glimlachte daarover, stilletjes en in herinnering aan haar eigen jonge jaren. Want ze wist het heel goed, waarom Maerten zoo dikwijls bij schipper De Haes aanliep, zelfs toen hij niet meer bij hem voer. Als ze er Maerten naar vroeg, zei hij, dat hij met den schipper over allerlei zaken van de zeevaart had te spreken. Maar als moeder dan, zoo of ze het zonder erg deed, vroeg, of de mooie Dignum er altijd bij zat wanneer de schipper het over die zeezaken had, kreeg Maerten een kleur tot achter zijn ooren en wist niet, hoe hij er zich uit zou praten.Maar toen Maerten het uitgevonden had, dat het op die manier het gezelligst was om met vader De Haes over de zeezaken te praten, en op zijn dikwijls lange zeereizen er zich wel eens op betrapte, dat hij toch eigenlijk meer aan Dignum dacht dan aan vader De Haes met diens zeezaken erbij—ja, toen washij al een jaartje ouder, en de zorgen van moeder waren ook al voorbij. Sapperloot—daar rolden in die dagen zooveel blanke schijven langs de zee, dat een jonge, gezonde maat met een paar handen aan zijn lijf er aardig wat van op kon garen en in den buidel stoppen, welke met vroolijk geklinkklank op de tafel geworpen werd vlak voor moeder, die de handen ophief alsof ze er van schrikte, maar die lachte, làchte met heel haar wezen, en dankbaar de hand streelde van den jongen, die zoo voor haar zorgde. En vader De Haes gaf zijn dochter ook maar niet aan den eersten den besten! Maerten moest eerst ruimschoots een vrouw kunnen onderhouden. En toen hij dat kon.... wel, toen was het bruiloft in Den Briel. Want daar had de ondertrouw plaats op den 14 April van ’t jaar 1624, terwijl het huwelijk bevestigd werd den 7denMei in de statige Sint Catharina, dezelfde kerk, waarin eenmaal het „knechtje” gedoopt was en aangesproken met den naam van Maerten. We hebben ook een afdruk gegeven, van wat men daaromtrent in het nog bestaande Trouwboek van Den Briel vindt. We lezen daarin van dien ondertrouw:„Marten Herpertsz Jonges(el): Luijtenant van CapnMees den Boer ende Dignum Cornelis Jonge dr wonen(de) int Noordt-eynde.” En terzijde: „dese sijn bevestigt op den 7nmey”.Men ziet hier uit, dat de jeugdige luitenant ter zee in het register nog niet als Tromp werd ingeschreven.Dat geschiedde in datzelfde Trouwboek eerst twaalf jaar later, gelijk men uit den vierden afdruk lezen kan.Want Maerten heeft Dignum niet mogen behouden, al is hij toch negen jaar met haar gelukkig geweest. Hij kocht toen voor haar een graf in de St. Laurenskerk te Rotterdam, van welks sluitsteen een afbeelding hierbij gevoegd is, en dacht en hoopte niet anders, of hij zou ook eenmaal in datzelfde graf rusten. Dat duiden wel de twee wapenschilden aan, welke gij op dien steen ziet en waaronder nu de naam uitgehouwen is vanM. H. van Tromp. Op het eene ziet men de figuur van een aapje, dat op een trompje blaast, als zinnebeeld van den bijnaam, dien de zoon van Harpert als vaderlijk erfdeel door het leven voerde; terwijl als zinnebeeld van den familienaam van Dignum drie haasjes zijn afgebeeld.In plaats van hij zelf, werd er zes jaar later zijn tweede vrouw begraven, ook een Brielsche, met wie hij den 27 Augustus 1634 in ondertrouw verbonden werd, terwijl de huwelijksbevestiging den 12 September van dat jaar plaats had, mede in dezelfde kerk. Toen was Tromp kapitein ter zee en woonde te Rotterdam. Die tweede vrouw heette Alijt Jacobs Arckenbout en bewoonde in de Nobelstraat te Brielle een deftig huis. Zij was een vrouw van welgestelde familie, met wie de kapitein een goed huwelijk deed.Maar uit het huwelijk met Dignum de Haes was hem een zoon overgebleven, die zich, evenals zijn vadereen naam in de rijke zeegeschiedenis van ons volk verworven heeft. Die zoon heette naar Dignum’s vader Cornelis, en is later geworden de dolle driftkop Cornelis Tromp, deKees Trompder matrozen, de schrik van de Engelschen, en ook een tijdlang de mededinger en tegenstander van Michiel de Ruijter, welke beide vlootvoogden eerst in het verschrikkelijke jaar 1672, het Rampjaar, toen ons land door vier staten tegelijk, waaronder de twee machtigste van Europa, werd aangevallen, door Prins Willem den Derden tot heil van het vaderland verzoend werden....Maar nu zijn we door het vermelden dezer huwelijken zoover van onzen Maerten afgedwaald, dat wij ons haasten moeten den jongen zeeman, die zich nog een toekomst heeft te veroveren, op te zoeken. We hebben hem een reisje naar Rouaan zien ondernemen. We vinden hem terug in het jaar 1617, toen hij in ’s Lands dienst trad en wel als kwartiermeester, waardoor hij een maandelijksch inkomen kreeg van 8 gulden. En het was bij Moy Lambert, onder wien zijn vader den slag bij Gibraltar had bijgewoond, dat hij zich aan ’s Lands dienst verbond. Het ging hem onder de bescherming van dezen commandeur al dadelijk heel goed, want was hij den 25stenJuni 1617 als kwartiermeester aangenomen, reeds den 18enAugustus 1618 werd hij tot stuurman bevorderd op een maandgeld van 20 gld.Het is waar—het was nog altijd wapenstilstanden dus eigenlijk geen gunstige tijd om op een oorlogsschip te dienen. Maar er waren toch altijd nog de Algerijnsche zeeroovers, om er een expeditie tegen te ondernemen, en bij Tunis waren dergelijke aartsvijanden van onzen handel wel aan te treffen. Op de hoogte van Tunis werd in die dagen een zeeslag geleverd met de zeeroovers, en van Maerten kon vermeld worden, dat hij zich daar „manhaftig heeft gekweten”.Doch—ik herhaal het—het was tijdens het Bestand geen goede tijd voor den oorlogsmatroos. Daarom nam Maerten den 15denMei 1619 ontslag uit ’s Lands dienst, en probeerde geplaatst te worden op een van de vele koopvaardijschepen, die naar de landen om de Middellandsche zee gelegen voeren. Wijl zij daartoe steeds de Straat van Gibraltar moesten passeeren, werden zij in dien tijd Straatvaarders genoemd. De jonge man keek eens rond en vond weldra een plaats als stuurman op een dergelijk vaartuig, „het Tuch-huys” geheeten, waarvan Hendrik Thijsze van Schiedam de schipper was. Met dat schip deed hij verscheidene reizen naar de Middellandsche zee, twee jaar lang. Toen begon het Bestand op een einde te loopen. Nu zou dat vervelende tijdperk, hetwelk ons land en ons volk weinig plezier had aangebracht, haast om zijn, en de oorlog, die de Spaansche Oorlog genoemd werd, weer beginnen. En de jonge man, die als kind van acht jaar den zeeslag bij Gibraltar had bijgewoond, en honderdmaal had hooren vertellen vandien ouden, roemrijken tijd, droomde voor zijn toekomst de schoonste droomen.Het zou zijn laatste reisje zijn als koopvaardijman, zeide hij tot zijn schipper, toen men den steven wederom naar het vaderland wendde. Met een vroolijk hart zag hij, hoe het vaartuig de blauwe golven der Middellandsche zee doorkliefde. Nog enkele dagen en de Straat van Gibraltar zou bereikt zijn, en dan zouden de golven van den Oceaan het scheepje dragen naar het Noorden.Doch eer het zoover was, werd dat scheepje aangevallen en genomen door de Rifpiraten—en de arme jonge man, met zijn hoofd vol stoute plannen, was opnieuw een rechtelooze slaaf geworden, maar nu van de Ongeloovigen, die hem inlijfden bij het zeevolk van hun vloot. En levenslang zou hij hen moeten dienen in hun rooftochten tegen zijn geloofsgenooten, ja, tegen zijn eigen volk.
VIERDE HOOFDSTUK.Allerlei plannen.
„Vaarwel!” was de afscheidsgroet geweest, welke de vrouw van Harpert Tromp het wegzeilende schip had nagewuifd, dat haar man en haar zoon aan boord had. Toen had zij zich naar haar woning terugbegeven, om zich weder geheel te wijden aan haar huiselijke bezigheden en aan de opvoeding harer kinderen, voor wie zij nu vader en moeder tegelijk moest zijn.Nooit waren haar man en haar zoon uit haar gedachten. Zij sprak over hen met haar kinderen; glimlachend, als die de mondjes er niet over stil konden houden waar nu toch het schip van vader al kon wezen en wat hun groote broer nu weer voor aardigs van de verre reis zou medebrengen; ernstig, als zij de drie zusjes naar bed bracht en dan met ze bad voor vader en broer, die zoo verre, verre weg waren en omringd konden zijn door gevaren. Dan nog enkele avond-uren van alleen zijn, bezig met allerlei huishoudelijke zorgen, tot zij die, moede van den drukken dag, op zij schoof, om heteinde van haar dagtaak te wijden aan het groote, dikke boek, waar, voor in, de namen van haar en haar man en van Maerten en de drie zusjes stonden, en achter nog niet één was Godlof de datum en ’t jaar van het overlijden ingevuld. De jaren eens menschenlevens zijn zeventig, of, als wij zeer sterk zijn, tachtig, en haar Harpert was nog jong en krachtig. Dan kwam er plots een angstig gevoel over haar. Stond in dat dikke boek ook niet geschreven van de stormwinden die waaien en die een bloem in vollen bloei knakken? O, het leven des menschen is zoo broos! Wie wist dat beter dan een zeemansvrouw der 17eeeuw? Maar sprak dat dikke boek van het brooze eens menschen—het gaf tegelijk een troost, een opbeuring, ja een vastheid en een macht, omdat het van het eeuwige, omdat het van God sprak. Dan werd het heel stil in de kamer, alleen nu en dan ritselde een blad van den Bijbel.... En toch dóór die bladen heen zag moeder de wijde zee, en, als een notendop in die oneindigheid, het schip waarop zich de twee wezens bevonden, wier lot zij nu biddende toevertrouwde aan Hem, wiens geest eenmaal zweefde op de wateren....Maanden gingen voorbij, véle maanden. En er kwam maar geen tijding van man of zoon.Och, zoo troostte zij zich, Harpert zal alweer verder gevaren zijn dan eerst in het plan lag. Hij is ook zoo’n durver, zoo’n ondernemer, neemaarzijnsgelijke moet nog op zee gaan varen! Of wel.... hij zal weervracht ingenomen hebben naar andere havens, en aan de vaart zal hij blijven, tot hem op een goeden dag een gunstige wind naar het vaderland zal waaien....Doch de maanden volgden elkaar op, ze werden jaren,.... en geen tijding van man of zoon.Ja, nu moest hij toch spoedig komen. Want.... er begon zoetjesaan gebrek aan verschillende dingen te komen. Kinderen zijn zoo slijterig.... en de buren behoeven niet te weten, dat er geen geld meer in kas is! ’t Werd hóóg tijd, dat haar man terugkwam. Met de naald had zij al wonderen gedaan, om de kleertjes van de zusjes fatsoenlijk te houden; maar nu die dun en versleten raakten, vreesde ze, dat de buren, die ook al meer en al dringender begonnen te vragen waar Harpert toch heen voer dat hij zoo lang uitbleef, iets gingen vermoeden.... van wat niet waarkonzijn. Want, al begon nu het worstelen met den nood en de ellende.... gelooven dat haar man en haar lieve jongen dood waren, verdronken of vermoord ginder in verre en vreemde gewesten—dat kòn ze niet gelooven.En weer ging ze als tersluiks langs de kaden, turende of nòg al niet het zoo bekende schip als vol verlangen aanjoeg langs de rivier de Maas.„Arme vrouw!” zeiden de menschen; „ze hoopt altijd nog.”En eerbiedig verzweeg men voor haar, dat niemand meer hoop koesterde op een wederzien van vader of zoon, niemand.... dan zij alleen.Daar.... op een avond, plotseling, een veertienjarige jonge maat, maar die veel ouder leek, vóór haar. Bruin verweerde wangen, vereelte werkhanden, maar.... de heldere, trouwhartige kijkers van haar zoon. Twee stevige armen, die haar vast omklemmen. Een vreugdekreet.... een snik.... God had haar het kind teruggegeven uit harde, lange slavernij, teruggegeven óók om haar troostend en liefkoozend te vertellen, dat die kloeke vader gestorven was, gestorven.... en er kwam iets mannelijks over het gelaat van den knaap—gestorven, ja, maar als een held!...Nu was er geen denken meer aan, dat Maerten naar die booze zee terugging. Hij zou nu bij moeder blijven, haar troost en.... haar steun zijn. Het zou voor hem geen behaaglijk passagieren aan wal wezen, om eens gezellig uit te rusten van de doorgestane vermoeienissen. En zoo is het gekomen, dat hij, de toekomstige admiraal, zich het schootsvel om de lenden bond en in Rotterdam als een timmermansjongen rondliep.Dat zal toch wel een wonderlijke ambachtsjongen geweest zijn, die Maerten Harpertsz., een gezel, die den geur van de zee in de timmermanswerkplaats bracht. Derdehalf jaar had hij geleefd buiten de geordende maatschappij, de wereld was hem niet wijd genoeg geweest,—en nu zat hij opgesloten tusschen de wallen van een stad en de muren van een werkplaats. Een stormvogel in een kooi. Maar déze vogel werdniet door de wreedheid der menschen in een te eng en benauwend gedeelte van zijn gebied, dat de wijde wereld was, opgehouden. Hier heeft deze jonge maat den lust van zijn leven uit eigen hart willen wegrukken, omdat zijn plicht om voor moeder en de zusjes te zorgen, omdat de liefde tot zijn moeder, die beefde bij de gedachte ook hèm te zullen verliezen, hem dit gebood. Wij zouden hier niets van weten, als later niet zijn benijders het hem als een schande hadden willen toerekenen, dat hij met het schootsvel voor geloopen heeft en het daarom smalend overal vertelden en zelfs in boekjes lieten drukken. Een mooie admiraal—bedoelden zij hier mee—die timmermansjongen in Rotterdam is geweest. Wij.... dànken die benijders voor hun mededeeling. Zonder die mededeeling toch zouden wij met een der grootste victories van den nobelen zeeheld onbekend zijn gebleven, de overwinning toch van zijn geestkracht op het verlangen naar de zee, dat hem dag noch nacht rust liet, dat áángroeide met de dagen en weken en maanden en jaren.... en al dat stille leed heeft hij geleden uit liefde tot zijn moeder.Het heeft zeker wel een geruime poos geduurd dat Maerten aan wal doorbracht. Eindelijk schijnt hij van de schaafbank weggehaald te zijn door een schipper, die het zonde vond, dat zoo’n echte stormvogel zou vergaan in een kooi. En toen ook moeder had ingezien welk een groot offer haar jongen uit liefde voor haarbracht, was zij wel de eerste om zich in waarheid een moeder te toonen, de vrouw, die zichzelf desnoods zou opofferen voor het geluk van haar kind. En zoo—luchtig en opgeruimd, happend naar den vrijen wind van den zouten plas, voer Maerten met dien schipper mee, die Cornelis de Haes heette. Het ging niet ver. Naar Rouaan. Maar op dat eerste reisje volgde een tweede. En verder ging het als van een leien dakje.Een geest van geluk was er over den flinken maat gekomen, die er, met zijn achttien jaren, wel mocht zijn, en als hij in Rotterdam was, wel eens een avondje bij zijn moeder verzuimde. Die glimlachte daarover, stilletjes en in herinnering aan haar eigen jonge jaren. Want ze wist het heel goed, waarom Maerten zoo dikwijls bij schipper De Haes aanliep, zelfs toen hij niet meer bij hem voer. Als ze er Maerten naar vroeg, zei hij, dat hij met den schipper over allerlei zaken van de zeevaart had te spreken. Maar als moeder dan, zoo of ze het zonder erg deed, vroeg, of de mooie Dignum er altijd bij zat wanneer de schipper het over die zeezaken had, kreeg Maerten een kleur tot achter zijn ooren en wist niet, hoe hij er zich uit zou praten.Maar toen Maerten het uitgevonden had, dat het op die manier het gezelligst was om met vader De Haes over de zeezaken te praten, en op zijn dikwijls lange zeereizen er zich wel eens op betrapte, dat hij toch eigenlijk meer aan Dignum dacht dan aan vader De Haes met diens zeezaken erbij—ja, toen washij al een jaartje ouder, en de zorgen van moeder waren ook al voorbij. Sapperloot—daar rolden in die dagen zooveel blanke schijven langs de zee, dat een jonge, gezonde maat met een paar handen aan zijn lijf er aardig wat van op kon garen en in den buidel stoppen, welke met vroolijk geklinkklank op de tafel geworpen werd vlak voor moeder, die de handen ophief alsof ze er van schrikte, maar die lachte, làchte met heel haar wezen, en dankbaar de hand streelde van den jongen, die zoo voor haar zorgde. En vader De Haes gaf zijn dochter ook maar niet aan den eersten den besten! Maerten moest eerst ruimschoots een vrouw kunnen onderhouden. En toen hij dat kon.... wel, toen was het bruiloft in Den Briel. Want daar had de ondertrouw plaats op den 14 April van ’t jaar 1624, terwijl het huwelijk bevestigd werd den 7denMei in de statige Sint Catharina, dezelfde kerk, waarin eenmaal het „knechtje” gedoopt was en aangesproken met den naam van Maerten. We hebben ook een afdruk gegeven, van wat men daaromtrent in het nog bestaande Trouwboek van Den Briel vindt. We lezen daarin van dien ondertrouw:„Marten Herpertsz Jonges(el): Luijtenant van CapnMees den Boer ende Dignum Cornelis Jonge dr wonen(de) int Noordt-eynde.” En terzijde: „dese sijn bevestigt op den 7nmey”.Men ziet hier uit, dat de jeugdige luitenant ter zee in het register nog niet als Tromp werd ingeschreven.Dat geschiedde in datzelfde Trouwboek eerst twaalf jaar later, gelijk men uit den vierden afdruk lezen kan.Want Maerten heeft Dignum niet mogen behouden, al is hij toch negen jaar met haar gelukkig geweest. Hij kocht toen voor haar een graf in de St. Laurenskerk te Rotterdam, van welks sluitsteen een afbeelding hierbij gevoegd is, en dacht en hoopte niet anders, of hij zou ook eenmaal in datzelfde graf rusten. Dat duiden wel de twee wapenschilden aan, welke gij op dien steen ziet en waaronder nu de naam uitgehouwen is vanM. H. van Tromp. Op het eene ziet men de figuur van een aapje, dat op een trompje blaast, als zinnebeeld van den bijnaam, dien de zoon van Harpert als vaderlijk erfdeel door het leven voerde; terwijl als zinnebeeld van den familienaam van Dignum drie haasjes zijn afgebeeld.In plaats van hij zelf, werd er zes jaar later zijn tweede vrouw begraven, ook een Brielsche, met wie hij den 27 Augustus 1634 in ondertrouw verbonden werd, terwijl de huwelijksbevestiging den 12 September van dat jaar plaats had, mede in dezelfde kerk. Toen was Tromp kapitein ter zee en woonde te Rotterdam. Die tweede vrouw heette Alijt Jacobs Arckenbout en bewoonde in de Nobelstraat te Brielle een deftig huis. Zij was een vrouw van welgestelde familie, met wie de kapitein een goed huwelijk deed.Maar uit het huwelijk met Dignum de Haes was hem een zoon overgebleven, die zich, evenals zijn vadereen naam in de rijke zeegeschiedenis van ons volk verworven heeft. Die zoon heette naar Dignum’s vader Cornelis, en is later geworden de dolle driftkop Cornelis Tromp, deKees Trompder matrozen, de schrik van de Engelschen, en ook een tijdlang de mededinger en tegenstander van Michiel de Ruijter, welke beide vlootvoogden eerst in het verschrikkelijke jaar 1672, het Rampjaar, toen ons land door vier staten tegelijk, waaronder de twee machtigste van Europa, werd aangevallen, door Prins Willem den Derden tot heil van het vaderland verzoend werden....Maar nu zijn we door het vermelden dezer huwelijken zoover van onzen Maerten afgedwaald, dat wij ons haasten moeten den jongen zeeman, die zich nog een toekomst heeft te veroveren, op te zoeken. We hebben hem een reisje naar Rouaan zien ondernemen. We vinden hem terug in het jaar 1617, toen hij in ’s Lands dienst trad en wel als kwartiermeester, waardoor hij een maandelijksch inkomen kreeg van 8 gulden. En het was bij Moy Lambert, onder wien zijn vader den slag bij Gibraltar had bijgewoond, dat hij zich aan ’s Lands dienst verbond. Het ging hem onder de bescherming van dezen commandeur al dadelijk heel goed, want was hij den 25stenJuni 1617 als kwartiermeester aangenomen, reeds den 18enAugustus 1618 werd hij tot stuurman bevorderd op een maandgeld van 20 gld.Het is waar—het was nog altijd wapenstilstanden dus eigenlijk geen gunstige tijd om op een oorlogsschip te dienen. Maar er waren toch altijd nog de Algerijnsche zeeroovers, om er een expeditie tegen te ondernemen, en bij Tunis waren dergelijke aartsvijanden van onzen handel wel aan te treffen. Op de hoogte van Tunis werd in die dagen een zeeslag geleverd met de zeeroovers, en van Maerten kon vermeld worden, dat hij zich daar „manhaftig heeft gekweten”.Doch—ik herhaal het—het was tijdens het Bestand geen goede tijd voor den oorlogsmatroos. Daarom nam Maerten den 15denMei 1619 ontslag uit ’s Lands dienst, en probeerde geplaatst te worden op een van de vele koopvaardijschepen, die naar de landen om de Middellandsche zee gelegen voeren. Wijl zij daartoe steeds de Straat van Gibraltar moesten passeeren, werden zij in dien tijd Straatvaarders genoemd. De jonge man keek eens rond en vond weldra een plaats als stuurman op een dergelijk vaartuig, „het Tuch-huys” geheeten, waarvan Hendrik Thijsze van Schiedam de schipper was. Met dat schip deed hij verscheidene reizen naar de Middellandsche zee, twee jaar lang. Toen begon het Bestand op een einde te loopen. Nu zou dat vervelende tijdperk, hetwelk ons land en ons volk weinig plezier had aangebracht, haast om zijn, en de oorlog, die de Spaansche Oorlog genoemd werd, weer beginnen. En de jonge man, die als kind van acht jaar den zeeslag bij Gibraltar had bijgewoond, en honderdmaal had hooren vertellen vandien ouden, roemrijken tijd, droomde voor zijn toekomst de schoonste droomen.Het zou zijn laatste reisje zijn als koopvaardijman, zeide hij tot zijn schipper, toen men den steven wederom naar het vaderland wendde. Met een vroolijk hart zag hij, hoe het vaartuig de blauwe golven der Middellandsche zee doorkliefde. Nog enkele dagen en de Straat van Gibraltar zou bereikt zijn, en dan zouden de golven van den Oceaan het scheepje dragen naar het Noorden.Doch eer het zoover was, werd dat scheepje aangevallen en genomen door de Rifpiraten—en de arme jonge man, met zijn hoofd vol stoute plannen, was opnieuw een rechtelooze slaaf geworden, maar nu van de Ongeloovigen, die hem inlijfden bij het zeevolk van hun vloot. En levenslang zou hij hen moeten dienen in hun rooftochten tegen zijn geloofsgenooten, ja, tegen zijn eigen volk.
„Vaarwel!” was de afscheidsgroet geweest, welke de vrouw van Harpert Tromp het wegzeilende schip had nagewuifd, dat haar man en haar zoon aan boord had. Toen had zij zich naar haar woning terugbegeven, om zich weder geheel te wijden aan haar huiselijke bezigheden en aan de opvoeding harer kinderen, voor wie zij nu vader en moeder tegelijk moest zijn.
Nooit waren haar man en haar zoon uit haar gedachten. Zij sprak over hen met haar kinderen; glimlachend, als die de mondjes er niet over stil konden houden waar nu toch het schip van vader al kon wezen en wat hun groote broer nu weer voor aardigs van de verre reis zou medebrengen; ernstig, als zij de drie zusjes naar bed bracht en dan met ze bad voor vader en broer, die zoo verre, verre weg waren en omringd konden zijn door gevaren. Dan nog enkele avond-uren van alleen zijn, bezig met allerlei huishoudelijke zorgen, tot zij die, moede van den drukken dag, op zij schoof, om heteinde van haar dagtaak te wijden aan het groote, dikke boek, waar, voor in, de namen van haar en haar man en van Maerten en de drie zusjes stonden, en achter nog niet één was Godlof de datum en ’t jaar van het overlijden ingevuld. De jaren eens menschenlevens zijn zeventig, of, als wij zeer sterk zijn, tachtig, en haar Harpert was nog jong en krachtig. Dan kwam er plots een angstig gevoel over haar. Stond in dat dikke boek ook niet geschreven van de stormwinden die waaien en die een bloem in vollen bloei knakken? O, het leven des menschen is zoo broos! Wie wist dat beter dan een zeemansvrouw der 17eeeuw? Maar sprak dat dikke boek van het brooze eens menschen—het gaf tegelijk een troost, een opbeuring, ja een vastheid en een macht, omdat het van het eeuwige, omdat het van God sprak. Dan werd het heel stil in de kamer, alleen nu en dan ritselde een blad van den Bijbel.... En toch dóór die bladen heen zag moeder de wijde zee, en, als een notendop in die oneindigheid, het schip waarop zich de twee wezens bevonden, wier lot zij nu biddende toevertrouwde aan Hem, wiens geest eenmaal zweefde op de wateren....
Maanden gingen voorbij, véle maanden. En er kwam maar geen tijding van man of zoon.
Och, zoo troostte zij zich, Harpert zal alweer verder gevaren zijn dan eerst in het plan lag. Hij is ook zoo’n durver, zoo’n ondernemer, neemaarzijnsgelijke moet nog op zee gaan varen! Of wel.... hij zal weervracht ingenomen hebben naar andere havens, en aan de vaart zal hij blijven, tot hem op een goeden dag een gunstige wind naar het vaderland zal waaien....
Doch de maanden volgden elkaar op, ze werden jaren,.... en geen tijding van man of zoon.
Ja, nu moest hij toch spoedig komen. Want.... er begon zoetjesaan gebrek aan verschillende dingen te komen. Kinderen zijn zoo slijterig.... en de buren behoeven niet te weten, dat er geen geld meer in kas is! ’t Werd hóóg tijd, dat haar man terugkwam. Met de naald had zij al wonderen gedaan, om de kleertjes van de zusjes fatsoenlijk te houden; maar nu die dun en versleten raakten, vreesde ze, dat de buren, die ook al meer en al dringender begonnen te vragen waar Harpert toch heen voer dat hij zoo lang uitbleef, iets gingen vermoeden.... van wat niet waarkonzijn. Want, al begon nu het worstelen met den nood en de ellende.... gelooven dat haar man en haar lieve jongen dood waren, verdronken of vermoord ginder in verre en vreemde gewesten—dat kòn ze niet gelooven.
En weer ging ze als tersluiks langs de kaden, turende of nòg al niet het zoo bekende schip als vol verlangen aanjoeg langs de rivier de Maas.
„Arme vrouw!” zeiden de menschen; „ze hoopt altijd nog.”
En eerbiedig verzweeg men voor haar, dat niemand meer hoop koesterde op een wederzien van vader of zoon, niemand.... dan zij alleen.
Daar.... op een avond, plotseling, een veertienjarige jonge maat, maar die veel ouder leek, vóór haar. Bruin verweerde wangen, vereelte werkhanden, maar.... de heldere, trouwhartige kijkers van haar zoon. Twee stevige armen, die haar vast omklemmen. Een vreugdekreet.... een snik.... God had haar het kind teruggegeven uit harde, lange slavernij, teruggegeven óók om haar troostend en liefkoozend te vertellen, dat die kloeke vader gestorven was, gestorven.... en er kwam iets mannelijks over het gelaat van den knaap—gestorven, ja, maar als een held!...
Nu was er geen denken meer aan, dat Maerten naar die booze zee terugging. Hij zou nu bij moeder blijven, haar troost en.... haar steun zijn. Het zou voor hem geen behaaglijk passagieren aan wal wezen, om eens gezellig uit te rusten van de doorgestane vermoeienissen. En zoo is het gekomen, dat hij, de toekomstige admiraal, zich het schootsvel om de lenden bond en in Rotterdam als een timmermansjongen rondliep.
Dat zal toch wel een wonderlijke ambachtsjongen geweest zijn, die Maerten Harpertsz., een gezel, die den geur van de zee in de timmermanswerkplaats bracht. Derdehalf jaar had hij geleefd buiten de geordende maatschappij, de wereld was hem niet wijd genoeg geweest,—en nu zat hij opgesloten tusschen de wallen van een stad en de muren van een werkplaats. Een stormvogel in een kooi. Maar déze vogel werdniet door de wreedheid der menschen in een te eng en benauwend gedeelte van zijn gebied, dat de wijde wereld was, opgehouden. Hier heeft deze jonge maat den lust van zijn leven uit eigen hart willen wegrukken, omdat zijn plicht om voor moeder en de zusjes te zorgen, omdat de liefde tot zijn moeder, die beefde bij de gedachte ook hèm te zullen verliezen, hem dit gebood. Wij zouden hier niets van weten, als later niet zijn benijders het hem als een schande hadden willen toerekenen, dat hij met het schootsvel voor geloopen heeft en het daarom smalend overal vertelden en zelfs in boekjes lieten drukken. Een mooie admiraal—bedoelden zij hier mee—die timmermansjongen in Rotterdam is geweest. Wij.... dànken die benijders voor hun mededeeling. Zonder die mededeeling toch zouden wij met een der grootste victories van den nobelen zeeheld onbekend zijn gebleven, de overwinning toch van zijn geestkracht op het verlangen naar de zee, dat hem dag noch nacht rust liet, dat áángroeide met de dagen en weken en maanden en jaren.... en al dat stille leed heeft hij geleden uit liefde tot zijn moeder.
Het heeft zeker wel een geruime poos geduurd dat Maerten aan wal doorbracht. Eindelijk schijnt hij van de schaafbank weggehaald te zijn door een schipper, die het zonde vond, dat zoo’n echte stormvogel zou vergaan in een kooi. En toen ook moeder had ingezien welk een groot offer haar jongen uit liefde voor haarbracht, was zij wel de eerste om zich in waarheid een moeder te toonen, de vrouw, die zichzelf desnoods zou opofferen voor het geluk van haar kind. En zoo—luchtig en opgeruimd, happend naar den vrijen wind van den zouten plas, voer Maerten met dien schipper mee, die Cornelis de Haes heette. Het ging niet ver. Naar Rouaan. Maar op dat eerste reisje volgde een tweede. En verder ging het als van een leien dakje.
Een geest van geluk was er over den flinken maat gekomen, die er, met zijn achttien jaren, wel mocht zijn, en als hij in Rotterdam was, wel eens een avondje bij zijn moeder verzuimde. Die glimlachte daarover, stilletjes en in herinnering aan haar eigen jonge jaren. Want ze wist het heel goed, waarom Maerten zoo dikwijls bij schipper De Haes aanliep, zelfs toen hij niet meer bij hem voer. Als ze er Maerten naar vroeg, zei hij, dat hij met den schipper over allerlei zaken van de zeevaart had te spreken. Maar als moeder dan, zoo of ze het zonder erg deed, vroeg, of de mooie Dignum er altijd bij zat wanneer de schipper het over die zeezaken had, kreeg Maerten een kleur tot achter zijn ooren en wist niet, hoe hij er zich uit zou praten.
Maar toen Maerten het uitgevonden had, dat het op die manier het gezelligst was om met vader De Haes over de zeezaken te praten, en op zijn dikwijls lange zeereizen er zich wel eens op betrapte, dat hij toch eigenlijk meer aan Dignum dacht dan aan vader De Haes met diens zeezaken erbij—ja, toen washij al een jaartje ouder, en de zorgen van moeder waren ook al voorbij. Sapperloot—daar rolden in die dagen zooveel blanke schijven langs de zee, dat een jonge, gezonde maat met een paar handen aan zijn lijf er aardig wat van op kon garen en in den buidel stoppen, welke met vroolijk geklinkklank op de tafel geworpen werd vlak voor moeder, die de handen ophief alsof ze er van schrikte, maar die lachte, làchte met heel haar wezen, en dankbaar de hand streelde van den jongen, die zoo voor haar zorgde. En vader De Haes gaf zijn dochter ook maar niet aan den eersten den besten! Maerten moest eerst ruimschoots een vrouw kunnen onderhouden. En toen hij dat kon.... wel, toen was het bruiloft in Den Briel. Want daar had de ondertrouw plaats op den 14 April van ’t jaar 1624, terwijl het huwelijk bevestigd werd den 7denMei in de statige Sint Catharina, dezelfde kerk, waarin eenmaal het „knechtje” gedoopt was en aangesproken met den naam van Maerten. We hebben ook een afdruk gegeven, van wat men daaromtrent in het nog bestaande Trouwboek van Den Briel vindt. We lezen daarin van dien ondertrouw:
„Marten Herpertsz Jonges(el): Luijtenant van CapnMees den Boer ende Dignum Cornelis Jonge dr wonen(de) int Noordt-eynde.” En terzijde: „dese sijn bevestigt op den 7nmey”.
Men ziet hier uit, dat de jeugdige luitenant ter zee in het register nog niet als Tromp werd ingeschreven.Dat geschiedde in datzelfde Trouwboek eerst twaalf jaar later, gelijk men uit den vierden afdruk lezen kan.
Want Maerten heeft Dignum niet mogen behouden, al is hij toch negen jaar met haar gelukkig geweest. Hij kocht toen voor haar een graf in de St. Laurenskerk te Rotterdam, van welks sluitsteen een afbeelding hierbij gevoegd is, en dacht en hoopte niet anders, of hij zou ook eenmaal in datzelfde graf rusten. Dat duiden wel de twee wapenschilden aan, welke gij op dien steen ziet en waaronder nu de naam uitgehouwen is vanM. H. van Tromp. Op het eene ziet men de figuur van een aapje, dat op een trompje blaast, als zinnebeeld van den bijnaam, dien de zoon van Harpert als vaderlijk erfdeel door het leven voerde; terwijl als zinnebeeld van den familienaam van Dignum drie haasjes zijn afgebeeld.
In plaats van hij zelf, werd er zes jaar later zijn tweede vrouw begraven, ook een Brielsche, met wie hij den 27 Augustus 1634 in ondertrouw verbonden werd, terwijl de huwelijksbevestiging den 12 September van dat jaar plaats had, mede in dezelfde kerk. Toen was Tromp kapitein ter zee en woonde te Rotterdam. Die tweede vrouw heette Alijt Jacobs Arckenbout en bewoonde in de Nobelstraat te Brielle een deftig huis. Zij was een vrouw van welgestelde familie, met wie de kapitein een goed huwelijk deed.
Maar uit het huwelijk met Dignum de Haes was hem een zoon overgebleven, die zich, evenals zijn vadereen naam in de rijke zeegeschiedenis van ons volk verworven heeft. Die zoon heette naar Dignum’s vader Cornelis, en is later geworden de dolle driftkop Cornelis Tromp, deKees Trompder matrozen, de schrik van de Engelschen, en ook een tijdlang de mededinger en tegenstander van Michiel de Ruijter, welke beide vlootvoogden eerst in het verschrikkelijke jaar 1672, het Rampjaar, toen ons land door vier staten tegelijk, waaronder de twee machtigste van Europa, werd aangevallen, door Prins Willem den Derden tot heil van het vaderland verzoend werden....
Maar nu zijn we door het vermelden dezer huwelijken zoover van onzen Maerten afgedwaald, dat wij ons haasten moeten den jongen zeeman, die zich nog een toekomst heeft te veroveren, op te zoeken. We hebben hem een reisje naar Rouaan zien ondernemen. We vinden hem terug in het jaar 1617, toen hij in ’s Lands dienst trad en wel als kwartiermeester, waardoor hij een maandelijksch inkomen kreeg van 8 gulden. En het was bij Moy Lambert, onder wien zijn vader den slag bij Gibraltar had bijgewoond, dat hij zich aan ’s Lands dienst verbond. Het ging hem onder de bescherming van dezen commandeur al dadelijk heel goed, want was hij den 25stenJuni 1617 als kwartiermeester aangenomen, reeds den 18enAugustus 1618 werd hij tot stuurman bevorderd op een maandgeld van 20 gld.
Het is waar—het was nog altijd wapenstilstanden dus eigenlijk geen gunstige tijd om op een oorlogsschip te dienen. Maar er waren toch altijd nog de Algerijnsche zeeroovers, om er een expeditie tegen te ondernemen, en bij Tunis waren dergelijke aartsvijanden van onzen handel wel aan te treffen. Op de hoogte van Tunis werd in die dagen een zeeslag geleverd met de zeeroovers, en van Maerten kon vermeld worden, dat hij zich daar „manhaftig heeft gekweten”.
Doch—ik herhaal het—het was tijdens het Bestand geen goede tijd voor den oorlogsmatroos. Daarom nam Maerten den 15denMei 1619 ontslag uit ’s Lands dienst, en probeerde geplaatst te worden op een van de vele koopvaardijschepen, die naar de landen om de Middellandsche zee gelegen voeren. Wijl zij daartoe steeds de Straat van Gibraltar moesten passeeren, werden zij in dien tijd Straatvaarders genoemd. De jonge man keek eens rond en vond weldra een plaats als stuurman op een dergelijk vaartuig, „het Tuch-huys” geheeten, waarvan Hendrik Thijsze van Schiedam de schipper was. Met dat schip deed hij verscheidene reizen naar de Middellandsche zee, twee jaar lang. Toen begon het Bestand op een einde te loopen. Nu zou dat vervelende tijdperk, hetwelk ons land en ons volk weinig plezier had aangebracht, haast om zijn, en de oorlog, die de Spaansche Oorlog genoemd werd, weer beginnen. En de jonge man, die als kind van acht jaar den zeeslag bij Gibraltar had bijgewoond, en honderdmaal had hooren vertellen vandien ouden, roemrijken tijd, droomde voor zijn toekomst de schoonste droomen.
Het zou zijn laatste reisje zijn als koopvaardijman, zeide hij tot zijn schipper, toen men den steven wederom naar het vaderland wendde. Met een vroolijk hart zag hij, hoe het vaartuig de blauwe golven der Middellandsche zee doorkliefde. Nog enkele dagen en de Straat van Gibraltar zou bereikt zijn, en dan zouden de golven van den Oceaan het scheepje dragen naar het Noorden.
Doch eer het zoover was, werd dat scheepje aangevallen en genomen door de Rifpiraten—en de arme jonge man, met zijn hoofd vol stoute plannen, was opnieuw een rechtelooze slaaf geworden, maar nu van de Ongeloovigen, die hem inlijfden bij het zeevolk van hun vloot. En levenslang zou hij hen moeten dienen in hun rooftochten tegen zijn geloofsgenooten, ja, tegen zijn eigen volk.